2024-A49-1 Rapportage haalbaarheidsonderzoek vernieuwing huisvesting HAL
Tekst van het document
Haalbaarheidsonderzoek
vernieuwing huisvesting
April 2024
Inhoud
1. Inleiding
03
2. Onderwijsambitie & -visie
07
3. Financiën nieuwbouw unilocatie
13
4. Locatie-onderzoek & -keuze
26
5. Conclusies
36
Colofon
40
Bijlagen (separaat) • • • • • •
2
bijlage 1: Scenariostudie huisvesting HAL, 2017 Bijlage 2: Demarcatielijst, 2024 Bijlage 3: Overzicht ontwikkeling kapitaallasten scenario’s, 2024 Bijlage 4: GREX Van Brakelstraat en Bouwmeester, 2024 Bijlage 5: Rapportage locatie-onderzoek vervangende nieuwbouw HAL, 2018 Bijlage 6: Brief sportverenigingen Park Scholtenhagen,2021
1 Inleiding
3
1. Inleiding De gemeente Haaksbergen, Stichting Portuur en het Assink lyceum hechten zeer aan de aanwezigheid van kwalitatief goed en toekomstgericht voortgezet onderwijs in Haaksbergen. Op de eerste plaats natuurlijk voor het thuisnabij voortgezet onderwijs kunnen aanbieden voor de jeugd van Haaksbergen. Op de tweede plaats vanwege het vestigingsklimaat van de gemeente zowel voor inwoners als bedrijven. De aanwezigheid van
voortgezet onderwijs is belangrijk om te wonen en werken in de gemeente. Daarvoor is het wel van belang dat er sprake is van goede, eigentijdse en passende schoolgebouwen. Passend voor het aantal leerlingen, het soort onderwijs en wat betreft de technische staat. Voor het voortgezet onderwijs i.c. het Assink lyceum is echter geen sprake van passende onderwijshuisvesting. De huidige beide locaties hebben inmiddels een hoge leeftijd en zijn technisch en functioneel gedateerd en weinig duurzaam. Reeds in een in 2017 uitgevoerde scenariostudie is naar voren gekomen dat levensduurverlenging onderwijskundig en financieel nadeliger is dan vervangende nieuwbouw (bijlage 1: Scenariostudie huisvesting HAL, 2017). In november 2017 heeft de Gemeenteraad derhalve ingestemd met het scenario van vervangende nieuwbouw en onderzoek te doen naar een passende locatie en dekking van de stichtingskosten. Naar aanleiding van divers onderzoek in de periode 2017 – 2020 werd beoogd te komen tot een unilocatie op de locatie Van Brakelstraat. Vanwege financiële beperkingen heeft deze planvorming tot nu toe geen doorgang kunnen vinden. Daarmee is de vernieuwing van het Assink lyceum niet uit beeld geraakt. In het in december 2022 door de gemeenteraad vastgestelde Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) is de vernieuwing van de huisvesting van het Assink lyceum opgenomen.
Met Stichting Portuur is overeengekomen dat in de periode 2024 – 2027 planvorming plaatsvindt over vervangende nieuwbouw en dat realisatie plaatsvindt in de periode 2028 en 4
verder. De stichtingskosten van deze vervangende nieuwbouw zijn in het
onderzoeken met name het locatieonderzoek. Als aanvulling hierop is ex-
IHP geraamd op € 26.250.000 uitgaande van een unilocatie voor (circa)
pliciet aandacht gevraagd om ook de mogelijkheden van Park Scholtenha-
1.000 leerlingen en 7.000 m bruto vloeroppervlakte (BVO). In de begro-
gen te onderzoeken als mogelijke locatie.
2
ting van de gemeente zijn echter nog geen middelen opgenomen voor deze vernieuwing van het Assink lyceum.
Voor dit aanvullende onderzoek hebben Portuur en de gemeente een overeenkomst ondertekend waarin zij de intentie uitspreken om een haal-
Vanwege onderwijskundige en financiële overwegingen heeft Portuur/het
baarheidsonderzoek uit te voeren naar de realisering van een nieuwe
Assink lyceum bij de behandeling van het IHP aangegeven op korte ter-
unilocatie voor het onderwijsaanbod voortgezet onderwijs van het Assink
mijn al het onderwijs te willen concentreren op de locatie Bouwmeester
lyceum. Enerzijds moet de financiële en ruimtelijke haalbaarheid worden
(hoofdlocatie van het Assink lyceum). Om deze locatie geschikt te maken,
onderzocht van een nieuwe unilocatie (lange termijnperspectief), ander-
moeten de nodige investeringen plaatsvinden, die Portuur bij voorkeur
zijds moeten voorstellen worden ontwikkeld voor de (tijdelijke) aanpassing
zou willen aanwenden voor de nieuwe unilocatie. In een aangenomen mo-
van de locatie De Bouwmeester als tijdelijke unilocatie. Voor dit onderzoek
tie heeft de raad het college dan ook verzocht de vernieuwing van het As-
is een gemeenschappelijke projectorganisatie ingericht met een stuur-
sink lyceum zo mogelijk al in de periode 2024 – 2027 te doen laten plaats-
groep en projectgroepen. In een memo, geagendeerd voor de gemeente-
vinden. Hoewel er onderwijskundige, organisatorisch en ook maatschap-
raadsvergadering van 28 februari jl. is de onderzoeksopdracht nader uit-
pelijke voordelen zijn de vernieuwing te versnellen, heeft het college op
gewerkt in drie deelvragen:
basis van onderzoek naar de financiële positie van de gemeente aangege-
1.
ven geen mogelijkheden te hebben de vernieuwing van het Assink lyceum op korte termijn te versnellen.
Hoe gaan we de vervangende nieuwbouw van een unilocatie financieren?
2.
Welke locatie is het meeste geschikt om de vervangende nieuwbouw van een unilocatie te realiseren?
Hoewel het college zich bewust is dat bovenstaand besluit nadelig is voor
3.
Wanneer kan een nieuwe unilocatie gerealiseerd worden?
de verdere onderwijskundige en organisatorische ontwikkeling, heeft ze in de bespreking van jaarrekening 2022 voorgesteld om incidenteel (alvast)
De uitwerking van deze deelvragen vindt plaats binnen de kaders van het
€ 5 miljoen te reserveren voor uitvoering van in het IHP opgenomen huis-
IHP. In deze rapportage wordt verslag gedaan van de resultaten van het
vestingsprojecten. Vanwege voor de raad nog onvoldoende planvorming
onderzoek. In de volgende hoofdstukken wordt achtereenvolgens inge-
heeft zij niet ingestemd met dit voorstel. De raad heeft bij de behandeling
gaan op de onderwijsambitie en onderwijsvisie van de gemeente en Por-
van de Kadernota 2024 een aanvullende motie aangenomen waarin zij het
tuur/het Assink lyceum (2), de financiële aspecten van de realisering van
college verzoekt om in overleg te gaan met Stichting Portuur en Stichting
een unilocatie (3), het locatieonderzoek en de locatiekeuze (4) en de con-
Groot Scholtenhagen om de mogelijkheden van vervangende nieuwbouw
clusies met betrekking tot de financiële en ruimtelijke haalbaarheid (5).
voor het Assink lyceum, in combinatie met een sport en zwembad, op of
5
bij Park Scholtenhagen te onderzoeken. Deze vraag dient onderzocht te
Het onderzoek naar de financiële en ruimtelijke haalbaarheid heeft in een
worden met inachtneming van het IHP en de reeds eerder uitgevoerde
korte periode plaatsgevonden door een breed samengesteld project-
groep vernieuwing huisvesting het Assink lyceum. Deze snelheid van onderzoek was gewenst vanwege de doelstelling de uitkomsten van het onderzoek te betrekken bij de planning van de Kadernota 2025, waarvan de behandeling in het college van B&W medio april 2024 plaatsvindt. De projectgroep vernieuwing huisvesting HAL kende de volgende samenstelling:
6
•
Marianne Heijting, HAL/Portuur
•
Danny Meinema, HAL/Portuur
•
Koert Klevant Groen, ICS/Portuur
•
Hans Voorberg, ICS/Portuur
•
Lora Balci, gemeente Haaksbergen
•
Erwin Hendriksen, gemeente Haaksbergen
•
Daniëlle Huirne, gemeente Haaksbergen
•
Sharon Stapelbroek, gemeente Haakbergen
•
Milou Menzing, gemeente Haaksbergen
•
Hugo Bosma, gemeente Haaksbergen
•
Krijno van Vugt, M3V/gemeente Haaksbergen
2 Onderwijsambitie en -visie gemeente en Portuur/HAL
7
2. Onderwijsambitie en -visie gemeente en Portuur/HAL 2.1 Ambitie gemeente en het Assink lyceum
toekomstgerichte leer- en werkomgeving.
De gemeente heeft in het verleden in de “Visie Haaksbergen 2030” de am-
Het Assink Lyceum in Haaksbergen is een inspirerende en uitdagende
bitie uitgesproken een bruisende dorpsstad met een hoog voorzieningen-
leeromgeving waar jongeren elkaar op een open en fijne manier kunnen
niveau te willen blijven. In deze visie streeft de gemeente naar een hoog
ontmoeten en met elkaar kunnen en willen leren. Het Assink lyceum is zich
voorzieningenniveau, waarbij zij onderwijs, zorg, sportvoorzieningen en
zeer bewust van haar maatschappelijke positie in de gemeente Haaksber-
culturele voorzieningen zien als sterke punten. In het coalitieakkoord 2022
gen. Het is voor de inwoners van Haaksbergen, de lokale economie en de
– 2026 “Meer voor mekaar” wordt dit voor wat betreft het onderwijs nog-
leefbaarheid belangrijk dat Haaksbergen een middelbare school behoudt.
maals onderstreept. “Goed onderwijs is een uitgangspunt waar we in
De leerlingen zijn de toekomst van Haaksbergen en door allerlei onder-
Haaksbergen voor gaan”, aldus het akkoord. In het coalitieakkoord is het
wijsactiviteiten verbonden met het verenigingsleven, bedrijven en maat-
Assink lyceum expliciet opgenomen. Aangegeven is dat zal worden onder-
schappelijke instellingen. Ze brengen levendigheid in het dorp en impul-
zocht op welke manier goede huisvesting voor het Assink lyceum gereali-
sen tot ontwikkeling en allerlei activiteiten die bijdragen aan verbinding en
seerd kan worden en dat er wordt ingezet op verbouw en verbetering van
noaberschap.
het Assink lyceum.
Het is dan ook heel fijn om in het coalitieakkoord te lezen dat de gemeenDe gemeente wil met goede onderwijsvoorzieningen een aantrekkelijke
teraad dat ook vindt. Daar staat namelijk: “Goed onderwijs is een uitgangs-
gemeente blijven voor gezinnen en bedrijven. Onderwijs wordt gezien als
punt waar we in Haaksbergen voor gaan. Zowel voor basis- als voortgezet
een belangrijke vestigingsfactor. In de ontwikkeling van Haaksbergen wil
onderwijs is de gemeente verantwoordelijk voor goede huisvesting.”
de gemeente vooral duurzame keuzes maken. In de toekomstvisie wordt
Naast het coalitieakkoord is ook in het Integraal Huisvestingsplan uit 2022
uitgesproken dat duurzaamheid, circulaire economie, klimaatneutraliteit
en in de intentieovereenkomst van januari 2024 te zien dat de gemeente
belangrijke speerpunten van beleid zullen zijn.
dit serieus neemt. Die verantwoordelijkheid is wat de school en de gemeente bindt; beide willen ze graag dat het Assink Lyceum in staat blijft
Deze ambitie met betrekking tot het Assink lyceum is in het verleden ook
om goed onderwijs te bieden. En daarvoor is goede huisvesting onont-
steeds vertaald in de zogenaamde “Lokale Samenwerkings Agenda”,
beerlijk.
waarin voor het Assink lyceum de doelstelling is geformuleerd dat zij zich positioneert als lokaal onderwijsinstituut in een ondernemende gemeen-
2.2 De kernwaarden van het Assink lyceum
schap. De verbinding met de maatschappelijke omgeving - bedrijfsleven,
8
cultuur en sport – is daarin steeds als erg belangrijk gezien waarbij de fy-
Op het Assink lyceum wordt ‘gewoon goed onderwijs’ aangeboden voor
sieke leer- en werkomgeving daarbij de transitie naar vervolgonderwijs
de talentontwikkeling van de leerlingen. Dit doet het Assink lyceum vanuit
moet ondersteunen en het beeld van de maatschappelijke (toekomstige)
de volgende kernwaarden.
werkelijkheid versterken. Dit vraagt een functionele, eigentijdse en ook
Warm
Positief
Het Assink lyceum maakt deel uit van de lokale gemeenschap. Ons onder-
Op het Assink lyceum maken we samen de school. We gaan voor onze
wijs is van betekenis voor onze leerlingen, maar ook voor onze dorpen.
keuzes. We willen podium geven aan positiviteit en daadkracht. Binnen
Vanuit dit noaberschap wordt eenieder gezien en gekend. Dit uit zich in
kaders is er volop ruimte voor eigenaarschap van medewerkers en leer-
een warme, dorpse sfeer, die leerlingen, ouders en medewerkers waarde-
lingen. Overal waar je interesse in hebt, kun je van leren! De mogelijkhe-
ren. Het Assink Lyceum is betrokken met haar omgeving en zoekt volop de
den om je (op maat) te verdiepen in je talenten en interesses zijn er bij As-
verbinding tussen het onderwijs en het (lokale) werkveld en dat zorgt voor
sink Lyceum volop. We zijn trots op wie we zijn en wat we te bieden heb-
korte lijntjes.
ben.
Gedreven
Deze kernwaarden geven richting aan onze identiteit en dagelijks hande-
Op het Assink lyceum gaan onze medewerkers een stap verder dan het
len. De kernwaarden staan niet los van elkaar, maar zijn met elkaar verbon-
bieden van gewoon goed onderwijs. Met plezier en gedrevenheid stomen
den. De ene kernwaarde kan niet zonder de andere. Kernwaarden laten
we leerlingen klaar voor de toekomst. Onze medewerkers krijgen energie
zien waar we elkaar op aanspreken en waar anderen ons op mogen aan-
van het bezig zijn met hun vak. Ze komen met ideeën en initiatieven om
spreken.
het onderwijs te verbeteren. Ze zijn enthousiast en betrokken bij de leerlingen.
2.3 Talentgericht Onderwijs
Persoonlijk
In de ontwikkeling en invoering van Talentgericht Onderwijs (TO) hebben
Leraren denken mee vanuit het perspectief van de leerling, vanuit de op-
de kernwaarden in de afgelopen periode al vorm en inhoud gekregen. Er
rechte ambitie om het voor hen zo goed mogelijk te doen en hen verder
wordt in TO gewerkt in verschillende teams waarin een groep docenten
te brengen. Iedere leraar is mentor, zodat zij écht met hun leerlingen aan
verantwoordelijk is voor een bepaalde doelgroep leerlingen. In het onder-
de slag kunnen vanuit een persoonlijke benadering. Leerlingen worden
wijsconcept van het Assink lyceum komen onderwijs en maatschappij sa-
uitgedaagd om te ontdekken waar hen interesses en passies liggen. Er
men in een realistische, ‘echte’ omgeving, waarbij de school dient als
kunnen combinaties gemaakt worden die ergens anders niet kunnen.
broedplaats en uitvalsbasis voor de leerlingen. In deze broedplaats wordt nieuwsgierigheid gestimuleerd en leren de leerlingen van en met elkaar.
Gedegen
Meer dan in het verleden nemen de leerlingen verantwoordelijkheid voor
Het Assink lyceum wil koersvast zijn in het bieden van gewoon goed on-
hun eigen leerproces en voeren de leerlingen de regie over hun eigen
derwijs met daarin maatwerk. We bepalen in samenspraak wat we willen
leven en wordt de eigen lat hoger gelegd.
en zetten dat gedegen neer. Dit is niet vrijblijvend: iedereen doet mee. Dat maakt ons betrouwbaar: we doen wat we zeggen.
Talentgericht Onderwijs is het fundament voor ons onderwijs. Ons onderwijs krijgt vorm door een breed en flexibel aanbod met diverse keuzemogelijkheden om te verdiepen, te verbreden, te vertragen en te versnellen. Hiervoor is in het lesrooster sprake van basistijd, stamtijd, ateliertijd en
9
toptijd. TO is uitdagend, activerend en afgestemd op de ontwikkelingsfa-
Vertaald naar huisvesting betekent dit het volgende;
sen en -behoeften van de leerlingen en krijgt vorm door gedifferentieerde
•
een stevige samenwerking met het bedrijfsleven, wat fysieke nabij-
activiteiten waaronder ook vaklessen, colleges, projecten, workshops,
heid bij het bedrijfsleven met zich meebrengt. Ligging van de
masterclasses, etc. met daarin dus ook een versterkte koppeling van het
school nabij een bedrijventerrein is een pré;
onderwijs van het Assink lyceum met de omgeving (leren binnen en buiten
•
een Technocentrum voor Technasium en STO, in samenwerking met
krijgt meer prioriteit). Daarnaast is er de wens meer praktijk aan te bieden
het bedrijfsleven. Mogelijk gehuisvest in het schoolgebouw, maar
in ons onderwijs, op alle niveaus. Concreet krijgt dit al vorm in de ontwik-
vanwege de eisen aan het Technocentrum zou een ligging nabij de
keling van de praktijkhavo, maar dit willen we verder uitbouwen naar het atheneum en gymnasium. Dit vraagt om praktijkruimtes in, of nabij de
school op een bedrijventerrein logisch zijn; •
school (denk bijvoorbeeld aan het bedrijfsleven).
volop ruimte om te bewegen; onze sportlijn vraagt om voldoende sportzalen en waar mogelijk ligging op of naast buitensport;
•
situering in de dorpskern, of aan de rand daarvan, zodat samenwer-
TO vraagt ook een andere ruimtelijke omgeving dan de veelal traditionele
king met De Kappen, primair onderwijs en andere maatschappelijke
opzet waarbij sprake is van gangen en lokalen. Er zijn ruimtesoorten en
organisaties verder kan worden uitgebouwd en dit goed te bereizen
voorzieningen nodig die ruimte bieden aan verschillende vormen van on-
is vanuit onze school;
derwijs en de mogelijkheid om te differentiëren met voldoende bewe-
•
anderzijds zou een afstand tot het centrum, net iets groter dan de
gingsruimte voor sociale functies. De leer- en werkomgeving moet uitnodi-
huidige plek van de locatie Bouwmeester, waardoor er geen “loop”
gend en uitdagend zijn voor TO. Omdat in TO wordt gewerkt in verschil-
meer is naar het centrum in pauzes en tussenuren, bijdragen aan het
lende domeinen waarin leraren verantwoordelijk zijn voor een bepaalde
vergroten van veiligheid voor leerlingen en verminderen van over-
doelgroep leerlingen moet de leer- en werkomgeving ook zo ingericht zijn
last voor winkels;
dat een team bij elkaar werkt in het gebouw in een omgeving van onder
•
een campus waar het Assink lyceum onderdeel uitmaakt van een
andere groepsruimten, project- en gespreksruimtes, werkplekken voor
levendige, groene omgeving, nabij andere organisaties zoals sport,
individueel leren en werken in kleine groepjes en praktijkruimtes. Ontmoe-
bedrijfsleven, etc.
ten, leren en werken vindt in één omgeving plaats. Veiligheid, gezien worden en de leerling centraal zijn hierin belangrijke uitgangspunten.
In het memo aan de gemeenteraad van 27 februari 2024, waarin de onderzoeksvraag nader is geconcretiseerd, is aangegeven dat het functioneel,
10
Op het Assink lyceum bieden we ‘gewoon goed onderwijs’. We zijn trots
ruimtelijk en technisch Programma van Eisen van het lesgebouw inzichte-
op de gedreven manier waarop onze medewerkers op diverse plekken in
lijk moet worden gemaakt. Hierin dient ook rekening te worden gehouden
de school werken aan de talentontwikkeling van onze leerlingen. Voor-
met het Bouwbesluit en duurzaamheidsambities. In de genoemde scena-
beelden zijn: bewegen, sport en maatschappij in de havo bovenbouw, een
riostudie uit 2017 is reeds een eerste huisvestingsconcept opgesteld (zie
tweejaarlijkse schoolbrede musical en aandacht voor techniek in het
hoofdstuk 5 scenariostudie 2017). Een groot aantal uitgangspunten hierin
vmbo. We geven vorm en inhoud aan drie schoolbrede talentlijnen op het
is nog steeds actueel (zoals hierboven reeds benoemd daar waar het gaat
gebied van sport, techniek en kunst & cultuur. Zo laten we aan onze omge-
om de omslag naar een meer gedifferentieerde leer- en werkomgeving),
ving zien waar we speciaal in zijn en laten we plezier en onderwijs hand in
maar zal na besluitvorming geactualiseerd worden op basis van de dan
hand gaan.
geldende uitgangspunten waaronder de ruimtelijke kaders wat betreft
op te stellen technisch programma van eisen hier meer onderzoek naar te
ruimtebudget en locatie. Het ruimtebudget is het normatief aantal m bru-
worden gedaan. Dit technische programma van eisen en als onderdeel
to vloeroppervlakte waarop het Assink lyceum op basis van de gemeente-
hiervan de duurzaamheidsambities worden na besluitvorming over de
lijke verordening voorzieningen onderwijs recht heeft. In het IHP is dit in
unilocatie opgesteld. Onderwerp van overleg vormt dan ook de eventuele
en na overleg met het Assink lyceum vastgesteld op 1.000 leerlingen en
bijdrage van Portuur/het Assink lyceum in de realisering van de duurzaam-
een daarmee corresponderend ruimtebudget van 7.000 m2 BVO voor het
heidsambities vanuit het uitgangspunt dat het realiseren van een hogere
lesgebouw. Conform de wet- en regelgeving is het een schoolbestuurlijke
gebouwkwaliteit exploitatievoordelen kan hebben voor Portuur/het Assink
verantwoordelijkheid en -bevoegdheid om binnen deze ruimtelijke kaders
lyceum.
2
een passend huisvestingsconcept te realiseren.
2.4 Technasium & Technocentrum Daar waar het gaat om de duurzaamheidsambities geldt dat een vervangende nieuwbouw zal moeten voldoen aan de geldende technische eisen
Het Assink lyceum heeft de ambitie een sterke verbinding te leggen met
met betrekking tot duurzaamheid (o.a. de doelstellingen van het Klimaat-
het (lokale) bedrijfsleven; het Assink lyceum wil zich positioneren als lokaal
akkoord). In de nieuwbouw van het Assink lyceum zal hier dan ook reke-
onderwijsinstituut in een ondernemende gemeenschap. Hiertoe krijgt
ning mee moeten worden gehouden. Dit betekent dan o.a. dat de ambi-
techniek een belangrijk rol en plaats in het onderwijsconcept van het As-
ties hoger zijn dan het huidige Bouwbesluit voorschrijft. Zo geldt op dit
sink lyceum (naast de profilering op het gebied van sport en cultuur). Voor
moment dat nieuwe voorzieningen bijna energieneutraal (BENG) zijn, in-
de profilering op het gebied van techniek heeft de school de ambitie een
houdende dat 50 % van de installatie gebonden energiebehoefte niet
Technocentrum te realiseren waarin onderwijs en bedrijfsleven samen-
door middel van fossiele brandstoffen mogen worden opgewekt. Een keu-
komt. Voor een deel zal dit binnen het ruimtebudget van het Assink lyce-
ze voor energieneutraliteit betekent dat voor alle gebouw gebonden ener-
um kunnen of moeten worden vormgegeven omdat het onderdeel is van
giebehoefte voorzien moet worden door middel van duurzame energie-
het onderwijsconcept, voor een deel zal sprake zijn van aanvullende voor-
bronnen (bijvoorbeeld zonne-energie). Dit vraagt ‘aan de voorkant’ veelal
zieningen die geen onderdeel zijn van het ruimtebudget van het Assink
meer investeringen om deze duurzaamheidsambities te bereiken.
lyceum en de hiervoor eventueel beschikbare financiële middelen. Aanvullende financiering voor eventuele extra m2 BVO moet extern gerealiseerd
Tegelijk is er ook Europees en landelijk de wens om meer circulair te ont-
worden. De tijdspanne voor het voorliggende onderzoek is te kort
werpen en te bouwen vanwege een toenemende schaarste van grondstof-
(gebleken) om hierover definitieve uitspraken te doen. Eventuele partici-
fen, maar ook de maatschappelijke opgave materialen te hergebruiken.
patie van derden in een Technocentrum is ook in sterke mate afhankelijk
De vernieuwing van het Assink lyceum kan hierin ook een voorbeeldfunc-
van het wel of niet realiseren van een nieuwe unilocatie. Na besluitvorming
tie vervullen en passend zijn bij de missie en visie van het Assink lyceum
over de realisatie van een unilocatie zal verder overleg plaatsvinden tussen
wat betreft duurzaamheid. Het gebouw kan dan ook onderwijskundig van
Portuur/het Assink lyceum en gemeente met derden (o.a. bedrijfsleven)
betekenis zijn op dit gebied. Omdat het circulair ontwerpen en bouwen
over de realisering van aanvullende voorzieningen voor een Technocen-
zich nog in de pioniersfase bevindt, kunnen hier nog geen financiële voor-
trum.
delen aan verbonden worden. In een vervolgfase dient op basis van een 11
Vooralsnog zal het Assink lyceum in het huisvestingsconcept van de unilo-
dat zij o.a. les moeten geven en sportdagen & toernooien organiseren le-
catie binnen de kaders van het ruimtebudget ruimte creëren voor de profi-
ren zij om voor een groep te staan. Bewegen wordt gebruikt als middel
lering op het gebied van techniek. Dit vindt plaats door de realisatie van
gebruiken om allerlei competenties te ontwikkelen. Tegelijkertijd draagt
een zogenaamd Technasium, waarmee het leerlingen HAVO en VWO en-
deze talentlijn bij aan de verbinding met onze omgeving: met sportvereni-
thousiasmeert voor techniek en hen voorbereid voor bèta technische stu-
gingen, het primair onderwijs, zorginstellingen, doordat leerlingen zich na
dies. Hiertoe krijgen de leerlingen vanaf leerjaar 1 het vak Onderzoek en
een EHBO-cursus aanmelden als burgerhulpverlener. Het heeft een enor-
Ontwerpen (O&O) waarin veelal met behulp van techniek en technologie
me meerwaarde wanneer onze huisvesting direct in verbinding staat met
moeten worden opgelost. Deze opdrachten komen van echte opdrachtge-
sportfaciliteiten en binnen- en buitensport in nabijheid van onze onder-
vers die een probleem hebben. Door de invoering van het vak O&O i.c. de
wijslocatie.
vormgeving van het Technasium wil het Assink lyceum ook een sterke verbinding leggen met het lokale (en/of regionale) bedrijfsleven.
2.6 Kunst & cultuur
Na positieve besluitvorming over de nieuwe unilocatie zal het Assink lyce-
Het Assink lyceum kiest ervoor zich te profileren op het gebied van kunst
um in overleg met de gemeente en het bedrijfsleven de kansen en moge-
en cultuur, door extra activiteiten in samenwerking met culturele partners
lijkheden van het ‘uitbouwen’ van het Technasium tot een Technocentrum,
aan te beiden en leerlingen hun talenten op het gebied van kunst en cul-
als ontmoetings- en broedplaats van onderwijs, overheid en bedrijfsleven,
tuur te laten ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is onze tweejaarlijkse
verder uitwerken. Het is van belang dat de locatie en de andere kaders
schoolmusical, die we komend jaar opvoeren voor leerlingen, ouders, sta-
daarom ruimte bieden om deze keuze nog te kunnen maken.
keholders maar ook partners en belangstellenden uit onze omgeving. Leerlingen kunnen kiezen voor het vak muziek en drama, waar een open-
2.5 Sport & bewegen
baar schoolexamen wordt afgenomen, mooie avonden voor ouders van leerlingen, maar ook andere belangstellenden uit het dorp. Daarnaast is er
Sport en bewegen is een talentlijn waarbij we het bewegen met zijn theo-
een samenwerking met Kunstkring de Kappen, wat zich concreet vertaalt
retische aspecten gebruiken om allerlei competenties te ontwikkelen. Op
in een voorstelling in het voorjaar van 2025 voor onze leerlingen in De
dit moment bieden we in de havo bovenbouw Bewegen, Sport en Maat-
Kappen.
schappij met een openbaar schoolexamen als afsluiting.
Leerlingen die deze talentlijn volgen ervaren veel positieve aspecten. Door de beweegtijd is het een goede afwisselingen met de theorievakken op school waar leerlingen veelal stilzitten. Doordat leerlingen veel moeten samenwerken, leren ze elkaar nog beter kennen. Dit zorgt voor een fijn groepsgevoel. Leerlingen hebben elkaar nodig om iets te kunnen organiseren en te kunnen bereiken. Daarvoor moeten ze goed kunnen samenwerken. Leerlingen leren voor een groep te staan en te organiseren door-
12
3 Kosten/financiën nieuwbouw unilocatie HAL
13
3. Kosten/financiën unilocatie HAL 3.1 Algemeen In het in december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld IHP zijn de stichtingskosten van de vervangende nieuwbouw geraamd op € 26.250.000. Deze raming is gebaseerd op een kengetal van € 3.750 per m2 BVO aan stichtingskosten (€ 3.750 x 7.000 m2 BVO). Dit kengetal is
gebaseerd op destijds aan de orde zijnde aanbestedingsresultaten. De stichtingskosten omvatten de bouw- en installatiekosten (directe kosten het lesgebouw te realiseren), de bijkomende kosten (advisering, architect, projectmanagement, diverse onderzoeken, bestemmingsplanprocedure, onvoorzien e.d.) en btw. Met de stichtingskosten dient het lesgebouw gerealiseerd te worden alsmede de inrichting van de buitenruimte van de onderwijslocatie. De eventuele grondkosten (kosten gemeente) staan hierbuiten evenals de inrichting, meubilair (kosten het Assink lyceum). In de begroting van de gemeente zijn echter nog geen middelen opgenomen of beschikbaar voor de vernieuwing van het Assink lyceum. In de projectorganisatie (projectgroep nieuwbouw het Assink lyceum) is nogmaals gekeken naar bovenstaand financieel uitgangspunt. Geconcludeerd is dat op basis van de huidige kennis van de bouwmarkt bovenstaand uitgangspunt nog steeds actueel is en er uit kan worden gegaan van een totale raming van (circa) € 26.250.000 voor de nieuwbouw van een unilocatie. Ter voorkoming van onduidelijkheid over hetgeen gerealiseerd moet worden met dit stichtingskostenbudget is bijgevoegde demarcatielijst besproken en vastgesteld in de projectgroep nieuwbouw het Assink lyceum (bijlage 2).
In deze demarcatielijst is aangegeven welke aspecten van de nieuwbouw unilocatie onderdeel uitmaken van het stichtingskostenbudget (kolom gebouw) en welke aspecten aanvullend gefinancierd moeten worden (kolom inrichting).
14
In de raming van de stichtingskosten is geen rekening gehouden met
I.
Een scenario waarin er geen sprake is van eenmalige bijdragen en
indexering de komende jaren (uitgegaan is van het prijspeil is 1-1-2024).
derhalve ‘aftopping’ van het totale stichtingskostenbedrag. In dit
Gezien de huidige ontwikkelingen in de bouwmarkt (stabilisering) wordt
scenario moet de volledige investering ter hoogte van € 26.250.000
in het kader van dit onderzoek vooralsnog uitgegaan van een stichtings-
gefinancierd worden door middel van een lening.
kostenraming van € 26.250.000 voor de nieuwbouw van een unilocatie
II.
Een scenario waarin uitgegaan is van een verlaging van het stich-
van circa 7.000 m BVO. Het is complex aan te geven in welke mate de
tingskostenbedrag met een eenmalige bijdrage van € 5 miljoen
stichtingskosten zullen stijgen wanneer vervangende nieuwbouw langer
conform het voorstel dat het college heeft gedaan bij de bespre-
op zich laat wachten. Duidelijk is wel dat voor de school de huidige kos-
king van de jaarrekening 2022 (voorstel om incidenteel € 5 miljoen
ten voor de exploitatie zeer ongunstig zijn (energie, schoonmaken, mate-
te reserveren voor projecten in het IHP). Het bedrag dat aanvullend
riele exploitatie) en dat uitstel opnieuw een beslag leggen op middelen
gefinancierd moet worden bedraagt in dit scenario € 21.250.000
die anders voor het onderwijs kunnen worden ingezet.
(met dien verstande dat met de eenmalige bijdrage de volledige
2
financiering van de gemeente komt). In de projectorganisatie is in het kader van dit haalbaarheidsonderzoek
III.
Een scenario waarin aanvullend op scenario b gerekend wordt met
op basis van bovenstaande (indicatieve) raming van de stichtingskosten
een restwaarde van 10 %. In dit scenario wordt er jaarlijks minder
uitvoerig onderzoek gedaan naar de diverse financiële aspecten en/of
afgeschreven vanuit de gedachte dat er op het einde van de levens-
‘knoppen’ ter vergroting van de haalbaarheid. In dit hoofdstuk wordt
duur nog sprake is van restwaarde van de voorziening door de aan-
hiervan verslag gedaan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op een drie-
wezigheid van her te gebruiken materialen (ook in dit scenario blijft
tal financiële scenario’s (3.2), eventueel aanvullende middelen (3.3), op-
sprake van volledige gemeentelijke financiering).
brengsten af te stoten locaties (3.4), synergie-effecten door combinatie functies en standaardisering (3.5) en conclusies financiële haalbaarheid
In de scenario’s II en III worden de te financieren stichtingskosten verlaagd
(3.6).
hetgeen positieve effecten heeft op de jaarlasten; deze worden vanzelfsprekend verminderd hetgeen een positief effect heeft op de gemeentelij-
3.2 Financiële scenario’s
ke begroting en jaarlasten. Anderzijds is wel sprake van eenmalige financieringen door de gemeente, waardoor in alle drie de scenario’s sprake
Op basis van de raming van de stichtingskosten zijn meerdere scenario’s
blijft van gemeentelijke financiering.
financieel verkend door de projectorganisatie. Deze scenario’s varieer-
15
den in de mate waarin eenmalig of incidenteel de geraamde stichtings-
Ook zijn de effecten in beeld gebracht wanneer afgeweken worden van
kosten verlaagd kunnen worden door het beschikbaar stellen van eenma-
het vigerende financieel beleid. Het gaat hier met name om de mogelijk-
lige bedragen i.c. sparen in de komende jaren waardoor de structurele
heid de afschrijvingstermijnen te wijzigen van 40 jaar naar 60 jaar. Dit
jaarlasten (kapitaallasten) voor de gemeente Haaksbergen verminderd
vraagt echter aanvullend financieel beleid en besluitvorming van de ge-
kunnen worden tot een scenario waarbij ook rekening wordt gehouden
meente Haaksbergen om hiervan af te wijken. Een eventuele langere af-
met een restwaarde. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende
schrijvingstermijn dient dan ook toegepast te worden op al het overige
drie scenario’s:
maatschappelijke vastgoed van de gemeente.
Daarnaast wordt het effect in beeld gebracht indien er nog meer aanvul-
In scenario I is geen rekening gehouden met een eenmalige ‘aftopping’
lende middelen incidenteel of eenmalig beschikbaar zijn. Beschreven is
van de stichtingskosten. Indien sprake is van stichtingskosten ter hoogte
wat het effect is op de jaarlijkse kapitaallasten indien de eenmalige bij-
van € 26,25 miljoen zijn de kapitaallasten binnen het huidige gemeente-
dragen worden verhoogd met € 1 miljoen (met andere woorden als er als
lijk financiële beleid € 1,575 miljoen in jaar 1 (het eerste jaar na realisatie
het ware extra gespaard kan worden door de gemeente bovenop de
van de unilocatie). Wanneer de stichtingskosten eenmalig verlaagd kun-
reeds genoemde € 5 miljoen).
nen worden met € 5 miljoen bedragen de te financieren stichtingskosten € 21,25 miljoen. De kapitaallasten in jaar 1 bedragen dan € 1,275 miljoen
Hieronder zijn de drie scenario’s weergegeven daar waar het gaat om de
(scenario II). Indien gerekend kan worden met een restwaarde van het
verschillen in stichtingskosten en jaarlijkse kapitaallasten op basis van een
gebouw nemen de jaarlijkse kapitaallasten verder af naar circa
lineaire financiering van de eerste 5 jaar bij een 40- en 60-jarige afschrij-
€ 1.117.500 in het 1ste jaar (scenario III).
ving (in bijlage 3 is de totale ontwikkeling van de kapitaallasten van ieder scenario weergegeven, inclusief een overzicht indien wordt uitgegaan
Geconcludeerd kan worden dat met een eenmalige aftopping van de
van een annuïtaire financiering).
stichtingskosten en eventueel het kunnen werken met een restwaarde de jaarlijkse kapitaallasten verminderd kunnen worden. Het verschil tussen scenario I en II bedraagt in jaar 1 € 300.000, tussen scenario II en III circa € 150.000. Het de komende jaren ‘sparen’ loont en leidt tot een verlaging van de jaarlijkse kapitaallasten. Het betreft hier een financieringsvraag-
stuk voor de gemeente in welke mate zij eenmalig kan of wil bijdragen in de investering ten behoeve van het verlagen van de structurele jaarlijkse kapitaallasten. Er blijft echter sprake van volledige financiering door de gemeente in de scenario’s door een combinatie van een eenmalige bijdrage en structurele jaarlasten. N.B. Evenals het aanpassen van de looptijd van de afschrijvingsperiode kan het rekenen met restwaarde niet zomaar voor één project worden toe-
gepast. Het vraagt wijziging van financieel beleid en betekent bij toepassing van restwaarde dat voor diverse projecten de grondslagen gewijzigd moeten worden. Het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) geeft immers aan dat overheden op alle objecten dezelfde criteria dient toe te passen. Het BBV kent wel een uitzonderingsbepaling (artikel 64, lid 2) waarin wordt aangegeven dat slechts om gegronde redenen afschrijvingen mogen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. Dit 16
vraagt wijziging van beleid en goedkeuring van de accountant en de pro-
vincie. Voor de financiering van diverse projecten vindt door enkele gemeenten naar deze mogelijkheden en de mogelijkheden van het werken met restwaarden onderzoek plaats. De gemeente wacht deze ontwikkelingen verder af. −
Effect van verdere ‘aftopping’ stichtingskosten
Wanneer er sprake is van eenmalige c.q. incidentele bijdragen waardoor de te financieren stichtingskosten verminderd kunnen worden, nemen
vanzelfsprekend de jaarlijkse kapitaallasten verder af. Iedere extra miljoen euro die eenmalig ingezet kan worden betekent bij een 40-jarige lineaire financiering een vermindering van de jaarlast met € 60.000 in het 1ste jaar. Bij een 60-jarige lineaire financiering neemt de jaarlast in het 1ste jaar af met circa € 52.000. Indien door nadere besluitvorming over eventuele extra incidentele bijdragen uit de Algemene Reserve, dan wel door aanvullende externe middelen (bijdragen derden/bedrijfsleven, subsidies, cofinanciering Portuur/het Assink lyceum) de stichtingskosten ver-
der verlaagd kunnen worden, heeft dat voordelen in de structurele gemeentelijke jaarlasten. De in het bovenstaande overzicht en in bijlage 3
miljoen meer aan kapitaallasten betaald worden, in scenario II circa € 7,4 miljoen en in scenario III circa € 6,5 miljoen. Voor de jaarlijkse kapitaallasten betekent verlenging van de looptijd van de afschrijvingsperiode lagere jaarlasten c.q. kapitaallasten, voor de totale financieringskosten i.c. het totaal aan te betalen kapitaallasten betekent verlenging van de looptijd hogere kosten. Er wordt immers bij een looptijd van 60 jaar jaarlijks minder afgeschreven terwijl de rentelasten 20 jaar langer doorlopen. Naast bovenstaande financiële nadelen kan verlenging van de afschrijvingsperiode ook als nadeel hebben dat vernieuwing door middel van
staande kapitaalasten nemen dan verder af.
renovatie c.q. levensduurverlenging of vervangende nieuwbouw, waar-
In het overzicht op de vorige pagina zijn de kapitaallasten bij een 60-
voor al het maatschappelijk vastgoed. Het duurt langer voordat er sprake
jarige afschrijving ook weergegeven. Indien de looptijd van de financiering wordt gewijzigd van 40 jaar naar 60 jaar nemen de jaarlasten af in de eerste jaren. Door een lagere afschrijving gedurende de beginjaren, zal
de rentelast hoger blijven en hierdoor de kapitaallasten in de loop van de jaren dus ook hoger blijven. De verschillen in jaarlasten zijn in de onderste regels weergegeven en variëren van circa € 220.000 (scenario I) tot circa € 180.000 (scenario II) in jaar 1 van de afschrijving.
17
In scenario I moet bij een verlenging van de looptijd in totaal circa € 9,2
voor de gemeente verantwoordelijk is, in latere jaren complexer wordt is van (substantiële) vrijval van kapitaallasten die nodig kan zijn voor vernieuwing van het maatschappelijk vastgoed. Op het moment dat een gebouw (grotendeels of geheel) is afgeschreven, kunnen immers de begrote (structurele) kapitaallasten worden gebruikt voor vervangings- of vernieuwingsinvesteringen in het maatschappelijk vastgoed waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. −
Annuïtaire in plaats van lineaire financiering
Bij verlenging van de afschrijvingstermijn van 40 naar 60 jaar neemt ech-
Het huidige gemeentelijke beleid gaat uit van lineaire financiering. Dit
ter het totaal aan te betalen kapitaallasten toe over de gehele looptijd. In
betekent dat de jaarlasten in jaar 1 het hoogst zijn om vervolgens af te
onderstaand overzicht is dit weergegeven.
nemen in de verdere looptijd. Bij een annuïtaire financiering blijft de jaar-
lijkse kapitaallast gelijk. Deze kapitaallast ligt in de beginjaren van de aflossing lager dan de kapitaallast van een lineaire financiering. Echter het totaal aan kapitaallasten is bij een annuïtaire financiering hoger dan het totaal aan kapitaallasten van een lineaire financiering. In onderstaand overzicht is dit voor de drie scenario’s weergegeven.
In het overzicht is te zien dat de kapitaallasten in jaar 1 circa € 350.000 lager zijn bij een annuïtaire financiering dan bij een lineaire financiering. De totale te betalen kapitaallasten liggen circa € 4,1 miljoen hoger (scenario I). In scenario II liggen de kapitaallasten circa € 280.000 lager, maar wordt uiteindelijk circa € 3,3 miljoen meer aan kapitaallasten betaald. In scenario III liggen de kapitaallasten circa € 245.000 lager, maar wordt uiteindelijk circa € 2,9 miljoen meer aan kapitaallasten betaald. Annuïtaire financiering is in de eerste jaren ‘goedkoper’ in de jaarlasten, maar uiteindelijk kostbaarder in de gehele aflossingssom. Wanneer de twee vormen van financiering – lineair en annuïtair – met el-
kaar worden vergeleken, dan is bij een 40-jarige looptijd het ‘voordeel’ van een lagere jaarlast bij een annuïtaire financiering na het 16de aflossingsjaar voorbij, na dit 16de aflossingsjaar zijn de kapitaallasten van een lineaire financiering lager dan de jaarlijkse annuïteit. N.B. Het wijzigen van een lineaire in een annuïtaire financiering vraag ook wijziging van het financieel beleid van de gemeente. − 18
Rekenrentes/rentepercentages
In het onderzoek is ook gekeken naar mogelijkheden de gehanteerde
rekenrentes aan te passen. Zo is in het verleden gesproken over projectfi-
Volgens de zogenaamde BBV-regels (Besluit begroting en verantwoor-
nanciering. Onderzoek heeft aangetoond dat met de huidige renteper-
ding provincies en gemeenten) geldt als algemeen geldende regel dat
centages hier geen voordelen zijn te behalen. Ook voor projectfinancie-
de gebruiksduur van een gebouw gelijk is aan de verwachte economi-
ring is sprake van percentages tussen de 3,5 en 4,5 %.
sche levensduur (artikel 64, lid 3 BBV). Op grond hiervan dient jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de ver-
Daarnaast is ook onderzocht in hoeverre er op basis van duurzaamheids-
wachte toekomstige gebruiksduur. Indien een restwaarde wordt bepaald,
ambities mogelijkheden zijn voor ‘goedkopere’ leningen. Het beleid in
mag ook geen rekening worden gehouden met voorgenomen, dus nog
deze geeft weinig mogelijkheden op dit moment. De verwachting is dat
niet besloten, toekomstige bestemmingswijzigingen. De restwaarde
dit wel belangrijker wordt in de toekomst, maar op welke wijze en in wel-
moet op basis van het huidige BBV dus bepaald worden op basis van de
ke omvang is nu nog niet bekend. De eventuele rentevoordelen zijn be-
functie van de voorziening. Dit betekent dat de vraag gesteld moet wor-
perkt en volgens de verwachting maken deze een verschil van tienden
den welke restwaarde een school heeft als deze niet meer als school
van procenten (een tiende procent leidt tot verlaging van de kapitaallas-
wordt gebruikt. Niet ondenkbeeldig is dat door schaarste aan materialen
ten met circa € 25.000 in het 1
hierover in de toekomst anders tegen aan wordt gekeken.
ste
jaar). Op dit moment heeft de projector-
ganisatie hier niet verder onderzoek naar gedaan gezien de geringe impact op de stichtings- en kapitaallasten. In een vervolgtraject kan dit ver-
Het werken met restwaarde kan op de korte termijn voordelen opleveren
der onderzocht worden.
omdat op een bepaald percentage van de stichtingskosten niet wordt afgeschreven. Daarmee wordt wellicht voor de korte termijn financiering
−
Restwaarde en circulariteit
eerder haalbaar. Op de korte termijn zorgen minder afschrijvingslasten
In scenario III is gerekend met een restwaarde van 10 %. In het huidige
voor minder druk op de begrotingsruimte, maar worden vraagstukken
gemeentelijk financieel beleid worden de investeringen conform het BBV
met betrekking tot renovatie c.q. levensduurverlenging en/of vervangen-
afgeschreven naar € 0. Er is geen sprake van restwaarde, behoudens de
de nieuwbouw, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, in de toe-
grondwaarde (op de grond van gemeentelijk c.q. maatschappelijk vast-
komst complexer omdat er nog steeds lasten rusten op een gebouw (en
goed wordt veelal niet afgeschreven). Door het toepassen van een rest-
bij een looptijd van 60 jaar gedurende een lange periode) en er derhalve
waarde worden de jaarlasten verminderd. Vanuit circulariteit gedacht kan
minder vrijval is in kapitaallasten voor vernieuwing.
gesteld worden dat door hergebruik van materialen er een restwaarde is.
Zoals reeds genoemd, vindt door een aantal gemeenten hier reeds on-
3.3 Aanvullende middelen (subsidies, bijdragen derden, cofi-
derzoek naar vanuit de maatschappelijke doelstelling dat hergebruik van
nanciering Portuur)
materialen belangrijk is. Het vraagt echter het herzien van veelal bouwprocessen waarin hergebruik van materialen nog niet aan de orde was.
De projectorganisatie heeft de mogelijkheid van aanvullende middelen
Daar waar nu veelal onderdelen van de installatie letterlijk in beton gego-
en/of opbrengsten verkend. Op hoofdlijnen betreffen dit enerzijds subsi-
ten zijn, vraagt circulariteit en hergebruik van materialen dat deze op een
dies, bijdragen van derden (bedrijfsleven, verhuur) en cofinanciering
andere wijze worden verwerkt in voorzieningen. Niet bekend is in hoever-
door Portuur/het Assink lyceum.
re dit kan met gelijkblijvende kosten. In de verdere planuitwerking vormt 19
dit echter een belangrijke ambitie en uitgangspunt.
−
Subsidiemogelijkheden
een indicatie te verkrijgen van de eventuele bijdragen van derden in de
Subsidiemogelijkheden voor onderwijshuisvesting zijn zeer beperkt tot
vernieuwing van de onderwijshuisvesting van het Assink lyceum. Daarbij
niet aanwezig. In het kader van verduurzaming zijn subsidies beschikbaar,
is de projectorganisatie van mening dat indien sprake is van bijdragen
maar deze hebben betrekking op bestaande gebouwen (o.a. Specifieke
van derden deze vooral betrekking zullen hebben op aanvullende voor-
uitkering ventilatie in scholen/SUVIS, subsidieregeling Duurzaam Maat-
zieningen zoals het Technocentrum. Daarmee wordt niet zozeer aanvul-
schappelijk Vastgoed/Dumava). Voor nieuwbouw wordt er immers vanuit
lende dekking gevonden voor de stichtingskosten van het nieuwe lesge-
gegaan dat in de nieuwbouw de duurzaamheidsmaatregelen zijn opge-
bouw i.c. de unilocatie, maar dekking voor extra faciliteiten.
nomen die o.a. voortkomen uit o.a. het Klimaatakkoord Parijs 2015. Doel van dit akkoord is de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2, terug te
Een eerste verkenning van het Assink lyceum onder het lokale bedrijfsle-
dringen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 gra-
ven over de onderwijsvisie en -ambitie van de school met betrekking tot
den, met 1,5 graad als streefwaarde. In Nederland hebben daarom alle
de profilering op het gebied van techniek leidt echter tot positieve reac-
betrokken partijen, te weten overheden, bedrijfsleven en maatschappelij-
ties. Het lokale bedrijfsleven hecht belang aan deze profilering van het
ke partijen gezamenlijk het nationale Klimaatakkoord gesloten, dat be-
Assink lyceum. In de komende tijd worden verdere initiatieven van het
oogt de energievoorziening van Nederland duurzamer te maken
Assink lyceum en Portuur op dit terrein ondernomen om de relatie met
(jaarlijkse besparing van het energieverbruik van gemiddeld 1,5 procent
het bedrijfsleven te versterken.
per jaar). Hiertoe gelden voor alle nieuwbouw vanaf 1 januari 2021 nieuwe eisen. Alle gebouwen in Nederland, inclusief schoolgebouwen, die
−
dan nieuw gebouwd worden, dienen een Bijna Energie Neutraal Gebouw
In het recente verleden heeft Portuur/het Assink lyceum aangegeven de
oftewel BENG te zijn. Hiervoor zijn de eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving reeds aangescherpt. In die zin is duurzaamheid een impliciet onderdeel van vervangende nieuwbouw van gebouwen en richt het subsidiebeleid zich vooral op de verduurzaming van de bestaande gebouwen. Ondanks schijnbaar beperkte mogelijkheden aanvullende subsidies te
verkrijgen voor vervangende nieuwbouw adviseert de projectorganisatie om na besluitvorming verder onderzoek hiernaar te doen (uitvoering subsidiescan, overleg subsidiebureau Provincie, Energiefonds Overijssel e.d.). −
benodigde investeringen voor de aanpassing van de locatie Bouwmeester bij voorkeur te willen doen in de vervangende nieuwbouw van een unilocatie indien versnelling haalbaar is. Indicatief werd uitgegaan van een bijdrage van circa € 2 miljoen in de nieuwbouw van een unilocatie. Nu versnelling vooralsnog niet haalbaar is, moet Portuur/het Assink lyceum de nodige aanvullende aanpassingen doen voor circa € 2 à € 3 miljoen aan de locatie Bouwmeester zodat deze met ingang van het school-
jaar 2025 – 2026 alle leerlingen van de huidige beide locaties kan huisvesten. Een aanvullende eigen bijdrage in de realisering van een nieuwe unilocatie is om deze reden nu niet meer haalbaar voor Portuur/het Assink lyceum tenzij deze daadwerkelijk gekoppeld kan worden aan een
Bijdragen derden (bedrijfsleven)
Zoals reeds beschreven bij het onderdeel Technocentrum is de tijdspanne waarin het haalbaarheidsonderzoek heeft plaatsgevonden te kort om 20
Cofinanciering Portuur/het Assink lyceum
gunstiger exploitatie van de nieuwbouw.
−
Inspanningsverplichting
keer zo hoog geraamd dan de locatie Bouwmeester. Indien een van de
Hoewel de mogelijkheden van extra aanvullende middelen als gering
locatie de beoogde locatie is voor de nieuwbouw unilocatie zou dit plei-
worden ingeschat, zijn betrokkenen – Portuur/het Assink lyceum – wel
ten voor de locatie Bouwmeester omdat de Van Brakelstraat de meeste
bereid een inspanningsverplichting op zich te nemen om extra middelen
opbrengstpotentie heeft. Dit voordeel zal teniet worden gedaan door de
te verwerven. Hierover wil Portuur/het Assink lyceum nadere afspraken
noodzaak om bij ontwikkeling op de locatie Bouwmeester tijdelijke huis-
maken met de gemeente Haaksbergen.
vesting te moeten realiseren gedurende een periode van circa 1,5 à 2 jaar voor een groot aantal leerlingen. Tijdelijke huisvesting in die omvang
3.4 Opbrengsten af te stoten locaties
is echter een erg kostbare aangelegenheid (circa € 500.000 à € 1 miljoen e.e.a. afhankelijk van omvang en tijdsduur).
In de discussie over de versnelling van de vernieuwing van de huisvesting
Boekwaarden huidige gebouwen
van het Assink lyceum en de financiering hiervan, is de mogelijkheid in-
−
gebracht de herontwikkelopbrengsten van af te stoten locaties te gebrui-
De positieve GREX van circa € 860.000 wordt teniet gedaan door de hui-
ken als dekking voor de vernieuwing van de huisvesting. Het gaat hier in
dige boekwaarden van de beide locaties. Bij herontwikkeling moet de
concreto om de huidige beide locaties Van Brakelstraat en de locatie
boekwaarde worden afgeschreven. Hoewel de gebouwen reeds meer
Bouwmeester. De verwachting is dat door herontwikkeling voor woning-
dan 40 jaar oud zijn, hebben er in de loop der tijd nog aanpassingen
bouw er opbrengsten gegenereerd worden.
plaatsgevonden (2008 verbouwing Van Brakelstraat, 2015 verbouwing Bouwmeester). Dit resulteert in een huidige boekwaarde van beide loca-
In de afgelopen periode heeft de projectorganisatie hier nader onder-
ties van € 1.055.012,85 (31-12-2023). Circa 70 % van deze boekwaarde
zoek naar gedaan. In opdracht van de projectorganisatie is Arcadis ver-
heeft betrekking op de locatie Bouwmeester, circa 30 % op de locatie
zocht een zogenaamde grondexploitatie (GREX) op te stellen voor de
Van Brakelstraat. In de door Arcadis opgestelde GREX is de inbrengwaar-
beide locatie. Deze berekeningen van de grondexploitatie zijn opgesteld
de van de beide locaties nog op € 0 gezet.
op basis van kerngetallen en zullen wellicht wijzigen bij verdere planuitwerking. De GREX voor beide locaties is als bijlage 4 bijgevoegd. In de
Bij herontwikkeling van de huidige locaties van het Assink lyceum moeten
GREX zijn ook ramingen voor de bijkomende (indirecte) kosten opgeno-
de boekwaarden worden afgeschreven, hetgeen resulteert in aanzienlijke
men (kosten voor sloop, planontwikkeling, infrastructuur e.d.).
bijkomende kosten waardoor het saldo van de GREX teniet wordt gedaan
en er sprake is van een negatieve grondexploitatie van circa € 200.000. Er Op basis van de berekening van Arcadis worden de opbrengsten per 1
is dan geen sprake meer van opbrengsten als gevolg van herontwikke-
januari 2024 geschat op € 272.800 voor de locatie Bouwmeester en €
ling.
587.000 voor de locatie Van Brakelstraat. De totale opbrengst wordt ge-
21
Kosten nieuwe locatie
raamd op € 859.800. Dat er sprake is van relatief geringe opbrengsten
−
wordt grotendeels veroorzaakt door de hoge kosten voor sloop van de
Indien de beide locaties worden afgestoten omdat er sprake is van een
huidige gebouwen en de hoge kosten voor het bouw- en woningrijp ma-
alternatieve locatie voor de nieuwbouw dient ook aanvullend rekening te
ken. De opbrengsten voor de locatie Van Brakelstraat worden circa twee
worden gehouden met kosten van de te verwerven locatie (als deze niet
in eigendom is van de gemeente), procedure omgevingsplan, het bouwrijp maken hiervan, de (eventuele) aanpassing van de infrastructuur en parkeervoorzieningen. Dit vraagt dan nader onderzoek naar diverse aspecten vanuit ook de regelgeving van de Omgevingswet In het kader van de wet- en regelgeving onderwijshuisvesting dient de gemeente vanuit haar plicht voor onderwijshuisvesting te zorgen voor de beschikbaarstelling van een bouwrijpe locatie (inclusief de benodigde bestemming en de daarvoor benodigde onderzoeken). Deze locatie dient ook conform de wet- en regelgeving om niet ter beschikking te worden gesteld aan
het betreffende schoolbestuur zodat zij als bouwheer de voorziening kan realiseren (op grond van de wet- en regelgeving is het schoolbestuur bouwheer van de te realiseren voorzieningen huisvesting tenzij anders wordt overeengekomen met de gemeente (artikel 76n Wet voortgezet onderwijs). Dit betekent dat met een negatieve grondexploitatie van beide locaties er voor de gemeente aanvullende kosten zullen zijn voor het verwerven en bouwrijp maken van een alternatieve locatie.
3.5 Synergie-effecten door combinatie functies & standaardisering −
Synergie
In relatie tot de locatie Park Scholtenhagen is gewezen op mogelijke synergie-effecten wanneer de nieuwbouw plaatsvindt in combinatie met de vernieuwing van een sporthal en het zwembad. Deze synergie-effecten kunnen betrekking hebben op de initiële stichtingskosten (investeringen)
en de exploitatiekosten. In het kader van het haalbaarheidsonderzoek zijn de synergie-effecten gebaseerd op ervaringsgegevens van andere multifunctionele accommodaties. Daarbij is als synergie percentage 5 % gehanteerd op het totale investeringsvolume. In onderstaande raming zijn de totale stichtingskosten weergegeven van een gecombineerde voorziening voor onderwijs en sport (zwemmen en sporthal). 22
Met handhaving van de sporthallen is er voldoende capaciteit voor het bewegingsonderwijs in de gemeente Haaksbergen. In 2018 is reeds uitvoerig onderzoek gedaan naar de beschikbare uren voor bewegingsonderwijs (). Op basis van de toen aanwezige capaciteit is geconcludeerd dat er drie zaaldelen afgestoten zouden kunnen worden. Door de verdere krimp i.c. daling van het aantal leerlingen zou dit oplopen naar 4 à 5 zaaldelen in 2028. Op dit moment is de capaciteit nog steeds hetzelfde De totale stichtingskosten worden geraamd op circa € 54,1 miljoen. Een
(behoudens de vervanging van de gymzaal Zienesch door de nieuwe ver-
synergievoordeel van 5 % leidt tot een kostenbesparing van circa € 2,7
grote gymzaal van Het Palet) en is nog steeds sprake van voldoende ca-
miljoen. In hoeverre er sprake is van een reële raming van de synergie-
paciteit.
voordelen kan eerst bepaald worden op basis van het definiëren van het functioneel en ruimtelijk programma van eisen zodat in beeld kan wor-
−
den gebracht welke voorzieningen i.c. ruimten wel of niet gedeeld kun-
De effecten van (meer) gestandaardiseerd bouwen konden op de korte
nen worden. De verwachting van de projectorganisatie is dat gezien de
termijn niet in beeld worden gebracht en zouden zonder concrete uit-
verschillende functionaliteiten de ruimtelijke synergie beperkt zal zijn en
vraag aan marktpartijen teveel berusten op aannames. Hier liggen wel-
derhalve niet zal leiden tot hoge kostenbesparingen.
licht kansen voor de toekomst: een programmatische aanpak met meer
Standaardisatie in bouw
standaardisering waarbij bijvoorbeeld ook circulair wordt ontworpen en Het realiseren van synergie-effecten bij een gecombineerde accommo-
uitgevoerd krijgt steeds meer de aandacht. De mogelijkheden inzake
datie vraagt aanzienlijk hogere stichtingskosten van de gemeente aange-
standaardisering kunnen echter eerst in beeld worden gebracht wanneer
zien het gaat om publieke c.q. maatschappelijke functies waarvoor de
er een gedetailleerd functioneel, ruimtelijk en technisch programma van
initiële bekostiging (realisatiekosten) ook veelal grotendeels komt of
eisen beschikbaar is. In de fase na positieve besluitvorming over de ver-
moet komen van de gemeente.
nieuwing van het Assink lyceum kan door middel van een schetsontwerp vanuit ontwerpende en uitvoerende partijen input worden geleverd om
De huidige sporthallen Bouwmeester en De Els hebben weliswaar een
goed te kunnen analyseren welke eventuele (financiële) voordelen hier-
hoge leeftijd, maar zijn in het recente verleden op onderdelen vernieuwd
door worden gerealiseerd. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een
(o.a. vernieuwing van de sportvloeren en scheidingswanden). De vernieu-
keuze voor standaardisering niet ten koste kan gaan van de kwaliteit van
wing van De Els is ook niet op de korte of middellange termijn gepland,
de te realiseren unilocatie en de mogelijkheid de voorziening duurzaam
ondanks dat een aantal verenigingen recent de gemeente bericht heeft
te exploiteren binnen de door het Assink lyceum te ontvangen Rijksver-
over de technische staat van de sporthallen en gevraagd naar de ge-
goeding hiervoor.
meentelijke beleidsvoornemens met betrekking de sporthallen. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de huidige sporthallen gehandhaafd blijven.
23
3.6 Dekking Gemeentefonds
€ 650.0000 aan middelen in de Algemene Uitkering van het Gemeentefonds zitten voor de onderwijshuisvesting voortgezet onderwijs. Indien er
Voor de uitvoering van de wettelijke zorgplicht te voorzien in onderwijs-
geen voortgezet onderwijs meer aanwezig zou zijn in de gemeente, zal
huisvesting ontvangen de gemeenten middelen van de Rijksoverheid.
ook de uitkering uit het Gemeentefonds verminderen met dit bedrag.
Deze middelen maken onderdeel uit van de Algemene Uitkering uit het
Aan deze uitkering i.c. middelen kunnen (nogmaals) geen rechten wor-
Gemeentefonds en zijn niet geoormerkt. In de decentralisatie van de on-
den ontleend, het is de bevoegdheid van de gemeenteraad integrale
derwijshuisvesting in 1997 is hiervoor gekozen om gemeente maximale
afwegingen te maken daar waar het gaat om de besteding van de Alge-
ruimte te geven voor lokale integrale afwegingen. Er kunnen derhalve
mene Uitkering uit het Gemeentefonds.
door scholen c.q. schoolbesturen geen rechten ontleend worden aan de middelen die op titel van onderwijshuisvesting onderdeel uitmaken van
3.7 Conclusies financiering nieuwbouw unilocatie
de Algemene Uitkering in het Gemeentefonds. Het zijn geen geoormerkte middelen die een gemeente moet inzetten voor de onderwijshuisves-
De financiële haalbaarheid van een nieuwe unilocatie wordt vanzelfspre-
ting. Het is aan de Gemeenteraad hier afwegingen te maken op welke
kend groter indien de stichtingskosten door eenmalige middelen en het
wijze zij de middelen uit de Algemene Uitkering inzet (waarbij het over-
werken met een restwaarde verminderd kunnen worden, zoals in de fi-
grote deel nodig is voor lopende verplichtingen waaronder uitstaande
nanciële scenario’s II en III is weergegeven. Ondanks deze mogelijkheden
leningen ten behoeve van reeds gerealiseerde onderwijshuisvesting,
blijft sprake van hoge jaarlijkse kapitaallasten voor de realisatie van een
sportaccommodaties, diverse overige matschappelijke voorzieningen).
nieuwe unilocatie. Afhankelijk van de hoogte van eenmalige bijdragen
Nagenoeg alle gemeenten in Nederland volgen deze lijn en hebben
en/of het werken met een restwaarde blijft sprake van een kapitaallast in
geen specifieke voorziening of reserve opgebouwd voor de onderwijs-
het 1ste afschrijvingsjaar van circa € 1,6 miljoen à € 1,1 miljoen (bij een
huisvesting. Dit geldt ook voor de gemeente Haaksbergen.
lineaire 40-jarige financiering).
De Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds wordt bepaald op basis
Kapitaallasten kunnen verder verlaagd worden door de afschrijvingsperi-
van diverse indicatoren. Voor de bepaling van de middelen die toege-
ode te verlengen. Daarmee wordt een financieringsvraagstuk voor de
voegd worden aan de Algemene Uitkering geldt o.a. het aantal leer-
korte termijn wellicht opgelost, maar nemen de totale lasten toe. Het ver-
lingen voortgezet onderwijs in een gemeente. Van dit aantal leerlingen
dient derhalve aanbeveling vooralsnog uit te blijven gaan van handha-
wordt 80 % gehanteerd voor de bepaling van de indicatieve uitkering
ving van het huidige financieel beleid van de gemeente Haaksbergen en,
onderwijshuisvesting. Deze 80 % is toegepast als gevolg van een efficien-
indien besloten wordt tot vernieuwing, de mogelijkheden verder te ver-
cykorting die onderdeel was van de decentralisatie van de onderwijshuis-
kennen c.q. onderzoeken van het terugdringen van de stichtingskosten
vesting van de Rijksoverheid naar de gemeenten in Nederland. Voor de
door eenmalige bijdragen (‘aftopping’ van de stichtingskosten) en even-
gemeente Haaksbergen wordt in dit verband uitgegaan van circa 1.130
tueel het werken met een restwaarde. Dit vraagt echter wijziging van het
leerlingen voortgezet onderwijs waarop de uitkering in de Algemene Uit-
gemeentelijk financieel beleid en kan niet alleen betrekking hebben op
kering van het Gemeentefonds is gebaseerd. Op basis van de indicato-
de financiering van de vernieuwing van het Assink lyceum.
ren en bekostigingsgrondslagen zou met dit aantal leerlingen er circa 24
Portuur/het Assink lyceum is bereid een inspanningsverplichting op zich te nemen daar waar het gaat om een eigen bijdrage en het verkrijgen van bijdragen van derden (subsidies en bijdragen bedrijfsleven). Door herontwikkeling van af te stoten locaties zijn geen extra inkomsten te verwerven. Vanwege de bestaande boekwaarden is sprake van een negatieve grondexploitatie. Besparingen door synergie-effecten en standaardisering zijn in dit stadium nog niet in te schatten. De verwachting is dat dit kan leiden tot verlaging van de financieringslasten, maar dat er