Bijlage 4 Vaststelling bestemmingsplan Meerstad-Noord bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
3
Locatieonderbouwing De locatiekeuze voor het zonnepark wordt met name worden onderbouwd op basis van bestaande beleidsstukken, waarin het plangebied is aangewezen als zoekgebied voor grootschalige opwekking van zonne-energie. Daarnaast wordt gekeken naar de door het HS-station te ontsluiten capaciteitsbehoefte en de wijze van aansluiting op het hoogspanningsnet.
3.1 Inleiding 3.1.1
Doelstellingen Zoals reeds eerder vermeld heeft het project drie doelstellingen: 1. Het primaire doel van het project is de realisatie van maximaal 175 hectare aan zonnepanelen. Daarbij wordt het plangebied zo maximaal mogelijk benut, gelet op het beleid en de ambities op het gebied van duurzame energie van de gemeente Groningen, de provincie Groningen en Nederland als geheel. 2. Het bouwen en in gebruik nemen van een nieuw HS-station in het belang van transport van elektriciteit, en meer specifiek van het zonnepark en andere duurzaam opgewekte energie in de regio. 3. Het realiseren van een gebied met een verbetering ten opzichte van de huidige situatie op de onderdelen natuur, waterberging en recreatie. Dit kan bijvoorbeeld door een optimale opstelling van het zonnepark ten gunste van planten en bodemleven, investering in de directe randen van het zonnepark en het uitbreiden van lokaal netwerk van wandel- en fietspaden. Het project dient zodanig te worden uitgevoerd dat deze meerwaarde ook na het verwijderen van de zonnepanelen behouden kan blijven.
3.1.2
Methode locatieonderbouwing In het kader van het huidige hoofdstuk zal worden gekeken of er gebieden zijn in de gemeente Groningen welke al deze functies kunnen vervullen, dus met ongeveer dezelfde omvang als het beoogde plangebied Meerstad-Noord. Daarnaast moeten deze locaties passen binnen het gemeentelijke beleid voor grootschalige zonneparken. Ten slotte worden de overgebleven locaties kort vergeleken op basis van ontsluiting van andere duurzame energieprojecten in de gemeente via het HS-station en de aansluitmogelijkheden van het station op het bestaande hoogspanningsnetwerk van Tennet.
3.2 Analyse Het zonnepark beslaat uit circa 125 tot 175 hectare aan zonnepanelen. De afmetingen van het HS-station zijn circa 150 x 250 meter. Voor de analyse gaan we er van uit dat het zonnepark één aaneengesloten oppervlak beslaat binnen het plangebied en dat het HS-station zich binnen de grenzen van het zonnepark bevindt. Projecten met woningen in dit deel van het plangebied zouden zodanig zwaarwegend negatief scoren ten opzichte van Meerstad-Noord (wegens met name geluid en het zicht van door het zonnepark omringde woningen) dat deze bij voorbaat worden uitgesloten.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 19
3.2.2
Milieueffecten Veel milieueffecten zijn beperkt en daarom niet of nauwelijks onderscheidend voor de gebiedskeuze. Magnetische velden Op basis van nationaal beleid en vergelijkbare stations kan een worstcase afstand van 65 meter tussen
-
-
-
-
-
-
3.2.3
de grenzen van het station en woningen worden aangehouden. Alle drie locaties kunnen hier met een juist ontworpen indeling (HS-station midden in het zonnepark) ruim aan voldoen. Magnetische velden zijn daarom niet locatie-onderscheidend. Geluid Het open gebied tussen de omliggende woningen is in alle drie de gebieden vergelijkbaar. Met een juist ontwerp is het daarom voor elk gebied mogelijk de afstanden naar de omliggende woningen en daarmee de akoestische effecten vergelijkbaar te houden. Binnen de afstand van de 35 dB-contour bevinden zich bij geen van de drie locaties woonkernen of andere concentraties van woningen. Geluid wordt daarom voor de locatiekeuze niet onderscheidend geacht. Landschap Bijzondere landschappen zijn als ongewenst reeds uitgesloten op grond van trede 3 van de zonneladder. Voor de overgebleven gebieden waarbinnen de drie potentiële planlocaties vallen wordt daarom het onderdeel landschap niet onderscheidend geacht. Natuur de drie potentiële plangebieden liggen op grond van de zonneladder niet in gebieden met een natuurwaarde (Natura 2000, NNN, weidevogelgebieden, overige bos- en natuurgebieden). Het lokale gebruik is in alle drie de gevallen agrarisch, de afstand naar de dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden is ruim en vergelijkbaar.
Alleen op grond van gedetailleerd soortenonderzoek kunnen mogelijk op Locaties 1 en 2 nog meer of minder beschermde soorten aangetroffen worden dan op het al onderzochte plangebied Meerstad Noord, maar omdat het soortenonderzoek heeft uitgewezen dat dit voor Meerstad Noord geen belemmering betreft wordt het onderdeel natuur als niet onderscheidend aangenomen. Veiligheid Veiligheidseffecten op woningen spelen bij geen van de locaties een rol gezien de maximale effectafstand (ca 65 meter) en de afstanden die kunnen worden aangehouden tot de woningen. Ruimtegebruik Alle drie gebieden betreffen agrarische bestemmingen. Gebied Meerstad Noord betreft als enig gebied een pauzelandschap en is daarmee in de toekomst al beoogd voor een wijziging van de bestemming. Het ruimtebeslag van het zonnepark is daarom tijdelijk. Bodem en Water Er is bij geen van de drie locaties geen sprake van een beschermd watergebied of sterk vervuilde grond. Het effect op water en bodem van het voornemen zal in elk gebied niet onderscheidend verschillen
Electrische ontsluiting HS-station Het HS-station zal aangesloten dienen te worden op het hoogspanningsnetwerk van Tennet. Locatie alternatief 2 en gebied Meerstad-Noord zijn beide op korte afstand van een bestaande 110 kV hoogspanningsleidingen gelegen. Alternatieve locatie 1 scoort voor de aansluiting slechter, de (maatschappelijk te dragen) aansluitkosten zullen hier vele malen hoger liggen. Daarnaast wil netbeheerder Enexis graag aan de oostzijde van Groningen een HS-station om de HS stations in de stad Groningen te kunnen ontlasten. Deze stations worden op dit moment onbedoeld gebruikt door groene energieprojecten,
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 22
4
Inrichtingsalternatieven en wijze van beoordelen In het MER worden de milieueffecten op de omgeving van het plangebied door de verschillende inrichtingsalternatieven in beeld gebracht. Andere effecten, zoals economische effecten betreffende het zonnepark zelf, worden niet beschouwd in het MER, maar kunnen wel in besluitvorming over het voorkeursalternatief een rol spelen. In de navolgende hoofdstukken worden per deelaspect de milieueffecten van de alternatieven, zowel positief als negatief, beschreven en beoordeeld. Per deelaspect wordt ook het relevante beleidskader beschreven als ook de wettelijke vereisten.
4.1 Voornemen 4.1.1
Plangebied en studiegebied
Het plangebied is het gebied waarbinnen de te onderzoeken ontwikkeling is voorzien. Het plangebied is gelegen in de polder Lageland, ten oosten van de stad Groningen in de gemeente Groningen (zie Figuur 4.1). Figuur 4.1 Plangebied binnen de gemeente Groningen
Bron: google maps, bewerking
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 24
•
Onderzoek naar kansen om in het gebied veenoxidatie te reduceren met uitgangspunt dat de te nemen maatregelen niet voor overlast voor omwonenden zorgen.
•
De ruime bufferzone houdt een agrarische bestemming. Tijdens de looptijd van het zonnepark kan het gebruikt worden door omwonenden en wordt de zone samen met hen ingericht. Indien dit een meerwaarde betekent, kan ook hier de bestemming in samenspraak met direct omwonenden (tijdelijk) wijzigen.
De resulterende indeling staat weergegeven in de onderstaande figuur met daaronder een toelichting op deze indeling. Figuur 4.3 Basisindeling op basis van de gebiedsvisie – “groenblauwe raamwerk”
Natuurzone Kleisloot De Kleisloot, een door mensen vergraven zijtak van de Fivel, krijgt een meer continu profiel terug. Dit door de delen van de kleisloot die nog aanwezig zijn waar mogelijk door te koppelen en iets te verbreden. De kleisloot vormt een natuurlijke grens tot het westelijk deel van het zonnepark. De ruimte ten oosten van de kleisloot varieert van 30 meter op zijn smalst tot ruim 100 meter, daar waar er verschillende gasleidingen naast de kleisloot zijn gelegen. In de brede zone langs de kleisloot wordt gestreefd naar biotopen als bloemrijk grasland, water en beperkt moerasvegetatie en struweel. De ruimte wordt ecologisch optimaal ingericht en beheerd en wordt openbaar toegankelijk. Randen van het zonnepark De directe randen van het zonnepark worden grotendeels gevormd door bestaande hoofdwatergangen. Langs elke waterloop blijft in ieder geval een openbaar maaipad in stand. Dat heeft ook een recreatieve functie. Er wordt onderzocht of waterlopen kunnen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 26
en of er langs het maaipad struweel kan worden aangeplant. Dat wordt afgestemd op zowel de wenselijke biotopen en doelsoorten in de polder als op wensen van omwonenden. Bufferzone De bufferzone is de groene ruimte tussen de bestaande bewoning en het zonnepark en heeft over het algemeen een breedte van 300 tot 500 meter. Het is de ambitie om de kavels in de bufferzone te verpachten aan omwonenden, eigenaren of boeren uit de omgeving, net als de afgelopen jaren. De gemeente wil onderzoeken of dat zodanig kan dat partijen die in hun beheer en gebruik de kwaliteit van bodem en natuur vergroten, het primaat krijgen. Hoe precies: dat moet nader worden uitgewerkt. Voor het zuidelijk deel van de bufferzone (langs het Slochterdiep) is het de ambitie om vorm te geven aan de regionale ecologische verbinding tussen de natuurgebieden ten noord(oost)en van de stad Groningen en het Roegwolt. Daar wordt de inrichting primair op afgestemd. Voor alle delen van de bufferzone geldt dat we inrichting en beheer samen met bewoners per deelgebied uitwerken. We sluiten daar hergebruik van de gemeentelijke woningen en kavels niet uit.
Nadere inrichting van het groenblauwe raamwerk Op basis van de indeling van het groenblauwe raamwerk zijn nog verschillende specifieke keuzes mogelijk voor de meer gedetailleerde inrichting van het gebied. De indeling is, sinds het vaststellen van de gebiedsvisie, met name gebaseerd op basis van een gebiedsproces. Twee jaar lang is met de direct omwonenden afgestemd hoe zij graag zien dat het groenblauwe raamwerk wordt ingevuld. Een ruim aantal omwonenden (60 van de 70 adressen in de omgeving) hebben afsluitend na dit proces een omgevingsovereenkomst getekend. Gekozen is met name voor: •
Een grote buffer rond het zonneparkpark van circa 150 hectare waar tot op heden intensieve landbouw plaatsvond en waar een nieuw pachtcollectief net omwonenden wordt opgezet voor een meer natuurinclusieve wijze van gebruik zoals bijvoorbeeld extensieve landbouw, een plukterrein of ruimte om stieren te kunnen houden zodat deze een langer leven krijgen dan in de intensieve veeteelt gebruikelijk is.
•
Voldoende ruimte tussen zonnepanelen (3 en 2,5 meter) waarvoor wordt afgewogen of er gewassen kunnen worden geteeld in samenwerking met het nieuwe pachtcollectief. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de blauwe bes of hop. Ook wordt gekeken of de de ruimte die kan worden vrijgelaten tussen de zonnepanelen deels kan worden gebruikt voor het houden van kippen of schapen.
De belangrijkste keuze die daarnaast diende te worden gemaakt is een mogelijke vernatting van het gebied door te sturen op een stijging van het grondwater. Dit zou kunnen leiden tot een moerasgebied en (lokaal) mogelijk zelfs tot de vorming van oppervlaktewateren. Zonnepanelen zouden eventueel drijvend daarin kunnen worden uitgevoerd. Het grote voordeel van een dergelijke aanpak was het tegengaan van de lokale oxidatie van de veenlagen en de beperking van de uitstoot van broeikasgassen die door dit proces vrij komen. Door onderzoeksbureau Sweco is sinds der eerste versie van deze m.e.r. gekeken naar de mogelijkheden en de consequenties voor het verhogen van het waterpeil. Gebleken is dat dit zou leiden tot een enorme investering in infrastructuur zoals kleimuren, stuwen, dammen alsmede in de afwaardering van nu nog
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 27
nuttig te gebruiken grond. Daarnaast zijn er gecompliceerde afwegingen noodzakelijk omdat een peilverhoging niet of moeilijk te beperken is tot een specifiek gebied. Daarom heeft de gemeente besloten pas op langere termijn en na meer onderzoek en afstemming met stakeholders (zoals omwonenden, boeren, waterschap en provincie) te besluiten of en op welke wijze vernatting een optie is. Dus op korte termijn is een grote verhoging van het waterpeil plus de daarbij horende inrichting (zoals bijvoorbeeld een meertje, moeras, wetlands) niet haalbaar. In hoofdstuk 14 worden ter informatie mogelijke voordelige en nadelige effecten van het op deze wijze tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen uiteengezet.
Inrichting na het zonnepark Op dit moment betreft het gebied een zogenaamd pauzelandschap. In afwachting van een meer definitieve ontwikkeling in de toekomst kan het gebied tijdelijk worden gebruikt als zonnepark. In de toekomst is na het zonnepark aan de westzijde woningbouw voorzien. De Fivel blijft nu en in de toekomst en de beoogde omzoming aan de oostzijde en de noordzijde blijft waarschijnlijk ook. Aan de oostzijde is een speelbos voorzien, en natuur extensieve landbouw. Ook daarvoor kan niet een te hoog waterpeil worden aanhouden.
Zonnepark en HS-station Tot het project behoren diverse installaties en bijbehorende infrastructuur, zoals : •
zonnepanelen inclusief omvormers;
•
hoogspanningsstation (HS-station) met daarop onder andere transformatoren, schakelgebouwen en (voor zover binnen het terrein van het HS-station gelegen) diverse bovengrondse hoog- en middenspanningsleidingen met bijbehorende installaties;
•
toegangsweg tot het plangebied, en met name het zonnepark en het HS-station;
•
ondergrondse bekabeling van het zonnepark naar het HS-station.
4.2 Alternatieven In een milieueffectrapport wordt het onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit gerapporteerd. Dat onderzoek gebeurt aan de hand van alternatieven en eventuele varianten voor de inrichting van het plangebied. Alternatieven zijn de mogelijke locaties voor het voornemen en varianten manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd op een gekozen locatie. Bepalend voor de milieueffecten van het zonnepark met bijbehorend HS-station zijn: •
de locatie van het plangebied binnen de gemeente (zie hoofdstuk 3);
•
de omvang en begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied;
•
de invulling van het voornemen binnen het plangebied (zie paragraaf 4.1.1).
4.2.1
Ontwikkeling alternatieven binnen het plangebied
De eerste stap in de m.e.r. het bepalen van mogelijke inrichtingsalternatieven (alternatieven). Voor het MER worden alternatieven ontwikkeld om de mogelijkheden van de inrichting van het plangebied te verkennen. Deze alternatieven moeten uitvoerbaar zijn. De ruimte voor de te ontwikkelen alternatieven in het plangebied wordt grotendeels bepaald door de beperkingen vanuit geluid, externe veiligheid en lokaal
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 28
aanwezige ecologische waarden. Bij de ontwikkeling van alternatieven wordt ook rekening gehouden met aanwezige functies in het gebied, zoals bijvoorbeeld bebouwing en aanwezige (water)wegen.
Om te komen tot (onderscheidende) alternatieven in dit MER is gevarieerd met de navolgend genoemde ontwerpvariabelen: •
De positionering van het HS-station binnen of mogelijk op relatief korte afstand buiten het plangebied. Hier worden vijf mogelijke locaties beschouwd: noord, zuid, oost, west en midden (zie Figuur 4.2).
•
De ligging en totale oppervlakte van de zonnepanelen en de groene buffer rondom binnen het plangebied. Uitgangspunt (gemiddelde variant) is de ligging en omvang van het zonnepark conform de vastgestelde gebiedsvisie. Dit betreft circa 150 ha aan zonnepanelen. De doelstelling van de gemeente Groningen is de realisatie van 125-175 Ha zonnepanelen binnen het plangebied. Dit komt ongeveer overeen met het verwijderen of toevoegen van een strook van circa 30 meter rond de gehele buitenste omtrek van het zonnepark (minimale en maximale varianten). Met de ligging centraal in het gebied, zoals vastgesteld in de Gebiedsvisie, wordt niet gevarieerd. Deze ligt voor de hand wegens de landschappelijke structuren (watergangen) en de wens om de zonnepanelen op zo groot mogelijke afstand van de woningen in het plangebied te houden welke rondom zijn gelegen. Zie Figuur 4.4.
•
De oriëntatie van de zonnepanelen. Het betreft twee mogelijke varianten: een zuidelijke of oostwestelijke oriëntatie;
•
De hoogte van de zonnepanelen;
•
De onderlinge afstand tussen de rijen zonnepanelen, hierbij worden drie varianten beschouwd.
Figuur 4.4 Locatie zonnepark en gemiddelde (lichtpaars, 159 Ha cf. Gebiedsvisie), minimale (125 Ha = gemiddeld min een strook van 30 meter rondom) en maximale (175 Ha = gemiddeld plus strook 30 meter rondom) variant.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 29
4.3 Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen De referentiesituatie is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling. 8 Dit is de situatie zoals het plangebied zicht ontwikkelt, inclusief ontwikkelingen waarover een besluit is genomen, maar zonder realisatie van het zonnepark en het HS-station. De referentiesituatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. Eventuele specifieke functies of kenmerken van het plangebied zijn, zo nodig, in de betreffende themahoofdstukken verder toegelicht. Hierna volgt een beschrijving van de huidige situatie op hoofdlijnen
4.3.1
Huidige situatie
In Figuur 4.2 is een overzicht gegeven van de planlocatie. Het plangebied ligt bijna geheel in de gemeente Groningen en voor een beperkt deel in de gemeente Midden Groningen. Het deel in Midden-Groningen is bij het plangebied getrokken ten behoeve van het betrekken van de daar gelegen woningen bij de procedure. In dit deel van het plangebied zullen geen ontwikkelingen plaatsvinden. Polder Lageland heeft een zeer open landschap en grotendeels een agrarisch gebruik. Zo’n 60% van de agrarische gronden is in gebruik als weide- of hooiland en 40% is in gebruik als akkerland (suikerbiet, mais, aardappelen). Midden in het gebied ligt een gaswinlocatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) met daarnaast een gasdoorvoerstation van de Gasunie, omgeven door bomen. Ondergronds lopen er diverse gasleidingen van en naar het gasdoorvoerstation. Ten noordwesten van het plangebied ligt het Eemskanaal. Langs het Eemskanaal bevindt zich binnen het plangebied een provinciaal slibdepot dat inmiddels volledig begroeid is. Opgaande beplanting is verder te vinden op en rond de boerenerven en langs wegen in het gebied. Direct ten noorden van het plangebied en het Eemskanaal bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Binnen en langs de grens van het plangebied liggen tientallen woningen.
4.3.2
Autonome ontwikkelingen
NAM/Gasunie-locatie De huidige NAM-locatie in het plangebied gaat sluiten in het kader van de afbouw van het gebruik van de Nederlandse gasvoorraden. Het naastgelegen doorvoerstation van de Gasunie blijft bestaan. Bij het vertrek van de NAM kan de locatie mogelijk worden benut voor landbouw, zonne-energie en/of stroombuffering zoals bijvoorbeeld zoutbatterijen in zeecontainers. De bestaande buisleidingen kunnen mogelijk een tweede leven krijgen door ze te gebruiken als transport voor bijvoorbeeld buitenlands gas, biogas of andere toepassingen. Het is ook mogelijk dat een of meerdere buizen worden weggehaald.
8
Autonome ontw kkelingen z jn op zichzelf staande ontwikkelingen die onafhankelijk van het voornemen plaatsvinden en waarover al een besluit is genomen (bijvoorbeeld bestemmingsplan vastgesteld of vergunning verleend).
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 30
Hyperloop Stichting European Hyperloop Center (EHC) was voorheen voornemens een testcentrum te realiseren voor het vervoersconcept van de hyperloop in het gebied Meerstad-Noord in de gemeente Groningen. Recent is echter gebleken dat dit project geen doorgang zal vinden. Er wordt in dit rapport daarom verder geen rekening meer gehouden met dit project.
Masterplan Meerstad 2005 Ten zuiden van het plangebied wordt woningbouw ontwikkeld. Bureau Meerstad werkt op dit moment aan de actualisering van het Masterplan 2005. De uitgangspunten van het Masterplan veranderen niet. Ten zuiden van het plangebied wordt ingezet op waterberging/groenontwikkeling en de ontwikkeling van ongeveer 6.000 woningen. Het college heeft de wens vastgesteld om de woningbouwplannen te concretiseren, dit gelet op de huidige krapte op de woningmarkt. Het Masterplan maakt het niet onmogelijk dat ook verspreid langs het Slochterdiep in het plangebied en in de westelijke punt tussen de wegen Eemskanaal zz en de Zuiderweg woningbouw wordt ontwikkeld. De woningbouwontwikkeling heeft met name invloed op de beoordeling van de veiligheid/gezondheid en de geluideffecten die het HS-station en het zonnepark mogelijk heeft op de woningen.
4.4 Cumulatie De effecten op de omgeving van de in paragrafen 4.1 en 4.2 beschreven alternatieven worden, waar van toepassing, ook in samenhang beoordeeld met de effecten van de referentiesituatie inclusief autonome ontwikkelingen zoals genoemd in paragraaf 4.3.
4.5 Vereenvoudiging alternatieven voor de effectbeoordeling In paragraaf 4.2 zijn alle te variëren ontwerpuitgangspunten beschreven welke samen een alternatief definiëren. Het betreffen samengevat 5 mogelijke locaties van het HS-station, 3 verschillende oppervlakten van het zonnepark, 3 verschillende afstanden tussen de rijen zonnepanelen, 2 verschillende oriëntatierichtingen van de rijen zonnepanelen en 2 a 3 verschillende hoogtes van de zonnepanelen. Deze ontwerpvariabelen zijn onafhankelijk van elkaar in te stellen, hetgeen zou leiden tot minimaal 5x3x3x2x2 = 180 (!) verschillende alternatieven van welke de effecten met elkaar zouden dienen te worden vergeleken. Om de beoordeling van de alternatieven en het effect van de keuzes van de ontwerpvariabelen overzichtelijk te houden, is er voor gekozen om variaties die geen effect hebben of effecten welke zodanig klein zijn dat ze niet onderscheidend zijn (niet leiden tot een ander alternatief of variant/ontwerpkeuze) niet te beschouwen. Dit wordt inzichtelijk gemaakt in Tabel 4.1 en de afwegingen daaronder. Enkel de grijs gekleurde cellen in deze tabel zijn relaties tussen ontwerpvariabelen / varianten en bijbehorende milieueffecten welke in het MER zullen worden beschouwd.
De positie van het HS-station en het ontwerp van het zonnepark hebben nagenoeg geen onderling verband en zullen daarom telkens onafhankelijk van elkaar worden beoordeeld. De mogelijke reductie veenoxidatie door het verhogen van het waterpeil wordt beschreven in hoofdstuk 14.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 31
Figuur 4.5: Twee voorbeeld opstellingen zonnepanelen: zuidelijke oriëntatie (boven) en oost-westelijke oriëntatie (onder)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 33
Figuur 4.6 Voorbeeld HS-station
4.6 Selectie voorkeursalternatief Op basis van de afweging van de milieueffecten (zoals die op natuur, landschap en hinder) van de in paragraaf 4.2 beschreven alternatieven, gecombineerd met andere overwegingen zoals bijvoorbeeld provinciaal en gemeentelijk beleid, duurzame energieopbrengst en bedrijfseconomische overwegingen (kosten, maar ook technische haalbaarheid en toekomstvastheid), wordt een voorkeursalternatief (VKA) opgesteld voor de vaststelling van het ‘ruimtelijke plan’. Het VKA kan één van de in het MER onderzochte alternatieven zijn, een combinatie daarvan of een aanpassing van één van de alternatieven. De voorkeursvariant kan worden vastgelegd door het definiëren van de een set van uitgangspunten, met name: 1. de onderlinge afstand tussen de zonnepanelen; 2. de locatie van het HS-station in het plangebied; 3. 4. 5.
de oriëntatie van de zonnepanelen; de locatie en het totale oppervlakte aan zonnepanelen; de hoogte van de zonnepanelen.
Over de keuze van een VKA voeren de gemeente Groningen en TenneT/Enexis overleg om reacties te kunnen betrekken bij de keuze. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad van de gemeente Groningen over de daadwerkelijke inpassing van het VKA. Het VKA vormt de basis voor het ‘ruimtelijke plan’ en de op basis daarvan aan te vragen vergunningen en eventuele benodigde overige toestemmingen.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 34
5
Landschap
5.1 Methodiek van landschappelijke effectbeoordeling Landschap heeft betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap heeft ook te maken met de afleesbaarheid van die samenhang (het beeld). Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering door de tijd heen (dagen, seizoenen, jaren). Landschap is geen statisch begrip. De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats aan de hand van een methodiek waarbij de waarnemer centraal wordt gesteld en waarbij standpunten, schaalniveaus en beoordelingscriteria worden gehanteerd.
5.2 Beleid en beoordelingskader 5.2.1
Beleid landschap
Nationaal Beleid De Nationale Omgevingsvisie (zie paragraaf 2.3.5) behandelt onder meer het inpassen van verschillende vormen van energieproductie zoals wind- en zonne-energie in het landschap. De uitgangspunten die bij het uitwerken van de vier prioriteiten gehanteerd worden zijn: •
Het maken van slimme combinaties waar mogelijk (meervoudig grondgebruik);
•
Het centraal stellen van (bestaande) gebiedskenmerken; en
•
Het niet afwentelen van ruimtelijke opgaven naar andere plekken of naar latere momenten.
Provinciaal beleid De provincie Groningen is op dit moment bezig met het stapsgewijs ontwikkelen van haar nieuwe versie van de Omgevingsvisie. Een van de stappen die inmiddels zijn gezet is het opstellen van een zogenoemd Koersdocument9. Daarin worden onder andere de huidige kwaliteit van de leefomgeving, het huidige beleid en beleidsdoelstellingen en de ambities en doelen voor de lange termijn op hoofdlijnen weergegeven. Landschap dient leidend te zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Onder de noemer ‘ontwikkelen met kwaliteit’ wordt gestuurd op het zorgvuldig (landschappelijk) ontwerpen en inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het plangebied voor Meerstad-Noord ligt in het Centrale Woldgebied en het Duurswoldgebied (Lageland). In de provinciale Kwaliteitsgids 10 staan de regionale kernkarakteristieken van deze gebieden beschreven. Dit zijn onder meer de markante ontwikkelingslijnen, de wegdorpen en de afwisseling tussen grootschalige openheid en kleinschalige bebouwing, met harde overgangen die leiden tot duidelijke dorpssilhouetten. Het (provinciale) beleid is er op gericht deze karakteristieken te respecteren en als inspiratiebron te benutten voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het gebied liggen kansen voor een verbrede en andere landbouw, hernieuwd landschap en natuur aldus de provincie.
Er liggen daarnaast kansen voor zonne-energie in combinatie met het overstappen naar een ander waterbeheer, teneinde veenoxidatie terug te dringen.
Gemeentelijk beleid In de gemeentelijk omgevingsvisie11 is de gehele Oostflank van de stad, waaronder het plangebied voor Meerstad-Noord, aangewezen als ‘energielandschap’. Omdat de voorgenomen ontwikkelingen in het kader
9
Koersdocument Omgevingsvisie, d.d. 5 juli 2022 Kwaliteitsgids provincie Groningen, 2021 11 Omgevingsvisie “Levende ruimte’, december 2021 10
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 37
van Meerstad-Noord tot een complete transitie leiden van het betreffende gebied is een aparte visie 12 ontwikkeld voor de ontwikkeling. De gebiedsvisie Meerstad-Noord bevat een totaalontwerp voor het gehele gebied van Meerstad-Noord.
Figuur 5.1 Kaart Omgevingsvisie
Bron: gemeente Groningen
5.2.2
Waarnemingsstandpunten voor effectbeoordeling
De gekozen standpunten zijn die punten waarvandaan meer waarnemingen plaatsvinden (plekken waar (veel) mensen wonen of verblijven, dan wel plekken waar veel mensen langs komen (wegen en routes)) relevanter zijn, dan plekken waarvandaan minder waarnemingen plaatsvinden. Ook via belangrijke doorzichten en zichtlijnen waarneembare effecten, worden vanaf deze standpunten zo goed mogelijk beschreven. Bij de effectbeoordeling voor landschap is gebruik gemaakt van de standpunten en visualisaties die via het virtuele bezoekerscentrum (zie de link: https://meerstad-noord.theimagineers.com/tour) zijn te raadplegen.
12
Gebiedsvisie Meerstad-Noord, d.d. 18 maart 2021
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 38
Figuur 5.2 Standpunten landschappelijke beoordeling
Bron: Meerstad-Noord (theimagineers.com)
De standpunten zijn representatief voor een groot deel van de standpunten waarvandaan het initiatief waarneembaar zal zijn. Bij de effectbeoordeling zijn naast de visualisaties die vanaf deze standpunten zijn gemaakt ook andere bronnen geraadpleegd, zoals Google StreetView, PDOK en Topotijdreis.
5.2.3
Schaalniveaus
De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats op meerdere schaalniveaus. Dit gebeurt omdat het effect op landschap op verschillende afstanden verschillend kan zijn. Zo kan bijvoorbeeld een initiatief op een hoger schaalniveau een positief effect sorteren en op een lager schaalniveau een negatief effect. De begrenzing van deze schaalniveaus hangt nauw samen met de waarnemer en de afstanden waarop deze bepaalde zaken nog wel of nauwelijks meer kan waarnemen. De begrenzing hangt ook samen met de (aard van de) locatie en met duidelijk af te bakenen landschappelijke eenheden. Voor deze effectbeoordeling zijn de volgende schaalniveaus aangehouden: • Het plangebied en zijn directe omgeving (circa 2,0 tot 0,0 km afstand tot het plangebied); • Het plangebied zelf (binnen het plangebied).
5.2.4
Beoordelingscriteria
Bij deze effectbeoordeling worden twee componenten van het initiatief beoordeeld: het zonnepark (in drie oppervlaktevarianten) en het hoogspanningsstation (op drie locaties binnen het plangebied: West, Midden en Oost en op twee locaties daarbuiten: Noord en Zuid). Met betrekking tot het zonnepark wordt ook kort ingegaan op het landschappelijk effect van variatie in onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte. Afhankelijk van de landschappelijke kenmerken van het gebied waarbinnen een initiatief voor zonne-energie plaatsgrijpt en de kenmerken van de omgeving van dat gebied, worden verschillende criteria gehanteerd om zo’n initiatief op zijn landschappelijke effecten te kunnen beoordelen. Daarbij wordt de toekomstige situatie vergeleken met de referentiesituatie. De criteria die bij de landschappelijke effectbeoordeling zijn gebruikt, worden hieronder kort toegelicht. De effectbeoordeling zelf vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie en is voor alle criteria kwalitatief. Hij is niet gebaseerd op harde cijfers, maar op een deskundigenoordeel. De beoordeling kan variëren van zeer negatief (--), negatief (-), neutraal (0), positief (+) tot zeer positief (++). Neutraal betekent een niet of nauwelijks waarneembare verandering ten opzichte van de referentiesituatie. Bij sommige effecten kan de beoordeling variëren van zeer negatief (--) tot neutraal (0).
Verder kunnen sommige effecten tegengesteld zijn aan elkaar. Daar waar verschillen klein zijn of nuancering op zijn plaats
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 39
is, kunnen indien nodig ook tussenwaarden worden gebruikt zoals -/0 (licht negatief). De volgende criteria zijn gebruikt voor de landschappelijke effectbeoordeling van het zonnepark. Voor het hoogspanningsstation wordt per potentiële locatie ingegaan op het landschappelijk effect op hoofdlijnen, aan de hand van dezelfde criteria (met uitzondering van het criterium lichtschittering).
Invloed op landschappelijke structuren Naarmate een zonne-opstelling waarneembaar beter aansluit bij de bestaande landschappelijke structuren wordt dit positiever beoordeeld dan wanneer een opstelling daar minder goed bij aansluit. Deze structuren worden beschreven in de referentiesituatie en bestaan onder meer uit een beschrijving van de (ruimte-) maat, schaal en inrichting, voorkomende verkavelingsrichtingen, begrenzingen van ruimten en de in en om het gebied voorkomende infrastructurele lijnen.
Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Is een zonne-opstelling herkenbaar als een eenduidige, samenhangende opstelling, dan is de beoordeling neutraal tot positief. Naarmate een opstelling minder als een eenduidige, samenhangende opstelling herkenbaar is, is de beoordeling negatiever.
Invloed op de openheid Het criterium (invloed op de) openheid heeft betrekking op de ‘vulling’ van het beeld dat de waarnemer heeft. In de regel wordt hierbij aangehouden dat naarmate een zonneopstelling het beeld minder vult en daarmee de openheid of weidsheid minder aantast, deze minder negatief wordt beoordeeld dan een opstelling die dat beeld meer vult. Hoogte, oriëntatie en afstand van de opstelling(-en) tot plekken van waarneming en totale oppervlak aan panelen zijn hierbij van belang. Voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. Invloed op de openheid wordt alleen neutraal (nauwelijks tot geen effect) tot (zeer) negatief beoordeeld ((zeer) ernstig effect).
Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het criterium zichtbaarheid heeft betrekking op de mate waarin een zonne-opstelling en de bijbehorende gebouwen en bouwwerken voor een willekeurige waarnemer zichtbaar zijn. Hier wordt de volgende regel gehanteerd: hoe meer waarnemers de (zonne-)opstellingen, gebouwen en bouwwerken daadwerkelijk zien, hoe negatiever de beoordeling is. Dit effect kan verschillend zijn op verschillende schaalniveaus. Als een variant zichtbaar is vanaf een standpunt of afstand waarvandaan relatief veel waarnemingen plaatsvinden scoort hij negatiever dan wanneer van dat standpunt of die afstand minder waarnemingen plaatsvinden. Ook voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. En ook zichtbaarheid wordt alleen neutraal tot (zeer) negatief beoordeeld.
Lichtschittering Het criterium lichtschittering heeft betrekking op een specifiek onderdeel van de zichtbaarheid, namelijk de mate waarin een zonne-opstelling zodanig zonnelicht reflecteert dat deze reflectie voor een willekeurige waarnemer zichtbaar is. Ook hier wordt de regel gehanteerd dat hoe meer waarnemers de lichtschittering daadwerkelijk zien, hoe negatiever de beoordeling is. Ook hierbij kan het effect zeer verschillend zijn op verschillende schaalniveaus en ook voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. Net als zichtbaarheid wordt lichtschittering alleen neutraal tot (zeer) negatief beoordeeld.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 40
5.3 Referentiesituatie 5.3.1
Huidige situatie
Het plangebied is een laaggelegen en overwegend vlak veenontginningsgebied, is min of meer driehoekig van vorm en ligt tussen het Eemskanaal, het Slochterdiep en de Lagelandsterweg / Hamweg in. Het gebied is ontgonnen vanaf het Eemskanaal en de Hamweg richting de oorspronkelijke loop van de Fivel in het midden van het gebied. Dit is te herkennen aan de verschillende verkavelingsrichtingen die vanaf deze ontginningsbases het gebied in lopen en in het centrale deel samenkomen. In het westelijke deel van het gebied komen lichte glooiingen in de vorm van inversieruggen voor. Het Eemskanaal ligt enkele meters hoger in het landschap en is opgesloten tussen lage dijken. De wegen langs de randen van het plangebied liggen iets hoger dan de aanpalende percelen, verder zijn er geen opvallende hoogteverschillen. Het gebied is overwegend in gebruik als agrarisch gebied, vooral als grasland maar deels ook als bouwland. In het midden van het gebied ligt nog een aardgaswinningslocatie. Verder lagen er tot voor kort enkele kleine bosjes en een enkel gebouw/erf. Twee bosjes in het gebied van respectievelijk 6 en 7 hectare omvang, zijn de afgelopen jaren verdwenen, de overige bebouwing ligt aan de randen van het gebied. Er lopen geen doorgaande wegen door het gebied, met uitzondering van de Zuiderweg in de uiterst westelijke punt van het plangebied. Ook aan die weg ligt nog enige bebouwing.
De Zuiderweg heeft een bomenrij aan weerszijden, de Lagelandsterweg aan één zijde. De erven langs de rand van het gebied zijn beplant met erfbeplantingen. Verder komt er vrijwel geen opgaande beplanting in het gebied voor. Tot slot loopt een hoogspanningslijn van zuidwest naar noordoost door de zuidelijke punt van het plangebied.
5.3.2
Autonome ontwikkeling
Tot de autonome ontwikkelingen behoort met name het verwijderen van de NAM gaswinningslocatie.
5.4 Effectbeoordeling In onderstaande figuren zijn de verschillende varianten van het zonnepark en het hoogspanningsstation die zijn beoordeeld weergegeven. Voor het zonnepark zijn een minimale (de paarse vlakken in de linker afbeelding minus 30 meter rondom), een gemiddelde (de paarse vlakken) en een maximale variant (de paarse vlakken plus 30 meter aan de buitenzijde van het totale zonnepark) beoordeeld. Vervolgens zijn voor het hoogspanningsstation de vijf locaties op de rechter afbeelding beoordeeld. Daarbij is uitgegaan van een zelfde type hoogspanningsstation voor alle vijf de locaties. Figuur 5.3 Varianten zonnepark (links) en varianten positie hoogspanningsstation (rechts)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 41
Het ontwerp van het zonnepark is sterkt geënt op de landschappelijke structuren in het plangebied. De contouren en richtingen van de afzonderlijke zonnevelden komen grotendeels overeen met die van de bestaande percelen. Het verkavelingspatroon is goeddeels bewaard gebleven, slechts op enkele plekken zijn smalle percelen samengevoegd tot één breder zonneveld. Van buiten naar binnen worden de zonnevelden grilliger van vorm, doordat in het centrale deel de oorspronkelijke verkavelingsrichtingen samenkomen en er sprake is van afwijkende richtingen en (grote) overhoeken in de percelering. Verder is er in het ontwerp overal ruime afstand gehouden tot de belangrijkste belevingsassen rond het plangebied: minimaal 160 meter tot het Eemskanaal, circa 450 tot 500 meter tot de Lagelandsterweg en de Hamweg, gemiddeld circa 250 meter tot het Slochterdiep (met uitzondering van de zuidelijke punt nabij het gemaal) en circa 400 meter tot de Zuiderweg. Naast afstand zijn verschillende landschapselementen een belangrijk ontwerpmiddel in het totale ontwerp: bosjes, struweel (hoog en breed en laag en transparant) en opschot. Zij nemen op het moment dat ze volgroeid zijn jaarrond het zicht op de zonnevelden grotendeels weg.
Het ligt in de bedoeling (in overleg met de omgeving), om in (delen van) deze landschapselementen recreatief medegebruik mogelijk te maken en daarmee het tot nu toe vrijwel niet toegankelijke gebied wel toegankelijk te maken voor publiek. Dat heeft consequenties voor beleving van landschappelijke effecten binnen het plangebied zelf. Figuur 5.4 Ontwerp en landschappelijke inpassing Zonnepark Meerstad
Bron: Gebiedsvisie Meerstad-Noord
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 42
5.4.1
Effectbeoordeling zonnepark op het schaalniveau van het plangebied en zijn directe omgeving
Invloed op landschappelijke structuren Het zonnepark heeft over het geheel genomen een positief effect op de bestaande landschappelijke structuren. Dat komt vooral doordat bestaande structuren zijn overgenomen en worden versterkt door nieuwe landschapselementen en door de (randen van de) zonnevelden zelf. De gemiddelde variant doet dit het duidelijkst en is als zeer positief (++) beoordeeld. Bij de minimale variant is deze versterking naar verwachting iets minder duidelijk waarneembaar, omdat randen minder duidelijk samenvallen met bestaande richtingen maar daar 30 meter vanaf liggen. De minimale variant is om die reden op dit punt en op dit schaalniveau als positief (+) beoordeeld. Bij de maximale variant echter ontstaat een negatief effect, doordat langs de buitenranden bestaande landschapsstructuren als het ware met 30 meter worden overschreden. Dit leidt tot een negatieve beoordeling (-) van deze variant. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau weinig tot geen invloed op de landschappelijke structuren, ervan uitgaande dat de oriëntatie van de panelen parallel aan bestaande richtingen dan wel haaks daarop is (en dus niet pal zuid of pal oost-west). De belangrijkste reden hiervoor is de (grote) afstand tot de assen en plekken van beleving.
Figuur 5.5 Huidige situatie (boven) en zonnepark met landschappelijke inpassing (onder), gezien vanaf Slochterdiep 13
Ter illustratie deze twee printscreens. Door in- en uit te zoomen ontstaat een beeld van het effect op landschap.
Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Door het uitwerken van één totaalontwerp voor het gehele zonnepark en door de eenduidige toepassing van landschappelijke inpassingsmaatregelen, kan gesteld worden dat in de nieuwe situatie een nieuw landschap ontstaat dat in zijn geheel als een samenhangend geheel zal overkomen. De gemiddelde variant is op dit schaalniveau opnieuw zeer positief (++) beoordeeld. Bij de minimale variant komen de individuele zonnevelden als het ware wat losser van elkaar te liggen en zullen enkele centraal gelegen zonnevelden verdwijnen, waardoor er enkele gaten in het grotere geheel ontstaan. Deze variant is om die reden positief
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 43
(+) en niet zeer positief beoordeeld. Bij de maximale variant dijt de totale opstelling aan de buitenranden uit. Dit heeft een bescheiden negatief effect op de herkenbaarheid van de opstelling. Om die reden is ook deze variant op dit punt beoordeeld als positief (+) en niet als zeer positief. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau ook nauwelijks effect op de herkenbaarheid van het totale zonnepark c.q. de kwaliteit van het geheel.
Invloed op de openheid In vergelijking met de huidige situatie zal realisatie van een zonnepark binnen het plangebied een drastisch effect hebben op de openheid. Ondanks dat afstand tot de belevingsassen als ontwerpmiddel is gehanteerd, zullen de huidige zeer grote vergezichten plaatsmaken voor minder grootse uitzichten. Voor de gemiddelde variant is dit effect beoordeeld als zeer negatief tot negatief (--/-). Bij de minimale variant wordt de afstand tot de belevingsassen groter en zullen ook doorkijken dwars door het plangebied enigszins open blijven. Beide hebben een positief effect, maar de beoordeling van het effect van de minimale variant op de openheid van het totale plangebied is toch negatief (-). De maximale variant is beoordeeld als zeer negatief (--), aangezien hier de afstand tot de belevingsassen juist kleiner wordt. Vooral vanwege de grote afstand tot de waarnemer hebben op dit schaalniveau onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen weinig tot geen onderscheidende invloed op de openheid.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 44
Figuur 5.6 Huidige situatie (boven) en zonnepark met landschappelijke inpassing (onder), vanaf Lagelandsterweg 10
Ter illustratie opnieuw twee printscreens. Door in- en uit te zoomen ontstaat een beeld van het effect op landschap.
Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het zonnepark zal zeker in de eerste jaren na aanleg duidelijk zichtbaar zijn vanaf de randen van het plangebied en de woningen die daar liggen. Dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als negatief (-). Op termijn zal het zicht op de zonne-opstellingen en randvoorzieningen wel grotendeels verdwijnen door de landschappelijke inpassingsmaatregelen. De hoogte van de opstellingen zal in de eerste jaren een zeer gering onderscheidend effect hebben op de zichtbaarheid. Het zal bij hogere opstellingen iets langer duren eer zij aan het zicht worden onttrokken door de landschappelijke inpassingsmaatregelen dan bij lagere opstellingen. Oriëntatie en onderlinge afstand hebben geen onderscheidend effect in deze.
Lichtschittering Doordat het enige jaren duurt eer beplantingen rond het zonnepark zijn aangeslagen en gegroeid kan niet worden uitgesloten dat er zeker in de eerste jaren lichtschittering optreedt. Ook dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als licht negatief (-/0), omdat het naar verwachting slechts op bepaalde momenten en op bepaalde plekken van waarneming zal optreden. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben naar alle waarschijnlijkheid geen onderscheidend effect op dit punt. De lichtschittering zal hierdoor wel anders zijn, maar naar verwachting niet meer of minder.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 45
5.4.2
Effectbeoordeling zonnepark op het schaalniveau van het plangebied zelf
Invloed op landschappelijke structuren Ook op het schaalniveau van het plangebied zelf (en daarbinnen) heeft het zonnepark over het geheel genomen een positief effect op de bestaande landschappelijke structuren. Wel zal het zo zijn dat als het zonnepark of de groenblauwe structuren daaromheen publiek toegankelijk worden, onregelmatigheden of afwijkingen van de bestaande structuren eerder zullen opvallen. Met name in het centrale deel zal dit het geval zijn. De gemiddelde variant wordt om die reden op dit schaalniveau wat minder positief beoordeeld namelijk positief (+) in plaats van zeer positief. Bij de minimale variant kan de grotere afstand tussen de zonnevelden leiden tot een minder herkenbare samenhang met bestaande structuren, doordat de zonnevelden daar wat los van komen te liggen en ze ook onderling losser van elkaar komen te liggen. Dit effect is beoordeeld als licht positief (0/+) in plaats van positief. Op dit schaalniveau zal de maximale variant aan de randen duidelijker afwijken van de landschappelijke structuren, maar binnen het zonnepark gelijk scoren met de gemiddelde variant. Ook deze variant is beoordeeld als licht positief (0/+). Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau wel een duidelijkere samenhang met de bestaande structuren, maar werken niet onderscheidend.
Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Het overzicht over het geheel wordt op dit schaalniveau kleiner. Daar waar zonnevelden gelijk zijn qua opstellingsprincipe werkt dit versterkend op de herkenbaarheid (positief effect), maar daar waar verschillende richtingen en ordeningen samenkomen (in het centrale deel) heeft dit juist een negatief effect. Beide effecten zijn tegengesteld en vallen min of meer tegen elkaar weg. Hierdoor is het effect op dit schaalniveau gelijk beoordeeld met het effect op het hogere schaalniveau. De gemiddelde variant scoort opnieuw zeer positief (++), de beide andere varianten opnieuw positief (+). Verschillen in onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau opnieuw nauwelijks effect op de herkenbaarheid van het totale zonnepark c.q. de kwaliteit van het geheel.
Invloed op de openheid Op dit schaalniveau is de afstand tot de waarnemer kleiner en alleen al daardoor het effect op de openheid groter dan op het hogere schaalniveau. Alle varianten scoren om die reden negatiever dan op het hogere schaalniveau. De gemiddelde variant en de maximale variant zijn beoordeeld als zeer negatief (--), de minimale variant door de grotere tussenruimtes tussen de zonnevelden als zeer negatief tot negatief (--/-). Vooral de hoogte en de onderlinge afstand van de opstellingen zal op dit schaalniveau een versterkend effect hebben (hoe hoger en hoe dichter op elkaar hoe negatiever het effect).
Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het zonnepark zal ook op dit schaalniveau in de eerste jaren na aanleg (zeer) duidelijk zichtbaar zijn. Dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als zeer negatief (--). Op termijn zal het zicht op de zonne-opstellingen en randvoorzieningen wel verzachten door de landschappelijke inpassingsmaatregelen binnen in het zonnepark (tussen de individuele zonnevelden). De hoogte, oriëntatie en onderlinge afstand hebben op dit schaalniveau nauwelijks een versterkend effect. De opstellingen zijn sowieso zichtbaar, zeker in de aanvangsfase.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 46
Lichtschittering Het effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is op dit schaalniveau negatiever beoordeeld, namelijk als negatief (-), omdat de lichtschittering naar verwachting groter zal zijn als het zich voordoet door de kleinere afstand tot de waarnemer. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben opnieuw naar verwachting geen onderscheidend effect op dit punt.
5.4.3
Effectbeoordeling hoogspanningsstation
Voor de effectbeoordeling van het hoogspanningsstation zijn vijf locaties beoordeeld, twee buiten het plangebied van Meerstad-Noord (Noord en Zuid) en drie binnen het plangebied (West, Midden en Oost). Om aan te geven hoe een hoogspanningsstation er ongeveer uitziet, zijn hieronder ter illustratie twee foto’s weergegeven van een onlangs opgeleverd hoogspanningsstation nabij Dronten. Figuur 5.7 Zicht op een hoogspanningsstation nabij Dronten, links op circa 450 meter, rechts op circa 15 meter afstand
Bron: OVSL
Figuur 5.2 Voorbeeld transformator in een transformatorcel (scherfmuren)
Bron: Tennet
Invloed op landschappelijke structuren Hoogspanningsstations zijn vrij rechttoe rechtaan, technisch en functioneel vormgegeven installaties, zonder enige ‘poespas’, die onderdeel zijn van een netwerk van energie-/elektriciteitsvoorzieningen. Binnen
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 47
een rechthoekig vlak staan allerlei machines, isolatoren, schakelaars en dergelijke opgesteld, meestal in de open lucht, die met draden en kabels onderling verbonden zijn. Om veiligheidsredenen staan er hoge hekwerken omheen en hoge (maar slanke) bliksempieken rondom de installaties. De invloed van een hoogspanningsstation in of nabij het plangebied van Meerstad-Noord op de aanwezige landschappelijke structuren verschilt per locatie. Op het hoogste schaalniveau gaat het om aansluiting op bestaande richtingen en structuurlijnen. Geen van de locaties sluit goed aan bij dergelijke structuurlijnen, zoals de hoogspanningslijn of de huidige (water-)wegen. De aansluiting op verkavelingsrichtingen zal voor de locaties Noord en Zuid waarschijnlijk duidelijker afleesbaar zijn dan die van de overige locaties, omdat die laatste in feite alle onderdeel uit maken van het zonnepark. Om die reden zijn de locaties Noord en Zuid op dit punt beoordeeld als positief (+) en de locaties West, Midden en Oost als licht positief (0/+). Op het laagste schaalniveau zal, afhankelijk van de mogelijkheid dichtbij de betreffende locatie te komen duidelijker zijn dat er enige samenhang is tussen het hoogspanningsstation en met name de kavelmaten en –richtingen in de directe omgeving van de betreffende locatie.
De kanttekening is wel op zijn plek dat alle locaties vergelijkbaar zijn in die zin dat ze op vrij grote afstand liggen van plekken en routes van waarneming. Bij de locaties zal de invloed op de landschappelijke structuren ter plekke min of meer gelijk zijn en is de beoordeling ook gelijk, namelijk positief (+). Ook dient te worden opgemerkt dat op locatie West, Oost en Midden een hoogspanningsstation onderdeel uit zal lijken te maken van het zonnepark als geheel. Deze locaties liggen in de nieuwe situatie passend binnen een omgeving van zonnevelden.
Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Op dit punt is er weinig onderscheid tussen de verschillende locaties. Zowel op het hoogste als op het laagste schaalniveau zal op alle locatie een hoogspanningsstation als een herkenbaar en samenhangend geheel worden ervaren. Dat effect is groter op het laagste schaalniveau dan op het hoogste schaalniveau. De locaties worden gelijk beoordeeld, licht positief (0/+) op het hoogste schaalniveau en positief (+) op het laagste schaalniveau.
Invloed op de openheid Bij dit criterium is er een verschil tussen de locaties binnen het zonnepark en de locaties daarbuiten. Voor locatie West, Midden en Oost geldt dat ze onderdeel uitmaken van het zonnepark en is hun effect op de openheid in feite verbonden met het effect op de openheid van het zonnepark zelf. Voor de locaties Noord en Zuid geldt dat zij een extra toevoeging in een open omgeving vormen. Om die reden zijn Noord en Zuid negatief (-) beoordeeld op het hoogste schaalniveau en zeer negatief (--) op het laagste schaalniveau. Op de locaties West, Midden en Oost is het effect op de openheid geringer. Zij zijn op het hoogste niveau beoordeeld als licht negatief (-/0) en op het laagste niveau als zeer negatief tot negatief (--/-).
Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het criterium zichtbaarheid werkt onderscheidend tussen de locaties binnen en de locaties buiten het zonnepark. Dat komt omdat de hoogspanningsstations binnen het zonnepark deels schuil zullen gaan achter de zonne-opstellingen en op termijn ook (deels) schuil zullen gaan achter de landschappelijke inpassingsmaatregelen ten behoeve van het zonnepark. Locatie West, Midden en Oost zijn op het hoogste schaalniveau beoordeeld als licht negatief (-/0), op het laagste schaalniveau negatief (-). Buiten het zonnepark zijn de betreffende locaties open en zal een hoogspanningsstation op die locaties goed zichtbaar zijn. Die zichtbaarheid neemt op het laagste schaalniveau toe. Op het hoogste niveau zijn deze locaties (Noord en Zuid) op dit criterium beoordeeld als negatief (-) en op het laagste schaalniveau als zeer negatief (--).
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 48
initiatief ‘mooi’ of ‘lelijk’ is of als zodanig wordt ervaren. Met betrekking tot deze twee criteria is de gemiddelde variant het meest positief beoordeeld, dan de minimale variant, dan de maximale variant. De onderlinge verschillen zijn vrij gering, met name de uitbreiding van de maximale variant aan de buitenrand van het zonnepark leidt tot een negatievere beoordeling van deze variant dan beide andere. Alle opstellingen scoren negatief op de criteria: invloed op de openheid en op zichtbaarheid. Het totaalontwerp van het zonnepark is gericht op het aan het zicht onttrekken van dat zonnepark. Dat gaat hoe dan ook ten koste van de huidige openheid. Dit effect dient beschouwd te worden in het licht van de schaal van alle ontwikkelingen in en rond het plangebied en de grootschalige transitie van het huidige landschap tot een nieuw energielandschap die met dit initiatief wordt ingezet. Ook wat betreft deze twee criteria zijn de onderlinge verschillen tussen de varianten gering. Het criterium lichtschittering zal naar verwachting niet onderscheidend zijn tussen de varianten, maar binnen elke variant kan wel onderzocht worden hoe dit effect kan worden beperkt (zie ook de paragraaf hieronder). De verschillen tussen de beoordeelde locaties voor het hoogspanningsstation tenslotte zijn ook gering.
De locaties binnen het zonnepark (West, Midden en Oost) scoren overall wel gunstiger dan de locaties daarbuiten (Noord en Zuid), vooral met betrekking tot de invloed op de openheid en de zichtbaarheid.
5.7 Leemten in kennis Het precieze effect van lichtschittering op de omgeving, afhankelijk van de tijd en de dag en afhankelijk van de waarnemingslocatie, zullen pas na de realisatie duidelijk worden. Voor wat betreft de lichtreflecties zie ook paragraaf 8.3.2.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 50
6
Natuur
6.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader 6.1.1
Beleid en wetgeving
In dit hoofdstuk worden de effecten van het project op natuur beschreven en beoordeeld. Het project kan potentiële verstoring van soorten veroorzaken in de aanlegfase in het projectgebied of een afname van leefgebied en/of groeiplaatsen van fauna en flora veroorzaken door het ruimtebeslag. Daarnaast zal worden in gegaan op stikstofdepositie als gevolg van de te gebruiken machines tijdens de aanleg. Voor de potentiële effecten zijn diverse kaders relevant. Dit betreffen: •
de bescherming van leefgebieden voor soorten via het spoor van de gebiedsbescherming in het kader van Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN); en
•
de bescherming van soorten op zichzelf via de soortenbescherming;
•
provinciaal natuurbeleid.
Wet natuurbescherming (Wnb) Het juridisch kader voor de gebiedsbescherming en de soortenbescherming ligt vast in de Wet natuurbescherming. Het betreft een uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Gebiedsbescherming Door middel van het beschermen van specifiek aangewezen gebieden wordt de instandhouding van de functie van deze gebieden voor flora en fauna en de instandhouding van deze soorten in die gebieden geborgd. Op grond van het voorkomen van soorten en de functie van deze soorten worden gebieden aangewezen als beschermd gebied. Deze gebieden zijn onderdeel van het Europese Natura 2000-netwerk. Aanwijzing van gebieden door middel van een aanwijzingsbesluit op grond van de Wnb leidt tot de status als Natura 2000-gebied. Hiervoor gelden algemene doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit van de gebieden, de natuurlijke kenmerken, en (veelal) kwantitatieve instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitattypen in het gebied. Natura 2000-gebieden zijn geen reservaten hetgeen onder meer betekent dat economische activiteiten kunnen plaatsvinden in deze gebieden, echter moet bij het realiseren van dergelijke activiteiten de potentiële ecologische waarden in acht genomen worden. De status van Natura 2000-gebieden is in het leven geroepen om de ecologische waarden te beschermen voor negatieve effecten van activiteiten in of bij deze gebieden.
Bepaald dient te worden of significant negatieve effecten (ook wel ‘gevolgen’) kunnen optreden. Bij de beoordeling van eventuele negatieve effecten kan sprake zijn van directe effecten op het gebied of de soorten die in het gebied verblijven maar ook indirecte effecten via de zogenaamde externe werking. Er liggen geen Natura 2000 gebieden in de directe omgeving van het projectgebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 6 kilometer. Ook kan mogelijk sprake zijn van effecten als gevolg van emissies (stikstof) als gevolg van de aanleg van het windpark die neerslaan in stikstof gevoelige habitats. Stikstofdepositie Er is een vrijstelling van de vergunningplicht van kracht voor de tijdelijke depositie van stikstof tijdens bouwwerkzaamheden op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Voor het MER is desondanks een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor een zorgvuldige afweging van milieueffecten
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 5.0 | 20-11-2023 Pagina 51
en om te bepalen of effecten op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden inderdaad beperkt zijn of zijn uit te sluiten.
Soortenbescherming De Wnb vormt eveneens het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende in- en uitheemse planten- en diersoorten.13 Op grond van deze wet geldt voor eenieder een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, en voor hun directe leefomgeving. De mate van bescherming volgt uit het wettelijk kader en is mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soorten. Op grond van de Wnb gelden diverse verbodsbepalingen, zoals op doden en verstoren, waarvan onder voorwaarden voor specifieke situaties (specifiek benoemde ‘belangen’) ontheffing kan worden verleend. De bescherming is niet locatie specifiek maar het voorkomen van soorten kan wel verbonden zijn aan het gebied of specifieke gebiedskenmerken. Voor de effectbeschrijving van het initiatief wordt niet alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming maar ook overige soorten, bijvoorbeeld soorten die vermeld zijn op de Rode lijst vanwege de kritische staat van instandhouding van deze soorten. Deze lijst leidt niet tot een andere status qua bescherming. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het nationale netwerk van natuurgebieden, deels gerealiseerd deels te realiseren. De Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Het NNN is oorspronkelijk in nationaal beleid vastgelegd.