CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Wijzigen categorie vvgb procedure 't Pannekoekschip zienswijzennota.pdf

gemeenteraad 21 december 2022, gemeente GroningenBij agendapunt: a: Omgevingsvergunning Pannekoekschip (raadsvoorstel 9-11-22)19.453 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ZIENSWIJZENNOTA Inleiding Deze zienswijzennota behoort bij het ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning van 20 april 2022 met kenmerk 202176549 voor het plaatsen van een schip ten behoeve van horeca aan de Oosterhaven. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Groningen, sectie H perceelnummer 4048 en bevindt zich aan de kade tussen de jachthaven en de Oosterhavenbrug. De aanvraag omgevingsvergunning en het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken zijn op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 27 april 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegd bij de afdeling VTH, Loket Bouwen en Wonen van de gemeente Groningen. Gedurende deze periode zijn er zienswijzen ingebracht door 55 personen/huishoudens, voornamelijk woonachtig aan de Oosterkade en omgeving.

Het college van burgemeester & wethouders van de gemeente Groningen

1

Inhoud 1.

Verklaring van geen bedenkingen ............................................................................... 3

2.

Toetsing aan planologie en beleidsregels ................................................................... 4

3.

Locatiekeuze ............................................................................................................... 9

4.

Draagvlak, participatie en ontbreken algemeen belang ............................................ 10

5.

Evenredigheidsbeginsel ............................................................................................ 12

6.

Ladder duurzame verstedelijking .............................................................................. 14

7.

Evidente privaatrechtelijke belemmering .................................................................. 15

8.

Collegebezwaren (parkeren, parkeerbeleid) ............................................................. 17

9.

Verboden staatssteun ............................................................................................... 19

10. Geluid, geur en verlichting ......................................................................................... 20 Bijlage 1 - brief aan omwonenden d.d. 18 maart 2021 Bijlage 2 - second opinion parkeeronderzoek Oosterkade Bijlage 3 - geanonimiseerde zienswijzen

2

1. Verklaring van geen bedenkingen Samenvatting zienswijzen In een zienswijze wordt opgemerkt dat het voorgenomen besluit niet kan worden genomen zonder verklaring van geen bedenkingen (hierna: VVGB). De reden hiervoor is dat de aanvraag niet ziet op een vaartuig, maar op het gebruik van water ten behoeve van een horecagelegenheid. Hierdoor kan geen gebruik worden gemaakt van de ‘Categorieënlijst verklaring van geen bedenkingen.’ Uit de omstandigheid dat de aanvrager moet beschikken over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk volgt reeds dat geen sprake is van een vaartuig, maar van een vergunningplichtig drijvend bouwwerk. Reactie college Het college is van mening dat bij het voorgenomen besluit een beroep kan worden gedaan op de categorieënlijst verklaring geen bedenkingen, onder R ‘Ligplaatsen voor vaartuigen’. Teneinde evenwel iedere onzekerheid daaromtrent weg te nemen, heeft de raad toepassing gegeven aan categorie U van categorieënlijst verklaring geen bedenkingen. De raad heeft, na inzage in het project, bij besluit van (…) aangegeven geen behoefte te hebben de besluitvorming aangaande de VVGB aan zich te trekken. Dit raadsbesluit stelt aldus buiten twijfel dat het voorgenomen besluit kan worden genomen zonder VVGB. Conclusie Het voorgenomen besluit kan zonder VVGB worden genomen. De zienswijze is ongegrond.

3

2. Toetsing aan planologie en beleidsregels Samenvatting zienswijzen In meerdere zienswijzen wordt opgemerkt dat het voorgenomen besluit niet in overeenstemming is met geldende (beleids)regels. Hierbij wordt verwezen naar de geldende bestemmingsplannen, de verordening openbaar vaarwater 2020 (hierna: de verordening) en gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid. Hieronder gaat het college op elk van deze punten nader in. 2.1 Bestemmingsplan In een zienswijze is opgemerkt dat het voorgenomen besluit ten onrechte niet inzichtelijk maakt of dit besluit aan het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2010’ is getoetst. Verder wordt opgemerkt dat het voorgenomen besluit strijdig is met het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’. De reden hiervoor is dat de beoogde ligplaats niet beschikt over de functieaanduiding ‘ligplaats’. Ook wordt in zienswijzen opgemerkt dat in het voorgenomen besluit ten onrechte niet is getoetst of het drijvend bouwwerk voldoet aan de in het Bestemmingsplan 2019 toegestane maximale bouwhoogte. Hierbij wordt gewezen op de aanwezigheid van een drietal 30 meter hoge masten. Voorts wordt in een zienswijze verwezen naar artikel 6.2.3, onder b, ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’. Hierin staat dat drijvende bouwwerken ten dienste van jachthavens enkel zijn toegestaan ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘jachthavenvoorziening’.

Hieruit volgt volgens de indieners van de zienswijze dat vanuit planologisch oogpunt onwenselijk is dat een niet-varend schip in de haven wordt geplaatst. Reactie college In 2020 is het thans geldende ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’ door de raad vastgesteld. Daarbij is – voor de onderhavige locatie1 – vervallen het ‘Bestemmingsplan Openbaar vaarwater 2010’.2 Er is dus terecht niet getoetst aan het vervallen bestemmingsplanregime. Het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’ bepaalt in artikel 6.1, onder e, dat een locatie met de functieaanduiding ‘horeca’ bestemd is voor een horecaschip: “De op de verbeelding voor 'Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) d. een ligplaats voor een horecaschip ter plaatse van de aanduiding 'horeca', met dien verstande dat uitsluitend horeca - 2 is toegestaan”

Een aanduiding “ligplaats” als zodanig kent het bestemmingsplan niet. Het college verwijst naar de opsomming van verschillende aanduiddingen voor verschillende soorten ligplaatsen en aanduidingen ter zake in artikel 6.1, onder c tot en met g. De voorgenomen locatie heeft de bestemming “Water”, maar niet de functieaanduiding “horeca”. Daaruit volgt dat een horecaschip ter plaatse dus niet bij recht is toegestaan. Dat is door het college onderkend. Om die strijdigheid op te heffen wordt een omgevingsvergunning strijdig gebruik verleend voor het gebruik, zoals dat in de aanvraag is beschreven. Aangezien het aangevraagde project ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht bestaat het voornemen dat te vergunnen.

1 Dat bestemmingsplan geldt alleen nog ter plaatse van de Kattenbrug. 2

Zie ook: toelichting op het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’, onder 1.2 & 5.2.

4

Met betrekking tot de toetsing aan de maximum bouwhoogte wijst het college op artikel 2.2 onder c van het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’. Uit dit artikel volgt dat masten niet meetellen bij de berekening van de hoogte van een drijvend bouwwerk. Ook voor het overige ziet het college geen reden om aan te nemen dat het voornemen strijdig is met de maximaal toegestane bouwhoogte. De voorgenomen locatie heeft niet de functieaanduiding “jachthaven”, noch de specifieke aanduiding “specifieke bouwaanduiding-jachthavenvoorzieningen”. Dat betekent dat ter plaatse noch een jachthaven, noch jachthavenvoorzieningen zijn toegestaan. Het horecaschip komt dus in zoverre niet in de (juridische) jachthaven te liggen. Voor zover in deze zienswijze wordt bedoeld te zeggen dat het horecaschip niet past in de bestaande bestemming, is dat uiteraard juist. Om die strijdigheid op te heffen wordt vergunning verleend in het onderhavige besluit. Voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat, omdat in de jachthaven wél (onder voorwaarden) bouwwerken zijn toegestaan, dat a contrario elders dús ruimtelijk onaanvaardbaar moet worden geacht, is dat betoog onbegrijpelijk of niet concludent. De vraag of het onderhavige plan ruimtelijk aanvaardbaar is wordt beantwoord door een beoordeling van de ruimtelijke uitstralingseffecten van dat plan. Die zijn aanvaardbaar.

Dat elders (in de Diepenring) op sommige plekken wel en op andere plekken juist geen bouwwerken zijn toegestaan is daarvoor irrelevant. Conclusie Het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2010’ is niet van toepassing op het voorgenomen besluit. Het plan is strijdig met het geldende bestemmingsplanregime, omdat de aanduiding “horeca” ontbreekt. Die strijdigheid wordt met het onderhavige besluit opgeheven. Dat kan omdat de goede ruimtelijke ordening zich daar niet tegen verzet. 2.2 Verordening openbaar vaarwater Indieners van een zienswijze gaan in op artikel 8, eerste lid van de Verordening. Hieruit volgt volgens die indieners dat het verboden is een ligplaats in te nemen, te hebben, of beschikbaar te stellen in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het voorgenomen besluit ziet op een locatie die in het ‘Bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019’ niet als ligplaats is aangemerkt. Ook maakt de Verordening geen uitzondering voor de situaties waarin een omgevingsvergunning strijdig gebruik is verleend. Dit maakt het voorgenomen besluit strijdig met de Verordening. Reactie college De Verordening gaat over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met een schip. Onder schip wordt ingevolge artikel 1.16 van de verordening verstaan een vaartuig. Het pannenkoekenschip is evenwel geen vaartuig maar een bouwwerk.

De Verordening is dus niet op het pannenkoekenschip van toepassing. Reeds daarom is geen sprake van strijdigheid met artikel 8 van de Verordening. Conclusie Het voorgenomen project valt buiten de reikwijdte van de Verordening. De Verordening maakt geen deel uit van het toetsingskader van het onderhavige besluit. De zienswijzen zijn ongegrond. 2.3 Gemeentelijk beleid In enkele zijnswijzen wordt gewezen op gemeentelijk beleid. Uit de Watervisie Groningen ‘Koersen op water” (hierna: de Watervisie) en de beleidsnota ‘Stimuleren van het watertoerisme in de gemeente Groningen’ (hierna: de beleidsnota) volgt, volgens indieners, dat de locatie ongeschikt is. De Oosterkade behoort volgens indieners een boulevard-achtig karakter te krijgen. Indieners stellen verder dat uit de Watervisie volgt dat het plaatsen van terrassen aan de Staande Mast Route nautisch onverantwoord is. Verder wijzen zij op de omstandigheid dat in de Watervisie enkele potentieel geschikte locaties voor een terras op het water worden benoemd. De in het voorgenomen besluit gekozen locatie staat hier niet bij. Hieruit volgt volgens indieners dat de gekozen locatie ongeschikt is. 5

Verder merkt een betrokkene in zijn zienswijze op dat ten tijde van het opstellen van de Watervisie een terras op de Ludina bestond. De vergunning voor dit terras is later niet verlengd. De betrokkene vraagt zich af of de uitkomsten van de evaluatie van het terras op de Ludina zijn meegenomen bij de besluitvorming ten aanzien van het voorgenomen besluit. Tot slot gaan enkele betrokkenen op het gemeentelijk horecabeleid in. Hierbij wijzen zij op de detailhandels- en horecavisie gemeente Groningen ‘Ruimte voor Retail’ (hierna: de Horecavisie). Hieruit blijkt volgens hen dat nieuwe horeca niet ten koste mag gaan van de openbare ruimte. Ook dient dit aan te sluiten bij het karakter van het gebied. De betrokkenen verwachten verder dat het parkeren van fietsen een te groot beslag op de openbare ruimte zal leggen. Voorts vinden zij dat het schip te groot is voor de voorgenomen locatie en dat het niet bij de maritieme sfeer van deze locatie past. Ook wijzen zij op de slechte toegankelijkheid van het schip voor gehandicapten. Tevens stellen zij dat met het voorgenomen besluit een toevoeging van horecafunctie op water plaatsvindt. De reden hiervoor is dat ook horeca mogelijk blijft op de vorige locatie van ’t Pannekoekschip aan het Schuitendiep. Reactie college Het voorgenomen project past, anders dan indieners menen, bij uitstek in de Watervisie.

De Oosterhaven maakt onderdeel uit van de binnenstad en vormt een ‘stepping stone’ tussen Sontplein en binnenstad. Een pannenkoekenrestaurant past goed op deze plek. Niet alleen qua functie past het pannenkoekenschip goed in de Oosterhaven, ook qua grootte en uitstraling. Het voorgenomen besluit biedt de gemeente verder de mogelijkheid drie ligplaatsen in het Schuitendiep vrij te spelen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan gestelde ambities uit de Watervisie en Binnenstadsvisie. De Watervisie ziet onder meer op de transformatie van de Diepenring, waarbij het Schuitendiep (gedeelte tussen Steentilbrug en Poelebrug) als kansrijk wordt gezien om meer openbare plekken aan het water te maken. In de Watervisie en de beleidsnota zijn bedenkingen opgenomen met betrekking tot het plaatsen van terrassen aan de zogeheten Staande Mast Route. Deze zorgen hadden echter betrekking op het plaatsen van een terras op het water van de Aa. De onderhavige locatie ligt niet aan de Aa en onderscheidt zich ook inhoudelijk van die situatie. Er is hier geen smalle doorvaart, in combinatie met de locatie op de Staande Mast Route.3 Uit de ruimtelijke onderbouwing bij het voorgenomen besluit volgt dat er geen gevolgen zijn voor de doorvaarmogelijkheden van de Oosterhaven. Anders dan in de situatie waarnaar indieners verwijzen, levert het project dan ook geen nautische bezwaren op.

Het is op zichzelf juist dat de voorgenomen locatie in het verleden niet als potentieel geschikte locatie is benoemd. De opsomming van potentieel geschikte locaties is echter nooit als uitputtend bedoeld. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de huidige locatie geschikt is. De effecten van het voorgenomen besluit zijn aanvaardbaar en hebben geen aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg. Dat dit in het verleden mogelijk over het hoofd is gezien, is op zichzelf geen reden de aanvraag af te wijzen. Ten aanzien van de vergelijking met het terras op de Ludina wijst het college op de omstandigheid dat het terras op de Ludina een pilot betrof. Die pilot met het terras op de Ludina is niet verlengd, omdat als voorwaarde aan de pilot verbonden was dat deze niet zou worden verlengd. 4 Het gegeven dat de pilot destijds niet is verlengd levert dus geen (in)directe inhoudelijke aanwijzing op dat het onderhavige project niet ruimtelijk aanvaardbaar zou zijn. Integendeel, kan uit de ruimtelijke onderbouwing blijken dat dit wel het geval is. Met betrekking tot de Horecavisie merkt het college op dat deze moet worden gelezen in samenhang met de Binnenstadvisie, de Omgevingsvisie en de Watervisie. Zoals hierboven 3 4

Raadsvoorstel ‘Stimuleren van het watertoerisme in de gemeente Groningen’, p. 8. Collegebrief ‘Terras Ludina’, 18 april 2019.

6

in paragraaf 2.3 is opgemerkt, past het voorgenomen besluit uitstekend binnen de kaders van deze visies en is daarmee zeker ook niet strijdig. Anders dan indieners menen is ook niet juist dat nieuwe horeca op geen enkele wijze beslag mag leggen op openbare ruimte. In de Watervisie wordt juist nadrukkelijk de mogelijkheid open gehouden voor horeca op het water op andere locaties dan de huidige locatie van aanvrager aan het Schuitendiep. Maar wat daarvan zij: het betreft hier geen nieuwe horeca, maar een verplaatsing daarvan. Ten aanzien van de omvang van het schip merkt het college op dat uit de ruimtelijke onderbouwing bij het voorgenomen besluit blijkt dat het passend is voor de voorgenomen locatie. Verder past de Johanna ook bij de maritieme sfeer van de locatie. De Johanna is een driemaster uit 1939 die de uitstraling heeft van een authentiek schip. Verder merkt het college op dat een mogelijke beperkte toegang van het schip voor mindervaliden niet maakt dat de vergunning dient te worden geweigerd. Deze eigenschap is inherent aan het gebruik van schip als restaurant. De reden hiervoor is gelegen in de trappen in en op het schip. Daarbij bevindt de voorgenomen locatie zich buiten de jachthaven. Hierdoor doet het voorgenomen besluit niet af aan de toegankelijkheid van de jachthaven voor mindervaliden.

Tot slot wijst het college op de omstandigheid dat met het voorgenomen besluit geen toevoeging van horecafunctie op water plaatsvindt. Het gaat immers om een verplaatsing van bestaande horeca. Om zeker te stellen dat op de vorige locatie van ‘t Pannekoekschip niet langer horeca-activiteiten plaats kunnen vinden, heeft de raad op (…) een voorbereidingsbesluit genomen. Dit voorbereidingsbesluit heeft tot gevolg dat een aanhoudingsplicht geldt voor eventuele nieuwe aanvragen om een omgevingsvergunning voor horeca op de betreffende locatie. Dat betekent dat ter plaatse, zolang de voorbereidingsbescherming van toepassing is, geen horecaschapen kunnen worden vergund. Het komende bestemmingsplanregime zal dat voor de verdere toekomst onmogelijk maken. Daarmee is afdoende verzekerd dat op de oude locatie geen nieuw horecaschip zal worden vergund. Conclusie Het voorgenomen project past qua locatie, schip en activiteit uitstekend binnen zowel de Horecavisie, de Watervisie, de Binnenstadvisie als de Omgevingsvisie. De zienswijzen zijn ongegrond. 2.4 Provinciaal en rijksbeleid In een zienswijze wordt erop gewezen dat het voorgenomen besluit niet is getoetst aan het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (hierna: NWP) en aan de Basisvisie Recreatie toervaatnet 2015-2020 (hierna: BRTN). Dit maakt volgens de indieners van de zienswijze dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Reactie college Bij de voorbereiding van voorgenomen besluit is uitgebreid aandacht besteed aan verschillende wateraspecten. Zo is in paragraaf 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing een overzicht gegeven van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en van hoe in het plan wordt omgegaan met aspecten van water. Hierbij heeft evenwel inderdaad geen toets aan het NWP plaatsgevonden. Het NWP bevat immers het nationale waterbeleid en informatie over de uitvoerig hiervan in de rijkswateren. Het NWP richt zich derhalve niet tot lokale overheden en heeft ook geen betrekking op het onderhavige water. De BRTN is een convenant waarbij de provincies en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat partij zijn. De gemeente Groningen is dit niet. Aldus is ook de BRTN niet relevant voor het voorgenomen besluit. Het hoofddoel van de BRTN is om “het net van Nederlandse bevaarbare wateren te behouden en verder te ontwikkelen als één aantrekkelijk, gedifferentieerd en samenhangend recreatietoervaartnet”. In de ruimtelijke onderbouwing bij het voorgenomen besluit is toegelicht dat het voorgenomen project geen gevolgen heeft voor de doorvaarmogelijkheden van de Oosterhaven. De vaarweg wordt niet belemmerd en de remmingswerken van de Oosterhavenbrug en de kade blijven goed toegankelijk voor beheer en onderhoud. Materieel bestaat dus ook geen strijdigheid met dat convenant. 7

Conclusie Zowel de NWP als de BRTN zijn niet van toepassing op het voorgenomen besluit. De zienswijzen zijn ongegrond.

8

3. Locatiekeuze Samenvatting zienswijzen In verschillende zienswijzen wordt gesteld dat de locatie en eventuele alternatieve locaties in het voorgenomen besluit onvoldoende zijn onderzocht. Hierbij wordt opgemerkt dat in het verleden verschillende locaties zijn benoemd die geschikt zouden zijn voor horeca op het water. De huidige locatie is hierbij nooit genoemd. Reactie college Het college stelt voorop dat het moet beslissen op de aanvraag van de vergunning zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Wanneer het project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingen indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.5 In de ruimtelijke onderbouwing bij het voorgenomen besluit is uitgebreid toegelicht waarom de voorgenomen locatie geschikt is. Veel van de bezwaren zijn inherent aan een locatie in de binnenstad. De in enkele zienswijzen benoemde alternatieven bevinden zich alle eveneens in de binnenstad. Uiteraard treffen de gevolgen van het plan dan andere omwonenden, zodat een andere locatie voor de indieners zélf gunstiger is. Maar vanuit het perspectief van de afweging die het college dient te maken, zijn de nadelen van het project op alle locaties ongeveer dezelfde.

Indieners hebben het college niet kunnen overtuigen dat met een alternatieve locatie met aanmerkelijk minder bezwaren een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald. Conclusie Uit de ruimtelijke onderbouwing bij het voorgenomen besluit blijkt dat de voorgenomen locatie aan alle ruimtelijke vereisten voldoet. De gevolgen voor omwonenden zijn gelijk aan die op andere locaties in de binnenstad. Er is niet gebleken van (duidelijk) betere alternatieven. De zienswijzen zijn ongegrond.

5

ABRvS, 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830.

9

4. Draagvlak, participatie en ontbreken algemeen belang Samenvatting zienswijzen In de zienswijzen is aangegeven dat de voorgenomen verplaatsing van ‘t Pannekoekschip niet kan rekenen op enig draagvlak in en rondom de Oosterhaven en dat het college en de initiatiefnemer geen enkele moeite hebben genomen om enig draagvlak te creëren. Omwonenden geven in hun zienswijzen aan dat zij niet (tijdig) zijn geïnformeerd. Evenmin is sprake geweest van participatie. In de zienswijzen wordt verder naar voren gebracht dat niet duidelijk is welk algemeen belang is gediend met het initiatief. Het initiatief zou uitsluitend het zakelijk belang van de aanvrager dienen. In dat kader wordt gerefereerd aan een overeenkomst tussen de eigenaar van het schip en de gemeente. Reactie college In de brief van 18 maart 2021 en een persbericht van diezelfde datum6 zijn de omwonenden van Oosterhaven/Oosterkade geïnformeerd over het initiatief om het bedrijf ’t Pannekoekschip te verplaatsen naar de noordzijde van de Oosterhaven, nabij de Oosterhavenbrug. De brief is te vinden in bijlage 1 van deze nota. Na het bekend worden van het voornemen om de exploitatie te verplaatsen, is er veel correspondentie vanuit de omgeving Oosterhaven geweest. Naar aanleiding hiervan zijn meerdere gesprekken gevoerd met deze bewoners en ondernemers, zowel ambtelijk als bestuurlijk.

Op 8 april 2021 is gesproken met Jachthaven Oosterhaven en een vertegenwoordiging van de buurt. Ook heeft wethouder Van der Schaaf omwonenden op 7 juni 2021 bezocht in verband met het initiatief. Voorts hebben de omwonenden en ondernemers uit de omgeving hun standpunten op papier gezet en aan ons verstrekt, waarna op 20 december 2021 nogmaals een gesprek is geweest met de Jachthaven en een vertegenwoordiging uit de buurt. Voor een overzicht van de contactmomenten wordt verwezen naar paragraaf 5.1 van de ruimtelijke onderbouwing. Uiteindelijk hebben de gesprekken geleid tot een wijziging in de aanvraag voor een omgevingsvergunning. In plaats van een aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning én een aanvraag permanente omgevingsvergunning is nu één permanente omgevingsvergunning aangevraagd. Het college herkent zich niet in het beeld dat er geen enkele moeite zou zijn genomen om draagvlak te creëren en dat er geen sprake zou zijn geweest van (zinvolle) participatie. Verder is het niet juist dat het initiatief enkel tegemoet zou komen aan de (zakelijke) belangen van de aanvrager. Het gaat hier, integendeel, primair om een algemeen belang. De verplaatsing van de exploitatie van ’t Pannekoekschip is een kans voor de gemeente om drie ligplaatsen tussen de Kattenbrug en de Poelebrug (binnenstadszijde) vrij te spelen.

Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de gestelde ambities uit de Watervisie Groningen, ‘Koersen op water’ (april 2017), waarin wordt gesproken over de transformatie van de Diepenring, waarbij het Schuitendiep als kansrijk wordt gezien om meer openbare plekken aan het water te maken. De ontwikkeling biedt voorts ruimte om van de Diepenring meer een verblijfsplek te maken, zoals in het raadsinitiatiefvoorstel ‘Van verdeelring tot verblijfsruimte, een nieuwe visie voor de diepenring’ (juni 2021) wordt voorgesteld. Conclusie Omwonenden zijn op diverse momenten in het proces geïnformeerd over de ontwikkelingen door middel van correspondentie en meerdere gesprekken, zowel ambtelijk als bestuurlijk. Het college is van mening dat er voldoende mate is voorzien in informatieverstrekking aan de omwonenden. Het eventueel ontbreken van draagvlak (in de onmiddellijke omgeving), als zodanig, betekent ook niet dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en planologische medewerking moet worden 6

https://ruimtevoorjou.groningen.nl/nieuws-item/t-pannekoekschip-verhuist-naar-noordzijde-oosterhaven/.

10

geweigerd.7 Ook komt het initiatief tegemoet aan het algemeen belang vanwege de vrijkomende ligplaats in het Schuitendiep. De zienswijzen zijn ongegrond.

7

ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2789 en ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1702.

11

5. Evenredigheidsbeginsel Samenvatting zienswijzen Diverse betrokkenen merken op in hun zienswijze dat zij ervan overtuigd zijn dat het voorgenomen besluit de toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zal kunnen doorstaan en dat de omgevingsvergunning om die reden niet kan worden verleend. Zij hebben ernstige twijfels als het gaat om de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het voorgenomen besluit. In dat kader wordt het volgende naar voren gebracht. In het ontwerpbesluit zou amper aandacht zijn besteed aan de belangen van de betrokken ondernemers, terwijl deze aanzienlijk zullen worden benadeeld als gevolg van de voorgenomen verplaatsing van het horecaschip. In de zienswijze wordt meer in het bijzonder ingegaan op de aanzienlijke (financiële) schade die zou worden geleden door de Jachthaven en Hanzecharter VOF. De schade van de Jachthaven zou bestaan uit investeringen die kort geleden zijn gedaan en niet terugverdiend kunnen worden, en het mislopen van toekomstige inkomsten doordat de Jachthaven niet in staat zal zijn grotere jachtschepen te kunnen accommoderen in de haven. Voor Hanzecharter VOF heeft de verplaatsing van het horecaschip tot gevolg dat er geen geschikte ligplaats zal zijn waar zij kan overwinteren.

Daarnaast zouden ook de belangen van de Bruine Vloot en van omwonenden aanmerkelijk worden geraakt als gevolg van het initiatief, doordat dit zorgt voor het verdwijnen van een zestal ligplaatsen voor charterschepen. Het college dient uit te leggen waarom het belang van de aanvrager boven de belangen van de betrokken ondernemers dient te worden gesteld en waarom de benadeling van de betrokken ondernemers kan worden gerechtvaardigd. Verder wordt in de zienswijze naar voren gebracht dat in het ontwerpbesluit opzettelijke onjuistheden zouden staan over de contractuele relatie met de Jachthaven en het gebruik van de kade door Hanzecharter VOF. Daarnaast zou enige noodzaak tot verplaatsing van de exploitatie van ’t Pannekoekschip ontbreken. Het initiatief zou in plaats van het algemeen belang uitsluitend het zakelijke belang van de aanvrager dienen. Het college dient de noodzaak van de verplaatsing te onderbouwen en toe te lichten waarom de exploitatie van het huidige schip op de huidige locatie niet mogelijk is. Reactie college Het college wijst erop dat indieners in dit onderdeel in feite deels hun ruimtelijke bezwaren tegen het plan herhalen. Dat de ruimtelijke uitstraling van het plan aanvaardbaar is – en dus in die zin hen niet onevenredig treft – volgt uit de ruimtelijke onderbouwing en de toetsing daarvan in het besluit.

Dat zij die uitstralingseffecten anders wegen is voorstelbaar, maar met een beroep op het onevenredigheidsbeginsel hebben deze en dergelijke bezwaren evenwel niets van doen. Waar het gaat om de weging van de ondernemersbelangen is voorts nog van belang dat het college een afweging moet maken op grond van artikel 2.12 Wabo en artikel 3:4 lid 1 Awb. Daarbij zijn ruimtelijke relevante belangen doorslaggevend. De ruimtelijk relevante belangen van de ondernemers en de bewoners in de omgeving zijn wel degelijk betrokken in de besluitvorming. Alvorens medewerking te verlenen aan de verplaatsing van het horecaschip, is (onder meer) onderzocht of de beoogde ontwikkeling al dan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie van omwonenden, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Gebleken is dat het woon- en leefklimaat van de omwonenden niet (onaanvaardbaar) wordt aangetast. Evenmin wordt het vestigingsklimaat van bestaande en nieuwe bedrijven aangetast. De uitvoering van bedrijfsmatige activiteiten en ook het vestigen van nieuwe bedrijven blijft zonder meer mogelijk.

Dit komt onder meer door de ruime afstand van het schip tot de aanwezige bebouwing op de kades (Oosterkade en Oosterhaven) en de geringe ruimtelijke effecten zoals beschreven in de ruimtelijke onderbouwing. 12

Het college onderkent dat de verplaatsing van het horecaschip enige gevolgen zal hebben voor de betrokken (scheeps)ondernemers, maar deze gevolgen zijn naar de visie van het college niet zodanig dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend. Ten aanzien van de exploitatie van de Jachthaven wordt opgemerkt dat de overeengekomen gebruiksruimte niet wordt beïnvloed door de komst van het horecaschip. Zoals ook beschreven in paragraaf 7 van deze zienswijzennota is met de jachthaven een huurovereenkomst gesloten voor een perceel water ter grootte van 2.950 m². Van deze gebruiksruimte kan de jachthaven, ook na de verplaatsing van het horecaschip, onverminderd gebruik maken. Daar komt bij dat de nabijheid van horeca de jachthaven juist aantrekkelijker kan maken voor passanten die in de jachthaven verblijven. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de Jachthaven haar investeringen niet zou kunnen terugverdienen als gevolg van de verplaatsing van het horecaschip. Bovendien zal een ondernemer rekening moeten houden met algemene maatschappelijke ontwikkelingen. Voor zover de Jachthaven toekomstige inkomsten misloopt, dan valt dit onder het normale ondernemersrisico en is dat geen reden de planologische medewerking te weigeren.

Voor wat betreft de ligplaats van overwinterende charterschepen, waaronder de Bruine Vloot, zal de gemeente zich inspannen om de eigenaren van de betreffende schepen een passende alternatieve ligplaats aan te bieden. In paragraaf 7 van deze nota is aan de orde gesteld dat de mogelijkheid om aan de kade aan te meren geen exclusief recht behelst. Het betreft een algemene afmeerlocatie op grond van het Aanwijsbesluit behorende bij de Verordening openbaar vaarwater van de gemeente. De ligplaatsen in de Oosterhaven zijn daarmee te vergelijken met openbare parkeerplaatsen, maar dan voor schepen. Van een onevenredige benadeling van overwinterende schepen is dan ook geen sprake. Dit geldt ook voor ligplaatsen van toeristische schepen in de zomermaanden. Het college deelt, als eerder in deze nota naar voren gebracht, niet dat het initiatief slechts aan de zakelijke belangen van de aanvrager tegemoetkomt. Integendeel: met de verplaatsing van het horecaschip is primair het algemeen belang gediend. Ter voorkoming van herhaling wordt verwezen naar de toelichting in paragraaf 4 ‘Draagvlak, participatie en ontbreken algemeen belang’. Het enkele feit dat er geen noodzaak bestaat om het schip te verplaatsen doordat de exploitatie van het huidige schip op de huidige locatie mogelijk is, doet hier niet aan af.

Met die verplaatsing wordt invulling gegeven aan een door het college en de raad gewenste ruimtelijke ontwikkeling op de Diepenring. Conclusie De relevante belangen van de betrokkenen ondernemers en omwonenden zijn wel degelijk betrokken in de belangenafweging. Van een onevenredige benadeling is geen sprake. De zienswijzen zijn ongegrond.

13

6. Ladder duurzame verstedelijking Samenvatting zienswijzen Verschillende betrokkenen merken op in hun zienswijze dat de ladder voor duurzame verstedelijking had moeten worden doorlopen, omdat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte wordt uitgegaan dat de horecafunctie verplaatst wordt. Volgens hen is hiervan geen sprake omdat de horecafunctie aan het Schuitendiep blijft bestaan. Dit betekent een toevoeging van 510 m² aan nieuwe horeca, waardoor de grens van 500 m² wordt behaald. Het gevolg van deze omissie is dat de behoefte aan deze nieuwe ontwikkeling in het geheel niet is onderbouwd door de aanvrager. Reactie college: De ladder-toets voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit rechtspraak volgt dat een als sprake is van een stedelijke voorziening met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², die ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.8 Anders dan de indieners van de zienswijze stellen, ziet het college de onderhavige ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling, op de gronden zoals opgenomen in paragraaf 4.1 van de ruimtelijke onderbouwing.

De ontwikkeling betreft namelijk niet een uitbreiding, maar een verplaatsing van een bestaande horecagelegenheid.9 Daarbij wordt weliswaar een nieuw schip gebruikt voor een nieuwe locatie, het oude schip op de oude locatie verdwijnt. Verder geldt dat het nieuwe schip hoogstens iets groter is dan het reeds bestaande horecaschip aan het Schuitendiep. De netto-toename van het bruto-vloeroppervlakte ten opzichte van het huidige schip is beperkt, zodat de voorziene ontwikkeling niet zodanig substantieel is dat deze als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt. Het gaat daarbij bovendien wel degelijk om een verplaatsing, omdat de mogelijkheid om een horecaschip op de oude locatie te realiseren verdwijnt. Dat is onder meer verzekerd door een voorbereidingsbesluit van de raad en de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan ter plaatse. Conclusie De ladder-toets voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op het initiatief. De zienswijze is ongegrond.

8

Zie de overzichtsuitspraak: ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724. Zie ook: Nota van toelichting, Stb. 2017/182, p. 9: “Ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor ruimteregelingen, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder”. 9

14

7. Evidente privaatrechtelijke belemmering Samenvatting zienswijzen In de zienswijzen wordt opgemerkt dat het college niet in redelijkheid tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning kan overgaan, omdat sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De evidente privaatrechtelijke belemmering zou bestaan uit de omstandigheid dat Jachthaven en Hanzecharter VOF op grond van de met de gemeente gesloten overeenkomsten, gerechtigd zijn tot het gebruik van de projectlocatie. In dat kader wordt verwezen naar de met ingang van 1994 gesloten huurovereenkomst tussen Jachthaven en de gemeente en de in 2006 aan Hanzecharter toegewezen ligplaats aan de kade tegenover Oosterhaven nummer 14. Reactie college Met de exploitanten van de jachthaven is in 1994 een huurovereenkomst afgesloten voor een perceel water ter grootte van 2.950 vierkante meter. Het perceel waar het horecaschip is geprojecteerd valt binnen een aanvullende afspraak met de jachthaven waarbij de huurovereenkomst is uitgebreid, zoals weergegeven in de brief van 21 juni 1994. Daarin is tevens bepaald dat voor het gedeelte van de kade tussen de Oosterhavenbrug en de jachthaven geldt, dat het gebruik van de genoemde kades niet kan worden voortgezet indien de gemeente aangeeft over een van de kades te willen beschikken. Deze situatie doet zich in dit geval voor.

Om die reden is bij brief van 25 april 2022 de huurovereenkomst gedeeltelijk opgezegd met ingang van 1 september 2022. Het college meent dat het voorgaande geen evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert voor de vergunningverlening. Meer in algemene zin is het enkel bestaan van een contractuele relatie nog niet genoeg om te spreken van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Evenmin levert de huurovereenkomst tussen Jachthaven en de gemeente een evidente belemmering op, omdat deze rechtsgeldig is opgezegd. Het college vindt daarvoor steun in rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 10 Bovendien kan geen sprake zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering, aangezien er verschil van mening bestaat over de contractuele afspraken. De jachthaven heeft aangekondigd zich te zullen verzetten tegen de gedeeltelijke opzegging van de huurovereenkomst. Hierdoor is niet zonder meer uitgesloten dat een civiele procedure zal worden gestart. In kader verdient het opmerking dat de in de zienswijze genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam in dit geval toepassing mist.11 In die procedure was namelijk sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering, vanwege een uitspraak van de civiele rechter over de rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst. 12 In tegenstelling tot die zaak, ontbreekt een dergelijk oordeel in dit geval.

Het is in de eerste plaats aan de civiele rechter om te beoordelen of de gedeeltelijke opzegging van de huurovereenkomst een privaatrechtelijke belemmering oplevert die aan de vergunningverlening in de weg staat. In de zienswijze wordt voorts ten onrechte gesteld dat tussen Hanzecharter en de gemeente een overeenkomst zou zijn gesloten voor een ligplaats aan de kade tegenover Oosterhaven nummer 14 dan wel dat in 2006 deze ligplaats zou zijn toegezegd. Van een privaatrechtelijke betrekking tussen de gemeente en Hanzecharter is geen sprake. Hanzecharter maakt met haar schip ‘Quo Vadis’ gebruik van de mogelijkheid om tijdens de winterperiode jaarlijks aan te meren aan de kade. Dit betreft geen exclusief recht voor Hanzecharter, maar een algemene afmeerlocatie op grond het Aanwijsbesluit behorende bij de Verordening openbaar vaarwater van de gemeente. De ligplaatsen in de Oosterhaven zijn daarmee te vergelijken met openbare parkeerplaatsen, maar dan voor schepen. De omstandigheid dat Hanzecharter staat ingeschreven op de kade tegenover Oosterhaven nummer 14 en dat het schip ‘Quo Vadis’ ter plaatse regelmatig heeft gelegen, laat dit onverlet. Er is hier dus reeds geen evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat er geen privaatrechtelijke betrekking bestaat tussen Hanzecharter en de gemeente.

10

ABRvS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2527, r.o. 4.2; ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1085, r.o. 6.2; ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971, r.o. 9. 11 12

Rb. Amsterdam 5 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2019:8406. Rb. Amsterdam 5 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2019:8406.

15

Conclusie Er bestaan geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen die aan een verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. De zienswijzen zijn ongegrond.

16

8. Collegebezwaren (parkeren, parkeerbeleid) Samenvatting zienswijze In een zienswijze wordt aangegeven dat in de ruimtelijke onderbouwing niet of niet voldoende duidelijk antwoord is gegeven op de vragen die het college bij brief van 6 januari 2022 heeft gesteld. Het college zou hebben nagelaten te controleren of de aanvrager zijn aanvraag naar aanleiding hiervan heeft aangepast of aangevuld. Omwonenden van de Oosterhaven maken zich ernstige zorgen over de gevolgen van het initiatief voor de verkeers- en parkeersituatie. Daarnaast achten zij het beslag dat het initiatief zal leggen op de openbare ruimte in verband met het fietsparkeren onacceptabel. Uit de aanvraag zou niet blijken dat er nabij het havenkantoor voldoende capaciteit is voor 34 fietsen. Bovendien zou in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening zijn gehouden met de ondergrondse container en twee looproutes (via de trap vanaf de brug en de looproute onder de brug) die bereikbaar moeten blijven. Reactie college Naar aanleiding van de vragen van het college heeft de aanvrager zijn ruimtelijke onderbouwing gewijzigd met een aanvullende onderbouwing op de betreffende aspecten. Het college heeft aan de aanvrager voorts meerdere vragen gesteld over parkeren in de brede zin, met als doel om een goed totaalbeeld te krijgen over de toekomstige parkeersituatie.

In de aangepaste ruimtelijke onderbouwing is voldoende toegelicht en aannemelijk gemaakt dat de toekomstige parkeersituatie niet tot onveilige situaties of tot parkeeroverlast leidt. Het college heeft ook een second opinion over de aanvullende ruimtelijke onderbouwing gevraagd die ingaat op (fiets)parkeren, zie bijlage 2. Daarin is getoetst aan gemeentelijk (parkeer)beleid, de parkeerdruk in de omgeving en het gestelde in de ingekomen zienswijze. Uit dit onderzoek blijkt dat voldoende ruimte beschikbaar is voor het parkeren van fietsen en auto’s. Ook de parkeerdruk valt in een worst-case scenario nog onder de 80% die de gemeente Groningen hanteert als grens voor de parkeerdruk en is daarmee acceptabel. Voor het fietsparkeren kan de meeste ruimte worden gevonden bij de zuidzijde van het havenkantoor aan de Oosterkade. Hier is circa 32 m² beschikbaar voor fietsen, zonder dat hiermee de looproutes worden belemmerd. Volgens de second opinion zijn 36 fietsparkeerplekken benodigd voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit zijn twee fietsparkeerplekken meer dan de 34 fietsparkeerplekken die aanvankelijk als uitgangspunt zijn genomen in de ruimtelijke onderbouwing. De zuidzijde van het havenkantoor biedt ruimte voor in totaal 36 extra fietsparkeerplekken in de vorm van 18 fietsnietjes. Bijlage 2 bevat een specificatie van het gebruik van de ruimte bij het havenkantoor.

Daarnaast is in de openbare ruimte op overige plekken ruimte voor een of meerdere fietsen. Het college blijft daarom van mening dat aan de parkeervraag voor fietsen wordt voldaan. Met betrekking tot het autoparkeren geldt dat het initiatief is getoetst aan de parkeernormen zoals vastgelegd in de Beleidsregel parkeernormen 2021 (versie februari 2022). In dat kader merkt het college op dat het initiatief in het ontwerpbesluit abusievelijk is getoetst aan het bestemmingsplan Facetherziening Parkeren, op grond waarvan de Beleidsregel parkeernormen 2012 als uitgangspunt is genomen. Het Bestemmingsplan Facetherziening Parkeren is echter niet van toepassing op het vigerende bestemmingsplan Openbaar Vaarwater 2019, zodat getoetst moet worden aan de meest recente beleidsregel. Uit de second opinion blijkt dat voor dit initiatief circa 41 parkeerplaatsen zijn benodigd. Dit is lager dan het gestelde in de ruimtelijke onderbouwing. In de Beleidsregel parkeernormen 2021 is vastgelegd dat initiatiefnemers bij nieuwe ontwikkelingen zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen van de parkeerbehoefte en deze parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. Er is geen autoparkeergelegenheid te realiseren op eigen terrein. De 17

parkeerbehoefte kan echter voldoende worden opgevangen in de omgeving, namelijk in de (betaalde) parkeergarage Damsterdiep. Deze is op een acceptabele loopafstand gelegen. Van een grote toename aan parkeerbehoefte zal geen sprake zijn, aangezien bezoekers van het huidige horecaschip ook voornamelijk gebruik maken van deze garage. Daarnaast is er een parkeerplaats aan het Sontplein op circa 400 meter loopafstand. Deze ligt daarmee iets buiten de acceptabele loopafstand van 300 meter, maar kan een goed alternatief zijn voor bezoekers om te parkeren. Verder is in de second opinion opnieuw de bezettingsgraad van de parkeergarage Damsterdiep en aan de Oosterkade en Damsterkade inzichtelijk gemaakt. In het worst-case scenario, als alle bezoekers ervoor kiezen om op straat te parkeren tijdens een werkavond, komt de parkeerdruk op 79%. Dit valt nog onder de grens die de gemeente Groningen hanteert voor de parkeerdruk conform de Beleidsregels parkeernorm 2021. Conclusie Uit het parkeeronderzoek blijkt dat de parkeersituatie aanvaardbaar is. Er is voldoende ruimte voor fietsparkeren en ook kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. De parkeerdruk blijft in een worst-case scenario onder de grens die de gemeente Groningen hanteert voor de parkeerdruk en is daarmee acceptabel. De zienswijzen zijn ongegrond.

18

9. Verboden staatssteun Samenvatting zienswijzen In een zienswijze wordt opgemerkt dat de gemeente alle kosten die noodzakelijk zijn voor het aansluiten van het bouwwerk voor haar rekening zal nemen. Indieners stellen dat dit leidt tot bevoordeling van een ondernemer ten opzichte van andere ondernemers. Ook blijkt hieruit dat het college ten onrechte aan de raad heeft vermeld dat de bouwwerken om niet zijn aangekocht. Tevens blijkt uit de aanvraag niet of de aanvrager überhaupt huur aan de gemeente gaat betalen. Dit alles maakt dat artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) wordt geschonden. Verder speelt de omstandigheid dat de onderneming eerder niet levensvatbaar is geleken. Dit roept de vraag op of de investeringen van de gemeente gerechtvaardigd kunnen worden. Indieners roepen voorts in deze context ook de vraag op of dit initiatief levensvatbaar is. Reactie college Het college stelt voorop dat de eventuele verlening van staatssteun niet relevant is in het kader van voorgenomen besluit. Het voorgenomen besluit betreft immers een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c jo. artikel 2.12 lid 1 onder a onderdeel 3 Wabo. Uit deze artikelen volgt dat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing dient te bevatten. Het al dan niet bestaan van staatssteun is geen aspect van ruimtelijke ordening.

Overigens is bij de aanleg van de voorzieningen geen sprake van staatssteun. De aanvrager beschikte op de vorige locatie reeds over de voorzieningen die de gemeente bij de nieuwe locatie aan zal leggen. De oude locatie wordt – vanuit een oogpunt van het daarmee gemoeide openbaar belang – voor de nieuwe locatie ingeruild. Derhalve wordt de aanvrager niet bevoordeeld. Verder wijst het college op de omstandigheid dat zelfs als de aanleg van de voorzieningen toch als staatssteun zou kwalificeren, nog altijd geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. De kosten van de aanleg van de voorzieningen worden geraamd op € 30.000,- tot € 40.000,-. Gelet op dat relatief zeer geringe bedrag heeft de eventuele staatssteun geen invloed op de handel tussen lidstaten. Dat bedrag wordt te laag geacht om belemmeringen op te werpen voor de vestiging van ondernemingen uit andere lidstaten. Ook hebben de door de aanvrager geleverde goederen en diensten slechts een beperkt geografisch aantrekkingsgebied. In het verlengde hiervan heeft het voorgenomen besluit niet meer dan een marginaal effect op de markten en consumenten uit aangrenzende lidstaten. Dit alles maakt dat het voorgenomen besluit een puur lokaal karakter heeft. Dit zou eerst anders zijn indien de vermeende staatssteun meer bedraagt dan € 200.000,-.13 Daarvan is echter geen sprake.

Tot slot wijst het college op de het gegeven dat de aanvrager reeds sinds jaren op succesvolle wijze een pannenkoekenschip in de Groningse binnenstad uitbaat. Het faillissement waar betrokkenen op wijzen heeft plaatsgevonden in een andere setting. Het betreffende schip lag niet in Groningen, maar in Almere. Hierbij was het schip verder van het centrum verwijderd dan hier het geval zal zijn. Het college ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de levensvatbaarheid van de onderneming van de aanvrager van de voorgenomen vergunning. Conclusie Het college is van mening dat het verstrekken van staatssteun geen rol speelt bij het voorgenomen besluit. Ook ziet het college geen aanleiding om te twijfelen aan de levensvatbaarheid van de onderneming van de aanvrager. De zienswijzen zijn ongegrond.

13

Zie bijv. Rb. Den haag, 30 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15812 & VERORDENING (EU) 1407/2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

19

10. Geluid, geur en verlichting Samenvatting zienswijzen In meerdere zienswijzen zijn zorgen geuit over het mogelijk ondervinden van overlast door toedoen van geluid, geur en/of verlichting. Hierbij blijkt volgens de indieners van deze zienswijzen niet dat bij de ruimtelijke onderbouwing rekening is gehouden met de invloed die het water op het overbrengen van geluid heeft. Ook is hierin geen aandacht geschonken aan mogelijke geuroverlast. Verder wordt gewezen op de omstandigheid dat uit het voorgenomen besluit niet blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de verlichting van het schip. Hierbij vrezen indieners met name overlast door de mastverlichting. Reactie college Bij dit project worden de richtafstanden uit de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering niet overschreden. Daarmee bestaat als regel geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van (in dit geval) de aspecten geur en geluid. Ten overvloede heeft niettemin een deskundig bureau uitgebreid akoestisch onderzoek verricht naar mogelijke geluidsoverlast. Daaruit volgt dat het voorgenomen project geen, uit een oogpunt van woon- en leefklimaat, onaanvaardbare geluidhinder oplevert. Ten aanzien van geuroverlast is in de ruimtelijke onderbouwing gekeken naar zowel mogelijke geuroverlast bij de dichtstbijzijnde woonbestemming als bij de jachthaven.

Hierbij is wederom uitgegaan van de richtafstanden (en daarmee corresponderende grenswaarden) uit de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering. Van een aantasting van woon- en leefklimaat vanwege geur is geen sprake. Het college bevestigt dat in het voorgenomen besluit geen directe aandacht is geschonken aan de mogelijke gevolgen van de mastverlichting van het schip. De mastverlichting van het schip maakt immers geen deel uit van de aanvraag. Om die reden kan het college ook niet in zijn oordeel betrekken of eventuele, maar niet in de aanvraag opgenomen mastverlichting mogelijkerwijs onaanvaardbare lichthinder zou opleveren. Het college ziet overigens geen reden om aan te nemen dat eventuele mastverlichting in aanmerking te nemen lichthinder zou opleveren. De locatie ligt in stedelijk gebied. Hier is reeds veel verlichting. Verder wijst het college op de aanwezigheid van meerdere lantaarnpalen tussen de projectlocatie en de dichtstbij gelegen woningen. Tot slot wijst het college op de omstandigheid dat op degene die verlichting gebruikt een zorgplicht rust. Uit deze zorgplicht volgt dat lichthinder dient te worden voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, lichthinder tot een aanvaardbaar niveau dient te worden beperkt.14 Ook dat maakt dat niet aannemelijk is dat het project zodanig lichthinder zou betekenen dat het afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Conclusie De voorgenomen vergunning zal enig extra geluid en geur met zich meebrengen. Dat blijft echter binnen de hiervoor gestelde wettelijke kaders en betekent ook geen inbeuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse. De mastverlichting maakt geen deel uit van de aanvraag, zodat het bestreden besluit die verlichting als zodanig niet toestaat. De gemeente ziet overigens geen aanleiding om aan te nemen dat eventuele mastverlichting aanleiding zou kunnen geven de vergunning te weigeren. De zienswijzen zijn ongegrond.

14

Artikel 2.1 lid 2 onder h Activiteitenbesluit milieubeheer.

20

BIJLAGEN

1. brief aan omwonenden d.d. 18 maart 2021 2. second opinion parkeeronderzoek Oosterkade 3. geanonimiseerde zienswijzen

21

Bijlage 1 - brief aan omwonenden d.d. 18 maart 2021

22

23

Bijlage 2 - second opinion parkeeronderzoek Oosterkade

HaskoningDHV Nederland B.V. Mobility & Infrastructure

Notitie / Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Goedgekeurd door:

Gemeente Groningen Inge de Vries, Haitze Witteveen 21 oktober 2022 Peter Traas BL4633-MI-NT-221006-1339 Projectgerelateerd Peter Traas

Onderwerp:

Second opinion aanvullend parkeeronderzoek Oosterkade

Inleiding Aanleiding Exploitanten van restaurant ’t Pannekoekschip te Groningen, gelegen aan het Schuitendiep 1017, zijn voornemens om met een ander schip de horecagelegenheid voort te zetten. De horecagelegenheid wil zich hiervoor vestigen op een nieuwe locatie aan de Oosterhaven, nabij de Oosterhavenbrug te Groningen. Het huidige bestemmingsplan, 'Openbaar Vaarwater 2019', laat die activiteit op deze nieuwe locatie echter niet toe. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd worden. Ten behoeve daarvan moet gemotiveerd worden dat met de afwijking sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een van de onderdelen vanuit deze ruimtelijke onderbouwing betreft (fiets)parkeren. Figuur 1 Planlocatie (aangegeven in het rode kader)

24

Het ontwerpbesluit voor verplaatsing exploitatie ’t Pannekoekschip heeft onlangs ter inzage gelegen. Hier zijn een aantal zienswijzen op gekomen. In een aantal zienswijzen wordt ingegaan op de mogelijke parkeeroverlast. Vraagstelling De gemeente Groningen heeft ten behoeve van de gewenste ontwikkeling een ruimtelijke onderbouwing laten opstellen die ingaat op (fiets)parkeren. De gemeente heeft RHDHV gevraagd om een second opinion uit te voeren voor deze ruimtelijke onderbouwing. Specifiek is gevraagd om de onderbouwing te toetsen aan: ◼

Gemeentelijk (parkeer)beleid;

◼

Parkeerdruk in de omgeving;

◼

Het gestelde in de ingekomen zienswijze.

Ook is er een locatiebezoek uitgevoerd. Voorliggende memo bespreekt het resultaat van deze toets.

1

Gemeentelijk parkeerbeleid en parkeerkencijfers

1.1

Fietsparkeren

1.1.1

Ruimtelijke onderbouwing

Het fietsparkeerbeleid van de gemeente Groningen in opgenomen in de Fietsstrategie 2015-2025 en de 'Beleidsregels parkeernormen 2021 (versie 3 februari 2022)’. De gemeente benoemd hierin als uitgangspunt voor fietsparkeren dat dit door middel van gedragsbeïnvloeding via aantrekkelijke voorzieningen en innovatieve maatregelen opgelost moet worden. Zonder hierbij stallingsmogelijkheden af te dwingen. Specifiek met betrekking tot fietsparkeren in de binnenstad zijn hiervoor 3 mogelijke parkeerduren benoemd: ◼

Kort parkeren: flexibel oplossen in de openbare ruimte;

◼

Middellang parkeren: vaste voorzieningen in de openbare ruimte;

Lang parkeren: kwalitatief hoogwaardige fietsenstallingen, inpandig of ondergronds. Belangrijk is dat kort en middellang gratis blijft. ◼

In de ruimtelijke onderbouwing wordt genoemd dat er voor het bezoek aan de horecagelegenheid (in deze ’t Pannekoekschip) wordt uitgegaan van kort parkeren en dat dit flexibel opgelost wordt in de openbare ruimte. In de omgeving van het projectgebied zijn hier verschillende locaties voor geschikt. De meeste ruimte kan gevonden worden bij het havenkantoor aan de Oosterkade 14. Hier is zo'n 32 m2 beschikbaar voor fietsen, zonder dat hiermee de looproutes (trottoir aan straatkant en looproute richting trap naar Oosterhavenbrug) belemmerd worden. Deze plek biedt ruimte aan circa 20 fietsen. Verder is aan de noordzijde van het havenkantoor ruimte om fietsen te stallen. ◼

Daarnaast is in de openbare ruimte op overige plekken ruimte voor een of meerdere fietsen. ◼

Bijlage I toont een specificatie van het gebruik van de ruimte bij het Havenkantoor. Volgens nader onderzoek van de gemeente kunnen hier totaal 36 extra fietsparkeerplekken worden gerealiseerd, in de vorm van 18 fietsnietjes. 25

Het CROW (fietsberaad februari 2019, versie 3) heeft vuistregels en kengetallen aangereikt voor het aantal benodigde fietsparkeervoorzieningen. De horecagelegenheid wordt geclassificeerd als een eenvoudig restaurant binnen de bebouwde kom. Het schip heeft 62 zitplaatsen op het dek; binnen is ruimte voor circa 175 personen. In totaal zijn er dus 237 stoelen. Het CROW geeft voor 50 stoelen bij een eenvoudig restaurant een kencijfer van 7. ◼

Voor de horecagelegenheid, die 237 stoelen heeft, komt dit neer op circa 34 benodigde fietsparkeerplaatsen. Dit kengetal gaat er daarmee vanuit dat circa 14% van de bezoekers per fiets komt. Dit percentage is vrijwel gelijk aan de modal split van het huidige pannenkoekschip, waar ongeveer 70% van de bezoekers per auto komt, ongeveer 15% per fiets en 15% te voet of met het OV. ◼

1.1.2

Onze zienswijze

Wanneer voor kort parkeren wordt uitgegaan van <1 uur dan lijkt middellang parkeren voor een restaurantbezoek ons beter passend. En moeten er (conform Fietsstrategie 2015-2025) vaste fietsparkeervoorzieningen worden getroffen. De kencijfers van gemeente Groningen voor aan te leggen fietsparkeerplaatsen voor een horecagelegenheid binnen de bebouwde kom (conform 'Beleidsregels parkeernormen 2021) zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 Kencijfers fietsparkeren Gemeente Groningen per 100m2 bvo (*inclusief terras)

De gemeente gaat uit van 3 mogelijke parkeerzones. Het projectgebied aan de Oosterkade valt binnen zone B.

Figuur 1 Zonering t.b.v parkeren

26

De horecagelegenheid bestaat uit circa 510 m2 bruto vloeroppervlakte. Conform de richtlijnen van gemeente Groningen komt dit neer op 36 fietsparkeerplekken. Dit zijn 2 fietsparkeerplekken meer dan aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing. Dit vormt geen probleem aangezien nabij het Havenkantoor in de parkeerbehoefte kan worden voorzien (bijlage I)

Figuur 2 Parkeervoorzieningen noordzijde havenkantoor

1.1.3

Deelconclusie

Volgens de ruimtelijke onderbouwing zijn er 34 fietsparkeerplekken nodig. Echter, de horecagelegenheid bestaat uit circa 510 m2 bruto vloeroppervlakte. Conform de richtlijnen van gemeente Groningen komt dit neer op 36 fietsparkeerplekken. Dit zijn 2 fietsparkeerplekken meer dan aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing. Wanneer voor kort parkeren (volgens ruimtelijke onderbouwing) wordt uitgegaan van <1 uur dan lijkt middellang parkeren voor een restaurantbezoek ons beter passend. En moeten er (conform Fietsstrategie 2015-2025) vaste fietsparkeervoorzieningen worden getroffen. Vanwege ruimtegebrek op de kade (en eventuele hinder voor voetgangers) wordt dit om- en nabij het Havenkantoor geregeld, in de vorm van 18 fietsnietjes. Totaal is er dan ruimte voor 36 fietsen, waarbij dus aan de parkeervraag wordt voldaan.

1.2

Autoparkeren

1.2.1

Ruimtelijke onderbouwing

Aantal parkeerplaatsen Bij een nieuw initiatief moeten de door de raad vastgestelde parkeernormen worden gehanteerd, als vastgelegd in de 'Beleidsregels parkeernormen 2021 (versie februari 2022)'. In de beleidsregels is vastgelegd dat initiatiefnemers bij nieuwe ontwikkelingen zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen van de parkeerbehoefte en deze parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgelost. Het toepassen van de parkeernormen moet een positieve invloed hebben op de bereikbaarheid, leefbaarheid en de economische ontwikkeling van de stad. De parkeernormen voor horecavoorzieningen zijn inclusief de parkeerbehoefte van bezoekers en personeel. Voor horecavoorzieningen zijn de parkeernormen opgenomen in een aparte tabel. Hieruit volgt dat voor 'horeca - 2' (restaurants, bistro's en eetcafés waar ter plaatse gegeten wordt) in zone B een parkeernorm van 8 per honderd vierkante meter grondoppervlakte geldt. In totaal is sprake van circa 510 m2 bruto vloeroppervlakte. Voor onderhavig initiatief komt dit neer op circa 41 benodigde parkeerplaatsen. 27

Locatie Er is geen autoparkeergelegenheid te realiseren op eigen erf/terrein. De parkeerbehoefte kan echter voldoende worden opgevangen in de omgeving, namelijk in de (betaalde) parkeergarage Damsterdiep (aan het Damsterplein 5). De parkeergarage heeft voldoende capaciteit om de parkeerbehoefte op te vangen. Daarnaast maken bezoekers van het huidige pannenkoekschip ook voornamelijk gebruik van deze parkeergarage, dus van een grote toename aan parkeerbehoefte is ook geen sprake. Loopafstand De parkeergarage is op circa 180 meter lopen van het projectgebied gelegen. Conform de Beleidsregels Parkeernormen 2021 van de gemeente Groningen is een acceptabele loopafstand voor de functie 'ontspanning' 300 meter. De parkeergarage Damsterdiep is binnen deze richtafstand gelegen en kan dus gebruikt worden voor de parkeerbehoefte voor autoparkeren van het pannenkoekschip. De parkeerplaats aan het Sontplein is op een afstand van circa 400 meter loopafstand van het pannenkoekschip gelegen en ligt daarmee iets buiten de acceptabele loopafstand, maar kan een goed alternatief zijn voor bezoekers om te parkeren.

1.2.2

Onze zienswijze

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4595/documents/71934