CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Vaststelling bestemmingsplan Meerstad-Noord toelichting.pdf

gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente GroningenBij agendapunt: j: Vaststelling Bestemmingsplan Meerstad-Noord (raadsvoorstel 7-6-24)16.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

DAS Binnen het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen van de das. Grenzend aan het plangebied bevindt zich een dassenburcht. Deze burcht blijft behouden. Tijdens de werkzaamheden dient verstoring van das zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan onder andere door de werkzaamheden uit te voeren vóór zonsondergang of op zijn laatst tot 19:00 uur 's avonds. Door de voorgenomen activiteiten zal na realisatie van het project wel foerageergebied van de das verloren gaan. Dit is geen overtreding van de Wet natuurbescherming, maar er mag geen aantasting plaatsvinden van essentieel foerageergebied zodanig dat hierdoor de functionaliteit van de burcht wordt aangetast. Om de burcht te kunnen laten functioneren als vaste rustplaats, is voldoende foerageergebied van goede kwaliteit nodig, met schuilplaatsen, geen versnippering van het territorium en geen verstoring door honden of recreatie. Ook de wissels die de das gebruikt, zijn van invloed op het succesvol kunnen functioneren van de burcht als voortplantingsplaats. Dit kan mogelijk worden opgevangen door een van navolgende opties. Geadviseerd wordt om deze voor te leggen aan bevoegd gezag. Het deel/een deel van het plangebied dat op dit moment in gebruik is door das ongemoeid laten. Het deel van het foerageergebied rondom de burcht behouden.

Daarnaast wordt het deel ten oosten van het plangebied geschikter gemaakt voor de das. Bij het realiseren van vervangend leefgebied kan als vuistregel worden aangehouden dat dit 120% van de oppervlakte van het bestaande leefgebied dient te zijn. Het foerageergebied dat behouden blijft voor de das, dient aantrekkelijker te worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van bemeste graslanden, overhoekjes, en het bevorderen van de hoeveelheid regenwormen in het gebied. Het aanbrengen van ruigtestroken, plas-drasgebieden of nieuw te planten bos, is vormt geen geschikte compensatie voor de das (Bij12, 2017b). Onder de zonnepanelen komt waarschijnlijk grasland, dit zal minder voedsel opleveren voor de das dan de huidige inrichting van het grasland. Onder de panelen valt geen regen waardoor de grond verdroogd en er weinig regenwormen te halen zijn voor de das. Het zal wel bijdragen aan het totale oppervlakte aan foerageergebied. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 32

BUIZERD Er zijn drie nesten aanwezig in het gebied die worden gebruikt door buizerd. Deze bomen en de aangrenzende bomen blijven behouden. Er zal daarom geen permanent effect optreden op de voortplantingsplaatsen na realisatie van het plan. Het plangebied vormt foerageergebied voor buizerd. Er zijn echter voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. Het plangebied betreft daarom geen essentieel foerageergebied. Ook de toekomstige inrichting biedt mogelijkheden aan de buizerd om te foerageren. Het wordt wel minder gunstig, omdat het aandeel open terrein afneemt; open gebied heeft de voorkeur als jachtgebied voor buizerd. Indien tijdens de broedtijd van buizerd wordt gewerkt (februari tot juli), dient een afstand van minimaal 150 meter tot de nesten te worden aangehouden. Dit voorkomt dat broedende buizerds worden verstoord.

KERKUIL Er zijn minimaal twee vaste verblijfplaatsen/voortplantingsplaatsen in boerderijen in het gebied. Omdat deze plaatsen zich binnen bevinden, zullen deze door de werkzaamheden niet worden aangetast. Het plangebied vormt foerageergebied voor kerkuil. Uitvoering van werkzaamheden in de directe omgeving van het plangebied in de periode maart tot oktober hebben een verstorend effect op de kerkuilen die het plangebied gebruiken als foerageergebied. Zij kunnen uitwijken naar omliggend gebied om te foerageren. Vanuit de zorgplicht wordt aanbevolen de werkzaamheden overdag uit te voeren. Ook wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van kerkuil. Dit is de periode waarin uilen voedsel zoeken voor hun jongen. Dit is ongeveer van februari tot en met augustus. De omgeving rondom het te realiseren zonnepark wordt ingericht als natuurzone. Indien deze zone dusdanig wordt ingericht dat dit geschikt blijft als foerageergebied voor kerkuil, blijft voldoende essentieel foerageergebied behouden. Dit kan onder meer door het gebied aantrekkelijk te maken voor muizen. De grootte van het territorium van kerkuil is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die te vinden is. Door het overgebleven foerageergebied aantrekkelijk te maken voor muizen, kan het verlies aan oppervlakte foerageergebied worden gecompenseerd.

Ook kan de ruimte tussen de panelen geschikt worden gemaakt als jachtgebied voor kerkuil.

HAAS, BUNZING, HERMELIJN EN WEZEL De soorten haas, bunzing, hermelijn en wezel zijn sinds de uitvoering van de natuurtoets en de onderzoeken door de provincie toegevoegd aan de lijst van beschermde soorten. Naar deze soorten moet extra onderzoek worden verricht.

ANDERE SOORTEN Binnen het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen van steenmarter. Het plangebied kan van belang zijn voor enkele soorten amfibieën en voor enkele kleine zoogdieren, zoals kleine marterachtigen en verschillende muizensoorten. Dit betreft echter nationaal beschermde soorten, waarvoor de provincie Groningen een algemene vrijstelling heeft gegeven bij, onder andere, ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Aan de zorgplicht kan worden voldaan door bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden deze de gelegenheid te geven te vluchten naar een nieuwe leefomgeving. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 33

Het is nodig voor de geplande werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Hiervoor is een Activiteitenplan opgesteld ter onderbouwing (Bijlage 5). De ontheffing kan naar verwachting worden verleend. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het plan. 4.4

Water

Kader De locatie valt binnen het beheergebied van Waterschap Hunze en Aa's. De waterbeheerplannen van het waterschap sluiten aan bij de Europese, nationale en provinciale wetgeving. Waterschap Hunze en Aa's heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma geeft in hoofdlijnen de ambities van het waterschap weer op het gebied van waterveiligheid, voldoende water en schoon en ecologisch gezond water. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Het is verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Afweging Voor het plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Bijlage 6). De uitgangspunten voor het toekomstige watersysteem in het plangebied zijn: Het ontwerp van de waterstructuur is gericht op een robuust en duurzaam watersysteem binnen de beleidsmatige en financiële mogelijkheden. De huidige waterstructuur wordt zoveel mogelijk gehandhaafd in verband met het tijdelijke karakter van het zonnepark. Het overige deel van het bemalingsgebied Lageland mag geen hinder ondervinden van waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied. Het gemaal Lageland blijft gehandhaafd op de huidige locatie. De afwatering van de erven en bebouwing in de randzone dient te worden behouden. Het terrein van het zonnepark biedt de mogelijkheid voor een (tijdelijke) peilverhoging in verband met het (tijdelijke) gewijzigde gebruik. Toename van verhard afvoerend oppervlak dient te worden gecompenseerd met voldoende waterberging. Hiervoor wordt een waterbergingscompensatie van 90 liter/m2 gehanteerd, vooruitlopend op de aan te passen vuistregel in de toekomstige waterschapsverordening. Te dempen watergangen (in verband met de inrichting) dienen te worden gecompenseerd. Verlies aan waterbergend vermogen in de bodem door peilverhoging dient te worden gecompenseerd met voldoende waterberging. De waterkwaliteit in de polder mag niet negatief worden beïnvloed door afstroming van vervuilende stoffen.

WATERBERGING In het plangebied worden delen van watergangen gedempt. In totaal gaat het om 18.250 m2 . Binnen het plangebied is sprake van een toename van verhard afvoerend oppervlak door de bouw van het hoogspanningsstation. Dit betreft een oppervlak van circa 4 ha. De benodigde extra waterberging bedraagt 40.000*90 liter/m2 = 3.600 m3 . De gemiddelde drooglegging bedraagt circa 1,20 m-mv. Uitgaande van een toelaatbare vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 34

waterstandstijging van circa 0,90 m bedraagt het benodigde extra bergende wateroppervlak 4.000 m2 . Het totaal te compenseren areaal bergend wateroppervlak bedraagt daarmee 22.250 m2 . Door het graven van nieuwe watergangen en de verbreding van bestaande watergangen neemt het bergend wateroppervlak toe met 50.450 m2 . Met de beoogde nieuwe watergangenstructuur neemt het bergend wateroppervlak toe met 50.450-22.250=28.200 m2 ten opzichte van de huidige situatie.

DROOGLEGGING Omdat de huidige peilen in het plangebied worden gehandhaafd wijzigt de huidige drooglegging niet. Bij het nieuw aan te leggen hoogspanningsstation wordt rekening gehouden met ophoging om minimaal te voldoen aan de vereiste drooglegging. De mate van ophoging wordt bepaald door de eventuele peilopzet binnen het zonnepark.

REDUCTIE UITSTOOT BROEIKASGASSEN Met het mogelijk opzetten van het peil binnen het zonnepark (areaal circa 200 ha) wordt een bijdrage geleverd aan de emissiereductieopgave van de provincie. Hoeveel reductie is niet onderzocht en is afhankelijk van de mate van peilopzet, peilbehoud in droge perioden en wegzijging naar de omliggende gebieden met lagere peilen. In de notitie "Meerstad-Noord waterhuishoudkundige varianten" (Sweco, 30-10-2023) zijn varianten beschouwd met een groter gebied met peilopzet (dus ook de randzone rondom het zonnepark). De totale uitstoot wordt ook bij deze varianten niet volledig gestopt. Verwacht wordt dat met de mogelijke peilopzet in het zonnepark een geringe beperking van de veenoxidatie kan worden gerealiseerd in de laagste terreindelen. Peilopzet binnen het zonnepark kan leiden tot een afname van het waterbergend vermogen in de bodem (de gewenste grondwaterstand is immers hoger). Er is met de beoogde waterstructuur een surplus aan bergend wateroppervlak die kan worden gebruikt om afwenteling te voorkomen.

WATERKWALITEIT Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater door het zonnepark en het hoogspanningsstation wordt voorkomen middels het ontwerp en specifieke voorzieningen. De rekken waarop de zonnepanelen worden bevestigd worden gemaakt van gegalvaniseerd staal. Het ontwerp van de zonnepanelentafels is zodanig dat het verzinkte oppervlak waarlangs afstroming van regenwater plaatsvindt zo beperkt mogelijk is en daardoor de uitloging zoveel mogelijk wordt beperkt. Het zonnepark zal daardoor (nagenoeg) geen verontreinigende effecten op de bodem hebben. Binnen het hoogspanningsstation worden (vloei)stoffen gebruikt, met name olie in de transformatoren, welke bij calamiteiten kunnen leiden tot verontreinigingen van de bodem. Er worden vloeistofkerende voorzieningen toegepast in de vorm van het realiseren van een lekkelder en olieafscheiders. Er wordt op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) een zodanige combinatie van maatregelen getroffen dat sprake zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. Het niet-agrarische grondgebruik ter plaatse van het zonnepark en de landschappelijke en ecologische zones leidt automatisch ook op korte en langere termijn tot minder uit- en afspoeling van nutriënten en overige verontreinigende stoffen die behoren bij reguliere agrarische activiteit.

In de landbouwzone rondom het zonnepark wordt een extensievere vorm van landbouwkundig gebruik beoogd waardoor ook hier een afname van uit- en afspoeling van nutriënten en verontreinigende stoffen wordt verwacht. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 35

4.5

Milieu

4.5.1 Bedrijven en milieuzonering Kader Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

Afweging Ten opzichte van de huidige situatie maakt het plan een zonnepark en hoogspanningsstation mogelijk op gronden die nu een agrarische functie hebben. Het plan maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die een grotere bescherming ten opzichte van die functie noodzakelijk maken. Het hoogspanningsstation moet op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' worden beschouwd als een elektriciteitsdistributiebedrijf, met transformatorvermogen van 200 tot 1.000 MVA. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 300 meter (voor geluid). De afstand van het hoogspanningsstation tot de dichtstbijzijnde woningen bedraagt ruim 300 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure. Om deze reden is voor het zonnepark aangesloten bij de enigszins vergelijkbare functie 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen van 100 tot 200 MVA'. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 100 meter (voor geluid). De afstand van het zonnepark tot de dichtstbijzijnde woningen bedraagt ruim 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. 4.5.2 Geluid Kader Voorzien wordt een plaatsing van een zonnepark, een batterijopslag (50MW/200MWh), een transformatorstation van Enexis, een schakelveld van TenneT en een inkoopstation.

Het gelijktijdig in bedrijf zijnde opgesteld vermogen van de transformatoren zal meer dan 200 MVA gaan bedragen. Hierdoor wordt de betreffende transformatorstations vergunningplichtig in de zin van de Wet milieubeheer en zoneringsplichtig in de zin van de Wet geluidhinder. Het terrein zal dan moeten worden voorzien van een geluidzone. De zoneringsplicht geldt niet voor de andere inrichtingen (zonnepark, batterijsopslag, schakelstation en inkoopstation). Door gemeente Groningen is aangegeven dat zij graag één gezamenlijk geluidgezoneerd industrieterrein willen realiseren waarbij de zonegrens wordt vastgesteld op basis van de gezamenlijke geluidcontour van alle inrichtingen op het terrein. Hiermee worden geluidgevoelige bestemmingen (woningen) in de omgeving eenduidig en inzichtelijk beschermd (geen separate geluidgrenswaarden per inrichting).

Afweging Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woningen over het algemeen langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 38 dB(A) in de dagperiode, 39 vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 36

dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. Eén ander komt overeen met een etmaalwaarde van ten hoogste 45 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde volgens de VNG-richtlijn. Uit de berekeningen blijkt verder dat de omvormers van het zonnepark de grootste bijdrage hebben op de geluidniveaus in de omgeving. Hierbij is sprake van een “worstcase” benadering door uit te gaan van de langste dag van het jaar voor wat betreft het zonnepark. Ten aanzien van de op te stellen installaties wordt opgemerkt dat rekening is gehouden met de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Ten aanzien van de omvormers van het zonnepark is dit zonder meer het geval. De woningen aan het Slochterdiep 15, 17, 23 en Eemskanaal Zz 9-13 bevinden zich binnen de zonegrens van de NAM-locatie. In concreto komt het erop neer dat de toegestane geluidniveaus ter plaatse van deze woningen momenteel 50 dB(A) etmaalwaarde of hoger mogen bedragen, exclusief toeslag voor tonaal geluid. In de toekomstige situatie zullen deze woningen zich niet meer binnen de geluidzone bevinden en bedragen de geluidniveaus maximaal 45 dB(A) inclusief toeslag. Er zal sprake zijn van een verbetering van de geluidsituatie.

Bij de woningen op grotere afstand geldt ook dat sprake zal zijn van lagere geluidniveaus in vergelijking met wat momenteel mogelijk is op grond van het bestemmingsplan (geluidzone). Gesteld wordt dat sprake is van een toelaatbare situatie. De realisatie van het zonnepark, batterijopslag, transformatorstation, schakelstation en inkoopstation zal niet leiden tot een verslechtering van de geluidsituatie ter plaatse van de aanwezige geluidgevoelige bestemmingen (woningen). In het akoestisch onderzoek is een voorstel uitgewerkt waarbij alle inrichtingen worden gezoneerd. Deze geluidzone is vastgelegd op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. 4.5.3 Luchtkwaliteit Kader Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De criteria om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM1 0 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM1 0 en PM2 ,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM1 0 en PM2 ,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM1 0 , vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2 ,5 ".

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 37

Afweging Op grond van de nibm-tool (versie 2022) is een project pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 450 per dag (met 20% aandeel vrachtverkeer). Het plan betreft de realisatie van een zonnepark en hoogspanningsstation. Tijdens de aanleg zal tijdelijk sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Na de opening van het park en hoogspanningsstation zijn er in de gebruiksfase incidenteel verkeersbewegingen die samenhangen met het beheer en onderhoud. In beide perioden blijft het aantal verkeersbewegingen ruim onder het genoemde aantal van 450 ritten per dag. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit met 3% en kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Uit het Verslag luchtkwaliteit en de luchtkwaliteitskaart van de gemeente Groningen blijkt daarnaast dat in Groningen overal (ruimschoots) wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Dit betekent, dat er vanwege de luchtkwaliteit geen belemmering is voor het project. 4.5.4 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen.

Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Afweging Binnen het plangebied bevindt zich een NAM-locatie met buisleidingen van NAM en Gasunie richting het noorden, oosten en zuidoosten. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich het Eemskanaal, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Noordelijk van het Eemskanaal ligt de rioolwaterzuivering Garmerwolde met drooginstallatie voor zuiveringsslib.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 38

Figuur 4 .4 Ris ic okaart (bron: A tlas leefomgeving)

Het zonnepark en het hoogspanningsstation zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); er zijn geen personen aanwezig. Beide functies zijn ook geen inrichtingen als bedoeld in het Bevi. Voor een hoogspanningsstation en een zonnepark zijn er geen effecten vanuit externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Er zijn geen relevante risico’s voor personen en omliggende woningen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. 4.5.5 Bodem Kader Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.

Afweging Voor het plan is een vooronderzoek naar bodem uitgevoerd (Bijlage 8). De conclusies daarvan zijn hieronder weergegeven: ALGEMEEN LANDBODEM Ter plaatse van het huidige plangebied worden, met uitzondering van de wegberm aan de Lagelandsterweg waar een sterke verontreiniging met PAK is aangetoond, geen sterke verontreinigingen van de landbodem (grond en grondwater) verwacht die zijn veroorzaakt door menselijk handelen. Zeer plaatselijk is het grondwater mogelijk sterk verontreinigd met zware metalen (met name arseen en chroom, maar mogelijk ook met nikkel en zink) vanwege een natuurlijke achtergrondconcentratie. NAM-LOCATIE Ter plaatse van de NAM-locatie zijn in het verleden diverse onderzoeken en saneringen uitgevoerd. Hierbij zijn op de locatie zelf in het verleden diverse sterke verontreinigingen in grond en grondwater zijn aangetoond, maar deze zijn gesaneerd of ze worden beheerst. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 39

Op basis van recente gegevens uit 2022 blijkt dat in het grondwater direct rondom de locatie geen overschrijdingen van de streefwaarden worden gemeten. Ter plaatse van afsluiters wordt maximaal een lichte verhoging met benzeen gemeten. Het oppervlaktewater in de kavelsloten voldoet aan de lozingsnormen. Eventueel aanwezige verontreinigingen op de locatie verspreiden zich niet naar buiten de locatie. In het verleden is een lekkage opgetreden van een WaCo-leiding (water en condensaat) (1997). De leiding is geïnspecteerd en gerepareerd. Geconstateerde verontreinigingen met minerale olie, vluchtige aromaten en/of kwik zijn volledig gesaneerd en er zijn geen restverontreinigingen achtergebleven. De NAM-locatie wordt op dit moment ontmanteld en de planning is dat dit op 1 mei 2026 voltooid zal zijn. Verdachte parameters bij NAM locaties zijn de volgende stoffen: benzeen, kwik en minerale olie in zowel grond als grondwater en barium in de grond. LANDBOUWPERCELEN De bovengrond (tot 0,5 m -mv) van de landbouwpercelen is verdacht op het voorkomen van lichte verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen. Voor bestrijdingsmiddelen is momenteel geen beleid opgenomen in de Nota bodembeheer van de gemeente Groningen.

Indien bij de civieltechnische werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkelingen, grondverzet plaatsvindt, dan kan de landbouwgrond binnen het plangebied vrij worden verzet naar andere plekken waar landbouwgrond aanwezig is. Indien grond wordt afgevoerd naar buiten het plangebied, maar binnen het beheersgebied van de Nota bodembeheer van de gemeente Groningen, dan is dit voor wat betreft bestrijdingsmiddelen mogelijk, mits de grond functiegericht wordt toegepast (dus ook weer in landbouwgebied) en mits de overige parameters voldoen. Zeer plaatselijk zijn binnen het plangebied in de boven- en ondergrond lichte verontreinigingen met parameters uit het standaardpakket grond gemeten. Verder zijn over het algemeen lichte, maar plaatselijk matig tot sterk verhoogde concentraties aan metalen (met name arseen, chroom, nikkel) gemeten in het grondwater. Dit betreffen van nature verhoogde achtergrondconcentraties die vaker voorkomen in het gebied. (Zeer) plaatselijk zijn verder lichte verontreinigingen aangetoond met minerale olie, vluchtige aromaten of VOCl in het grondwater. Hiervoor zijn geen puntbronnen aan te wijzen. De landbouwpercelen (bovengrond en diepere geroerde grondlaten) zijn diffuus verdacht op het voorkomen van PFAS. De landbouwpercelen zijn niet verdacht op het voorkomen van asbest. DEMPINGEN Een groot aantal van de aanwezige dempingen is reeds onderzocht.

In geen van deze dempingen is bodemvreemd dempingsmateriaal waargenomen. Tevens zijn geen asbestverdachte waarnemingen gedaan. Aangenomen wordt dan ook dat de dempingen binnen het plangebied zijn uitgevoerd met gebiedseigen grond. De grond is, vanwege het ontbreken van aanwijzingen op bodemverontreiniging, analytisch niet onderzocht. De omringende landbouwpercelen zijn echter wel onderzocht. Deze resultaten zijn voldoende representatief voor de kwaliteit van de gebiedseigen grond ter plaatse van de dempingen. WEGEN EN KAVELPADEN De toegangsweg naar de NAM-locatie en het kavelpad langs de Blokkumersloot zijn verhard met asfalt. Dit kavelpad gaat daarna over in een puinverharding. De Lagelandsterweg is verhard met beton. Verder is een aantal (delen van) kavelpaden verhard met puin en een aantal kavelpaden is verwijderd of niet meer als zodanig te herkennen in het veld. De met asfalt verharde wegen/paden zijn aangelegd voor 1994. Vermoedelijk is vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 40

teerhoudend asfalt aanwezig en mogelijk een puinfundering. Indien ter plaatse van de huidige paden een puinverharding aanwezig is of als tijdens toekomstig onderzoek puindelen worden waargenomen (baksteen uitgezonderd) in de kavelpaden of voormalige kavelpaden, dan zijn deze verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met parameters uit het standaardpakket grond en asbest. Indien de puinmaterialen worden afgevoerd dan dient de (indicatieve) kwaliteit van het puin te worden onderzocht. DAMMEN In het plangebied is een groot aantal dammen aanwezig. Het kan niet worden uitgesloten dat, voor demping van de watergang om de dam te creëren of voor versteviging van de doorgang, verontreinigd of asbesthoudend dempingsmateriaal of puin is gebruikt. Om deze reden zijn de dammen verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met parameters uit het standaardpakket grond en asbest. VOORMALIGE ERVEN De voormalige erven zijn verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met parameters uit het standaardpakket grond en tevens diffuus verdacht (bovengrond en diepere geroerde grondlagen) op het voorkomen van PFAS.

De volgende erven zijn daarnaast verdacht op het voorkomen van asbest: De voormalige arbeiderswoning nabij Eemskanaal ZZ 15 Het voormalige erf tegenover de Lagelandsterweg 11 Het voormalige erf van Slochterdiep 19 Het voormalige erf aan het kavelpad nabij Hamweg 4 WATERBODEM De watergangen binnen het plangebied voor het zonnepark hebben een gezamenlijke lengte van ongeveer 27 km. Op basis van de bekende gegevens zijn de watergangen grotendeels met elkaar verbonden door de aanwezigheid van duikers. Op basis van de verzamelde informatie wordt geconcludeerd dat over het algemeen in het slib maximaal lichte verontreinigingen worden verwacht met parameters uit het Regionaal Waterbodempakket A. Er wordt op basis van in het verleden uitgevoerde onderzoeken verwacht dat de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem over het algemeen voldoet aan kwaliteit vrij toepasbaar, maar dat de waterbodem rondom de NAM-locatie mogelijk Klasse A of Klasse B betreft. Uitzondering hierop is de plaatselijk sterk met nikkel verontreinigde sliblaag in een watergang centraal gelegen in het plangebied. De verontreiniging is afgeperkt en lokaal aanwezig. Aangezien de ontwikkeling van de Hyperloop niet heeft plaatsgevonden, is het aannemelijk dat dit slib nog niet is gebaggerd. De aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in de waterbodem is in het verleden niet onderzocht.

Gezien de bovengrond van de agrarische percelen over het algemeen licht verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen, wordt de waterbodem ook als verdacht beschouwd op het voorkomen hiervan. Aan de westzijde van het Eemskanaal is een RWZI aanwezig, mogelijk bevat het effluent hiervan PFAS. Omdat de RWZI en de huidige onderzoekslocatie van elkaar worden gescheiden door het Eemskanaal, wordt niet verwacht dat de aanwezigheid van de RWZI (puntbron voor PFAS) van negatieve invloed is op de (water)bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voor het zonnepark. Het kan op basis van het Handelingskader PFAS echter niet worden uitgesloten dat de waterbodem PFAS bevat als gevolg van atmosferische depositie. De waterbodem wordt niet als verdacht op het voorkomen van verhoogde gehalten aan GenX beschouwd vanwege het ontbreken van GenX producerende bedrijven in deze regio. Er zijn geen beschoeiingen of andere mogelijk asbesthoudende materialen bekend. De waterbodem is daarom niet verdacht op het voorkomen van asbest. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 41

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan. 4.5.6 Kabels en leidingen In het plangebied bevinden zich ondergrondse hoogspannings- en gastransportleidingen die onderdeel uitmaken van de ondergrondse hoofdstructuur. Deze leidingen met bijbehorende belemmeringenstrook zijn in dit plan voorzien van een dubbelbestemming. Ten behoeve van het plan wordt te zijner tijd een graafmelding in het kader van KLIC/WION gedaan. 4.5.7 Magnetische velden Kader In april 2023 heeft de rijksoverheid een advies uitgebracht over de herijking van het voorzorgbeleid voor magneetvelden in het elektriciteitsnet. Het voorzorgbeleid is er op gericht om, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden, die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid is gericht op het beperken van (de blootstelling aan) magneetvelden afkomstig van 50 hertz wisselspanningscomponenten in het elektriciteitsnet.

De volgende netcomponenten vallen onder het voorzorgbeleid: bovengrondse hoogspanningsverbindingen, aangeduid als hoogspanningslijnen, met een spanning van 50 kV of hoger; ondergrondse hoogspanningsverbindingen, aangeduid als hoogspanningskabels, met een spanning van 50 kV of hoger; hoogspanningsstations, waarbij de hoogste spanning op het station 50 kV of hoger is; middenspanningsstations, waaronder transformatorhuisjes, waarbij de hoogste spanning op het station tussen de 3 en 50 kV ligt (dus lager is dan 50 kV). Opstijgpunten (de overgang tussen een bovengrondse en ondergronds deel van een hoogspanningsverbinding) worden gezien als onderdeel van de bovengrondse hoogspanningslijn. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit de volgende onderdelen: bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen; afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Afweging Toekomstige bovengrondse hoogspanningsverbinding Voor de bestaande bovengrondse 110 kV-lijnverbinding ten zuiden van het plangebied geldt een rekenafstand van 2 x 75 m aan weerszijden van het hart van de hoogspanningsverbinding (bron: data.rivm.nl/apps/netkaart/).

Deze rekenafstand is bedoeld als eerste toets of er gevoelige bestemmingen zijn die dermate dicht bij de hoogspanningslijn zijn gelegen dat deze blootgesteld zouden kunnen worden aan een jaargemiddelde magneetveldsterkte hoger dan 0,4 µT. Dit zou het geval kunnen zijn als er gevoelige bestemmingen binnen de rekenafstand liggen. Een nieuw opstijgpunt wordt gerealiseerd om het hoogspanningsstation aan te sluiten op de bestaande 110 kV-lijnverbinding ten zuiden van het plangebied. Voor de de nieuwe situatie geldt dat de dichtstbijzijnde woning is gelegen op circa 200 meter van het vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 42

opstijpunt, ruim buiten de rekenafstand. Het is daarom uitgesloten dat woningen blootgesteld worden aan een jaargemiddelde magneetveldsterkte boven 0,4 µT.

Ondergrondse 110 kV-kabelverbindingen en hoogspanningsstation Bij de uitvoering van het plan worden de proportionele bronmaatregelen uit het voorzorgbeleid getroffen om de magneetvelden in de buurt van het elektriciteitsnet te verminderen. Om ongerustheid over magneetvelden bij bewoners te voorkomen, heeft TenneT in het verleden bij diverse hoogspanningsstations en ondergrondse kabelverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat de contour van 0,4 microtesla (jaargemiddeld) voor ondergrondse kabelverbindingen op minder dan 25 meter uit het hart van de kabel ligt. Voor hoogspanningsstations geldt dat deze contour op minder dan 40 meter van het hek van een hoogspanningsstation (en opstijgpunten) ligt. De dichtstbijzijnde woningen liggen op ruim 25 meter van de ondergrondse 110 kV-kabelverbinding. Het hoogspanningsstation ligt op ruim 400 meter van de dichtstbijzijnde woning. Het is dus ten aanzien van de ondergrondse 110 kV-kabelverbinding en het hoogspanningsstation uitgesloten dat woningen worden blootgesteld aan magneetveldsterkten hoger dan 0,4 µT. 4.5.8 Ontplofbare oorlogsresten Voor het gebied is onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd (Bijlage 9 en paragraaf 2.3 van Bijlage 8).

Op basis van de Conventionele Explosieven-Bodembelastingkaart Groningen blijkt dat tijdens de Tweede Wereldoorlog binnen het plangebied diverse loopgraven aanwezig waren. Uit het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven blijkt echter dat het plangebied onverdacht is op het voorkomen van ontplofbare oorlogsresten. De onverdachtheid staat echter niet gelijk aan een vrijwaring van explosieven en daarom kan niet worden uitgesloten dat er in onverdachte gebieden ontplofbare oorlogsresten aangetroffen worden. Omdat er echter geen specifieke aanwijzingen zijn dat het gebied verdacht is op ontplofbare oorlogsresten wordt er niet van uit gegaan dat er op dit vlak begeleiding of maatregelen noodzakelijk zijn bij de uitvoering van onderzoek of werkzaamheden in de bodem. 4.5.9 Beïnvloeding van buisleidingen Bij de realisatie van een hoogspanningsstation, zonnepark en/of de aanleg van verbindingen moet voor onder meer buisleidingen rekening worden gehouden met elektrische beïnvloeding (NEN-EN 50341). Hiervoor zijn bij dit plan uitgangspunten opgesteld (Bijlage 10) en is onderzoek uitgevoerd (Bijlage 11).

De conclusies hiervan zijn hieronder weergegeven: STATIONS Voor de nieuw te bouwen stations is er geen sprake van ontoelaatbare beïnvloeding op de buisleidingen van Gasunie en NAM indien een afschakeltijd voor kortsluitsituaties van 0,1 seconde wordt aangehouden. Voor het 'zonneparkstation' zou een afschakeltijd van 0,3 of 0,5 seconde ook nog acceptabel zijn. 110KV-KABELS Geen van de aan te leggen 110kV-kabels van TenneT zorgen voor ontoelaatbare inductieve beïnvloeding op de buisleidingen van Gasunie en NAM. Er is ook geen sprake van ontoelaatbare thermische beïnvloeding op de leidingen van Gasunie. De temperatuur nabij de leidingen van de NAM bedraagt maximaal 24,7 °C. Met de NAM moet afgestemd worden of dit acceptabel is. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 43

Van de twee voorkeuropties van de toekomstige verbinding Meerstad-Vierverlaten geeft de westelijke optie de minste beïnvloeding. Beide opties voldoen wel (ruim) aan de eisen uit de NEN 3654. Dit betreft specifiek alleen het deel direct in de omgeving van het station Meerstad en geldt niet voor de gehele verbinding. ZONNEPARK Voor het zonnepark gelden uitgangspunten waar aan moet worden voldaan ter voorkoming van dc-zwerfstroombeïnvloeding. Dit betreft onder andere het vrijhouden van een strook met een breedte van 5 m aan weerszijden van de gastransportleidingen. Ook moeten er nader afspraken gemaakt worden tussen de ontwikkelaar van het park en Gasunie/NAM. Dit betreffen procedures en instellingen die vastgelegd moeten worden, een nulmeting die uitgevoerd moet worden, en het laten plaatsen van meetpalen. Ervan uitgaande dat de kabels in driehoekligging worden toegepast valt er geen ontoelaatbare inductieve beïnvloeding te verwachten wanneer de kabels een kortere parallelloop hebben met de buisleidingen van 500 meter. Er kan rekening mee worden gehouden dat de middenspanningskabels niet binnen 5 meter vanaf de buisleidingen komen te liggen. Anders moet met een detailbeschouwing de thermisch beïnvloeding worden onderzocht.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 44

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het bestemmingsplan Meerstad-Noord voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor beheer en ontwikkeling van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee kunnen met direct recht omgevingsvergunningen worden verleend. De gekozen bestemmingen en de daarbij behorende regels geven helder aan welke functies op welke plaats zijn toegestaan. Dit bestemmingsplan is gemaakt conform SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en het standaard-bestemmingsplan van de gemeente Groningen. Daarin zijn de regels gestandaardiseerd. De bestemmingsregels zijn opgemaakt in een vaste indeling en bevatten in principe voor elke bestemming achtereenvolgens: een bestemmingsomschrijving, bouwregels, nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels, en waar nodig een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Het bestemmingsplan is digitaal gemaakt. De digitale verbeelding is variabel in schaal doordat kan worden in- en uitgezoomd, en bezit een meetfunctie. Het digitale plan is raadpleegbaar via het internet (www.ruimtelijkeplannen.nl). Daar zijn de digitale bestanden ook te downloaden. De verbeelding is getekend conform de PRABPK 2012 (Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart).

De verbeelding geeft in samenhang met de regels de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied aan. 5.2

Geldende bestemmingsplannen

Deze worden geheel of gedeeltelijk door het voorliggend bestemmingsplan vervangen. Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Buitengebied (herziening 1997) (vastgesteld 21 december 2000); Meerstad-Midden (vastgesteld 23 juni 2010). Naast deze bestemmingsplannen is voor het plangebied nog het volgende facetbestemmingsplan in voorbereiding: Geitenhouderijen (ontwerp 5 oktober 2023). Verder is voor de gronden die behoren tot het bestemmingsplan Meerstad-Midden het volgende facetbestemmingsplan van kracht: Herziening Bestemmingsregels Wonen 2 (vastgesteld 1 april 2020). 5.3

Toelichting op de artikelen

5.3.1 Artikelsgewijze toelichting Inleidende regels De artikelen 1 en 2 bevatten achtereenvolgens de in het plan gebruikte begrippen en hun definitie en de wijze waarop moet worden gemeten. Met de definitie van een aantal begrippen is, vaak letterlijk, aangesloten bij de definitie, zoals opgenomen in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), dat op 1 november 2014 in werking is getreden. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 45

Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden De bestemming Agrarisch met waarden is van toepassing op de agrarische cultuurgronden. Uitgangspunt voor deze gronden is een op natuur- en landschapsbeheer afgestemd agrarisch gebruik in de vorm van extensief beheerd grasland of natuurakkers. De versterking van natuur- en landschapswaarden en het tegengaan van veenoxidatie staat hierbij voorop. Op deze gronden is een aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark' opgenomen, waarbinnen het zonnepark mag worden opgericht. Op een deel van de NAM-locatie, ter plaatse van de aanduiding 'opslag', is het mogelijk om zonnepanelen en/of opslagmiddelen voor energie te plaatsen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf klantstation' kan een energietransformatorstation voor het zonnepark worden gerealiseerd. Door het gebied loopt van zuid naar noord de Kleisloot, een door mensen vergraven zijtak van de Fivel. Deze zone is aangeduid als 'natuur'. In dit gebied staat het behoud, herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en/of landschappelijke waarden voorop. De functie als zonnepark met energietransformatorstation en opslag en de natuurzone zijn toegestaan tot 25 jaar nadat het zonnepark in gebruik is genomen.

Op deze gronden is een aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - delfstoffenwinning' opgenomen, voor het deel van de bestaande NAM-locatie die in gebruik blijft voor monitoring.

Artikel 4 Bedrijf - Gasontvangststation Deze bestemming is gelegd op de bestaande locatie waar ontvangst en transport van aardgas plaatsvindt en/of afsluitervoorzieningen ten behoeve van aardgastransportleidingen aanwezig zijn.

Artikel 5 Bedrijf - Hoogspanningsstation De gronden waarop het hoogspanningsstation wordt gebouwd, zijn bestemd met de enkelbestemming Bedrijf - Hoogspanningsstation. De maximale bouwhoogte van de gebouwen is 6,5 meter. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 20 meter.

Artikel 6 Bedrijf - Opstijgpunt Deze bestemming geldt voor de gronden die de overgang markeren van de bovengrondse 110 kV-lijnverbinding naar de ondergrondse 110 kV-kabelverbinding. Binnen deze bestemming zijn Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan tot een hoogte van maximaal 55 meter.

Artikel 7 Water De hoofdwatergangen in het gebied zijn bestemd als Water.

Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding Deze bestemming heeft betrekking op de bovengrondse hoogspanningsleiding die door het vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 46

gebied loopt. Door middel van de dubbelbestemming wordt het functioneren van de leiding gewaarborgd. In een zone langs de leiding mag niet worden gebouwd.

Artikel 9 Leiding - Gas De dubbelbestemming Leiding - Gas geldt voor de hogedrukgasleidingen van Gasunie in het plangebied. Aan weerszijden van het hart van de leiding is een bebouwingsvrije zone opgenomen. Behalve bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn ook regels opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De regels van deze dubbelbestemming gaan, indien er strijdigheid optreedt met de regels van de andere ter plaatse gelegde bestemmingen, om redenen van veiligheid vóór op de regels van die andere bestemmingen.

Artikel 10 Leiding - Middenspanning Deze bestemming heeft betrekking op de ondergrondse middenspanningsleidingen die door het gebied lopen, van en naar het hoogspanningsstation. Door middel van de dubbelbestemming wordt het functioneren van de leidingen gewaarborgd. In een zone langs de leidingen mag niet worden gebouwd.

Artikel 11 Leiding - Hoogspanning Deze bestemming heeft betrekking op de ondergrondse hoogspanningsleidingen die door het gebied lopen, van en naar het hoogspanningsstation. Door middel van de dubbelbestemming wordt het functioneren van de leidingen gewaarborgd. In een zone langs de leidingen mag niet worden gebouwd.

Artikel 12 Leiding - Riool Aan de westzijde van het plangebied ligt, min of meer parallel aan het Eemskanaal, een bestaande rioolpersleiding. Deze leiding heeft de dubbelbestemming Leiding - Riool.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 1 Deze dubbelbestemming betreft de archeologische percelen. Voor deze gebieden geldt een beschermingsregime dat van toepassing is voor bouwwerken groter dan 50 m2 . Een omgevingsvergunning is nodig voor werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 30 centimeter.

Artikel 14 Waarde - Archeologie 2 Deze dubbelbestemming betreft de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Omdat dergelijke vindplaatsen (nog) niet precies zijn te duiden, geldt voor deze gebieden een beschermingsregime dat van toepassing is voor bouwwerken groter dan 200 m2 . Een omgevingsvergunning is nodig voor werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 200 m2 en dieper dan 30 centimeter.

Artikel 15 Waterstaat - Waterkering Langs het Eemskanaal en het Slochterdiep bevinden zich bestaande waterkeringen. Deze hebben de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering gekregen.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 47

Algemene regels Artikel 16 Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat de anti-dubbeltelregel. De redactie is conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze bepaling is ervoor om te voorkomen dat dezelfde grond meer dan eens betrokken wordt in een omgevingsvergunningstoets en daarmee meer gebouwd kan worden dan is toegestaan.

Artikel 17 Algemene bouwregels LID 17.2 PARKEREN In dit artikel is geregeld dat in een omgevingsvergunning voor bouwen of verbouwen in het plangebied moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de beoogde functie. Het toetsingskader dat hierbij wordt gehanteerd zijn de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Groningen die op het moment van aanvragen van de vergunning gelden. De verwijzing naar deze beleidsregels is toegestaan op grond van artikel 3.1.2 tweede lid onder a. van het Besluit ruimtelijke ordening. In principe dient op eigen terrein in de parkeerbehoefte te worden voorzien. Voor gevallen waarin dit door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd, of wanneer elders aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan, kunnen burgemeester en wethouders gebruik maken van de opgenomen afwijkingsmogelijkheid.

LID 17.3 RUIMTE TUSSEN BOUWWERKEN De bepalingen omtrent dit onderwerp zijn overgenomen uit de inmiddels uit de Woningwet geschrapte stedenbouwkundige bepalingen van de (in dit geval) Groninger Bouwverordening.

Artikel 18 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de gebruiksregels die op alle bestemmingen van toepassing zijn. In het voorliggend bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen toegestaan. Reden is, dat de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders, de raad gehoord, hebben besloten seksinrichtingen te concentreren in één concentratiegebied binnen de Diepenring en in de tippelzone. Daarbuiten wordt vestiging van prostitutie-inrichtingen tegengegaan. Het gemeentelijk beleid heeft onder meer ten doel om het woon- en leefklimaat te beschermen. De strijdigheid met de woonfunctie ontstaat door de ruimtelijke uitstraling door bijvoorbeeld aanstootgevende of storende uiterlijke kentekenen, en/of door de mogelijke verkeers- en parkeeroverlast.

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat de algemene aanduidingen. De aanduiding 'geluidzone - industrie' geldt op basis van de gezamenlijke geluidcontour van alle inrichtingen in het plangebied. In deze geluidzone mogen geen geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd.

Artikel 20 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat enkele afwijkingsbepalingen, die op alle bestemmingen in het plangebied van toepassing zijn. Bedoeling van de bepaling is om relatief kleine afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan, zowel qua omvang als qua functie.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 48

Artikel 21 Overige regels Dit artikel bevat regels over de voorang van dubbelbestemmingen op bestemmingen, de relatie tussen dubbelbestemmingen onderling en de verhouding van dubbelbestemmingen met onderliggende bestemmingsplannen.

Overgangs- en slotbepalingen Artikel 22 Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht. De redactie is conform de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Artikel 23 Slotregel Dit artikel bevat de zogenaamde slotregel, die bedoeld is voor een eenduidige vastlegging van de naam van het bestemmingsplan.

Interpretatieve gebruiksbepalingen Interpretatieve gebruiksbepalingen kunnen per bestemming worden opgenomen wanneer binnen die betreffende bestemming behoefte is aan specifieke gebruiksregels of -verboden.

Wijzigingsbevoegdheid Dit bestemmingsplan bevat geen algemene procedureregels voor wijzigingsplannen. De procedure hiervoor is nu voorgeschreven in artikel 3.6 onder 5 van de Wet ruimtelijke ordening en heeft rechtstreekse werking. Dit artikel regelt dat deze procedure de weg moet volgen die is voorgeschreven in artikel 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent een terinzagelegging van 6 weken, gedurende welke zienswijzen kunnen worden ingediend. Burgemeester en wethouders besluiten vervolgens binnen 8 weken over de vaststelling van het wijzigingsplan.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 49

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 50

Hoofdstuk 6 6.1

Participatie, inspraak en overleg

Participatie

De Gebiedsvisie is opgesteld met inbreng van omwonenden, het waterschap en de provincie. Hoewel de gebiedsvisie is gemaakt in overleg met een participatiegroep met daarin circa 20 bewoners, heerst nog steeds de mening dat de ontwikkelingen niet passen in het landschap. Daarnaast is het participatieproces volgens sommige bewoners niet geheel naar wens verlopen. Zo kwam de komst van de Hyperloop ten tijde van het begin van de gebiedsontwikkeling rauw op het dak van vele omwonenden. Ook heeft een deel van de participatie in de Coronaperiode plaatsgevonden. De omwonenden zijn gewend aan rust en ruimte en willen dit graag zo houden. De gemeenteraad heeft in april 2021 een motie aangenomen die schetst dat er tussen de gemeente en de omwonenden een overeenkomst gesloten moet worden. Op basis van deze motie is de gemeente met de direct omwonenden van de gebiedsontwikkeling in gesprek gegaan. Tijdens deze gesprekken wordt opgehaald wat omwonenden belangrijk vinden en wat een plek moet krijgen in de omgevingsovereenkomst, afgestemd met het college. Besproken wordt onder andere de inrichting van de ecologische buffer. Er zijn al flinke stappen gemaakt onder leiding van een externe ecologisch adviseur. Ook krijgen de financiële afspraken met bewoners een plek in de omgevingsovereenkomst.

Uiteindelijk is deze omgevingsovereenkomst een weerspiegeling van de afspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente Groningen en de omwonenden. Momenteel hebben 61 van de 70 huishoudens de handtekening gezet onder de overeenkomst. De gemeente ondersteunt verder bewonersinitiatieven in het gebied, zoals de 'Zuidertuinen' en 'Meet Jelle en Marjan'. 6.2

Inspraak

In de aanloop naar dit bestemmingsplan heeft een uitgebreid participatieproces plaatsgevonden met omwonenden (zie paragraaf 6.1, de website gemeente.groningen.nl/zonnepark-meerstad-noord-gebiedsontwikkeling-meerstad-noord en Bijlage 12). Het bestemmingsplan is daarom niet ter inzage gelegd voor inspraak. 6.3

Overleg

In het kader van overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening hebben Gasunie, GGD, Tennet, Waterschap Hunze en Aa's en Waterschap Noorderzijlvest gereageerd op het bestemmingsplan. Hierna is aangegeven welke wijzigingen zijn doorgevoerd in het plan naar aanleiding van de overlegreacties.

Gasunie Gastransportleiding A-640-02 ontbrak op de verbeelding. Deze is alsnog opgenomen.

GGD De reactie van GGD heeft niet geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan.

Tennet In paragraaf 4.5 van de toelichting werd verwezen naar oud beleid over magneetvelden rond hoogspanningsinfrastructuur. Deze paragraaf is aangepast op basis van de recent verschenen herijking voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 51

Op de verbeelding zijn de locaties van het toekomstige hoogspanningsstation en de leidingtracés toegevoegd. De regels ten aanzien van het hoogspanningsstation en de leidingen zijn, waar mogelijk en nodig, op verschillende onderdelen in overeenstemming gebracht met de opmerkingen van Tennet.

Waterschap Noorderzijlvest De reactie van Waterschap Noorderzijlvest heeft niet geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan.

Waterschap Hunze en Aa's Voor de rioolpersleiding in het westelijk deel van het plangebied is een dubbelbestemming met bijbehorende regeling opgenomen. Voor de waterkeringen langs het Slochterdiep en Eemskanaal is een dubbelbestemming met bijbehorende regeling opgenomen. In paragraaf 3.1 van de toelichting is opgenomen dat in het plangebied niet twee, maar drie peilgebieden aanwezig zijn. In paragraaf 3.2 van de toelichting is opgenomen dat hoofdwatergangen een openbaar maaipad hebben die ook een functie voor recreatief medegebruik hebben. 6.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze inzagetermijn zijn 13 zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota van Zienswijzen (Bijlage 13).

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 52

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid / exploitatie

Over de economische uitvoerbaarheid kan het volgende worden opgemerkt. Het plangebied maakt deel uit van de grondexploitatie van Meerstad. De ontwikkeling van het plangebied Meerstad Noord is bekostigd vanuit het Energieprogramma omdat het oogpunt van het zonnepark is om energiearmoede te bestrijden en een boost te geven aan de energietransitie. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan in het tweede kwartaal van 2024 zal de raad inzicht krijgen in een aantal mogelijkheden om deze doelen te realiseren. De eerste is dat het zonnepark in eigen beheer gebouwd en geëxploiteerd wordt. Andere opties zijn het park in die fase al dan niet volledig aan de markt te verkopen of een samenwerking aan te gaan in een PPS of samenwerking met andere overheden zoals provincie en omringende gemeenten. De uitwerking van de doelen tav energietransitie en energiearmoede zal in samenhang worden gebracht met de doelstellingen van Meerstad als gehele stadsontwikkelingen en de onderliggende grondexploitatie.

vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4905/documents/82436