Haaksbergen, bestemmingsplan Brem 1 en 5
Tekst van het document
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
29
mengmonster MM FF - Gat 11 en 12 niet asbesthoudend is. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Actualisatie bodemonderzoek Het verkennend bodemonderzoek is meer dan 2 jaar geleden uitgevoerd. Een actualisatie van het rapport is daarom vereist. Kruse Milieu BV heeft op 8 maart 2023 een actualisatie uitgevoerd door een vooronderzoek, zie Bijlage 4 Actualisatie bodemonderzoek. Het vooronderzoek dient om inzicht te krijgen in hoeverre bodemverontreinigingen kunnen zijn ontstaan sinds november 2020 en of het verkennend bodemonderzoek nog voldoende actueel is. Conclusie Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem na 2020 mogelijk verontreinigd is geraakt. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht beschouwd worden. De resultaten van het eerdere bodemonderzoek (Kruse Milieu BV, november 2020) kunnen als voldoende actueel worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk. De bodem is geschikt voor het beoogde doel.
4.4
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Voor het plangebiedt geldt dat de direct omliggende wegen vallen binnen de 30 km-zone. Op wat grotere afstand ligt de Noordsingel, een rondweg waar een maximumsnelheid van 50
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
30
km/uur geldt. Vanwege een eerder initiatief op een deel van van de planlocatie waarbij eveneens was voorzien in geluidgevoelige objecten, is een akoestich onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (Alcedo, 15-11-2021, projectnummer 21-08731.R01.V01), zie Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de Noordsingel ten hoogtste 29 dB (inclusief 5 dB correctie) bedraagt, waarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting als gevolg van de Brem, Hondsraf, Jeneverbes, en Akelei bedraagt ten hoogste respectievelijk 43 dB, 42 dB, 31 dB en 23 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt voor alle 30 km/uur wegen afzonderlijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor geluidsgezoneerde wegen voldaan. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt bij de woningen ten hoogste 49 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de maximale grenswaarde zoals geldt voor individuele geluidsgezoneerde wegen van 68 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Op basis daarvan is geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai realisatie van de geluidgevoelige objecten mogelijk was.
Voor de voorliggende planontwikkeling geldt dat de onderzochte locatie een deel van het plangebied is en dat het andere gedeelte aan de Brem op vergelijkbare afstand van de Noordsingel ligt. Gezien het verrichte onderzoek kan daarmee de conclusie worden getrokken dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling. Geluid vanwege bedrijfsactiviteiten De nabijheid van met name de kinderopvang bij de te realiseren woningen is aanleiding onderzoek te verrichten naar de akoestische situatie. Dit onderzoek is toegelicht in paragraaf 4.3. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat mits er een geluidsscherm van 2,25 m wordt gerealiseerd. Een dergelijk geluidsscherm wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. De locatie ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein, waardoor nader onderzoek naar deze aspecten niet nodig is.
4.5
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
31
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De planontwikkeling voorziet in het realiseren van 5 patiowoningen, met name geschikt voor ouderen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 37,5, afgerond 38 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 38 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
32
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal.
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.
Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.4 is een uitsnede van de riscokaart weergegeven.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
33
Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl) Toets De dichtstbijzijnde risicobron is een transport buisleiding, dat betreft een aardgasleiding met een maximale werkdruk van 40 bar. Deze afstand is ruim voldoende. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,07 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.7
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
34
Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.
Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld.
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
35
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Er is een gescheiden rioolstelsel voor hemelwater en rioolwater. Het hemelwater zal worden opgevangen op eigen terrein en in de grond worden geínfiltreerd. Watertoetsproces Op 21 april 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6 Watertoets. Hieruit volgt een positief wateradvies van het Waterschap Vechtstromen en wordt aangegeven dat de korte procedure kan worden gevolgd.
4.8
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden die is uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (d.d. 25 april 2023) , zie ook Bijlage 7 Quickscan natuurwaardenonderzoek. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt op minimaal 2,26 km afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het NNN ligt, hoeft de voorgenomen ontwikkeling niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument.
Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Buurserzand & Haaksbergerveen, ligt op minimaal 2,54 m afstand ten oosten van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en geen bezet nest, of nestplaats negatief beïnvloed. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier, amfibie of vogel gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
36
de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Stikstofberekening Voor dit bestemmingsplan zijn twee stikstofberekeningen (AERIUS) uitgevoerd, één voor de aanlegfase en één voor de gebruiksfase. De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 4 Stikstofberekening bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten/cocncusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt verwezen naar de Bijlage 8 Stikstofberekening. De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2022. Voor de aanlegfase is gerekend voor het rekenjaar 2023, omdat geacht wordt dat het project in 2023 zal worden uitgevoerd. Voor de gebruiksfase is gerekend voor het rekenjaar 2024, omdat de appartementen naar verwachting dan pas bewoonbaar zullen zijn. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in totaal 35,0 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,3 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt 4,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2022 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
37
houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Voor deze planontwikkeling heeft Laagland Archeologie een inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd (april 2023), zie Bijlage 9 Archeologisch onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen SIKB KNA 4003. In een eerder stadium is voor het aangrenzende terrein een bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek uitgevoerd. Het hieronder beschreven onderzoek haakt aan op dit onderzoek en bestaat uit een verkennend booronderzoek. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem tot in de C-horizont is verstoord. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt daarom laag geacht.
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie. De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Haaksbergen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed). Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Ter plaatse van het projectgebied en in de directe omgeving hiervan is geen sprake van cultuurhistorische waarden.
Tevens zijn er in de omgeving van het projectgebied geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten aanwezig. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. Mochten bij de graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht.
4.10
Verkeer / parkeren
Voor het beoordelen van het verkeersaspect en parkeren wordt bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" gehanteerd. Deze richtlijn hanteert een gradatie in de stedelijkheidsgraad en de specifieke ligging van de planlocatie. Voor dit plangebied wordt uitgegaan van 'matig stedelijk gebied' en 'rest bebouwde kom'. De richtlijn kent minimale en maximale kengetallen. In de gemeente Haaksbergen wordt uitgegaan van de gemiddelde waarden. Deze woningen worden niet specfiek benoemd in de CROW-richtlijn. Daarom wordt gekeken naar de een voorziening die qua functioneren en gebruik (het meest) vergelijkbaar is. De enigszins vergelijkbare woningen zijn: Tussen-/hoekwoning; Etagewoning (goedkoop); Aanleunwoningen; Tiny house. Gezien de omvang van de woningen lijkt de norm voor een etagewoning de meest passende
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
38
vorm. Dit vanwege de grootte van de geplande woningen. Voor deze planontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerskundige effecten van de realisatie van de 9 woningen (BVA Verkeersadviezen, 20 april 2023), zie Bijlage 10 Verkeerskundige effecten. In dit onderzoek is ingegaan op de parkeerbehoefte, de aanwezige parkeerplaatsen en is er een parkeerdrukmeting uitgevoerd op verschillende momenten. Tevens is er gekeken naar de verkeersgeneratie als gevolg van dit plan. Parkeren Voor parkeren wordt ook de norm voor een etagewoning gehanteerd, een gemiddelde van 1,6 parkeerplaats per woning, daarvan is een deel voor de bezoekers (0,3 parkeerplaaats). Voor 5 woningen betekent dit een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen. Omdat niet alle bewoners en bezoekers tegelijk aanwezig zijn, wordt er bij berekenen van de parkeerbehoefte gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages per doelgroep per moment. Daaruit volgt een parkeerbehoefte voor maximaal 8 voertuigen (in de werkdagavond). Voor het plangebied geldt volgens het geldend bestemmingsplan een maatschappelijke bestemming, waarvoor parkeergelegenheid is gerealiseerd. De maatschappelijke bestemming die onderdeel is van dit bestemmingsplan is uitsluitend meegenomen vanwege de functie-aanduiding 'nachtverblijf uitgesloten'.
Voor het bepalen van de vraag of er voldoende parkeerplaatsen zijn, hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte vanwege het realiseren van deze voorliggende planontwikkeling voor woningbouw. Daarom wordt een vergelijk gemaakt tussen huidige en toekomstige parkeerbehoefte volgens de planologische mogelijkheden. Dit wordt onderstaand toegelicht. Op het tussenliggende terrein met dezelfde bestemming bevinden zich nu een gezondheidscentrum en een kinderopvang. Voor de huidige planologische situatie is een gezondheidscentrum mogelijk binnen het plangebied op de nog onbebouwde terreinen. Voor deze functie geldt een norm voor parkeren met een gemiddelde van 2,15 parkeerplaats per behandelkamer. Gezien de oppervlakte van de mogelijk te bebouwen bouwvlakken op Brem 1 en Brem 5 (totaal ca. 1.000 m²), kan worden uitgegaan een meerdere behandelkamers. Voor elke woning is qua oppervlakte minimaal één behandelkamer te realiseren, waardoor er 9 behandelkamers kunnen worden gerealiseerd. Daarmee zou een parkeerbehoefte bestaan van in totaal 19,35 parkeerplaatsen. Een andere mogelijkheid op basis van het huidige bestemmingsplan zou zijn uitbreiding van de kinderopvang. Een kinderopvang kent een parkeernorm van 1,4 parkeerplaats per 100 m² brutovloeroppervlak. Dat zou een totale parkeerbehoefte van 14 parkeerplaatsen met zich mee brengen.
Dat betekent dat het aantal benodigde parkeerplaatsen in de huidige (planologische) situatie meer is dan de parkeerbehoefte als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Zoals aangegeven heeft BVA Verkeersadviezen een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerskundige effecten van deze planontwikkeling, zodat deze effecten - waaronder het parkeren - concreter zijn uitgewerkt. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek weergegeven. In het parkeerdrukonderzoek dat voor het uitwerken van scenario 1 is uitgevoerd, is vastgesteld dat er in de omgeving van de nieuwe woningen 30 openbare parkeerplaatsen liggen. Hiervan worden er volgens het parkeeronderzoek op het drukste moment maximaal 17 gebruikt. Dit betekent dat er op alle momenten minimaal 13 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Zoals hierboven is aangegeven ligt de maximale parkeervraag voor de ontwikkeling van 5 patiowoningen op afgerond 8 parkeerplaatsen. Omdat de maatgevende momenten van de bestaande situatie en de nieuwbouw, voor zover het de parkeervraag betreft, samenvallen (werkdagavond), is te concluderen dat er in het openbare gebied voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om de gehele parkeervraag van de nieuwbouw op te vangen. Na realisatie van de 5 patiowoningen blijft er in de openbare ruimte nog een restcapaciteit over van 5 parkeerplaatsen.
Als er daarnaast ook nog wordt uitgegaan dat parkeerplaatsen op het terrein van de maatschappelijke voorzieningen (Gezondheidscentrum en KDV) aan de zuidzijde van de Brem (sectie 18) beschikbaar zijn voor gebruik door bewoners (en bezoekers) van de nieuwbouwwoningen, dan ontstaat het beeld zoals weergegeven in tabel 2. Dan blijkt er meer dan voldoende parkeerruimte aanwezig te zijn. Op het maatgevende moment is 56% van de parkeerplaatsen bezet.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
39
Zoals uit bovenstaande tabel is op te maken stonden er tijdens het onderzoek ook tijdens de avonduren en het weekend auto’s geparkeerd bij de maatschappelijke voorziening. Ook wanneer dit niet meer wordt toegestaan en deze voertuigen op de openbare parkeerplaatsen moeten staan blijven er nog 3 parkeerplaatsen onbezet. In alle gevallen is er dus in dit scenario 2 voldoende parkeergelegenheid beschikbaar op de gehele parkeervraag van 5 patiowoningen op te vangen. Het is daarbij wel goed om te vermelden dat bij mogelijke ontwikkelingen op het perceel met de maatschappelijk bestemming de beschikbare parkeerruimte tijdens de avonduren openbare ruimte beperkt is, maar dat er op tijdstippen wanneer deze functie (waarschijnlijk) de hoogste parkeervraag heeft (werkdagmiddag) er in de openbare ruimte weer meer parkeergelegenheid beschikbaar is. Een sluitende parkeerbalans kan hiervoor echter pas opgesteld worden zodra de exacte invulling bekend is. Verkeer Uitgaande van de normen voor een etagewoning geldt er op basis van de CROW-richtlijn dat wordt uitgegaan van 4,9 verkeersbewegingen per woning per etmaal op een gemiddelde weekdag. Voor een gemiddelde werkdag moet dit aantal worden vermenigvuldigd met 1,11. Dat levert een verkeersgeneratie op van 27 verkeersbewegingen voor de 5 woningen.
Een aantal van 27 voertuigbewegingen per etmaal betekent in het drukste uur, dat ongeveer 10% van de etmaalintensiteit bevat, 3 voertuigbewegingen. Anders gezegd één voertuig per 20 minuten. Het is evident dat dergelijke aantallen eenvoudig kunnen worden afgewikkeld op de omliggende wegen, waar intensiteit naar verwachting al heel laag is, en dat deze niet zullen leiden tot verkeerveiligheidsknelpunten dan wel afwikkelingsproblemen. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'verkeer' en 'parkeren' geen belemmeringen opleveren.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
40
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de regels ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); specifieke gebruiksregels In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
41
wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel; Deze bepaling bevat een opsomming om te voorkomen wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Groen Voor het aan te leggen (voet)pad en groen aan de oostzijde in het plangebied, is een groenbestemming opgenomen, waarbinnen onder andere groen- en speelvoorzieningen zijn toegestaan. Tevens zijn onder andere ook bijbehorende paden en verhardingen, parkeerstroken en bouwwerken geen gebouwen zijnde, toegestaan. Maatschappelijk De bestemming 'Maatschappelijk' is reeds geldend voor deze locatie. In dit bestemmingsplan is de functie-aanduiding 'nachtverblijf uitgesloten' opgenomen, waardoor overnachten in combinatie ten behoeve van een maatschappelijke bestemming is uitgesloten. Wat betreft de bouwregels, is alleen een plat dak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 m, maximaal één bouwlaag vanuit de stedenbouwkundige inpassing. Verkeer - Openbaar erf Voor het pad aan de westzijde in het plangebied is de bestemming 'verkeer - openbaar erf' opgenomen, aansluitend aan de besteming van de omliggende wegen, parkeervakken en groen. Wonen
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
42
Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan. Voor de percelen is een maximum aantal toegestaan, evenals een maximale bouwhoogte. Binnen de bestemming zijn onder andere ook erven, tuinen en paden en parkeervoorzieningen toegestaan.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
43
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
44
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven akkoord te zijn met de ontwikkeling. Waterschap Vechtstromen Op 21 april 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Tevens is het Waterschap door de gemeente geïnformeerd over de ontwikkeling. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 11 mei 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn 3 zienswijzen binnengekomen. De Nota van Zienswijzen is als bijlage opgenomen, zie Bijlage 11 Zienswijzennota.
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
45
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
46
Bijlage bij toelichting
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
47
Bijlage 1
Stedenbouwkundige inpassing
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
48
Stedenbouwkundige inpassing onderwerp
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Haaksbergen
datum
april 2023
opstellers Moniek Otten aan
Gemeente Haaksbergen t.a.v. mw. Harriët Zuethoff, dhr. Reinder Jacobi
afb.1 Huidige topografische situatie (bron: QGIS 2022)
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
Verzoek Als opvolging van de stedenbouwkundige studie van november 2022, is er behoefte aan een verdere uitwerking van Model 2 - Patio-wonen. De wens is 9 patiowoningen in te passen, verdeeld over de twee locaties Brem 1 en Brem 5.
Huidige situatie Hassinkbrink is een groene ruim opgezette wijk met verschillende woningtypes. Aan de noordzijde (Brem) van het plangebied staan rijwoningen en aan de oost (Jeneverbes) en westzijde (Hondsdraf) tweekappers en op de oosthoek een vrijstaande woning. Door de aanwezigheid van de rijwoningen en de kinderopvang is de Brem stevig voorzien van parkeerplaatsen. Aan de zuidzijde is de beëindiging van een groen lint met daarin een speelplek. De zuidelijk gelegen bebouwing is afgescheiden door een stevige groenstructuur en een lichte steilrand, vermoedelijk afkomstig vanuit de historisch gelegen es. In het plangebied is het middelste kavel voorzien van de kinderopvang. Het kavel is grotendeels verhard met bebouwing en speelplaats. Aan de zuidzijde wordt met een groene speelplek aangesloten op de groene context richting het fietspad. Vanuit de historie is de Hassinkbrink een essen-landschap. Begin deze eeuw is de woonwijk Hassinkbrink ontwikkeld. De wijk heeft ruimte gelaten voor de beken en enkele oost-west georiënteerde groene zones. De zuidzijde grenst aan een uitloper hiervan.
afb.2 luchtfoto plangebied (bron: QGIS 2022)
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
afb.3 huidige parkeersituatie van de Brem.
afb.4 fietspad achter de kinderopvang.
afb.5 fietspad in het verlengde van de Jeneverbes.
afb.6 perceel aan de oostzijde van de kinderopvang.
•
5 bomen
•
9 parkeerplaatsen
•
verharding
•
gras
•
entree dagopvang
•
19 parkeerplaatsen
•
verharding
•
steilrand
•
container opstelplek
•
2 bomen
•
3 parkeerplaatsen
•
gras
afb.7 huidige situatie
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
Stedenbouwkundige inpassing Context Aansluitend op de omliggende woonblokken, waarbij in het bestemmingsplan is een groene tuin-zone is opgenomen, wordt dit overgenomen bij de invulling van de locaties Brem 1 en 5. Hiermee wordt eenheid in de wijk verkregen. Hierbij is de zuidzijde breder zodat ruimte wordt geboden aan het fietspad en wordt beantwoord aan de groene stijlrand. Stedenbouwkundig Individuele patiowoningen kunnen aan elkaar worden geschakeld en vormen daarmee de gevelwand. Hierbij zijn verschillende schakelmodellen mogelijk (patio’s aan de straatzijde of achterzijde, patio’s tegen elkaar of tussen de woningen, enz). De rij patiowoningen vormt in zijn geheel een alzijdig gebouw, zodat de ruimte tussen de kinderopvang en de woningen collectief gebruikt kan worden voor groen en wateropvang. Dit kan tevens een aanleiding zijn de erfgrens van de opvang te verzachten en klimaatadaptiever te maken. De maximale bebouwingshoogte is één bouwlaag. Uitgangspunt is dat de individuele woning herkenbaar is. Door het zichtbaar maken van de ‘kleine korrel’ (individuele woning) wordt de lengte van de gevel doorbroken en sluit deze stedenbouwkundig aan bij de wijk. Openbare ruimte De openbare ruimte zo veel mogelijk handhaven. Bestrating kan vervallen waar deze niet nodig is, zodat zoveel mogelijk water kan infiltreren en vergroening plaats kan vinden.
De tuin-zone uit het concept vormt de intermediair tussen het private eigendom en de openbare ruimte en zou zo veel mogelijk groen gehouden moeten worden
afb.8 plangebied (bron: QGIS)
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
Water en groenstructuur Om te voldoen aan de wateropgaaf en te anticiperen op de toekomst is het advies zoveel mogelijk tuin on- of halfverhard te maken. Toevoegen van bomen is daarbij wenselijk. Klimaatadaptatie en biodiversiteit Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen is het mogelijk een gezonde en aantrekkelijke buurt te creëren. En groen in de buurt levert veel meer op dan alleen maar een mooi plaatje. Groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Juist dankzij deze bevolkingsgroepen komt de leefomgeving pas écht tot leven. De nieuwe gebouwen, de omliggende tuinen en het openbaar groen kunnen vele mogelijkheden bieden om vogels, insecten en vleermuizen nestgelegenheden en voedsel te bieden, en zo te zorgen voor een grotere soortenrijkdom in de buurt. Door kleine openingen te maken in gevels en onder dakoverstekken of met behulp van nestkasten kunnen nestgelegenheden worden gemaakt voor vogels en vleermuizen. Ook hagen, struiken klimplanten en andere beplantingen kunnen een prima verblijfplaats bieden aan vele soorten. En alles wat bloeit of vruchten draagt biedt voedsel aan deze soorten rijkdom. Ook de waterbergingen kunnen bijdragen aan de biodiversiteit.
Er kan gebruik worden gemaakt van de toolbox www.bouwnatuurinclusief.nl om nog meer mogelijkheden te ontdekken.
afb.9 Inpassing met 9 patiowoningen
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
Patio-wonen
Hondsdraf
Jeneverbes
Brem
afb.10 Proefverkaveling met 9 patiowoningen, 5 aan de westzijde en 4 aan de oostzijde.
bron: Onix
bron: Onix
bron: BNLA Architecten
bron: BNLA Architecten
afb.11 Straatgerichte patiowoningen. Alzijdig ontworpen.
Stedenbouwkundige inpassing Brem 1-5, Hassinkbrink, Haaksbergen
afb.12 Proefverkaveling 1 met 9 patiowoningen, 6 aan de westzijde en 3 aan de oostzijde. Deze opstelling geeft een betere kavelindeling omdat de zuidelijke groenzone breder kan blijven en de afstand tot de erfgrens met de kinderdagopvang aan de oostzijde groter is.
Het Oversticht, 26-04-2023 Moniek Otten, adviseur duurzame stedenbouw
Aan de Stadsmuur 79-83 Postbus 531 8000 AM Zwolle 038 – 421 32 57 www.hetoversticht.nl
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Haaksbergen, Brem NL.IMRO.0158.BP20196-0002
56
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Brem 3 - Haaksbergen
Opdrachtgever: Kroos Techniek BV Locatie: Brem 3 7483 BX Haaksbergen November 2020
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Brem 3 - Haaksbergen
Opdrachtgever: Kroos Techniek BV Textielstraat 27 7483 PC Haaksbergen Locatie: Brem 3 7483 BX Haaksbergen Projectcode: 20068810 Rapportagedatum: 16 november 2020 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestonderzoek
8 8 8 10 10 10
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
11
6
Literatuur en bronvermelding
13
2
3
4
Bijlagen I I III IV V
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek grontmij, mei 2002 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, november 2020 Boorstaten Legenda boorstaten Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses Resultaten en toetsing asbestanalyse Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20068810
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Kroos Techniek BV op een terreindeel aan de Brem 3 in Haaksbergen door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009 - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
Het veldwerk is uitgevoerd in oktober en november 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden.
Kruse Milieu BV
Project: 20068810
Pagina 1 van 13
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie ligt aan de Brem 3, binnen de bebouwde kom van Haaksbergen. Het centrale punt binnen te onderzoeken deel van het terrein heeft de RD-coördinaten x = 247.024 en y = 465.167 en x = 247.064 en y = 465.169 is kadastraal bekend als: gemeente Haaksbergen, sectie O, nummer 2469 (ged.). De Brem bevindt zich ten noorden van de onderzoekslocatie, de Hondsdraf ten westen en de Jeneverbes bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en grotendeels onverhard. Het terrein is begroeid met gras en deels verhard met tegels. Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op het te bebouwen terreindeel. De onderzoekslocatie is onbebouwd en grotendeels onverhard en omvat circa 2000 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Grontmij, mei 2002; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, november 2020. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Haaksbergen. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming (maatschappelijk). Binnen de onderzoekslocatie stonden tot medio 2009 noodlokalen van de basisschool Los Hoes. In het gebouw aan de Brem 3 is momenteel een fysiotherapie en kinderopvang gevestigd. - Tot circa 1997 is het terrein voor agrarische doeleinden gebruikt, waarna het terrein bouwrijp is gemaakt. - Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Het te onderzoeken terreindeel is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Er bevinden zich voor zover bekend geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.