CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

BW348.bijlage bijlage bij aanvraag omgevingsvergunning oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing 22.6.21

Gemeenteraad 26 oktober 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Uitspreken van het voornemen een verklaring van geen bedenkingen te verlenen ten behoeve van het realiseren van 8 zoutwinningslocaties en het onderliggende leidingentracé onder diverse voorwaarden16.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

van deze gebieden. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen: de es, de flank en het beekdal. Het plangebied valt binnen het jong heide- en broekontginningslandschap en het oude hoevelandschap.

Afbeelding 15: Laag van het agrarisch cultuurlandschap met jonge heide- en broekontginningslandschap (lichtgeel) en oude hoevelandschap (groen). Rode cirkel geeft globaal het plangebied weer. (bron: Provincie Overijssel) Jong heide- en broekontginningslandschap De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginning landschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug.

Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreiding’ landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 27

Oude hoevenlandschap Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De realisatie van de zoutwinningslocaties betreffen kleinschalige locaties.

Deze worden ingepast aan de hand van het type landschap waarin een zoutwinningslocatie zich bevindt. De landschapsbeplanting en de inrichting van een zoutwinningslocatie wordt dusdanig afgestemd op het type landschap. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de ambities van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen. Daarbij wordt kwaliteit, eigenheid en onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het plangebied behoort tot het gebied met verspreide bebouwing. Bij de keuze van de zoutwinningslocaties en de leidingtracés is rekening gehouden met het aanwezige verbindende infrastructurele netwerk. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op het huidige verbindende netwerk. Lust- en leisure laag Deze laag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De lust- en leisure laag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen.

Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De lust- en leisure laag heeft geen rechtstreekse doorwerking op het voorliggende plan. De realisatie van de zoutwinningslocaties - met name bij het plaatsen van de zouthuisjes - dragen bij aan de herkenbaarheid van het Twentse landschap. Op basis hiervan draagt het project bij aan de ruimtelijke identiteit.

3.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente Op 5 maart 2014 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen de Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente Haaksbergen het bijzondere leefkwaliteit van Haaksbergen op zijn hoge niveau houden en waar mogelijk verbeteren. Het accent zal daarbij liggen op het versterken van de cultuurhistorische kwaliteiten en het groene karakter. De gemeente wil dat alle nieuwe ontwikkelingen een bijdrage gaan leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Haaksbergen. Dat betekent dat de gemeente aandacht vraagt voor een goede ruimtelijke inpassing daarvan. Nieuwe ontwikkelingen mogen in geen geval een negatief effect hebben op de kwaliteit van de dorpen en het landschap.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 28

Afbeelding 16: Plankaart horende bij de structuurvisie en ingezoomd op het plangebied. Rode cirkel geeft globaal het plangebied weer. (bron: gemeente Haaksbergen) De essentie van het streven naar ruimtelijke kwaliteit zit hem in het verbinden van nieuwe ontwikkelingen met bestaande gebiedskwaliteiten, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt, en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. Ambities De visie geeft aan hoe de gemeente omgaat met de thema’s infrastructuur, platteland, economie, wonen en duurzaamheid.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 29

Er zijn voor de komende jaren negen ambities opgenomen: 1. Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. 2. Een sfeervol groen centrum met de Markt als stralend middelpunt. 3. Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied. 4. Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. 5. Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap. 6. Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. 7. Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. 8. Op peil houden en concentreren van het voorzieningenniveau. 9. Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In de structuurvisie worden geen specifieke ambities benoemd die betrekking hebben op ontwikkeling, zoals het realiseren van 12 zoutwinningslocaties in het buitengebied. Met het toevoegen van 12 nieuwe zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen worden nieuwe ontwikkelingen verbonden met bestaande gebiedskwaliteiten. Door de locaties landschappelijk in te passen, op basis van de landschappelijk kenmerken zoals benoemd in de Omgevingsvisie van Overijssel en het landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente, wordt er voldaan aan de principes uit de structuurvisie.

Met de realisatie van 12 zoutwinningslocatie wordt invulling gegeven aan de ambities: • stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied; • versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. Door de realisatie van de zoutwinningslocaties worden de cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied verbeterd. Zoutwinning en dan met name ook de zouthuisjes maken onderdeel uit van het Twentse landschap en in die zin zijn deze van cultuurhistorische betekenis. Bovendien wordt door een goede inpassing van de zoutwinningslocaties de ecologische kwaliteit van het gebied versterkt. Ook is extra bedrijvigheid (in de vorm van zoutwinning) in het buitengebied aan de noordzijde van Haaksbergen hier passend. Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Dit plan geeft een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 30

Afbeelding 17: Landschapsontwikkelingsplan. Rode cirkel geeft globaal het plangebied weer. In het landschapsontwikkelingsplan zijn enkele specifieke gebiedskenmerken benoemd. Volgens de visiekaart van het landschapsontwikkelingsplan is het plangebied aangemerkt als beekzone, halfopen dekzandlandschap en veldontginning landschap. Beken en beekzones worden ontwikkeld tot dragende structuurlijnen in het landschap die kerngebieden voor landschap, cultuurhistorie, recreatie en natuur met elkaar verbinden. Ten behoeve van de landbouwfunctie en de landschapsstructuur wordt in het agrarisch werklandschap (naast de beekzones uit het watersysteem) ingezet op ontwikkeling van erf- en wegbeplanting en behoud van de bestaande landschapselementen. Het veldontginning landschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. In de voorgenomen ontwikkeling wordt een groot deel van de te realiseren zoutwinningslocaties geplaatst in het halfopen dekzandlandschap. Deze locaties worden landschappelijk ingepast. Het sortiment dat gebruikt wordt voor de landschappelijke inpassing wordt afgestemd met het cultuurhistorisch landschapstype.

Door de landschappelijke inpassing af te stemmen op het type landschap wordt voldaan aan de eisen vanuit het landschapsontwikkelingsplan. Coalitieprogramma 2018-2022 Samen duurzaam vooruit Het coalitieprogramma is opgesteld door de fracties van CDA, VVD, PvdA en GGH. Zij vormen met elkaar de coalitie op basis waarvan het college van B&W in de periode van 2018-2022 aan de slag gaat. In dit coalitieprogramma bevinden zich op hoofdlijnen de ambities die de coalitie, met elkaar en samen met anderen, de komende vier jaar willen realiseren. Voor een evenwichtige inrichting van het Haaksbergse grondgebied, is het belangrijk dat ruimtelijke ontwikkelingen elkaar niet in de weg staan, maar elkaar juist opzoeken, versterken en rekening met elkaar houden. Ook voor initiatieven van ondernemers in het buitengebied moet de gemeente ruimte bieden in bestemmingsplannen. Zo is dat ook bedoeld in de nieuwe Omgevingswet. Dat vraagt om een meer meedenkende en adviserende houding van de ambtelijke organisatie. De ruimte binnen de regels moet maximaal worden benut.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 31

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van 12 zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen past binnen de ambities van de coalitie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de benoemde ruimte die de coalitie wil bieden maximaal benut.

3.4.1 Wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’ Een deel van het plangebied ligt past binnen een wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’. Binnen deze wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen en ten behoeve van een zoutwinningslocatie. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling 10 van de 12 zoutwinningslocaties passen binnen de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 39.8 van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid, maar wordt de gehele ontwikkeling (realisatie van 12 zoutwinningslocaties en toegangswegen) een omgevingsvergunning aangevraagd in afwijking van het bestemmingsplan.

3.4.2 Conclusie gemeentelijk beleid Gezien de aard en omvang van het voornemen, en vooral de locaties waar deze plaatsvindt, wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de uitgangspunten van het coalitieprogramma. Het initiatief past binnen de Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente en het Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente.

3.5 Conclusie Het voorliggende ruimtelijke plan past binnen het rijks-, provinciale, en gemeentelijk beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale verordening. Het plan past binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven en de geldende gebiedskenmerken.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 32

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

4.2 Natuurwaarden Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij soortenbescherming heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora- en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming (was de Natuurbeschermingswet) en met het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het kader van de Wet natuurbescherming is door Eelerwoude een natuurtoets uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 behorend bij deze toelichting. De natuurtoets is uitgevoerd voor de aanleg het gehele leidingtracé. De aanleg van leidingen is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Echter, vinden de werkzaamheden voor de aanleg van leidingen tevens plaats op de zoutwinningslocaties. Hiermee is deze natuurtoets ook van toepassing op de realisatie van de zoutwinningslocaties. De belangrijkste conclusies zijn hier benoemd. Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd.

Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen de periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nachtactieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden overdag uit te voeren buiten de kwetsbare voortplantingsperiode.

Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. In de natuurtoets, zoals opgenomen in Bijlage 1, wordt specifieker in gegaan op de effecten van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de aanwezigheid van beschermde soorten.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 33

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Natura 2000-gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor alle Natura 2000gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Niet stikstof-gerelateerde effecten Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten (niet stikstofgerelateerd) uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met (wegen, houtwallen, bosjes en bebouwing) en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Ten behoeve van het beoordelen van mogelijke effecten in relatie tot de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden heeft Antea Group een Voortoets Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze is separaat bijgevoegd. Uit de voortoets komt naar voren dat (significante) negatieve effecten van de meeste storingsfactoren kunnen worden uitgesloten. Slechts “vernatting” en “verzuring/vermesting door stikstofdepositie” blijven over als relevante storingsfactoren. Om de mogelijke effecten van vernatting en stikstofdepositie in beeld te brengen is respectievelijk gebruik gemaakt van een geo-hydrologisch onderzoek naar vernatting door bodemdaling uitgevoerd.

Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat vernatting door bodemdaling lokaal is en het invloedsgebied van het project voor wat betreft vernatting niet overlapt met enig Natura 2000- gebied. Daarom zijn negatieve effecten door vernatting met zekerheid uit te sluiten. Uit de voortoets kan worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Een passende beoordeling of een aanvraag van een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Stikstof-gerelateerde effecten In opdracht van Nouryon is door Antea Group een stikstofberekening middels AERIUS Calculator (versie 2020) uitgevoerd om de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden te berekenen. Deze rapportage is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op het aspect stikstof. Houtopstanden Er worden binnen het plangebied bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat er een kapmelding dient te worden gedaan bij provincie Overijssel. Ter compensatie dienen nieuwe bomen te worden aangeplant. De wijze van compensatie wordt met Provincie Overijssel nader afgestemd.

Ook dient er volgens de APV van gemeente Haaksbergen een kapvergunning te worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 34

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 35

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De 12 zoutwinningslocaties worden gerealiseerd buiten het NNN, hierdoor zijn er met de realisatie van de zoutwinningslocaties worden geen kenmerken of waarden van het NNN-gebied aangetast. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing ziet enkel toe op de realisatie van de zoutwinningslocaties. De transportleiding is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Aangezien de zoutwinningslocaties worden aangesloten op de te leggen ondergrondse leidingen wordt hieronder in hoofdpunten de conclusie uit de NNNtoetsing benoemd. Zie voor een verdere uitwerking de natuurtoets, zoals opgenomen in Bijlage 1. De transportleiding wordt over 38 meter door NNN gebied en 1.595 meter door zone ‘ondernemen met natuur en water’ gelegd. Doordat met het aanleggen van de transportleiding door middel van een open ontgraving wordt naderhand de bodem en de vegetatie weer hersteld. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Het gebied dat behoort tot de droge dooradering blijft, doordat de vegetatie hersteld na aanleg van de leiding, zorgen voor een samenhangend netwerk van landschapselementen. De kwaliteit van het natuurtype droge dooradering blijft goed.

Bij aanleg van de transportleiding door middel van een gestuurde boring zijn negatieve effecten op de kenmerkende waarden afwezig. De hogere natuurwaarde van de Hagmolenbeek, het moeras en de houtwal aan de Deelweg worden hierdoor bespaard. Conclusie natuurwaarden Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Met betrekking tot het onderdeel houtopstanden dienen de te kappen bomen te worden gecompenseerd door het inplanten van bomen.

4.3 Archeologische en cultuurhistorische waarden Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. De gemeente Haaksbergen heeft haar archeologische waarden beschermd middel een archeologische verwachtingskaart (zie afbeelding 18). Deze verwachtingskaart is door vertaald in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1'. In het geldende bestemmingsplan komt dit tot uiting door de aanwezigheid van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Hoge archeologische verwachtingswaarde', 'Waarde - Middelmatige archeologische verwachtingswaarde' en 'Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde'.

In de regels behorend bij het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat ter plaatse van een hoge archeologische verwachtingswaarde werkzaamheden zijn toegestaan wanneer deze niet dieper gaan dan 40 centimeter onder maaiveld en een maximale oppervlakte bestrijken van 2.500 m2. Bij een middelmatige verwachting is dit 5.000 m2 een lage archeologische verwachting is deze oppervlakte 100.000 m 2.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 36

Afbeelding 18: Weergave Archeologische beleidskaart (indicatief) (bron: gemeente Haaksbergen) Relatie met de voorgenomen ontwikkeling. Van de 10 zoutwinningslocaties die binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' vallen zijn er 5 locaties met een hoge archeologische verwachting, 3 met een middelmatige verwachting en 2 met een lage archeologische verwachting. De twee oostelijke locaties die buiten het bestemmingsplan vallen liggen, volgens de beleidskaart in een lage tot middelmatige archeologische verwachting. Met de voorgenomen ontwikkeling zal er dieper geboord en gegraven worden dan 40 centimeter. Elke winningslocatie heeft een omvang van circa 4.800 m2, waarvan ongeveer 2.400 m2 wordt verhard. Op de 12 locaties wordt daarnaast dieper gegraven dan 40 centimeter. Ter plaatse van de hoge archeologische verwachtingswaarde wordt naar alle waarschijnlijkheid de grenswaarden worden overschreden. Ter plaatse van de middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarden wordt de grenswaarde niet overschreden. Om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening heeft ADC Archeoprojecten in opdracht van Nouryon een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de zoutwinningslocaties. Dit inventariserend veldonderzoek is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd.

Uit het inventariserend veldonderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de zoutwinningslocaties 1 tot en met 5, 8, 11 en het westelijk deel van ontsluitingsweg 1 en ontsluitingsweg 2 (zie tevens onderstaande afbeelding) een grotendeels verstoorde bodemopbouw aanwezig is en de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Ter plaatse van zoutwinningslocaties 6, 7, 9, en 12 en het oostelijk deel van ontsluitingsweg 1 is een intact plaggendek aanwezig en blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Bij de zoutwinningslocaties 6,7, 9 en 12 dient nader inventariserend doormiddel van het aanleggen van proefsleuven te worden uitgevoerd. Bij zoutwinningslocatie 10 dienen aanvullende boringen plaats te vinden. Deze twee vervolgstappen worden op dit moment uitgevoerd. Voor de locaties 1 tot en met 5, 8, 11 en het westelijk deel van ontsluitingsweg 1 en ontsluitingsweg 2 is geen vervolg onderzoek aan de orde en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van de voorliggende ontwikkeling. Tot slot blijft ten allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekend dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 37

Afbeelding 19: Onderzoeksgebied inventariserend veldonderzoek (bron: ADC Archeoprojecten) Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen die met een nieuw bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 38

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt niet in een nationaal landschap. Met de realisatie van de 12 zoutwinningslocaties ontstaan er geen grote langdurige effecten cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Binnen het plangebied zijn tevens geen waardevolle structuren, elementen en patronen aanwezig die door de ingreep beïnvloed kunnen worden. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

4.4 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid dat van toepassing is op het plangebied. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan (NWP) is in december 2009 opgesteld en geeft de hoofdlijnen aan van het beleid dat het Rijk voert in de periode 2009 tot en met 2015 om tot een duurzaam waterbeheer te komen. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. NWP is een opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het NWP is tevens eens structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn de basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. De volgende generaties moeten Nederland als veilig en welvarend waterland ervaren. Water is mooi en Nederlanders genieten graag van water. Het doel van het NWP is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. De uitvoering van projecten van het NWP zijn al in volle gang. Zo hebben we in Nederland het Hoogwaterbeschermingsprogramma, programma's voor de rivierverruiming (Ruimte voor de rivier en de maaswerken) en stroomgebied beheersplannen zodat de waterkwaliteit wordt verbeterd. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel 2009 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten.

De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. De provincie werkt nauw samen met Waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 39

Waterschap Vechtstromen Het waterschap Vechtstromen heeft het waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheerplan (voormalig waterschap Regge en Dinkel). Het plan is opgesteld in samenwerking met de vier andere waterschappen in Rijn-Oost (de Reest en Wieden, Groot Salland, Regge en Dinkel en Rijn en IJssel). Het nieuwe Waterbeheerplan 2016-2021 is op 7 oktober 2015 vastgesteld. In het waterbeheerplan staan de korte en de lange termijn doelstellingen van het waterschap. Het waterschap kiest daarbij voor ruimtelijke, duurzame oplossingen, zowel in tijd als kwaliteit, waarbij het gedachtegoed van het Waterbeheer 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water nadrukkelijk is meegenomen. Door de watertoets wordt er al meteen vroegtijdig nagedacht over de rol van water binnen een ontwikkeling. Voorkomen van wateroverlast Op grond van artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen voorzien worden van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Op 29 april 2020 is het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen. Bij de normale procedure levert het waterschap een uitgangspunten aan, gericht op de voorgenomen ontwikkeling en vindt hierover afstemming plaats met de initiatiefnemer. Gedurende het proces met Waterschap Vechtstromen zijn de uitgangspunten die in de watertoets zijn opgenomen gewijzigd. Deze uitgangspunten zijn met het waterschap besproken. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename aan verharding. Deze toename dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging om wateroverlast te voorkomen. Het waterschap hanteert in haar beleid met betrekking tot waterberging de voorkeursvolgorde : vasthouden- bergen – vertraagd afvoeren, ook wel ‘trits’ genoemd. In verband hiermee gaat de voorkeur uit naar het vasthouden van hemelwater via infiltratie in de bodem. Daarnaast heeft het waterschap in een afstemmingsoverleg d.d. 17 februari 2021 aangegeven dat het creëren van extra oppervlaktewater (zoals het realiseren van een kavelsloot) ook tot de mogelijkheden van compensatie waterberging behoort. Ten gevolge van de realisatie van 12 zoutwinningslocaties en een pompstation, gaat onverhard terrein (grasland) verloren. Als gevolg van het toename van het verhard oppervlak dient het verlies aan waterberging te worden gecompenseerd.

Ter plaatse van de beoogde zoutwinningslocaties geldt voor waterberging een norm van 55 mm per m2 verhard oppervlak. Voor het pompstation geldt een norm van 40 mm per m2 verhard oppervlak. Het pompstation is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en wordt derhalve achterwege gelaten. Zoutwinningslocaties De beoogde zoutwinningslocaties krijgen een verhard oppervlakte van circa 2.400 m2. De berekende benodigde compensatie bedraagt dan tenminste 132 m3 (2.400 m2 x 0,055 m). In overleg met Waterschap Vechtstromen is ervoor gekozen om de benodigde compensatie te realiseren door naast het verharde oppervlakte van de zoutwinningslocatie een ondergronds reservoir te maken. In het reservoir wordt het hemelwater vastgehouden middels een aquaflowsysteem van waaruit het water vertraagd in de bodem infiltreert. De beoogde zoutwinningslocaties H-03, H-06 en H-09 liggen niet direct naast een openbare weg. Om deze locaties te kunnen bereiken worden hier toegangswegen aangelegd (zie tevens afbeelding 19). De toename als gevolg van de aanleg van de toegangswegen wordt gecompenseerd door naast de weg een kavelsloot/wadi aan te leggen. Ook hierbij wordt de norm van 55 mm per m 2 verhard oppervlak gehanteerd. De omvang van de kavelsloot/wadi wordt voorafgaand aan de realisatie afgestemd met Waterschap Vechtstromen.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 40

4.5 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het plangebied.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 41

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Wet geurhinder en veehouderij • Bedrijven en milieuzonering • Milieueffectenrapportage

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling. De algemene zorgplicht uit de Wet bodembescherming (Wbb) verplicht iedereen die in of op de bodem handelingen verricht, maatregelen te treffen om aantasting of verontreiniging van de bodem te voorkomen. Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). In 2012 is de NRB 2012 vastgesteld. In de NRB staat beschreven hoe een inrichting bodembeschermende maatregelen moet treffen, waarbij het risico bestaat dat verontreinigende stoffen door bedrijfsmatige activiteiten in de bodem terecht komen. De NRB stelt hiervoor een uniformerend kader en is tevens het gereedschap voor het inrichten van de bodembescherming binnen een inrichting. Het uitgangspunt van het nationaal bodembeleid is om door een doelmatige combinatie van maatregelen en voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het ontwerp van de zoutwinningslocaties en de bedrijfsvoering van Nouryon zijn erop gericht om bodemverontreiniging te voorkomen.

De zoutwinningslocaties zijn voorzien van een vloeistofkerende verharding. Tijdens de boorwerkzaamheden en workovers treft Nouryon maatregelen om te voldoen aan artikel 28 van het Besluit Algemene Regels Milieu Mijnbouw. Het gaat om het treffen van bodembeschermende maatregelen op de zoutwinningslocaties conform de NRB 2012. Dit betekent dat er combinaties van voorzieningen en maatregelen getroffen worden om zodat er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. De combinaties van voorzieningen en maatregelen die de bodem moeten beschermen, worden getoetst in een bodemrisicoanalyse aan de NRB 2012. Dit wordt meegenomen in de Wabo milieuvergunningaanvraag voor het project Haaksbergen. Om de huidige grond- en grondwaterkwaliteit van de 12 zoutwinningslocaties vast te stellen heeft Stantec B.V. een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is tevens separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Op basis van historische data is de huidige grond- en grondwaterkwaliteit vastgesteld. Daarnaast wordt is tevens de mogelijke impact van de huidige of historische (bedrijfs-)activiteiten op de grond- en grondwaterkwaliteit beoordeeld. Uit het historisch bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de geplande werkzaamheden worden, op basis van de resultaten, uitgevoerd grond met licht (tot matig) verhoogde gehalten zware metalen, PAK en PCB.

Het grondwater is in het verleden tussen de 0,53 en 1,80 m-mv waargenomen en bevat (licht

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 42

tot) sterk verhoogde concentraties nikkel en licht verhoogde concentraties barium, benzeen, kobalt, koper en naftaleen. De sterk verhoogde concentratie nikkel is te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Daarnaast zijn de onverharde terreindelen niet verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest op het maaiveld en/of in de bodem. Voor de werkzaamheden is derhalve geen melding in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden waakzaam te zijn op het voorkomen van onvoorziene verontreinigingen in de bodem. Op basis van voorgaande vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voorafgaand aan de realisatie van een zoutwinningslocatie wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. Mocht uit het onderzoek volgen dat de aanwezige bodemkwaliteit de beoogde ontwikkeling in de weg staat, dan wordt de aanwezige verontreiniging conform de vigerende wet- en regelgeving verwijderd. Zoals hierboven reeds is aangegeven treft Nouryon diverse maatregelen om te zorgen dat er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Met betrekking tot het aspect bodem wordt het plan daarmee uitvoerbaar geacht.

5.3 Bodembeweging Er is geen wet- of regelgeving op het gebied van bodemdaling. In artikel 35, lid 1 f van de mijnbouwwet is bepaald dat er bij winningsvergunning een beschrijving gegeven dient te worden van de bodembeweging ten gevolge van de winning en van de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging. Het uitvoeren van de diepboring zelf leidt niet tot bodembeweging in het gebied. De bodembeweging tijdens de productiefase als gevolg van de zoutwinning is beschreven in het winningsplan Zoutwinning Haaksbergen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het optreden van bodemdaling heeft mogelijk gevolgen voor bebouwing, wegen en ondergrondse leidingen in het gebied (functies aan het maaiveld) en voor het functioneren van het oppervlaktewater- en grondwatersysteem. Het plangebied is gelegen op het (lichtglooiende) Oost-Nederlandse Plateau. Het landschap loopt van zuidoost naar noordwest iets af. Dit is ook terug te zien in de verschillende type landschappen die aanwezig zijn binnen het plangebied. De bodem ten noordwesten van Haaksbergen kan door de zoutwinning dalen. Op afbeelding 20 en 21 is de verwachte daling, op basis van door Nouryon ontwikkelde moddelen, na 20 en 50 jaar weergegeven.

Afbeelding 20: Verwachte bodemdaling als gevolg van de cavernes uit dit winningsplan in centimeters 50 jaar na start productie - de daling in het midden bedraagt maximaal 25 cm (bron: Nouryon)

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 43

Afbeelding 21: Worst case scenario bodemdaling als gevolg van de cavernes uit dit winningsplan in centimeters 50 jaar na start productie - de daling in het midden bedraagt maximaal 34 cm (bron: Nouryon) Het uitvoeren van de diepboringen zelf leidt niet tot bodembeweging in het gebied. De bodembeweging tijdens de productiefase als gevolg van de zoutwinning is beschreven in voorgenoemd winningsplan. De verwachte bodemdaling is gemodelleerd door KBB. Er zijn verschillende scenario's ontwikkeld. De verwachte bodemdaling is de zogenaamde base case. Het base case scenario is gebaseerd op realistische aannames en geeft de verwachte mate van bodemdaling weer. Omdat er nog geen ervaring is met zoutwinning in het Haaksbergen zoutkussen, is het moeilijk de bodemdaling exact te voorspellen. Om die reden heeft Nouryon KBB gevraagd om naast het Base Case scenario ook een Worst Case scenario door te rekenen. Het Worst Case scenario (figuur 21) is gebaseerd op conservatieve aannames en geeft daarmee de maximale bodemdaling die kan optreden. De uiteindelijke mate van maximale bodemdaling voor de cavernes uit dit winningsplan loopt in de prognosescenario’s uiteen van 25 cm tot maximaal 34 cm over vijftig jaar. De bandbreedte bedraagt +/- 10 centimeter (verschil tussen base case en worst case).

Op basis van dit model bedraagt de maximale uiteindelijke bodemdaling 25 centimeter in het diepste punt van de dalingskom. De afstand van het diepste punt naar de rand van de kom bedraagt circa twee kilometer. De effecten op de omgeving zijn in het worst case scenario naar verwachting beheersbaar.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 44

5.4 Geluid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Ook is geluid van invloed op het welbevinden van mensen. Hierdoor komt het aspect geluid in veel verschillende wetten (met elk hun eigen reikwijdte) voor. Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Tevens is voor de voorgenomen ontwikkeling tijdens de boorwerkzaamheden het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Barmm) van toepassing. Bij het uitvoeren van diepboringen en workovers is het belangrijk voldoende aandacht te besteden aan het onderwerp geluid. Lawaai bij het boren en bij de workovers kan hinder veroorzaken naar omwonenden.

In het verleden is er al veel ervaring opgedaan om het geluid te beperken. Zo zijn er enkele jaren geleden geluidreducerende maatregelen genomen aan de boorinstallaties, waardoor de lawaaiproductie bij het boren is teruggedrongen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De duur van het uitvoeren van de diepboring beslaat een periode van ongeveer een maand. De werkzaamheden vinden continue plaats. De geluidsemissie gedurende de productiefase is nihil. Een locatie ligt binnen 100 meter afstand van een woning, vier zoutwinningslocaties zijn gelegen op meer dan 100 meter van een woning. Daarnaast zijn 4 andere zoutwinningslocaties op meer dan 150 meter van een woning gelegen. De overige 3 zoutwinningslocaties zijn op meer dan 200 meter van de dichtstbijzijnde woning gelegen. Tijdens de boorwerkzaamheden en de workovers voor onderhoud- en reparatiewerkzaamheden worden maatregelen getroffen waarmee wordt voldaan aan de geluideisen die het AmvB-Barmm stelt bij het gebruik van mobiele boorinstallaties. In de operationele fase worden geen nadelige effecten verwacht. Bij de winning van zout vindt een beperkte geluidsproductie plaats. In opdracht van Nouryon heeft Worley een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de boorfase en de operationele fase. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.

Hieronder staan de belangrijkste conclusies uit deze rapportage. Zie voor de rekenresultaten en een nadere toelichting op het onderdeel geluid de separate bijlage.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 45

Boorfase (workover) Per zoutwinningslocatie zijn met een geluidmodel geluidberekeningen uitgevoerd voor de boringen met ingehuurde apparatuur die boringen mogelijk moeten maken. Uit de door Worley uitgevoerde analyse van de emissiecontouren blijkt dat bij 10 van de 12 beoogde zoutwinningslocaties voor zoutboringen in de standaard opstelling wordt voldaan aan de grenswaarden van de AmvB-Barmm op de dichtstbijzijnde woningen. Ter plaatse van de zoutwinningslocaties H-02 en H-12 wordt door het treffen van maatregelen (plaatsen van een tijdelijke geluidsscherm) eveneens aan de grenswaarde voldaan.

Afbeelding 22: Berekende geluidemissie (etmaalwaarde in dB(A)) bij zoutboringen (links) en bij uitvoeren van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden (rechts) op relevante woningen (bron: Worley) Tijdens het uitvoeren van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden wordt op nagenoeg alle locaties voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A) etmaalwaarde. Op 2 plaatsen (Hengelosestraat 57 bij H-02 en Boonkweg 22 bij H-12) wordt niet voldaan aan de grenswaarde in het BARMM. Om aan deze waarde te voldoen worden ten tijde van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de zoutput op de locatie H-12 maatregelen genomen, zoals het tijdelijk plaatsen van een geluidsscherm.

Afbeelding 23: Geluidscontouren nieuwe zoutboringen Operationele fase Tijdens de operationele fase van de zoutwinning wordt voldaan aan de grenswaarden die gelden voor een rustige landelijke omgeving van maximaal 30 à 35 dB(A) in de nachtperiode zoals opgenomen in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Tijdens de workover voor reparatie- en onderhoudswerkzaamheden wordt voldaan de vigerende eisen in de AmvB-Barmm (zie tevens hierboven). Zie bijgevoegde rapportage voor de rekenresultaten tijdens de operationele fase.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 46

Het aspect ‘geluid’ vormt, mede door het treffen van tijdelijke maatregelen tijdens de werkzaamheden, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen, hoeven niet meer te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Voor een woningbouwlocatie geldt bijvoorbeeld dat deze niet in betekenende mate bijdraagt wanneer deze niet meer dan 1.500 woningen omvat (met de bijbehorende verkeersbewegingen). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 12 zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen. Het voorliggende plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging, doordat de voorgenomen ontwikkeling kleinschaliger is, dan 1500 woningen.

Voorliggend bestemmingsplan is qua omvang en verkeersaantrekkende werking kleinschaliger als de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Het onderdeel ‘stikstofdepositie’ wordt behandeld in paragraaf 5.10

5.6 Externe veiligheid Het beleidsveld externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij onder andere: productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden: • Transportrisico behandelt de externe veiligheid langs transportassen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals spoorlijnen, buisleidingen en snelwegen. • Risico bij inrichtingen gaat over externe veiligheid rond bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, bijvoorbeeld tankstations met LPG-verkoop. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Er wordt gewerkt met een plaatsgebonden risicocontour (PR) en een groepsgebonden risico (GR): • In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour).

Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen, kleinere kantoren) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. • Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm, maar is een zogenaamde oriënterende waarde. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 47

De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat aan de westkant van het plangebied een gasleiding van Gasunie loopt. Tevens loopt er door het plangebied een hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding is ook als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen'. Met de realisatie van de zoutwinningslocaties en de aanleg van de leidingen ten behoeve van de zoutwinning zal rekening gehouden worden met de bestaande kabels en leidingen die door het plangebied lopen, hiermee vormt externe veiligheid geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Afbeelding 24: Risicokaart met het plangebied (wit) (bron: Risicokaart provincie Overijssel)

5.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.

Bij de toetsing aan de richtafstanden gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling.

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 48

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het betreft hier een zoutwinningsbedrijf. Op grond van de bedrijfsactiviteiten geldt volgens VNG-uitgave een richtafstand van 100 meter. SBI 2008 0893

Omschrijving Zoutwinningsbedrijven

Geur 50

Stof 10

Geluid 100

Gevaar 30

Categorie 3.2

Vanaf de boorlocaties ten opzichte van omliggende bestaande woningen wordt voldaan aan de richtafstanden (de dichtstbijzijnde woningen zijn op circa 100 meter afstand). Het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen komt hierdoor niet in het geding. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand van omliggende woningen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen is daarom niet in het geding.

5.8 M.e.r.-beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Nouryon zal voor deze ontwikkeling de MER-procedure volgen, die beoordeeld wordt door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het MER-beoordelingsbesluit van het ministerie zal onderdeel uitmaken van de beoordeling van de omgevingsvergunning milieu voor het realiseren van de zoutboringen en voor het in productie nemen van de zoutwinningslocaties.

5.9 Kabels en leidingen Ten behoeve van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en planologisch relevante leidingen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Aan de westkant van het plangebied loopt een gasleiding van Gasunie (zie risicokaart paragraaf 5.6). Tevens loopt er door het plangebied een hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding is ook als dubbelbestemming opgenomen in het Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen. Met de realisatie van de zoutwinningslocaties en de aanleg van de transportleidingen ten behoeve van de zoutwinning zal rekening worden gehouden met de bestaande kabels en leidingen die door het plangebied lopen. Ten behoeve van de zoutwinning worden tevens leidingen aangelegd. Nadat het boorgat is gemaakt wordt deze aangesloten op het water- en pekelleidingnet. Voor het aanleggen van de leidingen wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aangevraagd. Het voorliggende plan is op het onderdeel kabels en leidingen uitvoerbaar.

5.10 Stikstof Om de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator (versie 2020). In de berekeningen zijn naast de activiteiten die plaatsvinden tijdens de reguliere operationele fase tevens alle benodigde activiteiten (aanleg zoutwinningslocaties, pompstation en leidingtracés) om de zoutwinning mogelijk te maken meegenomen. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlagen opgenomen in de Voortoets (zie separate bijlage).

Zoutwinningsproject Haaksbergen | Eelerwoude | 49

Uit de AERIUS-berekeningen blijkt tijdens de operationele fase de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N per hectare per jaar. Tijdens de aanlegfase is er sprake van een tijdelijke geringe toename in stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden Buurserzand & Haaksbergerveen en Witte Veen. In Buurserzand & Haaksbergerveen is sprake van een maximale projectbijdrage van 0,02 mol N/ha/jr in 2021 en maximaal 0,01 mol N/ha/jr in 2022. In Witte Veen is sprake van een maximale projectbijdrage van 0,01 mol N/ha/jr in 2021. Dergelijke kleine tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen leiden niet tot significant negatieve effecten. Een passende beoordeling of een aanvraag van een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11890759/1