CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Vaststelling bestemmingsplan Meerstad-Noord bijlagen toelichting.pdf

gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente GroningenBij agendapunt: j: Vaststelling Bestemmingsplan Meerstad-Noord (raadsvoorstel 7-6-24)22.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is hiervoor het juridisch kader. Tegenwoordig ligt de verantwoordelijk voor het NNN bij de provinciale overheid. De provincie Groningen heeft regels opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening ter bescherming van NNN. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, of als negatieve effecten niet kunnen worden vermeden door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het NNN, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. In de provincie Groningen gelden geen regels ten aanzien van externe werking op gebieden die deel uitmaken van het NNN.

6.2 Bepaling effecten De bepaling van ecologische effecten vindt plaats door onderzoek te doen op basis van onderzoek naar: •

De ligging en kenmerken van beschermde (leef)gebieden en de stand van zaken van deze gebieden;

•

De soorten en habitattypen die voorkomen in het projectgebied, hetzij doordat zij het gebied gebruiken, hetzij dat zij dit passeren;

•

De potentiële effecten van het project direct of indirect, op de soorten en habitattypen in het projectgebied. Dit betreft de effecten van de verschillende fasen van het project (aanleg en exploitatie).

13

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming, paragraaf 3.1 geeft het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, paragraaf 3.2 het beschermingsregime soorten habitatrichtl jn en paragraaf 3.3 het beschermingsregime overige soorten.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 52

-

extra inrichting bijvoorbeeld meer biotopen en biotooprovergangen ( bomen, bosjes, fruitbomen, struweel, rietland) omvorming naar regeneratieve landbouw waardoor meer structuur en biotoop variatie door teeltwisseling en beheer en gezonder bodemleven (zie volgende paragraaf voor meer detail).

Dit zal in het plangebied leiden tot een verschuiving van huidig aanwezige soorten, met name klassieke weide en akkervogels (zoals de kievit, tureluur, graspieper en veldleeuwerik) naar andere soorten (als roodborsttapuit, grasmus, braamsluiper, patrijs, ringmus, rietzanger, blauwborst). Ook kleine zoogdiersoorten en bijen en vlinders zullen profiteren van meer structuur, dekking, soortenvariatie in vegetatie dat zal ook predatoren als bunzing, wezel, hermelijn, vos, torenvalk, kerkuil kunnen trekken.

Omvorming naar regeneratieve landbouw Tot op heden word het land grotendeels verpacht op basis van ’reguliere pacht’ door de gemeente Groningen aan agrariërs uit de omgeving. Deze pacht loopt elk jaar af en er kan dus elk jaar een begin worden gemaakt met de opbouw en start van het nieuwe doel van deze gronden als groene buffer van het zonnepark Polder Lageland. Uit gesprekken met de omwonenden en de vijf gehouden gebiedstafels is als een van de inrichtingswensen duidelijk naar voren gekomen het behoud van het agrarisch cultuurlandschap, met een grote extra kans voor de natuur en biodiversiteit. Op hoofdlijnen is hier duidelijkheid en consensus over, maar aan de details moet nog worden gewerkt. Dit betreft met name de uitwerking van “Vitamine G” en de natuurlijke verbindingszone langs Slochterdiep, de inpassing van de mogelijke huizenbouw nabij Slochterdiep en de particuliere landbouwpercelen. Er blijft dus ruimte voor het bedrijven van agrarische activiteiten binnen het plangebied, echter dan wel op een regeneratieve basis. Bij regeneratieve landbouw laat je de natuur, en met name de bodembiologie het werk doen en is dus een optimale bodembiologie van belang. Daarvoor dient de werkwijze van de agrariërs waar nodig te worden aangepast zoals: •

geen gebruik van kunstmest, enkel van organische meststoffen;

•

geen gebruik van bestrijdingsmiddelen;

•

een passend waterpeil (mogelijk passend bij de bestrijding van veenoxidatie, zie hoofdstuk 14);

•

minimale verstoring van bodem door grondbewerkingen, en het beperken van de bodemdruk door aangepaste machines, en/of een vermindering van het aantal werkgangen;

•

mogelijk tijdelijk geen bemesting toepassen (m.u.v. bemesting als gevolg van beweiding effecten) teneinde de effecten van overbemesting wegens intensief gebruik tot op heden tegen te gaan. Afhankelijk van de ontwikkeling kan het aanbrengen van organische meststoffen later ook weer worden toegepast.

Naast een optimalisatie van de bodembiologie word er ook op andere wijzen gestreefd naar een plus voor de natuur bovengronds. De wijze van, en het tijdstip van het oogsten en weiden, moet worden afgestemd op het behalen van hogere natuurwaarden in de vorm van kruidensamenstelling, broedvogels, insecten amfibieën en zoogdieren. Onderdeel van het nieuwe beheer zijn typisch wisselteelten, perceelranden, groenbemesters en braakjaren, het zaaien van dek gewassen naast het hoofdgewas. Naast het bovenstaande beheer op hoofdlijnen zullen er nog inrichtingsmaatregelen plaats vinden om het na te streven doel en beheer te optimaliseren. Hierbij kan worden gedacht aan begreppeling van de percelen/herstel detail ontwatering, bollere akkers, herstel slootpatroon en optimalisatie/behoud van de

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 54

toegankelijkheid. Ten behoeve van een hoger waterpeil zal de gehele waterhuishouding moeten worden herzien om de waterpeilen afhankelijk van de hoogte ligging, beter te kunnen sturen. Vervolgens kan inzaaien van kruidenrijke mengsels in grasland percelen, en inzaaien groenbemesters, akkerkruiden en grasklaver op akker percelen, plaatsvinden.

6.3 Referentiesituatie Deze paragraaf beschrijft de referentiesituatie voor de gebieden en soorten die van belang zijn. Bepaalde gebieden en soorten zijn buiten beschouwing gelaten omdat daar geen (significante) effecten op te verwachten zijn. Dit is omschreven in paragraaf 6.3.1.

6.3.1

Huidige situatie

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Zuidlaardermeergebied) ligt op een afstand van 5,9 kilometer. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden ligt op een afstand van meer dan 12 kilometer. Het plangebied grenst vrijwel aan het Natuurnetwerk Nederland. In Figuur 6.1 staat de ligging van Natura 2000-gebieden en NNN weergegeven. Het plangebied ligt buiten de akker- en weidevogelkerngebieden die zijn aangewezen door provincie Groningen. Figuur 6.1 Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland – gebieden rondom het plangebied

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 55

6.3.2

Beschermde soorten

Door Bureau Waardenburg is een natuurtoets verricht16 en is er veldonderzoek gedaan naar de aanwezige dieren in het gebied17. Zij concluderen dat de sloten in het plangebied betekenis hebben als voortplantingsplaats en foerageergebied voor heikikker. Daarnaast dienen de sloten mogelijk als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Tevens dienen enkele bomenrijen als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Volgens Buro Bakker bevinden zich bovendien langs de Zuidweg en Hamweg essentiële vliegroutes en jachtgebieden voor met name gewone dwergvleermuis 18 . De bomen en bebouwing worden mogelijk gebruikt als verblijfplaats voor vleermuizen, steenmarter, buizerd, kerkuil en huismus. Tenslotte heeft het gehele plangebied betekenis voor broedvogels. Uit het veldonderzoek is gebleken dat er in het gebied minimaal twee vaste verblijfplaatsen of nestplaatsen van kerkuil aanwezig zijn en drie nesten van de buizerd. Eén mannetjesdas heeft een verblijfplaats in een bosschage, grenzend aan het plangebied. Er zijn, op basis van de akker- en weidevogelsoorten van de provincie Groningen, acht soorten akker- en weidevogels aangetroffen in het gebied die broeden in wisselende aantallen. In sommige gevallen (informeel beleid) beschouwd de provincie Groningen akker- en weidevogels als soorten met een jaarrond beschermd nest.

6.4 Effectbeschrijving en beoordeling 6.4.1

Op voorhand uit te sluiten effecten

Natura 2000 Het plangebied ligt op bijna zes kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. Dit is buiten de directe invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn op grond van de aard van het project en de afstand tot het plangebied uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN kent in de provincie Groningen geen externe werking. Directe effecten op de NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van de NNN is niet van toepassing.

Overige provinciaal beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de akker- en weidevogelkerngebieden die zijn aangewezen door Provincie Groningen. De provincie Groningen beschouwd akker- en weidevogels echter als soorten met een jaarrond beschermd nest, waardoor ook gebieden buiten de kerngebieden mogelijk gecompenseerd moeten worden. Het plangebied wordt zeer intensief gebruikt voor landbouw en heeft weinig schuilmogelijkheden en voedselaanbod voor akker- en weidevogels. Tijdens het veldbezoek zijn ook weinig akker- en weidevogels aangetroffen. Het plangebied is marginaal geschikt voor akker- en weidevogels. Naar onze inschatting hoeft er geen compensatie plaats te vinden voor akker- en weidevogels. Geadviseerd wordt om deze conclusie voor te leggen aan bevoegd gezag.

16

Effecten realisatie zonnepark op beschermde soorten te Lageland, Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 28 juli 2020, rapportnr. 20-166 17 Nader onderzoek das, roofvogels en akker- en weidevogels, Lageland, Inventarisatie, effecten en maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 21 december 2021, rapportnr. 21-217 18 Ecologisch onderzoek Meerstad 2016. Rapportnr: P16033, 17 januari 2017. Bureau Bakker, Assen

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 56

6.4.2

Stikstofdepositie

Als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanleg van het zonnepark treedt emissie van schadelijke stoffen (verontreiniging) naar lucht, water en/of bodem op. Dit kan leiden tot extra stikstofdepositie wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van habitat of leefgebied. De aanlegfase van het project leidt tot een (zeer geringe) extra depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand van het projectgebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden (>12 kilometer), het tijdelijke karakter van de aanleg, is de verwachting dat dit geen significant negatief effect zal hebben. De uitgevoerde Aeriusberekening in bijlage 1 bevestigt dit. In deze berekening is uitgegaan van een emissie van 596 kilogram stikstof. Dit is de som van: 1. totale stikstofemissie door de aanleg van een vergelijkbaar hoogspanningsstation (Musselkanaal19, totale emissie Nox voor de aanleg circa 240 kilogram), en 2. een zonnepark (Zonnepark Noordermeerdijk Zuid20, emissie circa 65 kilogram voor de aanleg van een park van circa 32 hectare, omgerekend naar rato van oppervlak betekent dit 65 x 175/32 = 356 kilogram stikstofemissie voor de aanleg van een zonnepark van 175 ha). Het resultaat is een stikstofdepositie van 0,00 mol per hectare in de gevoelige gebieden.

Van de gebruikersfase worden hoe dan ook geen effecten verwacht, aangezien er enkel beperkt verkeersbewegingen zijn te verwachten voor het onderhoud.

6.4.3

Onderzoek naar soorten

Bureau Waardenburg concludeert dat er geen effecten zijn te verwachten op de NNN- en Natura 2000 gebieden. Wel zijn er mogelijke effecten op de soorten in het plangebied, daar wordt hieronder nader op in gegaan. Heikikkers Afhankelijk van de precieze uitvoering van de werkzaamheden, zal als gevolg van de ingreep verblijf-, voortplantings- en foerageergebied van de heikikker verloren gaan. Daarnaast kunnen heikikkers tijdens de werkzaamheden mogelijk gedood of verstoord worden. Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van heikikkers om negatieve effecten op deze soort - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Voor de werkzaamheden dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het vernietigen of aantasten van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van heikikkers en het opzettelijk verstoren van heikikkers. Tevens wordt aanbevolen om in de gebieden waar heikikker voor kan komen te werken buiten het kwetsbare seizoen van heikikkers (voortplantingsseizoen: februari tot en met juli, winterrust: oktober tot en met februari). Broed- en weidevogels Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden kunnen er mogelijk nesten van vogels worden verstoord of vernietigd. Verstoring van vogelnesten die in gebruik zijn dient voorkomen te worden.

Dit kan door te werken buiten het broedseizoen of het plangebied voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels. Dit kan door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Het rooien van beplanting binnen het broedseizoen is mogelijk indien is vastgesteld dat er met 19 20

Zie www.ruimtelijkeplannen.nl, plan “Station Zuid Groningen (TenneT)”, NL.IMRO.1950.BP2102-vs01 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0171.PB00087-0002/t_NL.IMRO.0171.PB00087-0002.pdf

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 57

deze werkzaamheden geen nesten van vogels worden verstoord. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wet natuurbescherming geen standaard periode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Indien aan deze maatregelen wordt voldaan is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Tevens wordt aangeraden om te overleggen met bevoegd gezag of er compensatie plaats moet vinden voor het verlies van marginaal geschikt akker- en weidevogelgebied. Amfibieën Het plangebied vormt tevens leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Das Grenzend aan het plangebied bevindt zich een dassenburcht. Deze burcht blijft behouden. Tijdens de werkzaamheden dient verstoring van de das zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan o.a. door de werkzaamheden uit te voeren vóór zonsondergang of op zijn laatst tot 19:00 uur ’s avonds.

Door de voorgenomen activiteiten zal er na realisatie van het project wel foerageergebied van de das verloren gaan. Dit is geen overtreding van de Wet natuurbeheer, maar er mag geen aantasting plaatsvinden van essentieel foerageergebied zodanig dat hierdoor de functionaliteit van de burcht wordt aangetast. Om de burcht te kunnen laten functioneren als vaste rustplaats is voldoende foerageergebied van goede kwaliteit nodig, met schuilplaatsen, geen versnippering van het territorium en geen verstoring door honden of recreatie. Ook de wissels die de das gebruikt zijn van invloed op het succesvol kunnen functioneren van de burcht als voortplantingsplaats Dit kan mogelijk opgevangen worden door een van onderstaande opties, geadviseerd wordt om deze voor te leggen aan bevoegd gezag: -

Het deel/een deel van het plangebied dat op dit moment in gebruik is door das ongemoeid laten.

-

Het deel van het foerageergebied rondom de burcht behouden. Daarnaast wordt het deel ten oosten van het plangebied geschikter gemaakt voor de das. Bij het realiseren van vervangend leefgebied kan als vuistregel worden aangehouden dat dit 120% van de oppervlakte van het bestaande leefgebied dient te zijn. Het foerageergebied dat behouden blijft voor de das, dient aantrekkelijker te worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van bemeste graslanden, overhoekjes, en het bevorderen van de hoeveelheid regenwormen in het gebied. Het aanbrengen van ruigtestroken, plas-drasgebieden of nieuw te planten bos, is vormt geen geschikte compensatie voor de das (Bij12, 2017b).

-

Onder de zonnepanelen komt waarschijnlijk grasland, dit zal minder voedsel opleveren voor de das dan de huidige inrichting van het grasland. Onder de panelen valt geen regen waardoor de grond verdroogd en er weinig regenwormen te halen zijn voor de das. Het zal wel bijdragen aan het totale oppervlakte aan foerageergebied.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 58

Buizerd Er zijn drie nesten aanwezig in het plangebied die gebruikt worden door buizerd. Deze bomen en de aangrenzende bomen blijven behouden. Er zal daarom geen permanent effect optreden op de voortplantingsplaatsen na realisatie van het plan. Het plangebied vormt foerageergebied voor buizerd. Er zijn echter voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. Het plangebied betreft daarom geen essentieel foerageergebied. Ook de toekomstige inrichting biedt mogelijkheden aan de buizerd om te foerageren. Het wordt wel minder gunstig omdat het aandeel open terrein afneemt; open gebied heeft de voorkeur als jachtgebied voor de buizerd. Indien tijden de broedtijd van de buizerd gewerkt wordt (februari tot juli), dient een afstand van minimaal 150 meter tot de nesten te worden aangehouden. Dit voorkomt dat de broedende buizerds verstoord wordt. Kerkuil Er zijn minimaal twee vaste verblijfplaatsen/voortplantingsplaatsen in boerderijen binnen het plangebied. Omdat deze plaatsen zich binnen bevinden zullen deze door de werkzaamheden niet worden aangetast. Het plangebied vormt foerageergebied voor kerkuil. Uitvoering van werkzaamheden in de directe omgeving van het plangebied in de periode maart tot oktober hebben een verstorend effect op de kerkuilen die het plangebied gebruiken als foerageergebied. Zij kunnen uitwijken naar omliggend gebied om te foerageren.

Vanuit de zorgplicht wordt aanbevolen om de werkzaamheden overdag uit te voeren. Ook wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van de kerkuil. Dit is de periode waarin de uilen voedsel zoeken voor hun jongen. Dit is ongeveer van februari tot en met augustus. De omgeving rondom het te realiseren zonnepark wordt ingericht als natuurzone. Indien deze zone dusdanig ingericht wordt dat dit geschikt blijft als foerageergebied voor kerkuil, blijft voldoende essentieel foerageergebied behouden. Dit kan onder meer door het gebied aantrekkelijk te maken voor muizen. De grootte van het territorium van de kerkuil is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die te vinden is. Door het overgebleven foerageergebied aantrekkelijk te maken voor muizen, kan het verlies aan oppervlakte foerageergebied gecompenseerd worden. Ook kan de ruimte tussen de panelen geschikt gemaakt worden als jachtgebied voor kerkuil. Haas, bunzing, hermelijn en wezel De soorten haas, bunzing, hermelijn en wezel zijn sinds de uitvoering van de natuurtoets en de onderzoeken door provincie toegevoegd aan de lijst van beschermde soorten. Naar deze soorten zal extra onderzoek dienen te worden verricht, maar er wordt in deze mer vanuit gegaan dat deze niet zal leiden tot een wezenlijk andere afweking voor het voorkeursalternatief.

Andere soorten Binnen het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen van de das en steenmarter. Het plangebied kan van belang zijn voor enkele soorten amfibieën en voor enkele kleine zoogdieren zoals kleine marterachtigen en verschillende muizensoorten. Dit betreft echter nationaal beschermde soorten, waarvoor de provincie Groningen een algemene vrijstelling heeft gegeven bij, onder andere, ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dient rekening te worden gehouden met de Zorgplicht. Aan de zorgplicht kan worden voldaan door bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden deze de gelegenheid te geven te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 59

7

Geluid De beoogde activiteiten kunnen geluid veroorzaken. Geluid kan hinderlijk zijn. Het betreft voor het zonnepark de omvormers en eventuele transformatoren. Voor het HS-station gaat het om de transformatoren en schakelaars die geluid kunnen produceren. In het kader van de beoordeling worden de geluidseffecten kwantitatief vastgesteld, zie het akoestisch onderzoek in de bijlagen van dit MER voor de details van de berekeningen. Daarbij wordt eerst bepaald of er een relevante geluidbelasting optreedt bij geluidsgevoelige objecten en vervolgens wordt de geluidsbelasting beoordeeld.

7.1.1

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

Langtijdgemiddelde geluidniveau Omdat het transformatorstation een elektrisch vermogen heeft van meer dan 200 MVA (2x250 = 500MVA) geldt er een geluidzoneringsplicht in het kader van de Wet geluidhinder. Het terrein waarop het transformatorstation wordt gerealiseerd, is daarom in het ruimtelijk plan aangemerkt als een geluidgezoneerd industrieterrein. Rondom dit terrein is, conform artikel 40 van de Wet geluidhinder (Wgh) een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Op grond van de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai dient bij een tonaal karakter dat, zoals de Handleiding stelt “duidelijk hoorbaar is bij de ontvanger” een toeslag van 5 dB(A) te worden toegepast. Het geluid wat door dergelijke transformatoren wordt geproduceerd is vaak tonaal van karakter, en derhalve is in de berekeningen deze toeslag bij het bronvermogen opgeteld. De geluidbelasting ter plaatse van nabijgelegen woningen wordt getoetst aan de richtwaardes uit Tabel 4 uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Maximaal geluidniveau Het transformatorstation bevat ook meerdere vermogensschakelaars die per jaar slechts enkele malen zullen worden gebruikt voor onderhoudswerkzaamheden gedurende de dagperiode.

Het is echter ook - zeer sporadisch - mogelijk dat, om in noodgevallen de installatie te beschermen, tijdens de avond- of nachtperiode de schakelaars in werking treden. De geproduceerde geluidniveaus tijdens de avond- en nachtperiode ten gevolge van de vermogensschakelaars zouden als calamiteus kunnen worden beschouwd en vallen daarbij dan buiten de geluidvoorschriften. De geluidemissie van de vermogensschakelaars is dusdanig kort en incidenteel dat voor de langtijdgemiddelde geluidniveaus deze niet worden beschouwd, enkel voor de maximale geluidniveaus. In de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening wordt ernaar gestreefd om het maximale geluidniveau te beperken tot het langtijdgemiddelde geluidniveau + 10 dB. De grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn derhalve de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde geluidniveau vermeerderd met 10 dB. Richtwaardes Er is geen gemeentelijk geluidsbeleid vastgesteld in gemeente Groningen, dus voor richtwaardes voor het langtijdgemiddelde geluidniveau van zowel het HS-station als het zonnepark is gekeken naar Tabel 4 uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De omgeving van het transformatorstation wordt, vanwege de aanwezigheid van de geluidzone rondom de NAM/Gasunielocatie en het geluid van de N360

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 62

7.6 Leemten in kennis De in de berekening gehanteerde geluidbrongegevens zijn een goede inschatting van de te verwachten emissies. Echter pas wanneer de definitieve technische installaties zijn gekozen kan met zekerheid de werkelijke geluiduitstraling worden bepaald. De geveldempingen van de woningen welke zijn gebruikt voor de berekeningen van het laagfrequente geluid zijn aannames op basis van het Deense rekenmodel.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 67

8 Veiligheid De activiteit maakt geen gebruik van gevaarlijke stoffen. Hoogspanningsstations zijn ook geen risicovolle inrichtingen. Wel zijn in het gebied activiteiten met gevaarlijke stoffen (ondergrondse buisleidingen, Gasunie doorvoerstation) aanwezig. Daarnaast is het denkbaar dat lichtreflectie op zonnepanelen vanuit veiligheid relevant is voor het wegverkeer.

8.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader Risico’s personen en woningen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bedoeld om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, of een gevaarlijke inrichting, te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). Voor een transformatorstation en een zonnepark zijn er geen effecten vanuit externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Er zijn geen relevante risico’s voor personen en omliggende woningen. Effecten op gastransport-infrastructuur Bij het aanleggen van de infrastructuur (HS-station, zonnepark, ondergrondse elektriciteitsleidingen) dient wel rekening te worden gehouden met de ondergrondse gastransportleidingen in het plangebied en het gasdoorvoerstation van de Gasunie.

8.2 Referentiesituatie In de referentiesituatie bevinden zicht diverse ondergrondse gastransportbuisleidingen en het Gasunie gastransportverdeelstation in het gebied.

8.3 Effectbeoordeling 8.3.1

HS-station

Voor een transformatorstation en een zonnepark zijn er geen effecten vanuit externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Er zijn geen relevante risico’s voor personen en omliggende woningen. Voor het effect op woningen scoren alle vijf locaties daarom neutraal (‘0’). Wanneer de locatie van het HS-station op of nabij gastransportleidingen en gastransportdoorvoerstation zijn gelegen, is er mogelijk sprake van wederzijdse beïnvloeding.

nabij

het

Werkzaamheden nabij de gastransport-infrastructuur en de magnetische velden rondom kabels kunnen extra risico’s vormen voor de gasleidingen en het Gasunie station. Het betreft dan met name de kans op zakking van de ondergrond en zettingen van de gastransportleidingen op het Gasunie doorvoerstation. Daarnaast kunnen een eenmaal geplaatste elektriciteitsleidingen en andere componenten van het in werking zijnde HS-station door warmte en elektrische velden de gastransport-infrastructuur beïnvloeden. Om ontoelaatbare elektrische en thermische beïnvloeding uit te sluiten is in deze gevallen een onderzoek nodig volgens de norm NEN 3654.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 68

Omgekeerd kan een calamiteit met een gasleiding of het Gasunie station de elektrische infrastructuur beschadigen. Op basis van TenneT-beleid dient 25 meter afstand vanaf het stationshekwerk tot aan risicovolle inrichtingen te worden aangehouden in het kader van de externe veiligheid. In de onderstaande figuur is een overzicht gegeven van de ligging van de buisleidingen (gastransport) en het gasdoorvoerstation in relatie tot de vijf beschouwde locaties van het hoogspanningsstation. Hieruit is af te leiden dat de mogelijke invloed op /risico’s voor gasbuisleidingen door het HS-station station met name van belang zijn voor locatie Noord (score ‘--’) en ook maar iets minder locaties Midden en Oost (score ‘-‘). Op aangeven van Enexis zijn kruisingen van ontsluitende ondergrondse middenspanningskabels met bestaande gasleidingen voor elke van de vijf locaties nodig (score ‘-‘), maar deze zijn waarschijnlijker bij locaties Midden, Oost en Noord (score ‘--‘). Figuur 8.1 Ligging van de buisleidingen (gastransport) en het gasdoorvoerstation in relatie tot de beschouwde locaties van het hoogspanningsstation.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 69

9.4 Mitigerende maatregelen De belangrijkst mogelijke mitigerende maatregel betreft het afstand houden tussen de bron van de magneetvelden en de gevoelige bestemmingen (in dit geval de omliggende woningen).

9.5 Leemten in kennis Specifieke effecten zijn afhankelijk van het detailontwerp van het station en pas in een later stadium exact te bepalen.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 73

10 Cultuurhistorie en archeologie 10.1 Inleiding Cultuurhistorie is het totaal aan bovengrondse sporen van menselijke activiteiten in de stad en op het platteland, in de bebouwde en de onbebouwde omgeving. Deze sporen leveren informatie op over het leven en werken van de mens in vroeger tijden (de bewoningsgeschiedenis), maar verklaren ook voor een belangrijk deel waarom onze omgeving er nu uitziet zoals ze eruitziet. Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of ‘slechts’ een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt er ook archeologisch onderzoek gedaan naar overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog. In het beleidskader zal verder worden ingegaan op de betekenis en doelstellingen van cultuurhistorie en archeologie in het plangebied. Ten behoeve van de realisatie van het voornemen vindt ontgraving plaats voor het leggen van kabels en het realiseren van fundaties.

In het navolgende wordt aangegeven of verwacht kan worden dat archeologische relicten in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zullen zijn, en welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele waarden te beschermen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare kaarten met verwachtingswaardes van het Rijk, de provincie Groningen en de gemeente Groningen. Verder wordt voor het aspect cultuurhistorie aandacht besteed aan eventueel overige aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals de aanwezigheid van monumenten. Kans op fysieke aantasting ervan dient te worden beoordeeld, evenals de invloed op het aanzien ervan, wat ook als een vorm van aantasting kan worden gezien. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke en provinciale beleid ten aanzien van aanwezige cultuurhistorische waarden.

10.2 Beleid, wetgeving en beoordelingskader 10.2.1

Beleid en wetgeving

Cultuurhistorie is het totaal aan bovengrondse sporen van menselijke activiteiten in de stad en op het platteland, in de bebouwde en de onbebouwde omgeving. Deze sporen leveren informatie op over het leven en werken van de mens in vroeger tijden (de bewoningsgeschiedenis), maar verklaren ook voor een belangrijk deel waarom onze omgeving er nu uitziet zoals ze eruitziet. Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of ‘slechts’ een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt er ook archeologisch onderzoek gedaan naar overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog. In het beleidskader zal verder worden ingegaan op de betekenis en doelstellingen van cultuurhistorie en archeologie in het plangebied.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 74

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4905/documents/82438