Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Indien er werkzaamheden aan watergangen plaatsvinden dient wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen Tijdens de monitoring in 2020 zijn de soorten oranjetipje, blauwe glazenmaker, glassnijder en vroege glazenmaker in het plangebied aangetroffen. In 2012 zijn is naast bovenstaande soorten ook de noordse witsnuitlibel vastgesteld. Dit zijn voor het Stadspark aangewezen doelsoorten en dienen daardoor beschermd of in ieder geval in acht te worden genomen. Daarnaast is de soort sierlijke witsnuitlibel in 2020 waargenomen. Deze soort is geen onderdeel van de doelsoortenlijst, maar is wel een beschermde soort onder de Habitatrichtlijn. De waarneming is gedaan nabij de ovalen vijver ten zuiden van de Concourslaan en ten oosten van de drafbaan. Deze vijver staat niet in verbinding met de andere waterpartijen in het park. Veldbezoek en literatuurstudie Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van ongewervelden gedaan. Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 24
bestaat uit heideterreinen en venranden. Echter is de sierlijke witsnuitlibel in de omgeving van het plangebied waargenomen. Deze komt zoals hierboven aangegeven voor in de ovalen vijver ten zuiden van de Concourslaan en ten oosten van de drafbaan. De sierlijke witsnuitlibel leeft langs beschutte oeverzones van stilstaande ongestoorde wateren met een rijke (onder)watervegetatie, doorgaans liggend in bossen. Indien er geen bos is, kan hoge oevervegetatie ook voldoende beschutting bieden. Deze elementen, beschutte oevers en stilstaand water, zijn essentieel voor het voorkomen van sierlijke witsnuitlibel. De watergangen langs de Concourslaan zijn gelijkend aan de vijver. Het zou mogelijk kunnen dat de sierlijke witsnuitlibel hier ook voorkomt. De overige watergangen rond het plangebied en de vijvers die hier liggen hebben echter allen een dikke laag bladeren op de bodem liggen en nauwelijks onderwatervegetatie, waardoor deze niet geschikt zijn als leefgebied voor de sierlijke witsnuitlibel. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Echter is de sierlijke witsnuitlibel in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen.
Bij werkzaamheden rond de ovalen vijver of de watergangen langs de Concourslaan, zoals het aanpassen van de berm of oever of werkzaamheden aan de vijver of watergang zelf zoals (delen) dempen kunnen negatieve effecten op deze soort niet zomaar worden uitgesloten. Dit geldt ook voor betreding door bezoekers van deze gebieden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden die mogelijk de hierboven beschreven essentiële waarden aantasten of de mogelijkheid aanwezig is dat bezoekers de oevers van deze vijver en watergangen opzoeken, is nader onderzoek naar sierlijke witsnuitlibel noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek naar de sierlijke witsnuitlibel is in het kader van de Wet natuurbescherming mogelijk noodzakelijk indien de plannen de aanpassing van de Concourslaan omvatten.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 25
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als egel, haas, konijn, wezel, woelrat, dwergmuis, gewone bosspitsmuis en diverse andere algemene muizen, maar ook soorten als gewone pad en bruine kikker, oranjetipje en blauwe glazenmaker. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Samenvatting per gebiedsonderdeel Drafbaan - gebouwen: Vleermuizen, steenmarter, kerkuil, huismus Drafbaan - bomen: Vleermuizen, eekhoorn, ransuil, broedvogels Concourslaan: Vleermuizen, eekhoorn, buizerd, sierlijke witsnuitlibel, broedvogels Watergangen: Otter, ringslang, sierlijke witsnuitlibel Noodzakelijk onderzoek: otter, kerkuil, ringslang Voorwaardelijk onderzoek: vleermuizen, steenmarter, eekhoorn, huismus, ransuil, buizerd, sierlijke witsnuitlibel. Hieronder wordt per soort(groep) gespecificeerd wanneer er nader onderzoek noodzakelijk is. Nader onderzoek naar vleermuizen: voorwaardelijk De gebouwen op de drafbaan zijn, exclusief het juryhuisje en de entree, geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook een aantal bomen in en om het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en de Concourslaan is waarschijnlijk een belangrijke vliegroute voor een kraamverblijfplaats van rosse vleermuis. Indien er bomen gekapt worden, aanpassingen worden gedaan aan de gebouwen, de gebouwen worden gesloopt, er boxen aan de gebouwen worden gehangen of er verlichting wordt geplaatst of veranderd in het plangebied worden deze verblijfplaatsen mogelijk verstoord of vernietigd.
Nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied is dan noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen kan worden voorkomen door: • De gebouwen in de huidige staat te behouden. • Het gebruik van de gebouwen niet aan te passen. • Geen bomen te kappen. • Geen veranderingen aan te brengen in de verlichting in en om het plangebied. Indien slechts 1 van bovenstaande situaties aan de orde is dient er nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 26
Nader onderzoek naar otter noodzakelijk Het plangebied bevat geschikt leefgebied voor de otter en er zijn recente waarnemingen van de otter in de omgeving van het plangebied. Vanwege de gewenste exploitatie en de nabijheid van een mogelijke verblijfplaats tot het evenemententerrein dient nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door de otter uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar steenmarter: voorwaardelijk Het plangebied bevat geschikt leefgebied voor de steenmarter en er zijn in de stallen en onder de paardenboxen ruimtes gevonden waar potentieel verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Indien er aanpassingen aan de functie of de eigenlijke stallen en/of paardenboxen worden gedaan of deze gesloopt worden dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de steenmarter. Nader onderzoek naar steenmarter kan worden voorkomen door: • De stallen en paardenboxen in de huidige staat te behouden. • Het gebruik van de stallen en paardenboxen niet aan te passen. Indien slechts 1 van bovenstaande situaties aan de orde is dient er nader onderzoek naar steenmarter uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar eekhoorn: voorwaardelijk Er zijn nesten aangetroffen van eekhoorn in en om het plangebied. Indien er bomen gekapt worden dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de eekhoorn.
Nader onderzoek naar eekhoorn kan worden voorkomen door: • Geen bomen te kappen. Nader onderzoek naar kerkuil noodzakelijk In de stallen en de entree zijn sporen (braakballen en krijtsporen) aangetroffen van kerkuil. Gezien de locatie van de rustplaats in de entree dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de kerkuil. Indien de stallen worden aangepast of gesloopt is dit ook reden om nader onderzoek uit te voeren. Nader onderzoek naar huismus: voorwaardelijk Het plangebied bevat sporen (ontlasting) en geschikt leefgebied voor de huismus in de stallen. Indien er aanpassingen aan de functie of de eigenlijke stallen worden gedaan of deze gesloopt worden dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Nader onderzoek naar huismus kan worden voorkomen door: • De stallen en paardenboxen in de huidige staat te behouden. • Het gebruik van de stallen en paardenboxen niet aan te passen. Indien slechts 1 van bovenstaande situaties aan de orde is dient er nader onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar buizerd: voorwaardelijk Er is een potentieel nest van buizerd in de directe omgeving van het plangebied vastgesteld.
Indien de nestboom of bomen in de directe omgeving van het potentiële nest gekapt worden dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de buizerd.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 27
Nader onderzoek naar buizerd kan worden voorkomen door: • Niet de nestboom of bomen in de directe omgeving te kappen. Nader onderzoek naar ransuil: voorwaardelijk Er zijn bomen met potentiële nest- of rustplaatsen voor ransuil in het plangebied aanwezig, ook nabij een entree. Indien er bomen gekapt worden of de verlichting wordt aangepast dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied door de ransuil. Nader onderzoek naar ransuil kan worden voorkomen door: • Geen bomen te kappen. • Geen veranderingen aan te brengen in de verlichting in en om het plangebied. Indien slechts 1 van bovenstaande situaties aan de orde is dient er nader onderzoek naar ransuil uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar ringslang noodzakelijk Het plangebied bevat geschikt leefgebied voor de ringslang. Vanwege de gewenste exploitatie en de nabijheid van een mogelijke verblijfplaats tot het evenemententerrein dient nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door de ringslang uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar sierlijke witsnuitlibel: voorwaardelijk De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor sierlijke witsnuitlibel en de sierlijke witsnuitlibel is aangetroffen in de ovalen vijver ten zuiden van de Concourslaan en ten oosten van de drafbaan.
Indien er werkzaamheden aan de vijver of de watergangen langs de Concourslaan plaatsvinden, is nader onderzoek naar sierlijke witsnuitlibel noodzakelijk. Nader onderzoek naar sierlijke witsnuitlibel kan worden voorkomen door: • Geen werkzaamheden aan de watergangen langs de Concourslaan of de vijver. • Geen veranderingen aan te brengen in de berm op dezelfde locaties. • Geen veranderingen of werkzaamheden aan de oeverzones van deze watergangen en de vijver. • De bezoekers van de evenementen te weren van de oevers van de watergangen en de vijver. Indien slechts 1 van bovenstaande situaties aan de orde is dient er nader onderzoek naar sierlijke witsnuitlibel uitgevoerd te worden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen3 uit te voeren. Evenement-gerelateerde effecten De evenementen zelf zullen ook effecten hebben op aanwezige soorten, en zeker op broedgevallen.
Hier kan ten dele rekening mee worden gehouden in de inrichting van het gebied en de planning van de evenementen.
3 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een
broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 28
Het wordt geadviseerd om een gehele broedvogel kartering uit te voeren om een beter beeld te krijgen van de aanwezige broedvogels binnen het plangebied. Hierdoor kan later bij de inrichting ook rekening gehouden worden met aanwezige broedvogels. Er kunnen dan keuzes gemaakt worden in de indeling en het gebruik van het terrein en voorgesorteerd worden op de te nemen maatregelen bij het organiseren van evenementen. Gezien de afstand van het buizerdnest tot de Concourslaan en de mogelijke effecten van de bezoekersaantallen op een eventueel aanwezig buizerdnest wordt het aangeraden om met enige regelmaat (elke 3-4 jaar) het broedvogelonderzoek te herhalen. Dit geldt ook voor enige andere verstoringsgevoelige soorten met nest in de omgeving (op basis van het eerste broedvogelonderzoek ten behoeve van de inrichting) waarvan het wenselijk is dat deze soorten hier aanwezig blijven. Enige mogelijkheden en opties zullen pas inzichtelijk zijn na het uitvoeren van het broedvogelonderzoek en afhankelijk van de keuzes voor de inrichting van het terrein.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Dit is ook van toepassing op het houden van evenementen.
6.2 Bescherming gebieden Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen.
6.3 Bescherming houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom Boswet. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het onderdeel houtopstanden. Dit geldt echter niet voor de onderdelen gebiedenbescherming (stikstof) en soortenbescherming. Meer informatie over de ontwikkeling en de uit te voeren werkzaamheden en nader onderzoek naar de voorkomende beschermde soorten is noodzakelijk. Daarnaast dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels en wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin de maatregelen ten behoeve van tenminste de doelsoorten uit het GES zijn opgenomen.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 29
Voor het houden van evenementen kan geen ontheffing Wet natuurbescherming worden verleend. Enige effecten op beschermde soorten dienen voorkomen te worden en voor de overige soorten geldt de Zorgplicht. De aanbeveling is om met de provincie in gesprek te gaan om de mogelijkheden van een regeling in de trend van een generieke ontheffing of een soortenmanagementplan te verkennen. Daarnaast dient ook tijdens de evenementen rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels en wordt ook hiervoor geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin de maatregelen ten behoeve van tenminste de doelsoorten uit het GES zijn opgenomen. Dit zal waarschijnlijk ook een eis zijn vanuit de provincie.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 30
Literatuurlijst • •
• • •
• • • • • • • • •
•
•
•
Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, C. van, & Wynhoff, I. (2006). De dagvlinders van Nederland, Nederlandse fauna 7. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Gittenberger, E., Janssen, A. W., Kuijper, W. J., Kuiper, J. G. J., Meijer, T., Velde, G. van der, & Vries, J. N. de. (1998). De Nederlandse zoetwatermollusken: Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water, Nederlandse fauna 2. Utrecht/Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij, EIS Nederland & Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis. Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3.
Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2002). De Nederlandse libellen (odonata), - Nederlandse fauna 4. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertebrate Survey – Nederland. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertebrate Survey – Nederland. Evenementenprofiel Stadspark-Drafbaan, gemeente Groningen, 2016. Bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Kranenburg-Stadspark, de Drafbaan, 2017. Uitwerking doelsoortenbeleid Deelgebied West, Gemeente Groningen, 2006. Raadsvoorstel Toekomst evenemententerrein Drafbaan, B&W besluit d.d. 23 juni 2020. Berg, G.J., C.J.E. Brochard, J. van Goethem, A.J. Loonstra, G. Mulderij, W. Patberg, E. van der Ploeg, G.L. Verweij & G. Wolters. 2013. Monitoring in het kader van de Stedelijke Ecologische Structuur Groningen 2012: kerngebied Stadspark. Rapport 2012-056. Koeman en Bijkerk bv, Haren. Concept. Berg G.J., A.R. Balk, C.A. Bultstra, K.D. Jipping, R.E. Modderman, H.L. Schepp, G.L. Verweij. 2021. Monitoring in het kader van de Gemeentelijke Ecologische Structuur Groningen 2020. Kerngebied Stadspark + voorpark – 2e monitoring. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-191. Bureau Waardenburg, Haren. Ploeg, R. & D. van der Ploeg, 2020.
Ecologisch onderzoek Groningen, A7 Ringweg Zuid; Ecologische onderzoek naar beschermde soorten in het kader van de Wet Natuurbescherming. JMe-rapport R20.052 JM ecologie, Gorredijk. Berg G.J., A.R. Balk, C.A. Bultstra, K.D. Jipping, R.E. Modderman & H.L. Schepp. 2020. Monitoring in het kader van de Stedelijke Ecologische Structuur Groningen 2019. Kerngebied Stadspark (noordzijde) – 1e monitoring. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19-088. Bureau Waardenburg, Haren.
Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl www.ravon.nl www.libellennet.nl www.sovon.nl www.vogelbescherming.nl
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 31
-
www.vlinderstichting.nl www.vlindernet.nl www.nederlandsesoorten.nl www.eurobats.org www.verspreidingsatlas.nl https://geoportaal.provinciegroningen.nl/portal/ https://www.natura2000.nl/gebieden/groningen
Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 32
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 4. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
4
De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 33
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 34
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 35
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 36
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 37
Bijlage 2 Gemeentelijke ecologische structuur
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 38
Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 39
www.eelerwoude.nl