C4-1.WRR-rapport Grip.Het+maatschappelijk+belang+van+persoonlijke+controle
Tekst van het document
172 173 174 175
Uyterlinde et al. 2021. Uyterlinde et al. 2020. Uyterlinde et al. 2020. Smeekes & Mulder 2016.
Rapport
93
om de kwaliteit van de buurt te beïnvloeden. 176 Er ontstaat dan ook enig defaitisme: je moet er maar het beste van maken. Deze gelaten houding is niet helemaal onbegrijpelijk, want het palet van mogelijkheden voor directe controle op het gebied van de sociale omgeving is inderdaad begrensd. Mensen kunnen natuurlijk zelf in actie komen en overlastgevers aanspreken (als ze dat durven) of de politie of de woningbouwvereniging vragen om op te treden, maar vaak helpt dat niet of hooguit eventjes, zeggen respondenten in dit soort onderzoeken. De enige echte en duurzame oplossing voor directe controle is verhuizen, maar op een krappe woningmarkt is dat voor mensen met weinig inkomen geen reële optie. Op het gebied van indirecte controle houden de mogelijkheden evenmin over. Sinds 2017 hebben gemeenten de wettelijke mogelijkheid om in te grijpen bij herhaaldelijke en ernstige hinder vanuit een woning, maar dat geldt alleen voor echt zware gevallen, niet voor meer alledaagse overlast. Voordat dit middel kan worden ingezet, moeten bovendien de nodige stappen zijn doorlopen. Voor wie nú problemen heeft met zijn buurt of buren, duurt dat allemaal veel te lang. 3.5
Conclusie: beperkte grip voor grote groepen burgers Met ‘controle’ bedoelen we de mate waarin het individu door eigen handelen gewenste uitkomsten kan verkrijgen en ongewenste uitkomsten kan voorkomen. Iemands algemene gevoel van controle wordt sterk bepaald door sociale leerprocessen, dat wil zeggen: de optelsom van ervaringen van controle of een gebrek daaraan. In zekere zin is gevoel van controle te beschouwen als het noodzakelijk complement van doenvermogen, want doenvermogen alleen is niet genoeg om ervoor te zorgen dat mensen ook echt in beweging komen. Zij moeten ook geloven dat zij voldoende controle over de omgeving hebben, dat wil zeggen dat deze omgeving een zodanige orde en causale structuur kent dat als zij actie A ondernemen, dit ook redelijkerwijs leidt tot uitkomst B. Anders heeft actie geen zin. Het recept voor redzaamheid kent dus twee ingrediënten: doenvermogen en grip. Uit onze eigen survey blijkt dat het algemene gevoel van controle van Nederlanders samenhangt met sociaal-economische klasse, maar niet eenop-een. Mensen die weinig controle voelen, zijn vaker jonge mensen en lager opgeleiden, maar groot zijn de verschillen niet. Wel zijn er grotere verschillen tussen inkomensgroepen: mensen met de laagste inkomens ervaren veel minder controle dan mensen in de hoogste inkomensgroepen, al zijn er ook onder
176
De Gruijter et al. 2010.
94
Grip
de lage inkomens mensen die veel controle ervaren, en onder de hoge inkomens mensen die weinig controle ervaren. In dit hoofdstuk hebben we voor een aantal domeinen in kaart gebracht in welke mate individuen zelf, of via een vertegenwoordiger, meer of minder grip hebben op hun situatie. Op basis daarvan kunnen we een aantal conclusies trekken: – Controle is begrensd. Op verschillende domeinen van het leven kunnen mensen regelmatig feitelijke mogelijkheden voor grip ontberen. Soms is er sprake van verlies aan controle, bijvoorbeeld als gevolg van flexibilisering van de arbeidsmarkt of van liberalisering van de markt voor huurwoningen. Voor andere domeinen, zoals gezondheid, is er meer aandacht voor controle, maar moeten we constateren dat dit streven in de praktijk lang niet altijd te realiseren is voor een individu. – Controle is ongelijk verdeeld. Dat begint al bij de verschillen in opleidings niveau en in gezondheid. Mede hierdoor ontstaan ook elders ongelijkheden in controle, zoals op de arbeidsmarkt waar werknemers met een vast contract meer kansen krijgen om aan hun employability te werken dan werknemers met een flexibel contract. In andere gevallen, zoals bij de toegang tot zorg, zijn de mogelijkheden op papier gelijk, maar vragen die mogelijkheden om middelen en competenties waarover niet iedereen beschikt. Dit geldt ook voor indirecte controle.
Voor veel aspecten van het leven bestaan belangenbehartigers en hulptroepen, zoals vakbonden en patiëntenverenigingen, maar niet iedereen is daarbij aangesloten, en ook hier zullen mensen verschillen in de mate waarin zij hen effectief weten in te schakelen. – Meer controle voor de een betekent soms minder controle voor de ander. Een van de determinanten van controle is bijvoorbeeld hoeveel financiële middelen iemand heeft. Het herverdelen van inkomen komt dus bijna altijd neer op een herverdeling van mogelijkheden tot controle. Ook bij indirecte controle kan dit soort verschuivingen optreden. De grotere ruimte die de aanstaande Omgevingswet biedt aan initiatiefnemers om hun projecten te realiseren, kan in de praktijk leiden tot minder controle over de leefomgeving voor andere partijen – zeker als die weinig ervaring hebben met de procedures van die Omgevingswet.
Rapport
In dit hoofdstuk hebben we enkele voorbeelden laten zien van mogelijk heden die mensen hebben om hun persoonlijke controle te versterken. In het slothoofdstuk werken we die verder uit. Eerst gaan we in de komende drie hoofdstukken in op de samenhang van persoonlijke controle met individueel welbevinden, maatschappelijk onbehagen en maatschappijbeelden.
95
96
Grip
Rapport
4
97
Persoonlijke controle en gezondheid Wat is de invloed van persoonlijke controle op geestelijk en fysiek welbevinden? Deze vraag staat centraal in dit hoofdstuk. Zoals we al schreven aan het begin van het vorige hoofdstuk, blijkt een sterk gevoel van controle samen te hangen met zo’n beetje alles dat goed en wenselijk is in het leven, terwijl een gebrek aan gevoel van controle samenhangt met van alles dat niet wenselijk is. Een illustratie van de ‘kracht van controle’ biedt onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp). Dat peilt regelmatig het gevoel van controle van Nederlanders, op basis van vijf van de zeven items uit de in het vorige hoofdstuk beschreven mastery-schaal. 17 7 In tabel 4.1 staat hoe sterk diverse persoons kenmerken samenhangen met twee algemene indicatoren van welbevinden, namelijk levenstevredenheid en geluk. Daarbij geldt: hoe hoger de bèta-coëffi cient, hoe sterker de samenhang. De tabel laat zien dat gevoel van controle met afstand het hoogste scoort. 178 Tabel 4.1 Gevoel van controle en trevredenheid en geluk Gestandaardiseerde bèta-coëfficienten
Data 2016/2017 Tevredenheid
Geluk
Leeftijd
0,15
0,09
Inkomen
0,09
0,07
Wel of geen werk
0,14
0,04
Opleiding
0,03
0,04
Huishoudsamenstelling
0,08
0,10
Inkomstenbron
0,13
0,08
Gezondheid
0,09
0,06
Gevoel van controle*
0,32
0,38
Digitale vaardigheden
0,04
0,05
24
23
verklaarde variantie (%)
* Het scp spreekt niet van ‘gevoel van controle’ maar van ‘regie’. Bron: Boelhouwer 2017: 351; Boelhouwer & Vonk 2019: 323.
177 178
Het scp spreekt niet van ‘controle’, maar van ‘regie’, maar het gaat om hetzelfde. Het scp gebruikt grotendeels dezelfde onderdelen van de mastery-schaal. Volgens aanvullend onderzoek van het scp is dit ook een belangrijker determinant dan vergelijkbare psychosociale concepten zoals zelfvertrouwen, veerkracht, vertrouwen in eigen vaardigheden of het hebben van sociale vaardigheden.
98
Grip
In dit hoofdstuk laten we zien dat deze scp-uitkomsten slechts het topje van de ijsberg zijn. Weinig mentale kenmerken lijken zozeer van belang voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid als het gevoel van controle. 4.1
Gevoel van controle en gezondheid Het gevoel van controle hangt sterk samen met een reeks van indicatoren voor mentaal welbevinden, zo blijkt uit onderzoek, terwijl omgekeerd een gebrek aan controle samenhangt met problemen zoals depressie179 en andere vormen van geestelijke nood. “In fact, of all of the beliefs about self and society that might affect distress, belief in control over one’s own life may be the most important” aldus Ross en Sastry. 180 Ook laat onderzoek een duidelijke relatie zien tussen gevoel van controle en lichamelijke gezondheid, variërend van zelfgerapporteerde gezondheid, overgewicht en obesitas, lichamelijke beperkingen en functieverlies, tot hart- en vaatziekten en andere chronische aandoeningen. Hieronder vatten we een aantal van die onderzoeken kort samen. Maar eerst de vraag: waarom is er zo’n sterke samenhang tussen controle en gezondheid? Wat zou dat verband kunnen verklaren? Dat uiteenrafelen blijkt nog niet zo eenvoudig. De causaliteit lijkt in beide richtingen te lopen, en er spelen vrijwel zeker meerdere mechanismen tegelijkertijd. Psycholoog Frank Infurna en collega’s onderscheiden vier mogelijke routes waarvoor empirische evidentie is gevonden 181: – Gedrag.
Een groot gevoel van controle bevordert dat mensen hun gezondheid zien als beïnvloedbaar, en daardoor eerder geneigd zijn tot gezond gedrag, zoals gezond eten, voldoende bewegen en regelmatige medische checks; – Gevoeligheid voor stress. Mensen met een groot gevoel van controle zijn minder snel geneigd tot (heftige) stressresponsen in de zogenoemde hpaas 182 en het autonome zenuwstelsel. Zoals bekend, is gematigde stress doorgaans geen probleem, maar langdurige of chronische stress is slecht voor de gezondheid; – Emotieregulatie. Een groot gevoel van controle gaat gepaard met een betere regulering van emoties, vooral het tot hanteerbare proporties terugbrengen van negatieve emoties die schadelijk kunnen zijn voor het immuunsysteem, hart en bloedvaten; – Sociale steun. Mensen met een groot gevoel van controle zullen eerder sociale steun mobiliseren, vooral in moeilijke tijden. Dat kan helpen als een buffer tegen stress.
179 180 181 182
Benassi et al. 1988. Ross & Sastry 1999: 370. Infurna et al. 2011: 570. Hypothalamic-Pituitary-Adrenal axis. In het Nederlands: Hypothalamus-hypofyse-bijnier-as.
Rapport
99
Gevoel van controle in kindertijd voorspelt latere gezondheid In het rapport Weten is nog geen doen beschreef de wrr de beroemde ‘marshmallow-test’. Een van de uitkomsten van dat onderzoek was dat de kinderen die op vierjarige leeftijd voldoende wilskracht hadden om de verleiding te weerstaan een marshmallow op te eten, het later als jongvolwassenen beter deden op allerlei terreinen van het leven dan kinderen die deze verleiding niet konden weerstaan. 183 Iets soortgelijks lijkt te gelden voor gevoel van controle. Op basis van iemands gevoel van controle gedurende de kindertijd kunnen voorspellingen worden gedaan over diens latere gezondheid, zo blijkt uit een onderzoek van de Britse onderzoeker Catherine Gale en haar collega’s. Zij baseerden zich op een steekproef van 7.551 personen uit de zogenoemde 1970 British Cohort Study, waarin duizenden Britten worden gevolgd die in 1970 zijn geboren. Toen de deelnemers tien jaar oud waren, werd hun ‘locus of control’ gemeten – een concept dat sterk verwant is met gevoel van controle. Twintig jaar later werd gemeten hoe het deze deelnemers – inmiddels dertig jaar oud – verging op het gebied van gezondheid. De resultaten werden gecontroleerd voor geslacht, iq op tienjarige leeftijd, behaald opleidingsniveau en sociaal-economische positie.
Gale vond dat een hogere score voor ‘locus of control’ op tienjarige leeftijd sterk samenhing met de gezondheid op dertigjarige leeftijd. Wie als kind hoog scoorde op gevoel van controle, rapporteerde als volwassene een betere gezondheid, minder geestelijke nood, minder kans op overgewicht, obesitas en – bij vrouwen – minder kans op hoge bloeddruk. “Having a sense of control over one’s own life in childhood seems to be a protective factor for some aspects of health in adult life.”184 Kans op overlijden Als het waar is dat gevoel van controle sterk samenhangt met gezondheid, dan zou te verwachten zijn dat mensen die slecht scoren op gevoel van controle uiteindelijk ook minder lang leven. Dat is inderdaad precies wat het onderzoek laat zien. We geven twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld betreft een studie van de zojuist genoemde Infurna en collega’s. Zij maakten gebruik van de longitudinale studie Americans’ Changing Lives, een steekproef van Amerikanen van 25 jaar en ouder (met een oververtegenwoordiging van mensen van 60 jaar en ouder). Voor dit specifieke onderzoek baseerden Infurna en collega’s zich op data uit de eerste vier perioden van deze
183
184
In de media is de afgelopen jaren weleens de indruk gewekt dat de positieve langetermijneffecten van zelfcontrole op jonge leeftijd niet gerepliceerd konden worden. Nadere analyse van de literatuur laat echter zien dat de conclusies van dit onderzoek nog steeds overeind staan. Zie voor een uitgebreide bespreking: Tiemeijer 2022: 265-267. Gale et al. 2008: 397.
100
Grip
studie, afgenomen in 1986, 1989, 1994 en 2002. Daaruit trok hij een steekproef van 2.840 deelnemers. Van deze deelnemers was bekend hoe sterk hun gevoelens van controle waren, omdat in elk van de vier perioden de eerdergenoemde mastery-schaal was afgenomen. 185 Infurna en collega’s keken allereerst naar het niveau van controle in 1989, en in tweede instantie naar de eventuele verandering in gevoel van controle, opwaarts dan wel neerwaarts, tussen 1986 en 2002. Vervolgens gingen ze na wie van de deelnemers in de bijna twintig jaar tussen 1989 en 2008 waren overleden. Ook nadat was gecontroleerd voor leeftijd en sociodemografische factoren, werd de kans op overlijden deels voorspeld door het gevoel van controle. Daarbij was het effect van een verandering in de controle (figuur 4.1, rechts) ruim twee keer zo sterk als het effect van niveau van controle (figuur 4.1, links). 186 Figuur 4.1 Voorspellend effect van mate van gevoel van controle (links) en veranderingen in gevoel van controle (rechts) op overleving over de tijd
0,8
0,8 Overleving
B 1
Overleving
A 1
0,6 0,4 0,2 0
0,6 0,4 0,2
0
2
4
6
8 10 12 14 16 18 Tijd (jaar)
0
0
2
4
6
8 10 12 14 16 18 Tijd (jaar)
+1 SD Niveau van gevoel van controle
+1 SD Verandering in gevoel van controle
–1 SD Niveau van gevoel van controle
–1 SD Verandering in gevoel van controle
Bron: Infurna, F. J., Ram, N., & Gerstorf, D. (2013). Level and change in perceived control predict 19-year mortality: Findings from the Americans’ changing lives study. Developmental Psychology, 49(10), 1833–1847. https://doi.org/10.1037/a0031041, Overgenomen met toestemming van apa (American Psychological Association ).
185 186
Daarbij gebruikten zij zes van de zeven items uit deze schaal. Waarom heeft verandering in controle invloed op mortaliteit? Infurna et al. (2013) hebben daar geen kant-en-klaar antwoord op, maar doen enkele suggesties, bijvoorbeeld dat “declines in perceived control may undermine one’s views regarding the predictability of life, thereby increasing levels of stress, anxiety, and depressive symptoms.” Maar dit zijn speculaties. “We note that these are only preliminary insights on the mechanisms that link control trajectories to survival and that to fully understand the pathways through which changes in control exert influence on health and mortality, more mechanism-oriented study designs are needed” (Infurna et al. 2013: 1842).