CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf

gemeenteraad 2 juni 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: a: Herijking visie Stadspark, Doorontwikkeling evenemententerrein Stadspark (raadsvoorstel 28-4-2021)13.033 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen

Opdrachtgever: Gemeente Groningen t.a.v. mevrouw M. Creemer Postbus 7081 9701 JB Groningen

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

201542 2-3-2021 Annelies Nieuwenhuis Annelies Nieuwenhuis Maaike Leenen Concept 2

© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................6

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................7

3

Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 10

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................10

3.2

Bescherming van soorten .....................................................................................................................10

3.3

Bescherming van gebieden ...................................................................................................................10

3.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................11

3.5

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................12

3.6

Gemeentelijk beleid..............................................................................................................................13

4

Methode.................................................................................................................................................... 14

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................14

4.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................14

4.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................14

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 15

5.1

Planten..................................................................................................................................................15

5.2

Zoogdieren ............................................................................................................................................15

5.2.1

Vleermuizen .................................................................................................................................15

5.2.2

Overige zoogdieren ......................................................................................................................18

5.3

Vogels ...................................................................................................................................................19

5.4

Reptielen...............................................................................................................................................22

5.5

Amfibieën .............................................................................................................................................23

5.6

Vissen ....................................................................................................................................................24

5.7

Ongewervelden ....................................................................................................................................24

6 6.1

Conclusie ................................................................................................................................................... 26 Beschermde soorten.............................................................................................................................26

6.1.1

Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ....................................................................26

6.1.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt ..................................................................26

6.1.3

Algemene zorgplicht ....................................................................................................................29

6.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................29

6.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................29 Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 3

6.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................29

6.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................29

6.6

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................30

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 33 Bijlage 2 Gemeentelijke ecologische structuur ..................................................................................................... 38

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Gemeente Groningen heeft de ambitie om de Drafbaan te Groningen door te ontwikkelen als evenemententerrein. De upgrade moet ervoor zorgen dat er adequaat grote evenementen (65.000 tot 75.000 bezoekers) gehouden kunnen worden. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk (zie Afbeelding 1 voor de ligging van het plangebied). Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten, zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in. Daarnaast is er een ecologische kansen en knelpunten analyse opgesteld, deze is als aparte notitie bijgevoegd (Nieuwenhuis, A., Ecologische kansen- en knelpunten analyse Door-ontwikkeling Stadspark Drafbaan te Groningen, d.d. 12 februari 2021).

Afbeelding 1 Ligging plangebied (rode cirkel) in de stad Groningen. Bron: 2021, Google Maps.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 5

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie

Afbeelding 2 Begrenzing plangebied (blauw omlijnd), met in rood de faunapassage ten zuidwesten van het plangebied. Bron: Berg, G.J., C.J.E. Brochard, J. van Goethem, A.J. Loonstra, G. Mulderij, W. Patberg, E. van der Ploeg, G.L. Verweij & G. Wolters. 2013. Monitoring in het kader van de Stedelijke Ecologische Structuur Groningen.

Het plangebied ligt in het zuidwesten van de stad Groningen (provincie Groningen). Het betreft de drafbaan in het Stadspark, in de kruising van de A7/N7 met de N370, en de Concourslaan vanaf de Paterswoldseweg tot aan de Laan 1940-1945 bij het Mercure Hotel Martiniplaza (zie Afbeelding 2, het plangebied ligt binnen de blauwe belijning). Noordelijk van het plangebied liggen Park Boulevard en het Natuurpark, beide onderdeel van het Stadspark, en nog verder noordelijk een bedrijventerrein; oostelijk en westelijk liggen woonwijken en zuidelijk liggen twee sportparken en het Piccardthof, een volkstuincomplex. Noordwestelijk van het plangebied ligt De Hege Vier-Verscholen, een fietspark. De drafbaan zelf ligt in het zuiden van het Stadspark, met direct aanliggend in het zuiden het gebouw van de Gasunie met parkeerplaats, westelijk het stadsparkpaviljoen (een restaurant) met achterliggende waterpartij en in de uiterste hoek een faunapassage, noordelijk het voetbalveld van SC Stadspark en het grootste deel van het Stadspark (inclusief heemtuin, hondenspeeltuin en kinderboerderij) en oostelijk de N370. De noordelijke arm van de Concourslaan loopt onder de N370 door tot aan de Paterswoldseweg zoals reeds aangegeven. De omliggende grond is ook parkachtig ingericht. De Concourslaan is, zoals de naam al aangeeft, een laan. Er is straatverlichting aanwezig.

De noordelijke zijde is recent ingeplant met jonge bomen (diameter 5 - 10 centimeter). De zuidelijke arm bestaat uit volwassen bomen. De bomen staan in een deels verruigd grasveld waar extensief maaibeheer op wordt toegepast. Aan de zuidzijde is er ook ondergroei aanwezig op veel plekken. De drafbaan zelf is deels verhard en er staan een aantal gebouwen langs de noordzijde (zie Afbeelding 6). Er is geen verlichting aanwezig. De buitenste ring betreft de drafbaan zelf. De binnenste ring is een geasfalteerde ring voor de jury-auto. Het overige terrein bestaat uit gazon (het binnenste veld is recent gedraineerd) met aan

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 6

de randen houtwallen en bomen/boomgroepen. Er zijn op verschillende plekken in/uitgangen aanwezig. Er loopt een watergang langs de noordzijde van het terrein en er liggen waterpartijen in de noord- en zuidoosthoek. Op de drafbaan zelf is geen (vaste) verlichting aanwezig, wel is er verlichting aanwezig rond de gebouwen. De gebouwen in het plangebied bestaan uit twee gebouwen, waar catering en VIP-ruimtes zijn gevestigd, een overkapping met entree/ticketverkoop, paardenstallen met een aantal verblijfsruimtes en bergruimtes voor jockeys en personeel en een jury-gebouwtje op het veld (zie Afbeelding 3-5 en 7-12). De drafbaan staat door middel van de watergang, waterpartijen en bomen in verbinding met het omliggende park (zie Afbeelding 13-18). Het park beschikt over een aantal water- en groenverbindingen naar de buiten het park gelegen groene structuren en er ligt een faunapassage in de zuidwesthoek van het Stadspark (zie ook Afbeelding 2). Op de benodigde locaties is hekwerk geplaatst. Er zijn echter ook vele plekken waar geen hekwerk staat, hier kunnen dieren het terrein op. Op veel plekken (buiten de drafbaan) hangen nestkasten aan de bomen. Het park is druk, met veel wandelaars, fietsers en ook gemotoriseerd verkeer.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De gemeente heeft de ambitie de drafbaan door te ontwikkelen naar een terrein waar grote evenementen zoals concerten van grote artiesten kunnen worden gehouden en waar ook gerecreëerd kan worden. Op het moment wordt er al wel een enkel groot evenement gehouden maar de indeling en inrichting van het terrein is hier niet optimaal voor. De ambitie is dan ook de inrichting aan te passen zodat er met zo weinig mogelijk aanpassingen grote concerten zoals van Rammstein gegeven kunnen worden. Voor de opbouw worden ook nog ongeveer twee dagen per evenement gerekend. Daarnaast moet dit allemaal zo min mogelijk impact hebben op het Stadspark zelf en de natuur die zich er (en in de omgeving) bevindt, zodat de inrichting van het terrein ook mogelijkheden kan bieden voor natuurwaarden. Vanwege de conceptuele status van de plannen zijn er nog geen concrete aanpassingen te noemen. Voor de toetsing zal dan ook uitgegaan worden van een ‘worst-case scenario’. De bomen langs de Concourslaan zullen behouden blijven. De ingangen naar het terrein worden mogelijk herzien en er worden mogelijk gebouwen gesloopt. Voor het worst-case scenario wordt dan ook uitgegaan van kap van bomen, sloop van gebouwen, dempen van (delen van) watergangen, bestraten van delen die nu groen zijn ingericht en het plaatsen van verlichting.

Afbeelding 3, 4 en 5 Impressie van de drafbaan en de gebouwen. Boven het zicht vanaf de zuidwestkant van de drafbaan. Linksonder de gebouwen voor de catering met in het midden de entree. Rechtsonder de stallen en bijgebouwen.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 7

Afbeelding 6 Luchtfoto van het plangebied (rood omlijnd). Goed te zien zijn de jonge aanplant langs de Concourslaan en de oudere beplanting langs de randen van de drafbaan. Bron: Google, 2021, Aerodata International Surveys, GeoContent, Maxar Technologies.

Afbeelding 7 - 10 Impressie van de stallen, met boven de bakstenen stallen met één van de grotere openingen voor vogels en vleermuizen en onder een aantal van de extra boxen met ruimte onder de box voor kleinere zoogdieren zoals steenmarter.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 8

Afbeelding 11 en 12 Vogelsporen in het entreegebouw en open stootvoegen en ventilatieopeningen in een cateringgebouw.

Afbeelding 13 en 14 Links de oever van de noordoostelijke watergang. Rechts een van de ingangen, een aantal bomen zijn zwaar begroeid met klimop.

Afbeelding 15 - 18 Voorbeelden van (mogelijke) verblijfplaatsen in bomen in en rond het plangebied: Links een holte in een boomstam, in het midden een eekhoornnest en rechts mogelijk een nest van een buizerd. Onder wegkruipmogelijkheden rond een gevallen boomstam overgroeid met braam.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 9

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 10

Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Leekstermeergebied’ (zie Afbeelding 19). De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen1. De stikstofdepositie dient in dit geval niet alleen voor de herindeling van het plangebied te worden berekend, maar ook voor zowel de activiteiten voor de opbouw van de evenementen als de stikstof die tijdens de evenementen wordt veroorzaakt door onder andere bezoekers, leveranciers en generatoren.

Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet.

Afbeelding 19 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bomen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: 1

Eelerwoude B.V. levert naast soortinhoudelijk advies ook andere zaken zoals AERIUS-berekeningen, passende beoordelingen, inrichtingsontwerpen, technische bestekken, beheersoplossingen, etc. Onze collega’s kunnen u op al deze vlakken van dienst zijn.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 11

• alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen.

Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied bomen gekapt. Het plangebied ligt echter binnen de grenzen van de ‘Bebouwde kom Boswet’. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk Nederland is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 12

andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken (geen) onderdeel uit van het NNN (zie Afbeelding 20). Het plangebied ligt op ongeveer 900 meter van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Afbeelding 20 Ligging plangebied ten opzichte van NNN.

3.6 Gemeentelijk beleid De gemeente Groningen heeft beleid opgesteld ten aanzien van de natuurwaarden in de gemeente en ook in het Stadspark. Zie Bijlage 2 voor de weergave van de Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES, voorheen Stedelijke Ecologische Structuur). Voor deze quickscan is vanwege de korte doorlooptijd besloten het gemeentelijk beleid buiten de toetsing te laten. Aangeraden wordt deze toetsing in een later stadium wel mee te nemen in het proces.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 13

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • Gemeentelijke Ecologische Structuur – monitoringsgegevens van het Stadspark.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Annelies Nieuwenhuis en Marcel van der Heide uitgevoerd, ecologisch adviseurs bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 15 januari 2021 bij 0°C, licht bewolkt weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Aanwezige holten zijn vanaf de grond gecontroleerd met een zaklamp. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 14

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen De gemeente heeft een Gemeentelijke Ecologische Structuur, waar ook doelsoorten voor zijn vastgesteld. De locaties worden met enige regelmaat gemonitord. Het Stadspark is één van die locaties. Tijdens de monitoring in 2020 zijn de soorten Grote Ratelaar, Pinksterbloem, Bosanemoon en Vingerhelmbloem in het plangebied aangetroffen. In 2012 zijn de Pinksterbloem en Wilde Kievitsbloem vastgesteld. Dit zijn voor het Stadspark aangewezen doelsoorten en dienen daardoor beschermd of in ieder geval in acht te worden genomen. Deze soorten vallen echter niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Veldbezoek en literatuurstudie Het plangebied bestaat voornamelijk uit gazon en verharding. De meer natuurlijke delen kenmerken zich door soorten van voedselrijke gronden en cultivars, bijvoorbeeld zomereik, berk, els, braam en brandnetel. Er zijn geen verspreidingsgegevens uit de omgeving van het plangebied bekend van beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (winter) en de inrichting (drafbaan met voornamelijk verharding en gazon) lag dit ook niet in de verwachting. Derhalve is op basis van een biotoopanalyse de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied bekeken.

Gelet op de aanwezige terreintypen (drafbaan, gazon en een laan met bomen), het beheer (intensief op de drafbaan, recentelijk extensief langs de Concourslaan) en de functie van het plangebied (drafbaan en evenemententerrein) is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen door de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop ook niet verwacht, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. In het plangebied zijn wel doelsoorten van de GES aangetroffen. Gezien de ambitie deze soorten te behouden is het verstandig hier rekening mee te houden bij de door-ontwikkeling van de drafbaan. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen volgens

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 15

verspreidingsgegevens de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Monitoring GES Groningen Al deze soorten behalve laatvlieger en gewone dwergvleermuis zijn ook doelsoorten van de ‘Gemeentelijke Ecologische Structuur’ Stadspark. De gewone grootoorvleermuis is als enige van deze soorten niet tijdens de monitoring waargenomen. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonend en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Gebouwen Het plangebied bevat een vijftal gebouwen. Het juryhuis en de overkapping van de entree zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen vanwege de bouwkundige eigenschappen. De entree bestaat voornamelijk uit een overkapping van staal en damwandprofiel. Er staat een laag gebouwtje van slechts 1 verdieping welke volledig gestuukt is. Er zijn daardoor geen openingen en omdat het gebouwtje onder de overkapping staat, is er geen daktrim die kan wijken. Het juryhuis is een constructie van staal, glas, kunststof beplating en damwandprofiel. Het gebouw heeft geen spouw en geen ondergrond waar een vleermuis houvast op kan vinden, behalve de beplating aan de onderzijde van de overstekken. Deze locatie is echter open (niet in een muur of een donkere ruimte) en er zijn geen openingen naar binnen, waardoor het gebouw ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De gebouwen voor de catering/VIP-ruimtes en de stallen zijn wel geschikt voor vleermuizen. De catering-gebouwen zijn grotendeels uit beton opgetrokken of ermee afgewerkt. Echter is bij beide gebouwen de noordgevel opgetrokken uit baksteen met open stootvoegen en ventilatievoegen. Hier kunnen vleermuizen de spouwmuur of de achterliggende ruimte in. De open stootvoegen maken gevels ook geschikt als grotere verblijfplaats zoals een kraam- of massawinterverblijfplaats.

In ieder geval een aantal open stootvoegen hebben voldoende ruimte om ook de grotere soorten vleermuizen als laatvlieger toegang te verschaffen.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 16

De stallen hebben enkel steense muren en zullen daardoor geen functie hebben als massawinterverblijfplaats. Echter wijkt de daktrim op verschillende plekken en zijn er openingen in de gevel (ramen zonder glas) en nabij de overgang naar het dak (veelal beschadigingen aan de bakstenen gevel), waardoor vleermuizen de stallen in kunnen vliegen en hier een verblijfplaats en eventueel foerageermogelijkheden kunnen vinden. Gewone grootoorvleermuis foerageert bijvoorbeeld vaak in stallen en verblijft hier ook, hangend aan het plafond. Aangezien het dak bestaat uit golfplaten en de dakbalken uit metaal is dit minder geschikt voor vleermuizen om aan te hangen, maar er zijn wel hier en daar spleten tussen de balken en de bakstenen gevel waar vleermuizen zouden kunnen wegkruipen. Vanwege de aanwezigheid van een aantal bomen met geschikte holtes in de buurt van de stallen kan aanwezigheid van gewone grootoorvleermuis niet worden uitgesloten. De houten afwerking aan de noordoostzijde van de stallen kiert bij de aansluiting met de bakstenen gevel, waardoor ook hier wegkruipmogelijkheden zijn. Bomen Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig welke vanwege de omvang en grootte geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Een aantal van deze bomen hebben ook geschikte holten, waar vleermuizen als ruige dwergvleermuis of rosse vleermuis in zouden kunnen verblijven.

Er zijn tijdens het veldbezoek in de vanaf de grond met een zaklamp te onderzoeken holten geen vleermuizen aangetroffen. Dit is echter een momentopname en geeft geen uitsluitsel of de bomen wel of niet als verblijfplaats gebruikt worden door het jaar heen. Buiten het plangebied is aan de westzijde een boom aanwezig welke een bekende kraamlocatie is van rosse vleermuis. De bomen langs de noordelijke arm van de Concourslaan zijn grotendeels recent aangeplant. Deze bomen zijn nog te jong en hebben te weinig omvang om holten te bevatten van voldoende grootte voor een geschikte verblijfplaats. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen vanwege de aanwezige waterpartijen en de afwisseling tussen open ruimtes en bomen (zie ook op de volgende pagina het kader – Foerageergebieden en vliegroutes voor uitleg van geschikte gebieden en structuren). Dit geldt dit niet alleen voor de buitenruimte maar ook voor de stallen aangezien deze vrij toegankelijk zijn. Ook de omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van waterpartijen, meer open ruimtes en bomen. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals bomenrijen, houtsingels en watergangen, welke als vliegroute kan dienen. Deze zijn binnen het gebied aanwezig langs de Concourslaan.

Gezien de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats van rosse vleermuis in de directe nabijheid van de Concourslaan dient de laan bijna zeker als vliegroute voor deze kraamgroep. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 17

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). In het plangebied zijn bomen aanwezig waar boombewonende vleermuizen gebruik van kunnen maken. De gebouwen en stallen kunnen door gebouwbewonende vleermuizen worden gebruikt om te verblijven. Indien de bebouwing wordt gesloopt of bomen worden gerooid zijn negatieve effecten op vleermuizen niet uit te sluiten en is nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen noodzakelijk. Daarnaast dient bij de herinrichting rekening gehouden te worden met eventueel te plaatsen verlichting, daar die effect kan hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook foerageermogelijkheden en vliegroutes kunnen aangetast worden door het plaatsen van verlichting.

Indien (extra) verlichting wordt aangebracht of huidige verlichting wordt aangepast, moet het verlichtingsplan worden voorgelegd aan een deskundig ecoloog om te beoordelen of sprake kan zijn van negatieve effecten. Indien deze niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is nader onderzoek noodzakelijk. Indien de toekomstige plannen één of meer van bovengenoemde situaties behelzen (de aanpassing of sloop van gebouwen, kap van bomen of het aanbrengen of aanpassen van verlichting), is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen noodzakelijk. Indien er geluidboxen worden gehangen aan gebouwen of bomen is nader onderzoek ook noodzakelijk in verband met de overdracht van trillingen. Aan de hand van dit nader onderzoek kan dan bepaald worden of een ontheffing in het kader van de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Conclusie: nader onderzoek is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen noodzakelijk indien de plannen de aanpassing of sloop van gebouwen, kap van bomen, aanpassen van verlichting of het ophangen van geluidsboxen aan bomen of gebouwen omvatten.

5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen Tijdens de monitoring zijn de soorten dwergmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, konijn, steenmarter, wezel en woelrat in het plangebied aangetroffen. Dit zijn voor het Stadspark aangewezen doelsoorten en dienen daardoor beschermd of in ieder geval in acht te worden genomen. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, haas, konijn, wezel, woelrat, dwergmuis, gewone bosspitsmuis en diverse andere algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals eekhoorn, steenmarter en otter, worden in het plangebied verwacht. Van de eekhoorn zijn een tweetal verblijfplaatsen in bomen in de omgeving vastgesteld. Omdat eekhoorn voldoende bomen (eigenlijk bos) in de omgeving van zijn verblijfplaats nodig heeft om in te kunnen foerageren zijn ook de omliggende bomen en bosschages belangrijk voor deze soort en maken deel uit

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 18

van het essentiële leefgebied. Voor de steenmarter is geschikt leefgebied voorhanden en zijn er ook mogelijkheden voor verblijfplaatsen bij de stallen, met name ook onder de paardenboxen ten oosten van de stallen. Het plangebied vormt ook geschikt leefgebied voor de otter, daar er watergangen en -partijen aanwezig zijn in en in de omgeving van het plangebied en omdat de randen van het plangebied bosschages betreffen met reliëf en andere schuilmogelijkheden. De oeverzones bieden daardoor in de huidige tijd (verminderde evenementen vanwege de corona pandemie) voldoende dekking en rust om als verblijfplaats te kunnen fungeren. Van de otter zijn ook verschillende waarnemingen bekend uit 2017 en 2018 in de directe omgeving van het plangebied: bij de Heemtuin in het noordwesten van het Stadspark en bij Martiniplaza. Er zijn tijdens het veldbezoek danwel geen sporen aangetroffen van steenmarter of otter, echter is het veldbezoek van de quickscan niet bedoeld en ook niet toereikend om aanwezigheid van deze soorten te kunnen uitsluiten. Gezien de geschiktheid van het plangebied en de waarnemingen van nog geen 5 jaar oud is het waarschijnlijk dat de otter in de omgeving van het plangebied voorkomt.

Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Dit vanwege eventuele uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van de inrichting van het terrein. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Groningen een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Ook het houden van evenementen kan negatieve effecten hebben op het gebruik van het terrein door soorten. Hier dient in de inrichtingsfase rekening mee gehouden te worden zodat effecten zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen of gemitigeerd. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor bovenstaande soorten, de soorten met een bescherming als, eekhoorn, steenmarter en otter geldt dat negatieve effecten niet zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn in het plangebied of de directe omgeving aangetroffen of kunnen niet worden uitgesloten. In de stallen en/of onder de paardenboxen kan steenmarter een verblijfplaats hebben. Indien er aanpassingen gedaan zullen worden aan de stallen of de paardenboxen of deze worden gesloopt/verwijderd, is nader onderzoek naar steenmarter noodzakelijk.

Er zijn twee nesten van eekhoorn aangetroffen in en in de directe omgeving van het plangebied. Aangezien eekhoorn voldoende bomen in de omgeving nodig heeft om van te kunnen leven, zijn niet alleen de nestbomen, maar ook de bosschages in de omgeving essentieel voor het behoud van de verblijfplaats. Indien er bomen gekapt gaan worden is nader onderzoek naar de eekhoorn noodzakelijk, dit is dus niet beperkt tot de reeds vastgestelde nestbomen. Gezien de leefwijze van de otter en de locaties van mogelijke verblijfplaatsen dient, onafhankelijk van of er wel of geen werkzaamheden in het leefgebied plaats gaan vinden, nader onderzoek uitgevoerd te worden vanwege de gewenste exploitatie van het terrein en de situering van het mogelijke leefgebied ten opzichte van het evenemententerrein. Het nader onderzoek moet aantonen wat de functie van het terrein is voor de otter en wat de effecten zijn van het evenement op dit leefgebied. Conclusie: nader onderzoek is in het kader van de Wet natuurbescherming voor otter noodzakelijk. Nader onderzoek is voor eekhoorn en steenmarter noodzakelijk indien de plannen de aanpassing of sloop van gebouwen of paardenboxen of de kap van bomen omvatten.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 19

dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Monitoring GES Groningen Tijdens de monitoring in 2020 zijn de soorten appelvink, ijsvogel en visdief in het plangebied aangetroffen. Dit zijn voor het Stadspark aangewezen doelsoorten en dienen daardoor beschermd of in ieder geval in acht te worden genomen. Jaarrond beschermde nesten In de entree van de drafbaan en in de stallen zijn sporen (braakballen en uitwerpselen) van kerkuil aangetroffen. Ook is er nestmateriaal aanwezig direct naast de locatie met braakballen in de entree. Uit overleg met de plaatselijke kerkuilenwerkgroep blijkt dat het nestmateriaal niet van de kerkuil is (persoonlijke mededeling op 20 januari 2021). Kerkuilen broeden voornamelijk in (stenen) bebouwing in gebieden met een kleinschalig karakter. Echter wordt het plangebied duidelijk gebruikt door een enkel dier als rustplaats. Een nest is dan vaak niet ver weg. Ook zijn er vogelsporen (poepsporen) aangetroffen in de stallen welke mogelijk van huismus zijn. Huismussen broeden vaak onder dakpannen, maar ook onder zonnepanelen of in stallen op de draagbalken van het dak. Huismussen hebben naast een nestlocatie ook struikgewas, water en zandige grond nodig in de directe omgeving van de nestlocatie. Deze elementen zijn in de huidige opzet aanwezig.

Daarnaast zijn er dagelijks waarnemingen van een buizerd in het Stadspark. Deze is ook waargenomen tijdens het veldbezoek. Buizerd broedt in bomen en nesten van bijvoorbeeld kraai. Er is één mogelijk geschikt nest gezien, echter valt deze buiten de begrenzing van het plangebied en is de buizerd niet op het nest gezien, waardoor het niet zeker is dat het nest een buizerdnest is. Verschillende bomen zijn zwaar begroeid met klimop. Een aantal van deze bomen staan nabij de noordelijke entree. Deze vormen een geschikte roest- en/of nestplaats voor ransuil. Dit was echter slecht te controleren, vanwege de dichte klimop. Er zijn geen waarnemingen bekend uit de NDFF in het Stadspark, maar de ransuil is wel een bekende verschijning in de stad zelf. Op het gebouw van de Gasunie is een slechtvalkenkast aanwezig (zie Afbeelding 21 op de volgende pagina). Deze is al een aantal jaren bezet. Het Stadspark heeft een functie als foerageergebied voor de slechtvalk, echter zal dit gezien de omliggende groene elementen en de actieradius van de slechtvalk (in het broedseizoen ongeveer 5 km) geen essentiële foerageerfunctie hebben. Door de locatie wordt de kast ook afgeschermd van het meeste geluid dat wordt geproduceerd in het park. Door de expositie draagt alleen geluid geproduceerd in het meest oostelijke gedeelte van de drafbaan mogelijk tot aan de kast.

Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied: bosuil, grote bonte specht, koolmees, houtduif, merel, zilvermeeuw, pimpelmees, boomklever, boomkruiper, staartmees, nijlgans, kraai en meerkoet. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Uit de NDFF zijn waarnemingen van bosuil bekend, echter kon er geen geschikte nestlocatie voor deze soort worden gevonden in het plangebied. De bosuil broedt in holtes in bomen. Vermoeden is dan ook dat de bosuil buiten het plangebied elders in het Stadspark een nest heeft.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 20

Afbeelding 21 Locatie van de slechtvalk-kast op het Gasuniegebouw (aangegeven met de rode ster en cirkel).

Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Kerkuil, slechtvalk, buizerd, ransuil en huismus vallen onder deze bescherming. De locatie van het nest van de slechtvalk is bekend. Nader onderzoek naar de slechtvalk is dan ook niet noodzakelijk. Indien er geluidsbronnen in het oostelijke gedeelte van de drafbaan worden gepland, dient hier een geluidsonderzoek naar de geluidsbelasting op de kast te worden uitgevoerd, waarbij een ecologisch expert wordt betrokken. Enige mogelijke verstoring is slechts te verwachten kort voor en in het broedseizoen, daar het geluid de slechtvalk mogelijk ervan weerhoudt in de kast te gaan broeden of (tijdens het broedseizoen) het zoekgebied voor prooien beperkt. Het potentiële nest van de buizerd ligt mogelijk binnen de invloed van de werkzaamheden. Indien er bomen worden gekapt in de directe omgeving van het nest kan dit verstorend werken. Daarnaast ligt de Concourslaan op ongeveer 45 meter van de potentiële nestlocatie. Dit is binnen de verstoringsafstand van de buizerd van 75 meter.

Het houden van evenementen in de vestigings- en broedperiode (ongeveer februari – juli) kan daardoor verstorend werken. Mogelijk gebruik van de bomen met klimop (ook nabij tenminste een van de entrees) door de ransuil en de stallen door huismus kan niet worden uitgesloten, op basis van het uitgevoerde veldbezoek. Indien er bomen met klimop worden gekapt is nader onderzoek naar de ransuil noodzakelijk. Gezien de locatie van sommige van de bomen met klimop vlak naast een entree is in dit geval ook onderzoek noodzakelijk indien deze entree voor gebruik tijdens de evenementen zal worden opengesteld. Voor huismus is het nader onderzoek alleen noodzakelijk indien er aanpassingen gedaan zullen worden aan de stallen of deze worden gesloopt/verwijderd of indien er aanpassingen worden gedaan aan de omgeving waardoor struiken, water of zandige ondergronden verdwijnen.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 21

Er is een rustplaats van de kerkuil vastgesteld binnen het plangebied in de stallen en de entree. Rustplaatsen van uilen vallen ook onder de bescherming van de Wet natuurbescherming aangezien het functioneel leefgebied betreft. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk, zeker gezien de locatie van de rustplaats in de entree zelf. Het nader onderzoek moet aantonen of er nog meer rust- of nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn en wat de effecten zijn van evenementen op dit leefgebied. Omdat uilen nachtelijk actief zijn kan het aanpassen of bijplaatsen van verlichting ook verstorend werken op aanwezige verblijfplaatsen van kerkuil of ransuil. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling.

De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 2. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: Nader onderzoek naar de kerkuil is noodzakelijk. Nader onderzoek naar ransuil, buizerd en huismus is noodzakelijk indien de plannen de aanpassing of sloop van gebouwen of kap van bomen omvatten. Bij de werkzaamheden dient verder rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen Er zijn geen reptielen waargenomen tijdens de monitoring en ook zijn er geen doelsoorten voor deze soortgroep vastgesteld. Veldbezoek en literatuurstudie Er zijn waarnemingen bekend van ringslang (persoonlijke mededeling stadsecoloog). De ringslang beweegt zich voornamelijk in het gebied ten zuiden van het plangebied, maar vanwege de watergangen en -partijen in het plangebied kan aanwezigheid hier niet worden uitgesloten. Er zijn geen (potentiële) broedhopen aangetroffen, dus voortplanting zal hier waarschijnlijk (nog) niet plaatsvinden. Echter zijn niet alle bosschages volledig overzien tijdens het veldbezoek en zijn er ook wegkruipmogelijkheden onder dood hout, waardoor aanwezigheid van een verblijfplaats van ringslang niet geheel is uit te sluiten. Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop (watergangen en -partijen met flauwe oevers, houtwallen, ruigten en bosschages met ondergroei) kan aanwezigheid van ringslang niet worden uitgesloten. Gezien de natuurlijke omgeving met veel water Negatieve effecten op ringslang kunnen dan ook niet worden uitgesloten indien er werkzaamheden plaatsvinden aan de bosschages en watergangen. Aangezien er nog weinig bekend is van de plannen, kan er voor nu nog weinig gezegd worden over de noodzaak tot onderzoek en/of ontheffing.

Ringslang is echter ook zeer trillingsgevoelig. Aangezien dit een grond- en watergebonden soort is, dient er vanwege de gewenste ontwikkeling (het houden van evenementen) nader onderzoek uitgevoerd te worden,

2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een

broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 22

onafhankelijk van of er aanpassingen gedaan worden aan de leefomgeving ten behoeve van het houden van de evenementen. Overwogen kan worden ringslang op te nemen in de doelsoortenlijst van de GES. Deze soort voegt ecologische waarde toe aan het Stadspark. Aangezien de soort niet giftig is, vormt hij geen bedreiging voor bezoekers. Conclusie: nader onderzoek is in het kader van de Wet natuurbescherming voor ringslang noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen Tijdens de monitoring in 2012 is de poelkikker net ten noorden van het plangebied aangetroffen. Dit is een voor het Stadspark aangewezen doelsoort en dient daardoor beschermd of in ieder geval in acht te worden genomen. Tijdens de monitoring in 2020 zijn alleen de soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander aangetroffen, maar niet de poelkikker. Deze soorten staan op de doelsoortenlijst als begeleidende soorten van de doelsoort poelkikker. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In en rond het plangebied zelf zijn waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt De poelkikker (ook onderdeel van de gemeentelijke doelsoorten) bevindt zich in de Heemtuin in het noordwesten van het Stadspark. Vanwege de aanwezige waterpartijen in het plangebied kan zijn aanwezigheid niet zomaar worden uitgesloten. Echter is de soort bij de monitoring in 2012 en 2020 niet aangetroffen in het plangebied. De poelkikker is een zon- en warmteminnende en kritische soort met een voorkeur voor onbeschaduwde stilstaande wateren met goed begroeide oevers in bijvoorbeeld bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden.

De watergangen in en direct om het plangebied heen zijn grotendeels beschaduwd of hebben weinig begroeiing langs de oever. Hierdoor is het plangebied en de directe omgeving ervan slechts matig geschikt als leefgebied voor de poelkikker. Kolonisatie van het plangebied of de directe omgeving is daardoor niet erg waarschijnlijk. Gezien de soort niet is aangetroffen in het plangebied tijdens de monitoring van 2012 en 2020, maar wel vlak erbuiten in 2012, kan aanwezigheid van de poelkikker in het plangebied worden uitgesloten. Overige beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de afwezigheid van geschikt habitat voor deze soorten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied en ze zijn ook niet waargenomen tijdens de monitoring in 2012 of 2020. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Demping van watergangen en werkzaamheden aan bosschages kunnen verstoring veroorzaken. Ook het verhogen van het aantal evenementen en eventuele betreding door bezoekers kan verstorend werken. De ingreep zal daardoor naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”.

Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Groningen een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld.

Doorontwikkelen Stadspark Drafbaan te Groningen | Eelerwoude | 23

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de uitgevoerde monitoring en de afwezigheid van geschikte biotopen worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Monitoring GES Groningen Vissen zijn geen onderdeel van de monitoring van het GES. Veldbezoek en literatuurstudie Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn watervoerende elementen in de vorm van watergangen en vijvers aanwezig. Deze zijn echter allen relatief schaduwrijk en op de plekken waar goed zicht was bleek dat er veel blad in lag. Dit zijn slechte condities voor beschermde vissoorten. Beschermde vissoorten leven voornamelijk in natuurlijke wateren, wateren met een weelderige onderwaterbegroeiing of wateren met een stenig substraat en worden daarom ook niet verwacht in het plangebied vanwege de afwezigheid van geschikt habitat voor deze soorten. Daarnaast zijn er ook geen verspreidingsgegevens bekend uit de omgeving van het plangebied van beschermde vissoorten. De watergangen in en om het plangebied staan mogelijk wel in contact met de watergangen ten noorden en westen van Groningen. Hier is bijvoorbeeld kleine modderkruiper waargenomen. Deze soort is echter niet beschermd. Effecten en ontheffing Beschermde vissen kunnen op basis van de afwezigheid van geschikte biotopen worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4076/documents/61842