CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Detail 3 - Ecologische verkenning.pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 14 april 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 4: Uitkomsten Windverkenning (digitale informerende sessie) (raadsvoorstel 19-3-2021)15.403 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ondanks de groeiende populatie blijft de Zeearend in Nederland een schaarse en kwetsbare broedvogel die gevoelig is voor verstoring en bovendien regelmatig als slachtoffer onder windturbines wordt gevonden (Krijgsveld et al. 2008, Buij et al. 2018, Buij & Jansman 2019). In hun overzicht van broedende Zeearenden in Nederland tussen 2006-2018 geven Van Rijn et al. (2019) aan dat mogelijke bedreigingen door ruimtelijke ontwikkelingen zoals de snelle toename van het aantal windturbines nader onderzocht dienen te worden. Dat is niet onterecht, want de soort komt voor in de Europese top 20 van meest abundante aanvaringsslachtoffers (www.lugv.brandenburg.de), terwijl er in Denemarken lokale populatiedalingen bekend zijn als gevolg van een verhoogde mortaliteit door windturbines (Dahl et al. 2013). De realisatie van windturbines bij Roodehaan kan een effect hebben op de Zeearenden in het Zuidlaardermeergebied. Zonder verder in detail te treden over de exacte locatie, bevindt het nest van de Zeearenden zich op meer dan 3 km afstand van de planlocatie. Het is niet waarschijnlijk dat op deze afstand sprake is van verstorende werking. Wel kunnen de turbines een risico vormen ten aanzien van aanvaringen. Zeearenden hebben een grote actieradius en uit de resultaten van gezenderde Zeearenden komt naar voren dat zij windparken nauwelijks lijken te mijden (bron: Werkgroep Zeearend).

Ook uit het buitenland zijn diverse aanvaringsslachtoffers onder deze soort bekend (zie bovenstaande literatuurbronnen). Meer kennis over de vliegbewegingen (ruimtegebruik, vlieghoogtes) van de lokale Zeearenden kan helpen om de aanvaringsrisico’s beter te kwantificeren. Daarnaast zijn er een paar opties die mogelijk effectief zijn om slachtoffers onder Zeearend te voorkomen. Beide zijn nog enigszins experimenteel. De eerste mogelijkheid is om één van de drie rotorbladen zwart te verven, waardoor de ronddraaiende bladen beter zichtbaar worden voor (overdag vliegende) vogels. Op het Noorse eiland Smøla, waar zich een hoge dichtheid aan Zeearenden bevindt en ook een windpark staat, zijn hiermee veelbelovende resultaten geboekt. Op Smøla leidde deze maatregel tot een zeer sterke reductie van het aantal slachtoffers (Hardwoord & Perrow 2019). Een andere optie is het detectiesysteem DT-Bird dat onder andere in Windpark Krammer wordt toegepast om aanvaringen met Zeearenden te voorkomen. Kerkuil Een van de bewoners rondom Roodehaan geeft aan een succesvol broedpaar Kerkuilen in de schuur te hebben en maakt zich zorgen om hun overleving wanneer er windturbines in de

30

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

omgeving van de schuur gerealiseerd gaan worden. Het gaat de Kerkuil in Nederland voor de wind waardoor de soort zijn verspreiding heeft uitgebreid van droge gronden naar relatief lage en vochtige gebieden (Sovon 2018). De soort wordt door zijn manier van foerageren niet gekenmerkt door hoge vliegbewegingen. Door relatief lage foerageervluchten worden ze regelmatig als verkeersslachtoffer langs de weg gevonden. Toch komt de Kerkuil ook met enige regelmaat voor op de Europese lijst van windturbineslachtoffers. In onderzoek naar windturbineslachtoffers in andere Groningse windparken zijn twee exemplaren gevonden in Windpark Eemshaven (Klop & Brenninkmeijer 2014) en twee in Windpark Delfzijl-Zuid (Brenninkmeijer & van der Weijde 2011). Hoewel slachtoffers dus niet kunnen worden uitgesloten, is de kans klein dat dit tot effecten op populatieniveau zal leiden. In Friesland heeft men met succes het aantal verkeersslachtoffers onder Kerkuilen weten te verminderen, door deze een zitpaal aan te bieden in de wegberm in de vorm van een paal of dikke tak (de Jong 2016). De Kerkuilen krijgen zo de gelegenheid om op de uitkijk te zitten en op deze manier naar prooien te speuren in plaats van laag over de wegbermen te vliegen. Een dergelijke maatregel zou ook langs de A7 in Groningen genomen kunnen worden om eventuele slachtoffers van het windpark te compenseren.

Blauwe kiekendief Kiekendieven hebben gemeenschappelijke slaapplaatsen in natte moerasgebieden of in akkers waar ze veilig zijn voor predatie door zoogdieren zoals de Vos. De Blauwe kiekendief is de enige kiekendief die in Nederland overwintert, al doen Bruine kiekendieven dat soms ook. Het gaat niet goed met de soort als broedvogel en de Blauwe kiekendief is in Nederland teruggedrongen tot de Oost-Groningse akkers en vrijwel verdwenen van de traditionele broedgebieden op de Waddeneilanden (Sovon 2018). De vogels die in Nederland overwinteren betreffen vooral broedvogels uit Scandinavië, mogelijk aangevuld met enkele Nederlandse vogels. De staat van instandhouding van de Blauwe kiekendief is als niet-broedvogel matig ongunstig terwijl deze zeer ongunstig is voor broedvogels. In de Onlanden bevindt zich een gemeenschappelijke slaapplaats van Blauwe kiekendieven en door de geplande windturbines bij Westpoort zou mogelijk risico op slachtoffers kunnen ontstaan. Uit onderzoek blijkt dat de kans op aanvaringen relatief klein is voor kiekendieven (bijv. Schaub et al. 2019). Redenen voor de lage aanvaringskans zijn dat veel vliegbewegingen op lage hoogte (onder de rotorzone) plaatsvinden, en dat er sprake is van een hoog ontwijkingsgedrag (avoidance rate).

In Nederland zijn voor zover bekend geen turbineslachtoffers onder deze soort gevonden in windparken waar op slachtoffers is gemonitord. Een review van de effecten van windparken op de Blauwe kiekendief is uitgevoerd door Whitfield & Madders (2005). Zij concluderen dat “hen harriers do not appear to be susceptible to colliding with turbine blades and that collision mortality should rarely be a serious concern”. Ook andere studies bevestigen deze conclusie (bijv. Johnson et al. 2000 in de VS, Wilson et al. 2015 in Ierland). Desalniettemin is er, gezien de status van de soort in Nederland, genoeg reden tot voorzichtigheid. Een belangrijke factor hierbij is de ruimtelijke ligging van de turbines bij Westpoort ten aanzien van de vliegbewegingen van Blauwe kiekendieven. Aanvullende metingen kunnen daar meer duidelijkheid in scheppen. Tijdens het verkennende veldwerk zijn verschillende Blauwe kiekendieven op rotorhoogte waargenomen. Mogelijk speelt de ligging van de A7 hierbij een rol, doordat de vogels hoogte moeten winnen om over de snelweg te vliegen.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

31

Kenniscentrum Akkervogels organiseert samen met haar vrijwilligers sinds de winter van 2017/2018 tussen oktober en april maandelijks twee tellingen om de slaapplaats van Blauwe kiekendieven in de Onlanden nauwlettend te volgen. Gemiddeld over 11 (2017/2018) en 16 (2018/2019) slaapplaatstellingen werden respectievelijk 10 en 13 Blauwe kiekendieven geteld, met een maximum van 17 en 26 vogels (mond. med. Madeleine Postma, Tabel 4.3). De meeste Blauwe kiekendieven komen vanuit het noorden tot noordwesten naar de slaapplaats gevlogen en passeren daarbij zeer waarschijnlijk de Westpoort (Figuur 4.11). Dit wordt ondersteund door onze observaties van respectievelijk 15 en 3 in zuidelijke richting overvliegende Blauwe kiekendieven bij Westpoort op 10 december 2019 en 27 januari 2020.

Tabel 5.2. Het aantal tellingen dat per winter is uitgevoerd op een slaapplaats van Blauwe kiekendieven in de Onlanden, het maximumaantal dat in een winter werd geteld en het gemiddeld aantal Blauwe kiekendieven dat gebruik maakte van de slaapplaats. Gegevens zijn verzameld door vrijwilligers en beschikbaar gesteld door Kenniscentrum Akkervogels.

Winter

Aantal tellingen

Max. aantal geteld

Gemiddeld aantal geteld

2017/2018

11

17

10

2018/2019

16

26

13,2

Figuur 5.2. Aanvliegrichtingen van Blauwe kiekendieven op een slaapplaats in de Onlanden in de winters van 2017/2018 en 2018/2019. Bron: Kenniscentrum Akkervogels.

Grote zilverreiger De Grote zilverreiger is in Nederland een schaarse broedvogel, maar als wintergast zeer algemeen. Er overwinteren jaarlijks zo'n 9500 vogels in Nederland (Sovon 2018). De verspreiding bestrijkt dan het hele land met een duidelijk zwaartepunt in de veenweidegebieden van West-, Midden- en Noord-Nederland. Gezamenlijke slaapplaatsen bevinden zich in broekbosjes in waterrijke gebieden. Ook in het Zuidlaardermeergebied bevindt zich een grote slaapplaats van tientallen vogels. Tijdens het veldwerk hebben we op beide planlocaties geen grote aantallen Grote zilverreiger langs zien trekken, met uitzondering van de telling op 27 januari 2020 bij Westpoort toen er 55 passeerden onderweg naar een slaapplaats. Piekaantallen kunnen hier oplopen tot enkele honderden vogels per slaapplaats. De soort komt niet voor in de Europese database van windturbineslachtoffers.

32

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Stormmeeuw In Nederland concentreert de aanwezigheid van de Stormmeeuw zich vooral in de wintermaanden wanneer de populatie zo'n 350.000-430.000 vogels telt. Vooral het waddengebied en veenweidenpolders in Noord- en West-Nederland zijn populair. Buiten de Wadden foerageert de soort met name in weilanden en wordt er op gemeenschappelijke slaapplaatsen op meren en grote wateren overnacht (Sovon 2018). De dagelijkse bewegingen van Stormmeeuwen zijn in die zin vergelijkbaar met die van ganzen. Tijdens het veldwerk hebben we slaaptrek van Stormmeeuwen en andere meeuwen (Zilvermeeuw, Kokmeeuw) geteld en de vlieghoogte van gemengde groepen meeuwen kunnen bepalen. Deze valt binnen de rotorzone van de windturbines. Meeuwen tonen niet of nauwelijks ontwijkingsgedrag ten aanzien van windparken en komen ook regelmatig met windturbines in aanvaring. In de Europese database van windturbineslachtoffers zijn in totaal 84 Stormmeeuwen, 295 Zilvermeeuwen en 668 Kokmeeuwen geregistreerd. Aantallen Stormmeeuwen op het slaapplaatsen op het Leekstermeer kunnen oplopen tot vele duizenden. Exacte aantallen zijn onbekend. Kleine rietgans Sinds de jaren 1970 vliegt een groot deel van de populatie Kleine rietganzen die op Spitsbergen broedt in het najaar over Groningen naar hun overwinteringsgebieden in Friesland (o.a. Witte en Zwarte Brekken).

Meestal vinden deze vluchten overdag plaats in de tweede helft van oktober van noordoost naar zuidwest: globaal de lijn Emden/Dollard – Delfzijl – Groningen (stad) – Drachten – Sneek/IJlst. In januari vliegen ze, meer gespreid, terug naar de stopover in Denemarken. Structurele slachtoffers zijn niet waarschijnlijk, vanwege de vaak hogere vlieghoogtes tijdens de seizoenstrek, en het feit dat de soort de windturbines slechts twee keer per jaar passeert. Toekomstige broedvogels Het is zeer reëel dat er in de nabije toekomst nieuwe broedvogels de moerasgebieden rondom de stad Groningen zullen koloniseren, die een risico op aanvaring kunnen lopen met de geplande turbines. Het gaat dan met name om de Rode wouw, waarvan er de laatste jaren steeds meer tot broeden komen in het grensgebied met Duitsland (van Rijn 2018), en de Visarend, die in 2017 voor het eerst in Nederland tot broeden kwam (de Jong et al. 2017). Daarnaast ligt het ook zeer voor de hand dat de Zeearend verder zal toenemen (van Rijn et al. 2019a). De exacte risico’s op aanvaringsslachtoffers zijn op dit moment niet te kwantificeren.

5.4

Mortaliteit vleermuizen

Naast vogels worden ook vleermuizen regelmatig als aanvaringsslachtoffer onder windturbines gevonden, waardoor ook mortaliteit onder vleermuizen moet worden meegewogen in een risicobeoordeling (Limpens et al. 2010). In onderliggende rapportage is veldwerk aan vleermuizen buiten beschouwing gelaten vanwege de periode van het jaar waarin dit onderzoek plaats heeft gevonden (nov-feb). Vleermuizen reageren anders op windturbines dan vogels, onder andere omdat deze door echolocatie de snel omwentelende rotorbladen niet goed kunnen waarnemen en omdat ze soms windturbines actief op lijken te zoeken, mogelijk doordat de warmte die de windturbines produceren insecten aantrekt (Rydell et al. 2010, Haarsma 2016). Vooral migrerende vleermuizen die in grote aantallen gestuwd langs de kustlijn of grote rivieren trekken (dit zijn ook locaties die gunstig zijn voor windturbines) worden regelmatig als aanvaringsslachtoffer gevonden (Kunz et al. 2007). Daarnaast bepalen ook andere ecologische aspecten of een soort gevoelig is voor aanvaringen met windturbines, zoals de vlieghoogte, het voorkomen in open landschap en binding met lijnvormige elementen.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

33

Onder de hier relevante soorten zijn Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Tweekleurige vleermuis het meest kwetsbaar voor aanvaringen met windturbines (Haarsma 2016, Roemer et al. 2017). De mortaliteit onder vleermuizen in verschillende windparken in West- en Centraal-Europa ligt tussen de 0-10 slachtoffers per turbine per jaar, hoewel sprake is van enkele uitschieters (Rydell et al. 2010, 2012). Net als bij vogels is de locatie en ‘setting’ van een windpark bepalend voor het aantal slachtoffers. De hoogste mortaliteit wordt gevonden bij windparken langs de kust of op heuvels in bosgebieden. De mortaliteit in laaggelegen, open gebieden ligt meestal vrij laag met minder dan drie aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar (Rydell et al. 2010, 2012). Het merendeel van de slachtoffers in West-Europese windparken bestaat uit Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis en Rosse vleermuis. De meeste vleermuisslachtoffers vallen in de nazomer (tussen augustus en september), wat overeenkomt met de migratieperiode van enkele soorten. De vroege zomer lijkt geen risicovolle periode te zijn. Van Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Tweekleurige vleermuis is bekend dat ze ook op grotere hoogte foerageren en daarmee risico lopen op aanvaring met een turbine. Er zijn geen data beschikbaar ten aanzien van de vliegactiviteit van vleermuizen in beide plangebieden.

Dergelijke informatie is noodzakelijk om een beoordeling te kunnen geven van de verwachte aantallen aanvaringsslachtoffers, of mogelijke andere effecten. Het is dus aan te bevelen om deze data in een vervolgonderzoek in het vliegseizoen te verzamelen. Op basis van verspreidingsgegevens (zie hoofdstuk 3.5) en onderzoek in de omgeving van het plangebied, kunnen Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Tweekleurige vleermuis, Watervleermuis en Gewone grootoorvleermuis in (de omgeving van) de planlocaties voorkomen. Hieronder wordt elk van deze soorten een indicatieve en kwalitatieve beschrijving gegeven van aanvaringsrisico’s. Deze inschatting is gebaseerd op de (internationale) literatuur, de vergelijking met andere windparken en expert judgement. De data met betrekking tot vlieghoogtes zijn gebaseerd op Limpens et al. (2007), Rodrigues et al. (2015), Haarsma (2016) en Roemer et al. (2017). Aanvullend veldonderzoek is nodig om de aanvaringsrisico’s beter te kunnen kwantificeren. Gewone dwergvleermuis Deze algemene soort vliegt over het algemeen vrij laag, binnen enkele tientallen meters van de grond, hoewel hij soms hoger en dus op rotorhoogte wordt waargenomen.

Het risico op aanvaringen is daardoor sterk afhankelijk van de tiplaagte van de turbines (de minimale hoogte van de rotorbladen boven de grond) en de mate van vliegactiviteit op rotorhoogte. De lage tiplaagte van de geplande turbines (35 m bij Westpoort) is voor deze soort ongunstig aangezien zo een groter deel van de vliegbewegingen op rotorhoogte kan plaatsvinden. Ruige dwergvleermuis Deze soort behoort tot de frequentere aanvaringsslachtoffers in West-Europese windparken, vanwege een relatief hoge vlieghoogte (tot >100 m) en omdat dit een migrerende soort is die tijdens de trek diverse windparken kan tegenkomen. De aanvaringskans is dus relatief hoog. Het risico op aanvaringen is afhankelijk van de vliegactiviteit in het plangebied. De plangebieden liggen buiten de bekende migratieroutes van deze soort.

34

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Laatvlieger Net als de Gewone dwergvleermuis is de Laatvlieger een soort die relatief laag boven de grond (<50 m) in open gebied foerageert. Het risico op aanvaringen is daardoor afhankelijk van de tiplaagte van de turbines en de mate van vliegactiviteit in het plangebied. Ook voor Laatvlieger is de lage tiplaagte van de turbines, vooral bij Westpoort, ongunstig. Rosse vleermuis Deze soort vliegt vaak op grotere hoogte (tot >100 m), waardoor de kans op aanvaring met de rotorbladen relatief hoog is. Het risico op aanvaringen is afhankelijk van de vliegactiviteit in het plangebied. Tweekleurige vleermuis De Tweekleurige vleermuis is in Nederland een uiterst zeldzame soort. In de provincie Groningen bevinden zich enkele verblijfplaatsen van deze soort. Er zijn waarnemingen bekend in de directe omgeving, waaronder Landgoed Nienoord en bij het gebouw van de Gasunie (bron: Vleermuiswerkgroep) en het valt niet uit te sluiten dat deze soort ook gebruik maakt van de planlocaties. De soort vliegt vaak relatief hoog met een verhoogd risico op aanvaringen tot gevolg. Watervleermuis Deze soort foerageert boven watergangen. De vlieghoogte is dusdanig laag (<5 m) dat aanvaringsslachtoffers zijn uit te sluiten. Gewone grootoorvleermuis Deze soort foerageert in een parkachtig landschap waar deze door de vegetatie naar insecten zoekt.

Vanwege het open karakter van zowel Westpoort als Roodehaan wordt de soort niet in de plangebieden verwacht.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

35

Box 1: Mogelijkheden voor mitigatie De vliegactiviteit van vleermuizen is het hoogst tijdens kalme en warme zomernachten, met weinig wind en temperaturen hoger dan ongeveer 12 °C. Vrijwel alle vliegactiviteit vindt plaats bij windsnelheden lager dan 5-6 m/s (Ahlén et al. 2007, Gray et al. 2012, Limpens et al. 2013, Cryan et al. 2014). Het effect van windsnelheid op vliegactiviteit is echter soortspecifiek: Ruige dwergvleermuis lijkt wat toleranter te zijn voor hogere windsnelheden dan Gewone dwergvleermuis (Limpens et al. 2013). De relatie tussen windsnelheid en vliegactiviteit biedt mogelijkheden voor mitigatie. De meeste moderne turbines hebben een ‘cut-in speed’ (windsnelheid waarbij de turbine gaat draaien) van circa 3-4 m/s; indien de cut-in speed wordt verhoogd naar 5-6 m/s betekent dit dat er vrijwel geen vleermuizen meer vliegen als de turbine operationeel wordt. Een hogere cut-in speed betekent dus minder risico op aanvaringen en een substantieel lagere mortaliteit. In de VS is de effectiviteit van een verhoging van de startsnelheid uitvoerig onderzocht en blijkt een reductie van de mortaliteit tot >90% haalbaar (Baerwald et al. 2009, Arnett et al. 2010, 2011). Tegelijkertijd is het rendementsverlies van de turbines gering vanwege het lage rendement bij lage windsnelheden.

Bovendien hoeft het alleen te worden toegepast in de zomerperiode (mei-okt), tussen zonsondergang en zonsopkomst en bij temperaturen hoger dan 12 °C. Het verhogen van de cut-in speed is dus een zeer effectieve vorm van mitigatie. De mogelijkheden en noodzaak van een dergelijke stilstandvoorziening dient aan de hand van aanvullend veldonderzoek en een meer gedetailleerde effectbeoordeling nader te worden onderzocht.

5.5

Verstoringseffecten

Weidevogels Vanuit de NDFF zijn voor de afgelopen vijf jaar (2014-2019) gegevens over territoria van weidevogels (Grutto, Kievit, Veldleeuwerik, Zomertaling, Scholekster, Tureluur, Slobeend en Wulp) vanuit het BMP van Sovon opgevraagd. Op basis van deze data is vervolgens beoordeeld of de relevante weidevogels verstoring kunnen ondervinden van de geplande windturbines. Veruit de meeste weidevogelterritoria zijn in de leefgebieden voor weidevogels en de Natura 2000-gebieden gekarteerd, terwijl er ten westen en ten zuiden van de planlocatie Westpoort relatief veel weidevogelterritoria buiten beschermde gebieden werden gevonden. Deze territoria liggen echter op aanzienlijke afstand van de planlocatie (>1 km). In de directe omgeving (<0,5 km) van de planlocatie afvalverwerking Roodehaan zijn enkele territoria vastgesteld van Veldleeuwerik, Slobeend en Zomertaling. Windturbines kunnen een zekere verstorende werking uitoefenen, die samenhangt met de hoogte van de turbines, het geluid en de bewegende rotorbladen. Om het effect van windturbines te bepalen wordt over het algemeen gewerkt met een verstoringsafstand: dit is de afstand waarbinnen geen of weinig vogels broeden en/of foerageren. Verstoring is gradueel en neemt af met de afstand tot de turbine. Vlakbij de turbines broeden en foerageren vaak helemaal geen vogels, op enige afstand daarvan wel.

36

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Een kort overzicht uit de internationale wetenschappelijke literatuur laat de volgende resultaten zien:  Uit onderzoek in Engeland blijkt dat de plaatselijke dichtheid van broedende Kieviten niet significant werd beïnvloed door de aanwezigheid van windturbines (PearceHiggins et al. 2009). Voor een aantal andere soorten was wel een effect zichtbaar, variërend van vrij zwak (Graspieper, effect tot 100 m) tot sterk (Wulp, effect tot 800 m). Ook andere studies vonden vrij zwakke verstoringseffecten van turbines op zangvogels, met verstoringsafstanden tot ca. 100-200 m (Hötker et al. 2006, Devereux et al. 2008).  Eveneens in Engeland vond Nairn (2012) geen significant effect van turbines op de foerageerafstanden van onder andere Rosse grutto. Binnen 100 m van de turbines werd door 10 verschillende soorten steltlopers gezocht naar voedsel, waaronder Kievit, Tureluur en Rosse grutto. Scholeksters werden waargenomen binnen 150-200 m.  Tellingen naar overtijende steltlopers in de Eemshaven laten zien dat Scholekster tot op vrij korte afstand van de turbines voorkomt (minimumafstand: 122 m) (Klop 2016). Onder de regelmatig getelde steltlopers werd met name Wulp alleen op grotere afstand (>500 m) van de turbines aangetroffen.  Door Winkelman (1992) is onderzoek gedaan van mogelijke verstoring van Windpark Oosterbierum op broedvogels, pleisterende vogels en trekvogels.

Het windpark had geen negatief effect op het aantal aanwezige broedparen van Scholekster, Kievit, Grutto en Tureluur. Er was wel sprake van verstoring op pleisterende Scholeksters en Kieviten, tot ca. 100 m van de turbines.  In Duitsland vonden Ketzenberg et al. (2002) geen effect van windturbines op de aantallen broedparen van Kievit en Scholekster; wel werd een verstorend effect gevonden tot 200 m op Grutto en Tureluur.  Ook in een andere studie in Duitsland (Loske 2007) wordt een verstorend effect tot maximaal 200 m op Kievit (buiten het broedseizoen) aangetoond.  Op basis van verschillende literatuurbronnen noemt Hötker (2006) een gemiddelde verstoringsafstand van windturbines op Scholeksters van 81 m in het broedseizoen en 55 m buiten het broedseizoen. Voor Kievit is dit respectievelijk 134 m en 273 m en voor Grutto 369 m in het broedseizoen (Hötker 2006).  Onderzoek in de Verenigde Staten naar onder andere Marbled godwit (een verwant van ‘onze’ Grutto) rondom turbines laat zien dat mogelijk sprake was van een zwak verstoringseffect, maar dit effect was niet consistent en varieerde per jaar en locatie (Niemuth et al. 2013).  Reichenbach & Steinborn (2006) vonden geen broedende Kieviten binnen 100 m van de turbines in twee Duitse windparken. Ook bij broedende Grutto’s leek verstoring op te treden tot een afstand van 100 m, maar dit effect was niet significant.

Er was geen verschil in broedsucces bij Kievit en Grutto tussen het windpark en een referentiegebied.  In een zevenjarige studie in Oost-Friesland (Duitsland) naar de impact van turbines op Kieviten vonden dezelfde auteurs (Steinborn & Reichenbach 2011) een verstoringseffect op broedende Kieviten tot 100 m van de turbines. Op de planlocaties zijn geen territoria van weidevogels aanwezig, maar windturbines kunnen ook een verstoren effect hebben op aanliggende gebieden. Het verstorende effect van windturbines lijkt tussen weidevogelsoorten sterk te verschillen. Daar waar Scholeksters en Kieviten weinig verstoring lijken te ondervinden, houden Wulpen een flinke afstand aan. De territoria van de meeste weidevogelsoorten liggen op een aanzienlijk grotere afstand dan de verstoringsafstand, waardoor geen of weinig verstorende werking van de turbines wordt verwacht.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

37

Ganzenfoerageergebieden Verschillende internationale studies hebben laten zien dat ganzen hun habitatgebruik kunnen aanpassen door het verschijnen van windturbines, waarbij ze 100–600 m opschuiven ten opzichte van hun gebruikelijke foerageergebieden (Rees 2012). Windturbines bij Westpoort en Roodehaan in de nabijheid van ganzenfoerageergebieden kunnen in principe tot een verminderd gebruik van de meest nabij gelegen delen van deze foerageergebieden leiden.

38

6

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Leemten in kennis

Tijdens deze ecologische verkenning hebben we bestaande kennis verzameld en beoordeeld en hebben we aanvullende gegevens verzameld met enkele veldmetingen. Toch blijven er vragen onbeantwoord. Sommige gegevens waren niet beschikbaar, terwijl de verkennende veldmetingen ook weer nieuwe vragen en kennisleemten hebben blootgelegd. Wanneer een meer gedetailleerde effectbeoordeling, zoals een Passende Beoordeling, wordt opgesteld voor het realiseren van windturbines bij Westpoort en/of Roodehaan zullen in ieder geval de volgende leemten in kennis moeten worden ingevuld. Vliegbewegingen vleermuizen Het veldwerk voor deze ecologische verkenning is uitgevoerd in de winterperiode, dus buiten het vliegseizoen van vleermuizen. De vliegactiviteit en het ruimtegebruik door vleermuizen in beide plangebieden vormt momenteel een belangrijke kennisleemte om de risico’s op aanvaring per soort te kunnen kwantificeren. Hiervoor is aanvullend veldwerk nodig naar vliegactiviteit in de plangebieden zodat op basis hiervan een risicoanalyse kan worden uitgevoerd. Vliegbewegingen vogels Voor deze verkenning zijn per planlocatie een drietal vogeltellingen in de namiddag uitgevoerd om een beeld te krijgen van de aantallen vogels die de planlocaties dagelijks passeren en de hoogte waarop dit gebeurt.

Om in een later stadium de aanvaringsrisico’s te kunnen berekenen, zijn aanvullende data nodig omtrent de vliegactiviteit en vlieghoogtes van de verschillende relevante vogelsoorten. De drie uitgevoerde tellingen geven een eerste indicatie, maar bevatten door de kleine steekproef ook nog veel ruis. Om dit beter te kwantificeren zijn aanvullende tellingen over een langere periode nodig, eventueel in samenwerking met Avifauna Groningen. De aantallen ganzen die geteld werden varieerden niet veel tussen tellingen, maar voor andere soorten, zoals Grote zilverreigers en Blauwe kiekendieven, was de variatie aanzienlijk groter. Ook is onduidelijk in hoeverre de waarneming van een groep overvliegende Kleine zwanen een incidentele waarneming betreft of dat dit meer structureel plaatsvindt. Zeearend Uit verschillende waarnemingen blijkt dat Zeearenden die broeden in het Zuidlaardermeergebied enorme omzwervingen maken, zelfs rond de stad Groningen. Daarnaast lijkt er zich ook een paar Zeearenden in het Leekstermeergebied te hebben gevestigd. We weten te weinig over de vliegroutes en vlieghoogtes om het exacte aanvaringsrisico te bepalen. Het is wenselijk om meer kennis te vergaren over de vliegbewegingen ter hoogte van de planlocaties om de aanvaringsrisico’s te kunnen kwantificeren.

Hoewel enkele veelbelovende opties voor mitigatie bestaan, is op dit moment de effectiviteit van deze maatregelen nog onvoldoende duidelijk. Blauwe kiekendieven De Nederlandse broedpopulatie van deze soort staat zeer onder druk (Boer & Klaassen 2007, Sovon 2018). De laatste broedparen van Nederland bevinden zich in de provincie Groningen en het is niet ondenkbaar dat enkele van deze broedvogels de slaapplaats in de Onlanden ook gebruiken. In dat geval kan bij Westpoort sprake zijn van aanvaringsrisico’s op de Nederlandse broedpopulatie.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

39

Gegevens slaapplaatsen Recente slaapplaatstellingen uit het Meetnet Watervogels van Sovon Vogelonderzoek Nederland bleken niet beschikbaar voor het Leekstermeergebied, terwijl slechts één recente slaapplaatstelling beschikbaar was voor het Zuidlaardermeergebied. Deze informatie is van belang om de aantallen en trends in de Natura 2000-gebieden te kunnen spiegelen aan de instandhoudingsdoelen die hiervoor zijn opgesteld. Ook kan met deze informatie de impact van eventuele aanvaringsslachtoffers op de relevante populaties worden beoordeeld. Sovon heeft aangegeven extra in te zetten op slaapplaatstellingen in deze gebieden (mond. med. Paul van Els). Beschermde soorten tijdens aanlegfase Bij de plangebieden kunnen beschermde libellen, amfibieën en zoogdieren voorkomen. Voordat er werkzaamheden op de planlocaties kunnen plaatsvinden moet hier zorgvuldig onderzoek naar verricht worden en eventuele mitigerende maatregelen getroffen worden. Cumulatie In de directe omgeving van beide plangebieden zijn veel ruimtelijke ontwikkelingen gaande, zoals de recente aanleg van zonneparken, aanleg van 380 kV leidingen en andere bedrijvigheid. Cumulatie van deze effecten moet worden meegewogen in een Passende Boordeling.

40

7

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Conclusies

In deze ecologische verkenning hebben we de mogelijke ecologische effecten van windturbines op twee potentiële planlocaties in de gemeente Groningen verkend, namelijk Westpoort en Roodehaan. Onderliggend document heeft een verkennend karakter en daarom niet het detailniveau of juridische status van bijvoorbeeld een Passende Beoordeling. Als de plannen om op één of beide planlocaties windturbines te realiseren concreet worden, dan moet hiervoor een Passende Beoordeling worden opgesteld. Naast de kwalificerende soorten vanuit de Natura 2000-gebieden moeten ook effecten op andere beschermde soorten worden beoordeeld. De planlocaties liggen in een vogelrijk gebied, namelijk de laagveengordel onder de stad Groningen, met hoge dichtheden aan watervogels en weidevogels. Voor de kwalificerende broedvogels van nabijgelegen Natura 2000-gebieden hebben Porseleinhoen, Roerdomp en Kwartelkoning een zeer ongunstige staat van instandhouding. Op basis van het gedrag en ecologie van deze soorten worden er beperkte effecten op Porseleinhoen en Kwartelkoning verwacht; deze soorten worden niet gekenmerkt door vluchten op rotorhoogte en bevinden zich bovendien nauwelijks buiten het moerasgebied. De kans op slachtoffers bij Roerdomp is niet groot maar kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Veel watervogels en meeuwen vliegen dagelijks heen en weer tussen hun foerageergebieden en gemeenschappelijke slaapplaatsen. De aantallen en de manier waarop deze het gebied gebruiken verschilt sterk per plangebied. Enkele ganzensoorten, waarvoor de omliggende Natura 2000-gebieden een instandhoudingsdoel hebben, werden overvliegend waargenomen, maar alleen bij Westpoort vlogen deze recht over de planlocatie (met name aan de westkant) en op rotorhoogte. Hierdoor zal er vooral op deze locatie een verhoogd risico op mortaliteit onder watervogels zijn. Naast vogels kunnen ook vleermuizen in aanraking komen met de turbines. De mate van vliegactiviteit per soort, en hoe zich dit vertaalt in aanvaringsrisico’s, zal in aanvullend onderzoek moeten worden vastgesteld. Een aantal leemten in kennis moet worden opgevuld voor een meer in detail uitgewerkte beoordeling van mogelijke effecten. Het betreft onder andere metingen van de vliegactiviteit van vleermuizen en aanvullende metingen van vlieghoogtes en vliegintensiteit van watervogels.

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

8

41

Literatuur

Aarts, B. & Bruinzeel, L. 2009. De nationale windmolenrisicokaart voor vogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen & Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Ahlén, I., L. Bach, H.J. Baagøe & J. Petterson 2007. Bats and offshore wind turbine studied in southern Scandinavia. Report 5571, Swedish Environmental Protection Agency. Arnett, E.B., M.M.P. Huso, J.P. Hayes & M. Schirmacher 2010. Effectiveness of changing wind turbine cut-in speed to reduce bat fatalities at wind facilities. A final report submitted to the Bats and Wind Energy Cooperative. Bat Conservation International. Austin, Texas, USA. Arnett, E.B., M.M.P. Huso, M.R. Schirmacher & J.P. Hayes 2011. Altering turbine speed reduces bat mortality at wind-energy facilities. Frontiers in Ecology and the Environment 9: 209-214. Baerwald, E.F., J. Edworthy, M. Holder & R.M.R. Barclay 2009. A large-scale mitigation experiment to reduce bat fatalities at windenergy facilities. Journal of Wildlife Management 73: 1077-1081.Boer, P.D., & Klaassen, O. 2007. Minder blauw op de Wadden: achtergronden van de afname van Blauwe Kiekendieven op Ameland en Terschelling. Limosa, 80: 129-138. Bekker, D. 2011. Werkatlas zoogdieren Groningen. Buij, R. & Jansman, H. 2019. Wederom een dode Zeearend Haliaeetus albicilla door een aanvaring met een windturbine in Flevoland. De Takkeling 27: 138-145.

Buij, R., Jongbloed, R., Geelhoed, S., van der Jeugd, H., Klop, E., Lagerveld, S., Limpens, H., Meeuwsen, H., Ottburg, F., Schippers, P., Tamis, J., Verboom, J., van der Wal, J-T., Wegman, R., Winter, E. & Schotman A. 2018. Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland: overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie. WER-rapport No. 2883. Wageningen Environmental Research, Wageningen. Cryan, P.M., P.M. Gorresen, C.D. Hein, M.R. Schirmacher, R.H. Diehl, M.M. Huso, D.T.S. Hayman, P.D. Fricker, F.J. Bonaccorso, D.H. Johnson, K. Heist & D.C. Dalton 2014. Behaviour of bats at wind turbines. PNAS 111: 15126-15131. Devereux, C.L., Denny, M.J.H. & Whittingham, M.J. 2008. Minimal effects of wind turbines on the distribution of wintering farmland birds. Journal of Applied Ecology 45: 1689-1694. Gray, M., P. Owens & M. Armitage 2012. Wind speed and bat activity: assessing and mitigating the effects of wind turbines. InPractice 78: 22-25. Haarsma, A.J. 2016. Omgaan met effecten van windturbines op vleermuizen. De Levende Natuur 117: 11-15. Hardwood, A.J.P. & Perrow, M.R. 2019. Mitigation for birds with implications for bats. In: Perrow, M.R. (ed.) Wildlife and Wind Farms, Conflicts and Solutions. Vol.

4 Offshore: Monitoring and Mitigation, Chapter: 8. Publisher: Pelagic Publishing, Exeter, UK. Hornman, M., Hustings, F., Koffijberg, K. & Klaassen, O. 2012. Handleiding SOVONwatervogel-en slaapplaatstellingen. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Hötker, H. 2006. The impact of repowering of wind farms on birds and bats. Michael-OttoInstitute within NABU, Research and Education Centre for Wetlands and Bird Protection. Hötker, H., Thomsen, K.M. & Köster, H. 2004. Auswirkungen regenerativer Energiegewinnung auf die biologische Vielfalt am Beispiel der Vögel und der Fledermäuse – Fakten, Wissenslücken, Anforderungen an die Forschung, ornithologische Kriterien zum Ausbau von regenerativen Energiegewinnungsformen. Michael-Otto-Institute within NABU, Research and Education Centre for Wetlands and Bird Protection. de Jong, A. 2015. Kleine Rietganzen laten Nederland links liggen. Sovon-Nieuws 28: 24. de Jong, J. 2016. Veilig jagen langs de snelweg (2). Uilen: 58-61.

42

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Ketzenberg, C., Exo, K.M., Reichenbach, M. & Castor, M.. 2002. Einfluss von Windkraftanlagen auf brütende Wiesenvögel. Natur und Landschaft 77: 144-153. Klop, E. & Brenninkmeijer, A. 2014. Monitoring aanvaringsslachtoffers Windpark Eemshaven 2009-2014. Eindrapportage vijf jaar monitoring. A&W-rapport 1975. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Klop, E. & Hill, S. 2018 Vogelmonitoring windpark Noordoostpolder. Tussenrapportage 2018. A&W-rapport 2343. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Klop, E. 2016. Overtijende vogels en ganzen in en nabij de Emmapolder. Project 2473, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Koopmans, M. 2017. Ecologische beoordeling van herinrichting gronddepot Westpoort te Hoogkerk. A&W-notitie 2905. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Köppel, J. 2017 (ed.). Wind energy and wildlife interactions: presentations from the CWW2015 conference. Springer International Publishing. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & van der Winden, J. 2008. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. BuWa-rapport 08-173, Bureau Waardenburg ecologie & landschap, Culemborg. Kunz, T.H., Arnett, E.B., Erickson, W.P., Hoar, A.R., Johnson, G.D., Larkin, R.P., ... & Tuttle, M.D. 2007. Ecological impacts of wind energy development on bats: questions, research needs, and hypotheses.

Frontiers in Ecology and the Environment 5: 315-324. Lensink, R., van Gasteren, H., Buurma, L., van Duin, G., Linnartz, L., Vogelzang, F. & Witkamp, C. 2002. Vogeltrek over Nederland 1976-1993. Schuyt & Co, Haarlem. Limpens, H.J.G.A., M. Boonman, F. Korner-Nievergelt, E.A. Jansen, M. van der Valk, M.J.J. La Haye, S. Dirksen & S.J. Vreugdenhil, 2013. Wind turbines and bats in the NetherlandsMeasuring and predicting. Report 2013.12, Zoogdiervereniging & Bureau Waardenburg.Loske, K.H. 2007. Auswirkungen von Windkraftanlagen auf Gastvögel im Windfeld Sintfeld. UVP-Report 21, Ausgabe 1+2. Nairn, R. 2012. Do wind turbines disturb waterbirds? Natura/UCC presentation. https://www.cieem.net/data/files/Resource_Library/Conferences/2012_Autumn_Renewables/ 11_Richard_Nairn.pdf Niemuth, N.D., J.A. Walker J.S. Gleason C.R. Loesch R.E. Reynolds S.E. Stephens & Erickson M.A. 2013. Influence of wind turbines on presence of Willet, Marbled godwit, Wilson’s phalarope and Black tern on Wetlands in the prairie pothole region of North Dakota and South Dakota. Waterbirds 36: 263-276. Pearce-Higgins, J.W., Stephen, L., Langston, R.H.W., Bainbridge, I.P. & Bullman, R. 2009. The distribution of breeding birds around upland wind farms. Journal of Applied Ecology 46: 13231331. Rees, E.C. 2012. Impacts of wind farms on swans and geese: a review. Wildfowl, 62(62), 3772. Reichenbach, M. & Steinborn, H.

2006. Windkraft, Vögel, Lebensräume – Ergebnisse einer fünfjährigen BACI-Studie zum Einfluss von Windkraftanlagen und Habitatparametern auf Wiesenvögel. Osnabrücker Naturwissenschaftliche Mitteilungen 32: 243-259. Rydel, l.J., Bach, L., Dubourg-Savage, M.J., Green, M., Rodrigues, L. & Hedenström, A. 2010. Mortality of bats at wind turbines links to nocturnal insect migration? European Journal of Wildlife Research 56: 823-827. Schaub, T., Klaassen R.H.G, Bouten W., Schlaich A.E. & Koks B.J. 2019. Collision risk of Montagu's Harriers Circus pygargus with wind turbines derived from high‐resolution GPS tracking. Ibis. Schuster, E., L. Bulling & J. Köppel 2015. Consolidating the state of knowledge: a synoptical review of wind energy’s wildlife effects. Environmental Management 56: 300-331. Si Y., Skidmore, A.K., Wang, T., de Boer, W.F., Toxopeus, A.G., Schlerf, M., Oudshoorn, M., Zwerver, S., van der Jeugd, H.P., Exo, K-M. & Prins, H.H. 2011. Distribution of Barnacle

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

43

Geese Branta leucopsis in relation to food resources, distance to roosts, and the location of refuges. Ardea 99: 217-226. Sovon Vogelonderzoek Nederland. 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels. Spaans, A., van den Bergh, L., Dirksen, S. & van den Winden, J. 1998. Windturbines en vogels: Hoe hiermee om te gaan? De Levende Natuur 99: 115-121. Spaans, A.L. & van den Bergh, L.M.J. 1994. MER Windstreek: Grootschalige windenergie en vogels in Friesland: een onderzoek naar de mogelijke hinder voor vogels van het project Windstreek (No. 112). IBN-DLO. Steinborn, H. & Reichenbach, M. 2011. Kiebitz und Windkraftanlagen: Ergebnisse aus einer siebenjährigen Studie im südlichen Ostfriesland. Naturschutz und Landschaftsplanung 43: 261-270. Stoker, O. 2016. Aanvullend onderzoek in verband met baggerwerkzaamheden in de Stainkoeln in Groningen. A&W-notitie 2624. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Strijkstra, R. & Stoker, O. 2018. Ecologische begeleiding Suikerunie Vierverlaten. Plan van Aanpak V2. A&W-rapport 2393. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden van Delft, J., Kranenbarg, J., de Bruin, A., Frigge, P. 2018. Waarnemingenoverzicht 20172018. Bijlage RAVON 73, jaargang 21 (2). van der Hut, R., Dijkshoorn D., Hooymans J., Hylkema J. & van de Kamp J. 2016. Porseleinhoenen peilen: roepactiviteit en habitatkeuze in een Fries laagveengebied.

Limosa 89: 97-107. van der Hut, R. 2019. Beoordeling herinrichting voormalig terrein van de Suikerunie. Effecten op de Geoorde fuut. A&W-rapport 3315. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. van der Winden, J., & Hogeweg, N. 2014. Beheer van roerdompbiotoop in het Ilperveld, NoordHolland. Roerdompen met zenders geven inzicht in habitatgebruik en gedrag. BuWa-rapport 12-812. Bureau Waardenburg ecologie & Landschap, Culemborg. van Rijn, S., van den Berg A., de Boer P., Dekker J., Deuzeman S., van Straalen D. & Kleefstra, R. 2019. Broedende Zeearenden in Nederland in 2006-2018. Limosa 92: 3-15. van Rijn, S., van den Berg, A., de Boer, P., Dekker, J., Deuzeman, S., van Straalen, D. & Kleefstra, R. 2019. Broedende Zeearenden Haliaeetus albicilla in Nederland in 2018. Takkeling 27: 59-62. Verboom, B. & Limpens, H. 2001. Windmolens en vleermuizen. Zoogdier 12: 13-17. Vergeer, J.W., van Dijk, A.J., Boele, A., van Bruggen, J. & Hustings, F. 2016. Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Wiersma, G., Edink, M. & de Sain, M. 2013. Kansenkaart grootschalige windenergie gemeente Groningen. KNN-advies/Pondera Consult. Winkelman, J.E. 1992. De invloed van de Sep-proefwindcentrale te Oosterbierum (Fr.) op vogels. Deel 4: verstoring. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Arnhem.

Winkelman, J.E., Kistenkas, F.H. & Epe, M.J. 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Alterra-rapport No. 1780. Alterra, Wageningen.

44

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Bijlage 1

Relevante vogelsoorten

Knobbelzwaan Cygnus olor Kleine zwaan Cygnus columbianus bewickii Grauwe gans Anser anser Kolgans Anser albifrons Toendrarietgans Anser serrirostris Grote Canadese gans Branta canadensis Brandgans Branta leucopsis Bergeend Tadorna tadorna Tafeleend Aythya ferina Kuifeend Aythya fuligula Krakeend Mareca strepera Smient Mareca penelope Slobeend Anas clypeata Wilde eend Anas platyrhynchos Pijlstaart Anas acuta Zomertaling Anas querquedula Wintertaling Anas crecca Patrijs Perdix perdix Dodaars Tachybaptus ruficollis Fuut Podiceps cristatus Geoorde fuut Podiceps nigricollis Aalscholver Phalacrocorax carbo Roerdomp Botaurus stellaris Blauwe reiger Ardea cinerea Purperreiger Ardea purpurea Grote zilverreiger Ardea alba Ooievaar Ciconia ciconia Lepelaar Platalea leucorodia Wespendief Pernis apivorus Zeearend Haliaeetus albicilla Bruine kiekendief Circus aeruginosus Blauwe kiekendief Circus cyaneus Havik Accipiter gentilis Sperwer Accipiter nisus Buizerd Buteo buteo Torenvalk Falco tinnunculus Boomvalk Falco subbuteo Waterhoen Gallinula chloropus Meerkoet Fulica atra Scholekster Haematopus ostralegus Kluut Recurvirostra avosetta Kleine plevier Charadrius dubius Bontbekplevier Charadrius hiaticula Kievit Vanellus vanellus Watersnip Gallinago gallinago Houtsnip Scolopax rusticola Grutto Limosa limosa Wulp Numenius arquata

A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen

Tureluur Tringa totanus Zwartkopmeeuw Ichthyaetus melanocephalus Kokmeeuw Chroicocephalus ridibundus Stormmeeuw Larus canus Zilvermeeuw Larus argentatus Kleine mantelmeeuw Larus fuscus Visdief Sterna hirundo Zwarte stern Chlidonias niger Holenduif Columba oenas Houtduif Columba palumbus Turkse tortel Streptopelia decaocto Zomertortel Streptopelia turtur Koekoek Cuculus canorus Kerkuil Tyto alba Steenuil Athene noctua Bosuil Strix aluco Ransuil Asio otus Velduil Asio flammeus Gierzwaluw Apus apus Boomleeuwerik Lullula arborea Veldleeuwerik Alauda arvensis Oeverzwaluw Riparia riparia Boerenzwaluw Hirundo rustica Huiszwaluw Delichon urbicum Boompieper Anthus trivialis Graspieper Anthus pratensis Gele kwikstaart Motacilla flava Witte kwikstaart Motacilla alba Merel Turdus merula Zanglijster Turdus philomelos Grote lijster Turdus viscivorus Gaai Garrulus glandarius Ekster Pica pica Kauw Corvus monedula Roek Corvus frugilegus Zwarte kraai Corvus corone Spreeuw Sturnus vulgaris Groenling Chloris chloris Vink Fringilla coelebs Putter Carduelis carduelis Sijs Spinus spinus Kneu Linaria cannabina Exoten: Zwarte zwaan Cygnus atratus Nijlgans Alopochen aegyptiaca Mandarijneend Aix galericulata Rotsduif Columba livia Halsbandparkiet Psittacula krameri

45

Adres Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl

www.altwym.nl

<<Voeg hier een paginabrede afbeelding in>>

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4211/documents/60985