CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke motivering BOPA flexwoningen Morgensterweg, Haaksbergen

Gemeenteraad 17 december 2025, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvergunning voor de realisatie van 13 flexwoningen aan de Morgensterweg15.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Beleid Waterschap

Het projectgebied valt binnen het werkgebied van het waterschap Vechtstromen. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied RijnOost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

6.2

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied

6.2.1

Watertoets

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Waterhuishoudkundige aspecten

Het waterschap is geïnformeerd over de voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘normale procedure van toepassing is (zie bijlage 2). Het hemelwater wordt opvangen in de centrale wadi (ca. 172 m²) en infiltreert plaatselijk binnen het projectgebied. Het riool wordt aangelegd onder de nieuwe straat, dat uitsluitend voor afvalwater bestemd is. De combinatie van groene inpassing, nieuwe beplanting en de wadi met ruime bergingscapaciteit zorgt ervoor dat al het hemelwater binnen het projectgebied kan worden retentie zonder externe afvoer.

6.3

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 7

Bescherming gezondheid en het milieu

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit project. Onderwerp

Relevante instructieregels Bkl

Relevant voor het project?

Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen

Paragraaf 5.1.4.1

Ja, zie paragraaf 7.3.

Paragraaf 5.1.4.2 Paragraaf 5.1.4.2a

Ja, zie paragraaf 7.1. Ja, zie paragraaf 7.1.

Paragraaf 5.1.4.3

Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur

Paragraaf 5.1.4.4a

Nee, het projectgebied ligt niet nabij een luchthaven. Nee, het projectgebied ligt op ruim 650 meter afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Nee, nabij het projectgebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.

Paragraaf 5.1.4.4

Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid en klimaatadaptatie’ behandeld.

7.1

Geluid door activiteiten

7.1.1

Wettelijk kader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 van het Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2

Situatie projectgebied

Met dit project worden 13 geluidgevoelige functies/gebouwen mogelijk gemaakt. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend, gelden de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het projectgebied bevindt zich buiten het geluidaandachtsgebied van spoorwegen, maar binnen de geluidaandachtsgebieden van verschillende wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3. Het akoestisch onderzoek concludeert dat het geluid door gemeentewegen maximaal 59 dB bedraagt op de gevel van een of meerdere flexwoningen. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl (53 dB) maar wel aan de grenswaarde (70 dB). Gevelwering van minimaal 16 dB is benodigd om ter plaatse van de hoogste overschrijding te voldoen aan de binnenwaarde van 43 dB. Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Bbl wordt beoordeeld of sprake zal zijn van voldoende gevelwering om het binnenniveau van 43 dB te waarborgen. Aangezien de benodigde gevelwering beperkt is, vormt het onderdeel geluid door wegen en spoorwegen geen belemmerende factor voor de toetsing aan het Bbl. Met inachtneming van het vorenstaande is sprake van en aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Geluid door industrieterreinen Het projectgebied bevindt zich niet binnen het geluidaandachtsgebied van industrieterreinen.

Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.

Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. De omgeving van het projectgebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door woonbebouwing. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen. Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1 2 3.1 3.2 4.1

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief 4.2 5.1 5.2 5.3 6

300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich nagenoeg geen milieubelastende functies. Aan de Geukerdijk 94 bevindt zich een sportcomplex met verlichting. Dit betreft een milieucategorie 3.1 functie met een bijbehorende grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geluid’. De afstand tot het projectgebied bedraagt minimaal 100 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Ten noordwesten van het projectgebied bevinden zich verschillende maatschappelijke functies waaronder een polikliniek en verpleeghuis. Dit betreffen milieucategorie 2 functies met een bijbehorende grootste richtafstand van 30 meter. De afstand tussen het projectgebied en deze maatschappelijke functies bedraagt minimaal 200 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. 7.1.4

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2

Situatie projectgebied

Voor dit project is een bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4. Het verkennend bodemonderzoek concludeert dat in de boven- en ondergrond geen gehalten boven de grenswaarden/interventiewaarden zijn gemeten. Tevens zijn in de onderzochte druppelzones geen sterk verhoogde gehalten gemeten boven de interventiewaarden in de toplaag en de diepere laag. Ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn geen belemmeringen voor het beoogde gebruik. 7.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2

Situatie projectgebied

Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4

Geur

7.4.1

Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief 7.4.2

Situatie projectgebied

De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven / veehouderijen bevinden zich op ruim 750 meter afstand ten (noord)oosten van het projectgebied. Het betreft een hoveniersbedrijf aan de Kwekerijweg 5 en een intensieve veehouderij aan de Enschedesestraat 187. Deze bedrijven liggen in relatie tot de bij deze functies behorende richtafstanden voor ‘geur’ op een dusdanig grote afstand dat van geurhinder geen sprake is. Voor het nabijgelegen polikliniek en verpleeghuis geldt een richtafstand van 10 meter. Ook hieraan wordt ruimschoots voldaan. 7.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5

Gezondheid

7.5.1

Wettelijk kader

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.5.2

Situatie projectgebied

Dit initiatief ziet op de plaatsing van 13 tijdelijke flexwoningen aan de Morgensterweg in Haaksbergen voor een periode van maximaal 10 jaar. Het plan draagt bij aan het oplossen van de urgente woningvraag in de gemeente Haaksbergen, onder andere voor statushouders, Oekraïense vluchtelingen, jongeren en spoedzoekers. Door deze flexwoningen kan op korte termijn worden voorzien in een behoefte aan betaalbare huisvesting voor meerdere doelgroepen die momenteel vaak onvoldoende of geen toegang hebben tot de reguliere woningmarkt. Het projectgebied wordt landschappelijk ingepast met groenstructuren en mogelijkheden voor waterretentie. Daarnaast wordt een speelvoorziening gerealiseerd, wat bijdraagt aan een prettige en gezonde leefomgeving voor bewoners. Maatschappelijke context Nederland kampt al jaren met een groot tekort aan betaalbare woningen. Met name kwetsbare doelgroepen zoals statushouders, vluchtelingen uit Oekraïne, jongeren en spoedzoekers ervaren grote huisvestingsproblemen. Wanneer deze groepen geen toegang hebben tot stabiele huisvesting, ontstaan vaak onwenselijke situaties zoals langdurig verblijf in tijdelijke opvang, beperkte toegang tot onderwijs of werk, stress en gezondheidsproblemen. Ook het Rijk stimuleert gemeenten om flexwoningen in te zetten als versnelling voor de woningbouwopgave.

In de Nationale Woon- en Bouwagenda (2022) en de Taskforce Versnelling Tijdelijke Huisvesting is benadrukt dat tijdelijke en flexibele huisvesting essentieel is om zowel de druk op de woningmarkt te verlichten als om kwetsbare groepen een waardige woonomgeving te bieden. Door in Haaksbergen op korte termijn 13 flexwoningen te realiseren, wordt een directe bijdrage geleverd aan het terugdringen van deze problematiek. Het project biedt een veilige en stabiele plek om te wonen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief en verkleint daarmee het risico op sociale uitsluiting en gezondheidsproblemen bij de beoogde doelgroepen. Gezondheid en fysieke leefomgeving Een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3 sub a Ow). De voorgenomen ontwikkeling draagt hier op verschillende manieren aan bij: De woningen worden gerealiseerd conform de geldende bouwregelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving), waardoor wordt voorzien in een gezond binnenmilieu, voldoende daglichttoetreding, ventilatie en brandveiligheid. Door de landschappelijke inpassing en de toevoeging van groen en waterberging ontstaat een prettige en gezonde buitenruimte met aandacht voor klimaatadaptatie en leefkwaliteit. De speelvoorziening draagt bij aan een gezonde leefomgeving en het welzijn van kinderen. Het bieden van stabiele huisvesting voorkomt gezondheidsrisico’s die gepaard gaan met langdurige onzekerheid, stress en gebrekkige woonomstandigheden. Uit de beoordeling van relevante milieukwaliteitsaspecten – waaronder geluid, luchtkwaliteit, bodem en externe veiligheid – blijkt dat aan de wettelijke normen wordt voldaan. Het woon- en leefklimaat in het projectgebied is daarmee aanvaardbaar. 7.5.3

Conclusie

Met de flexwoningen wordt invulling gegeven aan een actuele maatschappelijke opgave. De locatie aan de Morgensterweg biedt de mogelijkheid om tijdelijk, maar op een goede en verantwoorde wijze, huisvesting te realiseren zonder dat andere functies onevenredig worden verdrongen. De inpassing met groen en waterberging draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit. De beperkte schaal en het tijdelijke karakter van de ontwikkeling zorgen ervoor dat de omgeving niet onevenredig wordt belast en dat de flexwoningen passen binnen een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie.

7.6

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

7.6.1

Wettelijk kader

Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst. 7.6.2

Situatie projectgebied

Gasloos bouwen en energievoorziening De flexwoningen worden volledig gasloos gerealiseerd. Verwarming, warmtapwater en koken zijn elektrisch. De woningen zijn in de fabriek geprefabriceerd, waardoor het bouwproces efficiënt verloopt en materiaalverlies beperkt blijft. De woningen hebben een goede thermische isolatie. De hoogwaardige isolatie en het gebruik van ledverlichting beperken het energieverbruik en dragen bij aan een lagere CO₂-uitstoot. De woningen worden uitgevoerd met platte daken, die geschikt zijn voor het plaatsen van zonnepanelen. Het toepassen van PV-panelen wordt door de aanbieder als optie aangeboden en kan op termijn leiden tot een bijna energie neutrale exploitatie. Indien gekozen wordt voor zonnepanelen, kan de opgewekte elektriciteit rechtstreeks worden gebruikt voor de woningen of tijdelijk worden opgeslagen in accupakketten (power units), waarmee tevens de piekbelasting op het elektriciteitsnet BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief kan worden opgevangen. Dit systeem maakt het mogelijk om de woningen gedurende de exploitatieduur energie-efficiënt te laten functioneren. Circulariteit en hergebruik De woningen zijn modulair gebouwd en ontworpen voor herplaatsing en hergebruik. Na afloop van de tijdelijke gebruiksperiode (maximaal 10 jaar) kunnen de units eenvoudig worden verplaatst en elders worden ingezet. De levensduur van de units bedraagt minimaal 50 jaar. Hiermee wordt bijgedragen aan een circulaire bouweconomie en wordt afval bij beëindiging van het project beperkt. Klimaatadaptatie en waterhuishouding De locatie wordt landschappelijk ingepast met verschillende vormen van groen(structuren). Bij de inrichting van het terrein wordt rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen: Er wordt voorzien in een wadi en groenvoorzieningen voor de opvang en infiltratie van regenwater, waarmee piekafvoeren bij hevige buien worden voorkomen. De flexwoningen worden uitgevoerd met platte daken die geschikt zijn voor afkoppeling van hemelwater. 7.6.3

Conclusie

Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 8

Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.

8.1

Gebiedsbescherming

8.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

8.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3

Houtopstanden

Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •

De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief 8.1.4

Situatie projectgebied

8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich op circa 600 meter afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5. Deze berekening is wat betreft het autogebruik van de toekomstige bewoners hoger ingezet dan het verwachtte autogebruik. Hierdoor wordt uitgegaan van een wordt-case scenario. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig.

8.1.4.2 NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op ruim 400 meter afstand van het projectgebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 8.1.4.3 Houtopstanden In het projectgebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.

8.2

Soortenbescherming

8.2.1

Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2

Situatie projectgebied

Voor dit project is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief Het onderzoek concludeert dat enkele soorten gebruik kunnen maken van het projectgebied. Om schadelijke effecten op deze soorten uit te sluiten is zal voor de gebouw bewonende vleermuissoorten een nader onderzoek uitgevoerd worden. Deze soort maakt mogelijk in de zomer gebruik van het bestaande schuurtje. Voor eventuele sloop van dit schuurtje dient het nader onderzoek afgerond te zijn, en dienen de aanbevelingen uit het onderzoek opgevolgd te worden. Daarnaast is het projectgebied geschikt als verblijfplaats voor de egel en kleine marterachtigen. De activiteiten binnen het projectgebied kunnen mogelijk schadelijke effecten hebben op deze soorten. Om deze reden is een vergunningstraject ten behoeve van het schadelijk handelingen flora en fauna activiteiten Omgevingswet in gang gezet. Met het verlenen van de vergunning is het mogelijk binnen het projectgebied de schadelijke handelingen uit te voeren. Ten aanzien van de teunisbloemvlinder zijn tijdens de onderzoeksfase enkele teunisbloemen aangetroffen die als verblijfplaats en voortplantingsplaats kunnen dienen voor de teunisbloemvlinder. Bij het gereedmaken van het projectgebied zijn de bloemen echter per abuis verloren gegaan.

Om het leefgebied van de vlinder zo veel mogelijk te herstellen wordt parallel aan de Morgensterweg een strook van 4 m breed opnieuw ingezaaid met zaden van de teunisbloem. De strook met beplanting is opgenomen in het erfinrichtingsplan, waarmee de uitvoering van deze maatregel is opgenomen in de voorschriften verbonden aan deze BOPA. Hiermee zijn voldoende herstellende maatregelen getroffen om het leef- en voortplantingsgebied van deze soort te herstellen en te vergroten. Een nader onderzoek naar de teunisbloemvlinder is niet noodzakelijk.

8.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 9

9.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

9.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het projectgebied ligt in de dubbelbestemming 'Waarde – Middelmatige archeologische verwachting'. Voor grondwerk in deze zone is een vergunning vereist wanneer de oppervlakte groter is dan 5.000 m² en de diepte meer dan 40 cm bedraagt. Het riool wordt onder de betonnen bestrating (ca. 1.600 m²) aangelegd, de tijdelijke woningen beslaan gezamenlijk een oppervlakte van ca. 900 m². Met een totaal van 2.500 m² blijft de ontwikkeling ruim onder de drempel van 5.000 m². Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

9.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Er is binnen het projectgebied of in de directe omgeving geen sprake van cultuurhistorische waarden die mogelijkerwijs negatief zouden kunnen worden beïnvloed als gevolg van dit project.

9.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 10

10.1

Infrastructuur en openbare ruimte

Wettelijk kader

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied.

10.2

Verkeer en parkeren

10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Haaksbergen hanteert haar eigen parkeernota in de vorm van de ‘Nota parkeernormen Haaksbergen, 2024 en verder’. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: matig stedelijk Stedelijke zone: buitengebied (Nota parkeernormen)

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. De gemeente Haaksbergen gaat in haar nota uit van het gemiddelde. 10.2.2 Parkeerbehoefte Op basis van bovenstaande uitgangspunten ontstaat voor de parkeerbehoefte het volgende beeld op basis van de gemeentelijke parkeernota: Functie/activiteit

Parkeernorm per woning

Aantal woningen

Totaal

Huur, huis, sociale huur Totaal

1,3

13

16,9 17

Het plan voorziet in 1 parkeerplaats bij iedere woning. Daarnaast worden nog 4 extra parkeerplaatsen aangelegd nabij de in-/uitgang van het terrein aan de zijde van de Morgensterweg. Zie hiervoor ook het inrichtingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting Op basis van bovenstaande uitgangspunten ontstaat voor de verkeersgeneratie het volgende beeld op basis van de CROW: Functie/activiteit

Verkeersgeneratie per woning

Aantal woningen

Totaal

Huur, huis, sociale huur Totaal

4,8

13

62,4 63 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief De gemiddeld te verwachten verkeersgeneratie bedraagt afgerond 63 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande terreinontsluiting op de Morgensterweg. Dit betreft ter plaatse een 60 km/uur weg. De Morgensterweg en de omliggende wegen zijn van voldoende capaciteit om deze toename in verkeersgeneratie veilig te ontsluiten. 10.2.4 Overige aspecten buitenruimte Voor voetgangers en fietsers wordt er voorzien in een wandelpad richting de Enschedesestraat en het openbaar vervoer ter plaatse (bushalte). Zie hiervoor ook het inrichtingsplan.

10.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 11

11.1

M.e.r.- Beoordeling

Wettelijk kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-m.e.r. verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-m.e.r.-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als is besloten dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b.

het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

11.2

Situatie projectgebied

Voor het project is beoordeeld of sprake is van een activiteit die valt onder de m.e.r.-(beoordelings)plicht als bedoeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Toetsing aan bijlage V Omgevingsbesluit In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten genoemd waarvoor een project-m.e.r. of projectm.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor woningbouw geldt categorie D 11.2: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen." Voor deze categorie is in kolom 2 van bijlage V een drempelwaarde opgenomen voor een project-m.e.r. en in kolom 3 voor een m.e.r.-beoordeling. •

De drempel voor de m.e.r.-beoordeling voor woningbouw ligt bij 2.000 of meer woningen of een ruimtebeslag van meer dan 100 hectare.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief Het project aan de Morgensterweg betreft de realisatie van slechts 13 tijdelijke flexwoningen op een relatief klein perceel (circa 1,4 ha). Het project blijft daarmee ruimschoots onder de drempelwaarden uit bijlage V.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Hoewel het project niet aan de drempelwaarden voldoet, moet worden getoetst of toch sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’), zoals bedoeld in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Hierbij zijn de criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.richtlijn relevant: •

de kenmerken van het project;

•

de plaats waar het project wordt uitgevoerd;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

Hieronder worden deze aspecten kort toegelicht.

Kenmerken van het project •

Het gaat om 13 tijdelijke flexwoningen met een beperkte bouwhoogte en zonder intensieve functies (zoals industrie of grootschalige detailhandel).

•

De exploitatie is tijdelijk (maximaal 10 jaar).

•

Er is geen sprake van grootschalige grondverzet, omvangrijke infrastructurele voorzieningen of ingrepen in het watersysteem.

•

Het aantal verkeersbewegingen neemt in relatie tot de effecten op het milieu slechts in zeer beperkte mate toe.

Locatie en milieugevoeligheid •

Het projectgebied ligt aan de Morgensterweg aan de rand van de kern Haaksbergen. Het projectgebied ligt niet in of direct tegen een Natura 2000-gebied, NNN of ander ecologisch waardevol gebied aan. Daarnaast zijn voor dit project een stikstofonderzoek (bijlage 5) en een natuurwaardenonderzoek (bijlage 6) uitgevoerd.

•

Er zijn geen kwetsbare bodem- of grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig.

Kenmerken van de potentiële effecten •

Door de kleinschaligheid en tijdelijke aard zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor milieuaspecten te verwachten.

•

Er is geen sprake van relevante emissies van geluid, trillingen, luchtverontreiniging of geur.

•

Het ge- en verbruik van natuurlijke hulpbronnen is beperkt en past binnen de lokale voorzieningen.

•

Eventuele effecten zijn goed te beheersen binnen het reguliere omgevingsrecht (bijv. bodem, geluid, stikstof, water).

Conclusie Gelet op het voorgaande: •

valt het project niet onder de drempelwaarden van bijlage V van het Omgevingsbesluit; en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief •

zijn er, mede gelet op de kenmerken, de locatie en de potentiële effecten, geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten.

Daarom is voor dit project geen project-m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat en deze onderbouwing toont aan dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 12

12.1

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat in artikel 8.13, 8.14 en 8.15 relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In voorliggend geval is de gemeente in het kader van deze omgevingsvergunning de initiatiefnemer. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het opnemen van kostenverhaalregels/kostenverhaalvoorschriften niet nodig. Voorafgaand aan het voornemen is het financieel resultaat onderzocht. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een financieel haalbaar project.

12.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Op 13 mei 2025 heeft er een omwonenden avond plaats gevonden waar circa honderd mensen aanwezig waren. Tijdens deze bijeenkomst zijn de plannen op hoofdlijnen toegelicht. Het ging hierbij om de projectlocatie, het maximale aantal woningen en enkele milieukundige thema’s waaronder stikstof. Als vervolg hierop zijn er nog een aantal bijeenkomsten geweest met verschillende bewoners/belangengroepen waaronder de wijkraad. Tijdens deze bijeenkomsten is onder andere de concept inrichtingstekening gedeeld. De aanwezigen konden hier hun mening op geven en wijzigingen aandragen. Het inrichtingsplan is hier voor zover mogelijk op aangepast. 12.2.2 Advies en instemming De gemeenteraad kan zichzelf op basis van artikel 4.21 Omgevingsbesluit als adviseur aanwijzen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In dat geval is sprake van 'bindend advies', wat inhoudt dat het college van B&W het advies in acht moeten nemen. In dit geval is er wel advies van de gemeenteraad benodigd.

De provincie is in het kader van vooroverleg op de hoogte gebracht van dit project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Hoofdstuk 13

13.1

Juridische kaders

Algemeen

Tijdens de overgangsfase tot 2032 bevat artikel 12.27a Bkl een beoordelingsregel voor opvolgende BOPA-vergunningverlening. Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Dit maakt het mogelijk om eerst een 'planologisch' basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een BOPA. Het bevoegd gezag geeft bijvoorbeeld eerst toestemming voor de functie/activiteit, de plaatsing van het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume. Met deze omgevingsvergunningaanvraag wordt toestemming gevraagd voor de onderdelen die in de volgende paragrafen worden benoemd.

13.2

Toedeling van functies aan locaties

In voorliggend project wordt het tijdelijk bebouwen van gronden mogelijk gemaakt. Voorliggende BOPA voorziet in het eerste planologische basisbesluit om het gewenste woongebruik mogelijk te maken voor de 13 tijdelijke woningen, zoals deze in het inrichtingsplan in Bijlage 1 zijn ingetekend. Het gaat hierbij om maximaal 13 woningen. De afmetingen van de grootste units betreft 87 m2 BVO (GBO: 80 m2). De woningen zijn enkellaags en hebben een hoogte van maximaal 4 meter. Iedere woning heeft daarnaast een kleine berging van maximaal 6 m2 en 3 m hoog, voor de opslag van materiaal en fietsen. Het uitvoeren en instandhouden van het beplantingsplan zal worden verbonden aan de voorschriften van deze BOPA. Met een tweede BOPA procedure zal de bouwvergunning voor de woningen worden behandeld. Tijdens deze tweede procedure zullen de woningen getoetst worden op welstand, en zal een toetsing aan de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) plaatsvinden. Opgemerkt wordt dat in de voorschriften van de BOPA tevens het nader onderzoek naar de vleermuizen bij de bestaande schuur nodig is, alvorens deze gesloopt mag worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Haaksbergen, flexwoningen Morgensterweg Definitief

Bijlagen bij de ruimtelijke motivering

Bijlage 1

Inrichtingsplan

Bijlage 2

Watertoets

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 4

Bodemonderzoek

Bijlage 5

Stikstofonderzoek

Bijlage 6

Natuurwaardenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16258921/1