CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Industrie-West, Haaksbergen vaststelling 19-11-2021

Gemeenteraad 22 december 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van de bestemmingsplannen “Industrie-West” en “Geluidzonering Industrie-West”37.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4.3

Masterplan Bedrijventerreinen Haaksbergen

De gemeente Haaksbergen heeft een aantal bestaande bedrijventerreinen dat deels verouderd is en niet meer geheel voldoet aan de wensen van deze tijd. Het betreft de terreinen 't Varck, Industrieterrein Oost, Industrieterrein West, Industrieterrein Brammelo en het terrein in St. Isidorushoeve. De eerste drie terreinen worden gezamenlijk ook wel tot industrieterrein 't Varck gerekend. Het Masterplan Bedrijventerreinen Haaksbergen (vastgesteld op 20 december 2006) is opgesteld in het kader van het revitaliseren van de bestaande en deels verouderde bedrijventerreinen. Met het Masterplan wordt richting gegeven aan de (her)ontwikkeling van de terreinen op langere termijn en biedt een kader waarbinnen de toekomstige ontwikkelingen moeten plaatsvinden. In het plan zijn concrete maatregelen benoemd die worden uitgevoerd om te komen tot een duurzame verbetering. Doorwerking plangebied De ontwikkelingen die in het Masterplan worden genoemd, zijn uitgevoerd. Voorliggend bestemmingsplan zorgt niet voor een belemmering voor het doorvoeren van de gewenste kwaliteitsverbetering.

4.4.4

Scan leefbare wijken

De gemeente is in overleg met de bedrijven en de omwonenden van het industrieterrein over de leefbaarheid van het gebied. Met dit project Scan leefbare wijken brengt de gemeente samen met wijkbewoners in beeld wat goed gaat in deze drie wijken (Centrum Zuidwest, 't Wolferink en Zienesch) en wat beter kan. Ook werken we aan oplossingen, vaak aangedragen door wijkbewoners zelf. Soms snel te realiseren verbeteringen, maar ook aanpassingen die meer onderzoek of voorbereiding vergen. Bij het zoeken naar oplossingen houden we voor ogen dat bedrijven en buurt als goede buren naast elkaar kunnen functioneren. Mét elkaar werken we aan leefbare wijken. Doorwerking plangebied De Scan Leefbare Wijken is een apart traject dat los staat van voorliggend bestemmingsplan traject. Uit de scan kwam onder andere naar voren dat communicatie en samenwerking tussen bewoners, bedrijven en gemeente voor verbetering vatbaar is. Het participatietraject dat rondom dit bestemmingsplan is opgezet, is uitvloeisel hiervan. De scan leefbare wijken heeft geresulteerd in een uitvoeringsplan. Daarin zijn de verbeter punten aangegeven en is aangegeven op welke wijze en wanneer dit wordt opgepakt. Hierin zijn ook onderdelen opgenomen die uit het participatietraject naar voren zijn gekomen.

4.4.5

Doorwerking plangebied

Voorliggend bestemmingsplan zorgt niet voor een belemmering van de uitvoering van het gemeentelijk beleid.

19

Bestemmingsplan Industrie-West

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven) gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

5.1

Milieuaspecten in bestemmingsplan

De mogelijkheid tot het opnemen van milieukwaliteitseisen in bestemmingsplannen is beperkt. Het direct of rechtstreeks doorvertalen is veelal niet mogelijk. Het opnemen van milieu eisen is alleen mogelijk als deze eisen relevant zijn voor de fysieke omgeving en als het voldoen aan deze eisen niet op een andere wijze kunnen worden gewaarborgd. Veelal zijn de milieukwaliteitseisen namelijk opgenomen in de milieuvergunning van een bedrijf of vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Middels de milieuvergunning of het Activiteitenbesluit wordt een bedrijf verplicht om te voldoen aan bepaalde eisen om zodoende te zorgen voor een goed leefklimaat in de omgeving. Eisen die in de milieuvergunning zijn opgenomen kunnen niet ook nog worden opgenomen in een bestemmingsplan. Over het algemeen zijn er drie manieren om milieukwaliteitseisen op te nemen in het bestemmingsplan: 1. De algemeen voorkomende wijze is door middel van bestemmingen toekennen aan percelen. Middels bestemmingen vindt een bepaalde scheiding plaats tussen de diverse functies. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat een woonbestemming op een bepaald perceel niet kan worden toegestaan vanwege de uitstoot (van bijvoorbeeld geluid of geur) van een naast gelegen bedrijf; 2.

Als milieugevoelige en milieubelastende functies wel naast elkaar zijn opgenomen op de verbeelding, dan kan het opnemen van een zonering zorgen voor de benodigde scheiding. Een zonering vormt een ruimtelijk middel voor het invullen en beheren van de ruimte. Bij voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van deze zonering. Hier worden twee type zoneringen toegepast, zonering in milieu categorieën (zie paragraaf 5.2) en geluidzonering (zie paragraaf 5.3). Geurzonering is ook mogelijk in een bestemmingsplan, echter in voorliggend geval is dit niet noodzakelijk (zie paragraaf 5.6); 3. Indien bedrijven met een (te) hoge milieucategorie wordt toegestaan naast een milieugevoelige functie, dan is het nog mogelijk om middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan te regelen dat bepaalde maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen zorgen ervoor dat toch een goed leefklimaat heerst in de omgeving. Een voorbeeld van een maatregel is het aanleggen van een geluidwal die ervoor zorgt dat de geluidbelasting op naastgelegen perceel sterk afneemt. Ook hierbij geldt als voorwaarde dat deze maatregelen niet op een andere wijze geregeld kunnen worden, er mag geen overlap zijn met een ander wettelijk kader en het mogen alleen maatregelen zijn die ruimtelijk relevant zijn.

5.2

Milieuzonering

5.2.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies onderling kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor per bedrijfssoort richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.

20

Bestemmingsplan Industrie-West

5.2.2

Beoordeling

In het plangebied zijn milieugevoelige functies en milieubelastende functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Om ervoor te zorgen dat rondom de woonbestemmingen (milieugevoelige bestemmingen) een goed woon- en leefklimaat heerst, is in voorliggend plan aangesloten bij de bestaande inwaartse zonering uit het vigerend bestemmingsplan. Dit betekent dat op kortere afstand van milieugevoelige objecten, zoals bijvoorbeeld woningen, uitsluitend bedrijven in een lagere milieucategorie zijn toegestaan. Op ruimere afstand van milieugevoelige objecten worden ook hogere milieucategorieën toegestaan waarbij de hoogst toegestane milieucategorie op het industrieterrein, categorie 4.1 betreft. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat in het geldend bestemmingsplan de rechten van de (destijds) aanwezige bedrijven/ bedrijfsactiviteiten, die niet geheel passen binnen de hiervoor genoemde zonering, zijn gerespecteerd door deze bedrijven specifiek aan te duiden. Aan de zuidzijde van het industrieterrein, waar de bedrijven op korte afstand van de woningen aan de Eibergsestraat zijn gesitueerd, is het wenselijk dat alleen bedrijven tot en met maximaal milieucategorie 2 zijn toegestaan. Met de zonering uit het vigerende bestemmingsplan is in deze strook op sommige plaatsen categorie 3 toegestaan.

Om ervoor te zorgen dat overal maximaal categorie 2 wordt toegestaan, maar toch ruime mogelijkheden worden geboden, vindt hier een wijziging van de bestemming plaats. In voorliggend bestemmingsplan krijgt deze strook de bestemming 'Gemengd'. Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan wat op sommige percelen zorgt voor een beperking in de milieucategorie. Daar tegenover staat een verbreding van het type bedrijvigheid dat binnen deze bestemming wordt toegestaan. Dat vormt een verruiming voor de percelen, echter wel binnen een milieucategorie passend bij een korte nabijheid van woningen. Doordat de milieuzonering uit het vigerende bestemmingsplan wordt aangehouden, worden bestaande bedrijven niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden en vindt er ter plaatse van de woningen geen verslechtering plaats van de kwaliteit van de leefomgeving. De verruiming van de mogelijkheden in functies die in het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, zijn nog altijd passend binnen de maximaal toegestane milieuzonering.

5.2.3

Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen

In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Bij bestemmingsplannen moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de leefomgeving rond gevoelige functies binnen deze zones niet verslechterd.

5.3.2

Beoordeling

Industrielawaai Voorliggend plan betreft een gezoneerd industrieterrein volgens de Wet geluidhinder. Met de uitspraak van de Raad van State van 20 mei 2009 is de geluidzonering bij het vigerende bestemmingsplan “Industrie West 2003” vernietigd. De Raad van State heeft wel aangegeven dat de geluidzone geldig blijft, tot er een nieuwe geluidzone wordt vastgesteld. Samen met voorliggend plan wordt een vernieuwde geluidzone in een separaat bestemmingsplan vastgesteld. Met deze geluidzone is de geluidsruimte op het industrieterrein verdeeld. Deze geluidzonering is gebaseerd op de planologische geluidbelasting van de bedrijven op het terrein. Op deze wijze wordt voorkomen dat op omliggende woningen een te grote geluidbelasting ligt. Met de nieuwe geluidzone neemt de vergunde geluidbelasting niet toe en voldoet de geluidbelasting op omliggende woningen aan de gestelde geluidnormen. Ten behoeve van de nieuwe geluidzonering die met het bestemmingsplan 'Geluidzonering Industrie-West' is beoogd, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek is voor de volledigheid ook als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan gevoegd.

21

Bestemmingsplan Industrie-West

Voorliggend bestemmingsplan maakt één nieuwe woning mogelijk naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op het bestemmingsplan “Industrie West 2003”. Die woning was eerder bestemd als bedrijfswoning. De Wet geluidhinder maakt geen onderscheid in burgerwoningen en bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Daardoor heeft deze wijziging naar burgerwoning geen negatieve gevolgen voor omliggende bedrijven. Wegverkeerslawaai De bestaande woningen aan de zuidzijde van het bestemmingsplan liggen in de zone van de Eibergsestraat. Echter gaat het hier om bestaande woningen en worden er geen nieuwe woningen toegevoegd. Akoestisch onderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg aanwezig.

5.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.4

Bodem

5.4.1

Algemeen

In verband met de uitvoerbaarheid van een plan dient onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.

5.4.2

Beoordeling

Met voorliggend plan worden geen nieuwe extra gevoelige functies mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

5.4.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Algemeen

Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Besluit NIBM In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen.

De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt.

22

Bestemmingsplan Industrie-West

Besluit gevoelige bestemmingen Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

5.5.2

Beoordeling

Met voorliggend bestemmingsplan worden vrijwel geen extra mogelijkheden geboden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. De mogelijkheden die geboden worden, betreffen een grotere diversiteit aan type bedrijven in een lagere milieucategorie. In vergelijking met de lijst categorieën van gevallen, zijn de toegevoegde ontwikkelingen in dit bestemmingsplan, qua aard en schaal beduidend kleinschaliger. Er kan derhalve op voorhand met zekerheid worden geconcludeerd dat sprake is van een plan dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

5.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of 'immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Als sprake is van meerdere bedrijven waarbij in het kader van de milieuvergunning geur is verleend, is sprake van cumulatie en kan het opnemen van een geurzonering nodig zijn. Voor voorliggend bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden om te bepalen of een geurzonering moet worden opgenomen in het bestemmingsplan.

5.6.2

Beoordeling

Uit dossieronderzoek van alle bedrijven binnen het bestemmingsplan is geconstateerd dat bij bedrijven geen geurrelevante activiteiten plaatsvinden met uitzondering van het bedrijf aan de Industriestraat 3-5. Het vaststellen welke geurcontour of geurzone op het plangebied van toepassing is, valt daarom volledig samen met de vraag welke geurbelasting op de omgeving dit bedrijf met zijn activiteiten en voorzieningen veroorzaakt. Het betreffende bedrijf is al vele jaren gevestigd op zijn huidige locatie. In eerste instantie zijn de daar plaatsvindende activiteiten van afvalinname, -opslag, -sortering en afvoer niet beoordeeld als geurrelevant. In de praktijk bleek echter dat er bij de soort binnenkomende afvalstromen en de wijze van behandelen ervan wel degelijk geur kon vrijkomen. De afgelopen jaren heeft deze situatie geresulteerd in overlast en voortdurend bij de provincie als voor milieu bevoegde gezag en bij de gemeente binnenkomende geurklachten van omwonenden. Momenteel wordt op meerdere manieren gewerkt aan het reguleren van de geurbelasting die het bedrijf veroorzaakt.

Voor dit bedrijf gebruik gemaakt van de mogelijkheid door de provincie Overijssel als bevoegd gezag, gebruiken van de procedure voor het aan het bedrijf verstrekken van een nieuwe, aangepaste omgevingsvergunning (veranderingsvergunning) om nu ook voor geur voorschriften op te nemen en normen of randvoorwaarden te stellen. Tot slot is het bedrijf zelf de afgelopen tijd bezig geweest om haar bedrijfsvoering onder de loep te nemen en maatregelen ter beperking van de geurbelasting op de omgeving te ontwikkelen en te implementeren. Doordat de provincie een procedure heeft lopen voor de betreffende veranderingsvergunning, is het niet nodig om een geurzone op te nemen in voorliggend plan. De noodzaak hiervan ontbreekt omdat er geen andere bedrijven zijn die geur produceren (dus géén sprake van cumulatie).

5.6.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

23

Bestemmingsplan Industrie-West

5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risicoaanvaarding.

5.7.2

Beoordeling

Risicovolle inrichtingen Bevi-inrichtingen In het plangebied is één Bevi-inrichting in de vorm van een LPG- tankstation gesitueerd. Rond dit tankstation, het vulpunt, het reservoir en de afleverinstallatie liggen contouren voor het plaatsgebonden risico. Voor LPG tankstations gelden de volgende afstanden voor het plaatsgebonden risicocontour. Doorzet (m3 per jaar) Afstand (m) vanaf vulpunt Afstand (m) vanaf Afstand (m) vanaf afleverzuil ondergronds of ingeterpt reservoir > 1000 40 25 15 500-1000 35 25 15 < 500 25 25 15

De doorzet bij het LPG-tankstation in het plangebied is vastgesteld op maximaal 500 m3. De bijbehorende plaatsgebonden risicocontouren zijn opgenomen op de verbeelding. In de regels is hiervoor een regeling opgenomen die ertoe strekt dat er binnen deze contouren geen (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Het invloedsgebied voor het groepsrisico van het LPG-tankstation bedraagt 150 meter. Binnen het invloedsgebied zijn meerdere (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. In het gemeentelijk externe veiligheid beleid (2006-2010) is het volgende opgenomen over het betreffende tankstation: Voor LPG tankstations waarbij sprake is van een knelpunt in het kader van het plaatsgebonden risico en/of groepsrisico is er landelijk een convenant ondertekend tussen het ministerie van VROM en de LPG sector. In deze convenant is afgesproken dat de sector extra veiligheidsmaatregelen zal treffen. Door het gebruik van verbeterde vulslangen, een ander losproces en het aanbrengen van een hittewerende coating op tankauto's kunnen daardoor de veiligheidsafstanden tussen lpg-tankstations en (beperkt) kwetsbare objecten worden verminderd. Als gevolg van deze maatregelen zullen de te hanteren veiligheidsafstanden voor bestaande inrichtingen worden bijgesteld. Daarnaast kan worden gemeld dat door de gemeente voor elk LPG-tankstation een rampenbestrijdingsplan is opgesteld.

Er is sprake van een overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico. Daarbij is de afstand van het vulpunt maatgevend. Als op basis van de landelijke convenant extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen aan de LPG tankauto's zal het risico van het vullen van de tank voor LPG verminderen. Naar verwachting is in die situatie geen spraken meer van een overschrijding van de oriënterende waarde. In het vigerende bestemmingsplan (vaststelling 2007) is dit groepsrisico uitgebreid in beschouwing genomen en is geconcludeerd dat het groepsrisico binnen de aanvaardbare grenzen bleef. Met voorliggend bestemmingsplan vinden er geen wijzigingen plaats voor wat betreft uitbreiding van het industrieterrein of het toevoegen van (beperkt)kwetsbare objecten ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. De bestaande Bevi-inrichting vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Overige risicovolle inrichtingen Op het industrieterrein zijn nog twee risicovolle inrichtingen aanwezig. Dit betreffen de Twentse Kabelfabriek en het tankstation met LPG aan de Westsingel. Op beide terreinen staat een LPG tank. De plaatsgebonden risicocontour van deze LPG tank ligt grotendeels over het eigen terrein en/of over de bestemming 'Verkeer'. Binnen de plaatsgebonden

24

Bestemmingsplan Industrie-West

risicocontour worden in de vigerende planologische situatie al geen nieuwe (kwetsbare) objecten toegestaan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt dit niet gewijzigd. Deze LPG-tanks vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Buisleidingen In het noordoosten van het plangebied ligt een gasleiding (over het terrein van TKF). Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168,00 millimeter wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat met voorliggend bestemmingsplan in vergelijking met de vigerende planologische situatie geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt waardoor geen extra (beperkt) kwetsbare objecten kunnen worden toegevoegd, zal dit bestemmingsplan geen (negatief) effect hebben op de risicocontour.

Transportroutes gevaarlijke stoffen Over de Eibergsestraat (de oude N18) ligt een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De oude N18 ligt tegen het plangebied aan en ligt voor een klein deel binnen het plangebied. De oude N18 worden momenteel nog wel gebruikt als route voor gevaarlijke stoffen. Heeft is nog niet bekend of deze route voor gevaarlijke stoffen worden opgeheven. Deze route heeft dus nog invloed op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt ten opzichte van de vigerende planologische situatie, waardoor er geen wijzigingen ten opzichte van deze transportroute plaatsvinden. Het plangebied ligt buiten de invloedssfeer van de nieuwe N18. De transportroute gevaarlijke stoffen zorgt niet voor een belemmering van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Bluswatervoorzieningen Oppervlaktewateren (vijver Groot Scholtenhagen en de vijver nabij de Tolstraat) die dienst doen als bluswatervoorziening liggen buiten het plangebied. Deze vijvers dienen als bluswatervoorziening in stand gehouden worden voor calamiteiten in het plangebied.

5.7.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.8

Water

5.8.1

Beleidskader

Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlakte wateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. In december 2009 is dit plan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciaal waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan op basis van de Waterwet. Water is een dragende factor in het beleid in de Omgevingsvisie, doordat de laag van bodem, natuur en watersysteem de basis vormt van het ontwikkelingsperspectief. Binnen het waterbeheer kunnen verschillende functies worden onderscheiden voor oppervlaktewater en grondwater.

Op basis van het provinciaal belang worden de functies benoemd, onderscheiden naar gebruiksfuncties en gebiedsfuncties. Daarbij wordt ook aangegeven welk gewicht deze functie heeft in de afweging met andere ruimtelijke gebiedsfuncties, zoals verstedelijking, infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en dergelijke.

25

Bestemmingsplan Industrie-West

De provinciale ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschap Vechtstromen Het waterbeleid van het waterschap Vechtstromen wordt beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. In haar vergadering van 7 oktober 2015 heeft het algemeen bestuur het waterbeheerplan vastgesteld. In het waterbeheersplan wordt het waterbeleid beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap:  Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water;  Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water;  Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water;  Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. De waterschappen adviseren bij ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Met de (digitale) Watertoets kan het waterschap haar waterbelangen inbrengen in de ruimtelijke planvorming.

Naast het waterbeheersplan is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

5.8.2

Doorwerking plangebied

Met voorliggend bestemmingsplan vindt een actualisering plaats van de vigerende planologische regeling. De ontwikkelingen die mogelijk zijn, zijn veranderingen in het gebruik. Er worden geen uitbreidingen van bebouwing en verharding toegestaan meer dan al binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk was. Met voorliggend bestemmingsplan veranderd niets voor de waterhuishoudkundige situatie. Daarom is geen watertoets uitgevoerd en kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.9

Ecologie

5.9.1

Algemeen

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur, bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Het natuurnetwerk in de provincie Overijssel maakt hier onderdeel van uit.

Binnen dit natuurnetwerk liggen natuurgebieden die vanwege de hoge natuurwaarden (inter)nationale bescherming genieten, waaronder de Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden. Naast de bestaande natuurgebieden bestaat het NNN in Overijssel deels uit gebieden die nog omgevormd zullen worden tot natuur. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van het NNN (voorheen EHS) vastgelegd. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.

26

Bestemmingsplan Industrie-West

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).

5.9.2

Beoordeling

Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op een afstand van ruim 2 kilometer van het Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. Afbeelding 5.1 geeft de ligging weer van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied.

Afbeelding 5.1: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Provincie Overijssel)

Stikstofdepositie Inzake stikstof moet beoordeeld worden of het bestemmingsplan activiteiten mogelijk gaat maken die leiden tot een toename van de stikstofdepositie:  Bedrijventerrein wordt niet vergroot en wordt bovendien deels afgewaardeerd. Hiermee worden de mogelijkheden voor stikstofemitterende activiteiten niet vergroot;  Bij stikstofberekeningen voor actualiserende bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met een representatieve invulling van de toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied. Het bedrijventerrein is echter reeds volledig uitgegeven en kent geen (braakliggende) percelen waar nog ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Dus er is al sprake van een representatie situatie waardoor effecten als gevolg van emissie (en daardoor stikstof) gelijk zijn aan elkaar;  Bovendien leidt een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied tot het uitvoeren van een passende beoordeling en niet tot het uitvoeren van een MER. Sinds 2020 is de verplichting om en MER uit te voeren wanneer de passende beoordeling opgesteld dient te worden als gevolg van een toename van de stikstofstofdepositie komen te vervellen.

Indien op het bedrijventerrein bedrijven willen ontwikkelen waarbij sprake is van de uitstoot van stikstof dient voor deze individuele bedrijven, net als in het verleden, te worden beoordeeld of deze bedrijven al dan niet vergunningplichtig zijn op grond van de Wet natuurbeheer. Vernietiging Programma Aanpak Stikstof (PAS) Het Programma aanpak stikstof was slechts van toepassing op inrichtingen. Op bestemmingsplannen was het PAS niet van toepassing, maar de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming is niet vernietigd en vormt nog het toetsingskader voor het vaststellen van bestemmingsplannen. De relevante toetsing van onderhavig bestemmingsplan is bovenstaand opgenomen. De vernietiging van het PAS heeft derhalve geen invloed op onderhavig bestemmingsplan.

27

Bestemmingsplan Industrie-West

Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid Het plangebied ligt op een afstand van ruim 850 meter van het NNN en maakt daarmee geen onderdeel uit van het NNN. Gelet op de aard en omvang van de wijzigingen ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN (oppervlakte, kwaliteit en ruimtelijke samenhang) tot gevolg heeft. In afbeelding 5.2 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven.

Afbeelding 5.2: Ligging plangebied ten opzichte van de NNN (Bron: Provincie Overijssel)

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Het plangebied is voor het overgrote deel verhard met hier en daar een groenstrook en/of opgaand groen. Met voorliggend bestemmingsplan blijft dit ongewijzigd. Mogelijk dat braakliggende kavels waar nu nog geen bedrijf is gevestigd worden bebouwd als er een bedrijf komt. Echter, in de vigerende planologische situatie is dit ook mogelijk, aan deze bouwmogelijkheden wordt niets gewijzigd. De vaststelling van voorliggend bestemmingsplan heeft dan ook geen negatieve effecten op eventueel aanwezige en beschermde flora en fauna. Daarnaast blijft de Wnb ook buiten de regels van dit bestemmingsplan van toepassing, bijvoorbeeld ingeval van herontwikkeling of sloop van gebouwen.

5.9.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

28

Bestemmingsplan Industrie-West

5.10

Erfgoed en archeologie

5.10.1

Algemeen

De versnippering van de erfgoedwetgeving, met eigen definities, procedures en beschermingsmaatregelen, en de behoefte aan duidelijkheid waren de aanleiding om één integrale Erfgoedwet op te stellen voor het beheer en behoud van ons cultureel erfgoed. Met de Erfgoedwet, op 1 juli 2016 in werking getreden, worden zes wetten en regelingen gebundeld tot één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Deze wet is niet gericht op de bescherming van vermoedelijk archeologische waarden, maar wel op de bescherming van monumenten, vindplaatsen en de vondsten. Uiteindelijk worden onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen (zoals onder andere archeologische waarden), ondergebracht in de Omgevingswet die in 2019 van kracht moet worden. Vanaf het moment van invoering van de Erfgoedwet tot het moment van invoering van de Omgevingswet zijn deze onderdelen ondergebracht in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

5.10.2

Beoordeling

Erfgoed In het plangebied staat geen bebouwing die is aangemerkt als rijks- of gemeentelijk monument. In de omgeving van het plangebied liggen twee panden die zijn aangemerkt als monument. Dit betreffen de volgende panden:  boerderij aan de Weerninksweg 10 ligt op een afstand van ongeveer 220 meter van het plangebied en is aangemerkt als Rijksmonument;  boerderij aan de Eibergsestraat 187 ligt op een afstand van ongeveer 230 meter van het plangebied en is aangewezen als gemeentelijk monument. Voorliggend bestemmingsplan betreft hoofdzakelijk het vastleggen van de bestaande situatie. Er worden slechts kleine gebruikswijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de vigerende planologische situatie. Dit bestemmingsplan zal dan ook geen nadelig effect hebben op de omliggende monumenten. Archeologie In het vigerende bestemmingsplan “Industrie - West 2003” zijn de archeologische verwachtingen, zoals die zijn gedefinieerd op basis van archeologische beleidsadvieskaart, niet opgenomen. Gemeenten zijn wel verplicht om rekening te houden met archeologische waarden. Om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen, zijn deze waarden met bijbehorende regels opgenomen in het bestemmingsplan.

Met deze regels worden geen extra bouwmogelijkheden geboden, er wordt alleen vastgelegd dat in bepaalde gebieden de bodem over een bepaalde oppervlakte niet zomaar geroerd mag worden, zonder dat is onderzocht of eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

5.10.3

Conclusie

In de regels van dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen omtrent de bescherming van archeologische waarden. Erfgoed en archeologie vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.11

Besluit milieueffectrapportage

5.11.1

Algemeen

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.

29

Bestemmingsplan Industrie-West

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet:  Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.  Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.  De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

5.11.2

Beoordeling

Om te bepalen of sprake is een (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plichtig plan, dient bepaald te worden of sprake is van een ontwikkeling als genoemd in lijst C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan valt onder de activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D 11.3). Dit heeft tot gevolg dat een aanmeldnotitie moet worden opgesteld. Ten behoeve van onderhavig plan is een aanmelndotitie opgesteld (zie Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling) en is nadien een oplegnotitie opgesteld (zie bijlage Bijlage 2 Oplegnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling). Uit de aanmeldnotitie en de oplegnotitie blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft in de vergadering van 26 mei besloten dat het opstellen van een Milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. Dit besluit is opgenomen in Bijlage 3 Raadsbesluit inzake MER.

5.11.3

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

30

Bestemmingsplan Industrie-West

Hoofdstuk 6

Juridische opzet bestemmingsplan

6.1

Opzet van het plan

6.1.1

Inleiding

In de andere hoofdstukken van deze toelichting is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

6.1.2

Planmethodiek

Algemeen In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Inhoudelijk is voor wat betreft de regels waar mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan “Industrie West 2003”. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

6.1.3 

Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1):

In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels. 

Wijze van meten (Artikel 2):

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven van hoe de betreffende eisen voor wat betreft maatvoering begrepen moeten worden.

31

Bestemmingsplan Industrie-West

6.1.4

Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de regels voor wat betreft de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, is hier vastgelegd;  Specifieke gebruiksregels: in de specifieke gebruiksregels wordt specifiek voor die bestemming aangegeven welk gebruik in strijd is met de bestemming;  Afwijken van de bouwregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor wat betreft de gestelde maten met betrekking tot het bouwen, welke specifiek gelden voor de betreffende bestemming;  Afwijken van de gebruiksregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden, welke specifiek gelden voor de betreffende bestemming;  Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: hierin wordt geregeld voor welke werken, geen bouwwerken zijnde een vergunning moet worden verleend (aanlegvergunning);  Wijzigingsbevoegdheid: hierin is geregeld op welke wijze het college het bestemmingsplan kan wijzigingen.

In paragraaf 6.2 worden de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen nader toegelicht.

6.1.5

Algemene regels

De op het plan van toepassing zijnde algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:  Anti-dubbeltelregel (Artikel 18):

 

 

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Algemene bouwregels (Artikel 19): In deze regel is aangegeven op welke wijze ondergeschikte bouwdelen het bouwvlak mogen overschrijden. Algemene gebruiksregels (Artikel 20): In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Algemene aanduidingsregel (Artikel 21): In dit artikel is de regeling voor de geluidzone opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 22): In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (Artikel 23): In deze regel is bepaald dat bij ontwikkelingen en afwijkingen moet worden voldaan aan de parkeernormen, rekening gehouden met worden met de geluidzone van onderhavig geluidgezoneerde bedrijventerrein en met beperkingen die gelden binnen de veiligheidszone van een lpg tankstation.

6.1.6

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.

32

Bestemmingsplan Industrie-West

6.2

Wijze van bestemmen

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch gebied Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden rond de woningen die aan de zuidzijde van het plangebied liggen. Deze gronden liggen niet binnen de bestemming 'Wonen', het is dan ook niet mogelijk om hier gebouwen op te richten ten behoeve van het woongenot. Binnen deze bestemming is geregeld dat de gronden gebruikt mogen worden ten behoeve van agrarische doeleinden. Dit kan zowel bedrijfsmatig als particulier. Gebouwen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan.

Bedrijf - Hoogspanningsstation Aan de gronden waar de nutsvoorziening voor de hoogspanningsverbinding (een hoogspanningsstation van Tennet) zit, is de bestemming 'Bedrijf – Hoogspanningsstation' gegeven. In de regeling voor deze bestemming is deels aangesloten bij de regeling uit het bestemmingsplan 'Industrie West 2003' en deels zijn wensen van Tennet in de regels doorgevoerd.

Bedrijventerrein Deze bestemming is gelegd op de gronden op het industrieterrein waar bedrijven zijn gevestigd, met uitzondering van de meest zuidelijke strook (zie artikel 5). Binnen deze bestemming zijn bedrijven in diverse milieu categorieën toegestaan. Deze categorieën zijn opgenomen als zones op de verbeelding. Deze zones zijn bepaald aan de ligging van burgerwoningen. Daardoor kan het zijn dat de zones vreemd over de betreffende percelen en gebouwen liggen. Echter om beperkingen in milieucategorie te voorkomen, is de zone wel op deze manier overgenomen, aansluitend bij het bestemmingsplan “Industrie West 2003”. Binnen deze bestemmingsomschrijving vindt een kleine verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden, doordat binnen de bestemming een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk wordt gemaakt en middels een afwijking wordt een vrachtwagenparkeerterrein met bijbehorende kleinschalige horeca mogelijk gemaakt. Binnen deze afwijking is het expliciet niet mogelijk gemaakt om vrachtwagens met gevaarlijke stoffen te laten parkeren. Deze laatste is opgenomen in een afwijkingsbevoegdheid, zodat de effecten van een dergelijk parkeerterrein op de omgeving eerst getoetst worden . Tevens is op de verbeelding voor het middengebied een afwijkende hoogte opgenomen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.

De reeds aanwezige bedrijfswoningen zijn specifiek aangewezen op de verbeelding, net als woningen met een persoonsgebonden overgangsrecht binnen deze bestemming.

Gemengd Deze bestemming ligt aan de zuidzijde van het industrieterrein. Dit is een nieuwe bestemming ten opzichte van de vigerende planologische situatie. Door deze bestemming op deze gronden te leggen, wordt een overgang gecreëerd van het industrieterrein naar burgerwoningen. Binnen deze bestemming zijn alleen bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Daarnaast is in de bestemmingsomschrijving geregeld dat bestaande bedrijven met een hogere milieucategorie zoals legaal aanwezig ook zijn toegestaan. Deze bedrijven zijn specifiek op de verbeelding aangewezen met de sbi-code van het betreffende bedrijf. Met deze bestemming wordt op sommige percelen voor wat betreft de milieucategorie een stap terug gedaan. Echter in de bestemmingsomschrijving worden meer mogelijkheden geboden voor diverse type bedrijvigheid zoals sportscholen, detailhandel in volumineuze goederen en dienstverlening. De reeds aanwezige bedrijfswoningen zijn specifiek aangewezen op de verbeelding.

33

Bestemmingsplan Industrie-West

Groen Deze bestemming is gelegd op de groenstrook aan de noordzijde van het plangebied en op aanwezige grotere groenstroken in het plangebied. Door deze gronden de bestemming 'Groen' te geven, wordt voorkomen dat hier bebouwing kan worden opgericht en bedrijven zich hier kunnen ontwikkelen. Gebouwen zijn binnen deze gronden niet toegestaan.

Maatschappelijk De gronden die in het bestemmingsplan “Industrie West 2003” de bestemming 'Bijzondere doeleinden' hadden, krijgen in dit bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk'. Voor wat betreft de gebruiks- en bouwmogelijkheden wordt aangesloten bij de voorschriften uit het bestemmingsplan “Industrie West 2003”.

Tuin De gronden aan de voorzijde van de woningen tot aan de weg hebben de bestemming 'Tuin'. Deze gronden kunnen gebruikt worden voor tuinen ten behoeve van de woningen. Gebouwen zijn binnen deze gronden niet toegestaan, met uitzondering van uitbouwen zoals een ingangspartij of een erker.

Verkeer Ter plaatse van de aanwezige straten in het plangebied ligt de bestemming 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn wegen toegestaan en ter plaatse van het lpg vulpunt is dit vulpunt ook toegestaan. Gebouwen zijn niet toestaan, andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming verkeer, zoals verkeersborden zijn wel toegestaan.

Water Ter plaatse van de Poelsbeek aan de zuidzijde van het industrieterrein en ter plaatse van de waterpartijen op Brammelo hebben de gronden de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming is water toegestaan en bijbehorende andere bouwwerken. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Wonen Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de woningen, de bijbehorende bouwwerken en erfinrichting aan de zuidzijde van het plangebied. Deze woningen liggen buiten het industrieterrein, maar binnen het plangebied. Rond de woningen is een bouwblok gelegd. De hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen dat bouwblok toegestaan. Bijbehorende bouwwerken kunnen buiten het bouwblok worden opgericht.

Dubbelbestemming Leiding - Gas Deze bestemming is gelegd over de gronden waar de aardgastransportleiding ligt. Op deze gronden geldt naast de dubbelbestemming ook gewoon de onderliggende bestemming. Echter gelden er een paar restricties ten opzichte van de onderliggende bestemming. Deze beperkingen dienen ter bescherming van de aardgastransportleiding. 4 meter aan beide zijde van deze leiding is bebouwing niet zomaar toegestaan.

Dubbelbestemming Hoogspanningsverbinding Deze bestemming is gelegd over de gronden waar de bovengrondse hoogspanningsverbinding loopt. Op deze gronden geldt naast de dubbelbestemming ook gewoon de onderliggende bestemming. Echter gelden er een paar restricties ten opzichte van de onderliggende bestemming. Deze beperkingen dienen ter bescherming van de hoogspanningsleiding. 25 meter aan beide zijde van deze leiding is bebouwing niet zomaar toegestaan. Middels een afwijking kunnen gebouwen worden toegestaan, mits deze gebouwen niet tot bezwaren leidt vanuit de leidingbeheerder.

34

Bestemmingsplan Industrie-West

Dubbelbestemming Hoogspanning Deze bestemming is gelegd over de gronden waar de ondergrondse hoogspanningsverbinding loopt. Op deze gronden geldt naast de dubbelbestemming ook gewoon de onderliggende bestemming. Echter gelden er een paar restricties ten opzichte van de onderliggende bestemming. Deze beperkingen dienen ter bescherming van de hoogspanningsleiding. 5,5 meter aan beide zijde van deze leiding is bebouwing niet zomaar toegestaan. Middels een afwijking kunnen gebouwen worden toegestaan, mits deze gebouwen niet tot bezwaren leidt vanuit de leidingbeheerder.

Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie De waarde archeologie is opgedeeld in een hoge, middelmatige en lage archeologische verwachtingswaarde. Voor iedere waarde is een apart artikel opgenomen. In de regels is bepaald dat de onderliggende bestemming van toepassing is, maar als er werkzaamheden plaatsvinden waarbij de gronden worden geroerd over een bepaalde oppervlakte en diepte (zoals genoemd in het betreffende artikel), dan moet advies worden ingewonnen over de eventueel aanwezige archeologische waarden. Dit advies kan bestaan uit een uitgevoerd archeologisch onderzoek.

35

Bestemmingsplan Industrie-West

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de overheid budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit tot vaststelling een exploitatieplan vastgesteld worden. De overheid is echter niet in alle gevallen verplicht een exploitatieplan vast te stellen.

Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro kan de overheid besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c Wro is voldaan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt waardoor er geen verplichting geldt tot het vaststellen van een exploitatieplan.

7.2

Financiële haalbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan is niet opgesteld voor een concrete ontwikkeling. Het betreft een actualiseringsplan voor een reeds ontwikkeld gebied. Voor de gemeente zijn er geen kosten aan de uitvoering verbonden. De economische uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan is daarmee verzekerd.

36

Bestemmingsplan Industrie-West

Hoofdstuk 8 8.1

Procedure

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2

Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 Bro kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat in bepaalde gevallen geen vooroverleg is vereist. Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een zogenoemde 'Uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen' opgesteld. In deze lijst is de actualisering van bestemmingsplannen opgenomen. De ontwikkelingen die in dergelijke plannen mogelijk worden gemaakt, moeten ook zijn genoemd in de lijst. Het toestaan van nieuwe (soorten) bedrijven is niet opgenomen in de lijst. Daarbij is in de lijst expliciet opgenomen dat het toestaan van volumineuze detailhandel buiten het kernwinkelgebied wel moet worden voorgelegd aan de provincie. Dit heeft tot gevolg dat voorliggend bestemmingsplan wordt voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie heeft een reactie ingediend. In de inspraaknotitie is de reactie weergegeven en is aangegeven op welke wijze de reactie in het bestemmingsplan is verwerkt.

8.1.3

Waterschap Vechtstromen

Het waterschap Vechtstromen is over het plan geïnformeerd door gebruik te maken van de digitale watertoets. In kader van het vooroverleg wordt het waterschap op de hoogte gesteld van de wijze waarop bij voorliggend plan wordt omgegaan met het aspect water. Het waterschap heeft een reactie ingediend. In de inspraaknotitie is de reactie weergegeven en is aangegeven op welke wijze de reactie in het bestemmingsplan is verwerkt.

8.1.4

GGD en brandweer

Tevens willen wij het plan presenteren aan de GGD en de brandweer. De GGD en de brandweer hebben rondom het thema gezondheid en veiligheid een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd. De veiligheidsregio heeft een reactie ingediend. In de inspraaknotitie is de reactie weergegeven en is aangegeven op welke wijze de reactie in het bestemmingsplan is verwerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10841217/1