CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening

commissie Ruimte 15 juni 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Rietmolenweg 26, Benteloseweg 41 en Boonkweg ongenummerd’22.271 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4

Archeologie en cultuurhistorie

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Situatie plangebied Rietmolenweg 26-28 Archeologie Conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Haaksbergen en het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' kent het plangebied een hoge archeologische verwachting.

Hiervoor geldt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren over een oppervlakte groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van de bedrijfsvloeroppervlakte van het bedrijf met 341 m 4 De beoogde ontwikkeling blijft onder de grens van 2.500 m2. Er hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Cultuurhistorie Er bevinden zich binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Benteloseweg 41 Archeologie Conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Haaksbergen en het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' kennen beide plangebieden waar gesloopt en gebouwd gaat worden een hoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren over een oppervlakte groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van 683 m 2 aan landschapsontsierende bebouwing. De beoogde ontwikkeling blijft onder de grens van 2.500 m 2. Er hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Cultuurhistorie Er bevinden zich binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 33 van 94

Boonkweg ongenummerd Archeologie Conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Haaksbergen en het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' kent het plangebied een hoge archeologische verwachting. Daarnaast is het plangebied in een zone aangemerkt als ‘historische vindplaatsen, met rondom attentiezone van 200 meter rond boerderijen en 50 meter rond overige historische vindplaatsen’. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. De beoogde ontwikkeling betreft een verplaatsing van het bouwvlak waardoor dit niet van toepassing is. Voor wat betreft de bufferzone rondom de historische vindplaats geldt dat Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht is als de ingreep groter is dan 30 m 2. De gewenste ontwikkeling overschrijdt deze oppervlakte. Echter, de realisatie van de Rood voor rood woning is geprojecteerd ter plaatse van bestaande kuilvoerplaten. Door deze kuilvoerplaten zijn deze gronden volledig verstoord en is van de aanwezigheid van archeologische waarden geen sprake. Voor het overige wordt er geen nieuwe bebouwing toegevoegd, maar is enkel sprake van hergebruik van bestaande bebouwing.

Conclusie Het aspect 'Archeologie en cultuurhistorie' levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkelingen.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijven en milieuzonering. Onder bedrijven en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijven en milieuzonering heeft twee doelen:  

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de onderlinge afstand wordt gebruik gemaakt van de meest recente VNGpublicatie 'Bedrijven & Milieuzonering', waarin richtafstanden zijn opgenomen. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Situatie plangebied Rietmolenweg 21 Het plangebied bevindt zich in landelijk gebied, omringd door voornamelijk landbouwgrond. Binnen het plangebied is een bedrijf gevestigd en deze wordt niet getypeerd als milieugevoelige functie. Wel moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Met de beoogde uitbreiding veranderd de bedrijfsfunctie en de bijbehorende milieucategorie niet waardoor er geen negatieve veranderingen zijn te verwachten voor de omgeving. Er vindt enkel een verruiming van de bouwmogelijkheden plaats. Planologisch gezien komt er geen bedrijfsbestemming dichter bij nabijgelegen woningen

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 34 van 94

(gevoelige functies) te liggen. Benteloseweg 41 Voor de locatie aan de Benteloseweg 41 geldt dat er een functiewijzing plaatsvindt van de bestemming 'Agrarisch- Agrarisch bedrijf' naar 'Wonen'. Een woning betreft een milieugevoelige bestemming en is daarmee gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven. De agrarische bedrijfswoning was echter ook al gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven. Feitelijk verandert er dus niets. Bovendien is de afstand tot omliggende bedrijven ca. 200 meter waardoor onderlinge hinder niet te verwachten is. Nader onderzoek is niet benodigd. Boonkweg ongenummerd De beoogde ontwikkeling betreft het verplaatsen van een bouwblok binnen de bestemming 'wonen'. De functie wonen betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. In de nabijheid van het plangebied liggen enkele functies die mogelijk negatieve milieueffecten hebben op het plangebied, dit zijn:   

Diverse agrarische bedrijven Een Aannemersbedrijf Rioolwaterzuivering

Het aannemersbedrijf Elferink wordt op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ getypeerd als ‘Aannemersbedrijven met werkplaats b.o. < 1000 m 2’ (milieucategorie 2). De hiervoor aan te houden richtafstand bedraagt 30 meter, het plangebied ligt op ca. 50 meter en daarmee op voldoende afstand van het aannemersbedrijf. De rioolwaterzuivering wordt op basis van de VNG-uitgave aangemerkt als ‘RWZI's en gierverwerkingsinrichtingen, met afdekking voorbezinkbassins - < 100.000 i.e1, welke in milieucategorie 4.1 valt. Hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter. De werkelijke afstand bedraagt meer dan 300 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende agrarische bedrijven. Het betreft hier zowel melkveehouderijen als intensieve veehouderijen. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Voor wat betreft veehouderijen met rundvee geldt een richtafstand van 3.2 en dient een vaste afstand van 100 meter aangehouden te worden. Aan deze vaste afstandsmaat wordt ruimschoots voldaan. De afstand tot aan de meest nabijgelegen veehouderij met rundvee bedraagt meer dan 200 meter. Daarbij komt dat het plangebied reeds een woonbestemming heeft, die niet dichter op de agrarische bedrijven komt te liggen.

Door de verplaatsing van het bouwblok ontstaan er geen negatieve effecten voor het woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmering op ten aanzien van het bestemmingsplan.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 35 van 94

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: 

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de PR 10-6-contour rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. Binnen het invloedsgebied van het groepsrisico dient de realisatie van kwetsbare objecten, zoals het appartementengebouw, en eventuele gevolgen voor het groepsrisico verantwoord te worden.

Situatie plangebied Rietmolenweg 26-41 Aan hand van de signaleringskaart EV is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In de nabijheid van het plangebied aan de Rietmolenweg bevindt zich 1 risicobron, betreffende een aardgasleiding (N-569-80-KR-015). Hierbij hoort een 1% letaliteitszone van 95 meter. Het plangebied ligt op ca. 365 meter van de aardgasleiding. Deze vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder ligt op een afstand van 500 meter dierenwinkel 'Screever'. Screever betreft een inrichting met als hoofdactiviteit de handel in granen, zaden en veevoeders. De inrichting valt onder het Registratiebesluit. De inrichting kent een plaatsgebonden risicocontour van 130 meter. De inrichting kent geen groepsrisicocontour. De werkelijke afstand van de locatie van de installatie tot aan het plangebied is ruim voldoende. Gezien deze afstand vormt deze inrichting in het kader van externe veiligheid geen belemmering. Benteloseweg 41 In de nabijheid van het plangebied bevindt zich 1 risicobron, betreffende een windturbine die op eigen terrein staat. Omdat de huidige bedrijfswoning enkel wordt omgezet naar een normale woonfunctie neemt het risico niet toe. Dermate hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Verder liggen er in de nabije omgeving geen risicobronnen.

Boonkweg ongenummerd In de nabijheid van het plangebied zijn 2 risicobronnen te vinden. Het betreffen dezelfde risicobronnen als bij de locatie Rietmolenweg. Dierenwinkel Screever met een plaatsgebonden risicocontour van 130 meter ligt op ca. 300 meter van het plangebied. Gezien deze afstand vormt deze inrichting in het kader van externe veiligheid geen belemmering. Op circa 110 meter bevindt zich een buisleiding (N-569-80-KR-015) van de Nederlandse Gasunie. Het plangebied is niet gelegen binnen de 1% letaliteitscontour. Hierdoor ligt het plan buiten de invloedssferen van de buisleiding en vormt deze dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' levert geen belemmering op ten aanzien van het bestemmingsplan.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 36 van 94

4.7

Geur

Bij het aspect 'geur' in het buitengebied vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:  

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Situatie plangebied Rietmolenweg 26-28 De beoogde ontwikkeling aan de Rietmolenweg betreft uitbreiding van een bedrijf. Een bedrijf wordt niet getypeerd als geurgevoelig gebouw. Benteloseweg 41 Bij de Benteloseweg vindt een functiewijziging plaats van Agrarisch- Agrarisch bedrijf naar de functie 'Wonen'. Dit is wel een milieugevoelige functie. In de omgeving van plangebied bevinden zich enkele agrarische bedrijven. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven liggen op ca. 200 meter afstand waardoor vanuit de omgeving geen geurhinder op het plangebied wordt verwacht. Omdat het agrarisch gebruik binnen het plangebied wordt terug geschaald en op basis van het VAB-beleid verder gaat als nevenfunctie, leidt dit naar de omgeving toe tot een vermindering van eventuele geurhinder. Boonkweg ongenummerd Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Voor wat betreft de veehouderijen met rundvee dient een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden. Aan deze vaste afstandsmaat wordt ruimschoots voldaan. De afstand tot aan de meest nabijgelegen rundveehouderij bedraagt meer dan 200 meter. Daarbij komt dat het plangebied reeds een woonbestemming heeft, die niet dichter op de agrarische bedrijven komt te liggen.

Conclusie Het aspect 'geur' levert geen belemmering op ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.8

Luchtkwaliteit

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden. Er dient te worden vastgesteld welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Met name de (toename van) autoverkeer heeft ten gevolge dat de luchtkwaliteit verslechtert. Daarnaast dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit zodanig is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 37 van 94

Voor het aspect 'luchtkwaliteit' zijn door de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In deze wet zijn grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. De belangrijkste zijn het Besluit en de Regeling NIBM (niet in betekenende mate bijdragen). Het Besluit NIBM staat ontwikkelingen toe wanneer de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3% van de grenswaarden genoemd voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in de Wet milieubeheer. Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit geldt, onder andere, voor:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Verder kunnen ook ruimtelijke ontwikkelingen die niet genoemd staan in de Regeling NIBM niet in betekenende mate bijdragen. Hiervoor geldt dat de bijdrage aan NO 2 en PM10 onder de grenswaarde van 3% moet liggen. Situatie plangebied Rietmolenweg 26-28 De beoogde ontwikkeling voorziet in een toename van 341 m 2. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen, of een verwaarloosbare invloed op de luchtkwaliteit en draagt dus niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Benteloseweg 41 De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop 683 m 2 landschapsontsierende bebouwing en een functiewijziging van Agrarisch- Agrarisch bedrijf naar de functie wonen. Hierbij is slechts sprake van een functiewijziging. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen, of een verwaarloosbare invloed op de luchtkwaliteit en draagt dus niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Boonkweg ongenummerd De beoogde ontwikkeling voorziet in een verplaatsing van een bouwblok in noordwestelijke richting. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen, of een positieve, invloed op de luchtkwaliteit. De ontwikkeling ligt bovendien ruim onder de grenswaarde van 3% uit het Besluit NIBM en draagt dus niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren ontwikkeling wordt voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2019 aan fijnstof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van de plangebieden respectievelijk maximaal 16 µg/m³, 10 µg/m³ en 14 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmering op ten aanzien van het bestemmingsplan.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 38 van 94

4.9

Verkeer en parkeren

Met de beoogde ontwikkelingen aan de Boonkweg en Benteloseweg zullen er geen veranderingen optreden op het gebied van verkeer en parkeren. Aan de Boonkweg gaat het enkel om het verplaatsen van een bestaand bouwvlak. Aan de Benteloseweg wordt de bestemming AgrarischAgrarisch bedrijf veranderd in de bestemming Wonen. Bij de Rietmolenweg wordt de bedrijfshal uitgebreid met 341 m 2. Haaksbergen wordt getypeerd als 'weinig stedelijke' gemeente en het plangebied ligt in het buitengebied. Het bedrijf wordt getypeerd als een arbeidsintensief bedrijf waarvoor een maximale parkeernorm van 2,6 per 100 m 2 brutovloeroppervlak geldt. Met beoogde ontwikkeling betekent dat er een extra van 9 parkeerplaatsen gerealiseerd moet worden. Dit is een worst-case inschatting, in de praktijk is de parkeerbehoefte lager. Er is voldoende ruimte op het terrein aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Er dient ook rekening te worden met een toenemende verkeersgeneratie van en naar het bedrijf. Voor het buitengebied in een weinig stedelijke gemeente geldt een maximale norm van 10,9 vervoersbewegingen per dag. Dat levert een totale toename van ca. 38 vervoersbewegingen per dat etmaal op. De Rietmolenweg heeft voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen.

4.10

Water

In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. Dit ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat, het dalen van de bodem en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota 'Anders omgaan met water' is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk moeten worden overwogen. Hiervoor wordt in ruimtelijke plannen een digitale watertoets doorlopen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeleid Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan het aspect 'water'.

De ambities zijn, naast de uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwater bescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschapsbeleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 39 van 94

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:   

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Gemeentelijk beleid In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2017-2020 heeft de gemeente Haaksbergen ook een aantal beleidspunten opgenomen met betrekking tot hemelwaterinfiltratie en het scheiden van hemelen afvalwater. Het beleid is erop gericht om de trits “Vasthouden – Bergen – Afvoeren” en de trits “Schoonhouden – Scheiden – Zuiveren” concreet vorm te geen in elke nieuwbouw of renovatie. ' Bij de nieuwbouw van een woning dient een particulier hemelwater zo veel mogelijk bovengronds te transporteren, zonder gebruik te maken van riolering, en hemelwater te laten infiltreren via graspassages. De doorworteling en het bodemleven van het gras houden de infiltratiecapaciteit op peil en zorgen voor afbraak en binding van diverse verontreinigingen. Indien er een centrale infiltratievoorziening nodig is, voor bijvoorbeeld meerdere woningen, krijgt een wadi de voorkeur. Wateradvies Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over de plannen door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat voor alle plannen in principe de korte procedure van de watertoets van toepassing is. Dat betekent dat de bestemming en de grootte van het plan een geringe invloed hebben op de waterhuishouding. De standaard waterparagraaf behorende bij de korte procedure is hieronder uitgewerkt.

Voor de locatie aan de Boonkweg geldt dat deze wel één waterschapsbelang raakt. Door de voortuin loopt namelijk een persleiding. Deze bevindt zich binnen de bestemming 'Tuin', waar geen bebouwing toegestaan is. Hierdoor geldt voor deze locatie de normale procedure van de watertoets. Standaard waterparagraaf Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt.

Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 40 van 94

Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe.

Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Waterhuishouding: Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer: In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 41 van 94

Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.11

Aanmeldnotitie M.E.R.

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten daadwerkelijk een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er een drietal mogelijkheden: 1. 2. 3.

M.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; M.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of het uitvoeren van een m.e.r. verplicht is; Vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de in daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden.

Indien een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden, dient het bevoegd gezag na te gaan of de beoogde ontwikkeling mogelijk aanzienlijke milieugevolgen voor de omgeving kan hebben. Als uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat aanzienlijke milieugevolgen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, moet er alsnog een verplichte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Sinds mei 2017 is de inhoud van een de vormvrije-m.e.r. en de procedure gelijkgetrokken met een m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat de gemeenteraad voor een besluit (de omgevingsvergunning) een besluit genomen moet hebben of er wel of geen project-m.e.r. noodzakelijk is. Dit besluit dient te worden gemotiveerd door middel van een aanmeldnotitie, waarin dezelfde onderdelen aan bod dienen te komen als bij een m.e.r.-beoordeling. Situatie plangebied De beoogde ontwikkelingen komen voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. (D 11.2). Echter overstijgen de voorgenomen ontwikkelingen de drempelwaarden niet. Dat betekent dat voor onderhavig plan een vormvrije-m.e.r. uitgevoerd dient te worden om na te gaan of de ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Gezien de kleinschaligheid van de plannen zijn significante milieueffecten niet te verwachten. Zoals aangetoond is in bovenstaande paragrafen zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet te verwachten.

Er is dan ook geen aanleiding voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage. Conclusie Vanwege de geringe omvang van de ontwikkelingen is beargumenteerd dat er geen significante milieueffecten optreden als gevolg van dit bestemmingsplan. Geadviseerd wordt de gemeente te laten besluiten dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet benodigd is.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 42 van 94

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Omdat de beoogde ontwikkelingen niet in strijd zijn met nationale belangen, wordt een vooroverleg met het Rijk niet noodzakelijk geacht. De provincie Overijssel heeft een 'Vooroverleglijst ruimtelijke plannen' opgesteld waarop plannen staan waar geen vooroverleg voor vereist is. Onderhavig plannen vallen onder de categorie 'nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding met KGO'. De landschappelijke inpassingsplannen onderbouwen hoe de plannen passen binnen het KGO beleid en in dit bestemmingsplan is het overige beleid verantwoord. Alle 3 planlocaties en de ontwikkelingen passen binnen het beleid. Gelet hierop wordt afgezien van het voeren van vooroverleg met de provincie Overijssel. Inspraak Gezien de relatief geringe planologische betekenis is afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerp bestemmingsplan. Na overleg met de initiatiefnemer en de gemeente Haaksbergen is direct een ontwerp van dit bestemmingsplan, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening, ter inzage gelegd. Een ieder is in de gelegenheid gebracht zijn of haar zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Het ontwerp bestemmingsplan wordt ongewijzigd ter vaststelling ingediend.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de voorgenomen ontwikkeling, alsmede alle financiële kaders waaronder mogelijke planschade, de exploitatiebijdrage en de daadwerkelijke investeringskosten van de beoogde ontwikkelingen Op basis van deze overeenkomst wordt het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht. Het kostenverhaal zal geen belemmering vormen voor uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 43 van 94

Hoofdstuk 6 Juridische regeling

6.1

Procedure bestemmingsplan

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase Door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen wordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.3.1. van het Bro (in een huis-aan-huisblad en via de website), kennis gegeven van het voornemen om de bestemmingsplannen 'Buitengebied Haaksbergen' (2013) en 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' (2017) gedeeltelijk te wijzigen. De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan vervolgens onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg, op grond van artikel 3.1.1 Bro, haar voornemen (vaak in de vorm van een (voor)ontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Terinzageleggingsfase Na de aankondiging in het Gemeenteblad in ten minste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis-aanhuisblad en op de internetpagina van de gemeente Haaksbergen, wordt het ontwerp bestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door belanghebbenden een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan worden ingediend.

Vaststellingsfase Na de termijn voor de ter inzage legging stelt de gemeenteraad het ontwerp bestemmingsplan, indien nodig met aanpassingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en wordt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit gebeurt als volgt: 

Indien Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door het college niet volledig is overgenomen of indien het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel en/of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport wordt het vaststellingsbesluit door uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 44 van 94

6.2

Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wro, het Bro en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de antidubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de planregels.

6.3

Toelichting op de regels

Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels bevat de inleidende regels, waaronder de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1: Begrippen In artikel 1 van de regels worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Artikel 2: Wijze van meten De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2. Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de bestemmingsregels voor het gehele plangebied. Artikel 3: Agrarisch met waarden - Landschap De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van boomkwekerijen, houtteelt-, sierteelt-, bollenteelt- en fruitteeltbedrijven, met de bijbehorende bouwwerken en andere-werken. Verder zijn er ter plaatse van specifieke aanduidingen enkele maatschappelijke, en bedrijfsmatige functies toegestaan. Artikel 4: Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende gebouw, bouwwerken, andere-werken, tuinen en erven. Hierbij is het ook mogelijk om binnen de bestemming hobbymatig dieren te houden, kleinschalige kampeerterreinen, boerderijkamers en andere dergelijke maatschappelijke functies.

Hierbij dient er wel een aanduiding te worden opgenomen. Artikel 5: Bedrijf De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven zoals vermeld in de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1', met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, andere-werken, tuinen, erven, terreinen, ontsluitingspaden en waterhuishoudkundige- en parkeervoorzieningen. Artikel 6: Tuin Ter plaatse van de voortuinen van de woning aan de Boonkweg is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor onder andere tuinen, onbebouwde erven en de daarbij behorende in- en uitritten en parkeergelegenheid.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 45 van 94

Artikel 7: Waarde - Hoge archeologische verwachting De in het plan opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Hoge archeologische verwachting' is onverkort overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1'. De voor 'Waarde- Hoge archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor de bescherming van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. Algemene regels Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen. Artikel 8: Anti-dubbeltelregel De antidubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De antidubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan. Deze bepaling is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen.

Een verdichting kan zich met name voordoen wanneer een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan een keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 9: Algemene bouwregels In dit artikel zijn specifieke bouwregels opgenomen voor gebouwen welke worden gebouwd in de nabijheid van wegen en watergangen. Artikel 10: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval strijdig is met de in de regels gegeven bestemmingsomschrijvingen. Voor de redactie van de gebruiksregels is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit maakt het noodzakelijk dat de bestemmingsomschrijving (lid 1 van elk artikel) voldoende duidelijkheid schept. Bij de meeste artikelen is aangegeven wat in elk geval onder "verboden gebruik" moet worden verstaan. Artikel 11: Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen' wegens de ter plaatse geldende aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'luchtverkeerszone' waarop specifieke regels van toepassing zijn.

Artikel 12: Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. Artikel 13: Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen op grond waarvan het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd is het plan te wijzigen.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 46 van 94

Artikel 14: Algemene procedureregels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot de voorbereidingsprocedure voor een besluit tot het stellen van nadere eisen. Artikel 15: Overige regels In dit artikel is bepaald dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 zijn, overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012, de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen 16 en 17 van de regels opgenomen.

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 47 van 94

Bijlagen

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 48 van 94

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan Rietmolenweg

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 49 van 94

Inpassingsplan Rietmolenweg 26-28 Haaksbergen 18 oktober 2021

LANDSCHAPSONTWERP

Colofon

Project:

Inpassingsplan Rietmolenweg 26-28 Haaksbergen

Opdrachtgever

Focus Architectuur Kemerij 48 7482 SX Haaksbergen info@focusarchitectuur.nl

Opdrachtnemer

Mark ter Hofte Landschapsontwerp Grotestraat 92 7478 AE Diepenheim Info@markterhofte.nl 06 - 48 39 14 95

Datum van opstellen

16 september 2021

Versie

Inpassingsplan

Laatst gewijzigd

18 oktober 2021

Het gebruik van afbeeldingen of openbaar maken van dit document enkel met schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer.

Inhoud

1. Inleiding 2. Historie 3. Ligging in het landschap 4. Bestaande situatie 5. Visie 6. Conceptplan

1. Inleiding Op dit moment is het erf aan de Rietmolenweg 26-28 in gebruik door Robé Bedrijfsvloeren. Vanwege groeiende werkzaamheden voldoet het huidige bedrijfspand niet meer aan de benodigde ruimte en voorzieningen. De eigenaar van het bedrijf wil daarom het bedrijfspand uitbreiden om te kunnen voldoen aan de nodige ruimte en voorzieningen. Deze uitbreiding zal plaats vinden op het de huidige kavel, aan de rechterzijde van het bedrijfspand. Voor de nodige compensatie worden sloopmeters gekocht elders in de gemeente. Deze sloopmeters worden verkregen door het slopen van een landschapsontsierende schuur aan de Benteloseweg 41 in Haaksbergen. Op de plek van de schuur komt gazon/tuin. Gezien de opbouw van het erf wordt er vanuit gegaan dat hier geen verdere inpassing nodig is.

Te slopen schuur

Erf aan de Benteloseweg 41, met de te slopen schuur.

Te slopen schuur

Te slopen overkapping

Weergave van de bestaande situatie aan de Benteloseweg 41

Te slopen schuur + overkapping

Weide/grasland op slooplocatie

Weide/grasland op slooplocatie Weergave van de nieuwe situatie aan de Benteloseweg 41

2. Historie Het erf zien we al terug op kaarten van voor 1900. Toen lag het erf in een omgeving van heide en kleine essen. De directe omgeving werd pas later ontgonnen. Kenmerkend voor dit jonge ontginningslandschap zijn de open gebieden, met een raamwerk van groenstructuren langs paden en wegen. We zien op de kaart ook duidelijk de Rietmolenweg lopen. Deze is qua ligging weinig veranderd in de laatste eeuw. Vanwege de beperkte ruimte is het dan ook vanzelfsprekend om de groenstructuren langs de Rietmolenweg te versterken. Tevens zorgt dit voor een zachtere overgang van openbare weg naar het bedrijfsperceel.

Hisotrische kaart omstreeks 1890

3. Ligging in het landschap In de omgeving van het erf is het raamwerk van lanen en singels deels herkenbaar. Een deel van deze historische groenstructuren is verdwenen. Omdat

het

perceel

aan

de

rand

van

de

bebouwde kom ligt, is het een overgangsgebied van

landschap

naar

bebouwde

omgeving.

Het erf wordt daarbij voornamelijk vanaf de Rietmolenweg gezien en beleefd. Daarom liggen hier de kansen om de groenstructuur aan de Rietmolenweg te versterken.

De ligging van het plangebied in de omgeving.

4. Bestaande situatie

Woning

Bedrijfshal

Locatie uitbreiding

Bestaande situatie

Zicht op het bedrijfspand vanaf de Rietmolenweg. De rechterzijde van het pand is de mogelijke uitbreidingslocatie .

Zicht vanaf Sint Isidorushoeve over de Rietmolenweg naar het buitengebied. De voorzijde van het bedrijfsperceel vormt een onderbreking in de groenstructuur.

Aan de overzijde van het perceel ligt een houtwal met boomvormers en onderbegroeiing . Deze houtwal is een duidelijke doorlopende groene lijn langs de Rietmolenweg.

5. Visie

Locatie uitbreiding

Versterken & verbinden groenstructuur langs Rietmolenweg

6. Conceptplan

Uitbreiding bedrijfshal

Aanplant van 3 inheemse straatbomen

Inrit met voldoende ruimte voor vrachtverkeer

Aanplant van inheemse solitaire kleine boom Aanplant van inheemse haag langs volledige voorzijde

Het inpassingsplan richt zich voornamelijk op het versterken van de groenstructuur langs de Rietmolenweg en het verzachten van de overgang van de openbare weg naar de bedrijfskavel. Er wordt aan de gehele voorzijde van de kavel een haag geplaatst die het directe zicht op verharding wegneemt. Om het zicht op de bedrijfshal te verzachten, en om de bestaande groenstructuur

te

versterken,

zullen

een

viertal bomen worden geplant. Deze bomen moeten

goed

tegen

de

beperkte

ruimte

kunnen en inheems zijn. Voor de laanbomen is de winterlinde daarom geschikt. De solitaire

De haag langs de voorzijde zal bestaan uit een inheemse soort als beuk (Fagus sylvatica) of meidoorn (Crataegus monogyna)

boom mag vanwege ruimtegebrek niet te hoog worden. Hiervoor is een cultivar van een inheemse soort een goede optie; de Sorbus aucuparia ‘Edulis’.

Voor de laanbomen is het balangrijk dat deze op een beperkte ruimte zicht goed kunnen redden. Een voorbeeld is de winterlinde (Tilia cordata).

Impressies

Bijlage 2

Landschappelijk inpassingsplan Boonkweg

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 50 van 94

Inpassingsplan

Boonkweg 21 St. Isidorushoeve 11 maart 2021

Colofon

Project:

Inpassingsplan Boonkweg 21 St. Isidorushoeve

Opdrachtgever

Martijn & Anouk Wielens

Opdrachtnemer

Mark ter Hofte Landschapsontwerp Grotestraat 92 7478 AE Diepenheim Info@markterhofte.nl 06 - 48 39 14 95

Datum van opstellen

10 december 2020

Versie

Voorlopig ontwerp

Laatst gewijzigd

11 maart 2021

Het gebruik van afbeeldingen of openbaar maken van dit document enkel met schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer.

Inhoud

1. Inleiding & locatie 2. Historie 3. Ligging in het landschap 4. Huidig RvR plan 5. Visie 6. Inrichtingsplan

1. Inleiding & huidige situatie De familie Wielens heeft de wens om middel Rood voor Rood een bestaande kavel en drie nieuwe kavels te realiseren aan de Boonkweg 21 in St. Isidorushoeve. Voor de te realiseren kavel is een Rood voor Rood plan opgesteld. De wensen betreft positionering en inrichting zijn gewijzigd, waarop dit nieuwe plan is opgesteld. Hierin wordt de nieuwe positie onderbouwd vanuit het landschap en n ra

tegenover het huidige plan gelegd.

dS t. I sid or us ho e ev

huidige erf

2. Historie Het erf aan de Boonkweg ligt van oudsher in een kleinschalig landschap. Door ontginning is veel van dit landschap verdwenen. Rondom het huidige erf is het kleinschalige landschap nog herkenbaar door onregelmatige wegen met daaraan gelijklopende groenstructuren in de vorm van lanen, houtsingels en bomenrijen. Op de historische kaart is te zien hoe aan de rand van het heide gebied een eenmanses lag; een open veld met rondom groenstructuren en de bijbehorende boerderij(en). Het terugbrengen, behouden en versterken van de kleinschaligheid en groenstructuren is een belangrijk uitgangspunt bij de nieuwe ontwikkeling, waarbij het historische landschap als uitgangspunt dient.

Hisotrische kaart omstreeks 1900

3. Ligging in het landschap In

de

afgelopen

eeuw

is

het

dorpje

St.

Isidorushoeve gegroeid. Het eens zo uitgestrekte en kleinschalige hoevelandschap is grotendeels verdwenen,

en

heeft

plaats

gemaakt

voor

grootschaligere landbouwgebieden. Op sommige plekken zijn de oude structuren nog goed herkenbaar, met name langs de noordelijke kant van St. Isidorushoeve. Het projectgebied biedt hierdoor kansen om de oude structuren terug te laten komen, en het hoevenlandschap beleefbaarder

te

maken.

Doordat

het

projectgebied aan de rand van het dorp ligt wordt het hoevenlandschap ook vanuit het dorp beter zichtbaar. Tevens ontstaat er een subtiele overgang (verweving) van de dorpsrand naar het landschap.

De ligging van het projectgebied in de omgeving.

4. Huidig RvR plan In

het

bestaande

RvR

plan

is

de

nieuwe

woning dicht aan de weg en op de bestaande karakteristieke boerderij geplaatst. Hoewel dit zorgt voor een compacte opzet, zorgt het ook voor een gevoelsmatig vol erf. Tevens wordt er een extra inrit gecreeërd, waardoor het nieuwe erf los komt te liggen van het bestaande erf. Door de nieuwe kavel op de plek van de huidige opslag te plaatsen (naar de bosrand), ontstaat er meer ruimte voor landschappelijke elementen en sterkere groenstructuren. Daarnaast blijft er zicht op het achterliggende landschap bestaan. De nieuwe woning komt in het huidige plan beschutter te liggen, voor de bosrand. Hierdoor ligt er minder aandacht op de nieuwe woning, en blijft de karakteristieke boerderij het punt van aandacht.

Het huidige Rood voor Rood-plan

5. Visie

transparantie naar

nieuwe kavel

nieuwe kavel

verbinding naar het landschapp

achterliggende landschap

bestaande kavel verplaatst

bestaand erf

oe gr ne o zo m

open omsloten ruimte

nieuwe kavel

De wens voor de nieuwe ontwikkeling is om middels de Rood voor Rood regeling een nieuwe woning te realiseren. De nieuwe kavel wordt langs de bosrand gepositioneerd, waardoor er een groene ruimte overblijft tussen de rand van het dorp en het gebied. De nieuw te realiseren kavel wordt op zodanige wijze gepositioneerd en ontwikkeld, dat dit tevens versterkend is voor het landschap. Het kleinschalige landschap, met sterke groenstructuren, open plekken en doorkijken is hierin een belangrijk uitgangspunt.

Impressies van kleinschalige landschappen met sterke groenstructuren en open velden.

6. Inrichtingsplan

2 4

1

3 4

5 4

6

Toelichting bij het inrichtingsplan Het belangrijkste uitgangspunt voor de gewijzigde positie van de nieuwe kavel

5. Bomenrijen/singels

is het behouden en versterken van de kleinschaligheid en groenstructuren.

Om het zicht vanaf de dorpsrand te verzachten wordt een bomenrij/

Tussen de nieuwe kavel en de rand van het dorp komt een open veld (weide),

houtsingel aangeplant. Deze groenstructuur blijft transparant, maar omsluit

omsloten door (transparante) groenstructuren. Deze groenstructuren

het gebied/de weide tussen de kavels en de dorpsrand. De groenstructuur

bestaan uit bomenrijen en houtsingels, al dan niet met onderbegroeiing.

zal bestaan uit eiken (Quercus robur), ruwe berk (Betula pendula) en een

Hieronder volgt een toelichting per punt:

onderbegroeiing van onder andere krent (Amelanchier lamarckii) en sleedoorn (Prunus spinosa).

1. Nieuwe woning onder architectuur Op de nieuwe kavel wordt een woning onder architectuur gerealiseerd.

6. Boomgroep

Hierbij wordt aansluiting gezocht op de gewenste vorm en uitstraling in het

De boomgroep komt langs het verbindende pad en in het midden van de

gebied.

open ruimte. De boomgroep mag opvallend zijn in het open gebied, maar bestaat uit inheemse soorten. De boomgroep bestaat o.a. uit eik (Quercus

2. Oprit aansluitend op bestaande oprit De nieuwe kavel wordt ontsloten middels een (natuurlijke) oprit, die in verbinding staat met de bestaande oprit. Er zal dus geen nieuwe oprit worden gerealiseerd. 3. Boomgaard Bij de oprit komt een losse boomgaard. Deze boomgaard krijgt een transparante uitstraling, en verbind de omliggende groenstructuren. 4. Landschappelijk hagen met inheemse soorten Om de kleinschaligheid te versterken en verbinding te creëren worden er landschappelijke hagen aangeplant. Deze hagen verzachten het zicht op de bebouwing en versterkt het groene karakter van het gebied. De soortkeuze is gericht op inheemse soorten, zoals meidoorn of veldesdoorn.

robur) zoete kers (Prunus avium) en wilde appel (Malus sylvestris)

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek Rietmolenweg

planstatus vast te stellen

NL.IMRO.0158.BP1199-0002

pagina 51 van 94

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Rietmolenweg 28 - Haaksbergen

Opdrachtgever Robé Bedrijfsdeuren Locatie: Riemolenweg 28 7482 NX Haaksbergen

December 2021

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Rietmolenweg 28 - Haaksbergen

Opdrachtgever Robé Bedrijfsdeuren Rietmolenweg 28 7482 NX Haaksbergen

Locatie: Rietmolenweg 28 7482 NX Haaksbergen

Projectcode: 21074316

Rapportagedatum: 21 december 2021

Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 4

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

5 5 6 6 7 8

4

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses

9 9 9 10 11 11

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

12

6

Literatuur en bronvermelding

14

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juni 2013 Boorplan aanvullend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juli 2013 Boorplan verkennend bodemonderzoek Terra Agribusiness, december 2018 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 21074316

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van de Robé Bedrijfsdeuren op een terreindeel aan de Rietmolenweg 28 door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande uitbreiding van de bestaande bedrijfshal. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11588290/1