Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2
Tekst van het document
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de Kortenroelefsweg 2, een rustige locatie in het buitengebied van de gemeente Haaksbergen. Derhalve is het omgevingstype 'rustig buitengebied' van toepassing. Bij de milieuzonering kan onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe werking. Externe werking: past de nieuwe functie in de omgeving? In het plangebied wordt de bestemming 'Agrarisch- Agrarisch bedrijf' gewijzigd in een woonbestemming. Wonen is geen milieubelastende functie, dus er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking: laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
27
Het voornemen voorziet in het toevoegen van nieuwe gevoelige functies. De opstallen op het erf worden gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een vrijstaande woning met eigen bijgebouw teruggebouwd. In de omgeving zijn twee intensieve veehouderijen aanwezig, met een categorie 4.1. Voor een dergelijk agrarisch bedrijf geldt geur als de bepalende factor met de grootste afstand. Om te bepalen of hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is er een geuronderzoek uitgevoerd door BJZ in mei 2022 (projectnummer: 2022-186) waarbij een V-stacksberekening is uitgevoerd. Voor de beoogde ontwikkeling zal de bedrijsvoering van de inrichtingen niet aanvullend worden belemmerd voor wat betreft het aspect geur. Het is daarnaast aannemelijk dat ter hoogte van het voorgenomen plan aan de Korenroelefsweg 2 sprake is van een aanvaarbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur dat onder paragraaf 4.3 verder wordt uitgelicht. De V-stackbereking is opgenomen onder Bijlage 2. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets De huidige agrarische bestemming wordt omgezet in een bestemming 'wonen' en er zal een compensatiewoning met bijgebouw worden toegevoegd. Hierdoor moet rekening worden gehouden met de omliggende agrarische bedrijven in de omgeving. Een woning is immers een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. In de directe omgeving zijn twee intensieve veehouderijen aanwezig ( Kortenroelefsweg 4a, Kortenroelfsweg 8). In het kader van het vaststellen van de geurbelasting tussen de compensatiewoning aan de Kortenroelefsweg 2 en omliggende veehouderijen is een geuronderzoek uitgevoerd door BJZ in mei 2022 (projectnummer: 2022-186). Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Hierbij is rekening gehouden met de bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van het dichtstbijgelegen bedrijf aan de Kortenroelefsweg 4 in Haaksbergen. Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is er een V-stacksberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling de bedrijfsvoering van de inrichtingen niet aanvullend belemmerd voor wat betreft het aspect geur. De nieuwe woning wordt in het kader van de Rood voor Rood-regeling gerealiseerd, daarom gelden vaste afstanden voor woningen in plaats van odoureenheden. Deze afstand bedraagt in het buitengebied 50 meter, conform Artikel 14 uit de Wet geurhinder en veehouderij.
In dit geval wordt de nieuwe woning dan ook niet als maatgevend aangemerkt voor de omliggende veehouderijen. Voor de beoogde ontwikkeling zal de bedrijfsvoering van de inrichting aan de Kortenroelefsweg 4 en de Kortenroelefsweg 8 niet aanvullend worden belemmerd voor wat betreft het aspect geur. Het is daarnaast aannemelijk dat ter hoogte van het voorgenomen plan aan de Kortenroelefsweg 2 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
28
4.4
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wet bodembescherming of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is door Dumea Milieu op 14 juli 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN5740 en NEN5707 (projectnummer 2023-121) om ter plaatse van het plangebied de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het bodemonderzoek is als Bijlage 3 toegevoegd.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als verdacht kan worden beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707 en daarom wordt onderzoeksstrategie VED-HE gehanteerd. Resultaten Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Het betreft 15 ondiepe boringen en 3 diepe boringen. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb7wm1 zijn lichte verhogingen kobalt en barium aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster de concentratie nikkel verhoogd aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb7wm2) blijkt dat er wederom een sterke verhoging nikkel is aangetroffen in het grondwater. De verhoging nikkel in beide grondwatermonsters (Pb7wm1 en Pb7wm2) geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek.
Echter zijn er naar onze mening een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen nikkel aangetroffen. Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Gezien de sterke verhoging nikkel in het ondiepe grondwater adviseren wij geen freatisch grondwater op te pompen ten behoeve van consumptieve doeleinden. Dieseltank In het bovengrondmengmonster BM4 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Bestrijdingsmiddelenopslag In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
29
grondwatermonster Pb4wm1 zijn lichte verhogingen barium en naftaleen aangetroffen. Resultaten Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. In de inspectiegaten 12 en 13 zijn matige hoeveelheden asbestverdacht materiaal aangetroffen. Van de inspectiegaten is separaat een grondmonster samengesteld. In dit mengmonster (MM4) is analytisch geen asbest aangetoond. Samen gewogen met het aangetroffen materiaal komen de concentraties asbest uit boven de interventiewaarde (>100 mg/kg ds). In het separaat geanalyseerde monster van inspectiegat 27 is geen asbest aangetoond. Formeel geven deze verhogingen aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek. De verontreiniging met asbest word veroorzaakt door de aangetroffen asbesthoudende materialen (>20mm). De verontreiniging mag voor sanering niet worden geroerd als gevolgd van sloop- en grondwerkzaamheden. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag dient te zijn goedgekeurd.
Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Druppelzone In het mengmonster DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Op basis van de aangetroffen verhogingen met asbest in onderhavig verkennend bodemonderzoek wordt een nader onderzoek noodzakelijk geacht. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het 'meldpunt bodemkwaliteit'. Naast het “Besluit bodemkwaliteit” dient opgemerkt te worden dat in het kader van de “Handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” ook onderzoek naar PFAS noodzakelijk is. Nader onderzoek is op dit moment niet mogelijk, omdat de schuren nog in gebruik zijn. Er wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen om nader onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan uitgevoerd worden zodra de schuren leegstaan.
4.5
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied:
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
30
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is gelegen aan de Kortenroelefsweg 2. De Kortenroelefsweg betreft een rustige ontsluitingsweg in het buitengebied van gemeente Haaksbergen (60 km/u). Deze weg wordt vooral gebruikt door bestemmingsverkeer en is ter hoogte van de planlocatie een doodlopende weg. Hiermee is het aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Mede hierdoor kan geconcludeerd worden dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bovendien zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Bovendien kan het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning niet worden aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 WGH geldt dat bij een vastelling van een bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
31
en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van één vrijstaande woning mogelijk op het voormalig agrarisch erf. Gelet op de ontwikkeling in verhouding met de lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, kan worden gesteld dat de realisatie van slechts één vrijstaande woning als NIBM aan te merken is. Voorts is een woning geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
32
kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl) Toets Op circa 750 meter ten zuidwesten van het plangebied is een hoogspanningsleiding gesitueerd. De spanning op de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een elektrisch veld. Als er stroom door de draden loopt, is er ook een magneetveld. De afstand waarbinnen het Rijk volgens het voorzorgbeleid adviseert de magneetveldzone te berekenen is 2 x 50 meter. Deze rekenafstand geldt als er plannen zijn om binnen die afstand woningen, scholen of kinderdagverblijven te bouwen. Het plangebied valt ruim buiten de magneetveldzone. Binnen een straal van 750 meter van het plangebied bevinding zich geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
33
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van Rijk en Provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.
In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
34
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden.
Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 6 juni 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4. Op grond van de watertoets geldt de korte procedure. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden uitgevoerd door Natuurbank Overijssel op 18 juni 2023 (projectnummer 5434), zie ook Bijlage 5. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt noordoostelijk op minimaal 2280 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Het natuurnetwerk nederland kent immers geen externe werking. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument.
Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Buurserzand en Haaksbergerveen, ligt op minimaal 7,23 km van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
35
Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopafval, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden, daarom is er geen nader stikstofonderzoek vereist. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, het beëindigen van een agrarisch bedrijf en het terugbouwen van een woonhuis, neemt de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak af ten opzichte van de huidige situatie. Daarom hoeft voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Soortenbescherming Het plangebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en nestelen vogels in de beplanting. Vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats in het plangebied.
Het plangebied wordt door vleermuizen wel als foerageergebied gebruikt. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de voorgenomen activiteiten uit te voeren buiten de voortplantingsperiode, of voldoende rekening te houden met mogelijk aanwezige vogelnesten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rusten voorplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.
Dat kan door het werkterrein natuurvrij te maken buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Conclusie Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
36
het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde - Hoge archeologische verwachting’. Hiervoor geldt een archeologische onderzoeksplicht voor oppervlakten groter dan 2.500 m² met graafwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter. Toets De locatie van de te slopen bouwwerken betreft reeds geroerde grond.Op de locatie van de beoogde woning is het plangebied waar dieper dan 40 cm wordt afgegraven kleiner dan 2.500 m². Op basis hiervan is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er in de directe omgeving van het plangebied geen cutuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren
Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van één extra woning. De te realiseren compensatiewoning en de bestaande woning worden ontsloten via de Kortenroelefsweg. Het betreft een ontsluitingsweg die vooral dienst doet voor bestemmingsverkeer waarvoor een 60 km/u snelheidsregime van toepassing is. Gemiddeld heeft een woning in het buitengebied volgens CROW-uitgave 381, 'Toekomstig parkeren' (december 2018), een verkeersgeneratie (het totaal aantal gemotoriseerde aankomsten en vertrekken) van 8,2 motorvoertuigbewegingen (mvt) per weekdag. Deze (beperkte) toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige straat worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Met voorliggend plan wordt de agrarische bestemming van het erf gewijzigd in een woonbestemming, zodat er na de sloop van de opstallen een compensatiewoning kan worden gebouwd. Het aantal woningen neemt dus toe. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt op basis van de CROW-uitgave 381 een parkeernorm van gemiddeld 2,4 parkeerplaatsen per vrijstaande woning in het buitengebied. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor het voorgenomen plan.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
37
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
38
bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan
geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld de werking van wettelijke regelgeving en de werking van het bestemmingsplan.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
39
Bestemmingen Agrarisch (artikel 3) Gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn onder andere bedoeld voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf - niet zijnde de opslag van veevoer en agrarische producten - met uitzondering van een boomkwekerij -, houtteelt-, sierteelt-, bollenteelt- of fruitteeltbedrijf; In de bouwregels is opgenomen dat op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. Wonen (artikel 4) Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn onder andere bedoeld voor wonen (al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep, inwoning van de woning is onder voorwaarden toegestaan, het hobbymatig houden van dieren met een bedrijfsomvang van maximaal 10 nge , een bed & breakfast in de woning en/of in een aan de woning aangebouwd voormalig bedrijfsgebouw, met dien verstande dat niet meer dan 4 bedden ten behoeve van bed & breakfast aanwezig mogen zijn , stalling van caravans, campers en boten in bestaande bebouwing, landschappelijke inpassing en waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water.
In de bouwregels is opgenomen dat per bestemmingsvlak maximaal één woning (inclusief aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen) met een inhoudsmaat van 750 m3 (exclusief kelder) is toegestaan, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval ten hoogste de bestaande inhoud is toegestaan. Verder zijn regels omtrent de dakhelling, gooten bouwhoogten en de kelder van de woning opgenomen. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer dan 150 m2 bedragen. Voor de huidige woning is een maatvoering opgenomen voor het toestaan van ten hoogste 350 m2 aan bijgebouwen. De goothoogte mag niet meer dan 3,25 meter bedragen tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt. De bouwhoogte van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen mag maximaal respectievelijk 2 meter minder dan de bouwhoogte van de woning te bedragen en de bouwhoogte mag niet meer dan 5 meter bedragen. De bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. Dubbelbestemming Waarde - Hoge archeologische verwachting (artikel 5) De voor 'Waarde - Hoge archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
Gebiedsaanduiding Luchtvaartverkeerszone Ter plaatse van de aanduiding luchtvaartverkeerzone geldt dat die gronden - naast de andere aangewezen bestemming(en) - tevens zijn bestemd voor de bescherming van de laagvliegroute van defensie. Wetgevingzone - wijzigingsgebied Ter plaatse van de aanduiding wro-zone - wijzigingsgebied kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen en de bestemming wijzigen ten behoeve van een zoutwinlocatie, met dien verstande dat: a. niet meer dan 60 boorhuisjes mogen worden gerealiseerd; b. de bouwhoogte van een boorhuisje niet meer dan 5,00 m bedraagt; c. de oppervlakte van één boorhuisje niet meer dan 30 m2 bedraagt; d. de gezamenlijke oppervlakte van de boorhuisjes niet meer dan 1.500 m2 bedraagt; e. één pompstation gerealiseerd mag worden; f. het aanleggen van leidingen, glasvezelkabels en stroomkabels is toegestaan; g. het boren van winningsputten is toegestaan.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
40
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
41
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld van initiatieven/ontwikkingen in het buiten gebied, waarvoor voor voorontwerp bestemmingsplannen / ontwerp omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, omgevingsplannen en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van lokale aard geen vooroverleg noodzakelijk is. Het plan valt onder deze inititiatieven/ontwikkelingen, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 6 juni 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen.
De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
42
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
43
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
44
Inrichtingsplan Kortenroelefsweg 2 Haaksbergen 12 oktober 2023
LANDSCHAPSONTWERP
Colofon
Project:
Inrichtingsplan Kortenroelefsweg 2 Haaksbergen
Opdrachtgever
LTM vastgoed BV Erwin Keemers Honingsveldweg 9 8081 LN Elburg
Opdrachtnemer
Mark ter Hofte Landschapsontwerp De Kerkegaarden 9 7478 BZ Diepenheim Info@markterhofte.nl 06 - 48 39 14 95
Datum van opstellen
23 juni 2021
Versie
Definitief plan
Laatst gewijzigd
12 oktober 2023
Het gebruik van afbeeldingen of openbaar maken van dit document enkel met schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer.
Inhoud
1. Inleiding 2. Historie 3. Ligging in het landschap 4. Bestaande situatie 5. Visie 6. Conceptplan
1. Inleiding Het huidige erf is in gebruik als pluimveebedrijf. De eigenaar van het bedrijf wil stoppen met de bedrijfsvoering, waarbij de huidige opstallen worden gesloopt. Middels de rood voor rood regeling is het de wens om één kavel terug te plaatsten. In dit inrichtingsplan wordt onderzocht hoe de nieuwe kavel landschappelijk kan worden ingepast met behoud en versterking van het omringende landschap.
De bestaande en te behouden woningen.
De te slopen pluimveestal
Te behouden opslag
Landschappelijke singel met inheemse soorten aan zuidzijde
2. Historie Het erf is relatief jong en pas rond 1960 op de historische kaarten te zien. Daarvoor was het gebied een heidegebied. Deze heidegronden werden pas later ontgonnen vanwege de lagere ligging. Deze jonge ontginningslandschappen kenmerken zich door rechte verkaveling, een weids landschap met een raamwerk van groen langs wegen en paden.
Hisotrische kaart omstreeks 1960
3. Ligging in het landschap In de omgeving van het erf is het raamwerk van lanen en singels langs wegen goed herkenbaar. De erven in de omgeving zijn grootschalig en liggen open in het landschap. Het erf aan de Kortenroelefsweg 2 is relatief kleinschalig. Bij de nieuwe ontwikkeling is het dan ook belangrijk om een bepaalde schaal te behouden en te voorkomen dat het erf ‘verdampt’ in het landschap. Dit kan onder andere door de huidige groene opzet te behouden en te versterken, zodat de contouren herkenbaar blijven. Tevens zorgt dit ervoor dat het erf als een groen eiland in het landschap komt te liggen, passend bij de schaal.
De ligging van het plangebied in de omgeving.
4. Bestaande situatie
te behouden stalling te slopen schuren
bestaande woningen
Zicht vanaf het erf naar de woning. De opzet is rationeel, passend bij het jonge heide-ontginningslandschap. Het doorzicht vanaf de openbare weg over het erf naar het achterliggende landschap is een sterke lijn en zorgt voor verbinding. Hierlangs is het een kans om de groenstructuren te versterken.
De bestaande singel aan de zuidzijde van het erf past goed in de ambitie van het landschap. Een rechtlijnige groenstructuur met inheemse soorten die de lijnen van het landschap volgt. Deze sfeer wordt verder op het erf doorgezet.
De achterzijde van het erf is open naar het landschap. Ook in de nieuwe situatie is het belangrijk om deze verbinding te behouden.
5. Visie
zoekg e lands zicht
op ac
hterli
lands
zicht
op ac
hterli
chap
ggen
lands
ggen
dscha
pelijk e rich
de lan
chap
de lan
dscha
p
ting a
anzet
p
pelijk e rich
chap
te me
t groe
schu
ting a
anzet
te me
n
ren s lo
t groe
n
pen
pelijk e rich
ting a
anzet
bied
te me
nieuw e kav el
t groe
n
6. Inrichtingsplan
nieuw e won
houts
ingel
oprit
halfve rhard ing/ karres poor
maaib
houts
eheer
ingel
/weid
e
ingel
ingel
houts
ouw
houts
bijgeb
ing
Voor de nieuwe ontwikkeling van het erf aan de Kortenroelefsweg 2 is het belangrijk om een landelijke sfeer terug te brengen die zowel het erf als het omliggende landschap versterkt. Het risico bij de nieuwe ontwikkeling is dat het erf krimpt en in het niets valt in het grootschalige
landschap.
Het
is
daarom
belangrijk om de schaal te behouden middels sterke groenstructuren die de lijnen van het ontginningslandschap volgen. Die gebeurd middels houtsingels met inheemse soorten langs de rechte lijnen van het erf. Ook blijft er een verbinding met het achterliggende landschap door een karrespoor/halfverhard pad. Dit is ook een zichtlijn over het erf naar het open landschap Tevens wordt er meer ruimte gecreëerd voor groen. Verharding wordt geminimaliseerd en waar mogelijk met halfverharding verhard. De ruimte van de schuren wordt ingevuld met een weide, waarbij bloemrijk grasland en maaibeheer kan worden toegepast
Impressies van kleinschalige landschappen met sterke groenstructuren en open velden.
Beplanting 6. haa tair
dom k avel
tsinge
2. ma
1. Best
aande
4. hou l
aibeh
houts
eer/w e
ingel
ide
tsinge
l
4. hou
3. hou
tsinge
l
5. soli
g ron
1. Bestaande houtsingel De bestaande houtsingel bestaat uit inheemse soorten passend in het landschap. Dit element blijft behouden, waarbij het huidige beheer wordt doorgezet 2. Maaibeheer/weide Het gebied achter behoudt een open karakter door het toepassen van een weide of gazon met eventueel maaibeheer. 3. Open houtsingel langs pad - min. 5 m breed Quercus robur
Zomereik
2 st
16-18
Randafstand 3 meter, solitair
Betula pendula
Ruwe berk
4 st
14-16
Randafstand 3 meter, solitair
Sorbus aucuparia
Lijsterbes
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Crataegus laevigata
Tweestijlige meidoorn
15%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Prunus spinosa
Sleedoorn
15%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Malus sylvestris
Wilde appel
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
4. Houtsingel met open delen - min. 5 m breed Quercus robur
Zomereik
6 st
16-18
Randafstand 3 meter, solitair
Prunus padus
Gewone vogelkers
6 st
14-16
Randafstand 3 meter, solitair
Betula pendula
Ruwe berk
8 st
14-16
Randafstand 3 meter, solitair
Sorbus aucuparia
Lijsterbes
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Salix caprea
Boswilg
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Crataegus laevigata
Tweestijlige meidoorn
15%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Prunus spinosa
Sleedoorn
15%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Malus sylvestris
Wilde appel
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Pyrus pyraster
Wilde peer
10%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
Corylus avellana
Hazelnoot
5%
80-100
1 st per 1,5 meter, verspreid
5. Solitair Tilia x europaea Europese linde 1 st 18-20 Solitair 6. Haag rondom nieuwe kavel (zelfde als huidige haag langs kavel) Fagus sylvatica Gewone beuk 5/m1 60-80 Rij
LANDSCHAPSONTWERP
Bijlage 2
Onderzoek geur en veehouderijen
bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Kortenroelefsweg 2 NL.IMRO.0158.BP1212-0002
62
Onderzoek geurhinder en Veehouderij
Kortenroelefsweg 2, Haaksbergen
Mei 2022
Status: Definitief
ONDERZOEK GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ KORTENROELEFSWEG 2, HAAKSBERGEN
Opdrachtgever: Status: Datum: Projectnummer:
Maatschap Keemers Definitief Mei 2022 2022-186
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ....................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 WETTELIJK KADER ............................................................................................. 5 2.1 2.2 2.3 2.4
ALGEMEEN ................................................................................................................................................ 5 TOETSINGSKADER ....................................................................................................................................... 5 WOON- EN LEEFKLIMAAT ............................................................................................................................. 6 GEMEENTELIJK BELEID.................................................................................................................................. 6
HOOFSTUK 3 3.1 3.2 3.3
SITUATIE PROJECTGEBIED ............................................................................................................................. 7 OMLIGGENDE VEEHOUDERIJEN ...................................................................................................................... 7 AANTASTING PLANOLOGISCHE RECHTEN VEEHOUDERIJEN .................................................................................... 8