CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Whitepaper in zorg- en opvanginstellingen (CKM)

gemeenteraad 16 september 2026, gemeente GroningenBij agendapunt: -: Motie n.a.v. Actieprogramma mensenhandel 2026-2029 Grip op mensenhandel (collegebrief 2-7-26) + Whitepaper mensenhandel in zorg- en opvanginstellingen (collegebrief 19-1-26)9.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “transcript”: 15

Aanpak seksuele en criminele uitbuiting bij Groningse zorg- en opvanginstellingen Routes voor signalering, opvolging en preventie Centrum Kinderhandel en Mensenhandel Auteurs: C. van Os en A. Maas Centrum Kinderhandel en Mensenhandel Burgemeester Schalijlaan 70 2908 LS Capelle aan den IJssel info@hetckm.nl www.hetckm.nl Vormgeving: Lisa Branbergen Mensenhandel binnen zorg- en opvanginstellingen Mensenhandel Risicofactoren Mensenhandel bij Groningse instellingen Beleid in Nederlandse gemeenten Aanpak van mensenhandel in Groningen Slachtoffer- en daderkenmerken Risicofactoren en kwetsbaarheden Modus operandi Dwangmiddelen Signalen Doel whitepaper Werkwijze Focusgroepen Studiedag 16 16 17 18 18 10 21 21 22 1. Signalering en duiding van signalen Huidige praktijk en knelpunten Acties en vervolgstappen 2. Meldprocessen en hulproutes na signalering van slachtofferschap mensenhandel Huidige praktijk en knelpunten Acties en vervolgstappen 3. Preventie en bescherming van (potentiële) slachtoffers van mensenhandel in instellingen Huidige praktijk en vervolgstappen Acties en vervolgstappen Hoofdstuk 1. Inleiding 9 9 9 11 12 13 13 14 14 Hoofdstuk 2. Doel en werkwijze Hoofdstuk 3. Seksuele en criminele uitbuiting bij Groningse instelingen Hoofdstuk 4. Aanpak mensenhandel bij instellingen: huidige praktijk en verbeterkansen 4 4 4 5 5 6 Inhoud Voorwoord Hoofdstuk 5. Conclusie Hoofdstuk 6.

Referenties 3 4 9 12 16 24 27 Ook in onze gemeente wonen mensen die extra bescherming nodig hebben. Jongeren zonder een veilig thuis, volwassenen met psychische problemen of een licht verstandelijke beperking, mensen die afhankelijk zijn van zorg en ondersteuning. Juist zij lopen het risico slachtoffer te worden van uitbuiting. Professionals binnen instellingen signaleren deze problematiek, maar lopen daarbij tegen obstakels aan. Ze weten vaak niet bij wie ze terechtkunnen, welke informatie ze mogen delen of welke stappen van hen worden verwacht. Dit whitepaper brengt die knelpunten in beeld en biedt concrete voorstellen om slachtoffers beter te beschermen en uitbuiting tegen te gaan. Als gemeente willen we samen met onze partners toewerken naar een stevige en gedragen aanpak van mensenhandel binnen zorg- en opvanginstellingen. Dat vraagt om duidelijke werkafspraken, herkenbare meldroutes en een gedeeld handelingsperspectief. In samenwerking met professionals bouwen we aan een model met bouwstenen voor een veilige omgeving, waarin signalen worden opgepakt, slachtoffers worden beschermd en uitbuiting wordt voorkomen. Dit whitepaper biedt een gedeelde basis voor de vervolgstappen die we met elkaar willen zetten. Zodat we samen zorgen voor een omgeving waarin mensen zich geholpen voelen en veilig zijn.

Gemeente Groningen 3 Voorwoord Voorwoord Mensenhandel binnen zorg- en opvanginstellingen Dit whitepaper biedt aanknopingspunten voor de aanpak van mensenhandel en de bescherming van (potentiële) slachtoffers die wonen in zorg- en opvanginstellingen in Groningen. Mensenhandel Mensenhandel is het werven, vervoeren of opnemen en huisvesten van mensen met het gebruik van dwang en het doel deze mensen uit te buiten. Slachtoffers worden uitgebuit, wat zich bij seksuele uitbuiting vertaalt in het onder dwang verrichten van seksuele diensten, en bij criminele uitbuiting het onder dwang plegen van criminele activiteiten, zoals drugscriminaliteit. Dwang kan bijvoorbeeld bestaan uit geweld of misbruik van een kwetsbare positie van het slachtoffer. Naar schatting zijn er jaarlijks 5.000 slachtoffers van mensenhandel in Nederland (WODC, 2021). Mensenhandel is daarmee een dagelijkse realiteit voor veel slachtoffers. Toch blijven slachtoffers grotendeels buiten beeld, bijvoorbeeld omdat zij uit schaamte of angst voor de dader niet over de situatie praten, of zichzelf niet als slachtoffer zien. Hierdoor krijgen zij niet de hulp die ze hard nodig hebben.

Risicofactoren Risicofactoren die iemand kwetsbaar maken voor mensenhandel zijn onder andere dakloosheid, een verleden van misbruik of mishandeling, schulden, verslavingsproblematiek, psychische problematiek en cognitieve of emotionele beperkingen (Franchino-Olsen, 2021; Oram et al., 2012). Personen die in zorg- en opvanginstellingen verblijven, vormen daarmee een grote risicogroep voor slachtofferschap van mensenhandel. Dit wordt bevestigd door onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur). Daaruit blijkt dat slachtoffers van seksuele uitbuiting zich vaak in een afwijkende thuissituatie bevinden, zoals in een (jeugd)instelling. Zo woont 17% van de minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting in een instelling op het moment dat de bij de politie gemelde uitbuiting begon. Minderjarige slachtoffers wonen bovendien vaker in een instelling dan leeftijdsgenoten, wat erop kan wijzen dat dit een kwetsbare omgeving is (Nationaal Rapporteur, 2022). Het is al langer bekend dat kwetsbare mensen die niet thuis wonen, een prooi voor mensenhandelaren vormen (CKM, 2022; EMM, 2024; Nationaal Rapporteur, 2020).

Uit een onderzoek van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) blijkt dat bij aanvang van de ronselperiode een derde van de slachtoffers van seksuele uitbuiting in een zorg- of opvanginstelling woont en dat bijna een kwart op dat moment dakloos is. Bij minderjarigen woont de helft van de slachtoffers in een instelling bij aanvang van de ronselperiode (CKM, 2021). Bovendien zijn er ook gevallen bekend waarin jeugdzorgmedewerkers binnen instellingen jongeren ronselen voor prostitutie of (drugs)criminaliteit. Sommige begeleiders maken hierbij doelbewust misbruik van hun machtspositie waarvan vooral de meest kwetsbare jongeren slachtoffer zijn (Nationaal Rapporteur, 2025). 4 Voorwoord Hoofdstuk 1 Inleiding Mensenhandel bij Groningse instellingen Uit onderzoek van het CKM (2024) naar de aard en omvang van seksuele en criminele uitbuiting in de gemeente Groningen, blijkt dat veel (vermoedelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting (39%) en criminele uitbuiting (54%) begeleid, of in een zorginstelling wonen. Bovendien worden zorginstellingen door de Groningse respondenten het vaakst genoemd als locatie waar (vermoedelijke) slachtoffers geronseld worden voor uitbuiting[1]. Het is schrijnend dat uitbuiters misbruik proberen te maken van de kwetsbare positie van deze personen door hen te ronselen voor eigen gewin, en het is nog schrijnender dat zij daarin lijken te slagen.

Mensen die in (Groningse) instellingen verblijven, lopen een verhoogd risico om slachtoffer te zijn of te worden van seksuele- en/of criminele uitbuiting, terwijl deze kwetsbare jongeren juist op bescherming en geborgenheid moeten kunnen rekenen. Het is daarom belangrijk dat dit risico geadresseerd wordt in de aanpak van mensenhandel in Groningen. Beleid in Nederlandse gemeenten Gemeenten zijn een belangrijke partner in de integrale aanpak van mensenhandel, onder andere op het gebied van preventie, signalering, handhaving, veiligheid en zorg (Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2021). In het Actieplan Samen tegen Mensenhandel is afgesproken dat iedere gemeente vanaf 2022 duidelijk en geborgd beleid moet hebben voor de aanpak van mensenhandel (Rijksoverheid, 2018). In het Versterkt Actieplan Samen tegen mensenhandel (Rijksoverheid, 2024) is neergelegd dat in 2026 iedere gemeente beleid moet hebben dat voldoet aan het kader opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) (VNG, 2021). Het doel hiervan is de realisatie van een landelijk dekkend netwerk van zorgcoördinatie en ketenregisseurs en passende regionale opvang, ondersteuning en nazorg voor slachtoffers mensenhandel (Rijksoverheid, 2018, 2024; VNG, 2021). In 2023 had twee derde van de gemeenten dergelijk beleid vastgelegd (VNG, 2023), waaronder ook de gemeente Groningen.

In 2012 benoemde de Nationaal Rapporteur al dat zorginstellingen een belangrijke ketenpartner zijn voor een integrale aanpak van mensenhandel. De samenwerking tussen zorginstellingen en de gemeente, politie en OM bleek niet optimaal te zijn. Het afstemmen van zorg voor slachtoffers van mensenhandel was moeilijk vanwege beperkingen op grond van privacywetgeving. Een belangrijke aanbeveling van de Nationaal Rapporteur was dan ook om zorginstellingen onderdeel te maken van de gezamenlijke aanpak van mensenhandel (Nationaal Rapporteur, 2012). {1] Ronselen in het kader van uitbuiting is het proces waarbij mensen worden gerekruteerd of gemanipuleerd om deel te nemen aan activiteiten waarbij ze uitgebuit worden. 5 Jongeren lopen regelmatig weg uit jeugdhulpinstellingen of keren niet terug na verlof. Volgens schattingen van de politie gaat het om ongeveer 20.000 minderjarigen per jaar. Hieronder bevinden zich ook slachtoffers van seksuele uitbuiting, zij lopen dan het risico om opnieuw slachtoffer te worden. Ook jongeren die nog niet eerder slachtoffer zijn geweest van uitbuiting, lopen bij het weglopen het risico om slachtoffer te worden. Als oorzaken van weglopen worden onder andere een negatieve sfeer, onprettige bejegening en het ontbreken van perspectief in de instelling benoemd (Defence for Children - ECPAT, 2019).

In het eerste Actieplan Samen tegen mensenhandel van (Rijksoverheid, 2018) zijn verschillende doelen gesteld over instellingen. De samenwerking tussen politie en jeugdhulpinstellingen moest worden versterkt om de signalering te verbeteren. Bovendien is in het plan opgenomen om kennis over uitbuiting te verspreiden onder instellingen, bijvoorbeeld gericht op de kwetsbare groep van mensen met een licht verstandelijke beperking (Rijksoverheid, 2018). In het daaropvolgende Versterkt Actieplan Samen tegen mensenhandel (Rijksoverheid, 2024) zijn ook actielijnen opgenomen die zich mede richten op instellingen. Zo wordt er ingezet op een betere signalering en ondersteuning van minderjarige slachtoffers van mensenhandel en een bredere bewustwording onder eerstelijnsprofessionals die werken met minderjarigen die kwetsbaar zijn voor mensenhandel, zoals binnen zorg- en opvanginstellingen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan het vergroten van kennis onder zorgprofessionals die werkzaam zijn in zorg- en opvanginstellingen over wat mensenhandel is. Het doel hiervan is om de signalering te verbeteren en bij te dragen aan preventie. Zorgprofessionals die werken op locaties waar kwetsbare groepen verblijven, moeten bovendien beter geïnformeerd worden over waar zij terechtkunnen met signalen van mensenhandel.

Tot slot wordt aandacht besteed aan het verbeteren van de samenwerking en informatiedeling, waardoor onder andere mensenhandel en problematiek bij instellingen in kaart kan worden gebracht en aangepakt (Rijksoverheid, 2024; Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2024). Inmiddels hebben verschillende gemeenten stappen gezet om zorginstellingen actief te betrekken bij de aanpak van mensenhandel, bijvoorbeeld door het vergroten van kennis over mensenhandel binnen deze organisaties of het betrekken van instellingen bij overleggen. Een inspirerend voorbeeld van samenwerking tussen zorg en veiligheid is de proeftuin tussen Koraal (behandelprogramma YIP!) en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) in Limburg. Het doel hiervan was een gedegen informatie-uitwisseling en een zo goed mogelijke preventie en signalering. Behandelprogramma YIP! is zorg en opvang voor slachtoffers van seksuele uitbuiting met een cognitieve beperking. De proeftuin werd als succesvol ervaren en zorgde onder andere voor een vergroting van de kennisdeling, signalen eerder op de juiste plek, en meer draagvlak om informatie te delen (Koraal, z.d.). Aanpak van mensenhandel in Groningen De gemeente Groningen geeft actief invulling aan de landelijke richtlijnen voor het beleid omtrent mensenhandel.

Hiervoor is onder andere in 2022 een lokaal actieprogramma opgesteld met concrete doelstellingen. Ook wordt gewerkt aan het vergroten van het inzicht in mensenhandel bij professionals en het bieden van ondersteuning bij signalen en vermoedens van mensenhandel. In dat kader is door het Zorg- en Veiligheidshuis Groningen (ZVHG) een meldroute ontwikkeld (Figuur 1). [2] Binnen de gemeente zijn twee beleidsadviseurs aangesteld. Zij vormen het centrale aanspreekpunt voor collega’s en samenwerkingspartners, coördineren het beleid, verbinden ketenpartners en stimuleren de integrale aanpak binnen de gemeente Groningen. [2] Deze huidige manier van inrichting van het beleid, waaronder zowel het actieprogramma als de meldroute, is in ontwikkeling. In 2025 wordt door de gemeente Groningen gewerkt aan een nieuw actieprogramma en aan het optimaliseren van de meldroute, waarin onder andere de resultaten van dit onderzoek worden meegenomen. 6 7 De beleidsadviseurs fungeren tevens als aandachtsfunctionarissen mensenhandel binnen de gemeentelijke organisatie. Ook andere organisaties (zoals zorg- en opvanginstellingen) kunnen een aandachtsfunctionaris mensenhandel aanstellen. Een aantal instellingen in Groningen heeft dit binnen hun organisatie gedaan. Aandachtsfunctionarissen mensenhandel vormen het aanspreekpunt voor mensenhandel binnen de organisatie.

Signalen die bij hen binnenkomen worden gebundeld, gemonitord en opgevolgd. Binnen instellingen vormen zij een belangrijke schakel in het signaleren en oppakken van deze signalen. Professionals binnen de organisatie kunnen vermoedens van mensenhandel bespreken met de aandachtsfunctionaris. De aandachtsfunctionaris kan dan (samen met de professional) bepalen of er een melding moet worden gedaan en afstemmen met de procesregisseurs bij het ZVHG. Daarnaast volgen de aandachtsfunctionarissen de laatste ontwikkelingen rondom de aanpak van mensenhandel, vergroten zij het bewustzijn over mensenhandel binnen de organisatie en zorgen zij ervoor dat het thema op de agenda staat binnen de organisatie. Ook onderhouden zij contact met externe partners op het gebied van mensenhandel en maken zij deel uit van het regionale netwerk van aandachtsfunctionarissen. Mensenhandel beperkt zich niet tot (gemeente)grenzen. In de regio Groningen werkt de gemeente daarom nauw samen met het ZVHG. Bij het ZVHG zijn procesregisseurs mensenhandel verantwoordelijk voor zowel de ketenregie als de zorgcoördinatie. Dit houdt in dat zij hulp en ondersteuning aan slachtoffers organiseren en coördineren. Ze ondersteunen bovendien betrokken professionals. Daarbij stemmen zij af met ketenpartners om passende hulp en opvang te realiseren en bewaken ze de voortgang van het traject.

Ook geeft de procesregisseur voorlichting aan zorgverleners en instanties om de deskundigheid over mensenhandel bij deze professionals te vergroten. Wanneer er een melding van mensenhandel binnenkomt bij het ZVHG, kunnen de procesregisseurs (in afstemming met degene die het signaal heeft ingebracht) besluiten om deze in te brengen in het Drieluikoverleg. Aan dit overleg nemen de volgende partijen deel: Procesregisseurs (ZVHG) Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (TMM) van de politie Door deze multidisciplinaire samenwerking krijgt de integrale aanpak van mensenhandel in Groningen steeds meer vorm. Tegelijkertijd is het belangrijk dat wordt gekeken hoe dit beleid kan worden versterkt en hoe zorg- en opvanginstellingen hierin kunnen worden meegenomen. Uit het eerdere onderzoek van het CKM blijkt namelijk dat veel slachtoffers van seksuele en criminele uitbuiting in zorg- en opvanginstellingen verblijven en dat er ook op deze locaties wordt geronseld. Daarnaast weten professionals vaak niet goed wat zij moeten doen met signalen en zijn zij onvoldoende op de hoogte van de bestaande meldroute. Daarom is het van belang dat de huidige aanpak wordt aangescherpt. Figuur 1 Meldroute signalen mensenhandel gemeente Groningen 8 Doel whitepaper Dit whitepaper heeft als doel een praktische aanpak van uitbuiting te ontwikkelen voor mensen die in Groningse instellingen verblijven.

Hiervoor is het essentieel dat Groningse zorg- en opvanginstellingen gezamenlijk routes uitstippelen voor signalering, opvolging en preventie. Dit whitepaper biedt hiervoor concrete aanbevelingen. Het beoogt de bewustwording en effectiviteit in het herkennen en aanpakken van mensenhandel te verhogen, de bescherming en ondersteuning van potentiële slachtoffers te verbeteren, en bij te dragen aan een duurzame preventie van mensenhandel in Groningen. Om een beeld te krijgen van de rol die Groningse zorg- en opvanginstellingen kunnen spelen bij het beschermen van hun bewoners of cliënten tegen mensenhandel is in 2025 verdiepend onderzoek uitgevoerd. Tijdens focusgroepen en een studiedag zijn gesprekken gevoerd met Groningse professionals vanuit instellingen, onderwijs, zorg, opsporing en andere organisaties. Deze inzichten zijn geanalyseerd en vormen de basis voor dit document. Het is een praktisch beleidsdocument voor de gemeente, instellingen, en andere relevante organisaties in Groningen, en biedt inzichten die mogelijk ook als inspiratie dienen voor het verbeteren van de aanpak mensenhandel in andere regio’s. Voor dit whitepaper is onderzocht hoe de aanpak van mensenhandel op gemeentelijk niveau is georganiseerd en wat er in Groningen en in andere gemeenten wordt gedaan om mensenhandel bij zorg- en opvanginstellingen tegen te gaan.

Werkwijze Focusgroepen Het doel van de focusgroepen was om concrete inzichten en ideeën te genereren over: De huidige situatie rondom seksuele en criminele uitbuiting bij instellingen in Groningen Het signaleren van slachtoffers van mensenhandel in instellingen De routes en opvolging na signalering De drie focusgroepen vonden plaats van 25 tot en met 27 maart 2025. In totaal namen 21 deelnemers uit verschillende sectoren hieraan deel (Tabel 1).[3] De deelnemers vanuit Groningse zorg- en opvanginstellingen werken in uiteenlopende woonvormen, zoals zelfstandig wonen, beschermd/begeleid wonen, crisisopvang en gesloten opvang. De doelgroep van de instellingen bestaat onder andere uit kwetsbare jongeren, daklozen en personen die (eerder) in aanraking zijn gekomen met politie en/of justitie. 3] De deelnemers aan de focusgroepen en de studiedag hebben affiniteit met het thema mensenhandel. De resultaten zijn gebaseerd op hun kennis en ervaringen en zijn daardoor mogelijk niet representatief voor alle medewerkers binnen zorg- en opvanginstellingen. 9 Voorwoord Hoofdstuk 2 Doel en werkwijze 10 In de focusgroepen hebben deelnemers praktijkvoorbeelden besproken van seksuele en/of criminele uitbuiting van personen in zorg- of opvanginstellingen die zij zijn tegengekomen tijdens hun werk. Daarbij werd specifiek ingegaan op de aanwezige signalen en slachtofferkenmerken.

Ook bespraken deelnemers de kenmerken en de werkwijze (modus operandi) van daders, zoals het gebruik van dwangmiddelen of het misbruik maken van kwetsbaarheden van slachtoffers in instellingen. Daarnaast hebben deelnemers besproken of en welke signalen van uitbuiting zij in instellingen herkennen, hoe deze signalen worden opgevolgd, hoe (vermoedelijke) slachtoffers in instellingen worden beschermd, en of en hoe wordt geronseld bij instellingen. Hierbij gingen de deelnemers ook in op knelpunten en eventuele kansen en verbetermogelijkheden. Van de focusgroepen zijn aantekeningen gemaakt. Twee van de drie focusgroepen zijn opgenomen en getranscribeerd omdat de deelnemers hier toestemming voor gaven. Van de derde focusgroep zijn zoveel mogelijk woordelijke notulen gemaakt. De notulen en transcripties zijn geanalyseerd in AtlasTI aan de hand van thematische codering. Hierbij is gecodeerd op verschillende thema’s, zoals hiervoor benoemd. De verzamelde gegevens uit de focusgroepen zijn vervolgens gebruikt als basis voor de discussie en samenwerking tijdens de studiedag in juni 2025 (zie hieronder) en als input voor dit whitepaper.

Sector Aantal deelnemers Functie(s) Zorg- en opvanginstellingen 15 Gedragswetenschapper Behandelaar Begeleider Inhoudelijk ondersteuner Ontwikkelcoach Politie 3 Agent Bestuursondersteuner Operationeel specialist TMM Halt 1 Veilig Thuis 1 Onderzoeker Zorg- en Veiligheidshuis Groningen 1 Procesregisseur Noot. Sommige deelnemers zijn ook aandachtsfunctionaris mensenhandel binnen de organisatie. De rol van aandachtsfunctionaris mensenhandel betreft een neventaak naast de reguliere functie. Tabel 1 Participatietabel focusgroepen Studiedag Op 19 juni 2025 heeft in Groningen een studiedag over seksuele en criminele uitbuiting plaatsgevonden. Het doel van deze studiedag was om inzichten uit de focusgroepen te bespreken, aan te scherpen en concrete stappenplannen te ontwikkelen voor signalering, opvolging en preventie van slachtofferschap van personen die wonen in Groningse zorg- en opvanginstellingen. Tijdens de studiedag waren 72 deelnemers aanwezig vanuit verschillende sectoren: zorg- en opvanginstellingen, opsporing en vervolging, onderwijs, (jeugd)hulpverlening, procesregisseurs vanuit het ZVHG, gemeente Groningen, de Nationaal Rapporteur, VNG en ervaringsdeskundigen.

De studiedag bestond uit een plenair programma met inhoudelijke presentaties, gevolgd door drie workshops met verschillende thema’s: 1.Meldprocessen en hulproutes na signalering van slachtofferschap mensenhandel 2.Bescherming van slachtoffers van mensenhandel in instellingen 3.Preventie van mensenhandel in instellingen Deelnemers konden zich vooraf voor een van de workshops aanmelden. Tijdens de workshops bespraken de deelnemers de inzichten vanuit de focusgroepen en werkten zij aan de hand van een fictieve casus in deelgroepen aan het beantwoorden van vooraf opgestelde oriënterende en verdiepende vragen, om uiteindelijk te komen tot eventuele oplossingen voor huidige knelpunten die in de focusgroepen naar voren kwamen. Na de workshops vond er een plenaire terugkoppeling plaats waarin de uitkomsten van de workshops werden gedeeld en vertaald naar concrete vervolgstappen. Van de studiedag zijn notulen gemaakt die, samen met de resultaten van de focusgroepen, als basis dienen voor dit whitepaper. 11 12 Kennis en ervaring bij professionals vanuit de focusgroepen Dit hoofdstuk beschrijft wat in focusgroepen naar voren is gekomen over seksuele en criminele uitbuiting bij Groningse instellingen. Het gaat hier om verschillende woon- en opvangvormen, variërend van zelfstandige woningen tot gesloten opvang, voor doelgroepen variërend van kwetsbare jongeren tot daklozen.

In dit hoofdstuk komt aan bod wat professionals tegenkomen als het gaat om slachtoffer- en daderkenmerken, risicofactoren en kwetsbaarheden van slachtoffers en daders, de modus operandi van daders[4], de dwangmiddelen die daders hanteren om slachtoffers seksueel of crimineel uit te buiten, en signalen die kunnen wijzen op seksuele en criminele uitbuiting. Slachtoffer- en daderkenmerken Alle professionals die hebben deelgenomen aan de focusgroepen komen in aanraking met (vermoedelijke) slachtoffers van seksuele en/of criminele uitbuiting. Slachtofferschap komt voor binnen verschillende instellingen en woonvormen. De professionals zien zowel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers, in uiteenlopende leeftijdsgroepen: van minderjarigen tot volwassenen, maar er wordt met name gesproken over ‘jongeren’. Gedragskenmerken van slachtoffers variëren: deelnemers gaven aan dat slachtoffers zelden één duidelijk profiel hebben. In het gedrag vallen grofweg twee uitersten op: sommige slachtoffers zijn stil, angstig en teruggetrokken, anderen zijn juist opvallend aanwezig of vertonen agressief gedrag. De uitbuiting bestaat in sommige gevallen al voordat het slachtoffer in de instelling komt wonen, in andere gevallen ontstaat de uitbuiting tijdens hun verblijf in de instelling.

Naast slachtofferschap benoemen de professionals ook daderschap binnen instellingen, waarbij soms slachtoffers uitgroeien tot daders (met name bij criminele uitbuiting). Professionals die slachtoffers zien in instellingen hebben soms ook zicht op de uitbuiters. Uitbuiters kunnen zowel binnen als buiten de instelling wonen. In sommige casussen is volgens de professionals sprake van meerdere daders of een breder netwerk. De professionals zien met name mannelijke daders. Bij daders noemen de professionals voornamelijk gedragsaspecten. Zo omschrijven zij de daders vaak als intelligent, met name ‘streetwise’, met een sterk organisatievermogen en kennis van wet- en regelgeving. Daarnaast worden eigenschappen genoemd zoals gebrek aan empathie, narcisme, manipulatief gedrag, dominantie, agressie, antisociaal gedrag, gemakzucht, charme en vermijdend gedrag. [4] Met modus operandi wordt bedoeld de manier van handelen van een dader bij het plegen van seksuele en/of criminele uitbuiting. Voorwoord Hoofdstuk 3 Seksuele en criminele uitbuiting bij Groningse instellingen Risicofactoren en kwetsbaarheden Professionals zien verschillende risicofactoren bij mensen die verblijven in Groningse zorg- en opvanginstellingen. Veel professionals benoemen dat (vermoedelijke) slachtoffers vaak een cognitieve beperking hebben, waardoor zij risico’s en gevolgen minder goed kunnen inschatten.

Daarnaast benoemen professionals stoornissen in de ontwikkeling zoals ADHD, autisme en borderline en sociaalemotionele moeilijkheden, waaronder hechtingsproblemen, afhankelijkheid, moeite met zelfregie en een gebrek aan beschermende factoren. Opvallend was in vrijwel alle casussen het gebrek aan een steunend netwerk en het gevoel er alleen voor te staan. Slachtoffers zijn hierdoor gevoelig voor personen die hen aandacht geven en daarmee groeit het risico op beïnvloeding en uitbuiting. Slachtoffers zijn volgens de professionals tegelijkertijd vaak wantrouwend naar anderen, waaronder hulpverleners. Eerdere ervaringen van slachtofferschap, zoals misbruik, en bredere maatschappelijke kwetsbaarheden zoals armoede of een onzekere verblijfsstatus, spelen ook vaak een rol. Een onzekere verblijfsstatus brengt specifieke risico’s met zich mee, zoals onbekendheid met Nederlandse regels, druk vanuit het thuisland om geld te sturen, taalbarrières en werkloosheid. Daarnaast wordt het (voormalig) werken in de prostitutie door sommige professionals benoemd als risicofactor. Soms wordt binnen de prostitutie geronseld. Andere risicofactoren die professionals signaleren zijn een instabiele thuissituatie, verslaving, anorexia, schooluitval en ingrijpende levensgebeurtenissen.

Professionals zien dat bepaalde kwetsbaarheden en risicofactoren bij zowel slachtoffers als daders een rol kunnen spelen, zoals een cognitieve beperking, sociaalemotionele moeilijkheden en een gebrek aan beschermende factoren. Dit geldt niet alleen voor slachtoffers die zelf uitgroeien tot daders, maar óók voor daders die zelf geen slachtoffer zijn geweest. Modus operandi Er bestaat consensus onder de professionals dat er binnen instellingen in Groningen geronseld wordt. Dit gebeurt zowel door buitenstaanders die op zoek gaan naar slachtoffers, bijvoorbeeld door rondom de instelling te ronselen, als door cliënten binnen de instelling die andere cliënten ronselen. Niet duidelijk is of cliënten die binnen de instelling ronselen dit doen voor iemand anders of om diegene zelf uit te buiten. De kwetsbaarheden die eerder werden genoemd, worden hierbij vaak door uitbuiters misbruikt. Instellingen vormen daarmee een ‘vijver’ voor mensen met slechte bedoelingen. Door in te spelen op kwetsbaarheden worden slachtoffers geronseld en uiteindelijk uitgebuit. Landelijke signalen dat sommige begeleiders zelf binnen instellingen jongeren ronselen en uitbuiten (Nationaal Rapporteur, 2025), blijken uit de focusgroepen niet; maar dat was gezien de gekozen werkwijze ook niet te verwachten.

Om hier dieper op in te gaan zouden interviews met (voormalig) slachtoffers van mensenhandel die in instellingen hebben verbleven, gehouden moeten worden. 13 De eerste ontmoeting tussen dader en slachtoffer vindt soms plaats binnen instellingen, maar ook vaak daarbuiten, zoals online, op straat of op het werk. De uitbuiting begint in sommige gevallen snel hierna, maar in veel gevallen ontstaat dit volgens de professionals geleidelijk. Het begint bijvoorbeeld met laagdrempelig contact, (ogenschijnlijk) als een vriendschap of liefdesrelatie (loverboypraktijken), en in kleine stappen en met een steeds dwingendere en dominantere manier van contact leidt dit tot uitbuiting. Professionals zien ook dat er netwerken bestaan en connecties tussen daders die steeds in dezelfde kringen, zoals in een instelling, terugkomen. Soms begint de uitbuiting terwijl cliënten in de instelling verblijven, in andere gevallen begint de uitbuiting al daarvoor en gaat het in de instelling door. Professionals signaleren zowel seksuele als criminele uitbuiting, soms in combinatie. Vormen van criminele uitbuiting die professionals signaleren zijn bijvoorbeeld slachtoffers die worden ingezet als geldezel of voor drugscriminaliteit. Dwangmiddelen Om de uitbuiting in stand te houden, maken uitbuiters gebruik van verschillende dwangmiddelen.

Kwetsbaarheden worden niet alleen bij het ronselen misbruikt, maar ook tijdens de uitbuiting. Als dwangmiddel maken daders misbruik van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Slachtoffers worden vaak, vanwege hun kwetsbaarheden of ongelijkwaardige positie, afhankelijk van de pleger. Een voorbeeld is een casus waarin iemand zonder sociaal netwerk een vriendschap lijkt te hebben met iemand binnen de instelling, die dit vervolgens misbruikt om diegene te forceren tot het plegen van criminaliteit. Andere dwangmiddelen zijn (het dreigen met) fysiek, emotioneel en/of seksueel geweld, manipulatie door middel van schulden, en het (gedwongen) toedienen van middelen. Signalen De focusgroepen ondersteunen de uitkomsten van het eerdere onderzoek naar mensenhandel in Groningen (CKM, 2024), namelijk dat seksuele en criminele uitbuiting voorkomt in instellingen en dat bij instellingen geronseld wordt, waarbij uitbuiters misbruik maken van specifieke kwetsbaarheden die in deze doelgroepen aanwezig zijn. De eerste stap in de bescherming van slachtoffers is het tijdig signaleren van de uitbuiting. Dit is in de praktijk echter vaak ingewikkeld. Slachtoffers durven niet over de situatie te praten, bijvoorbeeld vanwege schaamte of angst voor de uitbuiter. Ook zien slachtoffers zichzelf niet altijd als slachtoffer. Hierdoor blijven signalen vaak vaag en moeilijk te duiden.

Signalen die worden opgemerkt wijzen meestal niet direct op mensenhandel (Figuur 2). Een signaal dat veel professionals noemen, is ‘controle’. Hierbij kan worden gedacht aan (vermoedelijke) slachtoffers die vaak gebeld worden, moeten verantwoorden aan derden waar ze zijn, buiten opgewacht worden of wiens identiteitsbewijs door iemand anders wordt beheerd. Een ander signaal dat veel naar voren komt, is auto’s die bij instellingen staan of cliënten die vaak door iemand in een auto worden opgehaald. Daarnaast valt het gedrag van (vermoedelijke) slachtoffers op. Signalen zijn onder andere: plotselinge gedragsveranderingen, zenuwachtig gedrag, constante alertheid, weglopen uit de instelling, veel onderweg zijn, veel bellen, afspraken niet nakomen, teruggetrokken zijn of een vluchtige manier van praten, waarbij bepaalde vragen of onderwerpen worden vermeden. 14 15 Qua uiterlijk valt het de professionals op dat (vermoedelijke) slachtoffers bijvoorbeeld een specifieke of ineens een andere kledingstijl hebben, zoals merkkleding, nieuwe lingerie of veel (dure) sieraden. Verder vallen de professionals dingen op in de sociale omgeving van (vermoedelijke) slachtoffers. In meerdere praktijkvoorbeelden valt op dat er bijvoorbeeld veel verschillende mensen langskomen bij het (vermoedelijke) slachtoffer.

Als hiernaar gevraagd wordt door een van de professionals, geeft het slachtoffer vage of geen eenduidige beschrijvingen van deze bezoekers. Zo worden bezoekers bijvoorbeeld de ene keer als vriend en de andere keer als neef omschreven. Ook vallen zaken op zoals jongeren die groepsdruk ervaren en/of vaak een nieuw vriendje hebben. Tot slot benoemen professionals dat (vermoedelijke) slachtoffers meer drugs gaan gebruiken, veel (contant) geld hebben en/of meerdere telefoons bezitten. In enkele gevallen wordt de uitbuiting wel expliciet zichtbaar, bijvoorbeeld doordat het slachtoffer (deels) over de uitbuiting vertelt of doordat er een melding wordt gedaan door bijvoorbeeld een wijkagent of een klant die seks heeft gehad met het slachtoffer.

Gedrag Figuur 2 Signalen seksuele en criminele uitbuiting Uiterlijk en spullen Sociale omgeving Plotselinge gedragsveranderingen Gestresst Zenuwachtig/nerveus Constante alertheid Teruggetrokken Vluchtig praten (onderwerpen vermijden) Weglopen uit instelling Veel onderweg zijn/vaak bellen Afspraken niet nakomen Drugsgebruik Veel verschillende mensen op bezoek Groepsdruk Nieuwe vrienden Vaak een nieuw vriendje Controle Veel gebeld worden Buiten opgewacht of opgehaald worden Moeten laten weten waar diegene is Auto's bij de instelling Geen beschikking over eigen identiteitsbewijs Verandering in kledingstijl Merkkleding Nieuwe lingerie Dure sieraden Veel make-up Veel (cash) geld Meerdere telefoons Kennis en ervaring bij professionals vanuit de focusgroepen en de studiedag Nadat het vorige hoofdstuk een beeld heeft geschetst van de zaken van mensenhandel die professionals bij Groningse zorg- en opvanginstellingen tegenkomen, beschrijft dit hoofdstuk de knelpunten en verbeterkansen voor de bescherming van slachtoffers en preventie van mensenhandel bij instellingen. Deze komen voort uit de focusgroepen en de studiedag met professionals vanuit onder andere opsporing, onderwijs, de gemeente Groningen, en zorg- en opvanginstellingen, van zelfstandige woningen tot gesloten opvang voor bijvoorbeeld kwetsbare jongeren.

Overheden, waaronder gemeenten, zijn verantwoordelijk voor het beschermen van mensen tegen uitbuiting. Binnen deze verantwoordelijkheid is het essentieel dat de gemeente Groningen samenwerkt met organisaties, zoals zorg- en opvanginstellingen, om te kijken hoe en door wie onderstaande actiepunten effectief kunnen worden uitgevoerd. 1. Signalering en duiding van signalen Goede signalering is een essentiële voorwaarde in het aanpakken van seksuele en criminele uitbuiting. Vroegtijdige en betere signalering kan eraan bijdragen dat slachtoffers worden geholpen en dat verdergaand slachtofferschap wordt voorkomen. Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat de deelnemende professionals zich bewust zijn van mogelijke signalen van uitbuiting. Tegelijkertijd is er nog veel winst te behalen in het bespreekbaar maken van deze onderwerpen met cliënten en het herkennen en juist interpreteren van deze signalen van mensenhandel. Huidige praktijk en knelpunten Professionals geven aan verschillende signalen te herkennen die aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van mensenhandel (zie vorige hoofdstuk). Zij zijn zich dus in zekere mate bewust van mogelijke signalen van uitbuiting. Tegelijkertijd worden signalen vaak niet of te laat herkend. Wanneer signalen worden opgemerkt, worden ze bovendien vaak niet gekoppeld aan uitbuiting, omdat ze ook kunnen wijzen op andere problematiek.

Hierdoor wordt niet altijd aan mensenhandel gedacht. Een belangrijke onderliggende oorzaak is het gebrek aan voldoende kennis en bewustwording over mensenhandel bij veel professionals binnen Groningse zorg- en opvanginstellingen, ondanks het feit dat procesregisseurs trainingen geven over mensenhandel (o.a. binnen instellingen). Vanwege de grootte van de groep professionals die getraind moet worden, is het voor procesregisseurs niet haalbaar om professionals binnen alle instellingen te trainen. Door personeelsverloop is het vasthouden van kennis ook een probleem. 16 Voorwoord Hoofdstuk 4 Aanpak mensenhandel bij instellingen: huidige praktijk en verbeterkansen Daarnaast benoemen professionals dat signaleren bemoeilijkt wordt door de online component. Veel aspecten van mensenhandel vinden online plaats, zoals het ronselen van slachtoffers en het onderhouden van contact met slachtoffers. De professionals hebben daar beperkt zicht op. Tot slot geven professionals aan dat er winst te behalen is door het bespreekbaar maken van mensenhandel. De professionals geven aan gesprekken te voeren met cliënten over thema’s die raken aan seksuele of criminele uitbuiting – zoals seksualiteitsbeleving, relaties en zelfbeeld – waaruit mogelijk signalen naar voren komen. Toch wordt er doorgaans niet expliciet gevraagd naar uitbuiting.

Acties en vervolgstappen De acties en vervolgstappen die volgen uit de gesignaleerde knelpunten kunnen onder de regie en verantwoordelijkheid van de gemeente Groningen kunnen worden gemonitord. De gemeente heeft hierin een aanjagende en coördinerende taak waarbij de uitvoering bij zorg- en opvanginstellingen belegd kan worden. Vergroot kennis van signalen, zodat signalen worden herkend én gekoppeld aan mensenhandel Training van professionals over (vroeg)signalering (zowel binnen instellingen als daarbuiten). CoMensha biedt onder andere trainingen en voorlichtings- en bewustwordingsbijeenkomsten, en richt zich op het verbeteren van signalering, samenwerking en het creëren van meldroutes. Maak hier gebruik van (Zorgverleners - CoMensha; Gemeenten - CoMensha). Fier heeft de online training over seksuele en criminele uitbuiting ‘Buit voor professionals’ ontwikkeld voor mensen die met jongeren werken. En Fier kan ook trainingen op maat organiseren. Het delen van een lijst met signalen van mensenhandel onder organisaties en instellingen, zodat professionals weten waarop zij alert moeten zijn. Zet in op het vasthouden van personeel en het herhalen van trainingen over mensenhandel zodat kennis niet verloren gaat, en deel kennis over mensenhandel met nieuwe medewerkers, bijvoorbeeld door elke nieuwe medewerker een training te laten volgen.

Zorg voor een aandachtsfunctionaris mensenhandel binnen iedere instelling, om zo intern kennis te behouden. Stel de juiste vragen om signalen in beeld te krijgen Normaliseer het praten over gevoelige onderwerpen met cliënten, zoals seksualiteit en criminaliteit. Vraag in gesprekken met potentiële slachtoffers naar (thema’s gerelateerd aan) seksuele- of criminele uitbuiting, durf door te vragen. Kijk ook online naar signalen Onderzoek hoe binnen instellingen het zicht op de online leefwereld van cliënten verbeterd kan worden. Vraag naar deze online leefwereld in gesprekken met cliënten en breng online contacten in kaart. Neem online risico’s en signalen van mensenhandel mee in trainingen voor medewerkers, zodat zij zich hier bewust van zijn. 17 2. Meldprocessen en hulproutes na signalering van slachtofferschap mensenhandel Na signalering van een (vermoedelijk) slachtoffer is het essentieel dat de juiste stappen worden gezet en de juiste professionals worden betrokken om te zorgen dat het slachtoffer wordt beschermd en uit de uitbuitingssituatie wordt gehaald. Bij signalen van slachtofferschap of daderschap binnen zorg- of opvanginstellingen is het belangrijk dat professionals weten wat ze moeten doen en bij wie ze signalen kunnen melden.

Uit de focusgroepen en studiedag blijkt dat professionals in veel gevallen intern en extern actie ondernemen, maar dat zij tegelijkertijd grote knelpunten ervaren. Vooral de onduidelijkheid over de bestaande meldroute, handelingsverlegenheid bij (zachte) signalen en de gebrekkige samenwerking laten zien dat de opvolging van signalen nog te versnipperd is en niet soepel verloopt. Huidige praktijk en knelpunten Interne opvolging (binnen instellingen) Wanneer professionals binnen instellingen signalen van (mogelijke) uitbuiting opmerken, ondernemen zij vaak interne actie. Zo gaan zij in gesprek met het (vermoedelijke) slachtoffer, informeren het team, scherpen het toezicht op het slachtoffer aan (bijvoorbeeld via extra contactmomenten), vergroten de zichtbaarheid van professionals richting het slachtoffer of plaatsen het slachtoffer in een andere omgeving om diegene aan de situatie te onttrekken. In dat laatste geval worden signalen van mensenhandel gedeeld met de betrokken professionals die de begeleiding overnemen. Daarnaast zijn sommige professionals alert of het (vermoedelijke) slachtoffer zelf ook anderen ronselt, en wordt de dader in beeld gebracht, door uit te vinden wie de dader is en dit door te geven aan collega’s en/of externe partners, zoals de wijkagent.

Sommige instellingen hebben een aandachtsfunctionaris mensenhandel aangesteld bij wie signalen kunnen worden gemeld, maar dit is niet overal het geval. Bovendien weten professionals binnen instellingen vaak niet dat er een aandachtsfunctionaris is, waardoor signalen niet bij de juiste persoon terechtkomen. Externe opvolging en samenwerking Instellingen zoeken bij signalen soms ook samenwerking met externe partners, bijvoorbeeld met de procesregisseur mensenhandel van het ZVHG, Veilig Thuis, de gemeente of de politie. Dit verloopt telefonisch, via meldingen of door overleg. Voorbeelden hiervan zijn het delen van kentekens met wijkagenten of het uitwisselen van informatie met de procesregisseur mensenhandel van het ZVHG. De politie merkt echter dat professionals zich vaak bezwaard voelen om contact op te nemen (vooral bij zachte signalen), bijvoorbeeld uit angst dat er direct hard wordt opgetreden. Als er contact wordt opgenomen is dit vaak met de wijkagent. De interne informatieoverdracht verloopt niet altijd soepel, meldingen bij de wijkagent komen bijvoorbeeld niet bij TMM terecht, omdat het woord ‘uitbuiting’ niet expliciet in de melding staat.

Daarnaast ervaart de politie dat mensenhandelzaken vaak stagneren in het strafproces, onder andere omdat het vaak moeilijk te bewijzen is, bijvoorbeeld omdat uitbuiters precies weten hoe het systeem werkt en wat ze wel en niet kunnen doen. Daarnaast is aangifte niet altijd in het belang van het slachtoffer, bijvoorbeeld omdat slachtoffers hier (nog) niet klaar voor zijn of vanwege het risico op stress of hertraumatisering die dit bij slachtoffers kan veroorzaken. 18 Ondanks dat instellingen samenwerken met externe partners, vinden professionals het vaak lastig waar of bij wie ze moeten beginnen met het melden van signalen, omdat er bij het (vermoedelijke) slachtoffer vaak veel problematiek speelt. Er bestaat voor professionals in Groningen wel een meldroute om signalen extern te delen (zie inleiding), maar in de praktijk blijkt hier veel onduidelijkheid over te zijn. Veel professionals weten niet van het bestaan van de route of weten die niet te vinden. Daarnaast weten niet alle professionals van het bestaan van de procesregisseur mensenhandel, waardoor signalen hier niet worden gemeld. Samenwerking met externe partijen kent meerdere knelpunten. Informatie wordt vaak onvoldoende gedeeld, onder andere omdat professionals het lastig vinden om de geheimhoudingsplicht te doorbreken.

Daarnaast geven organisaties soms aan zelf alles onder controle te hebben, waardoor signalen niet worden gedeeld. Omdat vaak meerdere hulpverleners betrokken zijn, blijven signalen versnipperd. Er is tot slot geen casusnetwerk om deze puzzelstukjes bij elkaar te brengen, mede omdat het lastig is om te bepalen wie hierbij betrokken zouden moeten worden, aangezien veel organisaties met slachtoffers van mensenhandel in aanraking kunnen komen en het niet haalbaar is om iedereen te betrekken. Handelingsverlegenheid Overkoepelend geldt voor de opvolging van signalen, zowel intern als extern, dat er bij medewerkers van instellingen een grote handelingsverlegenheid bestaat. Dit begint bij het bewustzijn dat mensenhandel voorkomt binnen instellingen. Zonder het te willen normaliseren, is uitbuiting, juist ook in instellingen, van alle tijden. Uitbuiters zijn bewust op zoek naar kwetsbare personen, en juist binnen instelling zijn deze (potentiële) slachtoffers in beeld. Dit biedt een kans om deze groep te beschermen, omdat zij in de instelling zichtbaar zijn voor hulpverlening. Toch lijkt mensenhandel voor de professionals vaak als een ‘ver-van-mijn-bed-show’ te voelen. Het is vaak onduidelijk tot waar de verantwoordelijkheid van de instelling reikt. Ook wordt de term ‘mensenhandel’ als zwaar ervaren, zeker als het gaat om zachte signalen.

Er ontstaat hierdoor handelingsverlegenheid omdat het bij ‘slechts’ een onderbuikgevoel niet gerechtvaardigd voelt om hier de term ‘mensenhandel’ aan te koppelen. Ook geven sommige professionals aan dat signalen soms bewust niet worden opgevolgd, omdat volgens hen soms de neiging bestaat om mensenhandel in instellingen onder de pet te houden vanwege de goede naam en/of mogelijke financiële gevolgen voor de instelling. Een aantal medewerkers geven aan dat zij zich onvoldoende gesteund voelen door hun organisatie om vermoedens te delen met externe partners. Acties en vervolgstappen Cultuuromslag bij instellingen Wees je ervan bewust dat mensenhandel ook binnen jouw organisatie voorkomt. Mensenhandelaren zijn bewust op zoek naar kwetsbare personen. Juist in instellingen zijn deze (potentiële) slachtoffers zichtbaar. Maak hier gebruik van door hen te signaleren en te helpen. Handel bij élk signaal; durf te handelen op basis van een onderbuikgevoel. Meld vermoedens van mensenhandel, ondanks de ‘goede naam’ of financiering. Organiseer steun voor medewerkers, zodat zij signalen sneller opvolgen en delen met externe partners. 19 Zorg voor een outreachend team Stel op initiatief van de gemeente een gespecialiseerd team samen met expertise op het gebied van mensenhandel, dat snel kan reageren en instellingen kan ondersteunen wanneer er signalen van uitbuiting zijn.

Maak dit team laagdrempelig en eenvoudig bereikbaar voor instellingen. Vergroten van kennis en capaciteit omtrent meldroutes Optimaliseer de bestaande meldroute zodat het voor iedereen duidelijk is wie welke taak heeft in het veld. Zorg dat er binnen iedere instelling een aandachtsfunctionaris mensenhandel is die professionals weten te vinden bij signalen. Organiseer (online) trainingen voor professionals (o.a. binnen instellingen) over mensenhandel, hoe te handelen, en bestaande (lokale) meldroutes. Draag deze kennis over aan nieuwe collega’s, zodat de informatie niet verloren gaat. Samenwerking verbeteren ·Zorg voor een duidelijk doel. Bepaal wat in het belang is van het slachtoffer: vervolging en/of bescherming. Pak vervolgens met die bril de situatie aan. Neem dit doel expliciet op in het meldproces. ·Zorg voor korte lijnen en normaliseer het laagdrempelig betrekken van experts. Betrek expertise, zoals een intern of extern aanspreekpunt en/of sparringpartner met expertise op het gebied van mensenhandel, zodat professionals gezamenlijk kunnen sparren over vervolgstappen. Verlaag de drempel voor instellingen om contact op te nemen met de politie. ·Check als medewerker binnen een instelling of meldingen bij de wijkagent ook bij TMM terechtkomen.

Signalen bij elkaar brengen Opzetten van een structureel casusoverleg waarin signalen kunnen worden besproken en puzzelstukjes bij elkaar kunnen worden gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan een vaste kern met daaromheen een wisselende samenstelling. Het is belangrijk dat het onderwijs hierbij betrokken wordt, omdat dit voor veel jongeren een veilige plek is waar misschien het eerst over uitbuiting gesproken kan worden. Informatiedeling ondanks geheimhoudingsplicht Voorlichting voor professionals over wat wel en niet gedeeld mag worden en duidelijkheid omtrent het feit dat een signaal van uitbuiting vrijwel altijd deelbaar is (ook bij zachte signalen). De geheimhoudingsplicht en privacywetgeving biedt meer ruimte voor gegevensuitwisseling dan nu bij veel professionals bekend is. Een voorwaarde hiervoor is rugdekking vanuit de leidinggevende bij het delen van deze zachte signalen bij vermoedens van mensenhandel. 20 3. Preventie en bescherming van (potentiële) slachtoffers van mensenhandel in instellingen Professionals zijn het erover eens dat preventie de beste bescherming is. De bevindingen laten zien dat instellingen vaak beschermende maatregelen treffen, zowel breed voor alle cliënten als specifiek gericht op slachtoffers van seksuele of criminele uitbuiting.

Tegelijkertijd ervaren professionals belemmeringen, zoals moeizame communicatie met slachtoffers, beperkte handelingsmogelijkheden en een tekort aan capaciteit. De noodzaak van betere bescherming van slachtoffers wordt benadrukt, alsook het belang van preventie van (herhaald) slachtofferschap. Veel van onderstaande punten werken zowel beschermend voor slachtoffers van mensenhandel als preventief om te voorkomen dat cliënten (opnieuw) slachtoffer worden. Huidige praktijk en knelpunten Bescherming binnen instellingen Cliënten worden binnen instellingen op verschillende manieren beschermd. Er zijn maatregelen op het gebied van begeleiding en contact met slachtoffers. Naast behandelaren zijn er vaak interne en/of externe vertrouwenspersonen voor cliënten die ze kunnen raadplegen als ze problemen ervaren. Soms is er daarnaast een gedragswetenschapper aanwezig die het gedrag en eventuele problematiek in kaart kan brengen. Toch geldt dit niet voor alle instellingen, of staan gedragswetenschappers en vertrouwenspersonen te ver van de cliënten af. Een aantal instellingen hanteert bovendien strikte regels rondom sociale media en telefoongebruik, mede om te voorkomen dat slachtoffers opnieuw in contact komen met uitbuiters. Veel instellingen hanteren daarnaast fysieke maatregelen om de veiligheid in en rond de instelling te bevorderen.

Voorbeelden zijn cameratoezicht, beveiliging, signalementen, slagbomen, toegangscontrole met pasjes, een verbod op auto’s rond de instelling en alertheid op personen rondom de instelling. Maatregelen zoals cameratoezicht kunnen soms echter beperkt worden ingezet vanwege privacywetgeving. Sommige instellingen kiezen er daarnaast juist bewust voor om geen cameratoezicht te plaatsen, met oog op de eigen regie van cliënten. Daarnaast laten sommige professionals zich bewust zien aan personen die zich vaak rondom de instelling bevinden, zodat duidelijk is dat er toezicht is en dat hun aanwezigheid wordt opgemerkt. Communicatie en behandeling Specifiek bij (vermoedelijke) slachtoffers van uitbuiting benoemen professionals dat zij het gesprek aangaan met het slachtoffer en/of diens ouders. Professionals zetten in op het behouden van contact, waarbij zij proberen zoveel mogelijk aanwezig en beschikbaar te zijn voor het slachtoffer. Door capaciteitsproblemen is het echter niet haalbaar om langdurig en continu betrokken te zijn. In de communicatie met slachtoffers worden veel knelpunten ervaren, zoals een taalbarrière of wantrouwen richting hulpverleners of politie. Slachtoffers reageren bovendien vaak boos, ontkennend, en geven sociaal wenselijke antwoorden. Dit kan komen doordat slachtoffers onder hoge druk staan waardoor zij niet eerlijk kunnen zijn.

21 Enkele professionals werken met veiligheidsplannen of spreken een codewoord af als ze bellen en de cliënt niet vrijuit kan praten. Professionals hebben vaak het gevoel weinig te kunnen bieden aan (vermoedelijke) slachtoffers. Zij ervaren een groot gevoel van machteloosheid en grote onzekerheid over de eventuele strafrechtelijke vervolging van een (vermoedelijk) slachtoffer. Ook lukt het vaak niet om concrete bescherming te bieden, bijvoorbeeld bij dreigingen met geweld richting familieleden van het (vermoedelijke) slachtoffer. Tot slot kan er vaak niet worden beloofd dat alles vertrouwelijk blijft, omdat bij direct gevaar het beroepsgeheim mag/moet worden doorbroken. De hulp aan cliënten vindt tot slot meestal plaats binnen een vrijwillig kader, waarin de regie bij de cliënt ligt. Dit betekent onder meer dat cliënten de instelling kunnen betreden en verlaten. Wanneer iemand wegloopt (bijvoorbeeld naar de uitbuiter), kan dit niet altijd worden voorkomen. Preventie en kennis Voor effectieve preventie geldt dat het van essentieel belang is dat professionals én mogelijke slachtoffers kennis hebben van mensenhandel. Zoals eerder beschreven is deze kennis nu gebrekkig en is het voor procesregisseurs niet haalbaar om professionals binnen alle instellingen te trainen. Door personeelsverloop is het vasthouden van kennis daarnaast een probleem.

Bovendien is er een gebrek aan kennis over de actuele situatie rondom mensenhandel in Groningen. Bij het ZVHG, waar meldingen en signalen binnenkomen, ontbreekt een goed functionerend registratiesysteem en een adequate terugkoppeling van meldingen. Hierdoor is er geen volledig zicht op de meldingen van seksuele en criminele uitbuiting binnen de gemeente, waardoor het overzicht ontbreekt. Acties en vervolgstappen Versterk het sociale netwerk Breng het sociale netwerk – zowel offline als online - van cliënten in kaart en versterk het. Door het netwerk te versterken kunnen beschermende factoren worden vergroot en wordt de kans op negatieve beïnvloeding en uitbuiting verkleind. Versterk het netwerk via de Wraparound Care-methode (Wraparound Care model | Movisie). Dit helpt om vanuit de eigen kracht te investeren in de relatie met de jongere en laagdrempelige betrokkenheid bij het sociale netwerk. Zorg ervoor dat iedere jongere in een instelling toegang heeft tot een coach of buddy. Het liefst vanuit de eigen omgeving van de cliënt. Neem dit mee bij het in kaart brengen van het netwerk. Een voorbeeld is het initiatief van Jouw Ingebrachte Mentor (JIM) binnen de jeugdzorg, waarbij een vertrouwenspersoon, het liefst vanuit het eigen netwerk van een jongere, ondersteuning biedt (https://jimwerkt.nl). Het is belangrijk dat deze persoon wordt gescreend.

Een ander voorbeeld is een initiatief in België waarbij alle jongeren (ook jongeren die niet in een instelling wonen) een persoon in hun omgeving krijgen toegewezen bij wie zij altijd terechtkunnen (https://www.iedereeneenmax.be/#2). 22 Communicatie en vertrouwen Het opbouwen van een vertrouwensband met de cliënt is essentieel: neem de tijd, zorg dat (potentiële) slachtoffers zich gehoord voelen, en zorg voor langdurige betrokkenheid en continuïteit. Zorg voor dezelfde hulpverlener die naast het (potentiële) slachtoffer blijft staan en bereikbaar is. Vergroot de inzet van ervaringsdeskundigen seksuele en criminele uitbuiting bij slachtoffers in instellingen. Dit bevordert de herkenning en het gevoel dat slachtoffers zich gehoord voelen. Wees duidelijk naar slachtoffers over de plicht om beroepsgeheim te doorbreken als er gevaar dreigt. Ondersteunende rollen Stel binnen iedere organisatie/instelling een aandachtsfunctionaris mensenhandel aan. Dit vergroot de kennis over mensenhandel binnen de instelling en fungeert als aanspreekpunt bij vermoedens. Aandachtsfunctionarissen mensenhandel kunnen trainingen volgen en deelnemen aan bijeenkomsten om hun kennis te versterken. Stel binnen iedere organisatie/instelling een gedragswetenschapper en een (interne en externe) vertrouwenspersoon aan. Zorg dat zij zich bewust zijn van het bestaan van mensenhandel binnen de organisatie.

Zorg dat zij structureel betrokken zijn bij cliënten en op korte afstand tot hen staan. Kennis en bewustzijn onder professionals verhogen Breed inzetten: professionals binnen zorg, instellingen, onderwijs en veiligheid. Mensenhandel standvastig onder de aandacht blijven brengen via trainingen, het intranet of een themadag. Gebruik bestaande trainingen zoals de online training ‘Buit voor professionals’ (https://buitvoorprofessionals.nl/). Trainingen over de (online) leefwereld van (mogelijke) slachtoffers en daders: straatcultuur, taal en normen van jongeren. Laat je eigen normen- en waardenkader los en probeer in de identiteit van het slachtoffer of de dader te stappen om te begrijpen hoe diegene denkt. Zorg voor kennis over de mogelijkheden tot hulp en bescherming om het gevoel van machteloosheid onder professionals tegen te gaan. Zet in op het vasthouden van personeel zodat kennis niet verloren gaat en deel kennis met nieuwe medewerkers. Zorg ervoor dat er vanuit het ZVHG een goede registratie en terugkoppeling van meldingen over mensenhandel plaatsvindt. Door het opzetten van een goed registratiesysteem ontstaat overzicht en kan een actueel beeld worden gevormd van de meldingen binnen de gemeente Groningen. Dit beeld kan vervolgens verspreid worden naar organisaties en instellingen.

Preventie en voorlichting voor (mogelijke) slachtoffers Organiseer lokale bewustwordingscampagnes, bijvoorbeeld op scholen, voor ouders of op sociale media. Zorg voor preventieve voorlichting voor (mogelijke) slachtoffers over seksuele en criminele uitbuiting. Bijvoorbeeld via HALT-voorlichtingen op scholen (https://www.halt.nl/ik-moet-naar- halt/voorlichting-op-school). Chat met Fier-posters op scholen en instellingen voor laagdrempelige hulp en bewustwording. 23 Zorg- en opvanginstellingen hebben per definitie te maken met doelgroepen die extra kwetsbaar zijn voor mensenhandel. Onder die doelgroepen zijn cliënten die al eerder slachtoffer zijn geworden van geweld en misbruik of vanwege andere kwetsbaarheden een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van uitbuiting. Uit de focusgroepen en studiedag die hierover zijn gehouden blijkt dan ook onmiskenbaar dat mensenhandel voorkomt bij Groningse zorg- en opvanginstellingen. Dit wordt herkend door professionals werkzaam in diverse woonvormen, van zelfstandige woningen en begeleid wonen tot en met gesloten opvang, en werkzaam met verschillende doelgroepen. Uitbuiters maken misbruik van de kwetsbaarheden van slachtoffers. Daarmee vormen instellingen een vijver voor mensen met slechte bedoelingen.

Om cliënten te beschermen tegen mensenhandel, is het essentieel dat instellingen en relevante partners beschikken over effectief beleid en een duidelijke aanpak voor het signaleren, melden, beschermen en voorkomen van seksuele en criminele uitbuiting van cliënten. Dit whitepaper biedt inzichten en concrete actiepunten voor de gemeente, zorg- en opvanginstellingen en andere stakeholders met een rol in het beschermen van slachtoffers tegen mensenhandel in Groningen. Hoewel gericht op de Groningse context, zijn deze vanzelfsprekend ook toepasbaar als vertrekpunt voor andere gemeenten of regio’s. Daarbij is een lokale verkenning belangrijk om zicht te krijgen op de eigen situatie, knelpunten en mogelijk belangrijke actiepunten. Onderstaande vijf punten vormen een samenvatting, een volledig overzicht van alle concrete actiepunten is te vinden in hoofdstuk 4. 24 Voorwoord Hoofdstuk 5 Conclusie Versterk kennis en bewustzijn over mensenhandel Er is binnen zorg- en opvanginstellingen een duidelijk tekort aan kennis over mensenhandel. Dit leidt ertoe dat signalen vaak niet gekoppeld worden aan mensenhandel. Alle professionals werkzaam in instellingen, inclusief nieuw personeel, moeten worden getraind in (signalen van) mensenhandel. Als professionals wel aan mensenhandel denken, weten zij vaak niet wat zij moeten of mogen doen.

Training over hoe te handelen bij (zachte) signalen is essentieel, waarbij professionals leren dat zij informatie mogen delen en mogen handelen ondanks de geheimhoudingsplicht. Dit vraagt om extra trainingscapaciteit. Trainingen kunnen de signalering van slachtoffers verbeteren, en kan slachtofferschap voorkomen. Preventie van slachtofferschap moet ook gericht zijn op de (potentiële) slachtoffers zelf, bijvoorbeeld door voorlichtingen op scholen te organiseren. Tot slot geven professionals aan dat cliënten soms ook dader van uitbuiting zijn. Nader onderzoek naar daderschap binnen instellingen zou de kennis hierover kunnen vergroten en daarmee ook daderschap binnen instellingen kunnen aanpakken en voorkomen. Wijs in iedere organisatie een aandachtsfunctionaris voor mensenhandel aan Het is van belang dat in elke instelling een aandachtsfunctionaris mensenhandel heeft die kennis heeft over mensenhandel en hoe te handelen bij signalen, die bovendien aanwezig en toegankelijk is voor medewerkers. Zo weten professionals bij wie ze met signalen terechtkunnen, waardoor handelingsverlegenheid wordt verkleind en signalen op de juiste manier worden opgevolgd. Daarnaast wordt op deze manier, tegen de achtergrond van het grote verloop onder (zorg-)personeel, de kennis en expertise binnen de organisatie behouden en geborgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/5424/documents/92167