Bijlage 2 Vaststelling bestemmingsplan Meerstad-Noord toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Meerstad-Noord versie vastgesteld
Meerstad-Noord
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
Hoofdstuk 2
Beleidskader
7
Hoofdstuk 3
De beoogde ontwikkeling
17
Hoofdstuk 4
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
25
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
45
Hoofdstuk 6
Participatie, inspraak en overleg
51
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid / exploitatie
53
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 2
Toelichting
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 3
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De gemeente Groningen wil in 2035 CO2 -neutraal zijn. Om dat doel te halen, is volgens het gemeentelijke Beleidskader Zonneparken 2021-2025 in totaal 950 Megawatt (MW) aan zonnestroom nodig. Van deze energie wordt 450 MW opgewekt op daken van woningen, instellingen en bedrijven. Daarnaast is er 500 MW aan grondgebonden zonneparken nodig. Een van de aangewezen gebieden voor grondgebonden zonneparken is polder Lageland ten oosten van de stad Groningen. De gemeente Groningen heeft het voornemen in dit gebied de realisatie van het zonnepark Meerstad-Noord (175 hectare), met brede ecologische buffer, mogelijk te maken. Het plan is verder dat door TenneT/Enexis in het gebied een nieuw hoogspanningsstation (met 110 kV kabelverbindingen en opstijgpunt van het station naar deze verbindingen) wordt gerealiseerd. Het station is met name noodzakelijk voor het aansluiten van nieuwe duurzame energieprojecten, zoals het zonnepark Meerstad-Noord zelf, maar ook zonneparken in de omgeving. Daarnaast wordt een belemmering voor het voortzetten van de plaatsing van zonnedaken hiermee voorkomen. Ten slotte ondersteunt het hoogspanningsstation de algehele versterking van het elektriciteitsnet ten oosten van Groningen om bedrijvigheid en andere gebruikers in de toekomst van stroom te kunnen voorzien. Deze ontwikkelingen passen niet binnen de regels van de geldende bestemmingsplannen.
Er is daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld. 1.2
Begrenzing plangebied
Op onderstaande afbeelding is de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 5
Figuur 1 .1 Globale begrenzing plangebied
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Buitengebied (herziening 1997) (vastgesteld 21 december 2000); Meerstad-Midden (vastgesteld 23 juni 2010). Naast deze bestemmingsplannen zijn voor het plangebied, deels, nog de volgende facetbestemmingsplannen van kracht of in voorbereiding: Herziening Bestemmingsregels Wonen 2 (vastgesteld 1 april 2020); Herziening Parkeren 2021 (ontwerp 21 december 2023); Herziening Bestemmingsregels Wonen 2A (HBW 2A) (ontwerp 21 december 2023); Geitenhouderijen (vastgesteld 31 januari 2024). De realisatie van een zonnepark en hoogspanningsstation is niet mogelijk binnen de regels van de geldende bestemmingsplannen. Om deze reden is een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 6
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het land. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn 'nationale belangen'. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes.
Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Zonnepanelen dienen daarbij bij voorkeur op daken en gevels van gebouwen worden gerealiseerd, maar om aan de energiedoelen te voldoen is het voorzien dat ook locaties in het landelijk gebied noodzakelijk zijn. Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2 -arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur. In dit nationale belang worden de afspraken in zowel het Klimaatakkoord van Parijs als het nationale Klimaatakkoord (ontwerp 2018) herbevestigd. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 7
Dit betekent dat de transitie naar een CO2 -arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd moet zijn, door dan 95% minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990. Het hoogspanningsnet van 110 kV en hoger is in de NOVI aangewezen als nationaal belang. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevat algemene regels als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin zijn de in de NOVI benoemde nationale belangen wettelijk verankerd. Het Barro stelt met het oog hierop regels, waarmee bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Wat betreft de elektriciteitsvoorziening zijn bestaande hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de schakel- en transformatorstations vallen, opgenomen in het Barro (artikel 2.8.7): 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding bevat het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het gebruik als hoogspanningsverbinding toe. 2. Een bestemmingsplan wijst geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan. 3.
In afwijking van het tweede lid kan, na schriftelijk advies van de beheerder van het hoogspanningsnet, een ander tracé van de hoogspanningsverbinding worden aangewezen, mits de hoogspanningsverbinding als zodanig in het bestemmingsplan wordt gehandhaafd, het bestemmingsplan het gebruik van dat gewijzigde tracé als hoogspanningsverbinding toelaat en het tracé aansluit op het tracé van de hoogspanningsverbinding in de naastliggende bestemmingsplannen. 2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. De Ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Ad 1. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving.
Volgend uit jurisprudentie worden zonneparken en hoogspanningsstations niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd. Toepassing van de Ladder is daarom niet aan de orde.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 8
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Omgevingsvisie provincie Groningen Doel van de Omgevingsvisie (geconsolideerd 2022) is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.
In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':
RUIMTE Ruimtelijke kwaliteit Aantrekkelijk vestigingsklimaat Ruimte voor duurzame energie Vitale landbouw NATUUR EN LANDSCHAP Beschermen landschap en cultureel erfgoed Vergroten biodiversiteit WATER Waterveiligheid Schoon en voldoende water MOBILITEIT Bereikbaarheid MILIEU Tegengaan milieuhinder Gebruik van de ondergrond De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 9
en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen. 2.2.2 Omgevingsverordening Provincie Groningen De Omgevingsverordening Provincie Groningen (geconsolideerd 2022) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Omgevingsvisie provincie Groningen, zoals hiervoor beschreven. Hierna zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het plangebied.
Artikel 2.42.1 Zonneparken 1. Een bestemmingsplan voorziet niet in de plaatsing van zonneparken. 2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het plaatsen van zonneparken voor een periode van maximaal 30 jaar: a. binnen het stedelijk gebied; b. aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark kleiner is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke, of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; c. aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark groter is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; d. binnen een bouwvlak in het buitengebied en/of daaraan aansluitend, mits het zonnepark zich ruimtelijk manifesteert als een hecht geheel met het bouwvlak en daar qua maatvoering ondergeschikt aan is, en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; e.
op een voormalig slibdepot, op een bedrijfsterrein ten behoeve van gaswinning en gastransport, of op een gesloten stortplaats als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; f. op door Gedeputeerde Staten, op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie zonne-energie aangewezen locaties en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 3. Aan de omvang, situering, en inrichting van het zonnepark als bedoeld in het tweede lid, dient een inrichtingsplan ten grondslag te liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: a. de historisch gegroeide landschapsstructuur; b. de afstand tot andere ruimtelijke elementen; c. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de voorzieningen voor de opwekking van zonne-energie. 4. Het bestemmingsplan biedt inzicht in de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van het zonnepark. Artikel 2.42.2 Borging uitvoering inrichtingsplan 1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.42.1, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 10
a. bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het inrichtingsplan worden gebouwd of aangelegd; en b. de aanleg en instandhouding van de in voorkomend geval in het inrichtingsplan opgenomen beplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. 2. Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het inrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplanten instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is. Bij het zonnepark Meerstad-Noord gaat het om een park als bedoeld in artikel 2.42.1 lid 2 onder c. Voor de opzet en inpassing wordt samengewerkt met de provincie. Op de landschappelijke inpassing en de de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van het zonnepark, wordt verder ingegaan in paragraaf 3.2. Voor de borging van de uitvoering van het inrichtingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 3.3.2 van de regels van dit bestemmingsplan. Het plan is in overeenstemming met de regels van de provinciale Omgevingsverordening. 2.2.3 RES-regio Groningen Om de landelijke en lokale doelstellingen rondom energieneutraliteit te bereiken, werken 30 energieregio’s aan een Regionale Energiestrategie (RES). Provincie Groningen en de gemeenten in Groningen werken samen in de RES regio Groningen.
Deze regio heeft in haar RES 1.0 een doelstelling gesteld van totaal 5,7 TWh in 2030 opgewekt door wind- en zonne-energie. Als gemeentes in Groningen de ambities uitvoeren die ze daar bovenop in hun beleid hebben vastgelegd, kan de productie van duurzame elektriciteit in Groningen in 2030 mogelijk oplopen tot 6,3 TWh. In 2023 zal in de regio Groningen jaarlijks 4 TWh door wind- en zonne-energie worden geproduceerd. Die 4 TWh aan bestaande en vergunde wind- en zonneparken staat vast. Deze energieparken zijn in 2020 al in gebruik of in aanbouw, of worden tussen nu en eind 2023 gebouwd. Het basisbod van 4 TWh in 2023 wordt hoger als gemeentes al door gemeenteraden vastgestelde beleidsvisies en beleidsplannen uitvoeren (als zogenaamde bouwstenen). De totale productie kan in de regio Groningen in 2030 oplopen tot 3,3 TWh windenergie en 3,0 TWh zonne-energie. Zonnepark Meerstad-Noord maakt hier deel van uit. 2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1 Omgevingsvisie Levende Ruimte De Omgevingsvisie Levende Ruimte (vastgesteld 26 januari 2021) gaat over de ontwikkeling van de ruimtelijke en sociale leefomgeving van Groningen. De ontwikkelingen en uitgangspunten dragen bij aan het doel van de Omgevingsvisie: een zo hoog mogelijke leefkwaliteit in een groene, gezonde en veilige leefomgeving.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 11
Figuur 2 .1 V is iekaart O mgevings vis ie gemeente Groningen
De energietransitie wordt versneld. Het is strategie dat investeringen in energietransitie en klimaatadaptatie bijdragen aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van stad en land. Zonne-energie is een van de belangrijkste dragers van de energietransitie. De gemeente blijft het opwekken van zonne-energie actief stimuleren en ontwikkelen. Voor het plaatsen van zonnepanelen hebben daken de voorkeur, het liefst in combinatie met groene daken. De opgave voor zonne-energie is echter groter dan wat op daken past. Daarom wordt ook ruimte gegeven aan zonneparken. Dat gebeurt bij voorkeur op onbenutte locaties met de mogelijkheid tot dubbelgebruik, zoals slibdepots of vuilstortplaatsen en in gebieden als Meerstad-Noord en Westpoort-Noord. Deze grootschalige projecten ontwikkelt de gemeente zelf. In de Omgevingsvisie is Meerstad-Noord aangewezen als zoekgebied voor grootschalige energieopwekking (zon). 2.3.2 Beleidskader Zonneparken 2021-2025 In november 2021 is het Beleidskader Zonneparken 2021-2025 vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente Groningen wil in 2035 CO2 -neutraal zijn. Dat wil zeggen dat er veel energie bespaart wordt en de resterende energie die gebruikt wordt afkomstig is van hernieuwbare bronnen. De helft hiervan wordt in de gemeente Groningen zelf opgewekt. Allereerst komen er veel zonnepanelen op daken en parkeerterreinen.
Hiervoor is het Beleidskader Zon op daken 2021-2025 vastgesteld. Daarnaast is er beperkt plek voor zonneparken, onder strenge voorwaarden. Dit is verwerkt in de visie van het zonneparkenbeleid. Deze zonneparken zijn altijd lokaal: wie doun ’t zulf, en de opbrengsten komen ten goede aan de lokale gemeenschap. Het grootste deel legt de vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 12
gemeente daarvoor zelf aan op eigen grond; in Meerstad-Noord en Westpoort-Noord. Dit betreft gebieden in de gemeente waar een verstedelijkingsopgave voor de langere termijn speelt, en waar in de tussentijd plek is voor de uitwerking van grootschalige energie-oplossingen, samen met andere functies. Dit worden pauzelandschappen genoemd. Daarnaast is beperkt plek voor kleinere, lokale initiatieven met draagvlak in de omgeving, met zoveel mogelijk, maar minimaal met 51 procent lokaal eigendom. Er wordt geen ruimte gegeven aan nieuwe commerciële initiatieven. De omgeving wordt altijd nauw betrokken bij een initiatief voor een zonnepark. De initiatiefnemer maakt afspraken over locatie, inpassing, compensatie en opbrengsten. De omgeving krijgt voorrang bij lokaal eigendom. Dit is ook vastgelegd in het participatiekader voor zonne- en windparken in de gemeente Groningen dat eind 2023 is vastgesteld. Het uitgangspunt van het Groningse zonbeleid is om zonnepanelen op daken te prioriteren boven zonneparken. Daarbij is de gemeente actief bezig met invulling te geven aan zonnepanelen op P+R parkeerterreinen en doet de gemeente mee met een project van Rijkswaterstaat voor zonnepanelen nabij de A7. Voor het Groningse zonbeleid is ook een potentiescan gedaan van daken in de gemeente.
Daaruit blijkt dat zelfs wanneer alle geschikte daken vol worden gelegd, er alsnog een restopgave overblijft die met zonneparken dient te worden ingevuld. Voor zonneparken geldt dat er hoge eisen worden gesteld aan landschap, ecologie en betrokkenheid van de omgeving. Hierbij wordt het principe van de zonneladder toegepast. Deze is verwerkt in een kaart met voorkeurslocaties (treden 0 en 1), beperkte mogelijkheden in het buitengebied (trede 2) en locaties waar zonneparken ongewenst of uitgesloten zijn (treden 3 en 4).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 13
Figuur 2 .2 Zonneparken in Groningen
Trede 0: zonnepanelen op zoveel mogelijk geschikte daken en parkeerterreinen Trede 1: lokale zonneparken met slim dubbelgebruik of tijdelijk in pauzelandschappen vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 14
Trede 2: kleine lokale zonneparken, beperkt in het buitengebied Trede 3: kwetsbaar gebied: hier zijn zonneparken ongewenst Trede 4: beschermd gebied: hier zijn zonneparken uitgesloten
De gehele huidige opgave voor zonne-energie past ruimschoots binnen treden 0, 1 en 2. Tot 2025 wordt aan maximaal vijf lokale initiatieven medewerking verleend. Vanaf 2025 wordt de voortgang geëvalueerd, op basis van nieuwe inzichten in de opgave en de uitkomsten. De gemeente werkt, ook in RES-verband, samen met de netbeheerders om te zorgen dat de ontwikkeling van de netcapaciteit tot 2035 gelijke tred houdt met de ambities. Het plangebied (Meerstad-Noord) is in het beleidskader aangewezen als zoekgebied grootschalig zon (trede 1). Met de realisatie van het hoogspanningsstation wordt de netcapaciteit vergroot. Het bestemmingsplan past binnen het Beleidskader Zonneparken. 2.3.3 Routekaart CO2 neutraal in 2035 De gemeenteraad heeft in 2018 de 'Routekaart Groningen CO2 neutraal in 2035' vastgesteld. Om de gewenste omslag van fossiele naar duurzame energie daadwerkelijk voor elkaar te krijgen, moeten gemeente en inwoners aan de slag. Met woningen, in huishoudens, in de bedrijven en met mobiliteit. En ook aan de andere kant, waar de energie vandaan wordt gehaald: zon, wind en andere duurzame bronnen. De Routekaart presenteert een samenhangend scenario waarin al deze sporen zijn opgenomen. Centraal in het beleid voor hernieuwbare energieproductie staat Meerstad-Noord.
Op dit terrein wil de gemeente een energielandschap ontwikkelen waar duurzame energie wordt geproduceerd, gedistribueerd en getransformeerd. Centraal staat de productie van zonne-energie. Voor de energievoorziening van de stad is het noodzakelijk dat ruimte wordt gecreëerd voor een zonnepark van ten minste 250 MWp. Aanvullende kansen in het gebied zijn onder meer zonnethermie, een wijkcentrale, aanland- en verdeelpunt van het warmtenet uit de Eemshaven, windturbines langs het Eemshavenkanaal, de productie van groene waterstof, een onderstation van Enexis of TenneT en tijdelijke energieopslag. De routekaart gaat over de gemeentelijke opgave om in 2035 CO2 -neutraal te zijn en hoe de gemeente dat doel wil bereiken. De zaken die hier worden genoemd betreffen gemeentebrede ideeën en zijn niet van toepassing op de huidige gebiedsontwikkeling Meerstad-Noord. Behalve het hoog- en middenspanningsstation, eventueel zonnethermie en tijdelijke energieopslag, worden de andere genoemde kansen niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een zonnepark en hoogspanningsstation mogelijk gemaakt in Meerstad-Noord. Dit gebied is in de Routekaart aangewezen als energielandschap waar duurzame energie wordt geproduceerd, gedistribueerd en getransformeerd.
2.3.4 Gebiedsvisie Meerstad-Noord Met de Gebiedsvisie Meerstad-Noord is een integraal plan gemaakt om op regionaal niveau meerwaarde te genereren. Primair door een bijdrage te leveren aan opwekking en distributie van duurzaam opgewekte energie. Er is een contour vastgelegd waarbinnen maximaal 175 hectare aan zonelektriciteit en/of warmte wordt opgewekt. In het plan is daarnaast een locatie voor een hoogspanningsstation opgenomen, dat van belang is voor distributie van opgewekte energie in de regio. Gekoppeld aan de energie-opgave wordt in het gebied blijvende meerwaarde gerealiseerd door te investeren in een duurzaam groen/blauw raamwerk. Dat bedient meerdere doelen: waterberging, natuur en recreatie. De inrichtings- en beheersmaatregelen in het vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 15
groen/blauwe netwerk zijn zo gekozen dat deze toekomstbestendig zijn en ook ná zon, bij een volgende transformatie, behouden kunnen blijven. In de polder als geheel wordt gestreefd naar een toename van biodiversiteits-, landschaps-, recreatie- en natuurwaarden door: de opstelling van het grootste deel van het zonnepark zo ruim te kiezen, dat bodemleven mogelijk blijft en er ruimte blijft voor het groeien van kruiden/gewas en duurzaam beheer; te investeren in de directe randen van het zonnepark, in het herstel van de oude Kleisloot en door te investeren in een bufferzone; het lokale netwerk van wandel- en fietspaden uit te breiden. Samen met provincie en waterschap worden de kansen onderzocht om in het gebied veenoxidatie te reduceren. Daarbij is het uitgangspunt dat de te nemen maatregelen niet voor overlast voor omwonenden zorgen. De ruime bufferzone houdt een agrarische bestemming. Tijdens de looptijd van het zonnepark kan het worden gebruikt door omwonenden en wordt de zone samen met hen ingericht. Indien dit een meerwaarde betekent, kan ook hier de bestemming in samenspraak met direct omwonenden (tijdelijk) wijzigen. In Hoofdstuk 3 wordt verder ingegaan op de onderdelen van de gebiedsvisie.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 16
Hoofdstuk 3 3.1
De beoogde ontwikkeling
Huidige situatie
3.1.1 Ontstaansgeschiedenis Het gebied Meerstad-Noord, ook wel polder Lageland genoemd, maakt deel uit van de streek Duurswold: een klei-op-veenontginningslandschap in het laagste gedeelte van de provincie Groningen, tussen Groningen en Appingedam. De eerste bewoners in Duurswold vestigden zich op hoger gelegen delen: dekzandruggen, zandopduikingen en rivieroevers. Vanaf daar werd het gebied stukje bij beetje ontgonnen. De ontginningen worden ‘randveenontginningen’ genoemd. Ze worden gekenmerkt door een langgerekte strokenverkaveling, die ook in de polder terug te zien is. De aanleg van het Damsterdiep (12e/13e eeuw) zorgde voor een betere ontwatering in het gebied. Polder Lageland is vanaf die tijd in gebruik genomen. Dat gebeurde zowel vanaf de oostkant (vanaf de Hamweg (Lageland)) als vanaf de westkant. De Kleisloot, die middenin het gebied loopt, vormde de grens tussen beide ontginningen. In het begin werden er vooral rogge en andere granen verbouwd, maar het veenpakket oxideerde en klonk in door ontwatering. Op den duur waren veel landerijen alleen nog geschikt als weide- of hooiland.
Figuur 3 .1 T opografie c irc a 1 8 5 0 (bron: Gebieds vis ie)
Na 1800 zochten de boeren van Duurswold aansluiting bij de welvaart van de kleistreek. Er werden poldermolens gerealiseerd die zorgden voor een betere ontwatering. Daardoor kon ook in het Duurswold de akkerbouw worden geïntensiveerd. Schrale hooilanden veranderden opnieuw in vruchtbare roggevelden en aardappelakkers, mede dankzij bemesting. In 1877 was het Eemskanaal gereed. Ook dit had een rol in het verbeteren van de ontwatering van het gebied. Tevens werd het een belangrijke route voor de scheepvaart.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 17
Figuur 3 .2 T opografie c irc a 1 9 1 0 (bron: Gebieds vis ie)
Door ruilverkavelingen in de jaren zestig en zeventig is het landschap ook in polder Lageland drastisch veranderd. Aan de westzijde is het historische verkavelingspatronen nog herkenbaar, in het oostelijk deel is dat lastig. De twee verschillende ontginningen zijn nog wel altijd in het landschap te herkennen, vooral door het verschil in oriëntatie. In 1969 werd in Groningen het eerste gas ontdekt en vanaf de jaren '60 is het gasveld stap voor stap in gebruik genomen. Ook in het gebied bevindt zich een locatie voor gaswinning van de Nederlandsche Aardolie Maatschappij (NAM). De hoogspanningsleiding naar middenstation Euroborg loopt aan de oostkant door het gebied. Begin jaren 2000 vormde de polder het noordelijk deel van het ontwikkelgebied Meerstad. In het masterplan Meerstad (2005) kreeg het gebied deels een bestemming woningbouw en werd het deels benut voor de regionale waterbergingsopgave. In die tijd zijn veel gronden in de polder aangekocht door ontwikkelaars. Vanaf 2008 werd duidelijk dat woningbouw hier op de korte tot middellange termijn niet nodig was. De gemeente Groningen heeft de gronden overgenomen van ontwikkelende partijen en heeft sindsdien het grootste deel van de gronden in de polder in haar bezit. Vanaf toen werd gezocht naar een andere invulling, waarmee het al enige tijd duidelijk is dat het open landschap zoals het nu is niet blijft.
In 2012 heeft de gemeente uitgesproken te onderzoeken of het gebied voor de realisatie van een zonnepark gebruikt kon worden. In 2016 is een groot deel van het gebied in de gemeente Groningen komen te liggen na een grenscorrectie met de voormalige gemeente Slochteren. 3.1.2 De (huidige) ruimtelijk-functionele structuur Landschap en cultuurhistorie Polder Lageland heeft een zeer open landschap en grotendeels een agrarisch gebruik. Zo’n 60% van de agrarische gronden is in gebruik als weide- of hooiland en 40% is in gebruik als akkerland (suikerbiet, mais, aardappelen). Middenin het gebied ligt de gaswinlocatie van de NAM, omgeven door bomen. Langs het Eemskanaal bevindt zich een provinciaal slibdepot dat inmiddels volledig begroeid is. Opgaande beplanting is verder te vinden op en rond de boerenerven en langs wegen in het gebied. Het cultuurlandschap is door de laatste ruilverkaveling zo veranderd dat het als geheel niet van bijzondere waarde wordt geacht. Het verschil in ontginningsgeschiedenis tussen vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 18
het westelijk en oostelijk deel is nog wel herkenbaar en wordt van waarde geacht. Verder bevinden zich in het gebied enkele landschappelijke elementen met cultuurhistorische waarde: restanten van de kleisloot, enkel oudere waterlopen en kavelgrenzen. De archeologische waarden in de polder zijn eveneens geïnventariseerd. Het betreft vooral oude huiswierden uit de tijd van de eerste bewoning van de polder.
Natuurwaarden De gronden in de polder zijn intensief door landbouw en veehouderij in gebruik. De geproduceerde gewassen, zoals suikerbieten en mais, kenmerken zich veelal als monoculturen waar voor insecten en andere dieren weinig of geen voortplantingsruimte en voedsel te vinden is. Ook de weide- of hooilanden zijn als onderdeel van veehouderijen vaak intensief in beheer. De bodemkwaliteit in polder Lageland is daardoor mager en van oorspronkelijke of kenmerkende flora is nauwelijks sprake.
Water De polder Lageland wordt efficiënt ontwaterd en staat geheel in dienst van het huidige agrarische gebruik. Het systeem van hoofd- en nevenwatergangen is weergegeven op figuur 3.3. Binnen het gebied zijn drie peilgebieden aanwezig, waarvan de peilen van noord naar zuid steeds iets lager liggen. De peilen ten opzichte van NAP voor respectievelijk de zomer en winter zijn -2,75/-3,05 m, -3,0/-3,40 m en -3,15/-3,5 m. Het gebied watert af in zuidelijke richting naar het gemaal Lageland aan het Slochterdiep.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 19
Figuur 3 .3 Waters ys teem (bron: Gebieds vis ie)
3.2
Toekomstige situatie
Met de Gebiedsvisie Meerstad-Noord is een integraal plan gemaakt om op regionaal niveau meerwaarde te genereren. Primair door een bijdrage te leveren aan opwekking en distributie van duurzaam opgewekte energie. Er is een contour vastgelegd waarbinnen maximaal 175 hectare aan zon-elektriciteit en/of warmte wordt opgewekt. In het plan is daarnaast een locatie voor een hoogspanningsstation opgenomen, dat van belang is voor distributie van opgewekte energie in de regio. Gekoppeld aan de energie-opgave wordt in het gebied blijvende meerwaarde gerealiseerd door te investeren in een duurzaam groen/blauw raamwerk. Dat bedient meerdere doelen: waterberging, natuur en recreatie. De inrichtings- en beheersmaatregelen in het groen/blauwe netwerk zijn zo gekozen dat deze toekomstbestendig zijn en ook ná zon, bij een volgende transformatie, behouden kunnen blijven. Hiervoor is een inpassingsplan opgesteld (Bijlage 1).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 20
3.2.1 Zonnepark Ruimtelijke opzet Het zonnepark wordt grotendeels gerealiseerd binnen de bestaande hoofdwaterlopen in het gebied. Daarmee sluit het park aan op de bestaande landschappelijke structuur, wordt afstand gehouden van bestaande woningen en worden de hoeveelheid hekwerken geminimaliseerd. In het gebied daarbinnen wordt verwacht ruim 200 MWp elektriciteit per jaar over de komende 25 jaar te kunnen realiseren. Indien zonne-elektriciteit deels wordt vervangen door zonnewarmte, gelden dezelfde uitgangspunten. Het zonnepark krijgt twee oriëntaties. Het westelijk deel, in de oude ‘Heidenschap-ontginning’, voegt zich in het verkavelingspatroon van dit gebied. Panelen hebben er een iets verdraaide zuid-oriëntatie met de bestaande kavelrichting mee. Het oostelijk deel van het zonneveld betreft de ‘Lageland-ontginning’. Het is de bedoeling de opstelling eveneens met de kavelrichting (NW-ZO) mee op te stellen. In beide delen van het zonnepark worden de meeste sloten behouden. In het zonnepark wordt in het westelijk deel, in de oude ‘Heidenschap-ontginning’, uitgegaan van een tussenruimte tussen de rijen zonnepanelen van 3 meter. In de ‘Lageland-ontginning’ is de ruimte tussen de rijen zonnepanelen 2,50 meter. Zonnepanelen en de benodigde omvormers hebben een maximale hoogte van 2,40 meter boven het huidige maaiveld.
Figuur 3 .4 Inpas s ings plan
Tussen beide delen van het zonnepark bevindt zich de oude Kleisloot, een door mensen vergraven zijtak van de Fivel en van oudsher de scheiding tussen beide ontginningen. Ook liggen er meerdere gasleidingen waarboven geen zonnepanelen mogen worden gerealiseerd. Er wordt van uitgegaan dat de bestaande gasleidingen worden behouden, ook na vertrek van de NAM-locatie. De bestaande gasleidingen kunnen in de toekomst worden gebruikt voor transport van bijvoorbeeld electriciteit via gecompresseerde lucht, buitenlands gas of biogas. De oude loop van de Kleisloot wordt hersteld. Rondom, en deels bovenop de gasleidingen, wordt een groenzone aangelegd. Die vormt de scheiding tussen beide delen van het zonnepark. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 21
Het is de ambitie de hoeveelheid hekken rondom het zonnepark te minimaliseren door maximaal gebruik te maken van bestaande waterlopen als grens. Langs de waterlopen en in de zone rondom de kleisloot worden de ecologische waarden versterkt. De noodzakelijke omvormers en alle andere randzaken van het zonnepark worden conform de maatwerkmethode van de provincie landschappelijk ingepast en gesitueerd. Het zonnepark bevindt zich aan de oostkant, met de Blokumersloot als grens, op ruim 500 meter van de achtererfgrens van woningen. Aan de westkant ligt de grens op 300 meter vanaf de achtererfgrens van de woningen aan het Eemskanaal/Zuiderweg. Negen woningen liggen binnen 300 m afstand vanaf het zonnepark. De buffer van 300 meter is groter dan normaal wordt toegepast bij soortgelijke parken.
Gemeentelijke ontwikkeling De gemeente Groningen heeft het grootste deel van de grond (circa 85%) in eigendom en heeft de wens het zonnepark zelfstandig, onder eigen regie, te ontwikkelen. Het rendement dat wordt behaald, wordt ingezet voor bijvoorbeeld de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Het gaat met name om het aanpakken van ‘energie-armoede’ waarbij woningen worden verduurzaamd van eigenaren die zelf geen financiële middelen hebben. Zo is sprake van sociaal eigendom. Vanzelfsprekend wordt samengewerkt met de overige grondeigenaren in het gebied. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat de grondeigenaren, indien ze zelf een deel van het zonnepark behorend bij hun eigendom willen realiseren, dit 50% lokaal wegzetten. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden dat ongeveer 15 hectare door direct aanwonenden lokale omwonenden - bewoners van de gemeente Groningen kan worden gefinancieerd waarmee eigenaarschap en zeggenschap ontstaat. Zo is ook sprake van lokaal eigendom.
Verdere aspecten Omdat de gemeente optreedt als ontwikkelaar kan ervoor worden gezorgd dat, verdergaand dan wettelijk noodzakelijk, gebruik kan worden gemaakt van de Best Beschikbare Technieken voor aspecten als opwekcapaciteit, circulariteit en vorm, afmeting en geluidsproductie. Bij de bouw en verdere exploitatie van het zonnepark wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van lokale werknemers. 3.2.2 Hoogspanningsstation In het gebied wordt een nieuw hoogspanningsstation gerealiseerd dat van belang is voor de distributie van elektriciteit in de regio. Voor Tennet is het relevant dat dit station in de nabijheid van de hoogspanningslijn ligt. Voor Enexis is een belangrijke voorwaarde dat er zo min mogelijk kruisingen en parallel liggingen worden gecreëerd met bestaande buisinfra in het gebied. Het benodigde oppervlak van een dergelijk station is ongeveer 150 bij 150 meter. Op figuur 3.4 is ten oosten van de NAM-locatie een voorlopige locatie aangegeven. Ambitie is de locatie zoveel mogelijk uit het zicht van omwonenden te houden. Dit moet echter technisch wel mogelijk zijn. De voorziene hoogte van de gebouwen van het station is circa 6,5 meter, met een aantal bliksemafleiders met een hoogte van 20 meter. Het terrein waar het station komt te staan moet nog opgehoogd worden om aan drooglegging van de bodem te voldoen.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 22
3.2.3 NAM-locatie De NAM-locatie is gesloten. Bij het vertrek van de NAM kan de locatie worden benut voor zonne-energie en/of stroombuffering. Te denken valt aan bijvoorbeeld zoutbatterijen in zeecontainers. De businesscase hiervoor staat nog in de kinderschoenen, maar dit kan op termijn een rol spelen. 3.2.4 Hyperloop In een eerder stadium van planvorming was sprake van de komst van een testcentrum van het European Hyperloop Center (EHC) in het plangebied. Deze ontwikkeling vindt geen doorgang in het plangebied en is daarom niet meegenomen in dit bestemmingsplan. 3.2.5 Groen en landschap Bij de ontwikkeling wordt gestreefd naar toename van de kwaliteit van de bodem, het landschap en het groen/blauwe raamwerk, dat meerdere doelen (waterberging, natuur, recreatie) bedient. Er wordt gekozen voor inrichtings- en beheersmaatregelen die ook ná het zonnepark behouden kunnen blijven.
In het zonnepark In het zonnepark wordt gewerkt met een dichtheid en plaatsing van panelen die ontwikkeling van bloemrijke graslanden met kenmerkende oorspronkelijke en gebiedseigen soorten mogelijk moet maken. Streven is ter plaatse van het zonnepark als geheel de bodemkwaliteit licht te verbeteren. Er wordt geaccepteerd dat onder de panelen die kwaliteit achteruitgaat. Het streven is echter om tussen de panelen de bodemkwaliteit te verhogen, met daarmee netto een positief effect op bodemkwaliteit. Bodemkwaliteit en soortenrijkdom worden tijdens de looptijd van het zonnepark gemonitord.
Natuurzone Kleisloot De Kleisloot, een door mensen vergraven zijtak van de Fivel, krijgt een meer continu profiel terug. Dit door de delen van de kleisloot, die nog aanwezig zijn, waar mogelijk door te koppelen en iets te verbreden. De kleisloot vormt een natuurlijke grens tot het westelijk deel van het zonnepark. De ruimte ten oosten van de kleisloot varieert van 30 meter op zijn smalst tot ruim 100 meter, daar waar er verschillende gasleidingen naast de kleisloot zijn gelegen. In de brede zone langs de kleisloot wordt gestreefd naar biotopen als bloemrijk grasland, water en beperkt moerasvegetatie en struweel. De ruimte wordt ecologisch optimaal ingericht en beheerd en wordt openbaar toegankelijk.
Randen van het zonnepark De directe randen van het zonnepark worden grotendeels gevormd door bestaande hoofdwatergangen. Onderzocht wordt of en zo ja hoe de randen gevarieerder kunnen worden ingericht. Langs elke hoofdwatergang blijft in ieder geval een openbaar maaipad in stand. Dat heeft ook een functie voor recreatief medegebruik. Er wordt onderzocht of waterlopen kunnen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever. Langs het maaipad wordt struweel aangeplant. Dat wordt afgestemd op zowel de wenselijke biotopen en doelsoorten in de polder als op wensen van omwonenden.
Bufferzone De bufferzone is de groene ruimte tussen de bestaande bewoning en het zonnepark en vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 23
heeft over het algemeen een breedte van 300 tot 500 meter. De bufferzone wordt verpacht aan boeren en omwonenden. Er zijn afspraken gemaakt met het collectief van pachters over het beheer dat er op gericht is het gebied te transformeren tot extensief gebruikt agrarisch gebied. Randvoorwaarden daarbij zijn: geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, geen kunstmest en geen drijfmest. Door over te stappen van monocultuur op meerdere teelten per perceel, afgewisseld met braakliggende en teeltvrije zones ontstaat meer variatie in het landschap. Door de variatie en het verspreid door het jaar bewerken en oogsten ontstaan kansen voor het vergroten van de biodiversiteit. Gecombineerd met het verhogen van het waterpeil (met als doel het remmen van de veenoxidatie) en het vasthouden van water in het gebied, zal de bufferzone transformeren tot een extensief beheerd agrarisch cultuurlandschap met hoge natuurwaarden. Voor het zuidelijk deel van de bufferzone (langs het Slochterdiep) is het de ambitie vorm te geven aan de regionale ecologische verbinding tussen de natuurgebieden ten noord(oost)en van de stad Groningen en het Roegwold. Daar wordt de inrichting primair op afgestemd. Er wordt gestreefd naar een slimme mix van ingrepen, die zowel wensen van omwonenden bedienen als landschapsdoelen en ecologische doelen dienen.
Hierbij wordt samengewerkt met de provincie binnen de programma's Bos & Hout en Natuur.
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 24
Hoofdstuk 4 4.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Kader De procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Het doel van de m.e.r. is om te verzekeren dat adequate milieuinformatie beschikbaar is ten behoeve van de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor een m.e.r-plicht of m.e.r-beoordelingsplicht geldt, zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De inhoudelijke vereisten aan een milieueffectrapport (MER) zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). De m.e.r.-procedure mondt uit in een rapport, het milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt in het plan-MER en het project-MER.
Afweging De oprichting van een zonnepark en een hoogspanningsstation vallen niet specifiek onder de m.e.r.-regelgeving. De drempelwaardes voor een m.e.r.-plicht worden niet overschreden. In principe is er daarmee sprake van een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat het bevoegd gezag beoordeelt of er aanleiding is een project-m.e.r. te doorlopen. De gemeente Groningen heeft ervoor gekozen vrijwillig een gecombineerde plan- en project-MER op te stellen om daarmee zorgvuldige besluitvorming te ondersteunen. Een beoordeling door het bevoegd gezag of inderdaad een project-MER noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning, kan daarom achterwege blijven. Over het MER is door de Commissie m.e.r. een voorlopig advies uitgebracht. De commissie adviseert om de milieugevolgen voor landschap, natuur en water nog nader inzichtelijk te maken. Dit betreft een nadere onderbouwing van de milieugevolgen voor de groene buffer. Op basis hiervan is het MER aangevuld (Bijlage 2).
PLAN-MER Het plan-MER betreft de onderbouwing van de locatiekeuze voor een zonnepark met HS-station binnen de gemeente Groningen. Onderzocht is of er alternatieve locaties beschikbaar zijn om het project te realiseren en of deze zwaarwegende voor- of nadelen hebben vanuit het oogpunt van milieueffecten ten opzichte van de voorziene locatie. Op grond van de omvang van het project, het gemeentelijke beleid en een wenselijke afstand tot woningen zijn er twee alternatieve locaties aangewezen in het MER. Deze blijken beide op basis van milieueffecten echter geen zwaarwegende voor- of nadelen te hebben ten opzichte van de gekozen locatie.
PROJECT-MER In het project-MER is onderzoek gedaan naar concrete inrichtingsalternatieven voor het plangebied, dus op de voorziene locatie, en de milieueffecten daarvan. De variaties in de inrichting van het gebied die zijn onderzocht betreffen: ijf mogelijke posities het hoogspanningsstation noord, zuid, oost, west en midden; het totale oppervlakte van de zonnepanelen (125, 150 of 175 Ha); de oriëntatie van de zonnepanelen: noord-zuid of oost-west; vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 25
de hoogte van de zonnepanelen; de onderlinge afstand tussen de rijen zonnepanelen.
Figuur 4 .1 P langebied, globale indeling, bes taande objec ten en autonome ontwikkelingen (bron: P ondera)
De vijf mogelijke posities van het hoogspanningsstation (noord, zuid, oost, west en midden) zijn vergeleken op grond van de milieueffecten magnetische velden, geluid, cultuurhistorie, archeologie, landschap, veiligheid en ruimtegebruik. Samengevat scoren de zuidelijke en noordelijke locaties relatief slecht. Het verschil tussen de overige drie is minder groot. De oostelijke locatie scoort licht beter op de mogelijke effecten op de gastransportinfrastructuur.
Voor het ontwerp van het zonnepark en de groene buffer zijn hierna de onderscheidende effecten van de ontwerpkeuzes op het milieu omschreven.
Het oppervlakte van het zonnepark: 125, 150 of 175 hectare Een groter oppervlak leidt tot een evenredige verhoging van de hoeveelheid opgewekte duurzame energie, maar gaat ten koste van de groene buffer en daarmee van de potentie om de natuurwaarde binnen het plangebied te vergroten. Een groter oppervlak heeft wel effect op een groter gebied met een archeologische verwachtingswaarde, maar dit kan goed door middel van vooronderzoek in het veld (boringen) en waar nodig opgevolgd door het opgraven, documenteren, conserveren, rapporteren en deponeren van waarden worden gemitigeerd.
De afstand tussen de panelen: 0,5 meter, 3,4 meter of 6 meter Een kleinere afstand tussen de panelen verhoogt de duurzame energieproductie per hectare zonnepark, maar bij een onderlinge afstand van 2 meter of meer wordt de vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 26
potentie voor natuurontwikkeling binnen het zonnepark significant hoger.
De oriëntatie van de panelen: zuid of oost-west Zuid-oriëntatie levert theoretisch iets meer duurzame energie, maar het verschil tussen de productiepieken en -dalen is wel groter. Deze oriëntatie is daarmee lastiger in te passen op het netwerk.
De hoogte van de panelen Hogere panelen kunnen een meerwaarde hebben voor zonlicht en daarmee voor de potentie voor natuurwaarden onder de panelen.
Voorkeursvariant Het gecombineerde plan- en project-MER is op 5 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. De voorkeursvariant is in december 2023 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders:
HSMS-Station Het advies wat betreft de locatie van het HSMS-station is om de middenvariant aan te houden, zoals beschreven in het MER, met de aanpassing dat de locatie ongeveer 50 meter naar het noorden opschuift. Deze geeft het minste overlast voor de omwonenden en is in lijn met de locatie zoals al aangegeven in de gebiedsvisie.
Oppervlakte zonnepark In lijn met de gebiedsvisie wordt geadviseerd een maximaal oppervlakte van 150 hectare voor het zonnepark te realiseren. Een groter oppervlak leidt tot een evenredige verhoging van de hoeveelheid opgewekte duurzame energie.
Afstand tussen panelen Het advies wat betreft de afstand tussen de panelen, is om aan de westkant van de Fivel, daar waar de zonnepanelen op het zuiden worden gericht, een afstand aan te houden van 3 meter. Aan de oostkant worden de panelen op het oost-westen geplaatst en daar wordt geadviseerd iets dichter op elkaar te plaatsen, op 2,50 meter. Uit het MER blijkt dat er goede resultaten op biodiversiteit kunnen worden behaald wanneer er een minimale afstand van 2 meter gehanteerd wordt. Het valt of staat met beheer; de gemeente zet daarom in op optimale beheersmaatregelen. 4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 27
resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Afweging ARCHEOLOGIE Ten behoeve van het plan vindt ontgraving plaats voor onder meer het leggen van kabels en het realiseren van funderingen. De precieze omvang van de ingrepen is nog niet bekend. Voor het plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). Voor het gemeentelijke omgevingsplan wil de gemeente naar twee archeologische waarden: archeologisch perceel (bekende waarden) en archeologische zone (verwachte waarden). Op grond hiervan is door de gemeente een archeologische waardenkaart opgesteld (zie figuur 4.2). Ter bescherming van deze percelen en zones zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in dit bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
Figuur 4 .2 A rc heologis c he waardenkaart M eers tad-N oord (bron: gemeente Groningen)
CULTUURHISTORIE Zoals hiervoor aangegeven, beschikt de gemeente over een Cultuurhistorische waardenkaart. Het cultuurlandschap in het plangebied is door de laatste ruilverkaveling zo veranderd dat het als geheel niet van bijzondere waarde wordt geacht. Het verschil in ontginningsgeschiedenis tussen het westelijk en oostelijk deel is nog wel herkenbaar en vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 28
wordt van waarde geacht. Verder bevinden zich in het gebied enkele landschappelijke elementen met cultuurhistorische waarde: restanten van de kleisloot, enkel oudere waterlopen en kavelgrenzen. De cultuurhistorische waarden zijn hierna weergegeven.
Figuur 4 .3 C ultuurhis toris c he waarden (bron: Gebieds vis ie)
Het ontwerp voor het zonnepark en hoogspanningsstation is gebaseerd op de historisch gegroeide landschapsstructuur. In paragraaf 3.2 is uitgebreid ingegaan op landschap, groen en opzet. Het plan respecteert de cultuurhistorische waarden in het gebied. 4.3
Ecologie
4.3.1 Kader Het juridisch kader voor de gebiedsbescherming en de soortenbescherming ligt vast in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het betreft een uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 29
Gebiedsbescherming NATURA 2000 Door middel van het beschermen van specifiek aangewezen gebieden wordt de instandhouding van de functie van deze gebieden voor flora en fauna en de instandhouding van deze soorten in die gebieden geborgd. Op grond van het voorkomen van soorten en de functie van deze soorten worden gebieden aangewezen als beschermd gebied. Deze gebieden zijn onderdeel van het Europese Natura 2000-netwerk. De status van Natura 2000-gebieden is in het leven geroepen om de ecologische waarden te beschermen voor negatieve effecten van activiteiten in of bij deze gebieden. Bepaald dient te worden of significant negatieve effecten (ook wel 'gevolgen') kunnen optreden. Bij de beoordeling van eventuele negatieve effecten kan sprake zijn van directe effecten op het gebied of de soorten die in het gebied verblijven, maar ook indirecte effecten via de zogenaamde externe werking. Er kan mogelijk sprake zijn van effecten als gevolg van emissies (stikstof) als gevolg van de aanleg van zonnepark en hoogspanningsstation die neerslaan in stikstofgevoelige habitats.
NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het nationale netwerk van natuurgebieden, deels gerealiseerd, deels te realiseren. De verantwoordelijk voor het NNN ligt bij de provinciale overheid. De provincie Groningen heeft regels opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening ter bescherming van NNN. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, of als negatieve effecten niet kunnen worden vermeden door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het NNN, dan geldt het 'nee, tenzij-regime'. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. In de provincie Groningen gelden geen regels ten aanzien van externe werking op gebieden die deel uitmaken van het NNN.
NATUUR BUITEN HET NNN Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt verder buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bestaande bos- en natuurgebieden en weidevogel- en akkervogelleefgebieden.
Soortenbescherming De Wnb vormt ook het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende in- en uitheemse planten- en diersoorten. Op grond van deze wet geldt voor eenieder een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, en voor hun directe leefomgeving. De mate van bescherming volgt uit het wettelijk kader en is mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soorten. Op grond van de Wnb gelden diverse verbodsbepalingen, zoals op doden en verstoren, waarvan onder voorwaarden voor specifieke situaties (specifiek benoemde 'belangen') ontheffing kan worden verleend. 4.3.2 Afweging Gebiedsbescherming NATURA 2000 vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 30
Het plangebied ligt op bijna 6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. Dit is buiten de directe invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn op grond van de aard van het project en de afstand tot het plangebied uitgesloten. Als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanleg van het zonnepark treedt emissie van schadelijke stoffen (verontreiniging) naar lucht, water en/of bodem op. Dit kan leiden tot extra stikstofdepositie wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van habitat of leefgebied. De aanlegfase van het project leidt tot een (zeer geringe) extra depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden. Het eerdergenoemde Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer is niet-stikstofgevoelig. Gezien de afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden (>12 kilometer), het tijdelijke karakter van de aanleg, is de verwachting dat dit geen significant negatief effect zal hebben. De uitgevoerde Aerius-berekening (Bijlage 4) bevestigt dit. Het resultaat is een stikstofdepositie van 0,00 mol per hectare in de gevoelige gebieden. Van de gebruiksfase worden hoe dan ook geen effecten verwacht, aangezien er enkel beperkt verkeersbewegingen zijn te verwachten voor het onderhoud.
NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN kent in de provincie Groningen geen externe werking. Directe effecten op de NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van de NNN is niet van toepassing.
NATUUR BUITEN HET NNN Het plangebied ligt buiten de akker- en weidevogelkerngebieden die zijn aangewezen door de provincie Groningen. De provincie Groningen beschouwd akker- en weidevogels echter als soorten met een jaarrond beschermd nest, waardoor ook gebieden buiten de kerngebieden mogelijk gecompenseerd moeten worden. Het plangebied wordt zeer intensief gebruikt voor landbouw en heeft weinig schuilmogelijkheden en voedselaanbod voor akker- en weidevogels. Tijdens het veldbezoek zijn ook weinig akker- en weidevogels aangetroffen. Het plangebied is marginaal geschikt voor akker- en weidevogels. Er hoeft geen compensatie plaats te vinden voor akker- en weidevogels.
Soortenbescherming Ten behoeve van het MER (Bijlage 2) zijn verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd naar soorten.
HEIKIKKERS Afhankelijk van de precieze uitvoering van de werkzaamheden, zal als gevolg van de ingreep verblijf-, voortplantings- en foerageergebied van de heikikker verloren gaan. Daarnaast kunnen heikikkers tijdens de werkzaamheden mogelijk worden gedood of verstoord. Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van heikikkers om negatieve effecten op deze soort - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Tevens wordt aanbevolen om in de gebieden waar heikikker kan voorkomen te werken buiten het kwetsbare seizoen van heikikkers (voortplantingsseizoen: februari tot en met juli, winterrust: oktober tot en met februari).
vastgesteld gemeente Groningen - bestemmingsplan Meerstad-Noord 31
BROED- EN WEIDEVOGELS Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden, kunnen mogelijk nesten van vogels worden verstoord of vernietigd. Verstoring van vogelnesten die in gebruik zijn, dient te worden voorkomen. Dit kan door te werken buiten het broedseizoen of het plangebied voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels. Dit kan door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Het rooien van beplanting binnen het broedseizoen is mogelijk, indien is vastgesteld dat met deze werkzaamheden geen nesten van vogels worden verstoord. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wet natuurbescherming geen standaardperiode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Indien aan deze maatregelen wordt voldaan, is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
AMFIBIEËN Het plangebied vormt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig.