CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Korenmolenweg 1 Bijlagen bij de regels

Gemeenteraad 31 januari 2024, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herzieningKorenmolenweg 1”27.392 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BUITENGEBIED HAAKSBERGEN, PARTIËLE HERZIENING KORENMOLENWEG 1 bestemmingsplan

Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Korenmolenweg 1

Vastgesteld

T. Jansen Medewerker ROM 06 26 54 43 84

Datum: 16-11-2023

2

Inhoudsopgave Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Landschappelijk inrichtingsplan Sloopopgave Bodemonderzoek

5 6 33 35

3

4

Bijlagen bij de regels

5

Bijlage 1

Landschappelijk inrichtingsplan

6

RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN

Nabij Korenmolenweg 1 te Haaksbergen

1

COLOFON

Door: Telefoonnummer E-mail Internet Project Auteur Datum laatst gewijzigd

Otte Groenadvies BV Brilsweg 1a 7741 BV Nijverdal 06 555 72 233 leontien@ottegroenadvies.nl www.ottegroenadvies.nl 21.129 ing. L. Grote Gansey - landschapsontwerper 22 juni 2022

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of LabelTIEN

2

INHOUD

1. 1.1. 1.2.

Introductie Aanleiding Historie

4 4 6

2. 2.1. 2.2. 2.3.

Vigerend beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

8 8 8 11

3. 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2. 3.3. 3.4.

Ruimtelijk kwaliteitsplan Situatie Omgeving Plaatsing erf in het landschap Erf Analyse van het landschap Uitgangspunten bij de ontwikkeling van het plangebied Ruimtelijk kwaliteitsplan

13 13 13 14 15 17 19 20 3

1. INTRODUCTIE 1.1. Aanleiding Otte Groenadvies BV heeft het voorliggende ruimtelijke kwaliteitsplan/inrichtingsplan opgesteld naar aanleiding van de ontwikkelingen nabij het perceel Korenmolenweg 1 te Haaksbergen. Door sloop van varkensschuren is ruimte voor een tweetal bouwkavels en de te behouden karakteristieke schuur om te vormen tot woning met bijbehorende kavel. Het doel is om te komen tot een juridische en beleidsmatige medewerking voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. Onderdeel van de benodigde bescheiden vormt een basis ruimtelijk kwaliteitsplan. Het ruimtelijke kwaliteitsplan vormt de tekening van de nieuwe situatie waarop de landschappelijke inpassing inzichtelijk is. Hierbij is duidelijk gemaakt waar en hoe investeringen in het landschap vorm krijgen en de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft. Middels een onderbouwing op basis van een analyse van het landschap, het toetsen van vigerend beleid, en het analyseren van de streekeigen kenmerken moet dit op een duidelijke manier geïmplementeerd worden. afbeelding 1. Weergave plangebied (bron:PDOK viewer)

4

De volgende zaken spelen een rol op het gebied van landschap: • Het versterken en verbeteren van de karakteristieke beplantingsstructuren; • Het versterken van de recreatie, te denken valt aan wandel- en/of fietspaden; • Het leesbaar maken en houden van de geschiedenis van het landschap.

Onze uitwerkingen zijn steeds gebaseerd op de volgende uitgangspunten: 1. Er is waardering voor de historische structuur van het landschap; 2. Er is sprake van voldoende afstand tussen de ontwikkeling en andere ruimtelijke elementen zoals waardevolle bomen, laanstructuren, etc.; 3. Er is sprake van een goede vorm, grootte en ordering van de gebouwen in verhouding tot het landschap; 4. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening in verhouding tot de aanwezige woningen in de directe omgeving; 5. Er is sprake van een goede erfinrichting; 6. Er is sprake van een goede ontsluiting van het erf; 7. De ontwikkeling is voldoende gericht op de toekomst en past binnen voorziene ontwikkelingen buiten het agrarisch bedrijf; 8. Waar mogelijk is sprake van een duurzame ontwikkeling.

afbeelding 2. Weergave plangebied (bron:PDOK viewer)

5

1.2. Historie Het landschap van Haaksbergen is grofweg te verdelen in tweeën: het ontginningslandschap en het dekzandlandschap. Het vormt daardoor een aantrekkelijk en afwisselend gebied. Dit karakter is sterk bepaald door de variaties in het reliëf, ondergrond en het ruimtegebruik. Op de historische kaarten van 1850 wordt al landbouw bedreven op de huidige locatie, waarbij het plangebied en omgeving al zijn ontgonnen. Kenmerkend is de kleinschalige verkavelingsstroken omzoomd met diverse houtsingels en -wallen. In de 20e eeuw is het landschap meer onder druk komen staan door modernisering van de landbouw, stads- en dorpsuitbreidingen en de aanleg van onder andere infrastructuur. Dit heeft op verschillende plekken geleid tot vermindering van de kwaliteit en diversiteit van het landschap. De laatste jaren vragen de verandering van bestemming van agrarische gebouwen aandacht, en de toenemende burgererven en niet grondgebonden bedrijvigheid in het gebied. De gemeente Haaksbergen kent nog steeds een grote variatie aan karakteristieke, streekgebonden landschappen.

6

afbeelding 3. Plangebied en omgeving rond 1850

afbeelding 4. Plangebied en omgeving rond 1900

afbeelding 5. Plangebied en omgeving rond 1950

afbeelding 6. Plangebied en omgeving anno nu

7

2.VIGEREND BELEID 2.1. Rijksbeleid De ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De visie beschrijft de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. In de visie staat dat de verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies.

2.2. Provinciaal beleid Omgevingsvisie De Provincie Overijssel heeft het streekplan, het verkeer- en vervoerplan, het waterhuishoudingsplan en het milieubeleidsplan samengevoegd tot de Omgevingsvisie. Het vormt het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden beschermd en er moeten verbindingen worden gelegd tussen deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het behoud en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit vormen essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt. Middels een verdeling in 4 lagen zijn de gebiedskenmerken binnen de Omgevingsvisie toegelicht: 1. De natuurlijke laag 2. De laag van het agrarisch-cultuur landschap 3. De stedelijke laag 4. De lust en leisure laag

afbeelding 7. Uitsnede omgevingsvisie - natuurlijke laag bron: provincie Overijssel

8

1. De natuurlijke laag Dekzandgronden (bruin) De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.

zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen.

Bodem: podzolgronden Hydrologie: lokale inzijging Natuurlijk bostype: van wintereiken- beukenbos op de hoogste delen, tot berkenzomereikenbos en elzen-eikenbos in de lagere delen De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Beekdalen en natte laagtes (blauw) Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het ¬water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, ’s winters bredere stroomdraad met meestromende geulen. De dynamiek (water, wind) bepaalt de verschijningsvorm; de gedaante wisselt. Dynamisch landschap, open karakter met hogere randen. Bodem: Beekeerdgronden Hydrologie: lokale en diepe kwel, stagnatie Natuurlijk bostype: elzen-eikenbos, eiken-haagbeukenbos, vogelkers- essenbos De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuiteit van het systeem

afbeelding 8. Uitsnede omgevingsvisie - de laag van het agrarisch cultuurlandschap bron: provincie Overijssel

2. De Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Oude hoevenlandschap Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.

9

Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. Contrastrijke landschappen met veel variatie op de korte afstand: open es, kleinschalige flank met erf, kleinschalige natte laagtes met veel houtwallen, open heidevelden en -ontginningen. Daartussen: kleinere (boven)lopen van beken. Ondergrond: kleinschalige dekzandgronden Ontstaan: vanaf 1200 Structuur: organisch, routes van erf tot erf Nederzetting: Verspreide individuele erven, geen dorpen Schaal erven: middelgrote erven, met verschillende volumes en zware beplantingen Beplantingen: eiken, houtwallen

3. De stedelijke laag Elke ruimtelijke ontwikkeling bouwt voort op zijn karakteristieke structuur en ligging in en aan het landschap. De ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van bestaande paden en routes; waar mogelijk worden ontbrekende schakels toegevoegd en nieuwe mogelijkheden benut. Het regionale en lokale wegenpatroon blijft zich voegen in de structuur van stad, dorp en landschap. In de stedelijke laag worden diverse gebiedstypen onderscheiden. De dichtbij zijnde gebiedstypen zijn: • Informeel traag netwerk; • Verspreide bebouwing. Geen van de bovenstaande gebiedstypen hebben invloed op de ruimtelijke ontwikkeling.

afbeelding 10. Uitsnede omgevingsvisie - Laag van de beleving bron: provincie Overijssel

afbeelding 9. Uitsnede omgevingsvisie - de stedelijke laag bron: provincie Overijssel

4. Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de leefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de

10

verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen schoonheid en nut. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze leefbaar en tot een belevenis. In de laag van de beleving worden diverse gebiedstypen onderscheiden. Deze laag is niet van toepassing in dit plangebied.

2.3. Gemeentelijk beleid Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente De verscheidenheid in het waardevolle landschap van Salland vormt de basis van de landschapsvisie. Het landschap is de zichtbare resultante van de eeuwenlange wisselwerking tussen de fysieke ondergrond (water en bodem), natuur en menselijk gebruik. Het is door de jaren heen gegroeid tot wat het nu is: een cultuurlandschap met een eigen karakteristiek en bijzondere waarden. Door het achtereenvolgens benoemen, beschermen en versterken van structuurdragers en waardevolle gebieden wordt het aantrekkelijke landschap van Salland nog afwisselender, meer uitgesproken en beter leesbaar. Het resultaat is een herkenbare en heldere structuur welke bijdraagt aan een fraai en functioneel landschap met een eigen karakter en leesbare geschiedenis. De visie streeft naar een duurzaam en vitaal landschap met een hoge gebruikswaarde voor landbouw, wonen, werken en recreatie. Het plangebied ligt in het dekzandplateau. Het landschapsstructuur van het plateau wordt bepaald door de afwisseling van grote eenheden natuurgebieden en landbouw. Accenten in dit patroon zijn oude essen en kampen langs de smalle linten van beken, de landgoederen.

Het landschap van het plateau heeft de volgende kenmerken: • Ensembles van grote eenheden natuur en cultuurhistorie, bos, heide, veen, landgoederen, kampen en essen; • Grote eenheden landbouw, oude veldontginningen met kleinschalige blokverkaveling en jonge veldontginningen met grootschalige blokverkaveling; • Smalle beken; • Radiale wegen en lanen. Ambitie De cultuurhistorische en natuurlijke ensembles, afgewisseld met de jonge ontginningen van het agrarisch werklandschap zijn de dragers van het landschap die worden verbeterd met een hoger waterpeil, waterretentie, uitbreiding van het natuurgebied, herstel van het kleinschalige essen- en kampenlandschap en het open patroon van de veldontginning.

11

afbeelding 11. Uitsnede Landschapsontwikkelingsvisie bron: gemeente Haaksbergen

12

3.RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN 3.1. Situatie 3.1.1. Omgeving De verwevenheid van een glooiend boerenlandschap met haar houtwallen en singels, bebouwing, zandwegen, solitaire bomen en enkele meidoornhagen is tot op heden duidelijk zichtbaar in het landschap. Het maakt het tot een besloten tot een half open landschap wat toebehoord tot het oude hoevenlandschap. Vanaf de ontginning van de woeste gronden is het plangebied bewoond. Opvallend in dit vaak kleinschalige landschap is dat vrijwel niets recht is: boschtige wegen en onregelmatige gevormde kavelgrenzen. Vroeger bevonden zich huisweiden dichtbij de boerderij. Deze huisweiden werden omheind met een houtwal. Deze houtwallen staan op de randen van de enken. Door de modernisering van o.a. de landbouw heeft het met name ten noorden van het plangebied geleid tot vermindering van de kwaliteit en diversiteit van het landschap. Vele houtopstanden zijn hierdoor verdwenen. Ondanks de ruimtelijke ontwikkelingen zijn de bovengenoemde ruimtelijke elementen heden ten dage duidelijk zichtbaar in het landschap, wat het een zeer aantrekkelijk gebied voor recreatiedoeleinden maakt. 13

3.1.2. Plaatsing van het erf in het landschap Als we ons door het landschap verplaatsen, is dat over de weg. Wegen zijn vaak ontstaan als verbindingen tussen boerderijen en slingeren dus van erf naar erf, tussen erven door en soms zelfs er overheen. Omdat de bebouwing vaak in de knik van de weg ligt, zie je niet veel van wat er komen gaat. Wat achter de knik ligt blijft verborgen, totdat je er in rijdt, zodat die paar erven al snel de entree van een dorpje of een gehucht lijken. Verplaatsend over de weg kom je zo steeds weer in verschillende wereldjes. Het plangebied ligt aan een doodlopende weg; een verborgen parel in het semi open landschap. Voor de jaren '50 was dit nog een doorgaande weg en lag het erf in de zogenaamde knik in het landschap. De positie en de inrichting van het erf is voor de beleving van het landschap van groot belang. De locatie en de richting van de bebouwing zijn belangrijke aspecten die nauwelijks van invloed zijn op de openbare ruimte en omliggende wegen.

14

3.1.3. Erf De huidige boerderij kent een rijke geschiedenis. Het erf ligt in een kleinschalig landschap met op de enkele agrarische complexen vanoudsher op de hogere gronden. Rondom de woning en stallen zijn enkele relicten (houtopstanden) van het landschap zichtbaar. Het erf is in de loop der jaren opgeschaald, waardoor de oorspronkelijke structuur van het erf in beeld is vertroebeld. Een erf is een wereld op zich. Meerdere gebouwen vormen met elkaar als het ware een gehucht. Een erf bestaat in hoofdopzet uit twee delen: • de 'mooie', groene voorkant; • de stenige 'rommelige' achterkant (functioneel gebruik). Aan de voorkant van de boerderij bevonden zich de woonkeuken, bedsteden en opkamers. De achterkant van de boerderij was de werkkant. Hier stonden het vee. Op zolder lag de oogst. De bebouwing - stallen, schuren en bijgebouwen - richten zich over het algemeen op één centrale gebruiksruimte: het verharde binnenplein. Dit is dan ook het logistieke centrum van het boerenbedrijf. Het binnenplein is een compositie op zich. Ook bijgebouwen en rommelige schuurtjes horen daarbij.

Weg maakt de knik in de weg richting het binnenplein

Achterzijde oorspronkelijke karakteristieke boerderij

Enkele doorzichten door de reeds bestaande bosschages

Voorzijde oorspronkelijke karakteristieke boerderij

Bestaande bosschages langs erfgrens plangebied

Bestaande bosschages langs erfgrens plangebied

Bij het betreden van het erf, wordt door de prachtige laanbomenstructuur en locatie van de te amoveren schuren je beeld gestuurd naar de oorspronkelijke boerderij. Met de ruimtelijke ontwikkeling blijft deze boerderij annex schuur behouden. De schuur laat de oorsponkelijke opzet van het erf en haar gebruik goed zien. De overige schuren worden geamoveerd. Om het erf, en op de kavelgrens, staan her en der grote bosschages. Deze versterken het kleinschalig landschap.

15

1. Woonhuis (privé)

8

2. Te behouden karakteristieke

5

schuur 3. Te amoveren schuren 4. Binnenplein 5. Bestaande bosschages 6. Waardevolle bomen 7. Privétuin 8. Zicht op achterliggend land

5

9. Toegang tot het erf

5

5

3 3

3

2

3 4

3

www.ottegroenadvies.nl info@ottegroenadvies.nl

PROJECTNAAM Ruimtelijk kwaliteitsplan Korenmolenweg 1 - Haaksbergen

6 1

7

5 6

ONDERDEEL Bestaande situatie

GETEKEND DOOR ing. L. Grote Gansey DATUM Juni 2022

9

5

SCHAAL 1:750

16

3.2. Analyse van het landschap Landschap Het tamelijk kleinschalige agrarische gebied heeft voldoende landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit. Het is streven is om deze kwaliteiten te behouden of plaatselijk waar mogelijk te versterken. Belangrijk is dat waardevolle essen, steilranden en beplanting duurzaam behouden blijven.

Open

Ter versterking van de kleinschalige structuur liggen er kansen in het ontwikkelen van beplantingsstroken langs bermen, sloten, overhoeken en aankleding van (nieuwe) erven met beplantingen. (Grondgebonden) landbouwers en particulieren zijn als beheerders van het gebied belangrijk om de kleinschalige variatie in stand te houden.

Dicht Massa

17

Perceelniveau Structuren van erven en inheemse beplantingen zijn gebonden aan het bodemtype en de grondwaterstand. De soortsamenstelling is bepalend voor de identiteit van de locatie. De bosstroken, houtsingels en situering van de boerderijen verdelen het landschap een besloten landschap afgewisseld met het open landschap van de weides. De oude relicten, te weten houtsingels, zijn door de jaren heen verdwenen. Gebouwen, erven en landschappen zijn sterk met elkaar verweven. De fysieke ondergrond zijn van vroeger uit bepalend geweest voor de ontwikkeling van het erf. De erf en gebouwen vormen ensembles in het landschap, van oudsher gesitueerd op de hoge delen in het landschap. Nadat de ontwikkeling in het ontwateringssysteem vorderde, ontstonden enkele bouwenclaves meer in het land. Van oudsher is op erven een indeling in 'voor' en 'achter' te herkennen. Deze functionele scheiding tussen 'voor' en 'achter', tussen wonen en werken, is terug te vinden in de architectuur en de situering van de gebouwen en de erfaankleding. Het erf kent een agrarisch karakter door de aanwezige schuren en een voormalig boerderij. Van oorsprong betreft het een boerderij met een traditionele opbouw, het wonen voor en werken achter. Dit resulteerde in de siertuin aan de voorzijde en het veel soberder, maar functionele deel werken aan de achterzijde. De begrenzingen bestaan uit agrarische percelen.

Belangrijkste ruimtelijke kenmerken:

• Het plangebied is onderdeel van het dekzandruggen; • Het plangebied behoort tot het oude hoevenlandschap • Het landschap kent een clustering van boerderijen op de hogere gronden; • Het landschap kent een grote afwisseling in agrarische percelen, boerderijen, weteringen en houtopstanden; • Ontsluiting op de reeds bestaande inrit

18

3.3. Uitgangspunten Ondanks het feit dat het huidig erf reeds een prachtige groenstructuur kent, kunnen onderdelen worden voorzien om de kwaliteit te optimaliseren. Uitgangspunten opdrachtgever: • Amovatie van bestaande schuren; • Bestaande ontsluiting op de Korenmolenweg behouden; • Behoud zicht op het landschap; • Behoud karakter en opbouw van een boerenerf; • Voldoende privacy; • Ruimte voor enkele hobbypaarden, voorzien in ruimte stal en weiland; • Efficiënt en praktisch erf. Uitgangspunt gemeente: • Erfinrichting moet aansluiten bij de karakteristiek van het landschap; • Streekeigen beplanting toepassen, behoud van de waardevolle groenelementen zoals solitaire bomen en overige houtopstanden en/of het terugbrengen van de historische waardevolle groene opbouw behorend tot de dekzandruggen; • Op het erf kan veilig gekeerd worden; • Bestaande ruimtelijke kwaliteiten waarborgen en versterken, een duidelijke indeling van het erf; • Behoud van de donkerte; • Het karakter van de boerderij en opbouw erf dient gerespecteerd te worden; • Het creëren van zichtlijnen richting het landschap zorgt voor meer relatie tussen het erf en de omgeving.

Uitgangspunt provincie: • Het erf moet aansluiten bij de gebiedskenmerken; • Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Uitgangspunten voor inrichting • Het erf moet een duidelijke opbouw houden. Rondom de reeds bestaande woning blijft een gecultiveerde tuin; • De architectuur en dakbedekking van de nieuwbouw en oude boerderij moeten passen in het landschap; • De 2 nieuwe kavels met haar woningen en oude boerderij dient op een dusdanige manier worden gesitueerd op het erf dat een knooperf ontstaat. De ontsluiting van het erf en achterland loopt als het ware over het erf heen. Hierdoor ontstaat een centraal, omsloten door bebouwing, entreeplein; • Om het knooperfprincipe nog sterker te maken wordt de groenstructuur op het erf versterkt, waardoor het erf een nog sterkere ruimtelijke eenheid gaat vormen; • Zoek de knik in de weg op en accentueer het zicht op de oude boerderij; • De nieuwbouw is zodanig gelegen dat het zicht vanuit de individuele kavels optimaal is.

19

3.4. Ruimtelijk kwaliteitsplan In het ruimtelijk kwaliteitsplan wordt uitsluitend de landschappelijke inpassing van het erf besproken. Door amovatie van de opstallen wordt een knooperf ontwikkeld om een eenheid te smeden binnen een landschappelijk raamwerk. Bij het vaststellen van uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing is gekeken naar de historische ontwikkeling, landschapstype, beleid en de huidige situatie. Ontsluiting De ontsluiting van het erf verloopt zoals benoemd via de bestaande inrit, uitmondend op een centraal plein waar toegang verleend wordt tot de nieuw te ontwikkelen kavels met haar woningen. Deze toegangsweg behoudt zijn informeel en landelijk karakter. Parkeren dient uitsluitend op eigen terrein plaats te vinden.

Samen met de sloop van de landschapsontsierende bebouwing zal er meerwaarde voor het landschap ontstaan.

Beplanting Vanuit het landschapsontwikkelingsplan (LOP) is het gewenst om structuren te herstellen en zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Het historisch kaartmateriaal laat zien dat het karakter van het landschap nog duidelijk toebehoort tot de oude hoevenlandschap. Kleine houtstructuren zijn weliswaar verdwenen, alsnog kan het landschap als half open landschap aanvoelen. Door de nieuwe groenstructuur krijgt het erf meer samenhang. Op de grens van de nieuwe kavels en weide wordt een nieuwe houtsingel ontwikkeld die ervoor zorgt dat de weide haar oorspronkelijke karakter krijgt. Deze houtsingel bestaat overwegend uit boomvormende soorten zoals linde, berk en zomereik. Op de overige kavelgrenzen, met uitzondering het meest westelijk gelegen kavel, komen landschappelijke hagen te staan, bestaande overwegend uit heestervormende soorten, zoals eenstijlige meidoorn, hondsroos, kardinaalsmuts en krent. Bij het betreden van het erf begeleidt de reeds aanwezige bomen je door het erf. Deze laanbomenstructuur wordt doorgezet aan 1 zijde van de weg, zodat de zogenaamde knik in de weg en daarmee het zicht op de oude boerderij wordt versterkt. Ter begeleiding krijgt de oprit op het erf een haag in de vorm van beuken. Overige erfafscheidingen in de vorm van schuttingen is onwenselijk.

Collage inspiratiebeelden solitaire bomen en landschappelijke haag

20

Verkaveling De planlocatie kent een rijke geschiedenis. De oude boerderij, herbouwt na de oorlog, is dan relatief nieuw. De opbouw van het erf sluit aan bij deze oude boerderij. Bij het ontwerp voor het knooperf is gekeken naar het karakter van de erfensembles passend binnen in het oude hoevenlandschap. Hierbij is het van belang dat er samenhang is tussen de bebouwing en het geheel oogt als een erfensemble. Ook is het binnen dit landschapstype van beolang dat de bebouwing een agrarische uitstraling blijft behouden en wat grilliger van opzet is. Hierbij is uitgegaan van verschillende nokrichtingen. Ook de hiërarchie in bebouwing is van belang. De oude boerderij vormt binnen dit ensemble het hoofdgebouw. De overige bebouwing ligt dan ook duidelijk meer achter dit hoofdgebouw en zijn architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Zichtlijnen langs bebouwing blijven gehandhaafd en worden versterkt door de nieuwe aanplant. Vanuit iedere kavel kan men een richting in het landschap kijken. Met de toekomstige ontwikkeling is het van belang dat deze past in het landschap en aansluiting vindt bij de reeds aanwezige bouwvormen. Te denken valt aan uniformiteit in materiaalgebruik en plaatsing op de kavel. Met de nieuwe inrichting moet rekening gehouden worden met het plaatsen van kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen en de donkerte te respecteren.

Dit betekent dat de plaatsing, intensiviteit, soort armatuur en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht optreedt. Voorkeur voor een landschappelijke armatuur met dynamische verlichting. Verlichting langs de ontsluiting van kavels is onwenselijk.

Referentiebeeld schuurwoning (bron: Citadel Company)

Benodigde afrasteringen, hekwerken en omheiningen rondom de weide en woningen zijn van natuurlijke materialen en met een gedekte kleurstelling. Beeldkwaliteitsaspecten • Behoud openheid naar het landschap toe; • Geen schuttingen en/of exoten langs de kavels; • Achterliggend grasland blijft open; 21

1. Woonhuis en behoud van privétuin 2. Nieuwe kavels * 3. Nieuwe bosschages 4. Nieuw aan te planten haag 5. Aan te planten struweelhaag 6. Nieuw aan te planten bomen 7. Zicht op achterliggend land 8. Toegang tot het erf 9. Binnenplein (knooppunt erf)

2

10. Behoud van grasland (voor het houden van enkele hobbypaarden)

7 5

11. Nieuw te bouwen schuur

3

9

10

2

12. Karakteristieke schuur wordt omgevormd tot woonhuis. * Oppervlakte en inhoud woningen op tekening 21.129_Kavelgrootte_v2.pdf

2 12 4 4 6

5 www.ottegroenadvies.nl info@ottegroenadvies.nl

11

3

1

PROJECTNAAM Ruimtelijk kwaliteitsplan Korenmolenweg 1 - Haaksbergen ONDERDEEL Bestaande situatie

GETEKEND DOOR ing. L. Grote Gansey DATUM Juni 2022

8

SCHAAL 1:750

22

Dit geeft de eerste verdeling van kavels weer. In overleg met de toekomstige koper, wordt de kavelgrootte en inrichting van het perceel uiteindelijk bepaald.

5

Kavel 3

3 4

6

Kavel 1

1.650 m2

1. Woonhuis

Bestaand*

2. Bijgebouw

200 m2

Kavel 2

1.300 m2

3. Woonhuis

1.000 m3

4. Bijgebouw

200 m2

Kavel 3

2.000 m2

5. Woonhuis

1.000 m3

6. Bijgebouw

200 m2

Overig Kavel 1

Kavel 2

7. Bijgebouw

450 m2

8. Woonhuis

Bestaand

* De karakteristieke schuur wordt omgevormd

1

tot woonhuis

2

7

www.ottegroenadvies.nl info@ottegroenadvies.nl

PROJECTNAAM Ruimtelijk kwaliteitsplan Korenmolenweg 1 - Haaksbergen 8

ONDERDEEL Grootte kavels

GETEKEND DOOR ing. L. Grote Gansey DATUM Juni 2022 SCHAAL 1:750

23

1. Laanbomen 2. Houtsingels 3. Solitaire bomen 4. Haag 5. Landschappelijke haag

3

3

2

2

4 4

3

5 www.ottegroenadvies.nl info@ottegroenadvies.nl

1 2

PROJECTNAAM Ruimtelijk kwaliteitsplan Korenmolenweg 1 - Haaksbergen ONDERDEEL Beplantingsplan GETEKEND DOOR ing. L. Grote Gansey DATUM Juni 2022 SCHAAL 1:750

24

Latijnse naam

Nederlandse naam

Aanplantmaat

Plantafstand

%

Aantal

Zomereik

10-12

Solitair

Rosa canina

Hondsroos

60-80

driehoeksverhouding

20%

244

Crataegus monogyna

Eenstijlige meidoorn

100-120

driehoeksverhouding

20%

244

Prunus spinosa

Sleedoorn

100-120

driehoeksverhouding

20%

244

Quercus robur

Zomereik

100-120

driehoeksverhouding

10%

122

Betula pendula

Gewone berk

100-120

driehoeksverhouding

20%

244

Tilia cordata

Gewone linde

100-120

driehoeksverhouding

10%

122

Fagus sylvatica

Gewone beuk

10-12

Solitair

3

Quercus robur

Zomereik

10-12

Solitair

3

Tilia cordata

Gewone linde

10-12

Solitair

3

Gewone beuk

100-120

4 stuks per m1

100%

400

Rosa canina

Hondsroos

60-80

4 stuks per m1

20%

35

Viburnum opulus

Gelderse roos

100-120

4 stuks per m1

20%

35

Crataegus monogyna

Eenstijlige meidoorn

100-120

4 stuks per m1

20%

35

Euonymus europaeus

Kardinaalsmuts

100-120

4 stuks per m1

20%

35

Amelanchier lamarckii

Krent

100-120

4 stuks per m1

20%

35

1. LAANBOMEN Quercus robur

5

2. HOUTSINGEL

3. SOLITAIRE BOMEN

4. HAAG Fagus sylvatica

5. LANDSCHAPPELIJKE HAAG

25

26

Bijlage 2

Sloopopgave

33

5

3 4

1

m

2

m 2

7

75 0

24

69

0

m

m 47 4

2

2

2

69 2

17

2

m 2

m

2

1. 33

9

m

2

6

8

bestaande situatie (met luchtfoto)

gewenste situatie Legenda

www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

1 2 3 4 5 6 7 8

Situatietekening

Schaal:

Omgevingsvergunning: activiteit bouwen

1 : 1000

Formaat:

A2

ADVIES &RESULTAAT

Opdrachtgever:

Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal

Datum:

Mts. Lansink en Karnebeek Korenmolenweg 1 7481 VC Haaksbergen Telefoon: 053 5726063 Mobiel: 06 22549325 E-mail: e.lansink@outlook.com

DLV Advies Postbus 546 7400 AM Deventer

Bouwlocatie:

Projectleider:

idem. idem.

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

E-mail:

21-06-2021

TdM

Wijzigingen: A

0570-501500 info.bmt@dlvadvies.nl

Dhr. T. Jansen 06-26544384 T.jansen@dlvadvies.nl

20-10-2022

RD E

B

F

C

G

D

H

Klantnummer:

291287

Werknummer:

V150191-91

Blad:

S10

Bijlage 3

Bodemonderzoek

35

RAPPORT Verkennend bodem- en verkennend- en nader asbestonderzoek Korenmolenweg 1 te Haaksbergen

Opdrachtgever

:

DLV Advies & Resultaat Postbus 546 7400 AM DEVENTER

Projectnummer

:

23KL003

Datum

:

2 februari 2023

Auteur

:

ing. R.J. Wijma

Paraaf

:

Controleur

:

Paraaf

:

Projectleider

:

ing. F.M. Bouma

J. Riemersma Ad.

Klijn Bodemonderzoek B.V. EG-Weg 1, 9636 HX Zuidbroek Telefoon 0598 – 23 20 35 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2 INHOUD

Rapport 23KL003 BLAD

1.

INLEIDING 1.1. Algemeen 1.2. Opbouw

3 3 3

2.

VOORONDERZOEK 2.1. Algemeen 2.2. Ligging onderzoekslocatie 2.3. Historisch en huidig gebruik 2.4. Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie 2.5. Bodemonderzoek 2.6. Bodemkwaliteitskaart 2.7. Toekomstig gebruik van het terrein 2.8. Financieel/juridisch 2.9. Regionale opbouw en geohydrologie 2.10. Onderzoekshypothese

4 4 4 5 6 6 6 6 6 6 7

3. 4.

ONDERZOEKSPROGRAMMA BODEMGEGEVENS 4.1. Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen 4.2. Samenstelling grondmengmonsters 4.3. Concentratieberekening plaatmateriaal

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES Meetgegevens grondwater Toetsingskader Analyseresultaten verkennend- en nader asbestonderzoek NEN 5707 Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Analyse ondergrond brandplek 1 (boring 402) Toelichting analyseresultaten

8 10 10 11 12 13 13 13 14 15 17 18

6.

VERONTREINIGINGSSITUATIE 6.1. Koper t.p.v. brandplek 1 6.2. Asbest t.p.v. achterzijde kapschuur bij de vml. locatie met opgestapelde golfplaten 6.3. Risicobeoordeling asbest

21 21 21 21

7.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES Samenvatting 7.1. Conclusies en aanbevelingen 7.2. Slotopmerking

22 22 24 25

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

7

Bepaling veiligheidsklasse op basis van publicatie CROW 400

3

Rapport 23KL003

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van DLV Advies & Resultaat is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodem- en verkennend- en nader- asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Korenmolenweg 1 te Haaksbergen. De aanleiding tot het verkennend bodem- en verkennend- en nader- asbestonderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de herinrichting en geplande bouwaanvraag op het perceel. Het doel van het verkennend bodem- en asbest onderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het doel van het nader asbestonderzoek is de omvang en ernst van de mogelijke verontreiniging met asbest in kaart te brengen. Klijn Bodemonderzoek B.V. is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6).

4

Rapport 23KL003

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (2.2) o historisch en huidig gebruik (2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10) Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  Locatie-inspectie (d.d.

11 januari 2023);  Informatie opdrachtgever;  Gemeente Haaksbergen;  Provincie Overijssel;  Internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  Internetsite Dinoloket (https://dinoloket.nl);  Internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  Kadastrale kaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen.

2.2.

Ligging onderzoekslocatie Het perceel ligt aan de Korenmolenweg 1 te Haaksbergen en is kadastraal bekend als Gemeente Haaksbergen, sectie I, nrs. 5581, 5611, 5615, 5634 en 5709. De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van de kadastrale percelen met nummers 5581 en 5709 en de gehele kadastrale percelen met nummers 5611, 5615 en 5634 en heeft een totale oppervlakte van circa 21.800 m2. De locatie bevindt zich aan de zuidzijde van de dorpskern en buiten de bebouwde kom van Haaksbergen. In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving.

5

Rapport 23KL003

Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

De omgeving van de onderzoekslocatie betreft voornamelijk bouw- en /of weilanden (agrarisch gebied). Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5. 2.3.

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie, tevens onderzoekslocatie aan de Korenmolenweg 1 te Haaksbergen, heeft een oppervlakte van circa 21.800 m². Op het terrein is een agrarische bedrijf gevestigd. Het terrein is momenteel bebouwd met een woning met diverse agrarische opstallen. De woning is gerealiseerd in 1990. De nog aanwezige agrarische opstallen zouden zijn gerealiseerd in 1984, 1990 en 2004. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de opstal uit 2004 vermoedelijk omstreeks 1935 is gerealiseerd. De eerste bebouwing aan de voorzijde van het perceel is rond 1900 zichtbaar op historisch kaartmateriaal. Inmiddels zijn een aantal agrarische opstallen reeds gesloopt. Dit betreft de varkenstallen ten noordoosten van de woning. Deze waren gerealiseerd in 1983, 1995, 2001 en 2011. Inpandig en rondom de bebouwing heen was/is er sprake van een verharding met klinkers en/of beton. Voor de sloop van de bebouwing is een asbestinventarisatie voor de agrarische opstallen, met uitzondering van één stal, uitgevoerd door Pit bouwadvies 2021-111 Versie (1), d.d. 31-08-2021. De niet onderzochte opstal is bedekt middels dakpannen. Uit de inventarisatie blijkt dat vier opstallen waren/zijn bedekt middels asbesthoudende golfplaten. Bij alle opstallen was/is vermoedelijk sprake van een druppelzone waar zich geen of een slecht functioneren dakgoot bevond.

Twee van de opstallen met asbesthoudende golfplaten zijn voor het uitvoeren van onderhavig onderzoek gesloopt. Uit luchtfoto’s en veldwaarnemingen blijkt dat de oorspronkelijk grond is vergraven en is er vermoedelijk grond aangebracht. Momenteel zijn er grote waterplassen aanwezig ter plaatse van de gesloopte opstallen. Wel is/was er grotendeels een klinkerverharding aanwezig ter plaatse van de druppelzones. Verder blijkt uit de inventarisatie dat aan de achterzijde van de kapschuur asbesthoudende golfplaten waren opgestapeld. De stapel golfplaten zijn inmiddels verwijderd.

6

Rapport 23KL003

Uit de aangeleverde milieutekening blijkt dat in de kapschuur met garage sprake was van een voormalige afgewerkte olie tank in lekbak (50 L) (nummer 15) en een voormalige bestrijdingsmiddelenopslag in kast (2L) (nummer 16). Verder blijkt dat er een bovengrondse dieselolietank (1.200 L) met lekbak aanwezig is in de kapschuur. De kapschuur is verhard middels een klinker verharding. Tijdens de terreininspectie zijn op het onverharde terrein twee brandplekken aangetroffen. 2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: landbouwgrond - Oostzijde: landbouwgrond - Zuidzijde: landbouwgrond - Westzijde: landbouwgrond Vooralsnog wordt niet verwacht dat de activiteiten van de belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie.

2.5.

Bodemonderzoek Uit de aangeleverde informatie van de provincie Overijssel blijkt dat op de locatie in november 1994 door Van der Poel Consult een verkennend bodemonderzoek met kenmerk 20.949.075, d.d. november 1994 is uitgevoerd. Het onderzoek had betrekking op de voorgenomen nieuwbouw van een van de reeds gesloopt varkenstallen op het perceel. In het grondwater is het gehalte aan chroom verhoogd aangetoond ten opzichte van de streefwaarde. Geconcludeerd is dat er geen milieu hygiënische bezwaren zijn tegen de nieuwbouw van de stallen.

2.6.

Bodemkwaliteitskaart Uit gemeentelijke informatie is gebleken dat de bovengenoemde locatie binnen zone 14 (buitengebied) van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart ligt. In deze zone worden in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden aangetroffen. Op basis van de 95-percentielwaarden kunnen in de boven- en ondergrond maximaal woonwaarden worden verwacht.

2.7.

Toekomstig gebruik van het terrein De bestemming van de onderzoekslocatie zal voor zover bekend worden gehandhaafd. Het voornemen is om de resterende opstallen grotendeels te slopen met uitzondering van één opstal waarna het perceel opnieuw zal worden ingericht. Ter plaatse zal nieuwe bebouwing worden gerealiseerd.

2.8.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

2.9.

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Regionale bodemopbouw diepte m-mv

doorlatendheid

formatie

opmerking

0,0 – 22,0 22,0 - 43,5 43,5 - +

matig/goed matig/slecht goed

Formatie van Boxtel Rupel Formatie Formatie van Dongen

Midden, fijn en zand, sporen klei en veen Zandige klei, klei en fijn zand Klei en zandige klei

Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie ligt tussen ca. 24,4 m+ NAP. De regionale stromingsrichting van het diepe grondwater is noordwestelijke richting.

7

Rapport 23KL003

De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt voornamelijk beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en watergangen. De stromingsrichting van het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is onbekend. 2.10.

Onderzoekshypothese Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein, voormalige afgewerkte olie en bestrijdingsmiddelopslag, bovengrondse dieselolietank en brandplekken 1 en 2 Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzones paardenstallen en kapschuur Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie (druppelzone) beschouwd als “verdachte” locatie ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest in de toplaag. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte.

Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kg ds. = 50 mg/kg ds.). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest verdachte toplaag” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Nader asbestonderzoek NEN 5707 Achterzijde kapschuur, opgestapelde golfplaten Het asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 “Bodem- Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem”. Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie, het huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de beschikbare gegevens, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie onderverdeeld in 8 deellocaties: 1. Overig terrein (ca. 21.800 m2), 2. Voormalige afgewerkte olie en bestrijdingsmiddelopslag (25 m2), 3. Bovengrondse dieseltank (25 m2), 4. Brandplek 1 (6 m2), 5. Brandplek 2 (10 m2), 6. Druppelzone kapschuur (32 m2) 7.

Druppelzone paardenstallen (52 m2) 8. Achterzijde kapschuur, opgestapelde golfplaten (20 m2).

8 3.

Rapport 23KL003

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met diffuse bodembelasting (VED-HE-NL) is gehanteerd. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met enige spreiding in de analyseresultaten evenals de ruimtelijke verdeling van de verontreinigde stof(fen) binnen de onderzoekslocatie. Voormalige afgewerkte olie en bestrijdingsmiddelopslag, bovengrondse dieselolietank en brandplekken 1 en 2 De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) is gehanteerd.

Dit, omdat de bodem ter plaatse van de voormalige opslag van afgewerkte olie en de bovengrondse dieseltank mogelijk verontreinigd is met oliehoudende producten. De voormalige bestrijdingsmiddelopslag is mogelijk verontreinigd met componenten uit het NEN-pakket en OCB’s. De brandplekken zijn mogelijk verontreinigd met componenten uit het NEN-pakket. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzones kapschuur en paardenstallen De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.4) voor verdachte toplaag met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern. Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen boven de grenswaarde dan wel onder 0,5 maal de interventiewaarde.

Nader asbestonderzoek NEN 5707 Achterzijde kapschuur, opgestapelde golfplaten De onderzoeksopzet ten behoeve van het nader asbestonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor nader asbestonderzoek in grond (NEN 5707+C2: 2017, hoofdstuk 7). Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 2.

9 Tabel 2: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses

Rapport 23KL003

(deel-)locatie

oppervlakte m2

monsternamepunten1)4)5)

Chemische analyses grond2)6) grondwater3)6)

Overig terrein, boringen 1 t/m 38

21.800

29 boringen tot 0,5 m-mv 6 boringen tot 2,0 m-mv 3 boringen met peilbuis

6 x NEN-bovengrond 3 x NEN-ondergrond

3 x NEN-grondwater

Vml. afgewerkte olie en bestrijdingsmiddelen Opslag, boringen 201 t/m 203

25

2 boringen tot 1,0 m-mv 1 boring met peilbuis

1 x NEN-bovengrond Inclusief OCB 1 x minerale olie en vluchtige aromaten

1 x NEN-grondwater Inclusief OCB

Bg. dieseltank, boringen 301 t/m 303

25

2 boringen tot 1,0 m-mv 1 boring met peilbuis

2 x minerale olie en vluchtige aromaten

1 x minerale olie en vluchtige aromaten

Brandplek 1, boringen 401 en 402

6

1 boring tot 0,7 m-mv 1 boring tot 1,0 m-mv

1 x NEN-pakket

n.v.t.

Brandplek 2, boringen 403 en 404

10

2 boringen tot 1,0 m-mv

1 x NEN-pakket

n.v.t.

Druppelzone kapschuur, inspectiegaten 117 t/m 120

32

4 gatent tot 0,1/0,18 m-mv

1 x asbest in grond 1 x SEM-analyse

n.v.t.

Druppelzone Paardenstallen, inspectiegaten 121 t/m 128

52

8 gaten tot 0,18 m-mv

1 x asbest in grond 1 x SEM-analyse

n.v.t.

Achterzijde kapschuur, Opgestapelde Golfplaten, sleuf S001

20

1 sleuf tot 0,5 m-mv

2 x asbest in grond 1 x asbest in plaatmateriaal

n.v.t.

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) NEN-grond =

zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK -VROM vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen 4) inspectiegaten = minimaal 0,3 m bij 0,3 m 5) sleuven = minimaal 2,0 m lang en 0,5 m breed 6) OCB = Organochloor bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) 3) NEN-grondwater = zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn);

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. Uit luchtfoto’s en veldwaarnemingen blijkt dat de oorspronkelijk grond is vergraven en er is vermoedelijk grond aangebracht. Vanwege de graafwerkzaamheden en het mogelijk toepassen van grond is het uitvoeren van een gedegen asbest onderzoek, ter plaatse van de druppelzones van de gesloopte opstallen met asbesthoudende golfplaten, ons inziens, niet haalbaar. Verder is tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden geconstateerd dat ter plaatse de gesloopte opstallen sprake is van grote waterplassen. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratoria van AL-West B.V. te Deventer en Eurofins ACMAA Testing te Deurningen. AL-West B.V. en Eurofins ACMAA Testing beschikken over een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025.

10

Rapport 23KL003

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 11 januari 2023 een veldonderzoek uitgevoerd door A. Reit (erkend monsternemer volgens certificaat K44009) en R.J. Wijma (monsternemer in opleiding). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 10-20% waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is gemeten.

Op het maaiveld, ter plaatse van de achterzijde van de kapschuur zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen (terreininspectie), asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse zijn circa 25 stukjes asbestverdacht verdacht plaatmateriaal waargenomen. Het gebeid waar de stukjes zijn aangetroffen betreft een oppervlakte van circa 2 meter bij 1 meter. Vanwege de hoeveelheid asbestverdacht materiaal op het maaiveld is besloten om ter plaatse over te gaan naar een nader asbestonderzoek. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten ter plaatse van de druppelzones handmatig gegraven (50 bij 50 centimeter tot 0,1/0,18 m-mv). De sleuf ter plaatse van het asbestverdachte plaatmateriaal is tevens handmatig gegraven 220 bij 40 centimeter tot 0,5 m-mv. Waarbij het traject van 0,0-0,3 m-mv en 0,3-0,5 m-mv apart is bemonsterd. De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over de druppelzones. Het onderzoeksgebied bestaat uit drie RE`s. De opgegraven grond uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. Door de aanwezigheid van de verharding en bladeren op het maaiveld kon er geen degelijke maaiveld inspectie worden uitgevoerd ter plaatse van de druppelzones.

Ter plaatse van het gebied waar de asbestverdachte materialen zijn aangetroffen op het maaiveld zijn de aanwezig bladeren verwijderd. Hierdoor is er ter plaatse van deze deellocatie een gedegen maaiveld inspectie uitgevoerd. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op circa 70% rondom de sleuf. Daarnaast is getracht een maaiveld inspectie uit te voeren ter plaatse van de reeds gesloopte opstallen met asbesthoudende golfplaten. Echter door de aanwezig waterplassen kon er geen voldoende maaiveld inspectie plaatsvinden. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is plaatselijk asbestverdacht materiaal in de bodem en op het maaiveld geconstateerd (sleuf S001). De veldwaarnemingen zijn samengevat in tabel 3. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2.

11

Rapport 23KL003

Boring/gat/sleuf

Traject (m-mv)

Waarneming

4+7+9 201

1,0-2,0 1,0-2,5

Zwak grind (natuurlijk) Zwak grind (natuurlijk)

401

0,0-0,7 0,7 0,0-0,5 0,0-0,5

Sporen kolen, brandresten Gestaakt op boomwortel Sporen kolen, brand resten Sporen kolen, brand resten

Maaiveld 0,0-0,3

Ca. 25 stuks asbestverdachte plaatmateriaal Resten asbest, één baksteen

Tabel 3: Veldwaarnemingen

402 403+404 S001

4.2.

Samenstelling grondmengmonsters Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd voor chemische analyse. Bij het samenstellen van de grondmengmonsters is als uitgangspunt gehanteerd dat een mengmonster kan worden samengesteld uit individuele grondmonsters, indien het bodemmateriaal min of meer dezelfde samenstelling heeft. De samenstelling van de grond(meng)monsters is vermeld in tabel 4. Tabel 4: Samenstelling grond(meng)monsters Grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

1+5+11+17 18+19+26+28 7+9+10+15 4+13+14+34 22+23+30 21 8+20+24+32 2+3+4 1+5+6 7+8+9

0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,08-0,5 0,0-0,5 0,5-2,0 0,5-2,0 0,5-2,0

-

M11

201 202+203 203

0,0-0,5 0,08-0,5 0,08-0,28

steekbus

Bovengrondse dieseltank MM12 M13

301 t/m 303 301

0,08-0,5 0,08-0,28

steekbus

Brandplek 1 MM14

401+402

0,0-0,5

sporen kolen, brandresten

Brandplek 2 MM15

403+404

0,0-0,5

sporen kolen, brandresten

117+118 119+120

0,08-0,18 0,0-0,1

-

Druppelzone paardenstallen RE2

121 t/m 128

0,08-0,18

-

Nader asbestonderzoek Achterzijde kapschuur, opgestapelde golfplaten RE3a

S001

0,0-0,3

RE3b

S001

0,3-0,5

resten asbestverdacht materiaal -

Verkennend bodemonderzoek Overig terrein MM1 MM2 MM3 MM4 MM5 MM6 MM7 MM8 MM9 Voormalige afgewerkte olie en Bestrijdingsmiddelen opslag MM10

Verkennend asbestonderzoek Druppelzone kapschuur RE1

12 4.3.

Rapport 23KL003

Concentratieberekening plaatmateriaal Voor het berekenen van het gehalte asbestmateriaal in grond, met een diameter groter dan 20 mm, is het noodzakelijk om de door het laboratorium gerapporteerde gehalten te corrigeren aan de inspectie efficiëntie en de massa van het uitgegraven materiaal. Het gehalte wordt berekend met de onderstaande formule. Cm,i = ∑ (Mk x %k,i / 100) / Mlok Cm,i = het gehalte asbest per asbestsoort is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen, in mg/kg ds.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in mg; %k,i = het percentage asbest van het asbestsoort i in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op de locatie, in kg.

Gezien het feit dat een groot monster is geïnspecteerd, is weging van het monster niet mogelijk waardoor het drooggewicht van het monster is afgeleid van de volgende formule. Mlok = (1000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva V = het volume van de geïnspecteerde deelpartij in m³; Ns = het stortgewicht van het materiaal, in kg/dm³; %E = een schatting van de inspectie efficiëntie, in %; Ma = de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva = de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg.

Formeel dient de bulkdichtheid (ns) van het materiaal worden bepaald conform NEN 5926, echter op basis van ervaringscijfers kan worden aangenomen dat het gewicht van het materiaal (puin en grond) is gelegen tussen de 1,5 en 2,0 ton/m³. In onderhavig onderzoek is een bulkdichtheid van 1,85 ton/m³ aangehouden. Tijdens het onderzoek is gerekend met een inspectie efficiëntie van 100%. Ten tijde van het onderzoek voldeden de weersomstandigheden aan de gestelde randvoorwaarden voor asbestonderzoek. Dit betekent: o het maaiveld is vrij inspecteerbaar; o het maaiveld is droog, vorstvrij en onbesneeuwd; o geen regenval van meer dan 100mm/h; o geen hagel of sneeuwval; o onderzoek is uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang; o geen mist met een zicht van minder dan 50 meter. Gezien het feit dat in de opgeboorde/opgegraven grond asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is ter plaatse van sleuf S001 een concentratie berekening uitgevoerd.

13

Rapport 23KL003

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES

5.1.

Meetgegevens grondwater Voordat de peilbuizen zijn bemonsterd, is de waterstand in de peilbuizen gemeten. Tevens zijn het elektrisch geleidingsvermogen (EC), troebelheid (NTU) en de zuurgraad (pH) van het water bepaald. De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk, gefiltreerd en geconserveerd. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5744. De resultaten van de metingen zijn weergegeven in tabel 5. De watermonstername is op 18 januari 2023 uitgevoerd door A. Reit (erkend monsternemer volgens certificaat K44009). Tabel 5: Meetgegevens grondwater Peilbuis

Filterdiepte

Waterstand

zuurgraad (pH)

elektrisch geleidingsvermogen µS/cm

Troebelheid NTU

Afgepompt liter

Toestroming

Monster belucht?

m-mv

m-mv

Overig terrein 1 1,5-2,5 2 1,5-2,5 3 1,7-2,7

0,95 0,87 0,79

7,0 7,0 7,1

235 341 385

12,64 16,02 16,82

5 5 5

goed goed goed

nee nee nee

Voormalige afgewerkte olie en bestrijdingsmiddelen opslag 201 1,5-2,5 0,76 7,1

393

14,38

5

goed

nee

Bovengrondse dieseltank 301 1,5-2,5

363

14,82

5

goed

nee

0,79

7,2

De gemeten pH en EC zijn normale waarden voor een natuurlijke situatie in deze omgeving. In het grondwater is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). Het grondwater heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is het grondwater zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤0,1 l/min) afgepompt voorafgaand aan de bemonstering, zodat de grondwaterstand slechts gering is gedaald tijdens het afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens de monsterneming. Tevens wordt aangenomen dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrix-storingen bij de analyse en ab- en adsorptie van organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. De meetresultaten van het grondwater hebben geen aanleiding gegeven tot het bijstellen van het onderzoeksprogramma. 5.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13655688/1