CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 gebiedsgericht omgevingsprogramma.pdf

gemeenteraad 18 februari 2026, gemeente GroningenBij agendapunt: 5e: Travertijnstraat - vervangen gebiedsgerichte criteria Welstandsnota (raadsvoorstel 14-1-26)16.856 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6. straat- en bebouwingsbeeld. 2. overig onderwijs; 3. werkruimtes ten behoeve van kunst; 4. een bibliotheek, een wijk- en buurtcentrum en naar de aard daarmee te vergelijken activiteiten; 5. kunstzinnige en culturele activiteiten waaronder wordt verstaan: a. het opvoeren van voorstellingen in gebouwen, niet zijnde een bioscoop; b. het gebruik als oefenruimte voor culturele en kunstzinnige activiteiten.

Beschermd wonen 1. Binnen het gebied ‘beschermd wonen’ is het toegestaan om de gronden te gebruiken voor beschermd wonen. 2. Binnen het gebied ‘beschermd wonen – maximaal aantal woningen’ is het aantal woningen weergegeven op de kaart. 3. Binnen het gebied ‘beschermd wonen’ is de zorgaanbieder eigenaar of huurder van de accommodatie waarin hij zorg verleend.

Commerciële functies 1. Binnen het gebied ‘commerciële functies’ is het alleen toegestaan om de gronden te gebruiken voor zakelijke dienstverlening, commerciële dienstverlening en persoonlijke dienstverlening. 2. Het gebruik ten behoeven van commerciële functies mag alleen plaatsvinden op de aangegeven bouwlaag.

Broedplaats Binnen het gebied ‘broedplaats’ is het toegestaan om de gronden te gebruiken voor activiteiten die betrekking hebben op: 1. midden- en klein bedrijvigheid; a. ook bedrijfsactiviteiten die niet onder de reikwijdte vallen van het begrip midden- en klein bedrijvigheid’ zijn mogelijk als deze bedrijfsactiviteiten voldoen aan de volgende voorwaarden: i. de bedrijfsactiviteiten vallen onder milieucategorie 1 tot en met 3.1 van bijlage X Lijst van Bedrijfstypen 2009; ii. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de: 1. milieusituatie (geur, geluid en stof); 2. woonsituatie in de directe omgeving; 3. gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 4. verkeerskundige situatie, waaronder in ieder geval begrepen de verkeersaantrekkende werking; 5. sociale veiligheid;

Ondergeschikte horeca In het gebied ‘Ondergeschikte horeca’ is het gebruik ondergeschikte horeca toegestaan. Gebiedsondersteunende horeca In het gebied ‘Gebiedsondersteunende horeca’ is het gebruik gebiedsondersteunende horeca toegestaan. Overige medische activiteiten Binnen het gebied ‘Overige medische activiteiten’ is het toegestaan om de gronden te gebruiken voor overige medische activiteiten, hieronder wordt in ieder geval begrepen: 1. huisartsen 2. tandartsen 3. diëtisten 4. fysiotherapeuten 5. en ander daarmee te gelijk te stellen overige medische activiteiten. 25

Openbare ruimte Binnen het gebied 'openbare ruimte' is het toegestaan om de gronden te gebruiken voor groen, fiets- en voetpaden. 3.3.3 Bouwregels Hoofdgebouwen 1. Alle hoofdgebouwen staan in het gebied ‘hoofdgebouwen’; 2. In het gebied ‘bouwhoogte-hoofdgebouw-maximum’ is een hoofdgebouw niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte. a. Ondergeschikte bouwdelen zijn toegestaan naast reikwijdte van de bovenstaande leden. 3. De lijn in het gebied ‘voorgevelrooilijn’ geeft aan waar de voorgevelrooilijn ligt. a. De voorgevel van een woning mag in het gebied ‘voorgevelrooilijn’ maximaal 8 meter terug liggen ten opzichte van de voorgevelrooilijn; b. De voorgevelrooilijn mag worden onderbroken door balkons vanaf de derde bouwlaag. 4. De bouwblokken binnen het gebied ‘Travertijnstraat – fase 1’ hebben minimaal twee doorgangen. a. De doorgangen zijn minimaal 4 meter breed en maximaal 6 meter breed. Extra toevoegen Boven de doorgangen mag geen bebouwing zitten; b. Als de doorgangen worden afgesloten met een hek ligt de hek 0,50 meter terug ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Dit hek is niet hoger dan 3,5 meter. 5. Alle bouwwerken met een dak staan in het gebied ‘bouwwerken met een dak’; 6. In het gebied ‘bouwhoogte-bouwwerken met een dak-maximum’ is een bouwwerk met een dak niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte; 7.

In het gebied ‘breedte-bouwwerken met een dak-maximum’ is een bouwwerk met een dak minimaal 11 meter breed; 8. De toegang van een gebouw ten behoeve van de functie parkeren heeft een minimale doorgang van 3 meter breed; 9. De gevel van een gebouw ten behoeve van de functie parkeren is minimaal 4,5 meter hoog. 26

4. MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

4.2

De opgaven voor de gebiedsontwikkeling Travertijnstraat die in dit programma zijn geformuleerd zijn op hoofdlijnen getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten. Op deze wijze is de uitvoerbaarheid van de opgave in beeld gebracht en is scherp gemaakt welke aspecten in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure (Bopa) voor de betreffende planfase nog nader onderzoek behoeven om te kunnen aantonen dat er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal).

4.1

Geluid

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. De te realiseren woningen betreffen geluidgevoelige gebouwen. Deze dienen te worden beschermd tegen de geluidhinder afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen en overige geluidbelastende activiteiten. Geluid door wegen en spoorwegen Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van meerdere wegen. Middels het in bijlage 4 opgenomen akoestisch onderzoek is de geluidbelasting afkomstig van deze wegen inzichtelijk gemaakt.

Milieueffectrapport

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) kan worden bepaald of een project mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. Indien een programma wordt opgesteld dat een kader vormt voor project-mer-(beoordelings)plichtige projecten, dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Als een programma wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau, het plan een kleine wijziging mogelijk maakt of als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow).

Het geluid door wegen bedraagt hoogstens 56 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl, wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB Lden uit het Bkl. Er wordt opgemerkt dat de standaardwaarde enkel wordt overschreden op de oostgevel van bouwvlak D. Op de overige bouwvlakken wordt voldaan aan de standaardwaarde. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 56 dB. Er is een gevelwering van minimaal 56-33 = 23 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Voorliggende ontwikkeling is niet als mer-plichtige activiteit opgenomen in bijlage V van het Ob. Voor woningbouwprojecten van deze grootte geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een rapportage van deze beoordeling is opgenomen in bijlage 3. Uit de m.e.r.beoordeling blijkt dat het plan, en daarmee de toekomstig te verlenen Bopa’s, geen significante nadelige gevolgen voor het milieu met zich meebrengt.

Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

Conclusie Er worden geen significante nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het project is niet project mer-plichtig. Bij de Bopa kan worden volstaan met een mer-beoordeling.

Geluid door industrieterreinen Het plangebied ligt in de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Groningen-west-Hoogkerk. Alle geluidgevoelige 27

gebouwen in dit gebied hebben of krijgen een hogere waarde van 55 dB(A). Voor gezoneerde industrieterreinen geldt nog de Wet geluidhinder omdat de gezoneerde industrieterreinen nog niet zijn omgezet naar regels in het omgevingsplan. Een akoestisch onderzoek naar de geluidhinder van dit industrieterrein zal worden uitgevoerd ten tijde van de Bopa aanvragen.

grondwater komen overschrijdingen voor van arseen; dit betreft naar verwachting natuurlijke achtergrondconcentraties en geen antropogene verontreiniging. Asbest Uit het onderzoek is gebleken dat op twee plaatsen asbest is aangetroffen. Dit geldt voor de grond ter plaatse van het braakliggende terrein aan de Travertijnstraat en de grond onder de asfaltverharding ter plaatse van het fietsdepot. Hierbij overschrijdt enkel het monster ter plaatse van het fietsdepot (onder het asfalt) het criterium voor nader onderzoek.

Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Voor de beoordeling van geluidhinder van overige geluidbelastende activiteiten wordt verwezen naar paragraaf 4.9. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid’ is sprake van een evenwichtige toedeling aan functies aan locaties, mits bij de technische bouwactiviteit wordt aangetoond dat aan de binnenwaarde van 33 dB wordt voldaan.

4.3

Aanbevolen wordt om, op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld als de asfaltverharding wordt verwijderd) een nader onderzoek middels een sleuf uit te oeren en de verdachte laag te analyseren op asbest in grond in de fractie 0,5 – 20 mm en aanvullend op de fractie <0,5 mm middels een SEM analyse.

Bodem en grondwater

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik, is een verkennend bodem- en verhardingenonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd. Deze is in bijlage 5 opgenomen.

Conclusie Na het uitvoeren van het aanvullend asbestonderzoek en het nemen van de benodigde sanerende maatregelen, wordt de bodemkwaliteit geschikt geacht voor het beoogde gebruik van wonen.

Bodem Uit het bodemonderzoek blijkt dat over het algemeen geen interventiewaarde-overschrijdingen zijn aangetroffen. Uitzondering vormt een beperkte verontreiniging met PCB in de bovengrond (circa 15 m³) bij het Noorderpoortcollege aan de Diamantlaan, waarschijnlijk ontstaan vóór 1987 bij de ontwikkeling van het gebied. Verder zijn in vrijwel het gehele plangebied verhoogde PFASgehalten gemeten, maar zonder overschrijding van toepassingsnormen of INEV-waarden. De hoogste gehalten (klasse industrie) zijn gevonden bij het BAM-opslagterrein en de omliggende groenstrook.

4.4

Onder- en bovengrondse infrastructuur

4.5

Luchtkwaliteit

In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen of hoogspanningsverbindingen met effecten op de leefkwaliteit van de toekomstige bewoners. Het plan leidt dan ook niet tot een aantasting van de werking van dergelijke infrastructurele voorzieningen. In paragraaf 4.7 wordt uiteengezet dat het plangebied wel binnen de risicocontouren van een buisleiding ligt, en wat de eventuele gevolgen hiervan zijn.

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit

De bodemkwaliteit is overwegend landbouw/natuur, met lokaal classificaties wonen, industrie, matig of sterk verontreinigd. In het 28

is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Er bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen locaties waar agrarische activiteiten met een geuremissie plaatsvinden. Voor de beoordeling van de geurhinder van overige activiteiten, waaronder die ter plaatse van de bedrijventerrein ‘Hoendiep’, ‘Ruskenveen’ en de ‘Suikerzijde’, wordt verwezen naar paragraaf 4.9.

Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •

4.7

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Aan de hand van de risicokaart zijn de risico’s ten aanzien van externe veiligheid inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 4.1 is te zien dat het plangebied zich deels bevindt binnen de PR 10-8 contour en het brandaandachtsgebied van een buisleiding.

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er met de realisatie van maximaal 300 woningen zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging. De luchtkwaliteit is daarnaast is geschikt voor het beoogde gebruik (wonen).

4.6

Geur

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Activiteiten waarvoor regels gelden ter bescherming van geurgevoelige gebouwen zijn onder andere het Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

29

Om de veiligheidsrisico’s ten aanzien van deze risicobron in te schatten is een notitie omgevingsveiligheid opgesteld, die is opgenomen in bijlage 6. Hierin is weergegeven hoe op verantwoorde wijze met het groepsrisico kan worden omgegaan. Binnen het plangebied wordt de functie beschermd wonen toegestaan. Het beschermd wonen wordt toegestaan binnen fase 1, deze ligt geheel buiten de PR 10-8 contour en het brandaandachtsgebied van de betreffende buisleiding. Het nemen van aanvullende maatregelen is daardoor niet noodzakelijk.

Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor. De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich circa 700 meter ten oosten van het plangebied.

De Veiligheidsregio Groningen (hierna: VRG) is betrokken om aandacht te besteden aan aspecten zoals brandveiligheid, bereikbaarheid voor hulpdiensten, risico’s van nabijgelegen (risicovolle) inrichtingen of infrastructuur, en de zelfredzaamheid van bewoners. De veiligheidsregio Groningen adviseert om verminderd zelfredzamen explicatie uit te sluiten in het plangebied, dit zodat in de toekomst er geen verminderd zelfredzamen worden geplaatst binnen het brandaandachtsgebied. Hier houdt het plan zoals gezegd rekening mee, aangezien de woonfunctie binnen fase 2 uitsluitend voorziet in zelfredzame personen.

4.9

Conclusie Bij de realisatie van de woningen is er geen belemmering ten aanzien van trillingen.

In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Ow is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.

Conclusie Bij de Bopa voor de bouwactiviteit voor de Travertijnstraat 12 zullen de bouwkundige eisen in verband met externe veiligheid verder worden verwerkt.

4.8

Milieuzonering

Om eventuele hinder van omliggende activiteiten te beoordelen in het kader van geluid- en geurhinder, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009.

Trillinghinder

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan optreden doordat er sprake is van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels.

Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij

Woningen zijn aangewezen als trillingsgevoelige gebouwen. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de 30

bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In voorliggend geval ligt het plangebied aan de rand van Vinkhuizen, waar woon-, maatschappelijke en sportactiviteiten worden uitgeoefend. In dit geval kan daarom worden uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Hieronder worden de richtafstanden gegeven. Milieucategorie

Richtafstanden tot rustige woonwijk

Richtafstanden tot gemengd gebied

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Hiermee is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van nabijgelegen milieugevoelige functies. Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De te realiseren woningen betreffen milieugevoelige functies. Hierom is een inventarisatie verricht naar de milieuhinderlijke activiteiten die zich in de omgeving van het plangebied bevinden. In onderstaande tabel zijn de relevante activiteiten met de bijbehorende milieucategorie, aan te houden richtafstand in het gemengd gebied en de daadwerkelijke afstand opgenomen.

Situatie plangebied Bij het realiseren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een onaanvaardbare situatie, vanuit hinder of gevaar bezien. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Functie

Milieucategorie

Richtafstand

Daadwerkelijke afstand

Maatschappelijk Campus Augustinus Veldsportcomplex Bedrijventerrein Hoendiep Bedrijventerrein Ruskenveen Crematorium Bedrijventerrein Suikerzijde Bedrijventerrein Suikerzijde

1

0 meter (geluid)

20 meter

3.1 2

30 meter (geluid) 30 meter (geluid)

70 meter 95 meter

3.2

50 meter (geluid)

270 meter

3.2 3.2

50 meter (geur) 50 meter (geluid en geur) 100 meter (geluid en geur)

350 meter 115 meter

4.1

480 meter

Aangezien ruimschoots aan alle richtafstanden wordt voldaan, wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de in de omgeving voorkomende milieubelastende functies niet (onevenredig) in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

De functie wonen betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Verder voorziet het voornemen in werkfuncties in de plinten en/of ondergeschikte werkfuncties in combinaties met wonen, zoals een kantoor aan huis. Dit zijn kleinschalige bedrijfsactiviteiten die goed verenigbaar zijn met woningbouw.

Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

31

4.10 Lichthinder

en het ‘Zuidlaardermeergebied’ op circa 9 kilometer afstand. Beide Natura 2000 gebieden zijn niet gevoelig voor overbelasting door stikstof. Daarnaast ligt het ‘Drentsche Aa-gebied’ op meer dan 11 kilometer afstand van het plangebied, dit gebied is wel gevoelig voor overbelasting door stikstof. In afbeelding 4.2 is de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden opgenomen. Gelet op de ruime afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is op basis van de uitgangspunten van dit omgevingsprogramma een onderzoek stikstofdepositie (AERIUSberekening) uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 7.

4.11 Windhinder

Uit de uitgevoerde berekeningen is gebleken dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ten tijde van de aanvraag Bopa zal een actuele stikstofberekening worden uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van te vergunnen project te beoordelen. Op voorhand kan echter worden geconcludeerd dat hierin geen onoverkomelijke belemmeringen in worden verwacht.

Met het oog op het beperken van lichthinder zijn in artikel 32.320 van het omgevingsplan6 regels gesteld over het gebruik van kunstlicht bij sportactiviteiten. Zo dient de verlichting tussen 23.00 uur en 07.00 uur uitgeschakeld te zijn. Ook wanneer er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd dient de verlichting uitgeschakeld te zijn. Hiermee worden de te realiseren woningen in het plangebied naar verwachting in voldoende mate beschermd. Mogelijk moet dit aspect in het kader van de Bopa aanvraag voor fase 3 nader worden onderzocht, vanwege de ligging van het plangebied op circa 55 meter ten westen van de voetbalvelden van sportvereniging Lycurgus.

Windhinder treedt op rond hoge gebouwen. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Aan de hand van de NEN 8100 norm kan het windklimaat worden beoordeeld. De NEN 8100 norm adviseert onderzoek naar windhinder bij gebouwen met een bouwhoogte van 30 meter of hoger. Dit omgevingsprogramma gaat uit van een gevarieerd bouwprogramma met hoogteaccenten in de appartementenblokken, waarbij de maximale bouwhoogte 17,5 meter zal bedragen. In combinatie met de compacte opzet van het plan kan windhinder op voorhand worden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is uitgewerkt in de provinciale omgevingsvisies en -verordeningen. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het NNN hoort, bevindt zich op circa 2,1 kilometer ten noordwesten van het plangebied, zoals is te zien op afbeelding 4.2. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.

4.12 Ecologie 4.12.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. De meest dichtbijgelegen Natura 2000 gebieden zijn het ‘Leekstermeergebied’ op circa 3 kilometer afstand 6

Omgevingsplan gemeente Groningen, versie /akn/nl/act/gm0014/2020/omgevingsplan/nld@2024-09-30;2

32

Gemeentelijke ecologische structuur De Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES) is een plan van de gemeente Groningen om planten en dieren te beschermen. In de GES zijn groene en waterrijke gebieden met elkaar verbonden zodat planten en dieren zich vrij kunnen bewegen en ontwikkelen. Het plangebied wordt omzoomd door gronden die vallen onder de GES. Groen wordt ruimtelijk én programmatisch ingezet en gaat als identiteitsdrager voor de Travertijn fungeren. Ecologisch groen, volwassen bomen en struweel bevinden zich aan de randen en is onderdeel van de stedelijk ecologische structuur. Publiek groen voor ontmoeting wordt in het middengebied gerealiseerd en binnen de bouwvelden zijn collectieve- en private tuinen. Met de beoogde inrichting wordt verbinding met het omliggende GES gemaakt. 4.12.2 Soortenbescherming Eén van de opgaven binnen de stedenbouwkundige opzet is het rekening houden met de aanwezigheid van (beschermde) soorten. Door ecologische onderzoeken moet de geschiktheid van het plangebied voor (beschermd) soorten onderzocht worden. Dit is beoordeeld aan de hand van de in bijlage 8 opgenomen quickscan flora en fauna.

Op basis van voorgaand onderzoek kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied vaste rust- en/of verblijfplaatsen en voortplantingshabitat aanwezig zijn van eekhoorn, haas, kleine marterachtigen (hermelijn en bunzing), jaarrond beschermde nesten, grote vos, vleermuizen en steenmarter. In bijlage 9 is het nader onderzoek naar deze soorten opgenomen, met uitzondering van vleermuizen en steenmarter. Conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen en steenmarter zal moeten uitwijzen of een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit is benodigd. Dit zal in het kader van de Bopa’s worden uitgevoerd. Voor de overige soorten is geen omgevingsvergunning benodigd. Afbeelding 4.2: Ligging t.o.v. Natura 2000 (boven) en het NNN (onder)

33

van het opgaand groen is meegenomen. De BEA is opgenomen in bijlage 10 van dit omgevingsprogramma. In afbeelding 4.3 zijn de geïnventariseerde bomen weergegeven.

4.13 Klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie loopt als een rode draad door het plan. Het plangebied is in de huidige situatie gevoelig voor wateroverlast bij hevige piekbuien, zo is gebleken uit de stresstesten. Dat komt door de grote hoeveelheid verharding in combinatie met de relatief lage ligging. Het ontstenen is daarmee een concrete opgave voor dit gebied. Via het vergroenen van het plangebied en het voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen, uitgaande van het vertraagd afvoeren van hemelwater, wordt ingezet op een klimaatrobuuste woonwijk. Hittestress wordt daarnaast tegengegaan door het zoveel mogelijk behouden van de bestaande bomen en houtopstanden, de versterking van de bestaande groenstructuren en het bieden van voldoende schaduwmogelijkheden. De te realiseren bebouwing wordt waar mogelijk natuurinclusief met groene gevels en groene daken gerealiseerd om de omgeving te verkoelen. Conclusie Bij het verlenen van de omgevingsvergunningen buitenplanse omgevingsplanactiviteit -welstand7 wordt hier conform het gemeentelijk beleid nader invulling aan gegeven.

4.14 Groen

Afbeelding 4.3: Situering plangebied (rode omlijning). De groene stippen zijn individueel opgenomen bomen (Bron: Terra Nostra)

De Travertijn is onderdeel van de groene rand rondom Vinkhuizen, met een eigen ruimtelijke en functionele opzet. Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat het gebied een verbindende schakel tussen de stad en Westpark vormt. De oost-west fietsroute wordt versterkt en de Diamantlaan krijgt een sterker gezicht als straat met maatschappelijke functies. De bestaande groenstructuren in oostwest richting worden versterkt. Het groen wordt ruimtelijk én programmatisch op drie schaalniveaus ingezet en gaat als identiteitsdrager voor de Travertijn fungeren.

Het is de ambitie om bomen en groenopstanden van waarde en met goede levensverwachting maximaal in te passen in het plan voor herontwikkeling. Dit vertaalt zich concreet in het feit dat de positie en plaatsing van de verschillende woonblokken mede is bepaald door de positie van de bestaande bomen. Op die manier worden de behoudenswaardige bestaande bomen behouden en wordt een centraal park gecreëerd dat fungeert als ecologische zone waar het aantal bestaande bomen kan worden uitgebreid.

Het plan houdt rekening met de bestaande bomen en houtopstanden. Alle bomen en houtopstanden in en om de Travertijnstraat zijn met een Boomeffectanalyse (BEA) geïnventariseerd, waarbij ook de gezondheid en levensverwachting

Conclusie Het plan houdt rekening met bestaande bomen en houtopstanden. Deze zijn geïnventariseerd via een BEA. In het kader van de nadere

7

Hiermee wordt gedoeld op het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit: de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

34

uitwerking in de Bopa’s kan het noodzakelijk zijn dat bomen of houtopstanden verwijderd of verplaatst moeten worden. Als hiervoor een kapvergunning noodzakelijk is, zal hiervoor een vastgestelde BEA worden aangeleverd.

4.15 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. In de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Groningen zijn archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden opgenomen. De Travertijnstraat maakt onderdeel uit van het stedenbouwkundig ensemble van de naoorlogse stedenbouw. In de jaren zestig van de twintigste eeuw werden aan de noordwestkant van de stad Groningen grootschalige stadsuitbreidingen gepland, om een sterk groeiende bevolking te huisvesten. Hieronder het zelfvoorzienende stadsdeel Vinkhuizen, met woningblokken in ‘stempelbouw’, hoogbouw aan de rand en uitgebreide voorzieningen op een centrale plek.

Afbeelding 4.4: Plan- en onderzoeksgebied ten opzichte van de archeologische zones (CWK Groningen)

Cultuurhistorie Onderdeel van de uitvoering van het omgevingsprogramma is het behoud van de voormalige Vinkenborgh. Deze is onder architectuur gebouwd in de periode van 1974-’76 naar ontwerp van P.A. Schumacher als onderdeel van een zelfvoorzienend nieuw Gronings stadsdeel Vinkhuizen. In zijn karakteristieke structuralistische bouwstijl en ruime opzet sluit dit gebouw aan op deze wijk en vormt een bijzonder gebouw van haar tijd. Onderzocht is op welke wijze tot behoud van het erfgoed kan worden gekomen door transformatie van het bestaande gebouw naar wonen met daarin kansen voor werkplekken voor zelfstandigen en creatievelingen. De waarden van dit gebouw zijn vroegtijdig in beeld gebracht middels een bouw- en cultuurhistorische quickscan naar de waarden van dit gebouw.

Archeologie Het plangebied ligt voor een klein deel binnen de zone voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen, zoals is te zien in afbeelding 4.4. Ter plaatse van dit deel van het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.

35

De aanwezigheid van de school, met zwembad, vormt een waardevol onderdeel van de oorspronkelijke wijk Vinkhuizen, en is stedenbouwkundig - en sociaalhistorisch van belang. De Vinkenborgh is zowel architectonisch als stedenbouwkundig het meest markante en in veel aspecten het meest waardevolle gebouw in zijn directe omgeving. Het is één van de weinige gebouwen in deze omgeving die als karakteristiek object is aangewezen. Vanuit de gebruikshistorie vormt De Vinkenborgh een begrip bij alle oudleerlingen en bij de inwoners van Vinkhuizen.

icoon van Vinkhuizen zuid worden. Enerzijds door creatieve, maatschappelijke en educatieve functies een onderkomen te bieden, maar anderzijds ook door de bijzondere uitstraling met graffiti. Ook qua duurzaamheid is dit in kader van hergebruik, besparing materialen en beperking CO2 een logische stap. De Vinkenborgh kent een bijzondere ensemble waarde en als structuralistisch gebouw ook een architectonische waarde. Conclusie Voor het aanvragen van de omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. De cultuurhistorische waarden van De Vinkenborgh moeten bewaard blijven en bieden kansen voor bijzondere woonvormen met een bijzondere uitstraling.

Architectonisch heeft het gebouw een zeer hoge kwaliteit en architectuurhistorisch is het een schoolvoorbeeld van het structuralisme. Duidelijk herkenbaar is het orthogonale betonskelet, ingevuld met in betonsteen gemetselde (kop)gevels en brede glaspuien met roedenverdeling. Binnen de structuur is veel repetitie en in het ontwerp zijn veel spiegelassen. Door het aaneenrijgen en stapelen van vierkanten ontstaat beschutting rond het centrale schoolplein, en langs de buitenzijde in semi-beschutte hoven.

4.16 Water

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen.

Als in vrijwel originele staat bewaard gebleven schoolcomplex uit de jongste generatie monumentale naoorlogse gebouwen, heeft De Vinkenborgh een zeer hoge bouwhistorische waarde. De modulaire opbouw en de materialisering uit in het werk gestorte beton, betonsteen, staal en plaatmateriaal is typisch voor de bouwtijd, evenals de afwerking in schoonmetselwerk, gres-tegeltjes en marmoleum. De verwerking van het in het werk gestorte beton refereert aan het Brutalisme. Een zorgvuldige bekisting heeft lattenpatronen in horizontale en verticale richtingen gecreëerd, en afgeschuinde hoeken. Dit bepaalt mede de robuuste uitstraling van het gebouw.

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • •

De studie8 naar de bouw- en cultuurhistorische kwaliteiten laat zien dat het behoud van de bouwstructuur en gevels gepast is, naast een respectvolle aanpak van het interieur. De Vinkenborgh is het waard om te worden gekoesterd. De beoogde transformatie biedt kansen om bijzondere woonvormen te vormen. De gymzalen kunnen het

•

8

Suzanne Fischer (september 2022). Quickscan bouw- en cultuurhistorie De Vinkenborgh. Travertijnstraat 12 Groningen.

36

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Momenteel komt in delen van de Travertijnstraat water op straat bij hevige buien. Dat is inzichtelijk gemaakt aan de hand van de Klimaatstresstest. Ter plaatse van de Travertijnstraat komt dat omdat zich daar nog een gemengd rioolstelsel bevindt, er relatief veel verharding aanwezig is en weinig mogelijkheid om regenwater naar groen of water af te voeren.

worden de hiervoor de hiervoor beschreven waarden nog meer zichtbaar door deze te koppelen aan natuurinclusiviteit. De woningen worden verder conform de geldende duurzaamheidseisen uit het Bbl en de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) gerealiseerd. Met de beoogde herinrichting ontstaat er een groene en robuuste woonwijk met een eigen identiteit. Er is voldoende schaduw en water aanwezig om verkoeling te zoeken in de warmere perioden. De inrichting draagt zo bij aan een omgeving die beter kan omgaan met de opgaven van deze tijd op het gebied van hittestress, wateroverlast, droogte en waterveiligheid.

De opgave binnen deze herontwikkeling is om verbetering aan te brengen in de bestaande situatie. Concreet vertaalt dit zich in het afvoeren van het regenwater van daken en het afkoppelen van verhard oppervlak van het gemengd riool en naar groen en water af te voeren. Het verminderen van de hoeveelheid verhard oppervlak is tevens een concrete opgave, waarbij het plangebied in staat is om een piekbui van 73 mm te bergen.

4.18 Gezondheid

In overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie en de Healthy Ageing staan leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte hoog op de agenda voor de ontwikkeling van het plangebied. Met de herontwikkeling wordt het plangebied groener, blauwer, klimaatadaptiever, gezonder, socialer, met meer ruimte voor de voetganger en fietser. Dit is in overeenstemming met de wensen van de bewoners in de omgeving. Kansen worden met name gezien in het voorzien in meer groen, levendigheid, ontmoeting en verbinding. Deze thema’s lopen als rode draad door de stedenbouwkundige opzet van plan. Hiermee wordt ingezet op een gezonde fysieke leefomgeving, die uitnodigt tot ontmoeting waarmee ook een bijdrage aan de sociale gezondheid van de toekomstige bewoners.

In het in bijlage 12 opgenomen waterhuishoudkundig plan zijn de beoogde oplossingen voor het rioolstelsel en de waterbergende maatregelen onderzocht. Conclusie In de te verlenen omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit – planologie zal het voorzien in voldoende waterberging als voorschrift worden gekoppeld.

4.17 Duurzaamheid en energie

Doelen van de Ow zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen.

4.19 Uiterlijk en plaatsing van bouwwerken

De woningen worden geplaatst conform de bouwvlakken en maatvoeringen die worden vastgelegd in dit omgevingsprogramma. De uitstraling van het plangebied wordt gerealiseerd in overeenstemming met de gebiedsgerichte kaders die bestaan uit de uitgangspunten en criteria voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte. De gebiedsgerichte beeldkwaliteitseisen worden als aanvulling op de welstandsnota vastgesteld. Naast de aanvullende gebiedsgerichte criteria gelden altijd de algemene criteria en de sneltoetscriteria.

Duurzaamheid loopt als een rode draad door de ontwikkeling aan de Travertijnstraat, zo ook bij de keuze voor De Vinkenborgh. Door de herkenbaarheid en de bijzondere functies die er nu en in het verleden ingezeten hebben maakt deze onderdeel uit van het sociaal kapitaal. De transformatie van het complex biedt de mogelijkheid om bijzondere woonvormen te vormen. Qua duurzaamheid is dit in kader van hergebruik, besparing van materialen en beperking CO2 een logische stap. Binnen het voorstel voor de herontwikkeling 37

4.20 Verkeer, parkeren en infrastructuur, inritten

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De parkeerbehoefte binnen het plangebied is inzichtelijk gemaakt aan de hand van de Beleidsregel parkeernormen 2024. In de in bijlage 13 opgenomen parkeerbalans is de parkeerbehoefte per te realiseren functie is bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met dubbelgebruik. De totale parkeerbehoefte wordt hierin geschat op 322 parkeerplaatsen voor auto’s. Binnen dit omgevingsprogramma zijn de zoekgebieden voor de parkeeroplossingen geïdentificeerd. Een parkeeroplossing half of geheel verdiept is kostbaar en gezien de context van Vinkhuizen niet haalbaar. Daarom wordt gekozen voor collectieve parkeervelden op maaiveld en enkel overdekte parkeervelden binnen de bouwvolumes voor alle bewoners/gebruikers. In afbeelding 4.5 is weergegeven hoeveel parkeerplaatsen in de bouwvelden en in de openbare ruimte nodig zijn. In de regels van dit omgevingsprogramma wordt per bouwvlak een minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen vastgelegd.

Bovendien bestaat binnen de huidige opzet een flexibele schil die mogelijk nog kan worden geoptimaliseerd door het parkeren van bijvoorbeeld het CSG Selion in de gelijktijdigheid mee te nemen.

Afbeelding 4.5: Parkeerbalans Travertijnstraat (Bron: Gemeente Groningen)

Voor het fietsparkeren wordt aangesloten bij de normen zoals opgenomen in de Beleidsregel parkeernormen 2024. De fietsparkeeroplossingen bij woningen zijn voorgeschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving die leidend is ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunningen technische bouwactiviteit. Conclusie Op basis van de huidige opzet kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. Bij het verlenen van de Bopa’s zal dit nader moeten worden onderbouwd waarbij ook de optimalisatie met het parkeren van bijvoorbeeld het CSG Selion wordt onderzocht. 38

In de omgevingsvisie staat waar de gemeente Groningen met de fysieke leefomgeving op de lange termijn naartoe wil: wat zijn de ambities, wat wil de gemeente beschermen en behouden en wat wil de gemeente ontwikkelen. De omgevingsvisie geeft de strategie aan. De gemeentelijk omgevingsvisie heeft een behoorlijk hoog abstractieniveau. Het is daarom wenselijk om een onderwerp, thema, gebied of opgave uit te werken. Dit kan in een omgevingsprogramma dat meer tactisch van aard is; de schakel tussen beleidsontwikkeling en uitvoering. Er zijn wettelijk verplichte programma’s en vrijwillige programma’s.

5. UITVOERING EN TERUGKOPPELING 5.1

Sturingsfilosofie

Een sturingsfilosofie beschrijft de principes en uitgangspunten waarop het gemeentebestuur (college van burgemeester en wethouders) zich baseert bij het aansturen van in dit geval de gebiedsontwikkeling aan de Travertijnstraat. Het omvat de visie op de rolverdeling tussen verschillende partijen, zoals gemeente, ontwikkelende partijen, inwoners en andere organisaties, en de manier waarop zij samenwerken om maatschappelijke doelen te bereiken.

Voor de gebiedsopgave Travertijnstraat is sprake van een vrijwillig en gebiedsgericht omgevingsprogramma. Een programma op grond van de Ow (artikel 3.5 Ow) bevat mede voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.1, lid 1, voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: 1. Een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; 2. Maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

In deze paragraaf wordt beschreven: • Welke strategie wordt gekozen om de in dit omgevingsprogramma geformuleerde doelen en opgaven te bereiken? • Welke inzet pleegt de gemeente om dit te bereiken? • Welke inzet wordt van andere stakeholders verwacht? 5.1.1 Strategie 5.1.1.1 Omgevingsprogramma als onderdeel van de beleidscyclus Het omgevingsprogramma is onderdeel van de beleidscyclus Ow. Deze cyclus bestaat uit beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en terugkoppeling. De beleidscyclus kent de volgende kerninstrumenten: • • • • • •

Uit de verwijzing naar artikel 2.1 volgt dat een programma gericht moet zijn op de doelen van de Ow. Kenmerken van een omgevingsprogramma zijn: • Een programma kan worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders (artikel 3.4 Ow); • Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het programma het gemeentebestuur zelf bindt. Een programma kan wel burgers en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Daarnaast kan een programma fungeren als toetsingskader voor ontwikkelingen. Er is geen sprake van direct toezicht of handhaving op een programma. Er staat geen beroep open tegen de vaststelling van een programma. Wel kan het

Omgevingsvisie; Omgevingsprogramma's; algemene rijksregels; decentrale regels; omgevingsvergunning; projectbesluit.

39

algemeen bestuur (gemeenteraad) aan de hand van het programma het uitvoerend bestuur (college van burgemeester en wethouders) om verantwoording vragen.

Voor fase 1 is zijn in dit programma bouwvlakken vastgelegd waarbij rekening is gehouden met enige flexibiliteit. Qua functietoedeling is hier uitgegaan van de functies wonen en beschermd wonen. Voor fase 2 en 3 zijn de bouwvlakken ruimer neergelegd en is de functie wonen, alsook commerciële functies, gebiedsondersteunende horeca, ondergeschikte horeca en de functie ‘broedplaats’. Verder is hier flexibiliteit opgenomen voor de locatie van het gebouw De Vinkenborgh (plaatselijk bekend als Trav-12). Dit schoolgebouw met hoge karakteristieke waarde is behoudenswaardig. Behoud en herbestemming is een opgave die nog nader onderzocht wordt.

5.1.1.2 Relatie gebiedsgerichte omgevingsprogramma en omgevingsvergunning voor planrealisatie In het voorliggende gebiedsgerichte omgevingsprogramma is de opgave voor de herontwikkeling van de Travertijnstraat uitgewerkt. Dit is gedaan op basis van beleidsdoelen en opgaven op het vlak van diverse thema zoals wonen, werken, ruimtelijke kwaliteit, groen, mobiliteit, etc. Daarnaast is ingegaan op de fasering van de ontwikkeling.

5.1.1.4 Relatie met welstandscriteria voor uiterlijk en plaatsing van bouwwerken Zoals in hoofdstuk 3 reeds aangegeven, worden de gebiedsgerichte beeldkwaliteitseisen onderdeel van de Welstandsnota. De gebiedsspecifieke criteria worden hierin als aanvulling opgenomen. De gemeenteraad stelt de aanvulling op de welstandsnota op 18 februari 2026 vast.

In hoofdstuk 3 is op basis van de opgave een stedenbouwkundig kader en de daaruit voortvloeiende eisen voor de herontwikkeling van het gebied neergezet. In hoofdstuk 4 is de opgave gelegd langs de meetlat van wet- en regelgeving behorende bij de van belang zijnde leefomgevingsaspecten. Op deze manier zijn aandachtspunten voor de uitvoering van de opgave in beeld gebracht. Het omgevingsprogramma biedt hiermee een ontwikkelkader voor de uitvoering van de gebiedsopgave. De juridisch-planologische verankering zal per planfase plaatsvinden door het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afgekort Bopa). De verleende Bopa’s worden op termijn in het gemeentelijk omgevingsplan verwerkt voor een actueel en transparant planologisch kader.

Het BKP functioneert als onderbouwing van de harde eisen die als aanvulling op de Welstandsnota worden opgenomen. Het beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Conform artikel 4.19 Ow stelt de gemeenteraad als aanvulling op de Welstandsnota beeldkwaliteitscriteria voor het uiterlijk en plaatsing van de bouwwerken binnen fase 1 vast. De beeldkwaliteitscriteria vormen hiermee samen met voorliggend omgevingsprogramma het ontwikkelkader voor de herontwikkeling van het plangebied.

5.1.1.3 Flexibel karakter Het omgevingsprogramma en het daarin opgenomen stedenbouwkundig kader hebben een flexibel karakter. Dat wil zeggen dat er enige ruimte is gehouden voor de positionering van bebouwing en in de functietoedeling. De mate van flexibiliteit is per planfase wel verschillend. Zo is de flexibiliteit voor fase 1 (korte termijn) minder groot dan voor fase 2 en 3 waarvoor de uitvoering over de daarop volgende jaren gepland staat.

5.1.2 Inzet en rolverdeling gemeente De gemeente heeft in haar omgevingsvisie en woonvisie opgaven en ambities geformuleerd. Via dit gebiedsgerichte omgevingsprogramma worden deze voor dit gebied concreet gemaakt en wordt een eenduidig, maar flexibel ontwikkelkader neergezet voor de markt (fase 1) en de gemeente zelf (fase 2 en 3). 40

Zoals hiervoor reeds vermeld is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsprogramma vast te stellen. De gemeenteraad wordt echter goed meegenomen in het plan en participatieproces. In 2023 is de gemeenteraad reeds betrokken geweest bij de vaststelling van het voorkeursscenario. Het concept omgevingsprogramma is daarom ook voor wensen en bedenkingen gepresenteerd en voorgelegd aan de gemeenteraad. Deze werkwijze sluit aan bij de werkwijze die gemeente Groningen hanteert in de overgangsfase naar Omgevingsvisie, Omgevingsprogramma en Omgevingsplan. Voor de gebiedsontwikkeling aan de Travertijnstraat ziet dat er als volgt uit:

aangegeven in de ‘Activiteitenlijst bindend adviesrecht gemeente Groningen’. De in de drie planfasen aan te vragen bouwactiviteiten vallen onder categorie A van deze lijst waardoor er sprake is van bindend adviesrecht voor de gemeenteraad. Omdat dit omgevingsprogramma en de daarin opgenomen kaders uitgebreid met de gemeenteraad is gedeeld en besproken is de gemeenteraad gevraagd geen beroep te doen op haar bindend adviesrecht voor de toekomstige Bopa’s. De ‘Lijst bindend adviesrecht’ wordt in het najaar van 2025 op dit punt aangepast. 5.1.3 Inzet andere stakeholders Fase 1 van de gebiedsopgave Travertijnstraat zal worden opgepakt en uitgevoerd door een gebiedsontwikkelaar. Het voorliggende omgevingsprogramma is het kader waarbinnen zijn voor fase 1 een omgevingsvergunningsaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) kunnen voorbereiden en aanvragen.

In de omgevingsvisie Levende Ruimte is aangeven waar de gemeente komende jaren gaat ontwikkelen en/of transformeren en hoe de ‘bestaande’ stad met de dorpen behouden of versterkt wordt. Levende Ruimte geeft echter in veel gevallen nog te weinig concrete richting op gebiedsniveau en soms ontbreekt deze helemaal. Om die reden maakt de gemeente gebiedsvisies. Deze gaan worden vastgesteld als gebiedsgericht omgevingsprogramma. Een gebiedsvisie is daarmee formeel een collegebevoegdheid geworden. Echter, zolang de omgevingsvisie nog niet volledig de door de raad uitgesproken kaders bevat, zal steeds in een vroeg stadium met de raad in gesprek worden gegaan over deze kaders. Voorafgaand aan de vaststelling van de ontwerpversie van het omgevingsprogramma wordt het concept omgevingsprogramma voor wensen en bedenkingen aangeboden aan de gemeenteraad.

Fase 2 betreft de ontwikkeling van De Vinkenborgh. Voor deze ontwikkeling is het aannemelijk dat een wooncorporatie en/of zorgpartij bij de uitvoering worden betrokken. Voor fase 3 is nog niet bekend wie deze ontwikkeling zal oppakken.

5.2

Uitvoering van het project

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van (mogelijk) aan te vragen (omgevings)vergunningen per planfase en bijbehorende nadere onderzoeken. Bij de daadwerkelijke aanvang van de planologische procedure per fase zal op basis van het definitieve plan opnieuw gekeken moeten worden naar benodigde vergunningen en toestemmingen.

De gemeenteraad blijft bevoegd voor besluiten over financiële dekkingen voor gebiedsontwikkeling. Na vaststelling van het gebiedsgericht omgevingsprogramma moet de juridische toestemming voor activiteiten (bouwrijp maken, bouwen, aanleggen, etc,) geregeld worden via het omgevingsplan. Maar, als gezegd is het nieuwe omgevingsplan nog niet klaar. Daarom zal de komende jaren de Bopa gebruikt gaan worden voor gebiedsontwikkelingen.

Fase 1 • Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa); • Omgevingsvergunning Technische bouwactiviteit (bij niet grondgebonden woningen, grondgebonden woningen vallen onder Wkb);

Ook het verlenen van de Bopa is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Wel is in aangewezen gevallen sprake van bindend adviesrecht door de gemeenteraad. Dit is 41

• •

Omgevingsvergunning vellen houtopstand (bij kap van bomen); Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (bij stikstofdepositie en noodzaak intern salderen).

• •

5.3

Fase 2 • Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa); • Omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk (bij gehele of gedeeltelijke sloop Vinkenborgh); • Omgevingsvergunning Technische bouwactiviteit (bij niet grondgebonden woningen, grondgebonden woningen vallen onder Wkb); • Omgevingsvergunning vellen houtopstand (bij kap van bomen); • Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (bij stikstofdepositie en noodzaak intern salderen).

Parkeeronderzoek of parkeeronderbouwing; Nadere uitwerking waterhuishoudkundig plan/civieltechnisch ontwerp.

Participatie (maatschappelijke draagvlak)

Inwoners verwachten duidelijkheid over hoe zij met de gemeente kunnen meedenken en -doen in een project of beleidsvraagstuk. Ook de bestuurders en ambtenaren van de gemeente hebben houvast nodig. Daarom heeft het college van B&W overkoepelend participatiebeleid en een participatieverordening opgesteld. Hiermee beschrijft de gemeente haar eigen rol. Voor als ze zelf initiatiefnemer is, maar ook als inwoners of ondernemers het initiatief nemen. Zo hebben alle betrokkenen van tevoren hetzelfde beeld over participatie. Dat zorgt voor realistische verwachtingen. De participatieverordening vervangt de inspraakverordening. Hierin staan regels voor participatie zodat voor iedereen duidelijk is wie, op welke manier en wanneer bij de plannen worden betrokken.

Fase 3 • Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa); • Omgevingsvergunning Technische bouwactiviteit (bij niet grondgebonden woningen, grondgebonden woningen vallen onder Wkb); • Omgevingsvergunning vellen houtopstand (bij kap van bomen); • Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (bij stikstofdepositie en noodzaak intern salderen).

Voor de herontwikkeling van de locatie Travertijnstraat is vanaf september 2022 een uitgebreid participatietraject uitgezet. Chronologisch zijn de volgende stappen reeds gezet: September 2022 → Dromenlab (dromen, wensen en ideeën) Op 24 september 2022 is een zogenoemd DromenLab georganiseerd in MFC ‘t Vinkenhuys. Tijdens deze bijeenkomst konden bewoners en organisaties hun dromen, ideeën en wensen voor de ontwikkeling van de Travertijnstraat delen. Zo is opgehaald wat er in de omgeving van deze plek in Vinkhuizen leeft. In totaal vulden 175 mensen een online vragenlijst in, deelden 75 mensen hun droom via de website en bezochten ongeveer 55 mensen het DromenLab. Van de reacties is een Dromenboek gemaakt. De dromen uit het DromenLab zijn door de ontwerpers verwerkt in 2 scenario’s voor de ontwikkeling van de Travertijnstraat.

Nadere onderzoeken Voor alle fasen van de ontwikkeling geldt dat bij het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunningen Bopa’s (mogelijk) de volgende (nadere) onderzoeken aan de orde zijn: • Akoestisch onderzoek binnenwaarde (max 33 dB); • Akoestisch onderzoek geluid door industrieterreinen; • Actueel stikstofonderzoek; • Lichthinderonderzoek (fase 3); • Nader ecologisch onderzoek vleermuizen en steenmarter; • Boomeffectanalyse; 42

ontwikkeling van ongeveer 250 woningen en bedrijfsruimte. In het stedenbouwkundig plan staat precies hoe het gebied wordt ingericht. April 2025 → Voorlopig stedenbouwkundig plan Op dinsdag 8 april 2025 is het voorlopig stedenbouwkundig ontwerp aan bewoners en ondernemers gepresenteerd. Daarbij werd duidelijk dat de doorrekening van de uitwerking van het voorkeursscenario leidt tot een groot financieel tekort. Er worden daarom ook alternatieve mogelijkheden onderzocht, inclusief sloop/nieuwbouw en het behoud van de panden, om te kijken of het financiële tekort op die manier verkleind kan worden. Najaar 2025 → Omgevingsprogramma Voor het gebied is voorliggend gebiedsgericht omgevingsprogramma opgesteld. Dit programma zet de opgaven en ontwikkelkaders voor het gebied uiteen. Deze opgaven en kaders zijn concreet, maar wel flexibel neergezet voor de markt (fase 1) en de gemeente zelf (fase 2 en 3). Op deze wijze is er voldoende ruimte om in met name fase 2 en 3 tot een goede en financieel haalbare ontwikkeling te komen. Dit ontwerp omgevingsprogramma wordt begin 2026 ter vaststelling voorgelegd aan het college en aan bewoners en ondernemers gepresenteerd tijdens een inloopbijeenkomst. Vervolg Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van de drie planfasen zal te zijner tijd een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) worden aangevraagd.

Het betreft een gedetailleerde uitwerking van het plan op basis van dit omgevingsprogramma.

Juni 2023 → Informatielab met scenario’s Op 15 juni 2023 zijn deze scenario’s gepresenteerd in een InformatieLab aan de Travertijnstraat 12. Daarbij legden we uit hoe de meeste dromen in de plannen verwerkt zijn. De reacties daarop van bewoners en organisaties zijn ook weer meegenomen in het Dromenboek. Dit Dromenboek is opgesteld en bijgewerkt door adviesbureau De Plekkenmakers.

5.4

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een omgevingsprogramma, onder de Ow, gaat over de vraag of de beoogde opgaven en ontwikkelingen financieel haalbaar zijn en of de kosten en baten op een evenwichtige manier zijn verdeeld.

Oktober 2023 → Vaststelling voorkeursscenario door de raad Op 4 oktober 2023 stelde de gemeenteraad het voorkeursscenario voor de Travertijnstraat vast. In dit scenario behouden we het karakteristieke gebouw aan de Travertijnstraat 12. Het voorkeursscenario wordt uitgewerkt tot een definitief plan voor de 43

5.5

Meten, monitoring en evaluatie

Een essentiële stap binnen de beleidscyclus is het evalueren van de uitvoering en resultaten van een omgevingsprogramma. Aan een goede evaluatie ligt monitoring ten grondslag. Daarnaast zijn monitoring en evaluatie nuttig om de gemeenteraad op verschillende momenten te kunnen meenemen in het uitvoeringsproces van omgevingsprogramma's. De evaluatie van de uitvoering van een programma kan aanleiding zijn om het programma te actualiseren. Voor dit omgevingsprogramma geldt dat de realisatie van de geformuleerde opgaven qua woonprogramma, leefkwaliteit en mobiliteit worden gemonitord en geëvalueerd zowel op de inhoud (wat is er daadwerkelijk gerealiseerd) als de planning (zijn opgaven tijdig gerealiseerd). Dit gebeurt jaarlijks. Op dat moment wordt met de actuele inzichten en beleidskaders besloten of bijsturing noodzakelijk is en welke acties daarvoor noodzakelijk zijn. Indien nodig kan een wijziging op het omgevingsprogramma worden doorgevoerd. Een concreet voorbeeld hiervan zou kunnen zijn een aanpassing van de planning van de planfasen of een aanpassing van het woonprogramma op basis van actuele woningmarktinzichten of regionale woonafspraken.

44

6. Conclusie Etfal-criterium (Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties) Dit omgevingsprogramma is een beleidsdocument waarin de gemeente Groningen beschrijft hoe zij bepaalde doelen voor het plangebied aan de Travertijnstraat wil bereiken. De uitvoering van dit omgevingsprogramma vindt plaats via de verlening van meerdere Bopa’s. Deze kunnen op basis van artikel 8.0a lid 2 van het Bkl worden verleend indien wordt aangetoond dat de Bopa in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het omgevingsprogramma vormt het toetsingskader voor de te verlenen omgevingsvergunningen. In dat licht is in dit programma minimaal ingegaan op de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, te weten: • • • • • • •

waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/5416/documents/92079