Bijlage 11 Hoofdraport Milieu effect rapportage Suikerfabriekterrein Groningen.pdf
Tekst van het document
Resumerend zullen de verkeerstoenames als gevolg van het voornemen gevolgen hebben voor de milieugezondheidskwaliteit van bestaande woningen, en zullen de drukke wegen, spoorlijnen en omliggende industrieterreinen een negatieve invloed hebben op de milieugezondheidskwaliteit van nieuwe woningen. Dit is een gebruikelijke situatie voor steden. Verkeerslawaai is het meest bepalend voor de gezondheidskwaliteit. Omdat er meer mensen komen te wonen op locaties met een milieugezondheidskwaliteit voor geluid van ‘zeer matig’ (GES-score 5) en ‘onvoldoende’ (GES-score 6) wordt het effect van alternatief Midden beoordeeld als negatief (-). 6.2.3 Alternatievenvergelijking In tabel 6.8 is weergegeven of een alternatief voor het aspect leefomgevingskwaliteit anders wordt beoordeeld bij toepassing van een alternatief. De kolom ‘Beoordeling Midden (3.750)’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna worden de alternatieven laag (2.500) en hoog (5.000) naast elkaar gezet. Indien de keuze voor een ander alternatief leidt tot een andere effectbeoordeling, is die beoordeling roze gekleurd. Tabel 6.8 Beoordeling gebruiksvarianten Leefomgevingskwaliteit
Alternatieven
Beoordeling Midden (3.750)
Laag (2.500)
Hoog (5.000)
Verkeerslawaai
-
0/-
--
Industrielawaai
-
-
-
Geurhinder
0
0
0
Luchtkwaliteit
0/-
0/-
0/-
Externe veiligheid
-
-
-
Gezondheid
-
0/-
--
In de onderstaande tabel zijn ook de geluidbelastingen ingedeeld naar GES-scores weergegeven voor alternatief Laag en Hoog. Ook bij alternatief Laag en Hoog is een verschuiving te zien van lagere GES scores naar hogere. Bij alternatief Laag gaat het om 77
86 (149)
woningen, bij alternatief Hoog verschuiven 92 woningen naar een hogere score. Bij alternatief Laag valt daarnaast op dat er ook een verschuiving plaatsvindt van enkele woningen uit de hoge GES-score 7 naar de lagere GES-score 6. Tabel 6.9 GES-scores onderzochte alternatieven
Ook nieuwe woningen in het plangebied ondervinden gevolgen van verkeerslawaai. In figuur 6.8 zijn de contouren opgenomen voor de alternatieven Laag, Midden en Hoog. Er is een graduele ontwikkeling te zien waarbij de contouren GES-score 6 (onvoldoende) langs de ontsluitingswegen ruimer worden en de contouren met GES-score 2 (redelijk) kleiner worden. Hieruit is af te leiden dat alternatief Laag zal in vergelijking met Midden een kleiner aantal woningen te maken krijgen met hoge geluidbelastingen door de nieuwe wijkontsluitingswegen, in alternatief Hoog zal dit aantal woningen juist hoger zijn dan in alternatief Midden. Voor spoorlawaai zal ook gelden dat de bouw van meer woningen kan leiden tot meer woningen met een hogere geluidbelasting. Zowel bij bestaande woningen als bij nieuwe woningen geldt dat hoe meer woningen gebouwd worden, hoe groter het aantal woningen met hoge geluidbelasting zal zijn. Deze geluidhinder is mede bepalend is voor gezondheidskwaliteit. Dit heeft er toe geleid dat zowel voor het criterium ‘Verkeersgeluid’ als het criterium ‘Gezondheid’ alternatief Laag wordt beoordeeld als beperkt negatief (0/-) en alternatief Hoog als sterk negatief (- -).
87 (149)
Figuur 6.8 Geluidbelasting plangebied in alt. Laag, Midden en Hoog (van boven naar onderen)
88 (149)
6.2.4 Mitigerende en compenserende maatregelen Om de effecten op de leefomgevingskwaliteit te mitigeren wordt geadviseerd de volgende maatregelen te nemen: Geluid Bij de uitwerking van deelplannen een afweging te maken over het treffen van geluidmaatregelen. Bij geluidmaatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen die betrekking hebben op de geluidbron (zoals bijv. het type asfalt), op de overdracht van het geluid (zoals bijv. schermen of wallen) en op de ontvanger van het geluid (zoals bijv. gevelmaatregelen). Nieuwbouw van woningen binnen de geactualiseerde zone industrielawaai beperken. Voorkomen dat bedrijfsactiviteiten in het Structuurvisiegebied hinder veroorzaken voor bestaande woningen (met name aan de Peizerweg). Externe veiligheid Aantal woningen in het invloedsgebied groepsrisico N370, spoor Groningen-Sauwerd en aardgasleiding beperken. 6.3
Bodem en water
6.3.1 Toetsingscriteria Voor het thema bodem en water worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd: • • • • • •
Bodemkwaliteit Grondbalans Grondwaterkwantiteit Oppervlaktewaterkwantiteit Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit Waterketen, riolering en afkoppeling
6.3.2
Effectbeschrijving en -beoordeling: alternatief Midden (3.750)
Bodemkwaliteit Er kan op twee manieren sprake zijn van een verandering van de bodemkwaliteit. Bij de aanleg van de wijk kan het zijn dat bestaande bodemverontreiniging wordt gesaneerd. In dat geval ontstaat er een positief effect op de bodemkwaliteit. Aan de andere kant kunnen er nieuwe bronnen worden toegevoegd die er toe kunnen leiden dat er verontreiniging van de bodem ontstaat. Onderzocht is of er reeds sprake is van bodemverontreiniging. Daarnaast is bekeken of er sprake is van nieuwe bronnen die kunnen leiden tot nieuwe bodemverontreinigingen. In het gehele plangebied is bodemverontreiniging aangetroffen. Deze is in het algemeen matig tot licht van aard. Op het Voorterrein en in Deelgebied Noord (De Halm) komen ernstige gevallen van bodemverontreiniging voor. Bij de ontwikkeling van het plangebied zullen verontreinigingen functiegericht gesaneerd worden. Dit houdt in dat bodemkwaliteit geschikt zal worden gemaakt voor de functie ‘wonen’. Met name op het Voorterrein zullen forse inspanningen (saneringen) nodig zijn om deze kwaliteit te bereiken, in andere deelgebieden zullen de inspanningen beperkter zijn. De voormalige stortplaats De Halm in Deelgebied Noord wordt niet gesaneerd. Deze locatie wordt opgenomen in een groenstructuur.
89 (149)
In het plan worden naast woningen ook werklocaties mogelijk gemaakt in de categorieën kantoor, detailhandel en industrie. Mogelijk zitten hier bedrijven tussen waarvoor een risico geldt op het vrijkomen van stoffen die kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Uitgangspunt is echter dat deze bedrijven alleen worden gerealiseerd als deze voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. Daarmee is de kans op het ontstaan van nieuwe bodemverontreiniging zeer beperkt. Resumerend zal de Structuurvisie ertoe leiden dat de bodemkwaliteit in het plangebied geschikt wordt gemaakt om er te wonen. Vooral op het Voorterrein zal een bodemsaneringsinspanning worden geleverd om het gebied geschikt te maken voor het nieuwe gebruik als woongebied. Ten opzichte van de referentiesituatie zal de bodemkwaliteit deels verbeteren. Er is zeer geringe kans op nieuwe verontreinigingen als gevolg van te ontwikkelingen bedrijvigheid. Gelet op het voorgaande scoort alternatief Midden ten aanzien van bodemkwaliteit beperkt positief (effectbeoordeling: 0/+). Grondbalans Voor de realisatie van de nieuwe wijk is sprake van grondverzet. Sloten moeten worden gedempt, de voormalige vloeivelden moeten worden verwijderd en er moet grond worden aangebracht om gebouwen en infrastructuur op te bouwen.
Bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties is in toenemende mate te zien dat er naar wordt gestreefd de locatieontwikkeling met een gesloten grondbalans tot stand te brengen. Naast kostenbesparing komt dit ook tegemoet aan de duurzaamheidsambities in het plangebied. Beoordeeld is of er sprake is van een gesloten grondbalans. Een gesloten grondbalans houdt in dat alle grond die vrij komt in het plangebied elders in het plangebied hergebruikt wordt. Naast een gesloten grondbalans is gekeken of er nog aanvullende grond/ophoogzand nodig is om het plan te realiseren. N.B.: De grondwerkzaamheden worden uitgevoerd door grote machines. Mogelijke effecten als gevolg hiervan op tijdelijke geluidhinder en de luchtkwaliteit worden als tijdelijke effecten meegenomen in hoofdstuk 9 van dit MER. Gesloten grondbalans Voor Deelgebied Noord is een grondbalans opgesteld (zie verder paragraaf 7.3). Daaruit blijkt dat in dit deelgebied gewerkt kan worden met een gesloten grondbalans; alle vrijkomende grond kan worden hergebruikt binnen het plangebied 8. Voor het Voorterrein, het Hoendiep-Zuid en Deelgebied Zuid is nog geen grondbalans opgesteld. De ontwikkeling ligt daar nog onvoldoende vast om daar een grondbalans voor op te stellen. De verwachting is echter dat er op het Voorterrein en Hoendiep-Zuid niet met een gesloten grondbalans gewerkt kan worden.
De hier aanwezige vervuilde grond kan namelijk niet binnen het (plan)gebied worden hergebruikt. Voor Deelgebied Zuid zijn er betere kansen om de een gesloten grondbalans gesloten te krijgen8. Totale grondbalans In Deelgebied Noord is geen zand aanwezig dat gebruikt kan worden als bouw- of ophoogzand (zie verder paragraaf 7.3). In Deelgebied Zuid is mogelijk iets meer zand aanwezig, maar niet genoeg om aanvoer van (ophoog)zand te voorkomen. Al met al zal er dus in de realisatiefase voor het gehele plangebied veel (ophoog)zand aangevoerd moeten 8
Voor zowel Deelgebied Noord als deelgebied Zuid geldt een aandachtspunt: in de berekeningen/inschatting voor de grondbalans is er van uitgegaan dat vervuilde grond als GBT (Grootschalige Basis Toepassing) kan worden hergebruikt in de bassins. Dit uitgangspunt moet nog worden getoetst door het bevoegd gezag. Wanneer het bevoegd gezag hier niet akkoord mee gaat, moet de vervuilde grond worden afgevoerd. In dat geval is een gesloten grondbalans niet meer haalbaar.
90 (149)
worden. Waar mogelijk wordt hierbij de koppeling gezocht met omliggende projecten, zoals ARZ (Aanpak Ring Zuid). Resumerend: in een deel van het gebied zal niet kunnen worden gewerkt met een gesloten grondbalans. Voor deelgebieden waarvan verwacht wordt dat dit wel kan (Deelgebieden Noord en Zuid), hangt die verwachting nog af van de manier waarop met de vervuilde grond omgegaan kan worden. Al met al wordt verwacht dat er veel grond / ophoogzand aangevoerd moet worden. Het effect wordt beoordeeld als negatief (-). Grondwaterkwantiteit Het aspect grondwaterkwantiteit wordt beoordeeld op basis van het grondwaterpeil en de invloed daarvan op het landgebruik. Naast actief aanpassen van het grondwaterpeil kan (partieel) ophogen zettingen met zich meebrengen en daardoor invloed hebben op grondwaterstromingen. Een stijging of daling van het grondwaterpeil kan leiden tot een verbetering of verslechtering van de geschiktheid van het gebied voor een bepaald landgebruik. Er is voor de planontwikkeling geen permanente verlaging van het grondwaterpeil voorzien. De benodigde drooglegging wordt gerealiseerd door middel van het aanvoeren van ophoogzand. Tijdens de bouw wordt mogelijk tijdelijk grondwater weggepompt om in droge omstandigheden te kunnen werken. Als de bouw afgelopen is, zal het grondwaterpeil zich weer herstellen.
Bij het aanbrengen van diepe constructies (zoals een WKO-installatie) zal rekening worden gehouden met eventuele scheidende lagen in de ondergrond, en zullen maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er onbedoeld uitwisseling ontstaat tussen verschillende watervoerende pakketten. De WKO-systemen worden naar verwachting ‘open systemen’. Het grondwater dat wordt onttrokken, wordt ook weer teruggepompt, dus per saldo is er geen kwantitatief effect op het grondwater. Resumerend worden geen effecten op de grondwaterkwantiteit verwacht. Het effect wordt beoordeeld als neutraal (0). Oppervlaktewaterkwantiteit Door de ontwikkeling van de voorgenomen activiteit zullen veranderingen ontstaan in de waterhuishoudkundige situatie. Nieuwe watergangen hebben effect op de water aan- en afvoer, toename van verhard oppervlak zorgt ervoor dat water niet meer zal infiltreren in de bodem. Deze veranderingen hebben effect op het bergend vermogen en kans op wateroverlast. Het plangebied ten noorden van het spoor bestaat voor meer dan de helft uit vloeivelden die permanent gevuld zijn met water. Aan de zuidzijde is dit aandeel kleiner, maar zijn wel meer sloten aanwezig. De realisatie van het nieuwe stadsdeel leidt tot demping van een groot deel van dit oppervlaktewater.
Omdat de vloeivelden geen onderdeel uitmaken van het watersysteem van het waterschap hoeft dit te dempen oppervlak niet 1 op 1 te worden gecompenseerd. Dit geldt wel voor het te compenseren oppervlak sloten. Het plan voorziet in ruime groenstroken en het behouden van een deel van de sloten. Deze bieden voldoende ruimte om aan de compensatieplicht te kunnen voldoen. Naast het dempen van water zal er een aanzienlijke toename ontstaan van verhard oppervlak, met name in Deelgebied Noord en Deelgebied Zuid. Het Voorterrein en Hoendiep-Zuid zijn in de referentiesituatie reeds grotendeels verhard. Voor de wateropgave die ontstaat door de toename van verharding geldt ook dat er binnen het plangebied
91 (149)
voldoende waterberging moet worden gecreëerd. Het plan bevat robuuste groene en blauwe structuren waar deze berging kan plaatsvinden. Ook binnen de bouwvelden zal ruimte voor waterberging gecreëerd worden. Resumerend: de Structuurvisie voorziet in grote oppervlakten water en groen, maar niettemin zal in de Deelgebied Noord en Deelgebied Zuid het verhard oppervlak (wegen en gebouwen) toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Door de toename van de verharding is er minder ruimte voor vasthouden en bergen van water, hierdoor ontstaat het risico dat water sneller wordt afgevoerd en het omliggende watersysteem extra wordt belast. Omdat het negatieve effect substantieel wordt verzacht door de robuuste groene en blauwe structuren in het plan, wordt het effect beoordeeld als beperkt negatief (0/-). Grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit Grondwater Bij de aanleg van de WKO-systemen worden mogelijk gewerkt met boorvloeistoffen. Deze stoffen kunnen het grondwater in de watervoerende pakketten verontreinigen. Bij de aanleg van de systemen dienen dergelijke verontreinigingen te worden voorkomen. Daarnaast kan de aanwezigheid van een WKO-systeem in een gebied waar reeds bodemen grondwaterverontreiniging aanwezig is, er voor zorgen dat deze verontreiniging zich verder verspreid.
Verspreiding van bestaande verontreiniging moet voorkomen worden, bijvoorbeeld door sanering of door gebruik te maken van een watervoerende laag waarin deze verontreiniging niet aanwezig is. Mogelijk biedt het WKO-systeem ook kansen om aanwezige verontreinig te saneren (bij bepaalde verontreinigingen, bijv. door inzet van bacteriën). De relatie tussen het te realiseren WKO-systeem en mogelijk aanwezige verontreiniging zal nader onderzocht worden op het moment dat bekend is waar het systeem wordt aangelegd. Oppervlaktewater Een optimale waterkwaliteit vormt een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling en herstel van natuurwaarden en andere functies (o.a. recreatie, landbouw) in en rondom het plangebied. Door de ingrepen in de waterhuishouding wordt de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogelijk beïnvloed. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de doelstellingen vanuit de Kaderrichtlijn water (KRW) die zijn opgesteld voor diverse oppervlakte- en grondwaterlichamen. De KRW is een Europese richtlijn die ervoor moet zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 (uiterlijk 2027) op orde is. Belangrijke uitgangspunten van de KRW zijn dat de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater niet mag verslechteren en dat benodigde zuiveringsinspanningen niet groter mogen worden.
Vanuit het woongebied en de nieuwe infrastructuur zal enige uitspoeling van stoffen naar het watersysteem kunnen optreden. Dit zal niet leiden tot een negatief effect op de waterkwaliteit wanneer de volgende punten in acht worden genomen: • Realisatie van een volledig gescheiden stelsel; rioolwater en regenwater krijgen elk een eigen stelsel. Verontreiniging vanuit het rioolstelsel (bijv. door overstorten) is derhalve niet aan de orde. • Wegwater wordt waar mogelijk opgevangen in wegbermen zodat verontreiniging niet kan uitspoelen naar het oppervlaktewater • De nieuwe waterstructuren kunnen deels ingericht worden met flauwe natuurvriendelijke oevers/rietzomen. Deze oevers zorgen voor zuivering van het water.
92 (149)
Het Hoendiep is een KRW-waterlichaam. Als onderdeel van de realisatie van dit nieuwe stadsdeel voorziet de structuurvisie in de aanleg van een natuurvriendelijke oever aan de zuidzijde van het Hoendiep. Dit zou daarmee bijdragen aan de te realiseren KRW-doelen. Resumerend: wanneer de genoemde aandachtspunten in acht worden genomen is het niet de verwachting dat het nieuwe stadsdeel zal leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Wanneer watergangen, inclusief het Hoendiep, (gedeeltelijk) worden voorzien van natuurvriendelijke oevers, kan de waterkwaliteit er zelfs op vooruitgaan. Om die reden wordt het effect beoordeeld als beperkt positief (0/+). Waterketen, riolering, afkoppelen Op dit moment wordt er vanuit gegaan dat bij de ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd voor hemelwater en vuil water. Elders in de gemeente Groningen lopen pilots (o.a. Reitdiephaven) waarin een stelsel is aangelegd dat het water op drie niveau’s scheidt: het zogenaamde schoon water, zwart water en grijs water. Er zijn nu nog onvoldoende ervaringen mee om dat stelsel ook voor dit stadsdeel voor te schrijven. Resumerend: het beoogde rioleringsstelsel is conform de huidige standaard. Dit wordt beoordeeld als neutraal (0).
6.3.3 Alternatievenvergelijking In tabel 6.10 is weergegeven of een alternatief voor de aspecten bodem en water anders wordt beoordeeld bij toepassing van een alternatief. De kolom ‘Beoordeling Midden (3.750)’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna worden de alternatieven laag (2.500) en hoog (5.000) naast elkaar gezet. Indien de keuze voor een ander alternatief leidt tot een andere effectbeoordeling, is die beoordeling roze gekleurd. Tabel 6.10 Beoordeling gebruiksvarianten Bodem en water
Alternatieven
Beoordeling Midden (3.750)
Laag (2.500)
Hoog (5.000)
Bodemkwaliteit
0/+
0/+
0/+
Grondbalans
-
-
-
Grondwaterkwantiteit
0
0
0
Oppervlaktewaterkwantiteit
0/-
0/-
0/-
Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit
0/+
0/+
0/+
Waterketen, riolering en afkoppeling
0
0
0
Voor geen van de onderzochte aspecten zal er een (substantieel) ander effect optreden bij realisatie van alternatief Laag of Hoog. De effecten die zijn beschreven treden op bij realisatie van dit nieuwe stadsdeel, ongeacht de omvang van het programma. 6.3.4 Mitigerende en compenserende maatregelen Om de effecten op bodem en water te mitigeren wordt geadviseerd de volgende maatregelen te nemen: Bodem • Ernstige bodemverontreiniging Voorterrein en De Halm saneren • De bodem niet functiegericht maar multifunctioneel saneren, zodat na sanering elk grondgebruik mogelijk is.
93 (149)
Water • Voorzien in voldoende oppervlaktewater ter compensatie slootdempingen en van de toename van het verhard oppervlak. • Bij vergunningverlening en realisatie WKO-systemen borgen dat geen nieuwe grondwaterverontreinigingen ontstaan of bestaande grondwaterverontreinigingen worden vergroot. 6.4
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
6.4.1 Toetsingscriteria Voor het thema landschap, cultuurhistorie en archeologie worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd: • • •
Landschap: invloed op karakteristieke patronen, openheid, verstedelijking, inpassing Cultuurhistorie: aantasting cultuurhistorische structuren of gebouwen Archeologie aantasting archeologische waarden
6.4.2
Effectbeschrijving en -beoordeling: alternatief Midden (3.750)
Landschap Voorterrein en Hoendiep Zuid Het Voorterrein en Hoendiep-Zuid behoren al tot het stedelijke landschap van Groningen. Deze gebieden worden getransformeerd tot een moderner stedelijk gebied met behoud van karakteristieke elementen zoals het Hoendiep met zijn kaden en het bestaande beeldbepalende zeefgebouw van de voormalige suikerfabriek. Deelgebied Noord en Deelgebied Zuid Deze deelgebieden hebben een minder stedelijk, en meer groen karakter. Beide deelgebieden verschillen wel sterk van elkaar, waardoor de effecten ook verschillen In Deelgebied Noord is het landschap besloten door de metershoge taluds van de waterbassins en bosschages. Ook is de oorspronkelijke verkaveling hier niet meer aanwezig. Het nieuwe gemengd stedelijk gebied wordt eveneens een besloten gebied. Het landschap zal wel verstenen maar van verlies van openheid is geen sprake. Het stedenbouwkundig plan zorgt ervoor dat de oude ontginningslijn Eelde-Dorkwerd, nu nog zichtbaar als Suikerlaan/Wolvedijk, een prominente plek krijgt en zichtbaar blijft (zie figuur 6.9). Ook de karakteristieke waterstructuur van het Hoendiep blijft behouden. Wel zullen er enkele ontsluitingen gerealiseerd worden over het Hoendiep heen en wordt er een natuurvriendelijke oever gerealiseerd. Deelgebied Zuid heeft nog grotendeels een open karakter, dat contrasteert met het bebouwingslint van de Peizerweg.
In het open landschap is de oorspronkelijke (middeleeuwse) verkaveling is deels nog goed zichtbaar en beleefbaar. Door de transformatie in een gemengd stedelijk gebied zal het open landschap verdwijnen. De oorspronkelijke verkaveling kan mogelijk deels ingepast worden, maar zal wel zijn context (agrarisch gebruik) verliezen. Dit zal zorgen voor een geheel andere landschappelijke situatie. Ook zal de relatie tussen de bebouwing aan de Peizerweg en het achterliggende landschap ingrijpend veranderen.
94 (149)
Figuur 6.9 Groen-blauwe structuur (bron: Structuurvisie Suikerfabriekterrein)
Resumerend: de planontwikkeling heeft ten zuiden van het spoor een negatief effect op de landschappelijke openheid en de oorspronkelijke verkavelingsstructuur. Deels blijft de verkavelingsstructuur wel behouden, maar zal deze structuur wel wordt onttrokken aan zijn oorspronkelijke context (agrarisch gebruik). Het effect wordt beoordeeld als negatief (-) Cultuurhistorie Enkele cultuurhistorische waarden binnen het gebied zullen door het planvoornemen negatief beïnvloed worden. Zo overlappen de gebieden bedoeld voor bebouwing grotendeels met het cultuurhistorisch waardevolle systeem van kreekruggen en kreken. De context van het systeem is door aangrenzende stedelijke ontwikkelingen vrijwel verdwenen. Zo stopt het op de actuele hoogtekaart waarneembare krekensysteem bij de grens van het plangebied en is deze niet waarneembaar in de wijken ten noorden en zuiden van het plangebied. Hierdoor kan het krekensysteem als geheel als minder gaaf gezien worden. Desondanks is het krekensysteem zeer waardevol en is de cultuurhistorische waarde ervan hoog. In de structuurschets zijn de kreekruggen en kreken zo goed mogelijk in beeld gebracht om, daar waar mogelijk, binnen groenstructuren terug te laten komen. De ontwikkeling zorgt er echter voor dat groot deel van het krekensysteem, net als in naburige wijken, zal verdwijnen.
Ook het typerende verkavelingspatroon van de laatmiddeleeuwse ontginning, zal door het planvoornemen worden beïnvloed. In de structuurvisie wordt waar mogelijk rekening gehouden met deze verkaveling maar de cultuurhistorische waarde zullen niet volledig behouden kunnen worden. De veenterpjes, het restant van de suikerfabriek (zeefgebouw) en de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog blijven behouden. De veenterpjes en bunkers worden opgenomen in de groenstructuur van het gebied en op deze manier bewaard.
95 (149)
Resumerend: Het grotendeels verdwijnen van het waardevolle krekensysteem en de historische verkaveling zorgt voor een verslechtering van cultuurhistorische waarden in het plangebied. De veenterpjes, het zeefgebouw en de WOII-bunkers worden niet aangetast. Het effect wordt beoordeeld als negatief (-). Archeologie Het Voorterrein en Hoendiep-Zuid zijn in gebruik (geweest) als bedrijventerrein. De archeologische verwachtingswaarde is laag, omdat er de bodem naar verwachting verstoord is (RAAP 2017). In Deelgebied Noord en Deelgebied Zuid is vrijwel geen bebouwing aanwezig. Hier zijn in de loop der jaren meerdere vloeivelden / gronddepots aangelegd en in gebruik genomen. Deze liggen grotendeels bovenop het oorspronkelijke maaiveld. Uit verkennend booronderzoek (RAAP, augustus 2019) in Deelgebied Noord is gebleken dat nog onverstoorde archeologische waarden aanwezig kunnen zijn (dekzandzone aan de westzijde en krekenstelsel aan de oostzijde). In Deelgebied Zuid bevinden zich deels gronddepots bovenop het oorspronkelijke maaiveld en deels onbebouwde agrarische percelen. Hier liggen een gemeentelijk archeologisch monument met vijf veenterpjes en een fossiel krekensysteem met een hoge verwachting voor middeleeuwse wierden. In het planvoornemen blijft het gemeenlijk archeologisch monument behouden.
Het monument blijft herkenbaar doordat het wordt opgenomen in de groenstructuur die het plangebied van oost naar west doorsnijdt. Door de planontwikkeling gaat de landschappelijke context van de veenterpen wel grotendeels verloren. Resumerend: De planontwikkeling leidt er ter plaatse van Deelgebied Noord en Deelgebied Zuid toe dat gegraven wordt in gronden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Hierbij kunnen effecten op archeologische waarden optreden. De vijf veenterpjes in Deelgebied Zuid blijven in situ behouden, maar verliezen hun landschappelijke context. Het effect wordt beoordeeld als negatief (-). 6.4.3 Alternatievenvergelijking In tabel 6.11 is weergegeven of een alternatief voor de aspecten landschap, cultuurhistorie en archeologie anders wordt beoordeeld bij toepassing van een alternatief. De kolom ‘Beoordeling Midden (3.750)’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna worden de alternatieven laag (2.500) en hoog (5.000) naast elkaar gezet. Indien de keuze voor een ander alternatief leidt tot een andere effectbeoordeling, is die beoordeling roze gekleurd. Tabel 6.11 Beoordeling gebruiksvarianten Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Alternatieven
Beoordeling Midden (3.750)
Laag (2.500)
Hoog (5.000)
Landschap: beïnvloeding landschappelijke waarden
-
-
-
Cultuurhistorie: beïnvloeding cultuurhistorische waarden
-
-
-
Archeologie: aantasting archeologische waarden
-
-
-
De omvang van het bouwprogramma zal niet veel invloed hebben op de effecten van het voornemen op het landschap en de cultuurhistorische en archeologische waarden. Alle alternatieven scoren daarom gelijk aan alternatief Midden.
96 (149)
6.4.4 Mitigerende en compenserende maatregelen Om de effecten op landschap, cultuurhistorie en archeologie te mitigeren wordt geadviseerd de volgende maatregelen te nemen: Landschap Bij de uitwerking van deelplannen aansluiting zoeken bij de oude ontginningsas EeldeDorkwerd, de Peizerweg en het Hoendiep; Bij uitwerking van Deelplan Zuid nadrukkelijk rekening houden met de relatie met het bebouwingslint aan de Peizerweg. Cultuurhistorie Bij de uitwerking van deelplannen de nog aanwezige cultuurhistorische waarden zo goed mogelijk behouden en inpassen. Het gaat hier om het krekensysteem in de ondergrond, de middeleeuwse verkaveling, de ontginningsassen, het Hoendiep, en de elementen die herinneren aan de fabrieksperiode en aan WOII. Archeologie Belangrijke archeologische waarden waar mogelijk behouden door locaties met bekende vindplaatsen (zoals het gebied rondom de veenterpjes) en locaties met hoge verwachtingswaarde te ontzien. 6.5
Natuur
6.5.1 Toetsingscriteria Voor het thema natuur worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd: • •
Gebiedsbescherming: beïnvloeding beschermde natuurgebieden (N2000, NNN, SES) Soortenbescherming: beïnvloeding beschermde en Rode lijst soorten flora en fauna
6.5.2
Effectbeschrijving en -beoordeling: alternatief Midden (3.750)
Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, de bescherming van het NNN in de Provinciale Omgevingsverordening. Voor beide typen gebieden gelden eigen natuurdoelen en een eigen beschermingsregime. Naast de landelijk of provinciaal beschermde natuurgebieden heeft de gemeente Groningen zijn natuurdoelen vertaald in een Stedelijk Ecologische hoofdstructuur (SES). De effecten op de SES zijn apart in beeld gebracht. Natura 2000 Voor Natura 2000 is een Voortoets opgesteld (Sweco, 2020). Hierin worden mogelijke effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden geanalyseerd.9 In deze Voortoets is gekeken naar de volgende effecttypen: oppervlakteverlies, versnippering, stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trillingen, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en effecten door externe werking. Uit de Voortoets blijkt dat de Natura 2000-gebieden op enige afstand van het plangebied liggen. Effecten door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging,
9
In de Voortoets zijn de effecten van alternatief ’Hoog’ beoordeeld.
97 (149)
verstoring door licht en trillingen, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten zijn daardoor niet aan de orde. Voor de overige drie effecttypen geldt het volgende: Stikstofdepositie: De Natura 2000-gebieden Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied zijn niet stikstofgevoelig. Voor Natura 2000-gebieden die wel stikstofgevoelig zijn is een Aerius-berekening gemaakt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Hieruit blijkt dat de toename 0,00 mol/ha/jaar is. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen zijn derhalve uitgesloten. Verstoring door geluid wegverkeer: de planontwikkeling leidt tot een toename van verkeer op de A7 ter hoogte van het Leekstermeergebied. Deze verkeerstoename leidt tot een minimale verschuiving van de 47 dB-contour in het Leekstermeergebied. De enige soort in dit gebied die gevoelig is voor geluidverstoring is de Rietzanger. Deze soort broedt voornamelijk verder van de A7 af. De actuele populatie ligt ver boven het instandhoudingsdoel van 70 broedparen. Er zijn geen significante effecten op de instandhoudingsdoelen. Effecten door externe werking: de planontwikkeling heeft invloed op leefgebied van de Geoorde Fuut en de Meervleermuis. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden Leekstermeergebied, Zuidlaardermeergebied kennen geen instandhoudingsdoelen voor deze soort. Effecten door externe werking zijn uitgesloten.
Resumerend is er geen sprake van (significante) effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het effect wordt beoordeeld als neutraal (0). Natuurnetwerk Nederland Zowel provincie Groningen als provincie Drenthe kent geen externe werking voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit houdt in dat het POV-beschermingsregime niet geldt voor activiteiten die buiten het eigenlijke NNN-gebied plaatsvinden. Niettemin worden in het kader van dit MER wel de effecten op de NNN-gebieden in beeld gebracht. Het plangebied ligt op circa 1,1 km van dichtstbijzijnde NNN-gebied in Drenthe (moerasgebied Onlanden-Leekstermeer, A in figuur 6.10) en op circa 1,2 km afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied in Groningen (weidevogelgebied nabij Leegkerk, D in de figuur). Op grotere afstand liggen NNN-gebieden langs de A28 nabij het Paterswoldse Meer (B in deze figuur), langs de A7 bij Engelbert en Westerbroek (C, F in de figuur) en in de Koningslaagte (E in de figuur).
98 (149)
Figuur 6.10 NNN-gebieden nabij stad Groningen
Gelet op de afstand tussen plangebied en de NNN-gebieden (in alle gevallen meer dan een kilometer) zijn directe effecten vanuit het plangebied zelf op de natuurkwaliteit in de NNNgebieden niet te verwachten. De planontwikkeling leidt tot een verkeerstoename op omliggende wegen. Met modelberekeningen is onderzocht in hoeverre de geluidbelasting op NNN-gebieden toeneemt doordat de 47-contour verschuift . De NNN-gebieden E en F blijken buiten de 47 dB contour te liggen, hier treden dus geen effecten op. De overige gebieden liggen iets dichter bij de wegen met verkeerstoenames. In onderstaande tabel is weergegeven tot welke extra geluidbelasting dit leidt. Hierbij is uitgegaan van een snelheidsregime van 100 km/u op de A7 en de A28 tussen 6:00 en 19:00 uur. Tabel 6.12 Verandering geluidbelasting NNN-gebieden
NNN-gebied A (Leekstermeergebied en Onlanden) B (Paterswoldse Meer / Hoornse diep) C (Westerbroek) D (Leegkerk)
Aantal meters waarmee de 47 dB contour verschuift 1-3m
Toename in dB
1-3m
0,05
2-3m 8 - 13 m
0,06 0,72
0,05
De toenames zijn alle gevallen zeer beperkt. De totale omvang van de betreffende NNNgebieden is vele tientallen tot enkele honderden ha’s groot, en het grootste deel daarvan is onverstoord (=minder dan 47 dB geluidbelasting). De effecten door enige extra geluidverstoring zijn daarom zeer beperkt. De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden worden niet aangetast. Resumerend is er sprake van beperkte negatieve effecten door extra geluidbelasting op enkele NNN-gebieden. Het effect wordt beoordeeld als beperkt negatief (0/-).
99 (149)