EDOP-#6082718-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Bijlagen bij de regels
Tekst van het document
Het aandachtspunt ligt ten zuiden van locatie W1 waar de Witteveenweg overgaat in halfverharding. Deze situatie wordt in overleg met Natuurmonumenten gevolgd om de toegankelijkheid van het natuurgebied te waarborgen.
25
7
Voorstel toekomstige bestemming
De verwachte effecten van de maatregelen (hoofdstuk 6) hebben gevolgen voor de toekomstige gebruiksmogelijkheden en toekomstige bestemming. Dit geldt voor zowel percelen in het uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura 2000 Witte Veen als enkele percelen daarbuiten, die effect ondervinden van de maatregelen. In figuur 7.1 staat een voorstel voor de toekomstige bestemming van deze percelen. Agrarische bestemming Een deel van de uitwerkingsgebieden kan de agrarische bestemming behouden. Hier blijft de huidige bestemming ongewijzigd. Het gaat hierbij om de twee westelijk gelegen percelen bij de Hegebeek (1 en 2). Het perceel bij de Natuurdriehoek (10) behoudt de agrarische bestemming. Uit het verdere onderzoek bij de Natuurdriehoek zal blijken of het dempen van de sloot nodig is en wat dat betekent voor het gebruik en bestemming van perceel 10. Buiten het uitwerkingsgebied worden op perceel 4 effecten verwacht door verhoging van het grondwater, maar dit perceel kan haar agrarische bestemming behouden. Het landbouwkundig gebruik aan de zuidzijde zal beperkt worden door verslechtering van de bereikbaarheid en bewerkbaarheid in het voor- en najaar vanwege de verwachte natschade. Natuur Perceel 3, gelegen aan de Hegebeek, en perceel 7 in de enclave Jannink, zijn in de toekomstige situatie niet meer geschikt voor landbouwkundig gebruik.
Het voorstel is om deze percelen te bestemmen als natuur. Het westelijk deel van de enclave Jannink (perceel 8 en 9) heeft nu een agrarische bestemming met landschapswaarden. Deze wordt opgesplitst in een noordelijk deel dat de agrarische bestemming behoudt en een zuidelijk deel krijgt de bestemming natuur vanwege de verwachte natschade. Dit deel (perceel 9) is reeds omgevormd maar natuur.
Op de overige gronden in het (uitwerkings)gebied worden geen negatieve effecten verwacht. Deze kunnen hun huidige bestemming behouden. De definitieve bestemming wordt opgenomen in het Provinciaal Inpassingsplan, waarin ook de nader uitgewerkte maatregelen uit dit inrichtingsplan en het toegestane gebruik worden geborgd.
26
Figuur 7.1
Voorstel toekomstige bestemming uitwerkingsgebied en percelen waar hydrologische effecten worden verwacht n.a.v. maatregel M2.
27
8
Doorkijk naar realisatiefase
8.1
Borging en vergunningen
De maatregelen uit het inrichtingsplan moet worden verankerd in een ruimtelijk plan. Dit geldt zowel voor inrichtingsmaatregelen in het veld waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast als voor het borgen van beheermaatregelen. Er is gekozen om een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) op te stellen voor het Witte Veen. Na goedkeuring van het inrichtingsplan door de projectgroep Natura 2000 Haaksbergen wordt het PIP opgesteld. Het PIP en inrichtingsplan worden door Gedeputeerde Staten van Overijssel vastgesteld. Tegen het PIP kan een zienswijze worden ingediend en is beroep mogelijk. Voor uitvoering van de inrichtingsmaatregelen zijn diverse vergunningen en ontheffingen nodig, zoals een ontgrondingsvergunning en een watervergunning. In de planvormingsfase wordt een vergunningenscan uitgevoerd en overleg gevoerd met de bevoegde gezagen. In de realisatiefase worden de benodigde vergunningaanvragen nader uitgewerkt en ingediend.
8.2
Uitvoering
Een volgende stap is het uitwerken van alle maatregelen tot een definitief ontwerp (DO) en vervolgens een uitvoeringsontwerp (UO). In het DO wordt de exacte maatvoering bepaald van bijvoorbeeld te verondiepen watergangen. Bij het opstellen van het DO wordt ook het beheer en onderhoud van o.a. het watersysteem besproken met betrokken partijen en grondeigenaren. Voldoende ruimte en goede bereikbaarheid zijn belangrijk voor het uitvoeren van onderhoud. Medewerkers van waterschap Vechtstromen, waterschap Rijn en IJssel, gemeente Haaksbergen, Natuurmonumenten en betreffende particulieren (alle eindbeheerders) worden hierbij tijdig betrokken. De inzet van de projectgroep Natura 2000 Haaksbergen, waarin de betrokken gebiedspartijen zitting hebben, is om dit inrichtingsplan in goed overleg met de grondeigenaren uit te voeren. Het gebiedsproces is erop gericht om met alle partijen tot minnelijke overeenstemming te komen. Mocht dit niet lukken dan zal een gedoogplichtof onteigeningsprocedure worden gestart. In de realisatiefase wordt de organisatie van het proces waar nodig aangepast. De gebiedspartijen blijven actief betrokken in een projectgroep en ook personen met onmisbare gebieds- en proceskennis blijven waar mogelijk betrokken. Aanvullende expertise, bijvoorbeeld op het vlak van aanbesteding en het begeleiden van de uitvoering, zal worden ingezet.
8.3
Schadeafhandeling
Grondeigenaren met percelen en/of bebouwing binnen het uitwerkingsgebied die schade ondervinden als gevolg van de maatregelen worden hiervoor gecompenseerd. Waar mogelijk worden mitigerende maatregelen genomen. De rentmeesters van provincie Overijssel zijn hierover in gesprek met de betreffende eigenaren. Als alternatief voor financiële compensatie wordt gekeken of er compensatie in grond mogelijk is als een grondeigenaar dit wenst. Daarvoor zijn de afgelopen periode diverse percelen aangekocht. Deze worden in overleg met de grondcommissie ingezet in het proces. Garantie op compensatie in grond kan echter niet worden gegeven. Grondeigenaren buiten het uitwerkingsgebied worden alleen benaderd als uit de uitgevoerde onderzoeken is gebleken dat er schade optreedt. In dat geval gaat de rentmeester van de provincie Overijssel in overleg met de grondeigenaar over de natschade en compensatie. Voor schade op onverwachte plekken of grotere schade dan was voorzien als gevolg van de maatregelen uit het inrichtingsplan kan men zich melden bij het schadeloket van de provincie Overijssel. Om eventuele schade te kunnen verifiëren vindt monitoring plaats.
28
8.4
Monitoring
De effecten van de voorgestelde maatregelen op de instandhouding van de habitattypen (intern) en op de omgeving (extern) zijn in het inrichtingsplan bepaald op basis van berekeningen en expert kennis. Om tijdens en na realisatie van de maatregelen de daadwerkelijke effecten in de praktijk te toetsen aan de theoretische effectberekeningen, wordt een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd. De interne en externe monitoring hebben een ander doel en daarom worden twee aparte monitoringsplannen opgesteld. Het effect op de habitattypen wordt bepaald met behulp van zogenaamde procesindicatoren. Dit kunnen grondwaterstandsmetingen zijn, maar ook vegetatieopnamen of bodemonderzoek. Aan dit plan worden de benodigde metingen bij de Natuurdriehoek toegevoegd (paragraaf 4.3). Voor de externe monitoring is een peilbuizenmeetnet ingericht en worden al meetgegevens verzameld. In het meetnet zijn naast bestaande peilbuizen (met meerjarige meetreeksen) ook nieuwe buizen opgenomen. In overleg met de grondeigenaren zijn op verschillende strategische punten, bij bebouwing en in percelen, in en rond het uitwerkingsgebied extra peilbuizen geplaatst. De peilbuisdata worden aan de eigenaren beschikbaar gesteld (via internet).
Op deze manier ontstaat er volledige transparantie voor wat betreft de effecten van de maatregelen op de grondwaterstanden en worden eventuele afwijkingen vroegtijdig gesignaleerd. Ook wordt bestaande monitoring vanuit KRW door waterschap Vechtstromen gebruikt voor de waterkwaliteit en aanwezige fauna in de Hegebeek. In het monitoringsplan uitwerkingsgebied Witte Veen (Pratensis, 2019) is de externe monitoring beschreven en op kaart aangegeven. Provincie Overijssel is (eind)verantwoordelijk voor de monitoring in het kader van Natura 2000.
29
9
Bronnen
Aequator Groen & Ruimte bv (2015). Verkenning voor de ontwikkelopgave EHS, Natura 2000 en PAS voor het gebied het Witte Veen. In opdracht van Partners van Samen werkt beter.
Antea (2020). Nadere uitwerking Hegebeek. Waterhuishoudkundige maatregelen in en rond de Hegebeek (M2). In opdracht van Provincie Overijssel.
Antea (2020). Veldbezoek uitvoeringsmethode Hegebeek, besprekingsverslag, 23 juni 2020.
Bell Hullenaar (2004). Herstel van Hoogveen, Hoogveenbos, vennen en natte heide in grensoverschrijdend natuurgebied Witte Veen / Witte Venn. Uitwerking van een herstelplan op basis van ecohydrologisch onderzoek.
Bell Hullenaar (2018). Ecohydrologische systeemanalyse en uitwerking maatregelenplan Natura 2000-gebied Witte Veen, in het kader van de uitwerking van PAS-maatregelen (definitief). In opdracht van Gemeente Haaksbergen.
B-ware (2018). Bodem- & hydrochemisch onderzoek in het Witte Veen. In opdracht voor Bell Hullenaar & Gemeente Haaksbergen.
Ministerie van EZ (2013). Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Witte Veen. Programmadirectie Natura 2000.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2018). Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden.
Pratensis (2016). Plan van Aanpak. Planfase Natura 2000 Buurserzand & Haaksbergerveen en Witte Veen. In opdracht van Gemeente Haaksbergen.
Pratensis (2019). Monitoringsplan uitwerkingsgebied Witte Veen. In opdracht van Gemeente Haaksbergen.
Provincie Overijssel (2015). Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit. Randvoorwaarden en inspiratie voor de ontwikkelopgave EHS / Natura 2000 Buurserzand, Haaksbergerveen en Witte Veen.
Provincie Overijssel (2016). Natura 2000 Beheerplan Witte Veen (definitief).
Tauw (2017). Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen. In opdracht van Gemeente Haaksbergen.
30
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
25 juli 2017
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Verantwoording Titel Opdrachtgever Projectleider Auteur(s)
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen Gemeente Haaksbergen Willem Capel Gerben Willems
Aantal pagina's
1240705 34 (exclusief bijlagen)
Datum
25 juli 2017
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Projectnummer
Colofon Tauw bv BU Water & Ruimtelijke Kwaliteit Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer Telefoon +31 57 06 99 91 1
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -
NEN-EN-ISO 9001
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
5\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
6\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Inhoud Verantwoording en colofon .......................................................................................................... 5 1
Inleiding .......................................................................................................................... 9
2
Hydrologisch Systeem ................................................................................................ 11
2.1
Maaiveldhoogte ............................................................................................................. 11
2.2
Geohydrologische opbouw ............................................................................................ 11
2.3 2.4
Smeltwatergeulen .......................................................................................................... 13 Beheer- en herstelmaatregelen ..................................................................................... 15
2.5
Grondwater .................................................................................................................... 15
2.6 2.7
Bodem ........................................................................................................................... 17 Drainage en sloten ........................................................................................................ 18
3
Effecten demping landbouwkundige sloten ............................................................. 20
3.1
Onderzoeksperceel ....................................................................................................... 20
3.2
Veldwerk ........................................................................................................................ 20
3.3 3.4
Analytische benadering ................................................................................................. 22 Invloed ontwatering randzone Witte Veen ..................................................................... 24
4
Invloed Buurserbeek ................................................................................................... 27
4.1
Aanleiding ...................................................................................................................... 27
4.2
Schijngrondwatersysteem ............................................................................................. 28
4.3 4.4
Gemeten grondwaterstanden ........................................................................................ 28 Invloed stijghoogte op watervoerendheid ven ............................................................... 30
4.5
Invloed Buurserbeek ..................................................................................................... 30
5
Conclusie ..................................................................................................................... 32
6
Literatuur ...................................................................................................................... 34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
7\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Bijlage(n) 1 Peilbuizen Dinoloket
8\34
2
Boringen Dinoloket
3 4
Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand Gemiddeld Laagste Grondwaterstand
5
Bodem
6 7
Diepte klei, leem of gyttja t.o.v. NAP Geomorfologische kaart
8
Bodemkaart
9
Ligging en diepte watergangen
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
1 Inleiding Het Witte Veen is gelegen ten oosten van Haaksbergen. Het is in eigendom van Natuurmonumenten en aangewezen als Natura 2000-gebied. Het gebied is grensoverschrijdend en gaat over in het Duitse Natura 2000-gebied Witte Venn. Voor het gebied is het doel om het (grond)watersysteem te optimaliseren om de beoogde natuurdoelen te halen. Voor het Witte Veen zijn een aantal aandachtspunten met betrekking tot de hydrologie nog onvoldoende in beeld gebracht. Een aandachtspunt hierbij is de drainerende werking van de ontwatering in de landbouwpercelen aan de westzijde van het Witte Veen. Een ander aandachtspunt is de drainerende werking van de Buurserbeek en de invloed hiervan op nabijgelegen pioniervegetaties met snavelbiezen H7150, vochtige heiden H4010A, vochtige alluviale bossen H91E0C en zure vennen (H3160). In deze notitie wordt ingegaan op de volgende twee vraagstukken: 1.
Wat is de invloedsafstand van de ontwateringssloten in de landbouwpercelen op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000 gebied het Witte Veen? Dit onderzoek maakt deel uit van de PAS maatregel M22 en heeft betrekking op het nut en noodzaak van het herstel van de hydrologie M1a en M1c (provincie Overijssel, 2015). Er wordt hierbij niet ingegaan op het effect van de ontwatering op de habitattypen in de westelijke randzone van het Witte Veen
2.
Heeft de Buurserbeek invloed op de aangewezen vochtige natuurdoeltypen? Is er een ondiepe kleilaag aanwezig is in de omgeving van de Buurserbeek (zuidzijde van Het Witteveen) die resulteert in een schijngrondwaterspiegel. Deze kennislacune volgt uit de eerder uitgevoerde GGOR studie en is opgenomen in de gebiedsanalyse om te onderzoek in de eerste beheerplanperiode (provincie Overijssel, 2015)
De locaties waarop de vraagstukken betrekking hebben zijn weergegeven in figuur 1.1. Op basis van een beknopte bureaustudie en veldonderzoek is meer inzicht verkregen in bovenstaande vraagstukken.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
9\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Figuur 1.1 Rood weergegeven de westelijke randzone waarop vraag 1 betrekking heeft, blauw weergegeven de zuidelijke randzone waarop vraag 2 betrekking heeft
In hoofdstuk 2 is eerst een korte hydrologische systeembeschrijving opgenomen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 en 4 ingegaan op de twee onderzoeksvragen. Hoofstuk 5 bevat tot slot de conclusies en aanbevelingen.
10\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
2 Hydrologisch Systeem 2.1
Maaiveldhoogte
In figuur 2.1 is de maaiveldhoogte weergegeven ter plaatse van het Witte Veen en de omgeving hiervan. Het maaiveldniveau verschilt sterk in het gebied en kent steile gradiënten. De maaiveldhoogte varieert van circa NAP +34 m tot NAP +43 m. Duidelijk zichtbaar in de figuur zijn de richting het noordoosten georiënteerde dekzandruggen (grijs weergegeven ruggen).
Figuur 2.1 Maaiveldhoogte (bron: AHN2)
2.2
Geohydrologische opbouw
De beschrijving van de geohydrologische opbouw is gebaseerd op boringen uit het Dinoloket van TNO, eerder uitgevoerde onderzoeken Hullenaar (2004), Geujen (2014) en het landelijk geohydrologisch model REGIS II van TNO. Het freatisch pakket bestaat uit matig fijn dekzand en meer grofzandige fluvioperiglaciale afzettingen. De dikte van de zandlaag varieert tussen de 0,4 tot circa 5,2 m.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
11\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Tussen de dekzandruggen in het Witte Veen is hoogveen aanwezig. De veenlaag is tussen de 0,4 en 0,9 m dik. Onder de veenlaag is een groot deel van het gebied een gliedelaag aanwezig. In het centrale deel van het hoogveengebied is deze laag goed ontwikkelt (5 tot 10 cm dik). Langs de randen van het veengebied is deze laag matig ontwikkeld (< 5 cm dik) en aan de noordzijde van het veengebied is deze laag plaatselijk afwezig (Hullenaar, 2004). Onder de gliedelaag is een zandlaag aanwezig zoals ook in de rest van het gebied wordt aangetroffen. Deze zandlaag heeft onder de gliedelaag een dikte tussen de 0,8 en 1,0 m (Geujen, 2014). De zandlaag wordt aan de onderzijde begrensd door een keileemlaag. De keileemlaag heeft ter plaatse van het hoogveen een maximale dikte van 1,1 m . Onder deze keileemlaag is vervolgens wederom een zandlaag aangetroffen. De tussenzandlaag is aangetroffen in boringen uitgevoerde in het hoogveen (Geujen, 2014). De tussenzandlaag is niet aanwezig buiten het hoogveen op basis de beschikbare boringen uit het Dinoloket. In figuur 3.2 zijn geologische dwarsprofielen weergegeven gebaseerd op Regis. De hydrologische basis wordt gevormd door de onder de zandlaag aanwezige tertiaire kleilaag. Uit de doorsnedes volgt de aanwezigheid van een tussenzandlaag tussen de keileemlaag en de tertiaire kleien.
Deze tussenzandlaag volgt niet uit de beschikbare boringen uit het Dinoloket in de directe omgeving van het Witte Veen.
Figuur 2.2 Geologische doorsnede. Bron: Landelijk model Regis II.1 -2008
Om een beter beeld te krijgen van de diepteligging van de weerstandslagen zijn de aanwezige boringen uit het Dinoloket nader geïnterpreteerd. In bijlage 2 zijn de gebruikte boringen uit Dinoloket weergegeven.
12\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
In bijlage 5 zijn de boringen gepresenteerd waarbij klei, leem of gyttja is aangetroffen. Indien geen klei, leem of gyttja is aangetroffen is aangegeven wat het aangetroffen hoofdbodemtype is. Daarnaast is aangegeven tot welke diepte de boringen zijn uitgevoerd. Uit de boringen volgt dat de er ter plaatse van een groot aantal locaties klei of leem is aangetroffen in het boorprofiel. Aangenomen wordt dat de aangetroffen klei- en leemlagen onderdeel uitmaken van de aanwezig keileem- en tertiaire kleilaag. Op enkele locaties is enkel zand aangetroffen in het boorprofiel, verwacht wordt dat de keileem- en tertiaire kleilaag hier op grotere diepte aanwezig zijn. In bijlage 6 is de diepteligging van de klei- en leemlaag gepresenteerd op basis van de beschikbare boringen uit het Dinoloket. Uit de kaart volgt op welke diepte de eerste scheidende laag aanwezig is. Het pakket hierboven betreft het eerste watervoerende pakket. Op basis van de boorbeschrijvingen kan geen onderscheid worden gemaakt in het voorkomen van keileem of tertiaire klei. Uit Regis en eerdere onderzoeken volgt dat de keileemlaag in het gebied overal ondieper is gelegen dan de tertiaire kleilaag (Geujen, 2014; Hullenaar, 2004). Dit betekent dat de gepresenteerde klei- en leemlaag de bovenkant van de keileemlaag betreft. De klei- en leemlaag helt richting de randen van het gebied.
Centraal in het gebied heeft de kleien leemlaag een niveau van circa NAP +40,2 m aflopend naar de westrand tot NAP +30,3 m. Aan de noordkant helt de klei-leemlaag richting de enclave Jannink. Aan de zuidkant van het gebied helt de klei- en leemlaag richting de Buurserbeek en aan de westkant richting de aanwezige landbouwpercelen. Ten noorden van de enclave Jannink bevindt de leem- en kleilaag zich op een grotere diepte (6 m -mv), mogelijk helt deze klei- en leemlaag richting de Duitse grens. Het verloop van de klei- en leemlagen aan de Duitse kant van dit gebied zijn niet bekend.
2.3
Smeltwatergeulen
In het zuidelijke deel van het Witte Veen is een dal in de keileemondergrond aanwezig. Dit dal is uitgesleten als gevolg van smeltwater en later opgevuld is met zandige afzettingen (Bell&Hullenaar, 2004). Onduidelijk is in hoeverre dit dal doorloopt richting de landbouwpercelen. In figuur 2.3 is de ligging van het smelwaterdal gepresenteerd en vergeleken met de geomorfologische kaart.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
13\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Figuur 2.3 Links: geormofologische kaart, rechts: Bovenkant keileem (Hullenaar 2004)
Op basis van de geomorfologische kaart zijn er naast die hierboven beschreven smelwatergeul meer smelwatergeulen (code 2R3) aanwezig in de omgeving van het Witte Veen die doorlopen tot buiten de N2000 begrenzing. In de hellingen van de stuwwal ontstonden door het afstromende water (smeltwater)dalen en lager gelegen daluitspoelingswaaiers (code 3G5). De smeltwaterdalen zijn later opgevuld met zandig materiaal. In bijlage 7 is de geomorfologische kaart gepresenteerd in combinatie met de diepteligging van de klei- en leemlaag. Op basis van deze kaart wordt een inzichtelijk wat de hoogteligging is van de bovenkant van de keileemlaag. Daarnaast wordt inzichtelijk hoe dik het freatische pakket is aanwezig boven de keileemlaag. Uit de diepte van de aangetroffen klei- en leemlaag volgt dat het watervoerend pakket in het Witte Veen een beperkte dikte heeft met een dikte van veelal minder dan 2 m. Een uitzondering hierop vormt het in figuur 2.3 aangegeven smeltwaterdal, waar de dikte van het watervoerend pakket groter is met circa 3 á 3,5 m, zie hiervoor ook bijlage 5. Ter plaatse van de overige smeltwaterdalen, weergegeven in figuur 2.3, zijn een beperkt aantal boringen aanwezig uit het Dinoloket. Op basis van deze boringen zijn de smeltwaterdalen niet te onderscheiden.
Conclusies Het Witte Veen wordt gekenmerkt door een dun watervoerend pakket De hydrologische basis wordt gevormd door de onder de zandlaag aanwezige tertiaire kleilaag
Onder het hoogveen is een zandlaag aanwezig tussen de keileemlaag en de tertiare kleilaag. Deze tussenzandlaag is buiten de hoogveenkern niet aangetroffen
Er zijn smelwaterdalen aanwezig in de keileemondergrond welke zijn opgevuld met zand resulterend in een dikker watervoerend pakket dan de omgeving
14\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
2.4
Beheer- en herstelmaatregelen
In het Witte Veen zijn de volgende herstel- en beheermaatregelen toegepast (Altenburg en Wymenga, 2013; Natuurmonumenten, 2014 en Geujen, 2014):
Aanleg leemkade, tegengaan laterale wegzijging naar (landbouw)gronden ten noorden en oosten van de hoogveenkern (2000)
Aanleg twee houten damwanden met afvoerstuw (2007) Dempen sloten en greppels binnen het natuurgebied, met name zuidelijke bosgebied en
zuidwestelijke natte heide/veengebied (2007) Natuurontwikkeling in voedselrijke graslanden, het graven van vennen (omstreeks 2004)
De afvoersloot van het Witte Venn in Duitsland is gedempt en omgeleid
In de Hegebeek zijn in 1996 drempels aangelegd vanaf de grens. Tien jaar daarna zijn stroomafwaarts ook drempels gelegd en is een zandvang opgeheven
Van de Buurserbeek is het traject van de grens tot de Braambrug in 2005 heringericht. Oude bochten zijn weer aangesloten, gekanaliseerde stukken zijn gedempt en het schouwpad is afgegraven. Een betonnen stuw is vervangen door een beter door vis passeerbare cascadestuw
2.5
Grondwater
Het gebied wordt gekenmerkt door ondiepe grondwaterstanden. Van de peilbuizen uit het Dinoloket zijn de grondwaterkarakteristieken bepaald en gepresenteerd in bijlage 1, bijlage 3 en bijlage 4. De GHG varieert in het gebied tussen de NAP +32,8 m tot NAP +41,4 m. De GLG varieert in het gebied tussen de NAP +32,4 m tot NAP +41,1 m. Hierbij worden de hoogste grondwaterstanden (GHG) gemeten centraal in het gebied en lagere grondwaterstanden aan de randen van het gebied. Opgemerkt wordt dat de meetreeksen een verschillende lengte en meetfrequentie hebben en dat een deel van de peilbuizen niet meer wordt bemeten. Daarnaast zijn in het gebied maatregelen uitgevoerd die hebben geresulteerd in een stijging van de grondwaterstanden (Geujen, 2014). De bepaalde grondwaterkarakteristieken zijn bepaald over de volledige lengte van de meetreeksen en geven daardoor enkel een indicatie van de grondwaterkarakteristieken. In de aangrenzende landbouwpercelen zijn nauwelijks peilbuizen aanwezig zodat hier de grondwaterkarakteristieken niet inzichtelijk kunnen worden gemaakt op basis van metingen. Voor de ruilverkaveling Haaksbergen is de bodem gekarteerd waarbij ook een inschatting is gemaakt van de grondwatertrappen. Op basis van deze grondwatertrappenkaart kan een beeld worden verkregen van de optredende grondwaterstanden in de randzone.
De kartering is uitgevoerd voor 1972 waardoor de grondwatertrappenkaart kan afwijken van de huidige situatie. In bijlage 8 is de bodemkaart gecombineerd met de grondwatertrappenkaart gepresenteerd. In paragraaf 2.5 is een toelichting gegeven op deze kaart.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
15\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Uit bijlage 3 en 4 volgt dat ter plaatse van de dekzandruggen en het hoogveen de hoogste grondwaterstanden aanwezig zijn. Vanuit deze zones stroomt het grondwater alzijdig af. Uit de grondwaterkarakteristieken volgt dat het gebied wordt gekenmerkt door zeer natte omstandigheden. De hoge grondwaterstanden worden veroorzaakt doordat het grondwater moeilijk kan afstromen door het dunne watervoerende pakket (beperkt doorlaatvermogen) en doordat het grondwater nauwelijks kan infiltreren in de ondergrond als gevolg van de slecht doorlatende keileem en tertiaire kleien. Het Witte Veen wordt gekenmerkt door een sterk verhang in het grondwater richting de randen van het gebied. Door het grote verhang, in combinatie met verdamping zakt het grondwater, mede door het dunne watervoerende pakket relatief snel uit in droge perioden. In natte perioden reikt het grondwater op sommige locaties tot aan maaiveld waarbij grondwater tot afvoer komt via oppervlakkige afstroming. In figuur 2.4. zijn de gemeten grondwaterstanden gepresenteerd in een raai die west oost is georiënteerd. Voor de peilbuislocaties zie bijlage 1.
Figuur 2.4 Gemeten grondwaterstanden
16\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
De grondwaterstandsmetingen laten een vergelijkbare reactie op neerslag zien onderaan de helling en hoger in het gebied. De winter- en zomerdynamiek is in alle peilbuizen duidelijk zichtbaar In de lager gelegen delen rijken de grondwaterstanden afhankelijk van het seizoen tot aan maaiveld. Uit de grafieken volgt dat ter plaatse van de peilbuizen B34F1507 en B34F1509 de grondwaterstand sinds 1995 minder ver uitzakt in het zomerseizoen. Onduidelijk is waardoor deze verandering is veroorzaakt, mogelijk hangt de verandering samen met de uitvoering van maatregelen. Op topografische kaarten is het gebied sinds 2005 als heide aangeduid terwijl en de periode voorafgaand als grasland. Mogelijk heeft de omvorming eerder plaatsgevonden waarbij watergangen zijn gedempt. Ter plaatse van peilbuis B34F1505 lijken de grondwaterstanden ook minder ver uit te zakken sinds 2006. Onduidelijk is of dit werkelijk het geval is aangezien hier de grondwaterstanden zeer laag frequent zijn gemeten en in het zomerseizoen nauwelijks zijn bemeten. Conclusies Vanaf de hoger gelegen dekzandruggen stroomt het grondwater alzijdig af. Vanaf het
hoogveen kan het grondwater in noordelijke en oostelijke richting afstromen Het gebied wordt omringd door agrarische percelen waarin nauwelijks peilbuizen aanwezig zijn
In het gebied komen hoge grondwaterstanden voor als gevolg van het dunne watervoerende pakket (beperkt doorlaatvermogen) en de slecht doorlatende keileem en tertiaire kleilaag (weinig infiltratie)
In natte perioden rijkt het grondwater op sommige locaties tot aan maaiveld waarbij grondwater tot afvoer komt via oppervlakkige afstroming Door het grote verhang in het grondwater zakken de grondwaterstanden, ondanks het dunne watervoerende pakket, relatief snel uit in droge perioden. Verdamping speelt hierin ook een belangrijke rol
2.6
Bodem
In bijlage 8 is de bodemkaart 1:10.000 gepresenteerd. De bodem is gekarteerd ten behoeve van de ruilverkaveling Haaksbergen (Stiboka, 1972). Op basis van de bodemkaart laat de bodem zich aan de westkant van het Witte Veen hoofdzakelijk classificeren als veldpodzolgronden, gooreerdgronden en beekeerdgronden. De grondwatertrap wisselt hierbij tussen de IIIa t/m VI. Aan de westrand van het Haaksbergerveen komen de gooreerdgronden voor op de laag gelegen delen omzoomd door veldpodzolgronden.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
17\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Gooreerdgronden ontstaan in gebieden gevoed met een laterale toestroming van (basenrijk) grondwater en door regenwater. Gooreerdgronden worden gekenmerkt door een minerale eerdlaag en komen voor in de lagere gedeelten van het landschap
Veldpodzolen komen voor waar regenwater inzijgt. Veldpodzolen zijn gevormd in gebieden met hoge grondwaterstanden tijdens de bodemvorming Beekeerdgronden ontstaan ter plaatse van periodiek sterk kwelgevoede en ijzerhoudende bodems. In het plangebied zijn in het zuidwesten beekeerdgronden aanwezig uitgaande van de bodemkaart
Tabel 2.1 Voorkomende bodemtypen op basis van de bodemkaart uit 1971 (1:10 000)
Code tHna52
Grondwatertrap
Omschrijving
Grondwaterstand (m -mv)
Veldpodzolgrond
Va: GHG <25, GLG >120
nHna52
Vb: GHG 25-40, GLG >120
nHn52
VI: GHG 40-80, GLG >120
tZna52
Gooreerdgrond
IIIa: GHG <25, GLG 80-120
tZga44
Beekeerdgrond
IIIa: GHG <25, GLG 80-120
aWp
Moerige podzolgrond
IIIa: GHG <25, GLG 80-120
aWz
Moerige eerdgrond
IIIa: GHG <25, GLG 80-120
Va: GHG <25, GLG >120
2.7
Drainage en sloten
De agrarische percelen aan de westkant van Witte Veen zijn gedeeltelijk gedraineerd. Onbekend is wat het draingeniveau is en of de drainage actief wordt beheerd (doorspuiten). De drainage is met name aanwezig in de lager gelegen percelen waar de klei- en leemlaag ondiep aanwezig is. In bijlage 1 is de ligging van de drainage gepresenteerd. De ligging van de drainage is aangeleverd door het waterschap Vechtstromen. Verwacht wordt dat de drainage binnen de Natura 2000 begrenzing niet meer functioneert. Op 27 oktober 2016 zijn de sloten geïnventariseerd aan de westkant van het Witteveen. De inventarisatie binnen de Natura 2000 begrenzing en aan de directe randen hiervan is uitgevoerd door Natuurmonumenten. In bijlage bij 9 is de ligging en de diepte van de waterlopen gepresenteerd. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat een groot deel van de sloten droogvalt. De jaarlijkse afvoer uit het gebied is niet bekend. In onderstaand figuur zijn de sloten weergeven aan de westkant van het Witte Veen die wel watervoerend waren op 27 oktober 2016.
18\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Figuur 2.5 Watervoerende sloten aan de westkant van het Witte Veen (27 oktober 2016)
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
19\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
3 Effecten demping landbouwkundige sloten 3.1
Onderzoeksperceel
Onduidelijk is wat de invloedsafstand is van de sloten aan de westkant van het Witte Veen op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000 gebied het Witte Veen. Om het onderzoek af te kunnen bakenen is gekozen te focussen op één perceel grenzend aan het Witte Veen. Gekozen is voor dit perceel omdat:
Het perceel is gelegen grenzend aan het Witte Veen
Het perceel wordt omzoomd door sloten Er geen andere ontwateringsmiddelen aanwezig zijn in dit perceel (drainage)
Dit perceel is gelegen in de directe omgeving van vastgestelde habitattypen maar niet als gebiedsmaatregel opgenomen in de gebiedsanalyse
In figuur 3.1 is het perceel weergegeven. Het perceel is omsloten door sloten met diepte variërend van 0,5 tot >1,5 m. Deze sloten zijn blauw weergegeven in de figuur en vallen samen met de begrenzing van het onderzoeksperceel. Ter plaatse van het onderzoeksperceel helt het maaiveldniveau richting het westen van het gebied evenals de keileemlaag en de grondwaterspiegel. Aan de randen van het Witte Veen zijn in de omgeving van het onderzoeksperceel verschillende vennen aanwezig, sommige van deze vennen zijn aangewezen als zwakgebufferde vennen. De vennen worden naast neerslag gevoed door lateraal toestromend grondwater uit het hoger gelegen gedeelte van het Witte Veen. De ondiep aanwezige keileemlaag zorgt ervoor dat er weinig wegzijging plaatsvindt. De conclusies gebaseerd op dit perceel zijn gebruikt om een inschatting te maken van de invloed van overige ontwateringsloten op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000-gebied het Witte Veen, zie hiervoor paragraaf 3.4.
3.2
Veldwerk
Op 27 oktober 2016 is veldwerk uitgevoerd hierbij zijn drie boringen geplaatst waarbij de diepte van de keileemlaag in beeld is gebracht. In de figuur 3.1 is de diepte waarop keileem is aangetroffen weergegeven. In de figuur is daarnaast de diepte waarop klei of leem is aangetroffen op basis van de boringen uit Dinoloket gepresenteerd. Op basis van de uitgevoerde boringen bestaat de ondiepe bodem uit matig fijn zand tot circa 0,5 á 1 m -mv. Boven de keileemlaag bestaat de bodem uit matig grof zand. De keileemlaag is aangetroffen aan de oostkant van het perceel op 1,5 m -mv. Op basis van de boringen uit het dinoloket volgt dat de keileemlaag helt richting het westen waarbij de dikte van het watervoerend pakket toeneemt.
20\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Figuur 3.1 Diepte waarop klei of leem is aangetroffen. De bovenste waarde geeft de diepte weer ten opzichte van NAP en de onderste waarde ten opzichte van maaiveld. Op de luchtfoto is in het onderzoeksperceel ook nog een watergang aanwezig. Deze is inmiddels niet meer aanwezig
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
21\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
3.3
Analytische benadering
Hooghoudt Om inzicht te krijgen in realistische waarden betreffende doorlatendheid is getracht op basis van Hooghoudt de slootafstanden ter plaatse van het onderzoeksperceel te verklaren. De formule van Hooghoudt wordt gebruikt om de benodigde afstand tussen sloten of drains te bepalen. Voor de berekening is uitgegaan van een neerslagoverschot van 300 mm/jaar, een dikte van het watervoerende pakket (D) variërend tussen de 1,5 en 3 m, een opbolling van de grondwaterstand van 0,5 m, een doorlatendheid (k) van 1 tot 9 m/dag en een slootdiepte van 1 m. Enkel in natte perioden is sprake van water op maaiveld ter plaatse van de lokale laagten (gebaseerd op luchtfoto’s). Op basis van historische kaarten is geen water op maaiveld weergegeven (www.topotijdreis.nl). Als uitgangspunt voor de Hooghoudt benadering is gekozen voor een drooglegging van 0,5 m. In tabel 3.1 zijn de berekende slootafstanden weergegeven bij verschillende doorlatendheden en dikten van het watervoerend pakket.
Tabel 3.1 Berekende slootafstanden (m) op basis van Hooghoudt
K=1 m/d
K=3 m/d
K=9 m/d
D =1.5 m
60
105
185*
D= 3 m
105
180*
310
*Meest reële waarden Op basis van een analytische benadering met Hooghoudt wordt een slootafstand berekend tussen de 60 en 310 m afhankelijk van de doorlatendheid en de dikte van het watervoerend pakket. Uit de boringen volgt dat het watervoerend pakket ter plaatse van het onderzoeksperceel toeneemt in dikte in westelijke richting. Het watervoerend pakket heeft grenzend aan het Witte Veen een dikte van circa 1,5 m en neemt toe richting het westen tot circa 3 m. De diktes zijn gebaseerd op twee boringen zodat enkel een indruk is verkregen van de dikte. Uit de boorbeschrijvingen (boring B34F1662, B34F1670 en B34F1667) volgt dat de ondiepe bodem bestaat uit matig fijn zand tot circa 0,5 m -mv. Hieronder wordt matig grof zand aangetroffen. De werkelijke slootafstand bedraagt circa 180 m. Bij een doorlatendheid van 3 m/d en een dikte van het watervoerend pakket van 3 m wordt een slootafstand berekend van circa 180 m. Ook bij een doorlatendheid van 9 m/d en een dikte van het watervoerend pakket van 1,5 wordt een slootafstand van 180 m berekend.
22\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Uit deze benadering volgt dat de doorlatendheid naar verwachting een waarde heeft tussen de 3 en 9 m/dag en de dikte van het watervoerend pakket tussen de 1,5 en 3 m. Een doorlatendheid tussen de 3 en 9 m/dag past bij een bodem bestaande uit matig fijn zand (Bot, A.P. 2011) Perrochet en Musy Het dempen van de sloten zal resulteren in een verhoging van de grondwaterstand. Met de analytische rekenmethode van Perrochet en Musy, 1992, kan de maximale theoretische invloedsafstand van een waterloop worden berekend. De formules zijn gebaseerd op een situatie waarbij de grondwaterstand in het natuurgebied aan maaiveld komt. In een dergelijke situatie stroomt het neerslagoverschot af over het maaiveld richting de sloten. Doordat de grondwaterstand tot aan maaiveld rijkt is er geen verhang meer in de grondwaterspiegel waardoor een waterscheiding ontstaat. De afstand tussen de sloot en de waterscheiding betreft de invloedsafstand van de watergang. Op basis van een analytische benadering met Hooghoudt volgt dat de doorlatendheid maximaal 9 m/dag is bij een dikte van het watervoerend pakket van 1,5 m of dat de doorlatendheid kleiner is met circa 3 m/dag waarbij het watervoerend pakket een dikte heeft van circa 3 m.
Wanneer deze combinaties als uitgangspunt worden genomen voor de rekenmethode van Perrochet en Musy wordt een maximale theoretische invloedsafstand van 150 m berekend bij een slootdiepte van 1 m. Hierbij is uitgegaan van een neerslagoverschot van 300 mm/jaar en een freatische bergingscoefficient van 0,3.
Tabel 3.2 Berekende maximale theoretische invloedsafstand (m) waterlopen op basis van Perrochet en Musy, bij verschillende slootdiepten
Slootdiepte (m)
Berekende invloedsafstand (m)
0,5
100-120
1,0
135-150
1,5
160
Met de methode wordt de maximale theoretische invloedsafstand van een waterloop berekend. Indien de grondwaterstanden verder uitzakken neemt de invloedsafstand van de sloten af. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat een groot deel van de sloten droogvalt in de zomer. Op het moment dat de watergangen droogvallen hebben deze geen drainerende werking op de grondwaterstanden.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
23\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
3.4
Invloed ontwatering randzone Witte Veen
De conclusies uit voorgaande stap kunnen ons helpen om voor de rest van de bufferzone een inschatting te maken of de aanwezige habitattypen binnen het invloedsgebied van de watergangen vallen. Op basis van ligging sloten, hoogteligging perceel, dikte zandlaag/geulen kan een inschatting van de invloedsafstand van de overige sloten worden gemaakt. Duidelijk wordt welke habitattypen binnen het beïnvloedingsgebied vallen. In paragraaf 3.3 is een maximale theoretische invloedsafstand van 150 m berekend bij een slootdiepte van 1 m. Hierbij is uitgegaan van een neerslagoverschot van 300 mm/jaar en een freatische bergingscoefficient van 0,3. Deze invloedsafstanden zijn gebaseerd op twee combinaties van doorlatendheid en dikte van het watervoerend pakket namelijk: Een doorlatendheid van 9 m/dag en een dikte van het watervoerend pakket van 1,5 m
Een doorlatendheid van 3 m/dag en een dikte van het watervoerend pakket van 3 m
Ter plaatsen van het aanwezige smeltwaterdal, weergegeven in figuur 2.3, heeft de ontwatering mogelijk een grotere invloedsafstand dan hierboven is berekend. In de figuur is zichtbaar dat de keileem hier op grotere diepte aanwezig is. Het smeltwaterdal is opgevuld met zandige afzettingen resulterend in een dikker watervoerend pakket van circa 3 á 3,5 m. In boring B34F1513 is een afwisseling van matig fijn, zwak siltig zand en zeer fijn zand aangetroffen. In boring B34F1667 is hoofdzakelijk matig grof zand aangetroffen. Op basis van de boringen wordt geen eenduidig beeld verkregen van de doorlatendheid van het zandpakket. Voor de locaties van de boringen zie bijlage 2. Voor het smeltwaterdal is een aanvullende berekening uitgevoerd met een doorlatendheid van 9 m/dag en een dikte van het watervoerend pakket van 3 m. In tabel 3.3 zijn de berekende invloedsafstanden gepresenteerd. Opgemerkt wordt dat de doorlatendheid van de zandige afzettingen ter plaatse van het smelwaterdal onbekend is.
Tabel 3.3 Berekende maximale theoretische invloedsafstand (m) waterlopen op basis van Perrochet en Musy, bij verschillende slootdiepten een doorlatendheid van 9 m/dag en een dikte van het watervoerend pakket van 3 m
24\34
K=9 m/d
Slootdiepte (m)
Berekende invloedsafstand (m)
9
0,5
175
9
1,0
235
9
1,5
275
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Figuur 3.2 Habitattypen binnen het beinvloedingsgebied van de watergangen. De watergang gelegen ter hoogte van de smelwatergeul is opgenomen in de figuur
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
25\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
In bijlage 9 is de ligging en diepte van watergangen gepresenteerd. In figuur 3.2 zijn de habitattypen gepresenteerd binnen het Natura 2000-gebied Witte Veen. Op basis van de ligging sloten, hoogteligging perceel, dikte zandlaag / geulen is een inschatting gemaakt welke habitattypen binnen de invloedsafstand van de watergangen aanwezig zijn. Met de rekenmethode van Perrochet en Musy wordt een maximale theoretische invloedsafstand van circa 235 m berekend voor de watergang gelegen ter hoogte van het smelwaterdal. In figuur 3.2 is de locatie van de watergang gepresenteerd. Voor de berekening is uitgegaan van een slootdiepte van 1.0 m, een neerslagoverschot van 300 mm/jaar en een freatische bergingscoefficient van 0,3. Binnen het beinvloedingsgebied zijn zwakgebufferde vennen aanwezig. Deze vennen zijn in de figuur rood omcirkeld. Noordelijk van deze vennen heeft het watervoerend pakket een dikte hoofdzakelijk van minder dan 2 m. In deze zone reikt het effect niet tot de gepresenteerde habitattypen. Groen omcirkeld zijn de zwakgebufferde vennen en de glanshaver- en vossenstaarthooilanden. Deze habitattypen bevinden zich binnen de berekende invloedsafstand van de aanwezige ontwateringssloten. De sloten in deze omgeving, met een diepte van 0,5 tot 1 m, zijn slecht onderhouden waardoor verwacht wordt dat de werkelijke invloed beperkt is.
26\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
4 Invloed Buurserbeek 4.1
Aanleiding
Onduidelijk is wat de invloed is van de Buurserbeek op de vochtige natuurdoeltypen. Dit betreft in de omgeving van de Buurserbeek pioniervegetaties met snavelbiezen H7150, vochtige heiden H4010A, vochtige alluviale bossen H91E0C en zure vennen (H3160). Dit vraagstuk volgt uit de eerder uitgevoerde GGOR studie en is opgenomen in de gebiedsanalyse om te onderzoek in de eerste beheerplanperiode (provincie Overijssel, 2015). Opvallend is het voorkomen van de vochtige doeltypen in de directe omgeving van de diep ingesneden Buurserbeek. Mogelijk is er sprake van een schijngrondwatersysteem die het voorkomen van de vochtige natuurdoeltypen verklaard. In onderstaand figuur is een overzicht gegeven van de habitattypen in de omgeving van de Buurserbeek. De habitattypen Alluviale bossen (H91E0C) en pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) zijn niet opgenomen in de gebiedsanalyse als instandhoudingsdoel. In het beheerplan wordt ingegaan op het behoud van deze habitattypen.
Figuur 4.1 Vochtige natuurdoeltypen in de omgeving van de Buuserbeek
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
27\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
4.2
Schijngrondwatersysteem
Op 27 oktober 2016 is een veldbezoek uitgevoerd. Hierbij zijn vier boringen geplaatst waarbij de focus uitging naar het voorkomen van ondiepe scheidende lagen. Tevens is de grondwaterstand in de open boorgaten gemeten. In het gebied zijn vier boringen uitgevoerd. Deze boringen zijn uitgevoerd tot maximaal 2,5 m. Hierbij is geen klei of leem aangetroffen. Ter plaatse van het ven is een slecht doorlatende laag afgezet (afgestorven vegetatie) waarop water stagneert, dit resulteert in een schijngrondwaterspiegel. Direct onder de venbodem is een onverzadigde bodem aangetroffen. In de omgeving van het ven is in de open boorgaten een grondwaterstand gemeten van circa 1,2 m -mv. Op 27 oktober 2016 was circa 30 cm water aanwezig in het ven. Grenzend aan het zure ven is vochtige heide aanwezig. Ook hier is aan maaiveld (20 à 30 cm dik) een slecht doorlatende humusrijke laag aangetroffen. Het betreft een lokale laagte die op basis van veldwaarnemingen periodiek onder water staat en daarmee onderdeel uitmaakt van het ven.
4.3
Gemeten grondwaterstanden
In de omgeving van het ven zijn twee peilbuizen van de provincie aanwezig beheerd door Vitens. De peilbuislocaties zijn gepresenteerd in figuur 4.2 en de kenmerken van de peilbuizen zijn gepresenteerd in tabel 4.1.
Figuur 4.2 Locaties peilbuizen in de omgeving van het zuidelijk gelegen ven (blauw omcirkeld). gemeten grondwaterstanden
28\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
37.8
37.6
Groundwater level (m+ref)
37.4
37.2
37
36.8
36.6
36.4
36.2
B34H0322_1 B34H0323_1 2013
2014
2015
2016
Date
0.4
Groundwater level (m+surf)
0.2
0
-0.2
-0.4
-0.6
-0.8 B34H0322_1 B34H0323_1 2013
2014
2015
2016
Date
Figuur 4.3 Gemeten grondwaterstanden. Positieve waarden betekenen dat de grondwaterstand boven het maaiveld uitkomt
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
29\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Tabel 4.1 Peilbuiskarakteristieken
Maaiveld (m NAP)
Bovenkant filter m NAP
Onderkant filter m NAP
(m -mv)
(m -mv)
B34H0322
37
35.8 (1.2)
35.3 (1.7)
B34H0323
37.3
36.2 (1.1)
35.7 (1.6)
In figuur 4.3 zijn de meetreeksen gepresenteerd. Opvallend is dat het gemiddelde niveau van de grondwaterstanden geleidelijk is gestegen gedurende de meetperiode. Dit kan niet worden verklaard op basis van de uitgevoerde beheer- en herstelmaatregelen. Onduidelijk is waardoor de stijging is veroorzaakt en of de stijging doorzet. De hoogst gemeten grondwaterstanden hebben een niveau van circa NAP +37,8 m (0,5 m +mv) en de laagst gemeten grondwaterstanden rond de NAP +36,4 m (0,9 m -mv). De omgeving van het ven heeft een niveau van circa NAP +37,3 m. De grondwaterstand bevindt zich in de winterperiode boven de venbodem en zakt in de zomer uit tot onder de venbodem. De periode dat de grondwaterstand reikt tot boven de venbodem is toegenomen op basis van de gepresenteerde meetperiode.
4.4
Invloed stijghoogte op watervoerendheid ven
De waterstand in het ven wordt bepaald door het neerslagoverschot, horizontale toestroming vanuit de hoger gelegen omgeving, wegzijging door de venbodem en de horizontale afstroming over de slecht doorlatende bodem naar het diepere grondwater. Onduidelijk is wat de bijdrage is van de afzonderlijke fluxen. Onbekend is in hoeverre toevoer is van grondwater naar het ven. De wegzijgingsflux wordt beïnvloed door de bodemweerstand van het ven en de onderliggende grondwaterstand. Afhankelijk van de bodemweerstand resulteert een verhoging van de grondwaterstand in een afname van de wegzijgingsflux. Op basis van eerdere onderzoeken, naar de invloed van de stijghoogte op de wegzijging vanuit een ven met een schijngrondwaterspiegel, volgt dat een grondwaterstand vanaf een diepte van meer dan 1,5 á 2 m beneden de venbodem geen significant effect meer heeft op de wegzijging (Dorland et al 2014 in prep.; Cirkel et al, 2016). In dit geval bevindt de grondwaterstand zich een groot deel van het jaar binnen deze invloedsafstand.
4.5
Invloed Buurserbeek
De Buurserbeek beinvloedt de stijghoogte in de zandlaag in de omgeving van het ven (H7150), de vochtige heiden (H4010A) en de vochtige alluviale bossen (H91E0C). De invloed van de diep ingesneden Buurserbeek op de grondwaterstand ter plaatse van de vochtige habitattypen is afhankelijk van de afstand tot de Buurserbeek, de doorlatendheid en dikte van het watervoerend pakket en het voorkomen van scheidende lagen.
30\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
De oevers van de Buurserbeek hebben ter hoogte van het ven op basis van het AHN2 een niveau van circa NAP +33,4 m. De laagst gemeten grondwaterstanden ter hoogte van het ven bevinden zich circa 3 m boven dit niveau. De grondwaterstand is gemeten op circa 100 m van het ven (peilbuis B34H0323). Hieruit volgt dat de grondwaterstand een sterke opbolling laat zien richting de Buurserbeek. De invloed van de diep ingesneden Buurserbeek op de grondwaterstand ter plaatse van het ven en de nabij gelegen vochtige heide is beperkt gezien de grote opbolling. De steile opbolling duidt op een kleine Kd-waarde. In de directe omgeving van de Buurserbeek bevinden zich alluviale bossen. Op basis van de grote opbolling heeft de Buurserbeek een sterke ontwaterende werking op de direct omgeving van de beek. Een verhoging van het beekpeil/bodemhoogte zal resulteren in een sterke toename van de grondwaterstanden in de omgeving van de beek en daarmee ter plaatse van de alluviale bossen. Een verhoging van het beekpeil/bodemhoogte van de Buurserbeek resulteert hooguit in een geringe grondwaterstijging ter plaatse van het ven en de vochtige heide. Bij een geringe grondwaterstijging is niet te verwachten dat de infiltratiesnelheid en de watervoerendheid van het ven wezenlijk veranderen.
Figuur 4.4 Buurserbeek in de omgeving van de zuideljike gelegen vennen. De Buurserbeek is diep ingesneden
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
31\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
5 Conclusie Wat is de invloedsafstand van de ontwateringssloten in de landbouwpercelen op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000 gebied het Witte Veen? Met de analytische rekenmethode van Perrochet en Musy bedraagt de maximale theoretische invloedsafstand van de watergangen aan de randen van het Witte Veen circa 150 m. Ter plaatse van het aanwezige smelwaterdal is de invloedsafstand groter met circa 235 m. Dit is het gevolg van het dikkere watervoerend pakket
In het Witte Veen zijn zwakgebufferde vennen en glanshaver- en vossenstaarthooilanden
aanwezig binnen de maximale invloedsafstand van de ontwateringssloten In de zomer valt een groot deel van de sloten droog wat betekent dat de sloten de grondwaterstanden niet beïnvloeden in drogere perioden
De ondergrond van het Witte Veen kent een grote variatie in bodemopbouw en een sterk grondwaterverhang. Onduidelijk is wat de doorlatendheid van de ondergrond is
Heeft de Buurserbeek invloed op de aangewezen vochtige natuurdoeltypen? Is er een ondiepe kleilaag aanwezig is in de omgeving van de Buurserbeek (zuidzijde van Het Witteveen) die resulteert in een schijngrondwaterspiegel. In de ondiepe ondergrond in de omgeving van de Buurserbeek zijn geen scheidende lagen aangetroffen. Ter plaatse van het zure ven is als gevolg van de slecht doorlatende venbodem een schijngrondwaterspiegel aanwezig. Grenzend aan het zure ven is vochtige heide aanwezig. Ook hier is aan maaiveld een slecht doorlatende laag aangetroffen. Het betreft een lokale laagte die op basis van veldwaarnemingen periodiek onder water staat
Het uitzakken van de waterstand in het zure ven wordt bepaald door de weerstand van de venbodem en de grondwaterstand onder de venbodem. De Buurserbeek heeft een drainerende werking op de grondwaterstanden en beïnvloedt daarmee de grondwaterstand onder het ven en ter plaatse van de vochtige heide. De grondwaterstand wordt bepaald door het doorlaatvermogen van de betreffende zandlaag, het voorkomen van slecht doorlatende
lagen en het voorkomen van ontwateringsmiddelen (Buurserbeek) De invloed van de diep ingesneden Buurserbeek op de grondwaterstand ter plaatse van het ven en de nabij gelegen vochtige heide is beperkt gezien de grote opbolling. Een verhoging van de bodemhoogte van de Buurserbeek resulteert naar verwachting hooguit in een geringe grondwaterstijging. Bij een geringe grondwaterstijging is niet te verwachten dat de
infiltratiesnelheid en de watervoerendheid van het ven wezenlijk veranderen In de directe omgeving van de Buurserbeek bevinden zich alluviale bossen. Op basis van de grote opbolling heeft de Buurserbeek een sterke ontwaterende werking op de direct omgeving van de beek. Een verhoging van het beekpeil/bodemhoogte zal resulteren in een sterke toename van de grondwaterstanden in de omgeving van de beek en daarmee ter plaatse van de alluviale bossen
32\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
Aanbevelingen De doorlatendheid van de ondergrond is sturend voor de invloedsafstand van de ontwateringssloten in de landbouwpercelen op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000 gebied het Witte Veen. De doorlatendheid is onbekend. Geadviseerd wordt de doorlatendheid in de randzone in beeld te brengen door middel van doorlatendheidsproeven.
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
33\34
Kenmerk R001-1240705HWC-evp-V02-NL
6 Literatuur Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
Bell, J.S. en J.W. van ’t Hullenaar, 2004. Herstel van Hoogveen, Hoogveenbos, vennen en natte heide in grensoverschrijdend natuurgebied Witte Veen / Witte Venn. Uitwerking van een herstelplan op basis van ecohydrologisch onderzoek. Bell Hullenaar Ecohydrologisch
Adviesbureau, Zwolle Bot, A.P., 2011, Grondwaterzakboekje
Cirkel G., Dorland E., Witte J., 2016. Schijnspiegeldynamiek van heideveentjes: over de
complexe relatie tussen stijghoogte en schijnspiegel; in: Stromingen 26 (2016) nr. 2 Geujen, C., Natuurmonumenten, 2014, Analyse Hydrologisch meetnet t.b.v. natuurvisie Witteveen, Versie: 25 februari 2014
Kleinsman, W.B. & J.A.M. ten Cate, 1979. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. blad 34/35. Stichting Bodemkartering/Rijks Geologische Dienst
Natuurmonumenten, 2014, Gaaf grensoverschrijdend hoogveenlandschap, Natuurvisie Witte
Veen/Witte Venn 2014-2031 Perrochet, P. en A. Musy, 1992. A simple formula to calculate the width of hydrological buffer zones between drained agricultural plots and nature reserve areas. Irrigation and Drainage
Systems 6: 69-81 Plantinga, J. E. en K. van der Veen, Altenburg en Wymenga ecologisch onderzoek, 2013, De vegetatie van het Buurserzand en het Witte Veen in 2012, kenmerk 9125buv
Provincie Overijssel, 2015, Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Witte Veen
Stiboka, Stichting voor bodemkartering Wageningen, 1972, De bodemgesteldheid van het
ruilverkavelingsgebied Haaksbergen Waterschap Regge en Dinkel, 2010, Achtergronddocument GGOR Witte Veen. Achtergronddocument, behorende bij het Gewenste Grond en Oppervlaktewater RegimeBesluit voor het Natura 2000-gebied Witte Veen en directe omgeving
34\34
Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen
Bijlage
1
Peilbuizen Dinoloket
peilbuizen Dinoloket
1
B34F1499
B34F1498
B34F1497 B34F1496 B34F3743 B34F1494 B34F1493 B34F1505 B34F1504 B34F1506 B34F1502
B34F2957
B34F1507
B34F2958 B34F1509 B34F1510 B34F1575 B34F1508
B34F3745
B34F1585
B34F1501
B34F1353
B34F2959
B34F1511
B34F1503
B34F1350 B34F1351 B34F1500
B34F1588
B34F2961 B34F3746
B34F2960 B34F3199 B34F1589
B34F1352
B34F1590
B34F1581 B34F1580
B34F1512
B34F3744
B34F1560
B34F1579
B34F1520 B34F1523 B34F1517 B34F1518 B34F1522 B34F1519 B34F1516 B34F1513 B34F1521 B34F1514
B34H0105 B34H0312 B34H0311 B34H0310
B34H0309
B34H0107
B34H0106
B34H0313
B34H0109 B34H0108
B34H0058
´
peilbuis Dinoloket Buisdrainage
N2000-Witte Veen Topo
0
200
400 m
Esri Nederland & Community Maps Contributors
1:15000
1240705_10001D.MXD
Bijlage
2
Boringen Dinoloket
boringen Dinoloket B34F1857 B34F1860
B34F1861
B34F1854 B34F1863 B34F1862 B34F0705
2
B34F0455 B34F1893 B34F1868 B34F1884 B34F1886 B34F0144 B34F1888 B34F1881 B34F1873 B34F0747 B34F0149 B34F0143 B34F1887 B34F1870 B34F0146 B34F1876 B34F1894 B34F1880 B34F1883 B34F1866 B34F1890 B34F0147 B34F0746 B34F1871
B34F1872
B34F1891 B34F1858 B34F1867 B34F0148 B34F1877 B34F1878 B34F1892 B34F1818 B34F1869 B34F1879 B34F1343 B34F0140 B34F1346 B34F1344 B34F1784 B34F1792 B34F1810 B34F1811 B34F1796 B34F1785 B34F1812 B34F1817 B34F1802 B34F1800 B34F1815 B34F0141 B34F1499 B34F1805 B34F0135 B34F0139 B34F1808 B34F1790 B34F1807 B34F0661 B34F1787 B34F1786 B34F1797 B34F1813 B34F1788 B34F1496 B34F1498 B34F1801 B34F1795 B34F1783 B34F1804 B34F1495 B34F0173 B34F1794 B34F1798 B34F1806 B34F1713 B34F1715 B34F1714 B34F1736 B34F1722 B34F0660 B34F0172 B34F1588 B34F1493 B34F2957 B34F1727 B34F1716 B34F0167 B34F1735 B34F1509 B34F1741 B34F1712 B34F1511 B34F1728 B34F1717 B34F1721 B34F1731 B34F2959 B34F1503 B34F1512 B34F0168 B34F1502 B34F0161 B34F2960 B34F3199 B34F1719 B34F0462 B34F1711 B34F1710 B34F1725 B34F2961 B34F1706 B34F1585 B34F1724 B34F1739 B34F1589 B34F1732 B34F1350 B34F1500 B34F0639 B34F0171 B34F0772 B34F1718 B34F1657 B34F0393 B34F1664 B34F1351 B34F1666 B34F1580 B34F1653 B34F1726 B34F1720 B34F0165 B34F1579 B34F1671 B34F1665 B34F1520 B34F1517 B34F1660 B34F1522 B34F1656 B34F1663 B34F1662 B34F1667 B34F1515 B34F1523 B34F1518 B34F1658 B34F1661 B34F1652 B34F1514 B34F1669 B34F1659 B34H0009 B34H0304 B34H0306 B34H0299 B34H0301 B34H0295 B34H0297 B34H0105 B34H0298 B34H0024 B34H0293 B34H0308 B34H0307 B34H0025 B34H0023 B34H0302 B34H0300 B34H0019 B34H0296 B34H0245 B34H0253 B34H0268 B34H0303 B34H0026 B34H0027 B34H0254 B34H0106
B34H0004 B34H0005 B34H0044 B34H0260 B34H0255 B34H0263 B34H0251 B34H0022 B34H0252 B34H0006 B34H0271 B34H0267 B34H0028 B34H0057 B34H0013 B34H0109 B34H0045 B34H0108 B34H0256 B34H0257 B34H0261 B34H0274 B34H0246 B34H0250 B34H0249 B34H0029 B34H0018 B34H0055 B34H0262 B34H0058 B34H0021 B34H0040 B34H0056 B34H0258 B34H0193 B34H0248 B34H0259 B34H0200 B34H0199 B34H0010 B34H0030 B34H0189 B34F1791 B34F1793
´
boring dinoloket
N2000-Witte Veen Topo
0
330
660 m
Esri Nederland & Community Maps Contributors 1:25000
1240705_10001D.MXD
Bijlage
3
Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand
GHG
3
B34F1499 (39.24) B34F1498 (37.13)
B34F1495 (36.97) B34F1496 (36.68) B34F3743 B34F1494 (******) (38.16) B34F1493 (39.72)
B34F2957 B34F2957 (41.06) (40.91) B34F2958 B34F1509 B34F1504 (******) (40.11) B34F1510 B34F1511 (40.95) B34F1507 (35.4) (41.4) B34F2959 B34F1508 (36.75) (37.56) (41.26) B34F1512 B34F1503 (34.71) (40.99) B34F1585 B34F2960 B34F2960 B34F3745 (41.2) (41.2) (******) (37.05) B34F1502 B34F2961 B34F3199 (35.05) (41.22) (41.39) B34F3746 B34F3744 B34F1501 B34F1589 (39.95) (******) (36.13) B34F1500 (******) B34F1351 (36.41) (******) B34F1505 B34F1506 (35.27) (36.92)
B34F1353 (34.55)
B34F1352 (******)
B34F1579 (39.68)
B34F1523 (38.83)
B34F1520 (40.62)
B34F1522 (38.72)
B34F1513 B34F1514 (38.23) (38.31)
B34F1560 (40.05)
B34F1590 (******)
B34F1581 B34F1580 (******) (40.14)
B34F1518 (39.76)
B34F1521 (39.31)
B34H0105 (******) B34H0312 (35.49) B34H0311 (33.63) B34H0310 (32.65)
B34H0309 (35.31)
B34H0107 (******)
B34H0106 (******)
B34H0313 (32.81)
B34H0108 (******)
B34H0109 (******)
B34H0058 (34.37)
0
GHG, minimaal 10 metingen per jaar N2000-Witte Veen