Bijlage 7 Detail 3 - Ecologische verkenning.pdf
Tekst van het document
Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
A&W-rapport 19-320
in opdracht van
Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
A&W-rapport 19-320
M.T. Pot E. van der Veen M. Krijn E. Klop
Foto Voorplaat Overvliegende Kolganzen, E. Klop
M.T. Pot, E. van der Veen, M. Krijn, E. Klop 2020 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen. A&W-rapport 19-320 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
Opdrachtgever Gemeente Groningen Postbus 30026 9700 RM Groningen Telefoon 14 050
Uitvoerder Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden info@altwym.nl www.altwym.nl
©
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv. Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
Projectnummer 19-320
Projectleider E. Klop
Status Definitief
Autorisatie Goedgekeurd
Paraaf J. Latour
Datum 21 april 2020
Kwaliteitscontrole M. Koopmans
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Inhoud 1
2
3
4
5
6 7 8
Inleiding 1.1 Achtergrond 1.2 Doel en opzet 1.3 Dankwoord Methoden 2.1 Lijst met relevante vogelsoorten 2.2 Aanvullend veldwerk Beschermde natuurwaarden 3.1 Natura 2000 3.2 Ganzenfoerageergebieden 3.3 Leefgebied weidevogels 3.4 Natuurnetwerk Nederland 3.5 Beschermde soorten Vliegbewegingen vogels 4.1 Inleiding 4.2 Overzicht vliegbewegingen 4.3 Lokale verspreiding en vliegbewegingen Verkenning van effecten 5.1 Inleiding 5.2 Effecten op beschermde soorten tijdens de aanlegfase 5.3 Mortaliteit vogels 5.4 Mortaliteit vleermuizen 5.5 Verstoringseffecten Leemten in kennis Conclusies Literatuur
1 1 1 2 3 3 4 6 6 10 10 11 11 16 16 16 20 25 25 25 26 32 35 38 40 41
Bijlage 1
44
Relevante vogelsoorten
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
1
Inleiding
1.1
Achtergrond
1
De Gemeente Groningen onderzoekt in samenwerking met Grunneger Power en de Natuur en Milieufederatie Groningen onder de naam 'Windplatform Groningen' de mogelijkheden om rondom de stad Groningen windturbines te realiseren (Wiersma et al. 2013). Op basis van de eerder uitgevoerde Kansenkaart grootschalige windenergie gemeente Groningen (Wiersma et al. 2013) zijn twee potentiële locaties geselecteerd, namelijk bedrijventerrein Westpoort (ten westen van de stad; hierna: Westpoort) en het gebied tussen de afvalverwerking Stainkoel'n en Roodehaan (ten zuidoosten van de stad; hierna: Roodehaan) het meest kansrijk acht. Op deze twee locaties wordt vooralsnog uitgegaan van respectievelijk 2–4 en 4–11 turbines, met een ashoogte van 85 m (Westpoort) of 100 m (Roodehaan) en een rotordiameter van 100 m. Dit zou neerkomen op een rotorzone op 35–135 m (Westpoort) en 50–150 m (Roodehaan). Het Windplatform Groningen heeft Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv gevraagd verkennend onderzoek te doen naar de potentiële ecologische effecten van windturbines bij Westpoort en Roodehaan. Dit houdt in dat zoveel mogelijk huidige kennis is verzameld om op voorhand potentiële ecologische risico’s in te schatten. Verschillende onderzoeken in binnenen buitenland hebben aangetoond dat windturbines negatieve effecten kunnen hebben op vogels, vleermuizen en andere natuurwaarden (zie bijv.
Schuster et al. 2015 voor een overzicht). De vraag of sprake is van negatieve effecten op (beschermde) natuurwaarden is met name relevant vanwege twee nabijgelegen Natura 2000-gebieden: het Leekstermeergebied nabij Westpoort en het Zuidlaardermeergebied nabij Roodehaan. Deze gebieden zijn onder andere van belang voor verschillende soorten watervogels en moerasvogels. Daarnaast zijn er enkele op provinciaal niveau beschermde ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden gelegen nabij de planlocaties en zijn er mogelijk beschermde of gevoelige soorten nabij de planlocaties aanwezig die niet noodzakelijkerwijs aan de beschermde gebieden gebonden zijn. In deze ecologische verkenning voor windenergie rond de stad Groningen wordt getracht antwoord te geven op de vraag welke beschermde natuurwaarden rondom Westpoort en Roodehaan aanwezig zijn, welke natuurwaarden mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van windturbines, en welke kennis ontbreekt om tot een definitieve beoordeling te kunnen komen. Hierbij is samengewerkt met diverse natuurorganisaties verenigd in de werkgroep ecologie van de Gemeente Groningen. Partijen zijn aangesloten in deze werkgroep om kritisch mee te denken over de ecologische effecten van windturbines op de twee planlocaties, niet zozeer omdat ze de ontwikkeling van windturbines in deze gebieden steunen.
1.2
Doel en opzet
Het doel van deze verkenning is om een overzicht op hoofdlijnen te geven van (1) de natuurwaarden die mogelijk negatief beïnvloed kunnen worden door windturbines in en nabij Westpoort en Roodehaan, (2) de mogelijke effecten van windturbines op deze twee planlocaties op basis van bestaande kennis en eigen veldobservaties, en (3) welke leemten in kennis er bestaan om tot een meer definitieve beoordeling te komen. De bevindingen van dit onderzoek hebben een verkennend karakter en vormen geen definitieve beoordeling zoals een Passende Beoordeling. Daarvoor zijn aanvullende veldgegevens en analyses nodig. Onderliggende rapportage heeft dan ook geen juridische status.
2
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Eerst beschrijven we de methoden waarmee we gegevens voor deze ecologische verkenning hebben verzameld en welke gegevensbronnen we hebben gebruikt. Daarna geven we een beschrijving van de aanwezige beschermde natuurgebieden en geven we aan op basis van welke natuurwaarden deze gebieden bescherming genieten. In hoofdstuk 4 verkennen we de mogelijke negatieve effecten van windturbines, zowel in een bredere context als toegespitst op de planlocaties, op (beschermde) natuurwaarden. Uiteindelijk trekken we, op basis van het bovenstaande, conclusies over de mogelijke negatieve effecten op relevante natuurwaarden en geven we aan welke kennis ontbreekt om uiteindelijk tot een kwantitatieve beoordeling te komen.
1.3
Dankwoord
We bedanken vertegenwoordigers van verschillende lokale natuurorganisaties die bereid waren kritisch met ons mee te denken over de mogelijke risico's van windturbines op natuurwaarden rondom de stad Groningen: Natuur en Milieufederatie Groningen, Avifauna Groningen, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, IVN Groningen-Haren, Vleermuiswerkgroep Groningen, Stichting Natuurbelang de Onlanden, Platform Natuur en Landschap Westerkwartier, Groninger Landschap, Kenniscentrum Akkervogels en Vogelbescherming Nederland. Daarnaast bedanken we Mark Koopmans (Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek) en Aart van der Spoel (Avifauna Groningen) voor hulp tijdens het veldwerk en Marjolijn Tijdens (Natuur en Milieufederatie Groningen) voor de organisatie van de overlegmomenten met de klankbordgroep. We bedanken Kenniscentrum Akkervogels, in het bijzonder Madeleine Postma en vrijwilligers Maarten Jansen en Gerard Sterk, voor het beschikbaar stellen van slaapplaatstellingen van Blauwe kiekendieven in de Onlanden. Paul van Els (Sovon Vogelonderzoek Nederland) deelde informatie over slaapplaatstellingen in het Zuidlaardermeer- en Leekstermeergebied. Last but not least, dank aan Kees de Bock voor zijn gastvrijheid en de mogelijkheid om ganzen te tellen in de weilanden rond zijn woning.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
2
3
Methoden
Om tot een degelijke inschatting te komen van de mogelijke negatieve effecten voor bestaande natuurwaarden in de directe omgeving van Westpoort en Roodehaan, hebben we de volgende gegevens verzameld:
2.1
Op basis van gebiedskenmerken, ligging van beschermde natuurgebieden, verspreidingsdata, lokale kennis en expert judgement, hebben we een lijst samengesteld met relevante vogelsoorten die eventueel risico zouden kunnen lopen om in aanvaring te komen met windturbines. Vervolgens hebben we uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) waarnemingen en monitoringsgegevens uit de verschillende meetnetten opgevraagd; Tijdens drie veldbezoeken per planlocatie tijdens de avondschemering zijn vliegrichtingen van ganzen, meeuwen en andere vogelsoorten, die overdag in de omliggende polders foerageren en 's avonds overnachten op gemeenschappelijke slaapplaatsen in het Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied, in kaart gebracht en hebben we vlieghoogtes gemeten om een inschatting te kunnen maken van het mogelijke aanvaringsrisico. Via verspreidingsatlassen en andere literatuur hebben we een inschatting gemaakt van de overige beschermde soorten die in of nabij de plangebieden voorkomen.
Lijst met relevante vogelsoorten
Om na te gaan welke vogelsoorten in de plangebieden voorkomen en mogelijk in aanvaring kunnen komen met de geplande windturbines is een lijst samengesteld van vogelsoorten waarvan bekend is dat deze in of nabij de plangebieden voorkomen, of waarvoor de plangebieden in potentie geschikt zijn. Deze lijst is samengesteld op basis van gebiedskenmerken, ligging van beschermde natuurgebieden, verspreidingsdata, lokale kennis en expert judgement. Als startpunt is de volledige lijst van Nederlandse avifauna genomen, inclusief de soorten die tijdens de trekperiodes Nederland passeren. Dwaalgasten en incidenteel voorkomende soorten zijn hierbij buiten beschouwing gelaten; de kans dat een dwaalgast (een soort die normaliter niet in Nederland voorkomt) met de turbines in aanraking komt, wordt hier als verwaarloosbaar geacht. Dit resulteert in een lijst van ruim 280 soorten die regelmatig in Nederland worden waargenomen, inclusief een aantal exoten. Vervolgens zijn alle soorten van deze lijst verwijderd waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat ze niet (of hooguit incidenteel) in het plangebied voorkomen. Belangrijke criteria daarbij waren (1) habitat, (2) verspreiding in Nederland, (3) status en (4) gedrag.
Bijvoorbeeld, soorten die zijn gebonden aan goed ontwikkeld bos, zoals de Zwarte specht worden niet in open agrarisch landschap verwacht, en zeevogels zoals Zwarte zee-eend komen normaliter niet in het binnenland voor. Ook soorten met een zeer klein verspreidingsgebied dat (ver) buiten de plangebieden ligt, of soorten die dermate zeldzaam zijn dat de kans op aanwezigheid in de plangebieden nihil is, zijn van de lijst verwijderd. Deze selectie resulteerde in een lijst met 172 vogelsoorten. Tenslotte zijn soorten buiten beschouwing gelaten waarvan op basis van gedrag (zoals vlieghoogte) geen aanvaringsslachtoffers worden verwacht, zoals spechten, Boomkruiper en Boomklever.
4
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
De hierboven beschreven selectie is in eerste instantie gemaakt op basis van de Sovon Vogelatlas (www.vogelatlas.nl, Sovon 2018). Deze atlas bevat de meest recente gegevens met betrekking tot het voorkomen van vogels (zowel broedvogels als wintervogels en doortrekkers). Daarnaast is gebruik gemaakt van informatie afkomstig van lokale natuurverenigingen, met name Avifauna Groningen. Tenslotte is de NDFF geraadpleegd voor informatie over broedvogels uit het broedvogelmonitoringproject (BMP) van Sovon (Vergeer et al. 2016), watervogels uit het Meetnet Watervogels van Sovon (Hornman et al. 2012) en losse waarnemingen waarvan de meeste zijn ingevoerd via Waarneming.nl binnen een 5 km radius rond de plangebieden. Uit de NDFF komt onder andere naar voren dat de graslanden rond de plangebieden worden gebruikt door verschillende weidevogels. Een andere belangrijke bron op basis waarvan een inschatting van het aanvaringsrisico van een vogelsoort kan worden herleid, is de database van aanvaringsslachtoffers onder vogels in Europese windparken, die sinds 2002 wordt bijgehouden door de Staatliche Vogelschutzwarte des Landesamtes für Umweltträgt in Duitsland (samenstelling door T. Dürr, http://www.lugv.brandenburg.de/cms/detail.php/bb1.c.312579.de). Hoewel niet compleet, geeft deze database een redelijke indicatie van de mate van mortaliteit door windturbines onder Europese vogelsoorten.
Op basis van de bovenstaande informatie is een uiteindelijke soortenlijst samengesteld van 94 vogelsoorten, waaronder potentiële aanvaringsslachtoffers kunnen vallen. Deze soortenlijst staat in Bijlage 1. Dat wil niet zeggen dat iedere soort ook daadwerkelijk in aanraking komt met de turbines, maar het geeft een indicatie van het soortenspectrum waarmee rekening moet worden gehouden.
2.2
Aanvullend veldwerk
Om op basis van lokale vliegbewegingen een globale inschatting te maken van het aanvaringsrisico, hebben wij in samenwerking met Avifauna Groningen (A. van der Spoel) op zes avonden (drie per planlocatie) vliegrichtingen van watervogels en andere vogels tijdens de slaaptrek in kaart gebracht. Hierbij hebben wij ons gehouden aan de richtlijnen voor slaapplaatstellingen uit het meetnet watervogels van Sovon (Hornman et al. 2012). In Tabel 2.1 zijn de data en tijden weergegeven waarop de tellingen zijn uitgevoerd. Met een geavanceerde laser rangefinder hebben we van verschillende soorten vlieghoogtes kunnen meten. Alle waarnemingen zijn in het veld op een veldformulier ingevuld, waarbij we de tijd, soort, vliegrichting en hoogte hebben bepaald. Tabel 2.1 Data en tijden waarop tellingen zijn uitgevoerd op beide planlocaties.
Telling 1 2 3
Westpoort 21-11-2019 (16:00-17:15 uur) 10-12-2019 (15:30-16:45 uur) 30-1-2020 (15:30-16:45 uur)
Roodehaan 26-11-2019 (16:00-17:15 uur) 12-12-2019 (15:30-16:45 uur) 27-1-2020 (16:15-17:45 uur)
Omdat in de schemering sommige soorten moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, hebben we in een aantal gevallen soorten op soortgroepniveau genoteerd, namelijk: ganzen (Grauwe gans, Kolgans, Toendrarietgans), kraaiachtigen (Zwarte kraai, Roek, Kauw), meeuwen (Stormmeeuw, Zilvermeeuw, Kokmeeuw) en duiven (Houtduif, Holenduif).
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
5
Naast tellingen van overvliegende vogels, is tweemaal (17 december 2019 en 27 januari 2020) een bezoek gebracht aan de weilanden ten westen en noordwesten van Westpoort. Hierbij zijn de ganzen geteld die zich op de grond bevonden.
6
3
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Beschermde natuurwaarden
De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft betrekking op twee vormen van bescherming, namelijk gebiedsbescherming en soortbescherming. Rondom Westpoort (Figuur 3.1) en Roodehaan (Figuur 3.2) zijn op landelijk en provinciaal niveau beschermde gebieden aanwezig, namelijk Natura 2000-gebieden, ganzenfoerageergebieden, leefgebieden voor weidevogels en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Daarnaast kunnen verschillende beschermde soorten relevant zijn, die niet noodzakelijkerwijs aan deze gebieden gebonden zijn. De realisatie van windturbines op de planlocaties kan mogelijk negatieve effecten hebben op deze beschermde natuurwaarden. Hieronder worden deze natuurwaarden nader beschreven. 3.1
Natura 2000
Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden met als doel om leefgebieden en soortenrijkdom in stand te houden en/of te verbeteren. Nederland telt 160 Natura 2000-gebieden, zowel op land als op water. Ten zuidwesten van Westpoort ligt het Leekstermeergebied (Figuur 3.1), dat op basis van de Europese Vogelrichtlijn de Natura 2000-status heeft. De Europese Vogelrichtlijn is gericht op de instandhouding van alle van natuurlijk in het wild levende Europese vogelsoorten. Het gebied vormt door de aanwezigheid van open water, laagveenmoerassen en graslanden het leefgebied voor de kwalificerende broedvogelsoorten Porseleinhoen, Kwartelkoning en Rietzanger en de overwinterende nietbroedvogelsoorten Kolgans, Brandgans en Smient. Daarnaast komt er met de Zeggekorfslak ook een habitatrichtlijnsoort voor (www.synbiosys.alterra.nl). Ten zuiden van Roodehaan ligt het Zuidlaardermeergebied (Figuur 3.2). Ook dit gebied heeft de Natura 2000-status op basis van de Europese Vogelrichtlijn en wordt gekenmerkt door een natuurlijk meer met aangrenzend zowel moerasbosontwikkeling (elzenbos) als open polders waarin ook een deel van het Foxholstermeer en het Drentse Diep zijn gelegen.
Het gebied heeft de Natura 2000-status, omdat de aanwezigheid van open water, laagveenmoerassen en graslanden samen het leefgebied vormen van kwalificerende broedvogelsoorten Roerdomp, Porseleinhoen en Rietzanger, overwinterende niet-broedvogelsoorten Kleine zwaan, Toendrarietgans, Kolgans, Smient en Slobeend en een habitatrichtlijnsoort, de Grote modderkruiper (www.synbiosys.alterra.nl). In Tabel 3.1 zijn de kwalificerende waarden en Natura 2000-doelstelingen voor (a) het Leekstermeergebied en (b) het Zuidlaardermeergebied samenvattend weergegeven (www.synbiosys.alterra.nl).
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
7
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied Westpoort (inzet), ten westen van de stad Groningen, met de verschillende beschermde natuurgebieden in de directe omgeving, zoals ganzenfoerageergebied, leefgebied voor weidevogels, Natura2000-gebied (Leekstermeergebied) en gebieden aangesloten bij Natuurnetwerk Nederland (NNN).
8
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Figuur 3.2: Ligging van het plangebied Roodehaan (inzet), ten zuidoosten van de stad Groningen, met de verschillende beschermde natuurgebieden in de directe omgeving, zoals ganzenfoerageergebied, leefgebied voor weidevogels, Natura2000-gebied (Zuidlaardermeergebied) en gebieden aangesloten bij Natuurnetwerk Nederland (NNN). De strook tussen het Winschoterdiep en het spoor is formeel onderdeel van het zoekgebied, maar hier zullen geen windturbines komen i.v.m. de aanwezigheid van kabels en leidingen.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
9
Tabel 3.1: Overzicht van de kwalificerende broedvogels, niet-broedvogels en complementaire doelen van het Natura2000-gebieden Leekstermeergebied (a) en Zuidlaardermeergebied (b) (www.synbiosys.alterra.nl).
(a) Leekstermeergebied Code Broedvogels A119 A122 A295
Kwalificerende waarde
Natura 2000-doelstelling
Porseleinhoen Kwartelkoning Rietzanger
2 broedpaar 5 broedpaar 70 broedpaar
Niet-broedvogels A041 A045 A050
Kolgans Brandgans Smient
Seizoensgemiddelde van 640 vogels Seizoensgemiddelde van 110 vogels Seizoensgemiddelde van 640 vogels
Complementaire doelen H1016
Zeggekorfslak
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied en populatie
Broedvogels A021 A119 A295
Roerdomp Porseleinhoen Rietzanger
5 broedpaar Uitbreiding tot 15 broedpaar 200 broedpaar
Niet-broedvogels A037 A039 A041 A050 A056
Kleine zwaan Toendrarietgans Kolgans Smient Slobeend
Seizoensgemiddelde van 4 vogels Seizoensgemiddelde van 210 vogels Seizoensgemiddelde van 630 vogels Seizoensgemiddelde van 2700 vogels Seizoensgemiddelde van 120 vogels
Grote modderkruiper
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied en populatie
(b) Zuidlaardermeergebied
Complementaire doelen H1145
Staat van instandhouding De duurzaamheid van een populatie wordt doorgaans uitgedrukt in een landelijke en/of lokale staat van instandhouding die kan variëren van gunstig tot zeer ongunstig. Hierin wordt de verspreiding, populatie, leefgebieden en toekomstperspectief als hoofdaspecten meegewogen. Voor de kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels van het Leekstermeergebied en het Zuidlaardermeergebied hebben we de landelijke staat van instandhouding samengevat in Tabel 3.2. Hieruit blijkt dat de broedvogels Porseleinhoen, Roerdomp en Kwartelkoning een zeer ongunstige en Rietzanger een gunstige landelijke staat van instandhouding hebben. Van de niet-broedvogels is de landelijke staat van instandhouding zeer ongunstig voor de Kleine zwaan, matig ongunstig voor de Smient en Slobeend en gunstig voor Kolgans, Brandgans en Toendrarietgans.
10
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Tabel 3.2: Overzicht van de kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels en de beoordeling van de landelijke Staat van Instandhouding (www.sovon.nl).
Soort
Doelstelling
Populatie
Verspreiding
Leefgebied
Toekomst
Eindoordeel
Kolgans
nietbroedvogels nietbroedvogels nietbroedvogels nietbroedvogels nietbroedvogels nietbroedvogels broedvogels
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
gunstig
matig ongunstig zeer ongunstig gunstig
gunstig
gunstig
matig ongunstig gunstig
gunstig
matig ongunstig matig ongunstig gunstig
matig ongunstig zeer ongunstig gunstig
matig ongunstig Zeer ongunstig zeer ongunstig gunstig
matig ongunstig gunstig
matig ongunstig matig ongunstig zeer ongunstig gunstig
gunstig matig ongunstig matig ongunstig gunstig
matig ongunstig zeer ongunstig zeer ongunstig gunstig
zeer ongunstig
gunstig
zeer ongunstig
matig ongunstig
zeer ongunstig
Brandgans Smient Kleine zwaan Toendrarietgans Slobeend Porseleinhoen Roerdomp
broedvogels
Rietzanger
broedvogels
Kwartelkoning
broedvogels
3.2
gunstig gunstig
gunstig
Ganzenfoerageergebieden
Vanwege de hoge aantallen Kolganzen, Grauwe ganzen, Brandganzen, Kleine rietganzen en Toendrarietganzen, die vanuit noordelijke streken komen overwinteren, heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid om deze vogels een plek te bieden. Om te voorkomen dat ganzen door vraat schade aanrichten en om verjaging van landbouwpercelen toe te kunnen staan, zijn er (soortspecifieke) ganzenfoerageergebieden aangewezen waar ganzen tussen 1 november en 1 april (of 1 mei in het geval van de Brandgans) kunnen foerageren en rusten zonder verstoord te worden. Nabij Westpoort en Roodehaan zijn ganzenfoerageergebieden aanwezig grenzend aan of nabij Natura 2000-gebieden, ten noorden van het Leekstermeergebied (Figuur 3.1) en ten zuidwesten van het Zuidlaardermeergebied (Figuur 3.2). Omdat ganzen vaak binnen 5-10 km van de slaapplaats foerageren (Si et al. 2011) moeten de ganzenfoerageergebieden binnen deze afstand van de slaapplaats liggen om functioneel te zijn. Resultaten uit het Meetnet Slaapplaatstellingen van Sovon (Hornman et al. 2012) en eigen observaties laten inderdaad zien dat er grote aantallen ganzen het Zuidlaardermeergebied en het Leekstermeergebied als slaapplaats gebruiken.
3.3
Leefgebied weidevogels
Om ook weidevogels zoals de Grutto, Kievit en Tureluur een plek te bieden in het intensief beheerde agrarische landschap, zijn in de provincie Groningen leefgebieden voor weidevogels aangewezen, die deels overlappen met de ganzenfoerageergebieden. De leefgebieden voor weidevogels vertonen geen overlap met de planlocaties, maar Westpoort grenst wel aan een aantal grote oppervlakten aan leefgebieden voor weidevogels. Roodehaan ligt op enige afstand van de leefgebieden voor weidevogels. Hier ligt het dichtstbijzijnde leefgebied voor weidevogels ten zuidwesten en ten noordwesten van het Zuidlaardermeergebied en overlapt deels met het ganzenfoerageergebied.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
3.4
11
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van nieuwe of nog te realiseren natuurgebieden. Tot het NNN behoren alle nationale parken, Natura 2000-gebieden, grote wateren en landbouwgebieden die beheerd worden volgens de principes van het agrarisch natuurbeheer. Het NNN heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met het omliggende agrarisch gebied. Beide planlocaties zijn omgeven door een diversiteit aan NNNgebieden, maar vertonen hiermee geen overlap (Figuur 3.1 & Figuur 3.2). Roodehaan overlapt in het noordoosten daarentegen wel met 'overig bos- en natuurgebied', maar dit valt buiten de NNN-gebieden. Beide plangebieden liggen nabij de zogenaamde ‘laagveengordel’ rond de stad Groningen (Onlanden-Hunzedal-Roegwold), dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Een belangrijk voorbeeld is de ecologische verbindingszone Westerbroek die het Roegwold verbindt met het Zuidlaardermeergebied. Dit NNN-gebied vormt leefgebied voor enkele kenmerkende soorten zoals Zeearend, Otter en vele watervogels.
3.5
Beschermde soorten
Naast de aanwezige natuurwaarden op basis van gebiedenbescherming (zie hierboven), zijn er op de planlocaties mogelijk ook beschermde natuurwaarden aanwezig op basis van soortenbescherming. Deze soorten genieten bescherming op basis van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en worden hieronder per soortgroep (planten, ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen) behandeld. Planten Op basis van verspreidingsgegevens komen er in de omgeving van Westpoort en Roodehaan geen beschermde plantensoorten voor. Daarnaast zijn er tijdens een inventarisatie op een deel van het terrein van Roodehaan in 2016 geen beschermde plantensoorten aangetroffen (Stoker 2016). Ongewervelden De plangebieden liggen niet binnen het verspreidingsgebied van beschermde ongewervelde diersoorten zoals de Platte schijfhoren of de Gestreepte waterroofkever en deze worden daarom niet in de plangebieden verwacht. In de directe omgeving van de plangebieden komt de Groene glazenmaker voor. De soort is bijvoorbeeld ei-afzettend waargenomen aan de rand van Roodehaan. De Groene glazenmaker is sterk gebonden aan krabbenscheervegetaties en indien deze aanwezig zijn dan is bij werkzaamheden aan watergangen aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort nodig. In Westpoort zijn krabbenscheervegetaties afwezig.
Vissen Een deel van de watergangen op het terrein van Roodehaan lijken geschikt leefgebied voor de Grote modderkruiper: er is kwelwater aanwezig en de sloten zijn rijkelijk begroeid (Stoker 2016). De sloten aan de oostkant, buiten het plangebied zijn niet eerder onderzocht op de aanwezigheid van geschikt leefgebied voor deze soort. Deze liggen wel binnen het verspreidingsgebied van de soort, waardoor aanwezigheid van de Grote modderkruiper niet kan worden uitgesloten. Indien werkzaamheden aan geschikte watergangen plaatsvindt, is nader onderzoek naar deze soort nodig. Ook Westpoort ligt binnen het verspreidingsgebied
12
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
van de Grote modderkruiper, maar na inspectie van het gronddepot in het centrale deel (Koopmans 2017) en het oostelijk deel (Strijkstra & Stoker 2018) van het plangebied werd geconcludeerd dat geschikt leefgebied afwezig is. De sloten aan de westkant van Westpoort zijn ook niet geschikt voor de Grote modderkruiper. Amfibieën Vrijgestelde soorten Door de aanwezigheid van sloten en poelen zijn de planlocaties geschikt als voortplantingswater, foerageergebied en overwinteringsgebied voor diverse soorten amfibieën. Eerder onderzoek heeft de aanwezigheid van de Kleine watersalamander, de Gewone pad, de Bruine kikker, de Bastaardkikker (Westpoort) en de Meerkikker (Roodehaan) aangetoond (Strijkstra & Stoker 2018). Voor deze soorten heeft de Provinciale Staten van Groningen een vrijstelling verleend, waardoor, in het geval van het overtreden van verbodsbepalingen voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, de zorgplicht volstaat. Habitatrichtlijnsoorten Heikikker De Heikikker is een soort die met name in vochtige (veen)gebieden of in halfnatuurlijke graslanden voorkomt en zijn verspreiding daardoor binnen de planlocaties heeft (van Delft et al. 2017). Er zijn waarnemingen van de soort aan de noordkant van Roodehaan, net onder knooppunt Westerbroek (bron: NDFF). De soort heeft actieve voortplantingsplaatsen rond Roodehaan (Stoker 2016).
Het in 2017 onderzochte gebied aan de oostkant van Westpoort werd niet als geschikt biotoop voor de Heikikker bevonden (Koopmans 2017). Vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop wordt de soort ook niet op de rest van de planlocatie verwacht. Tussen Roodehaan en Stainkoel’n zijn compensatiegebieden aangelegd voor Heikikker. Poelkikker De planlocaties liggen binnen het verspreidingsgebied van de Poelkikker (van Delft et. al 2018). Vanuit de NDFF zijn er waarnemingen bekend ten zuiden van de A7, net ten zuidoosten van Westpoort. Echter, in 2017 is hier een gronddepot onderzocht, waarbij de Poelkikker niet is aangetroffen (Koopmans 2017). In 2018 is aan de zuidkant van de planlocatie, net ten zuiden van de A7, onderzocht maar ook daarbij is de soort niet aangetroffen (Strijkstra & Stoker 2018). Geconcludeerd werd dat, aangezien deze soort wel voorkomt in de ruime omgeving van de planlocatie, het niet uitgesloten is dat deze soort in de toekomst op het terrein zal komen. Volgens de NDFF is de soort is ten zuiden van Roodehaan waargenomen en in 2016 aangetroffen op het terrein van Roodehaan (Stoker 2016). De Poelkikker bevond zich met name in de oostkant van het plangebied. Destijds werd geconcludeerd dat de sloten aan de westkant van het plangebied niet diep genoeg zijn en daarom ongeschikt als biotoop voor Groene kikkers.
Aan de oostkant van Roodehaan was wel voldoende geschikt biotoop aanwezig, maar deze sloten zijn niet onderzocht. Omdat deze sloten binnen het verspreidingsgebied van de Poelkikker liggen, en de soort in de directe omgeving van deze sloten is waargenomen, kan aanwezigheid van de soort hier niet worden uitgesloten. Reptielen Gezien de verspreidingsgegevens worden er geen reptielensoorten op beide planlocaties verwacht. Het is echter niet uitgesloten dat de Ringslang, via bijvoorbeeld de Onlanden, Westpoort zal koloniseren.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
13
Vogels Broedvogels Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten vallen onder artikel 3.1 van de Wnb, waardoor bij werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het broedseizoen en de aanwezigheid van broedende vogels. Het voormalige terrein van de Suikerunie nabij Westpoort bevat foerageergebied voor soorten die gebonden zijn aan droogvallende slikplaten of kleine wateren, zoals Kluut, Bergeend, Nonnetje en Wintertaling (Strijkstra & Stoker 2018). Daarnaast zijn er enkele broedvogels aanwezig zoals Scholekster, Merel, Houtduif, Winterkoning, Roodborst, Wilde eend, Meerkoet, Rietgors, Blauwborst (Strijkstra & Stoker 2018) en Geoorde fuut (van der Hut 2019). Roodehaan is voor zover bekend niet onderzocht op de aanwezigheid van broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen In de directe omgeving van Westpoort zijn jaarrond beschermde nestplaatsen aangetroffen zoals nesten van Oeverzwaluw ten noorden van het Hoendiep en nesten van Huiszwaluw op het voormalige terrein van de Suikerunie (Strijkstra & Stoker 2018). Daarnaast is hier een nestkast voor Slechtvalk aanwezig, maar deze is momenteel niet in gebruik. Op het Gasuniegebouw bevindt zich een netplaats van Slechtvalk. Roodehaan is niet eerder onderzocht op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen. De bosjes rond Roodehaan en langs het Oude Winschoterdiep bieden nestgelegenheid aan Buizerd.
In het Zuidlaardermeergebied broedt sinds enkele jaren de Zeearend. In het gebied zijn ook enkele nestplaatsen van Ooievaars aanwezig. Zoogdieren: vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn beschermd via artikel 3.5 van de Wnb. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. Daarom worden vleermuizen in een aparte paragraaf besproken en worden 'overige zoogdiersoorten' in de volgende paragraaf behandeld. Volgens verspreidingsgegevens komen verschillende vleermuissoorten voor in de omgeving van de planlocaties: Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis (Bekker 2011, Koopmans et al. 2019). Er zijn ook waarnemingen bekend van Tweekleurige vleermuis in de omgeving. Er zijn geen gegevens bekend van vleermuisonderzoek in de planlocaties zelf. In het geval van werkzaamheden zal dus altijd vleermuisonderzoek plaats moeten vinden. Een deel van deze soorten kan in potentie gebruik maken van de plangebieden waarbij drie elementen in het leefgebied van belang zijn voor de functionaliteit ervan: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Verblijfplaatsen Roodehaan is niet onderzocht op de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen.
Er kunnen verblijfplaatsen aanwezig zijn in bomen of bebouwing op of in de directe omgeving van het terrein. Om dit na te gaan is een nadere inspectie van het gebied nodig. De oostelijke helft van Westpoort bevat geen verblijfplaatsen voor vleermuizen (Koopmans 2017, Strijkstra & Stoker 2018). In de westelijke helft van de planlocatie is wel bebouwing aanwezig. Deze gebouwen zijn op 15 januari 2020 geïnspecteerd, waarbij geconcludeerd werd dat er geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen zijn.
14
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Foerageergebieden De ruigere en nattere delen op beide planlocaties bieden geschikt foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van beide planlocaties is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig.
Vliegroutes Door de realisatie van de windturbines zijn mogelijk directe effecten te verwachten door aanvaringsslachtoffers. Met name Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis en Rosse vleermuis zijn bekend als aanvaringsslachtoffer bij windturbines. In paragraaf 4.2 wordt hier nader op ingegaan. Grondgebonden zoogdieren Op beide locaties komen algemene zoogdieren voor waarvoor een vrijstelling geldt zoals (spits)muizen, kleine marterachtigen, Ree en Vos. Niet vrijgestelde en dus via artikel 3.10 van de Wnb beschermde zoogdieren waarvan het verspreidingsgebied binnen de planlocaties Westpoort en Roodehaan ligt zijn Waterspitsmuis en Steenmarter. Hieronder wordt op deze soorten verder ingegaan. Andere beschermde zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden niet op de planlocaties verwacht. Waterspitsmuis Beide planlocaties liggen binnen het verspreidingsgebied van de volgens artikel 3.10 van de Wnb beschermde Waterspitsmuis (Bekker 2011) en er bevindt zich geschikt habitat aan de oostzijde van het terrein van Roodehaan (Stoker 2016). In de directe omgeving van Roodehaan is de soort aangetroffen in een braakbal (NDFF). De Waterspitsmuis komt ook voor in de directe omgeving van Westpoort, zoals in de Onlanden (NDFF). Het gronddepot in het centrale deel van Westpoort is in 2017 onderzocht, maar er is geen Waterspitsmuis aangetroffen (Koopmans 2017).
De soort is aangetroffen op het voormalige terrein van de Suikerunie en langs het Peizerdiep (Strijkstra & Stoker 2018). Vanwege het voorkomen van de Waterspitsmuis in de directe omgeving van Westpoort, kan de aanwezigheid van de soort op de planlocatie niet worden uitgesloten. Het gaat daarbij om het oostelijk deel van Westpoort, waar de sloten aantakken op de rietlanden en om de bredere sloten aan de zuid- en westkant van het plangebied. Steenmarter De Steenmarter komt vrij algemeen voor in en rond het stedelijk gebied van Groningen. Er zijn waarnemingen binnen en in de directe omgeving van beide planlocaties (NDFF). De soort kan verblijfplaatsen hebben in gebouwen en in opgeslagen materialen. Beide planlocaties maken tevens onderdeel uit van het foerageergebied van de Steenmarter. Das Er zijn aanwijzingen dat de Das nieuw leefgebied in de Onlanden heeft gevonden. Door de afwezigheid van geschikt leefgebied op beide planlocaties wordt de soort daar niet verwacht. Achter Roodehaan zijn sporen van Dassen gevonden (pers. med. J. Beekman). In het geval van werkzaamheden hier zal de burcht gelokaliseerd moeten worden. Habitatrichtlijnsoorten Otter De Otter komt in de wijde omgeving rondom Roodehaan voor, bijvoorbeeld in het natuurgebied Westerbroek, ten zuiden van de planlocatie. Er zijn geen waarnemingen van Otters bekend op de planlocatie.
Vanwege het ontbreken van geschikt habitat wordt er op de planlocatie ook
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
15
geen verblijfplaats van de soort verwacht. Mogelijk dienen de oevers van het Oude Winschoterdiep wel als foerageergebied. In tegenstelling tot Roodehaan maakt de Otter wel gebruik van Westpoort. In het zuiden van de planlocatie, langs de oevers van de parallelsloot langs de A7, is de soort waargenomen (NDFF). Ook is tijdens het aanvullend onderzoek op het terrein van de Suikerunie in 2018 zijn sporen aangetroffen. Vanwege de kleinschaligheid en de aanwezigheid van menselijke verstoring worden verblijfplaatsen van deze soort niet binnen de planlocatie verwacht. Wel maken de oevers van het Koningsdiep en de oevers van de parallelsloot langs de A7 deel uit van het foerageergebied van deze soort. Om deze reden dient bij werkzaamheden aan oevers en watergangen rekening te worden gehouden met deze soort.
16
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
4
Vliegbewegingen vogels
4.1
Inleiding
Het risico dat lokale vogels en trekvogels in aanraking komen met de windturbines is voor een groot deel afhankelijk van de hoeveelheid vliegbewegingen door het windpark. Daarnaast spelen factoren als ontwijkingsgedrag een belangrijke rol. Het kwantificeren van parameters als de vlieghoogtes en het aantal vliegbewegingen per tijdseenheid is van belang om tot een goed onderbouwde analyse te komen van de soortspecifieke aanvaringsrisico’s. Rond de plangebieden zijn er lokale bewegingen van ganzen, zwanen, Grote zilverreigers, Blauwe kiekendieven, Aalscholvers, Stormmeeuwen en andere soorten. Als onderdeel van deze verkenning zijn een aantal eerste tellingen uitgevoerd om deze vliegbewegingen in beeld te krijgen. Vervolgonderzoek met tellingen over een langere periode zal moeten uitwijzen hoe deze lokale vliegbewegingen in relatie staan tot de locaties van de windturbines.
4.2
Overzicht vliegbewegingen
Hier gebruiken we gegevens verzameld tijdens verkennend veldwerk in de winter van 2019/2020, waarbij slaaptrekkende vogels werden geobserveerd, om een inschatting te maken van de mate waarin windturbines een risico vormen voor deze vogels (zowel kwalificerende soorten met Natura 2000 instandhoudingsdoelen, als overige soorten). Met name verschillende soorten ganzen, die op gemeenschappelijke slaapplaatsen in het Leekstermeergebied en het Zuidlaardermeergebied overnachten, kunnen tijdens dagelijkse vliegbewegingen in aanraking met de turbines komen. Tijdens drie tellingen per planlocatie werden in totaal 23.763 overvliegende vogels waargenomen, verdeeld over 36 soorten die in de buurt van de planlocaties hun slaapplaats hadden, zoals veel kraaiachtigen (Zwarte kraai, Roek, Kauw) en Houtduiven, of die langstrekkend werden waargenomen onderweg naar een gemeenschappelijke slaapplaats, zoals ganzen, reigers en meeuwen (Tabel 4.1). De meeste waarnemingen zijn rond het moment van zonsondergang gedaan (Figuur 4.1) en dan vlogen ook de hoogste aantallen vogels langs (Figuur 4.2).
Tabel 4.1: Vogelsoorten waargenomen tijdens de tellingen in de avondschemer. Weergegeven zijn het gemiddelde aantal over deze tellingen, de gemiddeld gemeten vlieghoogte in m en de spreiding van deze vlieghoogtes (SD = standaarddeviatie) in m. * Kleine zwaan is alleen waargenomen buiten de reguliere tellingen.
Roodehaan Soort
Westpoort
Aantal
Gem. vlieghoogte (m)
SD
Aantal
Gem. vlieghoogte (m)
SD
Aalscholver
7
36,5
21,9
7
15
7,1
Blauwe kiekendief
−
−
−
16
59,1
40,1
Blauwe reiger
2
−
−
6
12
9,9
Buizerd
5
25,5
7,8
8
26,7
12,7
Canadese gans
8
30
−
72
28
−
Duif spec.
−
−
−
11
−
−
17
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Gans spec.
620
119
−
277
125
−
Graspieper
−
−
−
9
−
−
Grauwe gans
72
115
−
121
39,5
20,5
Grote gele kwikstaart
28
92,5
81,3
−
−
−
Grote lijster
1
−
−
−
−
−
Grote mantelmeeuw
1
Grote zilverreiger
1
2
−
91
43,8
19,9
Havik
−
−
−
1
−
−
Holenduif
1
−
−
3
29
−
Houtduif
224
40
−
2
−
−
Kauw
726
48,7
25
−
−
−
Kievit
47
−
−
240
10
−
Kleine zwaan*
−
−
−
−
−
−
Kneu
−
−
−
4
−
−
Knobbelzwaan
−
−
−
1
9
−
Kokmeeuw
−
−
−
32
9
−
Kolgans
442
80,5
50,2
3222
96
40,8
Kraaiachtigen
3184
54,3
55,2
−
−
−
Krakeend
−
−
−
3
−
−
Meeuw spec.
2890
118
−
4664
109
35,9
Nijlgans
2
−
−
2
−
−
Postduif
2
60
−
−
−
−
Putter
3
−
−
−
−
−
Rietgors
−
−
−
1
−
−
Roek
385
65,5
27,6
−
−
−
Slechtvalk
1
40
−
1
45
−
Smient
−
−
−
350
−
−
Spreeuw
1780
−
−
3620
10
−
Stormmeeuw
−
−
−
436
35,3
28,3
Torenvalk
4
44
18,4
5
17
11,3
Waterpieper
3
10
−
1
−
−
Wilde eend
20
13,3
5,8
1
−
−
Zanglijster
1
−
−
−
−
Zilvermeeuw
45
31,7
29,3
7
67,5
2,1
Zwarte kraai
18
53,3
49,3
26
43,5
14,9
18
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Figuur 4.1. Het aantal waarnemingen van overvliegende vogels dat werd gedaan tijdens tellingen bij de Westpoort en Roodehaan uitgezet tegen de tijd in kwartieren. 1 refereert dus aan het eerste kwartier van de telling (15:30-15:45), 2 naar het tweede kwartier, enz.
Figuur 4.2. De som van het aantal overvliegende vogels tijdens de tellingen uitgezet tegen de tijd in kwartieren waarbij 1 refereert aan het kwartier tussen 15:30-15-45 uur, 2 tussen 15:45-16:00 uur, enzovoort. De grijze stippellijnen geven het vroegste moment van zonsondergang (26 november) en het laatste moment van zonsondergang (30 januari) aan.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
19
Westpoort Het plangebied Westpoort werd, behoudens door enkele Zwarte kraaien, vrijwel niet als gemeenschappelijke slaapplaats gebruikt. De weilanden aan de westkant van het gebied worden gebruikt door grote groepen ganzen. Tijdens de twee grondtellingen van deze ganzen werden voornamelijk Kolgans en Grote Canadese gans waargenomen, met lagere aantallen Grauwe gans en Brandgans. In de namiddag vliegen deze ganzen richting het zuidwesten om vermoedelijk op het Leekstermeer te overnachten. Per telling zijn gemiddeld 1.074 overvliegende Kolganzen, 40 Grauwe ganzen en 92 ongeïdentificeerde ganzen waargenomen die allemaal in zuidwestelijke richting overvlogen. Veel vliegbewegingen van ganzen gingen over het westelijk deel van het plangebied, of over de weilanden ten westen daarvan. Een groot deel van deze vliegbewegingen vond plaats op rotorhoogte (Tabel 4.1, Figuur 4.3). Niet alleen ganzen, maar ook grote groepen Storm- en Kokmeeuwen, en lagere aantallen Blauwe kiekendieven en Grote zilverreigers maken tijdens de dagelijkse vliegbewegingen van de foerageergebieden naar de slaapplaatsen in het Leekstermeergebied of de Onlanden gebruik van een route die over of langs Westpoort gaat. Ook deze soorten vlogen grotendeels op rotorhoogte (Tabel 4.1, Figuur 4.3).
Op 30 januari is buiten de reguliere tellingen om een groep van 30 Kleine zwanen waargenomen die over de Westpoort richting het noordwesten vloog. De oostkant van het plangebied wordt in mindere mate als vliegroute gebruikt.
Figuur 4.3. Gemiddelde vlieghoogten (weergegeven met zwarte stippen) met daaromheen de standaarddeviaties van een aantal soorten en soortgroepen die tijdens tellingen bij Westpoort en Roodehaan overvliegend werden waargenomen en waarvan de vlieghoogte gemeten kon worden met een laser rangefinder. De rode stippellijnen geven de tiphoogte en tiplaagte (rotorzone) van de geplande windturbines bij Westpoort weer, de blauwe stippellijnen voor die bij Roodehaan. Gemiddelde vlieghoogten van Blauwe kiekendieven, duiven, ganzen, kraaiachtigen, meeuwen en Slechtvalk en zangvogels liggen binnen de rotorzone.
20
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Roodehaan In tegenstelling tot Westpoort zijn tijdens de veldmetingen bij Roodehaan grote groepen Kauwen, Zwarte kraaien, Roeken en Houtduiven waargenomen, die in de bomen binnen het plangebied verzamelden op gemeenschappelijke slaapplaatsen. Ze bleven daar vervolgens overnachten of gebruikten het plangebied als verzamelplaats om vervolgens in grotere groepen in de richting van de stad Groningen te trekken. Meeuwen die overdag rond de vuilstort foerageren, verzamelen zich in het plangebied om vervolgens in de diepschemer in grote groepen (tot >1.000 vogels) richting het Zuidlaardermeergebied te vliegen, waarschijnlijk om daar te overnachten. Hierbij vlogen deze vogels grotendeels binnen de rotorzone (Tabel 4.2, Figuur 4.10). Ganzen, voornamelijk Kolganzen, werden vanuit het gebied waargenomen, maar passeerden het plangebied vooral aan de oostkant. Zij vlogen tijdens hun dagelijkse vliegbewegingen van de foerageergebieden in de omliggende polders naar de slaapplaatsen op het Zuidlaardermeer dus niet over het plangebied Roodehaan.
Foto 4.1 Toendrarietgans bij het Zuidlaardermeergebied. Foto E. Klop.
4.3
Lokale verspreiding en vliegbewegingen
Op basis van losse waarnemingen tijdens de winterperiode (waarvan de meeste door amateurs zijn ingevoerd via Waarneming.nl) binnen een straal van 5 km rond de planlocaties (bron: NDFF), is ruimtelijk inzichtelijk gemaakt waar de concentraties van Natura 2000 nietbroedvogelsoorten zich in de afgelopen vijf jaar bevonden. Dit is weergegeven in de figuren 4.4–4.9. Hierbij moet worden benadrukt dat dit geen structurele tellingen zijn en dat de getoonde ruimtelijke patronen slechts ter indicatie dienen. Ook zijn niet noodzakelijkerwijs alle individuen van deze soorten gebonden aan de betreffende Natura 2000-gebieden.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
21
Kolganzen werden voornamelijk in de ganzenfoerageergebieden ten westen van het Zuidlaardermeergebied en in de polders (NNN-gebied) ten zuiden van het Leekstermeergebied waargenomen, terwijl er ook redelijke aantallen in de waterrijke polders ten noordoosten van de stad Groningen zijn gezien. Opvallend is dat de ganzenfoerageergebieden ten noorden van het Leekstermeergebied minder gebruikt worden door deze soort (Figuur 4.4). Rond de planlocaties zijn Brandganzen minder verspreid dan de Kolgans en zijn deze vooral in de ganzenfoerageergebieden rond het Zuidlaardermeergebied en in mindere mate in ganzenfoerageergebieden en andere polders rond het Leekstermeergebied waargenomen (Figuur 4.5). Dit verspreidingspatroon doet vermoeden dat Brandganzen minder ver bij hun gemeenschappelijke slaapplaatsen vandaan gaan om te foerageren. Smienten zijn typische overwinteraars in het Hollandse polderlandschap en dit is terug te zien in de wijde verspreiding in de polders rond de plangebieden. Toch zijn de hoogste concentraties in de moerasgebieden rond het Foxholstermeer en het Drentse Diep waargenomen, gebieden die dicht tegen de planlocatie Roodehaan liggen (Figuur 4.6). Bij aankomst in Nederland in oktober foerageren Kleine zwanen in eerste instantie op waterplanten op grote meren voordat ze gedurende de winter de omliggende polders intrekken.
Van oudsher is het Zuidlaardermeer een belangrijk overwinteringsgebied voor Kleine zwanen in de winter. Rondom de plangebieden zijn de meeste waarnemingen van deze soort nog steeds bekend van het Zuidlaardermeergebied gedaan (Figuur 4.7), maar dit is geen schim meer van de aantallen die hier 30 jaar geleden nog aanwezig waren (Sovon 2018). Het gaat om enkele tientallen vogels in de afgelopen vijf jaar. Toendrarietganzen zijn minder gebonden aan waterrijke polders en foerageren meer op bouwland en oogstresten. De meeste vogels zijn dan ook niet rondom het Zuidlaardermeer en Leekstermeer gezien (waar ze mogelijk wel slapen) maar in het akkergebied ten oosten van de stad Groningen (Figuur 4.8). De hoogste concentraties Slobeenden bevinden zich in de moerasgebieden rond het Drentse Diep en Foxholstermeer, vergelijkbaar met de Smient. Anders dan Smienten zijn er proportioneel grotere aantallen Slobeenden in natuurgebied de Onlanden ten zuidwesten van de stad Groningen gezien (Figuur 4.9).
22
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Figuur 4.4. Aantal losse waarnemingen van Kolgans binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
Figuur 4.5. Aantal losse waarnemingen van Brandgans binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
23
Figuur 4.6. Aantal losse waarnemingen van Smient binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
Figuur 4.7. Aantal losse waarnemingen van Kleine zwaan binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
24
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
Figuur 4.8. Aantal losse waarnemingen van Toendrarietgans binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
Figuur 4.9. Aantal losse waarnemingen van Slobeend binnen 5 km van de planlocaties (geel) in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
5
Verkenning van effecten
5.1
Inleiding
25
De ecologische effecten van windturbines op land zijn vaak primair het gevolg van verstoring tijdens de aanlegwerkzaamheden of van verhoogde mortaliteit en barrièrewerking onder vogels en vleermuizen wanneer de turbines operationeel zijn. De effecten zijn als volgt te categoriseren: 1. Aanlegfase a. Verstoring door mensen of machines tijdens de constructiewerkzaamheden; b. Tijdelijke degradatie of verlies van habitat. 2. Operationele fase a. Mortaliteit door aanvaringen; b. Barrièrewerking (verstoring van vliegbewegingen); c. Verstoring van rust-, foerageer- en/of broedgebieden; d. Permanent habitatverlies, zoals door grondbeslag door de turbines. Niet alle soorten zijn even kwetsbaar voor de mogelijke negatieve effecten van windturbines. In veel West-Europese windparken bestaan aanvaringsslachtoffers vooral uit watervogels, meeuwen en zangvogels, maar ook vleermuizen kunnen slachtoffer worden. Het exacte soortenspectrum en de aantallen slachtoffers is sterk afhankelijk van de locatie (binnenland vs. kust), terreintype (agrarisch terrein vs. bos of wad) en de daarmee samenhangende hoeveelheid vliegbewegingen. Het effect van aanvaringsslachtoffers moet in perspectief tot de populatiegrootte worden gezien.
Bijvoorbeeld, een enkele Spreeuw die slachtoffer wordt zal geen wezenlijk effect hebben op de lokale broedpopulatie, maar wanneer een Zeearend slachtoffer wordt kan dit een relatief groot effect op de (Noord-)Nederlandse broedpopulatie betekenen.
5.2
Effecten op beschermde soorten tijdens de aanlegfase
Wanneer er werkzaamheden plaatsvinden op de planlocaties Westpoort en Roodehaan, dan kan er habitatverlies optreden voor wettelijk beschermde soorten. Om niet in conflict te komen met de Wnb moet er rekening gehouden worden met een aantal soorten:
Indien werkzaamheden aan watergangen plaatsvinden is op beide planlocaties aanvullend onderzoek nodig naar het voorkomen van de Waterspitsmuis. Ook vindt er in dat geval mogelijk aantasting plaats van voortplantingsbiotoop van de Heikikker en Poelkikker. Bij Roodehaan is er in het geval van aantasting van watergangen onderzoek nodig naar het voorkomen van de Groene glazenmakers en Grote modderkruiper. Bij grootschalige ingrepen, waarbij ook een brede zone langs de oevers (100-200 m) wordt bewerkt, kunnen daarnaast winterbiotopen worden aangetast. Voor de aanwezige amfibieën is de zorgplicht van toepassing, waarbij werkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat amfibieën de mogelijkheid krijgen om weg te vluchten. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten genieten wettelijke bescherming, waardoor rekening moet worden gehouden met broedende vogels en jaarrond beschermde nesten. Er zijn verschillende mogelijkheden om conflicten met de Wnb ten
26
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
5.3
aanzien van broedende vogels te voorkomen. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is de meest zekere optie. Een alternatief is om werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het plangebied achterwege blijven. Er dient tevens te worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden in het broedseizoen alsnog broedgevallen ontstaan. Dit is mogelijk door geen geschikte nestplaatsen te laten ontstaan door bijvoorbeeld bouwmateriaal en zandhopen goed af te dekken. Mochten er toch vogels tot broeden komen en door de werkzaamheden worden verstoord, dan ontstaat er een conflict met de Wnb en moeten de verstorende werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). Indien door het plaatsen van de windturbines verblijfplaatsen van de Steenmarter worden aangetast, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Groningen. Otters maken gebruik van het Koningsdiep en daarom dient men bij werkzaamheden aan oevers en watergangen bij Westpoort rekening te houden met de aanwezigheid van deze soort.
Mortaliteit vogels
Trekvogels Trekvogels vliegen niet graag boven zee en volgen daarom vaak een smalle strook langs de kustlijn waardoor zich daar tijdens de trekseizoenen (voorjaar, herfst) een opeenhoping van trekvogels vormt (Lensink et al. 2002). Daarentegen is er in het binnenland meestal sprake van een meer diffuse trek waarbij trekvogels over een breed front passeren (Lensink et al. 2002). Omdat de plangebieden in het binnenland liggen worden hier relatief lage aantallen vliegbewegingen van trekvogels verwacht. Dit blijkt ook uit de Nationale Windmolen Risicokaart (deelkaart trekvogels) (Aarts & Bruinzeel 2009): de hoge risicogebieden voor trekvogels bevinden zich langs de kust, de randen van het IJsselmeer en de grote rivieren. De planlocaties liggen in ‘laag risicogebied’ (groen op de deelkaart voor trekvogels, Figuur 5.1A). Gelet op bovengenoemde factoren zal tijdens de seizoenstrek voor het merendeel van de relevante soorten (zie Bijlage 1) slechts sprake zijn van toevallige en incidentele aanvaringsslachtoffers. Voor enkele overige soorten kan op basis van het voorkomen in en rond het plangebied worden verwacht dat sprake zal zijn van meer structurele slachtoffers, vanwege een reëel risico op aanvaring met windturbines. Dit kan met een aanvaringsmodel nader worden gekwantificeerd.
Lokale vliegbewegingen Naast trekkende vogels kunnen lokale bewegingen, bijvoorbeeld dagelijkse bewegingen vanuit een gemeenschappelijke slaapplaats naar foerageergebieden en vice versa, structureel aanvaringsslachtoffers opleveren. De Nationale Windmolen Risicokaart (Aarts & Bruinzeel 2009) laat zien dat de plangebieden over het algemeen in hoog risicogebied liggen voor vogels in het algemeen (Figuur 5.1B) en weidevogels (Fig. 5.1C). De aanwezigheid van gemeenschappelijke slaapplaatsen en foerageergebieden nabij deze slaapplaatsen betekent dat er dagelijks (veel) vliegbewegingen plaatsvinden van ganzen en andere watervogels tussen deze gebieden. Daarnaast zijn er duizenden Stormmeeuwen die in het Zuidlaardermeergebied slapen die overdag in omliggende polders foerageren (mond. med. Aart van der Spoel, Avifauna Groningen). De aanwezigheid van slaapplaatsen in het Zuidlaardermeergebied blijkt ook uit een slaapplaatstelling uit het Meetnet watervogels van Sovon (Tabel 5.1).
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
27
Figuur 5.1. De Nationale Windmolen Risicokaart (Aarts & Bruinzeel 2009) laat zien dat de plangebieden in een regio liggen met lage dichtheden (groen) aan trekvogels (A), hoge dichtheden (paars) aan vogels in het algemeen (B), hoge dichtheden aan weidevogels (C) en hoge dichtheden (rood) aan ganzen en zwanen (D).
Tabel 5.1: Resultaten van een slaapplaatstelling uit het Meetnet watervogels van Sovon op 18 november in het Zuidlaardermeergebied. Gegevens uit het Leekstermeergebied zijn niet aanwezig in de datasets van Sovon.
Soort Aalscholver Toendrarietgans Kolgans Grauwe gans Soepgans
Jaar 2018 2018 2018 2018 2018
Datum 18 november 18 november 18 november 18 november 18 november
Aantal 7 462 2100 7580 3
Kwalificerende soorten: broedvogels Windturbines bij Westpoort en Roodehaan kunnen in potentie negatieve effecten hebben op kwalificerende broedvogels voor de Natura 2000-gebieden. Er valt echter goed te onderbouwen waarom negatieve effecten op Porseleinhoen, Kwartelkoning en Rietzanger waarschijnlijk verwaarloosbaar of afwezig zijn. Ten eerste liggen de planlocaties op enige afstand van de Natura 2000-gebieden en vertonen geen ruimtelijke overlap. Ten tweede, voor de meeste van deze soorten geldt dat ze niet worden gekenmerkt door vliegbewegingen die zich binnen de rotorzone van de windturbines begeven, zoals dat bijvoorbeeld voor ganzen, meeuwen en Aalscholvers wel het geval lijkt te zijn (bijv. Klop & Hill 2018). De meeste van de kwalificerende broedvogels uit Tabel 3.1 komen dan ook nauwelijks voor in de internationale
28
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
database van aanvaringsslachtoffers in Europese windparken: Staatliche Vogelschutzwarte des Landesamtes für Umweltträgt (samengesteld door T. Dürr). Rietzanger is volgens deze database nog nooit als aanvaringsslachtoffer gevonden, terwijl er een enkel slachtoffer is gevonden van Kwartelkoning en Porseleinhoen in respectievelijk Bulgarije en Polen. Dit zijn landen waar beide soorten in veel hogere dichtheden voorkomen dan in Nederland. Onderzoek naar gezenderde Porseleinhoentjes in Fryslân heeft laten zien dat deze een beperkt leefgebied hebben van ca. 0.20–0.45 ha en dat ze zich tijdens de broedperiode nooit buiten het leefgebied van laagveenmoerassen begeven (van der Hut et al. 2013). Ook Roerdomp is aangewezen als kwalificerende broedvogel voor het Zuidlaardermeergebied, en deze kan tijdens baltsvluchten wel degelijk binnen de rotorzone vliegen. In de internationale database van aanvaringsslachtoffers zijn dan ook twee slachtoffers uit Duitsland, twee uit Nederland en één uit Polen opgenomen. Tijdens de monitoring van Windpark Eemshaven zijn verschillende Roerdompen als aanvaringsslachtoffer gevonden (Klop & Brenninkmeijer 2014). Onderzoek met GPS-zenders in het Ilperveld (Noord-Holland) heeft echter laten zien dat Roerdompen tijdens de broedperiode het moerasgebied en hun eigen territorium, dat ca. 200– 300 ha omvat, nauwelijks verlaten.
Behoudens enkele migrerende vogels die in zuidelijke streken overwinteren, hebben Roerdompen ook in de winter een beperkt leefgebied en begeven zich nauwelijks buiten de moerasgebieden (van der Winden & Hogeweg 2014). De kans dat Roerdompen uit het Zuidlaardermeergebied in aanraking komen met de windturbines bij Roodehaan lijkt dus klein, maar is niet uit te sluiten. Kwalificerende soorten: niet-broedvogels Beide gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied voor een aantal overwinterende nietbroedvogels, namelijk: Kolgans, Smient (beide gebieden), Brandgans (Leekstermeergebied), Kleine zwaan, Toendrarietgans en Slobeend (Zuidlaardermeergebied). Uit gegevens van het Meetnet slaapplaatstellingen van Sovon blijkt dat in de winter van 2018 vooral Kolgans en Toendrarietgans het Zuidlaardermeergebied als slaapplaats gebruikten. Ook Grauwe gans (geen kwalificerende soort) maakt van deze slaapplaats gebruik. Voor het Leekstermeergebied zijn slaapplaatstellingen van Sovon niet beschikbaar, maar we kunnen niet uitsluiten dat ook hier grote aantallen ganzen en andere watervogels hun slaapplaats hebben. Vliegbewegingen vanuit deze slaapplaatsen naar de foerageergebieden kunnen structureel aanvaringsslachtoffers opleveren, maar dit is afhankelijk van de route en vliegrichting van de vogels en de locatie van de windturbines.
De ervaring is dat ganzen en zwanen windturbines goed kunnen ontwijken en (uitzonderingen daargelaten) slechts beperkt slachtoffer worden (Spaans et al. 1998). Op basis van veldmetingen van vliegbewegingen en vlieghoogtes kan een aanvaringsmodel worden opgesteld om de mortaliteit per soort te kwantificeren. De mortaliteit moet vervolgens worden gespiegeld aan de populaties in de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelen die voor deze soorten zijn opgesteld. Vanuit juridisch oogpunt is van belang in hoeverre de actuele populaties in de Natura 2000-gebieden onder of boven het instandhoudingsdoel zitten. De beschikbaarheid van (recente) slaapplaatstellingen is daarbij essentieel. Op het moment zijn onvoldoende tellingen beschikbaar om het belang van deze gebieden als slaapplaats over een langere tijdreeks te interpreteren.
A&W-rapport 19-320 Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen
29
Overige relevante soorten In samenwerking met de Natuur en Milieufederatie Groningen hebben we via een klankbordgroep met lokale natuurorganisaties een aantal specifieke natuurwaarden besproken. In deze klankbordgroep waren Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming Nederland, Groninger Landschap, Avifauna Groningen, Stichting Natuurbelang de Onlanden, IVN Groningen-Haren, Platform Natuur en Landschap Westerkwartier, de Vleermuiswerkgroep en bewoners vertegenwoordigd om kritisch mee te denken over de opzet van het onderzoek. Tijdens bijeenkomsten met deze partijen zijn onder andere een aantal vogelsoorten naar voren gekomen die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van windturbines. Hieronder beschrijven wij deze soorten en beargumenteren we, op basis van expert judgement, in welke mate deze soorten effect kunnen ondervinden van windturbines op de twee planlocaties. Zeearend Na een eerste broedgeval in de Oostvaardersplassen in 2006 is de Nederlandse populatie Zeearenden snel gegroeid tot 14 broedparen in 2018 (van Rijn et al. 2019a). Ook in NoordNederland doet de soort het goed met in 2018 twee broedgevallen in het Lauwersmeer en de Alde Feanen en één broedgeval in het Zuidlaardermeergebied (van Rijn et al. 2019b).