Bijlage 4 Bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord.pdf
Tekst van het document
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Het beoordelingskader externe veiligheid richt zich met name op het handelen met en het transport van gevaarlijke stoffen en kan naar risicobron grofweg als volgt ingedeeld worden: 1. inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; 2. buisleidingen; 3. vervoer over weg, water of spoor. Bij een nieuw bestemmingsplan moet het plangebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat de omgeving geen onaanvaardbare risico's veroorzaakt voor de ontwikkeling. Het plaatsgebonden risico vanwege inrichten en het transport van gevaarlijke stoffen voor kwetsbare objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde. Ook mag de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet worden overschreden en op basis van onderzoek (en advies van de regionale brandweer) moet blijken dat er voldoende mogelijkheden zijn tot zelfredzaamheid en bereikbaarheid voor hulpverlening en rampenbestrijding. In januari 2010 heeft de gemeente Groningen een eigen externe veiligheidsbeleid vastgesteld.
Hierin geeft de gemeente Groningen aan, hoe zij binnen haar grenzen met het milieuaspect externe veiligheid om wil gaan. In de visie worden randvoorwaarden geformuleerd voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast bevat de visie een afwegingskader voor de initiatieffase van nieuwe ontwikkelingen per aandachtsgebied (zie figuur 4.5). vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
29
Figuur 4.5: Overzichtskaart aandachtsgebieden Onderzoek De Omgevingsdienst Groningen heeft een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van De Suikerzijde, deelgebied noord te Groningen onder vermelding van zaaknummer Z2019-00002878 (zie ook bijlage 7). In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming bedrijventerrein. Door dit nieuwe bestemmingsplan zal de bestemming bedrijventerrein komen te vervallen en worden vervangen door een bestemmingsregeling voor wonen en werken, en voor maatschappelijke en dienstverlenende functies. Hiervoor is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van risicovolle inrichtingen, risicovolle transportassen en risicovolle transportleidingen beoordeeld. De belangrijkste constateringen en te nemen maatregelen voor de verantwoording van het groepsrisico kunnen als volgt worden samengevat. Met het provinciaal basisnet Groningen is een borging van risicoafstanden als gevolg van transporten van gevaarlijke stoffen vastgelegd. Het doel is om deze transportroutes vast te leggen en een systeem te creëren waarbij rekening kan worden gehouden met de dynamiek van transport en toekomstige groei. Om dit te bereiken zijn in de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 rondom aangewezen transportroutes (de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur) veiligheidszones opgenomen, te weten:
Veiligheidszone 1 provinciale wegen: zone langs wegen in verband met plaatsgebonden risico (PRmax) van provinciale wegen, gemeten vanaf het midden van de buitenste weg kanten; Veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciaal basisnet Groningen: Bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen. Wordt gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute; Veiligheidszone 3 transport: Veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen. Deze zone is bepaald op 30 meter gemeten vanaf de buitenste wegkanten van de wegen of vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel.
Risicovolle inrichtingen In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle (Bevi) inrichtingen gelegen vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
30
waarvan het invloedsgebied reikt tot over het plangebied; Spoorlijn Groningen Oost - Sauwerd De spoorlijn Groningen Oost - Sauwerd heeft een invloedsgebied van 4.000 meter en ligt over het plangebied. De spoorlijn kent ter hoogte van het plangebied, volgens het Basisnet, een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 5 meter. De afstand van het spoortraject tot het plangebied van het bestemmingsplan is 690 meter. De plaatsgebonden risicocontour reikt niet tot het plangebied. Het plasbrandaandachtsgebied en de veiligheidszone 3 transport reiken tevens niet tot in het plangebied. Hierdoor is dit aspect niet relevant. N370 De provinciale weg N370 is gelegen op een afstand van 640 meter afstand van het plangebied van het bestemmingsplan. De weg kent ter hoogte van het plangebied, volgens de provinciale Omgevingsverordening (versie februari 2019), een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 12 meter. De vastgestelde veiligheidszone 1 provinciale wegen (PRmax) voor de provinciale weg N370 is niet van toepassing. Ook de veiligheidszone 3 transport van de provinciale weg N370 reikt niet tot in het plangebied. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg N370 geldt een veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen van 880 meter. De veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen voor de provinciale weg N370 is gelegen over het plangebied.
Transportleiding N-507-50 De risicovolle transportleiding N-507-50 heeft geen plaatsgebonden risico 10 6 contour buiten de belemmeringenstrook. Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de risicovolle transportleiding N-507-50 geldt een invloedsgebied (100% letaliteit) van 70 meter. Het berekende groepsrisico in de huidige situatie voor de transportleiding N-507-50 is gelegen onder de oriënterende waarde. Voor de toekomstige situatie geldt dat het groepsrisico, door invulling te geven aan het bestemmingsplan, voor de transportleiding N-507-50 toeneemt maar onder de oriënterende waarde ligt. Het wijzigen van de bestemming bedrijventerrein naar o.a. wonen, maatschappelijk en dienstverlening is niet in strijd met de beleidsregel externe veiligheid van de gemeente Groningen. Het plangebied is gelegen in het aandachtsgebied 'buitengebied buiten invloedsgebied risicobronnen'. Ontwikkelingen binnen dit gebiedstype behoeven nauwelijks aandacht vanuit het oogpunt van externe veiligheid. De ontwikkelingen vinden buiten de 'buffer' plaats in een gebied met lage personendichtheid. Een toename van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. De Veiligheidsregio Groningen adviseert voor het Chw bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied noord via een brief (zaaknummer Z/19/029806, zie bijlage 8):
in de regels van het bestemmingsplan uit te sluiten dat functies voor verminderd zelfredzame personen gevestigd kunnen worden; bronmaatregelen te nemen in relatie tot de hogedruk aardgasleiding; de continuïteit van de vitale infrastructuur (hoofdwegen, energievoorzieningen, dataknooppunten, mobiele telefonie, etc.) te waarborgen. Deze vitale infrastructuur is kwetsbaar voor extreme neerslag, overstromingen en kou; veiligheid als afwegingscriterium bij keuzes over alternatieven mee te nemen, zoals de kwetsbaarheid van de continuïteit en potentiele gevaren van nieuwe energiedragers (waterstof, (buurt)batterijen en geothermie); structureel periodiek overleg met alle relevante partijen tijdens de aanlegfase.
De zone voor verminderd zelfredzame personen is verwerkt in de regels van dit vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
31
bestemmingsplan. De verdere opmerkingen van de Veiligheidsregio worden meegenomen bij de verdere planontwikkeling. Conclusie Alles overwegende wordt geconcludeerd dat vanuit oogpunt van externe veiligheid het verantwoord is om het bestemmingsplan vast te stellen. Het restrisico is in dit kader aanvaardbaar. De adviezen van de Veiligheidsregio Groningen worden opgevolgd. Het bestemmingsplan is op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar. 4.1.5 Trillingen Wet- en regelgeving Er bestaat geen wettelijk beoordelingskader voor trillinghinder. Wel zijn er richtlijnen om trillingshinder te beoordelen. Voor plannen wordt gebruik gemaakt van de Beleidsregel Trillinghinder Spoor (BTS). De normen van de BTS sluiten aan op de SBR-richtlijn, “Meet en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen B: Hinder voor personen in gebouwen”. In deze richtlijn is er aandacht gegeven aan het meten van trillingen en een beoordelingssystematiek. Bij de beoordelingssystematiek wordt gekeken naar het maximale trillingsniveau (V max) en een tijdsgemiddelde waarde (Vper). In de BTS is verder rekening gehouden met een drempelwaarde voor maatregelen en een doelmatigheidsafweging. Bij deze afweging wordt gekeken in hoeverre de kosten van de in te zetten maatregelen opwegen tegen de effectiviteit van deze maatregelen.
Onderzoek In het kader van het project 'Extra Sneltrein Groningen – Leeuwarden (ESGL)' zijn in 2014 trillingsmetingen uitgevoerd binnen meerdere woningen langs het spoortracé Groningen - Leeuwarden, waaronder metingen in Hoogkerk. Noorman Bouw- en milieu-advies heeft de resultaten van het ESGL-onderzoek gebruikt voor het opstellen van een trillingsprognose voor het plangebied (zie ook bijlage 9). In het kader van het ESGL zijn trillingsmetingen uitgevoerd binnen een woning aan de Industriestraat 99 te Hoogkerk. Deze woning ligt op een afstand van circa 940 meter westelijk van het plangebied. In de huidige situatie worden treinen ingezet met een maximale lengte van 112 meter. Met het ESGL wordt de inzet van treinen tot een lengte van 168 meter mogelijk gemaakt. De inzet van deze langere treinen is beperkt tot de spitsperioden. Uit het rapport 'Extra Sneltrein Groningen - ESGL Trillingsonderzoek' volgt dat de verschillen in lengte geen verschil in het te verwachten Vmax opleveren. De maximale rijsnelheid van de reizigerstreinen en (maandelijkse) goederentrein nabij het plangebied is vergelijkbaar met de rijsnelheid van de treinen ter hoogte van de woning Industriestraat 99 te Hoogkerk. Een eventuele correctie voor afwijkende rijsnelheden is derhalve niet aan de orde.
Met de aanleg van een extra spoorstation nabij De Suikerzijde in de toekomst dienen ter hoogte van dit station mogelijk wissels in het spoortracé te worden opgenomen. Een mogelijke invloed van deze wissels is uit te sluiten bij een afstand van meer dan 30 meter vanaf de wissel. Op het plangebied is dit het geval. De afstand van de eerstelijnsbebouwing tot het spoor bedraagt ten minste 30 meter. Overigens zal bij het passeren van een wissel c.q. het stoppen ter hoogte van het station de rijsnelheid relatief laag zijn, hetgeen de trillingsniveaus verder beperkt.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
32
Conclusie Uit de prognose volgt dat in dat geval aan de streefwaarden als vastgelegd in de SBR Trillingsrichtlijn B: Hinder voor personen in gebouwen (2002) kan worden voldaan. Trillingshinder vanwege spoorwegverkeer is niet te verwachten. Uitgangspunt is dat afstand tussen de te realiseren woningen in het plangebied van De Suikerzijde en het spoor ten minste 30 meter bedraagt. Voor het deelgebied noord is dit reeds verwerkt op de plankaart. Het bestemmingsplan is op het aspect trillingen uitvoerbaar. 4.2
Bodem
Wet- en regelgeving Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Onderzoek Voor dit bestemmingsplan is een knelpuntenanalyse uitgevoerd (bijlage 10). Vervolgens is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van gegevens over de bodemkwaliteit bij de gemeente Groningen. Beide rapporten zijn bijgevoegd (bijlage 24 & 25). Daarvoor zijn de volgende aspecten beoordeeld: a. de locaties die verdacht zijn van (ernstige) bodemverontreiniging; b. de aanwezigheid van (ernstige) bodemverontreinigingen; c.
de locaties waar na sanering een zorgmaatregel van kracht is en mogelijke gebruiksbeperkingen liggen; d. de diffuse bodemkwaliteit zoals vastgesteld in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart. De inventarisatie is gebaseerd op de op dat moment bij de gemeente beschikbare gegevens. Dagelijks worden gegevens aangeleverd en bijgewerkt. Voor een actuele situatie of voor informatie over individuele locaties wordt daarom verwezen naar https://gemeente.groningen.nl/bodemonderzoek-en-bodemsanering. Verder bestaat de mogelijkheid om op afspraak rapporten in te zien. Voor de inventarisatie van de bodemkwaliteitsgegevens is gebruik gemaakt van informatie zoals opgeslagen in het bodeminformatiesysteem (BIS) van de gemeente Groningen. Het verrichten van bodemonderzoeken en het uitvoeren van eventuele saneringswerkzaamheden is een verantwoordelijkheid van de veroorzaker, de eigenaar en/of een belanghebbende. Voor de locaties die verdacht zijn van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging is een bodemonderzoek bij de aanvraag van een Wabo-vergunning in ieder geval noodzakelijk. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke bouwverordening regelen in welke gevallen de aanvraag van een vergunning vergezeld dient te gaan van een bodemonderzoek. Daarnaast geldt voor nieuwe bodemverontreiniging, ontstaan na 1987, een ander regiem.
Op deze gevallen is de zorgplicht van toepassing. Dit betekent dat nieuwe bodemverontreiniging altijd zoveel mogelijk ongedaan gemaakt moet worden, ongeacht hoe ernstig de bodemverontreiniging is. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
33
De toetsing van de bodemkwaliteit vindt plaats aan de normen die gekoppeld zijn aan het gebruik of de functie van de bodem. Het toekomstige gebruik betreft voornamelijk wonen en (openbaar) groen en dienstverlening. Bodemverontreiniging kan bestaan uit bronverontreiniging of diffuse verontreiniging. Bronverontreiniging Eventuele bronverontreiniging wordt veroorzaakt door huidige of voormalige bedrijfsfuncties en/ of dempingen en ophogingen met verontreiniging. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft ernstig verminderd. Een bodemsanering is dan nodig om de locatie weer geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Uit de BIS-inventarisatie blijkt dat binnen het plangebied geen locaties aanwezig zijn, waarvoor dit spoedeisend is.
Tabel 1: Beschikbare bodeminformatie (BIS) geïnventariseerd op status en vervolg (1 Onderzoek komt pas in beeld bij locatieontwikkelingen) Diffuse bodemverontreiniging In de loop van de tijd zijn op allerlei manieren puinhoudend materiaal, kooldeeltjes en ander afval in de bodem terechtgekomen. Bewoning, bedrijvigheid en ook neerslag van luchtverontreiniging heeft op vele plaatsen de bodem belast. Dit heeft mogelijk geleid tot diffuse, niet tot een bron te herleiden, bodemverontreiniging. De gemeente Groningen heeft voor haar gehele grondgebied een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Deze bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de diffuse bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is onderdeel van de 'Nota Bodembeheer: Beleidsregels voor de toepassing van grond en baggerspecie op landbodem' (zie voor meer informatie www.groningen.nl). De kaart is volgens de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit opgesteld. Uit de bodemkwaliteitskaart en het uitgevoerde onderzoek blijkt, dat de verwachte gemiddelde waarde binnen het plangebied voldoet aan de norm: 'wonen, op delen industrie en op delen niet toepasbaar' (bodem normering Besluit bodemkwaliteit). Bij het toepassen en hergebruik van grond dient de 'Nota Bodembeheer: Beleidsregels voor de toepassing van grond en baggerspecie op landbodem' in acht genomen te worden.
Conclusie Het project kan als uitvoerbaar worden beschouwd voor het aspect bodem. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
34
4.3
Water
Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een zogenoemde waterparagraaf te worden opgenomen. In deze waterparagraaf moet uiteengezet worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Het is de schriftelijke neerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van een watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het Groninger Water en Rioleringsplan (GWRP) geeft het beleid weer voor de periode 2020-2024. De gemeente kiest voor vier speerpunten: klimaatadaptatie, waterkwaliteit, ketenoptimalisatie en duurzaamheid. De gemeente ontwikkelt een werkwijze waarbij ontwikkelingsplannen (zoals die voor De Suikerzijde) vooraf worden getoetst op klimaatbestendigheid. Daarbij gaat de gemeente strengere eisen stellen aan de hoeveelheid water die geborgen en afgevoerd moet kunnen worden bij zware neerslag. Op 30 mei 2017 heeft de gemeenteraad de Watervisie 'Koersen op water' vastgesteld.
Het doel van deze visie is om Groningen sterker als stad aan het water te presenteren en de economische potentie en de belevingswaarde van het water in de stad beter te benutten. De Watervisie geeft een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van het water voor de lange termijn en biedt een kader voor de ruimtelijke ordening op water. Het waterschap Noorderzijlvest is de regionale waterbeheerder. De beleidslijnen van dit waterschap zijn beschreven in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 en de Beleidsnotitie Water en Ruimte. In het kader van het bestemmingsplan worden de kaders geschapen voor ontwikkelingen als gevolg waarvan de waterhuishouding in beperkte mate kan veranderen. Bij planvorming is in een vroegtijdig stadium overleg gevoerd met het waterschap Noorderzijlvest (Watertoets). Er hebben reeds meerdere overleggen plaatsgevonden tussen gemeente en waterschap over de waterhuishouding, waterkwaliteit en waterveiligheid in en rond het plangebied. In het vervolg van het watertoetsproces zal nadere uitwerking van de principes van afwatering en ontwatering in relatie tot de waterkwaliteit en de waterkwantiteit plaatsvinden. Onderzoek Algemeen Groningen is een waterrijke stad en het water in de stad is zeer divers. Het plangebied ligt in het beheergebied van waterschap Noorderzijlvest.
Nabij het plangebied liggen enkele primaire watergangen (Hoendiep, Elmersmatocht en Hoogkerkstertocht, zie figuur 4.6). Het Hoendiep is onderdeel van de Electraboezem en heeft een peil van NAP -0,93 meter. Aan weerszijden van het Hoendiep ligt een regionale kering (zie figuur 4.7).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
35
Figuur 4.6: Uitsnede van de Legger van Waterschap Noorderzijlvest
Figuur 4.7: Huidige ligging regionale waterkering Hoendiep Waterhuishouding en watercompensatie Het plangebied van het bestemmingsplan wordt in de huidige situatie bemalen en uitgeslagen op de boezem (Hoendiep) door het gemaal 'de Verbetering'. In de toekomstige situatie worden de aanwezige vloeivelden verwijderd. Het water van de vloeivelden wordt gezien als een bedrijfsmatige terreininrichting. Dit is geen natuurlijk water en maakt geen onderdeel uit van het watersysteem van het peilgebied. Bij het afgraven van deze vloeivelden hoeft daarom geen watercompensatie te worden gerealiseerd. Na verwijdering van de vloeivelden zal het maaiveld op de nieuwe maaiveldhoogte worden gebracht. Het plangebied wordt daarbij als een 'dakprofiel' aangelegd, waarbij een lange noordelijke helling afwatert af op het Hoendiep en een korte zuidelijke helling afwatert op de spoorsloot (noordzijde spoor). Deze spoorsloot zal op termijn, als er een tunnel onder het spoor wordt aangelegd, worden opgeknipt in een westelijk en een oostelijk deel. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
36
Gemeente en waterschap willen voorkomen dat door de toename van verharding (wegen en daken) regenwater dat in het plangebied valt versneld wordt afgevoerd naar het regionale systeem. Om deze versnelde afvoer te voorkomen zijn in het stedenbouwkundige plan robuuste voorzieningen in de openbare ruimte opgenomen zoals groenzones, parken en wadi's. De gemeente houdt bij de wateropgave voor het plangebied rekening met de eigen beleidsrichtlijnen voor een klimaatbestendige inrichting (o.a. zwaardere buien door klimaatverandering). Concreet houdt dit in dat regenwater in het openbare gebied goed wordt opgevangen en dat de gemeentelijke doelstelling is dat de waterberging binnen de bouwvelden zelf wordt opgelost. Het uitgangspunt voor het afvoeren van het huishoudelijk afvalwater is via een gescheiden systeem van het hemelwater. Het bureau Nelen en Schuurmans heeft berekeningen uitgevoerd (bijlage 18) om de effecten inzichtelijk te maken van drie verschillende buien, te weten van 58, 73 en 111 mm in een uur. Deze, of vergelijkbare buien hanteert de gemeente ook als uitgangspunt om nieuwe ontwikkelingen te toetsen op klimaatbestendigheid. Uit de berekeningen is duidelijk geworden dat de openbare ruimte, inclusief een systeem van wadi's, in staat is deze buien op te vangen.
Dit vraagt nog wel om een specifieke uitwerking in de bouwvelden, die onder meer afhankelijk is van de hoeveelheid verhard oppervlak in de bouwvelden en de wijze van afvoer van het water. Bij de ontwikkeling van het nieuwbouwproject Westerwal (Enceha-terrein) was er onvoldoende mogelijkheid voor watercompensatie. De gemeente heeft het waterschap toegezegd de benodigde watercompensatie elders te realiseren. Deze opgave van 1221 m2 (gerekend t.o.v. de waterlijn bij het streefpeil van -0.93 m NAP) wordt binnen het noordelijke gebied van De Suikerzijde gecompenseerd. Langs de noordrand van het plangebied wordt een plas-dras-zone aangebracht (zuidoever Hoendiep, ca 800 meter). In dit gebied kan een peilstijging van het Hoendiep worden opgevangen, om die reden mag deze zone ook meegerekend worden in de waterberging. In het westelijk park wordt een grote waterpartij gemaakt die tot de boezem gaat behoren. Hierdoor wordt de ruimte in de Electraboezem vergroot en wordt de regionale waterhuishouding robuuster gemaakt. Waterkwaliteit Regenwater dat op verhard oppervlak in het plangebied valt, wordt grotendeels afgevoerd via bermen, wadi's, groenstroken en dergelijke. Hierdoor wordt het water gezuiverd en zal oppervlaktewater niet verontreinigd raken. De aanleg van plas-dras-zones langs het boezemwater zorgt naar verwachting voor enige verbetering van de kwaliteit van het boezemwater.
Waterveiligheid De kade van het Hoendiep blijft op dit moment op huidige locatie liggen. Met de ontwikkeling van het nieuwe waterpark / haven wordt de waterkering naar het zuiden verlegd, of lokaal wordt aangepast. Doordat het gebied vrij kan afwateren op de boezem en grotendeels niet meer af zal voeren op het poldersysteem moet de regionale kering verplaatst worden naar een locatie beter passend bij zijn functie. De regionale kering wordt langs het spoor en de Johan van Zwedenlaan gelegd (zie hiervoor de verbeelding) De nieuwe waterkering zal voldoen aan de waterveiligheidseisen van het waterschap.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
37
Grondwater Bij de aanleg van de WKO-systemen worden mogelijk gewerkt met boorvloeistoffen. Deze stoffen kunnen het grondwater in de watervoerende pakketten verontreinigen. Bij de aanleg van de systemen dienen dergelijke verontreinigen te worden voorkomen. Bij het aanbrengen van diepe constructies (zoals een collectieve WKO-installatie) zal rekening worden gehouden met eventuele scheidende lagen in de ondergrond, en zullen maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er onbedoeld uitwisseling ontstaat tussen verschillende watervoerende pakketten. Hierbij wordt (standaard) rekening gehouden met de volgende criteria qua grondwaterstand:
Minimale drooglegging 1,2 m. Houten funderingen; de eis die hiervoor geldt gaat boven alle andere eisen die gesteld worden aan het niveau van grondwaterstanden. De grondwaterstand mag nooit verder verlaagd worden dan tot 0,1 meter boven het (hoogste) funderingshout. Wegen en fietspaden: ontwateringsdiepte van tenminste 0,80 m¹ beneden het verhardingsoppervlak. Gebouwen met kruipruimte: ontwateringsdiepte van tenminste 1,05 m¹ beneden vloerpeil of circa 0,85 m beneden as weg. Gebouwen zonder kruipruimte: ontwateringsdiepte van tenminste 0,5 m¹ beneden vloerpeil of circa 0,30 m beneden as weg. Bomen: ontwateringsdiepte van tenminste 1,00 m¹ beneden het verhardingsoppervlak.
Op dit moment is nog niet duidelijk of er wel of niet gebouwd gaat worden met kruipruimte, maar het wordt wel als reële optie gezien. Conclusie Met het uitvoeren van de noodzakelijke aanpassingen aan het watersysteem, zoals overeen is gekomen met Waterschap Noorderzijlvest, is het plan op het aspect water uitvoerbaar. 4.4
Archeologie
Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Archeologisch onderzoek In 2019 heeft RAAP een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied (zie bijlage 11). Voor zowel de dekzandzone als het krekenstelsel is een indicatieve archeologische verwachtingskaart opgesteld (zie figuur 4.8 en 4.9). Zowel voor de dekzandzone als voor het krekenstelsel hebben grote delen van het onderzochte gebied een middelhoge of hoge verwachting. Voor de hooggelegen rug van Tynaarlo en de oostelijk daarvan gelegen rug is de verwachting hoog voor nederzettingssporen uit de periode
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
38
steentijd-bronstijd. De lagergelegen delen zijn minder kansrijk, maar gezien de aanwezigheid van een (podzol)bodem was hier wel bewoning mogelijk. Vanwege de diepteligging worden hier echter alleen vindplaatsen uit het mesolithicum en laat paleolithicum verwacht. Voor dit gedeelte is de verwachting middelhoog. Binnen de delen van de vloeivelden waar de bodem is verstoord tot in het dekzand of de keileem zullen eventuele vindplaatsen sterk zijn aangetast. Voor deze delen is de verwachting laag. Ondanks dat het gebied in gebruik geweest is als vloeiveld, blijkt het krekenstelsel aan de oostzijde van het plangebied goed bewaard te zijn gebleven en is daarmee net zo waardevol als het nog herkenbare deel ten zuiden van de spoorlijn. Het krekenstelsel is niet aanwezig in de westelijke helft van het plangebied. De binnen de dekzandzone verwachte vindplaatsen uit de steentijd-bronstijd bestaan vooral uit concentraties van vondstmateriaal in de top van het dekzand, met name (vuur)steen en mogelijk aardewerk. Vanwege de vaak geringe omvang en lage vondstdichtheid zijn dergelijke vindplaatsen met booronderzoek niet goed op te sporen. Karterend booronderzoek is wel zinvol om de hoogteligging van het dekzand nader in beeld te brengen en archeologisch kansrijke zones aan te wijzen.
Ook voor het krekenstelsel kan nader karterend booronderzoek een beter beeld geven van de ligging van de geulen, oeverzones en oeverwallen en de aanwezigheid van vegetatiehorizonten en eventuele vondstlagen.
Figuur 4.8: Archeologische verwachtingskaart dekzandzone
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
39
Figuur 4.9: Archeologische verwachtingskaart krekenstelsel Als advies is in het onderzoeksrapport opgenomen dat zowel de dekzandzone als het krekenstelsel van een beschermende regeling dient te worden voorzien in het bestemmingsplan. Hiermee is geborgd dat het aanbevolen onderzoek, zoals in voorgaande alinea's beschreven, kan worden voorgeschreven door de gemeente. De begrenzing van deze bestemming staat in figuur 4.10. De boerderijplaats is ook in de regeling ondergebracht (zie de juridische toelichting op de bestemmingen).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
40
Figuur 4.10: Begrenzing van archeologische bescherming Conclusie Waar nodig zal de gemeente archeologisch onderzoek voorschrijven en dit volgens de geldende protocollen (laten) uitvoeren. Behoudenswaardige archeologische resten worden ofwel ingepast of anders ex situ behouden. Het bestemmingsplan is hiermee uitvoerbaar. 4.5
Cultuurhistorie
Wet- en regelgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet er in ruimtelijke plannen expliciet aandacht worden besteed aan het aspect cultuurhistorie. Ook in het gemeentelijke beleid is behoud van cultuurhistorische waarden een belangrijk uitgangspunt bij gebiedsontwikkelingen. Onderzoek Het plangebied ligt ten oosten van de rug van Tynaarlo en ten westen van de Hondsrug. In het deelrapport Cultuurhistorische analyse (RAAP, 2016) is een analyse gemaakt van de cultuurhistorische ontwikkeling van het plangebied van het gehele terrein van De Suikerzijde. Uit de analyse volgt dat in het plangebied sporen te herkennen zijn uit vier perioden uit de ontwikkelgeschiedenis: 1. 2. 3. 4.
prehistorisch landschap: kreken, kreekruggen en terpen; middeleeuwse polderverkaveling (13e-eeuwse veenontginning); verstedelijkt landschap: de fabriek en de stad; verdedigingslinie WOII.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op deelgebied noord. In dit deelgebied zijn bovenop het oorspronkelijke maaiveld vloeivelden aangelegd. De vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
41
cultuurhistorische waarden zijn waar mogelijk ingepast. In het oorspronkelijke maaiveld kunnen nog restanten van kreekruggen en kreken (laag 1) en van de verkaveling van de veenontginning (laag 2) aanwezig zijn. In het stedenbouwkundig plan volgt een deel van de noord-zuid verbindingen het slotenpatroon van de oude polderverkaveling. Daarnaast blijft de ontginnings-as Eelde-Dorkwerd gehandhaafd in de structuur van het stadsdeel. De cultuurhistorische waarde van het kanaal Hoendiep blijft eveneens behouden. Door de planontwikkeling wordt het kanaal beter zichtbaar en beleefbaar gemaakt. In de noordwesthoek van het plangebied worden een deel van de structuur van het industriële landschap (nl. de vloeivelden, laag 3) opgenomen in het nieuwe park. Eveneens in deze noordwesthoek bevindt zich een locatie met enkele bunkers uit de Tweede Wereldoorlog (laag 4). Ook is een van deze bunkers opgenomen in het voorontwerp facetbestemmingsplan 'Gebouwd Erfgoed' met een karakteristieke waarde. Deze bunkers worden opgenomen in de groenstructuur in het gebied en op deze manier bewaard. Conclusie In het stedenbouwkundig plan zijn de cultuurhistorische waarden zo goed mogelijk ingepast. Belangrijke cultuurhistorische waarden zoals oorspronkelijke verkaveling, het Hoendiep en de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog blijven behouden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar. 4.6
Natuur en groen
4.6.1 Natuur Wet- en regelgeving In het kader van de Wet natuurbescherming moet voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen worden onderzocht of er sprake is van effecten van de voorgenomen werkzaamheden op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden. De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden, natuurreservaten en andere in bestemmingsplannen aangeduide natuurgebieden. De soortbescherming valt net als Natura 2000 onder de Wet Natuurbescherming. Het gemeentelijk flora en fauna beleid zijn verdeeld over een aantal beleidsstukken. De meest recent is het 'Groenplan Groningen Vitamine G', dat door de gemeenteraad op 24 juni 2020 is vastgesteld. Het Groenplan is de actualisatie (maar niet vervanging) van 'Groene Pepers': het groenstructuurplan van de voormalige gemeente Groningen uit 2010. Vanuit Next City, het coalitieakkoord en de Uitvoeringsagenda Klimaatbestendig Groningen zijn vele opgaven te benoemen voor groen, ecologie en biodiversiteit, klimaatadaptatie en openbare ruimte.
Het toevoegen van 100.000 m2 openbare ruimte, een forse toename van het aantal bomen en de hoeveelheid groen, het versterken van het bestaande groen en de ecologische structuur, zijn enkele van die opgaven. In 2013 is het Doelsoortenbeleid vastgesteld. Het principe van het doelsoortenbeleid is dat het ecologisch beheer en inrichting wordt gebaseerd op zogeheten doelsoorten. Doelsoorten zijn kritische soorten. Dat wil zeggen dat ze relatief hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. Het idee is dat als een doelsoort zich weet te vestigen en handhaven in een bepaald gebied, de kans groot is dat tal van andere - minder kritische - soorten ook van het desbetreffende gebied gebruik zullen maken. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
42
Onderzoek Er is een Voortoets opgesteld om inzicht te geven in de effecten van het plan op Natura 2000-gebieden (zie bijlage 12). De inhoud van deze Voortoets wordt hieronder kort weergegeven. Beschermde gebieden Het plangebied is deels gelegen nabij de Natura 2000-gebieden Leekstermeergebied (aangewezen als Vogelrichtlijngebied en gelegen op circa 1,4 km afstand) en het Zuidlaardermeergebied (aangewezen als Vogelrichtlijngebied en gelegen op circa 6 km afstand).
Figuur 4.10: Natura 2000-gebieden (geel gearceerd) nabij het plangebied (rood omlijnd). In figuur 4.10 is de ligging van het plangebied ten aanzien van de Natura 2000-gebieden weergegeven. Andere Natura 2000-gebieden liggen relatief ver van het plangebied af, namelijk het Drentsche Aa-gebied (Habitatrichtlijngebied en gelegen op ca 9,5 km afstand) en het Norgerholt (Habitatrichtlijngebied en gelegen op meer dan 16 km afstand), waardoor effecten (behalve als gevolg van stikstofdepositie) op voorhand kunnen worden uitgesloten.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
43
Uit de Voortoets blijkt dat geluidverstoring een relevant effecttype is voor Vogelrichtlijngebieden en stikstofdepositie voor Habitatrichtlijngebieden. Voor zowel de geluidbelasting als stikstofdepositie zijn berekeningen uitgevoerd voor het planvoornemen. Uit deze berekeningen blijkt dat het bestemmingsplan niet leidt tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Op 15 oktober 2020 is het rekeninstrument voor stikstofdepositie (AERIUS) geactualiseerd met de nieuwste wetenschappelijke inzichten en actuele data. Voor dit bestemmingsplan is een doorrekening met deze nieuwe versie van AERIUS gemaakt. Uit de nieuwe doorrekening blijkt dat de berekende depositie in de gebruiksfase met 750 woningen (deelgebied noord) en in de gebruiksfase met 5.000 woningen (Structuurvisie) 0,00 mol/ha/jaar is. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden en levert geen belemmering op bij de uitvoering van het bestemmingsplan. De doorrekening van AERIUS is als bijlage toegevoegd (bijlage 21). Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Raad van State op 20 januari 2021 over een tracébesluit A15 is voor de volledigheid gekeken of dit mogelijk consequenties voor uitvoering van het bestemmingsplan zou kunnen hebben. Dat blijkt niet het geval.
Stedelijke Ecologische Structuur (SES) Belangrijk onderdeel van het ecologisch beleid van de gemeente is de zogenaamde Stedelijke Ecologische Structuur (SES). Deze is planologisch beschermd. De begrenzing van de SES is voor het laatst geactualiseerd en door het College vastgesteld in 2014 (zie figuur 4.11). De verwachting is dat in 2021 een nieuwe versie van de SES-kaart (dan Gemeentelijke Ecologische Structuur oftewel GES) wordt vastgesteld.
Figuur 4.11: Stedelijke Ecologische Structuur van Groningen 2014 (uitsnede)
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
44
De planontwikkeling voor Deelgebied Noord voorziet erin dat de gestippelde 'te ontwikkelen groenverbinding' langs zuidzijde kanaal Hoendiep voor een groot deel wordt gerealiseerd in de vorm van een brede natuurvriendelijke oeverzone (zie kaart stedenbouwkundig plan). Aan de oostzijde van het plangebied (tussen de twee bruggen) wordt de groenverbinding niet gerealiseerd. De groenverbinding zoals bedoeld op de SES-kaart 2014 loopt dus niet helemaal van het Westpark door tot aan het Stadspark. Om die reden is ervoor gekozen om de groenverbinding Westpark-Stadspark aan de westzijde van De Suikerzijde te laten verlopen, via het grote nieuwe park in het westelijke deel van Deelgebied Noord, de spoorzone en vervolgens via en passage onder het spoor door naar groenstructuren in Deelgebied Zuid. Door groeninvulling ter hoogte van de rode stip, wordt het knelpunt daar opgelost. Beschermde soorten In 2012 is door ecologisch adviesbureau Koeman en Bijkerk (tegenwoordig Bureau Waardenburg) ecologisch onderzoek uitgevoerd in verband met voorgenomen ontwikkelingen op het voormalig suikerfabriekterrein. Dit onderzoek is door Bureau Waardenburg in 2018 geactualiseerd (zie bijlage 13). In het ecologisch onderzoek wordt gesteld dat bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.
In dit kader gelden voor uitvoering van de werkzaamheden de hieronder genoemde voorwaarden:
Op basis van de huidige gegevens kan niet met zekerheid gezegd worden dat, als het water bij het voormalig suikerfabriekterrein verdwijnt, daarmee ook een 'bekende' verblijfplaats van de watervleermuis verloren gaat. Om meer te kunnen zeggen over de betekenis van het water voor de watervleermuis is aanvullende onderzoek nodig. Wanneer het huidige leefgebied van de poelkikker niet intact blijft zal ook ontheffing voor de poelkikker moeten worden aangevraagd. Als gevolg van de geplande ingreep zal leefgebied van de geoorde fuut worden aangetast. Gelet op de aard van de ingreep, het verdwijnen van de vloeivelden, en de huidige omvang van de populatie geoorde futen in het gebied wordt geadviseerd contact op te nemen met het bevoegd gezag om nadere vervolgstappen te bepalen.
Het plangebied heeft daarnaast betekenis voor tal van andere broedvogels en verschillende soorten vleermuizen. Mits men zich houdt aan de gestelde voorwaarden voor broedvogels en vleermuizen wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen en is een ontheffing Wet natuurbescherming voor deze soorten niet nodig. Voor alle soorten geldt de zorgplicht (Wnb art. 1.11). Poelkikker De poelkikker is volgens het rapport van Bureau Waardenburg met name aanwezig in het weilandengebied ten zuiden van het spoor. De ontwikkelingen voor dit gebied laten naar verwachting nog jaren op zich wachten. De populaties hier worden dus voorlopig niet aangetast. Op enkele locaties ten noorden van het spoor is de soort ook aangetroffen. Het is onduidelijk of de poelkikker op dit moment nog steeds voorkomt op de locaties waar die eerder is aangetroffen en zo ja hoe groot de populatie is. In 2021 zal daarom een actualisatie van het onderzoek plaatsvinden. Zekerheidshalve is voor deze soort inmiddels een ontheffing aangevraagd omdat verstoring in verband met grootschalig grondverzet niet voorkomen kan worden. In de omgeving zijn voldoende alternatieve leefgebieden aanwezig om dieren naar over te zetten indien nodig. In de toekomstige situatie zullen weer geschikte leefgebieden aanwezig zijn binnen deelgebied noord.
Deze locaties zijn inmiddels al grotendeels verland en vormen geen geschikt leefgebied meer. Voor restpopulaties die zich nog ten noorden van het spoor bevinden zijn er geschikte wateren aanwezig die niet worden aangetast door de werkzaamheden. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
45
De verwachting is dat door zorgvuldig te werken, er geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van poelkikker en dat een ontheffing dus niet noodzakelijk is. Geoorde fuut Bureau Waardeburg heeft in 2018 op het voormalig suikerfabriekterrein 66 geoorde futen vastgesteld. Het gaat hier om individuele dieren en niet om broedparen, maar aangenomen mag worden dat een groot aantal broedparen gebruik maakt van het gebied. Op basis van de conclusies uit het rapport van Bureau Waardenburg is door Altenburg & Wymenga nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen voor het broedterrein van de Geoorde fuut. Dit onderzoek is in januari 2021 geactualiseerd (bijlage 14). Op basis van gegevens uit eerdere jaren van zowel het suikerfabriekterrein als gebieden uit de regio, heeft Altenburg & Wymenga bepaald dat in piekbroedjaren er naar schatting 8-10% van de Nederlandse populatie in het gebied broedt. De broedpopulatie wordt geschat op circa 20% van de regionale populatie. Het verlies van de vloeivelden resulteert in een beperktere draagkracht voor de geoorde fuut in de regio. Het volledig ongeschikt maken van het terrein als broedgebied voor de geoorde fuut, is een aantasting van de huidige staat van instandhouding. Geoorde futen zijn in het verleden vrijwel uitsluitend waargenomen in de vloeivelden ten noorden van het spoor.
Ook in recente jaren zijn geen waarnemingen bekend van Geoorde futen ten zuiden van het spoor. De vloeivelden ten zuiden van het spoor zijn op dit moment naar verwachting niet geschikt in verband met een te beperkt oppervlak (door verlanding). Op basis van het aantal geschatte broedparen op het voormalig suikerfabriekterrein, het terreingebruik en literatuurgegevens van andere gebieden, heeft Altenburg & Wymenga geconcludeerd dat er een compensatieopgave is van circa 12,5 ha optimaal geschikt broedgebied. Ruimte voor de inrichting van een compensatiegebied kan in het plangebied maar ook in de omgeving gezocht worden. Een combinatie van beiden is ook mogelijk zolang de wateroppervlakte een minimale grootte heeft om functioneel te zijn en aan de overige randvoorwaarden voor broedgebied van de geoorde fuut voldaan wordt. Vleermuizen Op basis van de conclusies uit het rapport van Bureau Waardenburg is door Regelink Ecologie & Landschap nader onderzoek gedaan naar het gebruik van Deelgebied Noord als foerageergebied van water- en meervleermuis (Regelink, 2020). Dit onderzoek is bijgevoegd (bijlage 15). Door het uitgevoerde onderzoek zijn er drie kraamkolonies van Watervleermuis gevonden die nog niet bekend waren. Samen met één reeds bekende kraamkolonie en enkele bekende mannenverblijfplaatsen, vormen ze een kleine kwetsbare populatie in de stad Groningen.
De geplande werkzaamheden doen zonder compenserende maatregelen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Voor meervleermuis is aangetoond dat een groot aantal mannetjes foerageert op het voormalig suikerfabriekterrein. De locatie van de mannenkolonie is niet bekend. Ook foerageren vrouwtjes uit de enige bekende kraamkolonie van de stad op dit terrein. De geplande werkzaamheden hebben zonder compenserende maatregelen naar verwachting een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de Meervleermuis in Groningen stad. Op basis van de onderzoeksgegevens en gegevens uit literatuur heeft bureau Regelink Ecologie & Landschap geconcludeerd dat er een compensatieopgave is van circa 16 ha optimaal foerageergebied. Deze opgave is gebaseerd op onder meer de huidige waterdieptes van de voormalige vloeivelden en een verdeelsleutel tussen ondiepe en diepe delen. Inmiddels zijn er meer gedetailleerde gegevens beschikbaar van de huidige vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
46
waterdieptes en de totale wateroppervlakte van de voormalige vloeivelden. Met dezelfde verdeelsleutel resulteert dit in een totale compensatieopgave van circa 14 ha. Compensatie In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verlies aan foerageergebied moet worden gecompenseerd binnen de homerange van de betreffende vleermuizenpopulaties. Voor deelgebied Noord zou ter compensatie een foerageergebied, of meerdere, met ondiep water moeten worden aangelegd. Een deel van de compensatieopgave wordt ingevuld aan de zuidzijde van het spoor. Een aantal van de deels verlande vloeivelden is in de winter van 2020-2021 heringericht volgens de randvoorwaarden die voor de vleermuizen gelden. Door tevens rekening te houden met randvoorwaarden voor de geoorde fuut, is het gebied geschikt gemaakt voor alle soorten waarvoor compensatie nodig is. Met de aanleg van dit compensatiegebied is ca 7 ha geschikt gebied gerealiseerd.
Figuur 4.12: Schetsontwerp van compensatiegebied 1 ten zuiden van het spoor binnen het projectgebied van De Suikerzijde. Voor het resterende deel van de compensatieopgave is een ontwerp uitgewerkt voor het nabijgelegen weilandengebied ten westen van het Westpark. Voor zowel vleermuizen als geoorde fuut zijn de mogelijkheden voor een compensatiegebied hier volgens zowel externe deskundigen als provincie mogelijk. Omdat er ook weidevogels zitten, wordt met een ontwerp voor het compensatiegebied zoveel mogelijk rekening gehouden met de weidevogels. Voor het weidegebied dat als gevolg van het aanleggen van het compensatiegebied verdwijnt, wordt elders een nieuw weidevogelgebied gecreëerd.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
47
Figuur 4.13: Schetsontwerp van compensatiegebied 2 ten westen van het Westpark. Conclusie Het bestemmingsplan kan worden uitgevoerd binnen de wettelijke en beleidsmatige kaders voor natuur, mits voldoende broedgebied voor de geoorde fuut en voldoende foerageergebied voor watervleermuis en meervleermuis wordt geborgd, en daarnaast wordt voldaan aan de voorwaarden voor onder meer poelkikker tijdens de uitvoering van werkzaamheden. Voor poelkikker hoeft naar verwachting geen apart compensatiegebied te worden aangelegd omdat er voldoende geschikt leefgebied in de omgeving aanwezig is en omdat het compensatiegebied voor vleermuizen en geoorde fuut ook dienst kan doen als leefgebied voor de Poelkikker. Voor het tweede deel van de compensatieopgave moet ook rekening worden gehouden met weidevogels. Voor het plangebied is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd voor het vernietigen van broedgebied van de geoorde fuut en foerageergebied voor watervleermuis en meervleermuis, leefgebied poelkikker en voor het vernietigen van broedgebied van weidevogels. Onderdeel van de ontheffingsaanvraag is een uitgewerkt compensatieplan waarin beschreven wordt hoe en waar broedgebied en foerageergebied zal worden gecompenseerd. Het bovenstaande is nader uitgewerkt in de 'Ecologische opgave De Suikerzijde, deelgebied noord' (bijlage 20).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
48
4.6.2 Groen Het beleid van de gemeente Groningen voor groen is verwoord in de structuurvisie 'The Next City', het groenplan 'Vitamine G' en het coalitieakkoord. In 'Sterke Stammen' (2014) en de Groenstructuurvisie 'Groene Pepers' is de bomenvisie van de gemeente Groningen verwoord. Gekoppeld aan de APVG (afdeling 3: het bewaren van houtopstanden) zijn de beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2021 van kracht. In deze beleidsdocumenten wordt fors ingezet op maatregelen om te komen tot een goed en gezond leefklimaat voor bewoners, met veel ruimte voor groen, bomen, water en openbaar gebied. Groen kan een positieve bijdrage leveren aan een goede woonbeleving, met volop ruimte voor ontmoeting, recreatie en ontspanning, maar ook ruimte geven aan duurzame vormen van vervoer: fiets- en wandelpaden en openbaar vervoer. Groen helpt ook de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. Het draagt bij aan temperatuurbeheersing, biodiversiteit en het dempt de gevolgen van hevige regenval. Aanpak stedelijk groen De Suikerzijde In De Suikerzijde wordt veel ruimte geboden voor groen, bomen en water, ecologie en duurzaam ruimtegebruik. Het aanwezige groen wordt daar waar mogelijk voor ingezet.
Voor het gehele plangebied van De Suikerzijde is een globale inventarisatie gemaakt van de kapvergunningplichtige bomen en houtopstanden, inclusief een nadere inventarisatie voor deelgebied noord. Daarbij is ook een kwaliteitsanalyse van belang, omdat een groot deel van het groen in de afgelopen tien jaar na de sluiting van de fabriek spontaan is ontstaan. Met de inventarisatie is bij de uitwerking van de plannen voor De Suikerzijde ingespeeld op bestaande groenelementen, waarna een eerste inschatting is gemaakt van wat kan blijven staan en wat moet worden gekapt. De inventarisatie is gebruikt bij de uitwerking van de plannen om het ontwerp voor de (openbare) ruimte te verbeteren. Groenbalans De ontwikkeling van De Suikerzijde begint in het noordelijk deelgebied. Hier bevinden zich de grootste oppervlakten spontaan opgekomen houtopstanden (vooral wilgen). Dat is ontstaan nadat de suikerfabriek tien jaar geleden werd gesloten en het terrein in onbruik raakte. Voor deelgebied noord is op basis van het stedenbouwkundig plan en de inventarisatie een inschatting gemaakt van hoeveel groen (bomen en opstand) er na realisatie zal zijn. Globale inschatting is dat er in deelgebied noord 1.330 bomen meer worden geplant dan dat er worden gekapt. Globaal wordt er ca. 8 hectare houtopstand meer gekapt dan geplant.
Bij de uitwerkingen van het ontwerp van het gebied wordt duidelijk wat daadwerkelijk de gevolgen zijn. Omdat deelgebied noord onderdeel is van het totale plangebied van De Suikerzijde, wordt de groenontwikkeling in dit geheel gezien. Er wordt ingezet op een vergelijkbaar aandeel groen, bomen, pleinen, wadi's, etc. in de overige deelgebieden. De indicatieve cijfers uit deelgebied noord zijn geëxtrapoleerd naar de andere deelgebieden binnen De Suikerzijde. Op basis van deze indicatie is een inschatting van de groenbalans gemaakt van de gehele De Suikerzijde, waarbij er over het gehele ca. 3350 bomen bij worden geplant en ca. 3,8 hectare houtopstand wordt verwijderd.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
49
Figuur 4.12: inventarisatie bomen en houtopstanden geprojecteerd op stedenbouwkundig plan Noordzijde Uitwerking openbare ruimte In De Suikerzijde wordt de openbare ruimte groen en klimaat adaptief ingericht, onder andere langs het spoor en het Hoendiep en met een nieuw park aan de westzijde. In de straten zorgen wadi's voor waterberging tijdens hevige regenval en zorgen grote bomen voor schaduw in hete zomers. Duidelijk is dat in De Suikerzijde aanzienlijk meer bomen terug worden geplant dan dat er gekapt worden. Zo komen er bomenrijen in de straten en boompartijen in parken en plantsoen. Ook op de binnenterreinen van bouwvelden is ruimte voor veel groen en bomen. Wel verdwijnt meer houtopstand dan dat er terug komt, want de hoeveelheid houtopstand wordt niet maatgevend. Het groen in De Suikerzijde wordt namelijk heel divers, waarbij een rijke en diverse mix aan beplanting de biodiversiteit en kwaliteit van de wijk versterken. BEA Noord Oost Komend najaar willen we in het noordoostelijke deel van deelgebied noord met het grondwerk en bouwrijp maken starten. Voorafgaand aan het grondwerk is het nodig houtopstand en bomen te verwijderen. Alle bomen en houtopstanden zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht.
Om te bepalen welke effecten de planvorming heeft op de bomen en houtopstanden is een Boom Effect Analyse Bouwrijpfase Suikerzijde Noordoost (hierna BEA Noordoost) door B&W vastgesteld (9 maart 2021) en is de raad hierover geïnformeerd. De BEA Noordoost dient als onderlegger voor de aanvraag en verlening van de omgevingsvergunning. De gemaakte beoordelingen en afwegingen zijn stapsgewijs tot stand gekomen. Van eerste veldinspecties ten tijde van het opstellen van het Stedenbouwkundigplan naar een 'Ontwerp openbare ruimte De Suikerzijde Noordoost' dat als basis dient voor de BEA Suikerzijde NO. Dit ontwerp biedt verduidelijking over hoe de groenambitie van noordoost een groene voorbode wordt voor de lange termijn ontwikkelingen in het gehele projectgebied. Voor het kappen van 22 bomen en 3.782 m2 houtopstand in dit noordoostelijke deel hebben we een omgevingsvergunning aangevraagd. We compenseren deze (conform de per 1 januari 2021 van kracht zijnde beleidsregels) met 26 bomen en 3.800 m2 houtopstand. We hebben voor wat betreft het compenseren van de spontaan ontkiemde houtopstanden ervoor gekozen niet deze vierkante meters te compenseren. Hiervoor is gebruik gemaakt van de hardheidsclausule aangegeven in de beleidsregels 2021. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
50
Hiermee zetten we in op een kwalitatief groene en klimaatadaptieve invulling met heel veel extra bomen. Zo planten we in de Suikerzijde Noordoost alleen al 720 bomen. In de Suikerzijde Noord komt er een nieuw park, pleinen en straten met groen, groenzones langs de randen van het plan, twee nieuwe ecologische componsatiegebieden en in totaal circa 1.400 bomen.
figuur 4.13: Uitwerking stedenbouwkundig plan Noordzijde (onderdeel Groen)
4.7
Kabels, leidingen en straalpaden
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (water, gas, elektra, rioolleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook kabels en leidingen voor distributie ten behoeve van huis- en bedrijfsaansluitingen, maar die worden niet in het bestemmingsplan opgenomen. In het plangebied is één leiding aanwezig die een specifieke planologische bescherming krijgt. Dit is de gastransportleiding die aan de oostkant het plangebied in noord-zuidrichting kruist. Zie ook de paragraaf Externe veiligheid. Een strook van 4 meter aan weerszijden van de leiding dient vrij te blijven van bebouwing. Wegverharding ter plaatse van de leiding is wel mogelijk. Over de zuidwestelijke hoek van het plangebied ligt een zogeheten straalpad. Straalpaden dienen ter bescherming van telecommunicatieverbindingen. Binnen deze gebieden gelden beperkingen wat betreft bouwhoogten. De straalverbinding vanaf de KPN aan de Peizerweg richting het noordwesten heeft ter hoogte van het plangebied een bouwhoogtebeperking van 62 meter. Daar waar het straalpad over het plangebied ligt is het park en een ontsluitingsweg voorzien. Bebouwing is hier niet aan de orde.
Het plan levert dan ook geen nadelige gevolgen op voor het straalpad. Andersom heeft het straalpad geen invloed op de ontwikkeling van De Suikerzijde.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
51
4.8
Parkeren
In april 2018 is een parkeervisie voor de gemeente Groningen voor de periode 2018-2025 vastgesteld. Momenteel schrijven de normen voor hoeveel parkeerplaatsen de ontwikkelaar minimaal moet realiseren. Straks kan het ook andersom, nl. dat de gemeente vaststelt hoeveel parkeerplaatsen er (in/op eigen terrein en/of op straat) maximaal mogen komen. Voor de buitenwijken, waaronder het Suikerzijde-terrein valt, wordt in de Parkeervisie gesteld dat parkeren op eigen terrein geschiedt (POET). De aangepaste parkeernormen zullen eind 2020 of begin 2021 vastgesteld worden. In de planvorming van De Suikerzijde deelgebied Noord anticiperen we hierop door het parkeren op gebiedsniveau en met maatwerk op te lossen, zodat er een gesloten parkeerbalans ontstaat.
Parkeren Op Eigen Terrein (POET) in de bouwvelden staat voorop, in de vorm van een parkeerplaats op eigen kavel of collectieve in een parkeervoorziening voor meerdere woningen. Er wordt gedacht aan maximaal 1 parkeerplaats per woning in een bouwveld. Deze norm is lager dan tot nu toe gehanteerd in andere gebiedsontwikkelingen in Groningen. Een verdere verlaging van deze norm is ook mogelijk als het programma daartoe leidt (bijv. sociale huur veel lagere norm). Parkeren in openbare ruimte zo min mogelijk, om te voorkomen dat auto's dominante plek in straatbeeld krijgen. Er komt betaald parkeren en beperking van de parkeerduur. Op centrale plekken komen collectieve voorzieningen voor extra parkeren. Deze plekken krijgen een efficiënte invulling met dubbelgebruik, bijvoorbeeld overdag voor werk / voorzieningen en 's avonds voor bewoners en bezoekers. Ook bieden de centrale parkeervoorzieningen mogelijkheden voor nieuwe mobiliteitsconcepten zoals deelauto's en -fietsen (ook elektrisch).
De uitwerking van het parkeren is per bouwveld afhankelijk van het te realiseren programma (zowel wonen als commerciële en maatschappelijke voorzieningen) en de ligging in het plangebied, zoals bijvoorbeeld de (loop)afstand ten opzichte van collectieve voorzieningen. De inzet is een optimale benutting van eigen parkeermogelijkheden en van mogelijkheden in (gebouwde) collectieve parkeervoorzieningen.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
52
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord
53
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het bestemmingsplan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor beheer en ontwikkeling van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarbij gebruik gemaakt is van de mogelijkheden van artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Chw). Vanuit de Chw is een aantal aanpassingen mogelijk in andere wet- en regelgeving. Het is een bestemmingsplan met een verbrede reikwijdte, vandaar de term Chw bestemmingsplan. Met dit plan kunnen met direct recht omgevingsvergunningen worden verleend. De gekozen bestemmingen en de daarbij behorende regels geven helder aan welke functies op welke plaats zijn toegestaan. Het stedelijk gebied van de gemeente Groningen is aangewezen in Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen van 18 maart 2020 tot wijziging en aanvulling van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (vijfde tranche)). Dit besluit is op 20 maart 2020 gepubliceerd. De Suikerzijde valt binnen het aangewezen gebied van dit besluit (de kaart in bijlage 36 behorende bij het dit besluit). De toekomstige ontwikkeling is gebaseerd op uitnodigingsplanologie. In dit plan leggen we niet de huidige of gewenste situatie gedetailleerd vast, maar bieden we de maximale ruimte qua bebouwing en functies die we aanvaardbaar vinden.
Dat betekent dat op voorhand niet duidelijk is, op welke wijze de uitvoering de komende 15 tot 20 jaar zal gaan plaatsvinden. Het experiment betreft daarom het opstellen van een Chw bestemmingsplan met een maximale looptijd van 20 jaar vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan met een planhorizon van tien jaar. Het 'Chw bestemmingsplan De Suikerzijde, deelgebied Noord' zal eerder worden herzien vanwege het programmatisch verder vullen van dit deelgebied. Hoewel het Chw bestemmingsplan niet hoeft te voldoen aan de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012), is met de opzet van de planregels waar mogelijk aangesloten bij deze standaard. Dit leidt bijvoorbeeld tot een beter leesbare analoge verbeelding. Het Chw bestemmingsplan sluit ook waar mogelijk aan bij het standaardbestemmingsplan van de gemeente Groningen. Daarin zijn de regels gestandaardiseerd. De bestemmingsregels zijn opgemaakt in een vaste indeling en bevatten in principe voor elke bestemming achtereenvolgens: een beschrijving van de functietoedeling, gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en eventuele bijzondere regels omtrent afwijken of specifieke gebruiksregels. Wel is met dit plan voorgesorteerd op de aankomende Omgevingswet. De gekozen opzet en de formuleringen sluiten waar mogelijk al aan op het toekomstige omgevingsplan.