OMGEVINGVERGUNING Eibergsetsraat 211 definitief (anoniem)
Tekst van het document
Waterwet Vanuit de inrichting wordt niet verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op grond van artikel 6.2 van de Waterwet zijn directe lozingen in het oppervlaktewater vanuit IPPC-inrichtingen in beginsel vergunningplichtig. Voor diverse directe lozingen in het oppervlaktewater is de vergunningplicht vanaf 1 januari 2013 echter opgeheven. Dit geldt volgens artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) ook voor bovengenoemde lozing. Omdat het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt (paragraaf 3.1.3), is geen vergunning op grond van de Waterwet vereist. De coördinatieplicht uit paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom niet van toepassing. Activiteitenbesluit milieubeheer De inrichting is op basis van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een inrichting type C. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling rechtstreeks van toepassing zijn. In de vergunning zijn alleen voorschriften voor aspecten en activiteiten opgenomen die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling.
Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: - het in werking hebben van een stookinstallatie - het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen; - opslag van mengvoer in silo’s; - opslag van kuilvoer; - opslag van vaste mest; - opslag van smeerolie; - het houden van dieren in dierenverblijven.
25
Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling: - paragraaf 3.2.1: Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof; - paragraaf 3.3.2: Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen; - paragraaf 3.4.3: Opslaan en overslaan van goederen; - paragraaf 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; - paragraaf 3.5.8: Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; - hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.3 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals hiervoor opgenomen en afdeling 2.4 met betrekking tot de gehele inrichting. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als een melding op grond van het Activiteitenbesluit. In het bijgevoegd ‘Beoordelingsverslag: In werking hebben van een inrichting’, is nader ingegaan op de concrete inhoud van de paragrafen uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn.
Overwegingen De aanvraag is beoordeeld aan de hand van het toetsingskader, zoals neergelegd in artikel 2.14 van de Wabo, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij. De beoordeling is verwoord in bijgevoegd beoordelingsverslag aanvraag omgevingsvergunning, onderdeel inrichting. Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen (artikel 2.14, lid 6 van de Wabo in samenhang met artikel 5.4 van het Bor). Hierbij is rekening gehouden met de in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) aangewezen BBT-documenten. Door naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften worden de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken voorkomen, of voor zover dat niet kan, ten minste in voldoende mate beperkt of ongedaan gemaakt.
26
Beoordelingsverslag 1
MILIEU: IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING
1.1
Geldende vergunning voor het onderdeel inrichting
Voor de inrichting is op 22 april 2014 een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning volgens artikel 2.6, lid 1 van de Wabo verleend voor een vleeskuikenbedrijf met twee volwassen paarden. In Bijlage 1 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de maximale ammoniakemissie, de geuremissie (OUE/s) en de fijnstof-emissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning. Het maximaal aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen.
1.2
Aangevraagde vergunning
In Bijlage 2 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de maximale ammoniakemissie, de geuremissie (OUE/s) en de fijnstof-emissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de aangevraagde situatie. Het maximaal aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Toepassing emissiearme (huisvestings)systemen
Ter vermindering van de emissie worden in alle vleeskuikenstallen emissiearme huisvestingssystemen toegepast. De uitvoering van de huisvestingssystemen in de nieuwe pluimveestallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening is beoordeeld aan de hand van de systeembeschrijvingen, zoals vastgelegd in de betreffende leaflets van het huisvestingssysteem. In artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit is opgenomen dat aan deze eisen moet worden voldaan. Doordat dit artikel een rechtstreekse werking heeft worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. De uitvoering van de stallen 1, 2 en 3 op plattegrondtekening is niet opnieuw technisch beoordeeld. Deze beoordeling heeft al plaatsgevonden in het kader van de op 22 april 2014 verleende omgevingsvergunning. De uitvoering van deze stallen wijzigt niet.
1.3
Besluit milieueffectrapportage
De inrichting waarvoor vergunning wordt gevraagd, betreft een project als bedoeld in bijlage II van de m.e.r.-richtlijn. M.e.r.-plicht Bij de beoordeling of een MER-plicht bestaat, dient te worden vastgesteld of de wijziging van de inrichting de in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectraportage (hierna: Besluit m.e.r) genoemde drempelwaarden overschrijdt. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 85.000 stuks mesthoenders (Rav-code E3, E4 en E5).
27
M.e.r.-beoordelingsplicht Bij de beoordeling of een m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat, dient te worden vastgesteld of de wijziging van de inrichting de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden overschrijdt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 40.000 stuks pluimvee (Rav-code E) en 100 paarden (Rav-code K1). De activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd heeft betrekking op de uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met in totaal 196.280 - 152.728 = 43.552 vleeskuikens (diercategorie met Rav-code E 5) en 6 - 2 = 4 paarden (diercategorie met Rav-code K 1). Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, voor zover het betreft de diersoort vleeskuikens. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij besluit van 18 september 2018 hebben wij besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen.
1.4
IPPC-installatie
De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met in totaal 196.280 dierplaatsen voor vleeskuikens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 40.000 plaatsen voor pluimvee overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de Richtlijn industriële emissies (RIE) is geïmplementeerd. Bij het bepalen van de beste beschikbare technieken hebben wij rekening gehouden met het uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302 van de Europese Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. BBT conclusies intensieve veehouderij en reikwijdte Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies voor intensieve veehouderij gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de IPPC-categorie 6.6 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU.
Het gaat om de volgende categorieën: - 6.6a: veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee; - 6.6b: veehouderijen met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg; - 6.6c: veehouderijen met meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De BBT-conclusies hebben betrekking op het aanhouden van voldoende afstand tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, het gebruik van huisvestingssystemen, het optimaliseren van de wijze waarop afvoerlucht uit de stallen wordt verwijderd, het gebruik van luchtzuiveringssystemen en de opslag, het verwerken en het uitrijden van mest. In de BBT is ervoor gekozen de mestproblematiek integraal te benaderen, waardoor er ook aspecten worden behandeld (bijvoorbeeld het uitrijden van mest) die wel op het terrein van het bedrijf maar buiten de grenzen van de inrichting plaatsvinden.
28
Alleen als er sprake is van een technische samenhang kunnen deze activiteiten onderdeel uitmaken van een installatie als bedoeld in de IPPC-richtlijn (art. 2, onderdeel 3, IPPC). Dit is doorgaans niet het geval. De publicatie van de BBT-conclusies brengt met zich mee dat het bevoegd gezag binnen een termijn van vier jaar na de publicatie voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie moet toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie en, indien dit niet het geval is, de voorschriften zo nodig moet aanpassen. Ook moet de vergunninghouder de technieken binnen 4 jaar gebruiken. Is er sprake van verlening van een nieuwe omgevingsvergunning dan gelden de BBT-conclusies direct. Verhouding met nationale wetgeving: Wabo, Bor en Mor Wat betreft het beoordelingskader voor een aanvraag omgevingsvergunning milieu geldt als basis artikel 2.14, Wabo. Artikel 2.14,lid 1 onder c, sub 1, Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu in ieder geval in acht dient te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast.
Lid 6 van artikel 2.14 van de Wabo bepaalt dat bij of krachtens AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende BBT moeten worden bepaald. Daarbij kan worden aangegeven dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie. Een nadere regeling voor het bepalen van BBT is neergelegd in het Bor en in de Mor. Op basis van artikel 5.4 van het Bor en artikel 9.2 van de Mor moet het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende BBT rekening houden met BBT-conclusies en informatiedocumenten die zijn opgenomen in de Mor. Een inrichting moet de BBT toepassen. Het kan echter zo zijn dat locatie specifieke omstandigheden vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de van toepassing zijnde BBT worden toegepast. De BBT dienen terug te komen in de emissiegrenswaarden die in een voorschrift bij de vergunning worden opgenomen. De aan de vergunning verbonden emissiegrenswaarden mogen niet hoger zijn dan de met de BBT geassocieerde emissieniveaus, zoals vastgesteld in de BBT-conclusies. Hierop bestaat een uitzondering, namelijk als het halen van de emissiegrenswaarde, zoals die in de BBT-conclusies staan, leidt tot buitensporig hoge kosten. Als hiervan sprake is kunnen minder strenge emissiegrenzen worden vastgesteld.
Dit zal zelden het geval zijn, aangezien de maatregelen die in de BBT-conclusies staan ook kosteneffectief moeten zijn. Bij veehouderijen die onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen, dient naast de BBT-beoordeling ook het effect van de emissies op de omgeving te worden beoordeeld. Voor emissies waarvoor wettelijk vastgestelde kwaliteitsnormen gelden, moet worden beoordeeld of de inrichting een overschrijding van die normen veroorzaakt. Is dat het geval dan moet gekeken worden met welke maatregelen deze overschrijding kan worden voorkomen en moet in het uiterste geval, als overschrijding niet te voorkomen is, de vergunning worden geweigerd.
29
BBT-conclusies voor Intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij bevat de volgende aspecten: Milieubeheersystemen BBT is om een milieubeheerssysteem in te voeren en na te leven. De mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de veehouderij en het scala aan eventuele millieueffecten ervan. Een IPPC-veehouderij heeft al diverse, uitgebreide, verplichtingen op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, Hoofdstuk VI, met betrekking tot het registreren van veevoer en mest. Deze administratie moet aan de Minister van Economische Zaken worden verstrekt en 5 jaar op het bedrijf worden bewaard. Deze administratie kan dienen als basis voor het milieubeheerssysteem en worden aangevuld met de administratie van het energieverbruik, waterverbruik en afvoer van afval. Onderhoud van installaties ten behoeve van het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu is al onderdeel van de zorgplicht, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. Voor specifiek het onderhouden van huisvestingssystemen voor het houden van dieren geeft artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit een nadere invulling. Bij complexe activiteiten en installaties, zoals bijvoorbeeld een vergistingsinstallatie of luchtwassers, is scholing en instructie van personeel van belang.
De administratie moet dan aangevuld worden met een scholings- en instructieprogramma. Voor specifiek luchtwassers is dit al ingevuld via de verplichte gedragsvoorschriften van artikel 3.125 Activiteitenbesluit. Conclusie De registratieverplichting voor veevoer en mest, in combinatie met de registratie voor energie, water en afval en de zorgplicht en onderhoudsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is voldoende om ook aan de eisen van de BBT-conclusie uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te voldoen voor het houden van dieren. Goede bedrijfspraktijken BBT is om alle technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie toe te passen. Alle technieken genoemd onder a. van de paragraaf ‘Goede bedrijfspraktijken’ worden via de aanvraag en de omgevingsvergunning milieu standaard meegenomen. Alle technieken onder c. vallen onder Titel 17.1 van de Wet milieubeheer ‘Maatregelen bij een ongewoon voorval’. Alle technieken onder c. zijn onderdeel van de zorgplicht, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. Voor onderdeel e. is paragraaf 3 van de Regeling dierlijke producten van toepassing. Conclusie Alle technieken uit de onderdelen a., c., d. en e. van paragraaf 1.2 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie vallen onder bestaande wet- en regelgeving. Onderdeel b., scholing en kennisgeving van personeel, is standaard bedrijfspraktijk.
Voedingsbeheer Het is BBT om stikstof- en fosfaatexcretie te beperken met voermanagement. Het is standaard landbouwpraktijk in Nederland om één van de genoemde technieken uit het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie toe te passen. Meerfasevoedering is veruit de
30
meest gebruikte techniek, voor zowel de varkenshouderij als de pluimveehouderij. Monitoring vindt plaats met het landelijke NEMA-model (National Emission Model for Agriculture). In het rapport van Bruggen et. al. 2015 “Emissies Landbouw 1990-2013” is in bijlage 2 de stikstof- en fosfaatexcretie uit de stal en de wei per diercategorie te vinden. Hieruit blijkt dat de normale landbouwpraktijk voldoet aan BBT. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt de NEMA-resultaten in de berekening van de hoeveelheid mineralen in dierlijke mest die aan landbouwgronden wordt toegediend. De stikstofexcretie wordt hierbij gecorrigeerd voor gasvormige stikstofverliezen die optreden in de stal en in mestopslagen buiten de stal. Deze gegevens worden gebruikt voor beleidsevaluaties en worden aan de Europese Commissie gerapporteerd in het kader van de Nitraatrichtlijn. Conclusie Wat betreft het voedingsbeheer wordt met een normale landbouwpraktijk voldaan aan de BBT-conclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Monitoring vindt landelijk plaats met het NEMA-model en de jaarlijkse CBS-berekeningen. Efficiënt gebruik van water, productie afvalwater en emissies via afvalwater Het is BBT om minimaal twee van de genoemde waterbesparende en twee van de drie productie van afvalwater beperkende technieken toe te passen.
Onderhoud aan de drinkwatersystemen om lekken te voorkomen is al een verplichting via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit (art. 2.1). De overige technieken zijn al onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Voor het verminderen van emissies van afvalwater in het oppervlaktewater en het grondwater gelden regels op grond van het Activiteitenbesluit en de Waterwet. Conclusie Via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit, het toepassen van een normale landbouwpraktijk en het voldoen aan de regels van het Activiteitenbesluit en eventueel een Waterwetvergunning wordt voldaan aan deze BBT-conclusies. Energiebesparing Om efficiënt om te gaan met energie moeten minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, worden toegepast of twee technieken die hieraan gelijkwaardig zijn. Op dit bedrijf worden minimaal twee van deze technieken toegepast. Conclusie Met het voldoen aan minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in paragraaf 1.6 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie wordt voldaan aan de BBT-conclusies. Geluidsbeheerplan, voorkomen geluidemissies Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven. In Nederland is geluid geïmplementeerd in de vergunningverlening, die is gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.
In de gemeente Haaksbergen is gebiedsgericht geluidsbeleid vastgesteld dat de status heeft van de nota industrielawaai, zoals is aangegeven in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen, die gebaseerd zijn op dit gebiedsgericht geluidsbeleid. Door het handhaven op de vergunningvoorschriften, is het maken een geluidsbeheerplan niet nodig. Door het volgen van het gebiedsgericht geluidsbeleid van de gemeente Haaksbergen wordt op dit punt aan BBT voldaan. Ook worden geluidsemissies door het handhaven van de opgenomen vergunningvoorschriften voldoende voorkomen. Conclusie
31
Door het volgen en voldoen aan de geluidnormen van het gebiedsgericht geluidsbeleid van de gemeente Haaksbergen wordt aan de BBT-conclusies voldaan. Stofemissies (inclusief fijnstof) voorkomen Het is BBT om in ieder geval twee preventietechnieken of één stofreducerende of afvangende techniek, die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, toe te passen om de stofemissies uit elke stal te verminderen. In alle stallen binnen de IPPC-installatie moeten maatregelen worden genomen om stofemissies te voorkomen. Dit zijn minimaal twee technieken van de genoemde maatregelen ter preventie van grof stof of fijnstof of één stofreducerende, afvangende of gelijkwaardige techniek. Op dit bedrijf worden alle pluimveestallen voorzien van een luchtmengsysteem voor het drogen van de strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar. De nieuw te bouwen stallen (stalgebouwen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) worden aanvullend voorzien van een warmtewisselaar met 31% emissiereductie fijnstof. Conclusie Omdat op dit bedrijf per stal minimaal twee preventietechnieken worden toegepast of één reducerende of afvangende techniek voor grof of fijnstof wordt toegepast, die genoemd zijn in paragraaf 1.8 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, wordt aan de BBT-conclusies voldaan.
Geur, geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring, geuremissies voorkomen Het is BBT om bij onaanvaardbare geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken, uit te voeren en te evalueren. Daarnaast moeten er minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie. Het geurbeheersplan is alleen nodig wanneer geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten wordt verwacht. Dit is het geval als er sprake is van een klachtenpatroon of dit kan het geval zijn in situaties waarbij de geurnormen op te beschermen geurgevoelige objecten worden overschreden. Van overschrijding van normen op te beschermen geurgevoelige objecten of van een klachtenpatroon is op dit bedrijf geen sprake. Verder worden op dit bedrijf minimaal twee van de technische maatregelen toegepast, die genoemd zijn in paragraaf 1.9 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Rav.
Conclusie Omdat op dit bedrijf minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in paragraaf 1.9 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, er van overschrijding van normen op te beschermen geurgevoelige objecten of van een klachtenpatroon geen sprake is, en monitoring wordt toegepast door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning, wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Opslag vaste mest Het is BBT om ammoniakemissie vanuit de opslag van vaste mest te voorkomen door het toepassen van 1 of meerdere van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Daarnaast moeten emissies naar bodem en water worden voorkomen door minimaal een combinatie van de genoemde technieken in dit uitvoeringsbesluit toe te passen. De vaste mest afkomstig van het pluimvee wordt na iedere mestronde uit de stallen verwijderd en binnen 2 tot 3 dagen afgevoerd. De vaste paardenmest wordt op de aanwezige betonplaat/mestplaat opgeslagen (maximaal 10 m3).
32
Conclusie Het is BBT indien één of een combinatie van de technieken, die zijn genoemd in paragraaf 1.10 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie (Emissies uit de opslag van vaste mest) worden toegepast. Aangezien de vaste pluimveemest direct na iedere mestronde wordt afgevoerd van het bedrijf, is deze BBT-conclusie niet van toepassing. Opslag drijfmest: emissies naar lucht, uit lagune en naar water en bodem Het is BBT om emissie van ammoniak naar de lucht te voorkomen door het toepassen van een combinatie van de in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken. Deze BBT-conclusie geldt voor alle typen mestbassins. Lagunes zijn in Nederland niet toegestaan. Om emissies naar bodem en oppervlaktewater te voorkomen, dient daarnaast een combinatie van de genoemde technieken in dit besluit, of hieraan gelijkwaardige technieken te worden toegepast. De voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zien hierop toe. Hieronder valt bijv. een verplichte afdekking van het mestbassin. Deze voorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn ook van toepassing op IPPC-inrichtingen. Alleen bij grootschalige opslag van drijfmest moeten hierover in een vergunning voorschriften worden opgenomen. De vergunningvoorschriften dienen zodanig van aard te zijn dat ze een gelijkwaardig beschermingsniveau bewerkstelligen.
De opslagcapaciteit van drijfmest is in Nederland voldoende geregeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat binnen de inrichting geen drijfmest wordt opgeslagen. Verwerking van mest op de boerderij, toepassen mestverwerkingstechnieken Als er mest wordt verwerkt op het veehouderijbedrijf, dat is bedoeld om de opslag en/of het uitrijden van mest te vergemakkelijken, is het BBT om één van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te gebruiken. De technieken dienen om stikstof-, fosfor- en geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Een andere mestverwerkende techniek kan ook BBT zijn als rekening wordt gehouden met dezelfde emissies en emissieniveaus. Op het bedrijf vindt geen verwerking van mest plaats. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat geen verwerking van mest binnen de inrichting plaatsvindt. Mest uitrijden: voorkomen stikstof-, fosfor- en ammoniakemissie, onderwerken mest Deze BBT-conclusies uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie bevatten technieken om belasting van het milieu bij het uitrijden van mest te voorkomen. In Nederland zijn de regels voor het uitrijden van mest opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen op grond van de Wet bodembescherming.
Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Het uitrijden van mest is echter een activiteit die buiten de inrichting plaatsvindt. Conclusie Het uitrijden van mest is een activiteit die niet relevant is voor deze inrichting. De vrijkomende pluimveemest wordt namelijk na iedere mestronde vrijwel direct (binnen twee
33
werkdagen) afgevoerd uit de inrichting. Voor zover van toepassing, wordt de paardenmest buiten de inrichting uitgereden.
Emissies uit het gehele productieproces, berekenen ammoniakemissie Landelijk wordt de mineralenbalans jaarlijks door het CBS onderzocht en gepubliceerd. Op bedrijfsniveau is het verplicht een registratie bij te houden op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet met betrekking tot de aanvoer van mineralen in veevoer en de afvoer hiervan via mest. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarnaast zijn ammoniakemissiegegevens vanuit stallen per diercategorie opgenomen in de omgevingsvergunning. De veehouder heeft daarmee een goed beeld van de aanvoer en afvoer van mineralen. Conclusie Met de verplichte registratie op grond van de Meststoffenwet, de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBT-conclusie. Monitoren van ammoniakemissies BBT is om ammoniakemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de Rav., met vastgestelde emissiefactoren op basis van metingen is gelijk aan het systeem zoals genoemd is onder c van paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De Rav wordt circa 2 maal per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt in de Rav. De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav wordt aan deze BBT-conclusie voldaan.
Monitoren van stofemissies BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de vastgestelde fijnstof lijst, vastgelegd op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, met vastgestelde emissiefactoren op basis van metingen is gelijk aan het systeem voor monitoring van stof genoemd onder b. in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De fijnstof lijst wordt één keer per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt. De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de fijnstof lijst wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Monitoren van ammoniak- en fijn stofemissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Alle luchtzuiveringsinstallaties met een werking op ammoniak en fijnstof worden, voordat ze op de Rav- en fijnstof lijst worden geplaatst, gemeten volgens een meetprotocol. Voor ammoniak is dit meetprotocol vastgelegd in de Rav. Voor fijnstof wordt door technische beoordelaars advies gegeven of de metingen voldoende zijn uitgevoerd. In beide gevallen wordt daarbij gebruik gemaakt van toetsing aan EN-standaardmethoden.
Door meerdere stallen met luchtzuiveringsinstallaties te bemeten en de bemeten luchtzuiveringsinstallatie gedetailleerd te beschrijven in de stalbeschrijving, zijn de metingen representatief voor andere stallen met luchtzuiveringsinstallaties. Dit geldt ook voor IPPC-bedrijven. Daarnaast gelden voor alle luchtzuiveringsinstallaties, stalbeschrijvingen, waarin monitoringseisen zijn opgenomen om een goede werking van het systeem te garanderen.
34
Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav- en de fijnstof lijst en de monitoringseisen in stalbeschrijvingen wordt aan deze eis voldaan. Monitoren overige parameters Het is BBT om diverse parameters te registreren. Het registreren van de overige procesparameters genoemd in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie gebeurt als onderdeel van het milieubeheerssysteem, dat door het bedrijf wordt uitgevoerd. Conclusie Aangezien dit bedrijf een milieubeheerssysteem uitvoert dat aan de BBT-conclusies voldoet en deze overige parameters deel uitmaken van dit milieubeheerssysteem, wordt ook aan deze BBT-conclusie voldaan. BBT-conclusies voor intensieve pluimveehouderij Ammoniakemissie uit stallen voor vleeskuikens Het is BBT om de ammoniakemissie in de lucht van elke pluimveestal te verminderen door één of een combinatie van de in paragraaf 3.1 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken toe te passen. Door te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting (hierna: Besluit huisvesting) wordt invulling gegeven aan deze BBT-eis. Conclusie Aangezien het bedrijf voldoet aan het Besluit huisvesting wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij Dit toetsingskader houdt in dat alle dierenverblijven moeten voldoen aan de eis van het toepassen van de BBT.
Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBT-technieken) op te nemen in de omgevingsvergunning. De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren. Als gevolg van deze uitbreiding neemt, door het toepassen van verdergaande emissiereducerende technieken, de ammoniakemissie van de inrichting niet toe. Het emissieniveau van de inrichting in relatie tot de in de omgeving van de inrichting liggende kwetsbare natuurgebieden is aanleiding voor het stellen van een strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBT-technieken). In alle pluimveestallen worden emissiereducerende technieken toegepast die verder gaan dan de eis van minimaal het toepassen van BBT. Deze technieken kunnen op basis van de 'beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij' van 25 juni 2007 (een uitgave van het Ministerie van VROM) (hierna: Beleidslijn IPPC) worden aangemerkt als strenger dan BBT (BBT>). De toepassing van deze technieken voldoet aan de kaders die in deze beleidslijn zijn vastgesteld.
De Beleidslijn IPPC is opgenomen in de bijlage van de Mor en vormt hiermee een wettelijk toetsingskader. De Beleidslijn IPPC is alleen van toepassing indien het aantal te houden dieren van een diercategorie toeneemt. Dit is in de gevraagde vergunning aan de orde. De volgende uitgangspunten zijn opgenomen in de beleidslijn: • bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de
35
ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd (strenger dan BBT); de hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar, dan dient voor het deel boven de 10.000 kg een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd (veel strenger dan BBT). Hierbij geldt dat indien in de vergunde situatie de ammoniakemissie bij toepassing van BBT al meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar bedraagt, de strengere emissie-eisen pas vanaf die hogere ammoniakemissie worden toegepast. Tabel 1: maximale emissiewaarden Besluit huisvesting vergund en aangevraagd Diersoort
Aantal dieren vergund
Aantal dieren aangevraagd
Maximale emissie-wa arde
Vleeskuikens bestaand Vleeskuikens nieuw Paarden 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar
152.728 2
113.280 83.000 6
0,045 0,024 5,0
6.872,76 10,0
5.097,60 1.992,0 30,0
0
6
2,1
-
12,6
6.882,76
7.132,20
Totaal
36
Totaal maximale emissiewaarde vergund
Totaal maximale emissiewaarde aangevraagd
In de volgende acht stappen is de rekenkundige benadering van de Beleidslijn IPPC uitgewerkt. De diercategorie vleeskuikens, waarvoor de Beleidslijn IPPC van toepassing is, is in de beoordeling meegenomen. In overeenstemming met pagina 8 van de Beleidslijn IPPC is voor de berekening van de ammoniakemissie, de ammoniakemissie van de overig te vergunnen dieren, in dit geval de volwassen paarden, opgeteld: 1. vergund BBT (vleeskuikens) + ammoniakemissie paarden: 6.882,76 kg NH3 per jaar; 2. aangevraagd BBT (vleeskuikens) + ammoniakemissie paarden: 7.132,20 kg NH3 per jaar; 3. aangevraagd BBT – vergund BBT = 249,44 kg NH3; 4. verdergaande eisen worden gesteld over het aantal kg NH3: aangevraagd BBT – 6.882,76 kg ➔7.132,20 – 6.882,76= 249,44 kg NH3 per jaar; 5. voor 10.393 vleeskuikens (249,44/0,024 kg NH3) gelden strengere eisen met BBT>; 6. 10.393 vleeskuikens x 0,037 (BBT>) = 384,54 kg NH3; 7. het emissieplafond op basis van de Beleidslijn IPPC bedraagt hiermee 7.267,3 kg NH3 per jaar (6.882,76 + 384,54); 8. aangevraagde ammoniakemissie mag niet meer bedragen dan 7.267,3 kg NH3 per jaar. Aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 4.164,50 kg NH3 (zie tabel 2 van Bijlage 1 van de aangevraagde situatie). Dit is lager dan het emissieplafond op basis van de Beleidslijn IPPC. De aanvraag voldoet aan de Beleidslijn IPPC.
Omdat bij toepassing van de Beleidslijn IPPC het uitgangspunt is dat een vervolgvergunning altijd moet voortbouwen op de voorgaande vergunning, betekent dit dat naast het voldoen aan de eis van BBT,10.393 vleeskuikens conform BBT> moeten worden gehuisvest. Binnen de inrichting worden alle vleeskuikens BBT> gehuisvest.
1.5
Beste Beschikbare Technieken en Toetsingskader
Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wabo (artikel 2.22, lid 3) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Toetsing
In het Besluit huisvesting zijn voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen, maximale emissiewaarden opgenomen. Dit besluit is op 1 augustus 2015 in werking getreden ter vervanging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. In het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij waren uitsluitend maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen. Het Besluit huisvesting regelt in bepaalde gevallen ook de emissie van zwevende deeltjes (fijn stof). Het Besluit huisvesting geldt voor meer diercategorieën dan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. De eisen in het Besluit huisvesting zijn tot stand gekomen door rekening te houden met gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 5.4 van het Bor bij het vaststellen van BBT moet betrekken. Het Besluit huisvesting beperkt zich tot inrichtingen met huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 én die worden gehouden voor de productie van vlees, melk of eieren. Wat betreft de emissie van ammoniak zijn de maximale emissiewaarden opgenomen in bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Deze emissiewaarden dienen in acht te worden genomen bij bestaande dierenverblijven en bij nieuwbouw en aanpassing van huisvestingssystemen.
In de Wav is bepaald dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften van het Besluit huisvesting moet voldoen.
37
Het merendeel van de maximale emissiewaarden voor ammoniak, zoals deze waren opgenomen in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, is aangescherpt, omdat er in de loop der jaren nieuwe technieken zijn ontwikkeld waardoor de emissie vanwege het huisvesten van vee kan worden verminderd. Het gaat om technieken die algemeen beschikbaar en toepasbaar zijn. De verscherpte normen gelden voor alle stallen die na 1 juli 2015 zijn of worden gebouwd. De nieuwe normen gelden echter niet voor stallen waarvoor reeds op 1 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onherroepelijk is, mits de stal vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2016 is opgericht. Ook gelden zij niet voor stallen waar op 1 juli 2015 nog geen sprake was van een onherroepelijke vergunning, maar waarvoor wel vóór die datum een aanvraag was ingediend. Dergelijke stallen moeten evenwel binnen vijftien maanden ná het onherroepelijk worden van de bouwvergunning worden opgericht, anders gelden de nieuwe, strengere normen. Uit het overgangsrecht volgt verder dat de bedrijven, die wel voldeden aan de voorwaarden van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, maar niet voldoen aan de verscherpte normen uit het Besluit huisvesting en waarvoor de verscherpte normen nog niet gelden per 1 augustus 2015, wel per 1 januari 2020 hieraan moeten voldoen.
Tot dat moment gelden voor deze bedrijven de normen zoals deze in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij golden. Het Besluit huisvesting geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Dit is bevestigd in de 'Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij' (een uitgave van het Ministerie van VROM). Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit huisvesting gestelde eisen, is dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT. Wanneer in bijlage 1 van het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde is opgenomen moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. Aangezien in deze inrichting landbouwhuisdieren worden gehuisvest in huisvestingssystemen die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 van het Besluit huisvesting, is dit Besluit op deze inrichting van toepassing. Beste Beschikbare Technieken in relatie tot emissie van ammoniak (NH3) De maximale emissiewaarden die van toepassing zijn, zijn afgeleid uit de artikelen 3, 4 en 5 in samenhang met de waarden in de kolommen A, B en C van bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Vleeskuikens zijn opgenomen in bijlage 1 van het Besluit huisvesting.
- voor de aangevraagde huisvestingssystemen in de bestaande vleeskuikenstallen 1, 2 en 3 geldt de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar uit kolom A van bijlage 1. Kolom A geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015; - voor het aangevraagde huisvestingssysteem in de nieuwe vleeskuikenstallen 4, 5 en 6 geldt de maximale emissiewaarde van 0,024 kg NH3 per dierplaats per jaar uit kolom C van bijlage 1. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020. Voor alle aangevraagde huisvestingssystemen geldt dat de van toepassing zijnde maximale ammoniakemissiewaarden uit het Besluit huisvesting niet worden overschreden. De gevraagde omgevingsvergunning voldoet aan het criterium van het toepassen van BBT voor de emissie van ammoniak. Voor de diercategorie paarden (volwassen en in opfok) geldt geen maximale emissiewaarde. De voorgestelde huisvestingssystemen in de stallen 7 en 9 voor de paarden voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van BBT. Beste Beschikbare Technieken in relatie tot zwevende deeltjes (PM10) Naast de maximale emissiewaarden voor ammoniak gelden voor vleeskuikens
38
ook maximale emissiewaarden voor fijnstof. De verscherpte normen gelden voor alle stallen die na 1 juli 2015 zijn of worden gebouwd. De nieuwe normen gelden echter niet voor stallen waarvoor reeds op 1 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onherroepelijk is, mits de stal vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2016 is opgericht. Ook gelden zij niet voor stallen waar op 1 juli 2015 nog geen sprake was van een onherroepelijke vergunning, maar waarvoor wel vóór die datum een aanvraag was ingediend. Dergelijke stallen moeten evenwel binnen vijftien maanden ná het onherroepelijk worden van de bouwvergunning worden opgericht, anders gelden de nieuwe, strengere normen. In bijlage 2 van het Besluit huisvesting is voor de diercategorie vleeskuikens een maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes van 16 PM10 per dierplaats per jaar opgenomen. In de stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening wordt het huisvestingssysteem E 5.11 in combinatie met het stalsysteem E 7.6 toegepast. Voor fijnstof is in dat geval een emissiewaarde van 15 PM10 per dierplaats per jaar van toepassing. De voorgestelde huisvestingssystemen voor vleeskuikens in de stallen 4, 5 en 6 voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT.
De aangevraagde stallen 1, 2 en 3 op plattegrondtekening voldoen, wat betreft de ammoniakemissiefactor, aan de strengere norm die geldt voor nieuw te bouwen stallen op basis van kolom A van het Besluit huisvesting. Wat betreft de emissie van fijnstof wordt niet voldaan aan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes uit bijlage 2 van het Besluit emissiearme huisvesting. De stallen 1, 2 en 3 met het huisvestingssysteem E 5.11 zijn onherroepelijk vergund bij besluit van 22 april 2014 en opgericht voor de datum van 1 oktober 2016. De voorgestelde huisvestingssystemen voor vleeskuikens in de stallen 1, 2 en 3 voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. Conclusie BBT De dierenverblijven voldoen aan de eisen van het Besluit huisvesting. Er is geen reden de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
1.6
Geurhinder uit dierenverblijven en Toetsingskader
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet schrijft voor op welke wijze geurhinder vanwege dierenverblijven moet worden beoordeeld bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij biedt de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen. In de gemeente Haaksbergen is geen geurverordening vastgesteld voor het gebied waarin de inrichting is gelegen. Toetsing geurhinder
De geurhinder, die afkomstig is vanuit de dierverblijven binnen de inrichting, is getoetst aan de normen voor de geurbelasting en de afstandseisen uit de Wgv. Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. Binnen de inrichting worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Ook worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor wel geuremissiefactoren gelden. Voor deze twee delen van de inrichting wordt, voor elk deel afzonderlijk, een beoordeling van de geurhinder opgesteld. De inrichting en de nabij gelegen geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. De inrichting is gelegen in een concentratiegebied, zoals bedoeld in de Meststoffenwet.
39
Beoordeling dieren met geuremissiefactoren
Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op geurgevoelige objecten worden bepaald. De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3, lid 1 van de Wgv. Een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied: • binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; • buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd. (hoofdstuk 11 van de bijlage bij de aanvraag in het document ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’). Geurgevoelige objecten - De woning gelegen aan de Eibergsestraat 211 betreft een bij de inrichting behorende bedrijfswoning. Daarom wordt deze woning niet in de berekening meegenomen; - De woningen gelegen aan de Eibergsestraat 207 en 213 zijn agrarische bedrijfswoningen waarvoor een vaste afstand geldt; - De woningen aan de Eibergsestraat 262 en 264 zijn geurgevoelige woningen, geen onderdeel uitmaken van een andere veehouderij.
Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd1. Het resultaat van die V-Stacksberekening komt overeen met een controleberekening2. De geurbelasting afkomstig van de inrichting op nabij gelegen geurgevoelige objecten, met uitzondering van de woningen behorend bij een veehouderij, bedraagt: • 1,5 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Zandpaalweg 3; • 4,0 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Vloedsteegweg 1-Z; • 4,8 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Eibergsestraat 264; • 6,1 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Eibergsestraat 262. Uit bovenstaande blijkt dat de normen voor de geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op de nabij gelegen geurgevoelige objecten niet worden overschreden. Beoordeling dieren zonder geuremissiefactoren ('vaste afstanden')
In bijlage 1 van de geurregeling zijn voor volwassen paarden en paarden in opfok geen geuremissiefactoren opgenomen. Op grond van de Wgv (artikel 4, lid 1) betekent dit dat voor deze diercategorieën een vaste afstand tot geurgevoelige objecten moet worden aangehouden. Voor volwassen paarden en paarden in opfok gelden de volgende minimale vaste afstandseisen: • 100 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom; • 50 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De werkelijke afstand vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting tot de gevel van het dichtstbijgelegen geurgevoelige object bedraagt circa 190 meter (Eibergsestraat 262 in Haaksbergen). Dit geurgevoelige object is buiten de bebouwde kom gelegen. Op grond van het bovenstaande wordt voldaan aan de vaste afstandseisen.
1 Zie het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ 2
Bijlage 4 bij dit besluit
40
Algemene afstanden voor alle dierenverblijven De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een voor geurgevoelig object dient te bedragen: • 50 meter binnen de bebouwde kom; • 25 meter buiten de bebouwde kom. Binnen 50 meter vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf is geen geurgevoelig object gelegen. Op grond van het bovenstaande wordt voldaan aan de algemene afstandseisen volgens artikel 5, lid 1 van de Wgv. Woningen behorend bij een andere veehouderij Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij geldt een uitzondering op het algemene beschermingsniveau. Dit geldt ook voor geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 opgehouden hebben deel uit te maken van een andere veehouderij. De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat deel uit maakt van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom, moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand tussen de inrichting aan de Eibergsestraat 211 en de agrarische bedrijfswoningen aan de Eibergsestraat 207 en 213 liggen op meer dan de minimaal vereiste afstand van 50 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter volgens artikel 3, lid 2 van de Wgv. Conclusie: Het aspect geur vanuit dierverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
41
1.7
Ammoniakemissie uit dierenverblijven en Toetsingskader
Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). De Wav beoogt de zeer kwetsbare gebieden te beschermen tegen de effecten van ammoniakdepositie. De dierenverblijven van de inrichting liggen binnen een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied. De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren binnen de veehouderij. Op grond van de Wav (artikel 6) moet een vergunning voor een uitbreiding van een veehouderij met het aantal te houden dieren worden geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk in een zeer kwetsbaar gebied of een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied ligt. Op grond van artikel 7 van de Wav wordt in afwijking van artikel 6 de vergunning niet geweigerd voor zover de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde (ammoniakplafond). Het ammoniakplafond wordt bepaald door de gecorrigeerde ammoniakemissie met de vergunde ammoniakemissie te vergelijken.
De gecorrigeerde ammoniakemissie is de ammoniakemissie, zoals die voor de uitbreiding is vergund en waarbij de emissie berekend moet worden met toepassing van de maximale emissiewaarden op grond van het Besluit huisvesting. Hierbij wordt opgemerkt dat de uitbreiding van paarden niet meegerekend hoeft te worden (artikel 7, lid 1 onder c.). Wanneer een veehouderij al eerder heeft uitgebreid met toepassing van de Wav, tellen de extra dieren zoals paarden, schapen, biologische dieren, dieren ten behoeve van natuur en melkrundvee (artikel 7 lid 2), niet mee bij het berekenen van de gecorrigeerde emissie-waarde. Op basis van de omgevingsvergunning revisie milieu van 22 april 2014 mogen binnen de inrichting 152.728 vleeskuikens worden gehouden. Voor deze vleeskuikens in de bestaande stallen geldt een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar. Het ammoniakplafond bedraagt 152.728 x 0,045 = 6.872,76 kg NH3 per jaar. Het vergunde emissieniveau bedraagt 5.071,4 kg ammoniak per jaar. Deze bedraagt niet meer dan de gecorrigeerde ammoniakemissie. Hieruit volgt dat het ammoniakplafond gelijk is aan het vergunde emissieniveau. De aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 4.164,5 kg NH3/jaar en is lager dan het ammoniakplafond van 5.071,4 kg NH3/jaar. Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven
De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
1.8
Anders agrarisch
Directe ammoniakschade
De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden.
42
Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend. De inrichting draagt niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade.
1.9
Verruimde reikwijdte
Naast het voorkomen van gevaar, schade en hinder moeten onder andere ook de aspecten energie, water, afval en vervoer worden betrokken in de omgevingsvergunning. Deze aspecten vallen onder de term 'verruimde reikwijdte'. Energiebesparing
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met energie. Bij een jaarlijks energieverbruik van meer dan 75.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 200.000 kWh elektriciteit wordt het uitvoeren van een energiebesparingsonderzoek relevant geacht. Bij een jaarlijks energieverbruik van meer dan 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 50.000 kWh elektriciteit moeten energiebesparingsmaatregelen worden genomen, voor zover deze rendabel zijn. Een rendabele maatregel is een maatregel met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar. In het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag is het jaarlijkse elektriciteits- en aardgasverbruik opgenomen. Tevens is hier aangegeven welke energiebesparende maatregelen getroffen zijn of zullen worden getroffen. De huidige inrichting verbruikt jaarlijks 185.000 kWh elektriciteit, 35.000 m3 aardgas en 7.500 m3 water. Zoals uit de aanvraag blijkt, overschrijden het elektriciteit- en aardgasverbruik eerdergenoemde grenzen van 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 50.000 kWh elektriciteit. Uit het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag (hoofdstuk 15: Rubriek Energie) blijkt dat de binnen de branche gebruikelijke energiebesparende maatregelen reeds zijn, dan wel worden getroffen.
Het in de vergunning voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. In de vergunning is alleen een voorschrift opgenomen dat het energieverbruik moet worden geregistreerd. Dit voorschrift moet leiden tot meer inzicht in het energieverbruik. Waterbesparing (leiding- en grondwater)
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met water. De relevantie van waterbesparing is sterk afhankelijk is van de lokale situatie. Per situatie zal beoordeeld moeten worden of maatregelen voor het aspect water relevant zijn of niet. Het vigerende lokale beleid is dan richtinggevend. Omdat door het bevoegd gezag geen specifiek beleid is vastgesteld wordt vooralsnog, in overeenstemming met de 'oude' 8.40 Amvb’s, een jaarlijks waterverbruik van ten minste 5.000 m3 per jaar als ondergrens gehanteerd. In het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag (hoofdstuk 16: Rubriek Water) is het jaarlijkse waterverbruik opgenomen. In de aanvraag is niet aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van waterbesparing. Waterbesparing wordt in belangrijke mate gerealiseerd door toepassing van de stand der techniek. Waterbesparende voorzieningen zijn in ruime mate beschikbaar en nauwelijks duurder dan de klassieke niet-waterbesparende alternatieven. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie dienen dan ook altijd de waterbesparende voorzieningen, conform de stand der techniek, te worden toegepast.
43
Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt het waterverbruik meer dan 5.000 m3 per jaar. Belangrijkste gebruiksdoelen zijn drinkwater voor de dieren, privédoeleinden, sanitaire voorzieningen en ten behoeve van schoonmaakwerkzaamheden. Om te kunnen leven en produceren hebben de dieren een minimale hoeveelheid drinkwater nodig. De stand der techniek is dat automatisch maatregelen worden getroffen om het morsen en verspillen van water te voorkomen. Extra waterverbruik geeft meer mest dat op verantwoorde wijze moet worden afgevoerd. Daarnaast worden de stallen na elke mestronde gereinigd met een hogedrukreiniger. Wanneer deze verbruiksvormen buiten beschouwing worden gelaten bedraagt het waterverbruik minder dan 5.000 m³ per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een waterbesparingsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. In de vergunning is alleen een voorschrift opgenomen dat het waterverbruik moet worden geregistreerd. Afvalpreventie
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie. Afvalpreventie is in ieder geval relevant bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen. In de aanvraag zijn de afvalstromen aangegeven die binnen de inrichting vrijkomen. In de aanvraag is niet aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van afvalpreventie. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt de hoeveelheid gevaarlijk afval minder dan 2,5 ton per jaar en de hoeveelheid bedrijfsafval minder dan 25 ton per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een afvalpreventieonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verkeer en vervoer
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect verkeer en vervoer. Bij meer dan 100 werknemers of meer dan 500 bezoekers per dag of meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer of meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders worden voorschriften ten aanzien van verkeer en vervoer relevant geacht. In de voorliggende situatie worden deze grenzen niet overschreden. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig.
1.10 Geluid en trillingen Algemeen
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door transportbewegingen en ventilatoren. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Geurts Technisch Adviseurs, d.d. 12 juni 2019 nr. 8.5337. Het geluid is beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt), alsmede de incidentele bedrijfssituatie (de geluidemissie die de inrichting niet meer dan 12 x per jaar veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
44
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". De inrichting ligt in de gemeente Haaksbergen. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag-, avond- en nachtperiode. De berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus voor de representatieve bedrijfssituatie bedragen ten hoogste 38/35/30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van geluidgevoelige objecten in de directe omgeving van de inrichting. Omdat ventilatorgeluid bepalend is voor de berekende geluidsbelasting en ten aanzien van de brongeluidniveaus voor bedrijfsduurcorrectie en afscherming correcties zijn berekend tot -18 dB(A) in de nachtperiode zal na in werking brengen van de installaties middels een controlemeting worden aangetoond dat overeenkomstig de uitgangspunten van het onderzoek wordt gewerkt. Gemeente Haaksbergen heeft beleid voor industrielawaai vastgelegd in de nota Industrielawaaibeleid Haaksbergen, Buitengebied d.d. 18 mei 2005. De geluidsbelasting is aan deze nota getoetst. Aan de streefwaarde uit deze nota wordt voldaan in de zowel representatieve bedrijfssituatie als in de incidentele bedrijfssituaties. Maximaal geluidsniveau (LAmax)