Bijlage 1 Aanpassingen Verordening jeugdhulp 2024.pdf
Tekst van het document
Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college zorgt dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. gemeentelijk kwaliteitsbeleid. Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap Artikel 24. Klachtregeling 1.
Het college zorgt voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten van jeugdige of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 34
2. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet. Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 26.
Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing voor de jeugdige en/of zijn ouders leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2024 wordt ingetrokken. 2. Wijzigingen van tarieven pgb, indien aan de orde, vinden altijd plaats per 1 januari. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026. Artikel 29. Bijlagen 35
Bij deze verordening horen de volgende bijlagen, die onlosmakelijk met de verordening verbonden zijn: 1. Bijlage 1: Vormen van jeugdhulp en preventie binnen de gemeente Groningen; 2. Bijlage 2: Omschrijving van de inhoud en de werkwijze van de algemene voorziening Basis jeugdhulp; Ondertekening Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 17 december 2025 De raad voornoemd, De burgemeester, Roelien Kamminga Griffier, Josine Spier
36
BIJLAGE 1, bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening: Vormen van jeugdhulp en preventie binnen de gemeente Groningen 1. De volgende algemene voorzieningen gericht op het versterken van de sociale context zijn onder andere beschikbaar: a. algemene (ook digitale) informatieverstrekking omtrent ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en opvoedingsvragen opvoeders; b. activiteiten ter versterking van de pedagogische civil society zoals stimuleren en faciliteren van initiatieven vanuit de informele netwerken, steuncontacten tussen ouders en jeugdigen en intergenerationele contacten die een bijdrage leveren aan een gezonde en veilige opgroei- en opvoedomgeving, mogelijkheden voor ouders/opvoeders om elkaar te ontmoeten; c. laagdrempelige opvoedondersteuningsactiviteiten; d. maatjesprojecten, vrijwilligersinzet, zelforganisaties gericht op ondersteuning van opgroeien en opvoeden; e. mantelzorgondersteuning voor jeugdigen en gezinnen. 2. De algemene voorziening basisondersteuning omvat onder andere: a. het bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei en opvoedvragen; b. ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of ouders, waaronder vormen van vrij toegankelijke hulp, gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en opgroeisituatie; c.
37
ondersteuning en lichte hulp aansluitend bij de onderwijs/opvangsetting, waarbij ondersteuning voor opvoeders en jeugdigen geboden wordt. Het betreft activiteiten die in een onderwijssetting plaatsvinden waarbij de nadruk ligt op zorg; d. regulier casemanagement: het systematisch coördineren, afstemmen en volgen van de benodigde hulpverlening aan jeugdigen en/of gezinnen, waarbij meerdere hulpverleners betrokken zijn; e. kortdurende en laagdrempelige hulp en ondersteuning door een Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG) bij een huisarts. 3. De algemene voorziening Basis jeugdhulp is nader omschreven in bijlage 2 bij deze verordening. Deze Basis jeugdhulp wordt uitgevoerd door een sociale wijkteamorganisatie, Stichting WIJ Groningen. In die bijlage bij deze verordening die daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt, staat op welke datum deze omschrijving tot stand is gekomen.
4. De volgende individuele voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: a. specifieke jeugdhulptrajecten gericht op jeugdige en/of gezinssysteem; b. langdurige ‘leun en steun’ contacten; c. dag- of weekendopvang, respijtzorg; d. specifieke multidisciplinaire interventies gecoördineerd uitgevoerd door verschillende zorgaanbieders voor gezinnen met meervoudige problemen; e. intensieve en meer langdurige interventies gericht op behandeling, herstel en/of rehabilitatie; 38
f. intensieve dagbehandeling op maat; g. inzet van (tijdelijke) vervangende opvoedsituatie, verblijf (op maat) van jeugdigen buiten de gewone leef/gezinssituatie; h. inzet van spoedzorg en crisisopvang (bij acute onveiligheid en/of inzet van crisisplekken vanuit verblijfsfuncties; i. gedwongen jeugdhulp en dwang en drangtrajecten; j. specialistische diagnostiek. Toelichting De inrichting van het Groninger jeugdstelsel In het Groninger Functioneel Model wordt een inhoudelijk kader geschetst, dat als basis fungeert voor het gemeentelijk aangestuurde nieuwe jeugdstelsel in de Groninger gemeenten vanaf 2015. Hoofddoel van de herinrichting van het jeugdstelsel is dat de jeugdhulp efficiënt en effectief dichtbij jeugdigen en ouders of verzorgers wordt geboden. Belangrijke doelen en uitgangspunten van de stelselherziening jeugd van 2015 zijn de volgende: • het voorkomen van opgroei- en opvoedproblemen; de verantwoordelijkheid voor gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en jeugdige zelf, daarin bijgestaan door familie, sociale netwerk en lokale voorzieningen. • het bieden van ondersteuning, hulp en/of behandeling indien de mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, opvoeders en de directe omgeving ontoereikend zijn. Bij voorkeur zoveel als mogelijk in, met en rondom het gezin.
De insteek is hierbij het vroegtijdig bieden van hulp op maat, voorkomen van escalatie van problemen en een te zwaar appèl op intensieve ondersteuning. 39
• het realiseren van een betere samenwerking tussen hulpverleners rond gezinnen; bieden van integrale hulp volgens het uitgangspunt ‘één gezin, één plan, één regisseur’. • het bieden van meer ruimte voor professionals om de juiste ondersteuning; dit vraagt professionals die in staat zijn de eigen kracht van de jeugdige, het gezinssysteem en de sociale netwerken te mobiliseren. • ‘demedicaliseren’, ‘ontzorgen’ en normaliseren, door onder meer het opvoedkundig klimaat in gezinnen te versterken evenals in wijken, scholen en lokale voorzieningen. Het fundament Het fundament van het nieuwe jeugdstelsel is het gewone positieve opgroeien en opvoeden, in de pedagogische civil society. Het is een leefomgeving met goed functionerende en in voldoende mate aanwezige basisvoorzieningen (zoals scholen, speelvoorzieningen, beschikbaarheid van (opvoed)informatie, afgestemd op de specifieke kenmerken en behoeften van de wijk). De basisondersteuning De basis van het nieuwe stelsel wordt gevormd door de basisondersteuning, bestaande uit een team van generalisten met elkaar aanvullende specifieke kennis en vaardigheden. De samenstelling van deze teams kan variëren afhankelijk van de populatie van de betreffende wijk. Zo kan de inzet van specifieke deskundigen in de basisondersteuning in bepaalde situaties gewenst zijn.
De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) valt ook binnen deze basisondersteuning en heeft een specifiek doel: het beschermen en bevorderen van de gezondheid van alle jeugdigen van 0-18 jaar. Het is preventieve gezondheidszorg die gericht is op het voorkomen van ziekten en het vroegtijdig opsporen van gezondheidsproblemen bij jeugdigen. Beslissingen over de toeleiding naar jeugdhulp (triage) en het uitvoeren van regulier casemanagement vinden plaats vanuit de basisondersteuning. De JGZ heeft een ander wettelijk kader dan de jeugdhulp, namelijk de Wet Preventieve Gezondheid (WPG). De Basis jeugdhulp De Basis jeugdhulp bij de sociaal wijkteamorganisatie, Stichting WIJ Groningen richt zich voornamelijk op begeleiden en ondersteunen; de specialistische jeugdhulp die de 40
jeugdhulpaanbieders uitvoeren is meer gericht op behandelen en beschermen. Ook dit onderscheid is een uitgangspunt en geen absolute scherpe grens. Algemene voorziening en ondersteuning De gemeente verwacht van de sociaal wijkteamorganisatie dat de transformatie verder wordt vormgegeven door het inrichten van een vrij toegankelijke en laagdrempelige voorziening van waaruit meerdere activiteiten plaats vinden en door het bieden van ondersteuning (al dan niet) gericht op preventie. De sociaal wijkteamorganisatie krijgt de ruimte om zelf in te vullen wat er nodig is. Bijvoorbeeld meer preventief in wijken aanwezig zijn, aanwezig zijn op vindplaatsen en meer kennis en deskundigheid op bepaalde vlakken ontwikkelingen of aantrekken. De sociaal wijkteamorganisatie heeft het beste zicht op de ondersteuningsbehoefte en kan dat invullen met activiteiten om daarmee te voorkomen dat individuele voorziening nodig zijn. Het doel is dat de voorziening en ondersteuning die de sociaal wijkteamorganisatie levert dusdanig passend wordt vormgegeven dat er geen individuele voorziening meer nodig zijn voor de producten die uit de Open House worden gehaald.
De jeugdigen en gezinnen kunnen door de sociaal wijkteamorganisatie ondersteund worden om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. Als dat niet vanzelf gaat door een ontregeling die ze kwetsbaarder maakt, is er vanzelfsprekend passende ondersteuning, of dat nu tijdelijk is of levenslang. Bij het bepalen van wat passende ondersteuning is, is (daar waar het nodig is) een brede blik en de leefwereld van de jeugdige en het gezin erg belangrijk. Onderliggende oorzaken op de verschillende levensterreinen worden aangepakt, zoals armoede, persoonlijke problemen van de ouders, trauma’s, woonproblematiek, scheidingsperikelen, schoolklimaat etc. Dit alles met als uitgangspunt de eigen kracht van het gezin en het netwerk en in samenwerking met alle bij het gezin betrokken professionals (multidisciplinair). (Bron: Kaders van de opdracht en financiën SAMEN. : Basisjeugdhulp, ondersteuning en preventie bij WIJ Groningen) Wijzigingen van de inhoud van de Basis jeugdhulp zullen leiden tot een wijziging van die bijlage. Regulier casemanagement Efficiënte toeleiding naar jeugdhulp wordt bewaakt en gerealiseerd door het regulier casemanagement in de basisondersteuning. Regulier casemanagement is een taak die 41
uitgevoerd wordt door hiertoe bekwame uitvoerende professionals uit de basisondersteuning. Het uitgangspunt is dat de (eerst) betrokken professional hiervoor verantwoordelijk is. Beslissingen over hulp worden altijd in dialoog, samen met de jeugdige en of ouders/opvoeders genomen. Expertteam Bij complexe ondersteuningsvragen kan de jeugdhulpverlener/casemanager onafhankelijk advies vragen bij het regionale expertteam. Het expertteam bestaat uit deskundigen vanuit de verschillende kennisgebieden en zorgdomeinen, zoals de GGz, jeugd- en opvoedhulp en zorg voor jeugdigen met een verstandelijke beperking. Het expertteam kan benaderd worden bij specifieke vragen rondom opvoeding en ontwikkeling, en bij meer complexe casuïstiek (bijv. rond verblijf). Ook als er behoefte is aan advies over inzet van jeugdhulp of ondersteuning bij het beoordelen van veiligheidsrisico’s, kan het expertteam om advies gevraagd worden. Het expertteam kan worden ingeschakeld door professionals van de lokale teams, GI’s en jeugdhulpaanbieders. Een advies komt altijd tot stand in samenwerking met de betrokken professionals en/of gedragswetenschappers. De leden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het vinden van een oplossing in de betreffende casus (oplossingsverplichting). Een casus kan telefonisch of per email worden aangemeld bij de RIGG helpdesk.
Flexibele ondersteuning Indien een verwijzer aanvullende specifieke integrale ondersteuning van jeugdige en of gezinssysteem wenselijk vindt (in samenspraak met betrokkenen), kan gebruik gemaakt worden van inzet van uitvoerende professionals uit de flexibele ondersteuning. Ook kunnen deze medewerkers handelingsgerichte diagnostiek verlenen. De flexibele ondersteuning fungeert dus als een ‘surplus’ van de basisondersteuning. Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk voor jeugdigen en/of ouders, maar kan worden ingezet na een professionele afweging van een hiertoe bevoegde verwijzer. In die zin spreken we van een individuele voorziening. Intensieve ondersteuning Indien blijkt dat de problemen van de jeugdige of het gezinssysteem dermate ernstig of complex is, kan de professional ook een vorm van intensieve ondersteuning inzetten. Dit zijn vormen als dagbehandeling, poliklinische trajecten, 24-uurs zorg, pleegzorg en crisiszorg. Deze ondersteuning wordt veelal decentraal georganiseerd en zoveel mogelijk uitgevoerd in de leefomgeving van de jeugdige. Medewerkers van de intensieve 42
ondersteuning kunnen ook specialistische diagnostiek verlenen. Vanuit de intensieve zorg wordt eveneens gewerkt aan de inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van plaatsing en het voorkomen van terugval. Alle vormen van hulp die in de intensieve ondersteuning gegeven wordt, zijn niet vrij toegankelijk. Deze hulp is altijd een vorm van individuele voorziening. De intensieve ondersteuning kan pas worden ingezet na een afgewogen oordeel van een hiertoe bevoegde verwijzer. 2. Vormen van jeugdhulp en preventie Hieronder worden enkele vormen van jeugdhulp kort nader toegelicht. Bij 1, onder a: De versterking van de sociale context waarin gezinnen opvoeden en jeugdigen opgroeien. Bij 2: onder a) daaronder vallen bijvoorbeeld coachingstrajecten en vormen van e-hulp; onder c) daaronder vallen bijvoorbeeld trajecten zoals onder meer in zorgboerderijen geboden worden; onder e) deze interventies worden uitgevoerd volgens het principe van Wrapped around care. Intensieve ondersteuning bestaat uit een keten van specialistische behandelactiviteiten, deeltijd- of dagbehandeling en of klinische opname en gedwongen jeugdhulp. onder b) Hieronder vallen bijvoorbeeld pleegzorg, intramurale opvang, 24uurs opvang, pleegzorg in eigen netwerk, gesloten jeugdzorg, klinische opname en kinder- en jeugdpsychiatrie.
onder e) Hieronder vallen bijvoorbeeld Jeugdzorgplus en enkele vormen van hoog specialistische GGZ, inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van uithuisplaatsing en inzet van specifieke zorgtrajecten. 43
Het is mogelijk om verschillende voorzieningen genoemd in dit artikel met elkaar te combineren, zodat passende jeugdhulp ingezet kan worden. De medische verwijsroute en de OJG De gemeente Groningen geeft sinds 2018 met de functie van Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG) een impuls aan een kwalitatief beter en effectief werkend jeugdstelsel. Deze functie is in het leven geroepen om te komen tot een verbetering van de samenwerking tussen huisarts en de WIJ-teams en daarmee tot een efficiënte toegang tot de jeugdhulp. De OJG bij de huisarts verbetert de samenwerking tussen de gemeentelijke toegang (het WIJ-team) en de huisarts. De OJG verleent en/of organiseert dichtbij en snel passende hulp voor jeugd en gezin en zorgt er daarmee voor dat verwijzingen naar niet passende jeugdhulp verminderen of voorkomen worden. De OJG is de verbindende schakel tussen de beide verwijzers, waardoor de kwaliteit en de effectiviteit van de verwijzing wordt verhoogd. De huisarts heeft een verwijsfunctie naar alle vormen voor jeugdhulp en is dus voor jeugdigen en hun ouders én voor gemeenten een belangrijke partner als het gaat om een goed werkend jeugdstelsel. De samenwerking tussen OJG en huisarts is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
Inhoudelijke leidraad voor de samenwerking wordt gevormd door de ‘Leidraad samenwerking huisartsen en gemeenten rond jeugd’ van de LHV en de VNG, die op 17 september 2018 is vastgesteld. De samenwerking tussen huisarts en het WIJ-team wordt hiermee versterkt, zodat de inzet van jeugdhulp versterkt of ondersteund wordt met (gemeentelijke) voorzieningen of interventies die bevorderend werken voor gezondheid en veiligheid van de betrokken jeugdige(n). De hulp die de OJG kan bieden bestaat onder andere uit: • laagdrempelig consulteren; • vraagverheldering bij jeugdige en opvoeders; • het maken van een inschatting van de aanwezige mogelijkheden en beperkingen jeugdige/ gezin en netwerk; • 44
het waar nodig afleggen van huisbezoeken en doen van observaties; • op cliëntniveau onderhouden van contacten met school; • het geven van advies aan de jeugdige en/of opvoeders; • het geven van psycho-educatie, (ouder)begeleiding, zorg gerelateerde preventie en overbruggingszorg (in beginsel maximaal vijf tot zeven gesprekken zonder zorgtoewijzing. Als daarna gespecialiseerde jeugdhulp nodig is, wordt alsnog een zorgtoewijzing afgegeven); • het schriftelijke rapporteren aan de huisarts over het resultaat van de ondersteuning, met toestemming van de ouders en/of jeugdige; • het voeren van overleg met huisarts over specifieke casuïstiek, met toestemming van de ouders en/of jeugdige. BIJLAGE 2, bij artikel 2, eerste lid, onder a, van de Verordening: Omschrijving, inhoud en werkwijze Basis jeugdhulp met ingang van 1 januari 2024 Omschrijving Basis jeugdhulp (BJH) Alle ouders en jeugdigen lopen wel eens tegen problemen aan. Meestal kunnen zij deze problemen zelf en/of met hun naasten oplossen. Soms zijn de problemen dusdanig groot dat zij hulp nodig hebben bij het vinden van oplossingen, waardoor zij zelf weer grip op hun leven kunnen krijgen.
Dit kunnen eenvoudige vragen zijn over de ontwikkeling van de jeugdige tot complexe vragen waarbij sprake is van een stapeling van problemen, bijvoorbeeld op het gebied van opvoeding, psychische problematiek, verslaving, financiën, gezondheid, onderwijs, relatie(s) en algemeen welbevinden. Door deze stapeling kunnen ouders en/of jeugdigen de opgaven waarvoor ze in het dagelijks leven staan als te groot ervaren. Ouders en kinderen kunnen met deze vragen terecht bij de gemeentelijke toegang, zoals uitgevoerd door Stichting WIJ Groningen. De gemeentelijke toegang en andere bevoegde verwijzers onderzoeken samen met ouders en jeugdigen wat zij nodig hebben aan ondersteuning. Een groot deel van deze ondersteuning wordt uitgevoerd door de Basis jeugdhulp (hierna te noemen BJH) als 45
onderdeel van Stichting WIJ Groningen. Specialistische diagnostiek en behandeling, verblijf en/of dagbesteding vallen niet onder de BJH. Daarvoor kan een individuele voorziening worden aangevraagd. De BJH is gericht op ondersteuning bij opgroeien en opvoeden. De BJH biedt basis- en specialistische begeleiding en/of ondersteuning en is direct, zonder indicatie inzetbaar voor alle ouders en jeugdigen. Hiervoor hoeven ouders en jeugdigen geen aanvraag te doen. Er is geen beschikking jeugdhulp nodig. Het team van BJH bestaat uit jeugdhulpprofessionals met verschillende specialisaties en achtergronden. BJH is daarom een overkoepelende naam verschillende soorten jeugdhulp. Het gaat om individuele en systeemgerichte ondersteuning. Ook is er aanbod in groepsverband en aanbod waarbij wordt gewerkt met niet-taalgerichte, lichaamsgerichte en vaktherapeutische interventies. Voorbeelden van BJH zijn: (een combinatie van) interventies zoals maatschappelijk werk, begeleiding en/of ondersteuning via leren en ervaren in een groep, begeleiding en/of ondersteuning door niet- taalgerichte interventies; een licht behandelaanbod passend bij de ondersteuning die de BJH biedt.
Voor overig licht behandelaanbod zal verwezen worden naar gespecialiseerde aanbieders; begeleiding en/of ondersteuning thuis en in de leefomgeving, bij problemen in het gezin en/of met opgroeien en ontwikkeling; -(na)zorg bij jeugdcriminaliteit en begeleiding en/of ondersteuning voorafgaand aan, tijdens of na klinische en residentiële opname. Deze ondersteuning kan op verschillende plekken plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld thuis bij het gezin, op school of bij de huisarts. De doelgroep van de BJH bestaat uit: gezinnen waar sprake is van opvoed- en opgroeiproblemen; 46
jeugdigen en gezinnen met psychosociale en psychische problemen; kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP); kinderen en gezinnen met stressvolle maatschappelijke problemen zoals bijvoorbeeld armoede, werkloosheid en schulden; gezinnen waar sprake is van meervoudige problematiek, complexe scheidingssituaties, kindermishandeling of een (licht verstandelijke) beperking. Werkwijze BJH Start: periode van kennismaken De startperiode staat in het teken van kennismaken. De BJH pakt de meest urgente vragen op zodat er ruimte in het gezin ontstaat, om na te kunnen denken over hoe de problemen zijn ontstaan en hoe deze aan te pakken. Belangrijke steunfiguren en hulpbronnen in de directe omgeving van kind en gezin worden actief betrokken bij het maken van het plan en de uitvoering. Bij steunfiguren en hulpbronnen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het sociale netwerk, Jouw Ingebrachte Mentor (JIM), maatjes of vrijwilligers in de buurt. De BJH-medewerkers sluiten aan op een manier die past bij kind en gezin. Dit gebeurt door middel van gesprekken, lichaamsgerichte en/of creatieve interventies. Het kan ook gaan om groepsinterventies om nieuwe vaardigheden te leren en met andere jeugdigen en/of ouders te leren hoe je kunt omgaan met de moeilijkheden die je ervaart. Of om gesprekken over de ontwikkeling van het kind en de uitdagingen die je bij het opvoeden tegenkomt.
Soms vraagt dat om het leren omgaan met problemen die niet of maar beperkt op te lossen zijn. Altijd wordt uitgegaan van de deskundigheid van kind en gezin en hun eigen regie. Het kind wordt altijd gesproken en in het gehele ondersteuningsproces betrokken (belang van het kind). Vervolg: plan maken en uitvoeren
47
Met de kennis vanuit de startfase wordt gezamenlijk een plan gemaakt dat uitgaat van de deskundigheid van ouders en jeugdigen over hun eigen leven. Hierbij voegt de BJHprofessional zijn of haar specialistische kennis toe. De BJH gaat samen met kind en gezin op zoek naar werkzame oplossingen, waarbij het gericht is op het versterken van veerkracht en steunbronnen van kind en gezin. Problemen kunnen invloed hebben op meerdere levensterreinen, zoals het gezin, de kinderen, de relatie, school, werk, vriendenkring, etc. Waar dit nodig is ondersteunt de BJH bij deze vraagstukken, gericht op het gehele gezin en zijn omgeving. Groepsinterventies kunnen worden ingezet om nieuwe vaardigheden te leren en met andere jeugdigen en/of ouders te leren hoe je kunt omgaan met de uitdagingen die je ervaart. Regelmatig wordt stil gestaan bij het plan en wordt besproken of dit nog aansluit. De frequentie daarvan is afhankelijk van behoefte en noodzaak. Afronden Als blijkt dat ouders en jeugdige weer met meer vertrouwen en veerkracht zelfstandig verder kunnen, wordt toegewerkt naar een passende afronding van de inzet van BJH.
48
Toelichting TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE GRONINGEN 2026 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2. 9, 2. 10 en 2. 12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; • over de
wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; • 49
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; Artikel 2. 9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8. 1. 1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2. 2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen of slechts een beperkte toegangsbeoordeling plaats.
Dit betekent dat voorafgaand geen (diepgaand) onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Lid 1 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 onderdeel c: budgethouder
50
De budgethouder is degene aan wie op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) wordt toegekend om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Lid 1 onderdeel e: college In deze verordening wordt in plaats van het begrip college ook wel het begrip gemeente gehanteerd. Daar waar college staat vermeld kan ook worden bedoeld de persoon of organisatie die namens het college bepaalde taken uitoefent op grond van deze verordening. Lid 1 onderdeel f: gebruikelijke hulp Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2. 3 Jeugdwet). Dit wordt ook wel ‘eigen kracht’ genoemd. Ter invulling hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp. Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt dat ook boven-gebruikelijke hulp onder ‘eigen kracht’ kan vallen en van ouders kan worden verlangd. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Lid 1 onderdeel n: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o. a.
(ex)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging, school etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag. Het komt in dat verband ook aan de orde bij de vaststelling van ‘eigen kracht’. Daarnaast komt het begrip ook voor in de bepaling over het pgb (artikel 8. 1. 1 van de Jeugdwet). Lid 1 onderdeel p: Veilig Thuis 51
In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt. Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2. 9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Lid 2 Het college kan op grond van het tweede lid, de in het eerste lid genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren. Het ingekochte aanbod van jeugdhulp binnen de gemeente Groningen Het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp binnen de gemeente Groningen bestaat onder meer uit een gesubsidieerde algemene voorziening en regionaal ingekochte individuele voorzieningen. Een overzicht van deze laatste voorzieningen is opgenomen in de verwijsgids van de RIGG (Regionale Inkooporganisatie Groninger gemeenten), te vinden op de internetsite www. rigg. nl.
Een overzicht met een beschrijving van het aanbod aan algemene voorzieningen en individuele voorzieningen binnen de gemeente Groningen is opgenomen in de bijlage bij deze verordening. Bij de inkoop van jeugdhulp handelt de gemeente in overeenstemming met het geldende subsidie- en aanbestedingsrecht. Verwijzers zijn in beginsel gebonden aan het door de gemeente ingekochte en gecontracteerde aanbod. In uitzonderingssituaties zal soms gebruik moeten worden gemaakt van zogenaamde niet-gecontracteerde hulp. Voor de inzet daarvan maakt de gemeente gebruik van een (werk)proces. Daarbij geldt dat als een persoonsgebonden budget (pgb) ook tot de mogelijkheden behoort, deze vorm de voorkeur geniet. Bij een aantal producten die onder de Basis jeugdhulp van Stichting WIJ Groningen vallen, zijn uitvoeringsvoorwaarden geformuleerd. Deze producten kunnen toch worden ingezet door jeugdhulpaanbieders die onder de Open House overeenkomst zijn gecontracteerd wanneer deze producten zijn gecombineerd met bepaalde producten of 52
zijn verwezen door bepaalde verwijzers. Een actueel overzicht van de uitvoeringsvoorwaarden is opgenomen in de Verwijsgids van de RIGG. Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling Toelichting algemeen De gemeente organiseert een jeugdhulpstructuur gebaseerd op het Groninger Functioneel Model. In dat model gaan we er van uit dat toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij en met het kind en gezin wordt georganiseerd en geregisseerd wordt door een casemanager. Hiermee geven de Groninger gemeenten vorm aan het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. Dit gebeurt ook als de toegang via de huisarts loopt. Met de huisartsen en de zorgaanbieders moeten over de uitvoering afspraken worden gemaakt. In de praktijk kunnen tussen de professionals onderling en of met de opvoeders verschillen van inzichten ontstaan over het ondersteuningsplan en de in te zetten jeugdhulp. Daarom moeten binnen de afspraken de rollen en verantwoordelijkheden helder worden beschreven en duidelijke procesafspraken worden gemaakt. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente; 53
• via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK). Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar één van de jeugdhulpaanbieders waar de gemeente jeugdhulp heeft ingekocht.
Dit betekent dat als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft (en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdaanbieder waarmee zij wel een contract of subsidierelatie heeft), de gemeente deze hulp niet hoeft te vergoeden. De jeugdige en/of zijn ouders moeten de kosten van deze jeugdhulp zelf betalen (MvT bij art. 2. 6 lid 1 aanhef en onder g). De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang de hulp moet duren (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
54
In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat en welke jeugdhulp nodig is (artikel 3. 5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2. 4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
Indien Veilig Thuis inschat dat er jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning of een vorm van (verzekerede) zorg nodig is, verwijst Veilig Thuis door naar vrij toegankelijke hulp of naar het toegangsteam. Artikel 3. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. In het tweede lid is opgenomen dat ouders en jeugdigen altijd recht hebben op een goed onderzoek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Dit is een onderdeel van de jeugdhulpplicht die op gemeenten rust. Op basis van dit onderzoek conform het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (1 mei 2017) wordt dan op basis van de hulpvraag en met gebruik van de daarvoor noodzakelijke deskundigheid beoordeeld welke voorziening het meest passend is. De uitkomst van dit onderzoek kan zijn dat de algemene voorziening toch de meest passende voorziening is. Een aanvraag voor een 55
individuele voorziening zal dan om die reden worden afgewezen. Van deze afwijzing volgt dan wel een beschikking, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de Gemeente en aanvraag Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is een aanvraag een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. De wet noemt in artikel 4:1 en 4:2 een aantal vormvoorschriften aan de aanvraag. Het moet schriftelijk worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening, een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd en de gegevens en documenten die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In de praktijk kan het voorkomen het eerste contact over de hulpvraag al voldoet aan de vereisten van een aanvraag. In de praktijk kunnen verschillende documenten ook als aanvraag worden aangemerkt, te weten het ondertekende ondersteuningsplan, het ondertekende verslag van het gesprek en het ondertekende budgetplan. Daarnaast kan het college op grond van artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht voor het indienen van een aanvraag een formulier vaststellen. Lid 9 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties.
In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 10 Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een reden zijn om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 14 lid 2 onderdeel d van deze verordening). 56
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Lid 1 In artikel 2. 6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die op basis van de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn. Hij baseert zijn oordeel mede op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Lid 2 Deze toegang wijkt af van de reguliere aanvraagprocedure zoals genoemd in artikel 5. Daarom is de bepaling van artikel 5, tiende lid hier ook nog weer apart opgenomen. Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting op die bepaling.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Lid 4 Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de situatie van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het één en ander wordt besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. A tot en met j hebben een vaste volgorde. Dit kan betekenen dat niet alle onderdelen onderwerp van gesprek zijn. Als er bijvoorbeeld sprake is van eigen kracht, komt men niet tot het bespreken van een individuele voorziening en/of pgb. 57
A tot en met c bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Daarna verkleint deze vervolgens weer vanaf d, eventueel zelfs tot nul. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Voor het onderzoek is in ieder geval het volgende van belang: – Wat is de hulpvraag van jeugdige en/of ouders? – Wat kunnen de jeugdige en/of ouders zelf en met behulp van hun netwerk aan hun hulpvraag doen? – Zijn er andere mogelijkheden bijvoorbeeld algemene voorzieningen of andere wetten (bijv. Wlz)? – Wat is nodig vanuit de Jeugdwet? In het handboek Grip op Jeugd van Schulinck worden de stappen als volgt samengevat: • Vaststellen van de hulpvraag • Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is • Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is • In kaart brengen van beperkingen/problematiek • Bepalen welke hulp nodig is • 58
Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) • Aanspraak op een voorliggende voorziening • Aanspraak op een algemene voorziening • Informeren over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb • Indien aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden pgb voldaan wordt Lid 6 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het ondersteuningsplan ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Waardoor ook toepassing kan worden gegeven aan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, waaronder die over de opschorting van de beslistermijn.
In situaties dat ouders en/of jeugdigen het niet eens zijn met de inhoud van dit plan, moeten zij dit separaat of in het ondersteuningsplan aangeven. Dit betekent dat ouders en/of jeugdigen altijd schriftelijk moeten reageren op het ondersteuningsplan, met een handtekening. De ondertekening van het plan ziet ook op overeenstemming over de afspraken die zijn gemaakt. Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. 59
Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Artikel 8a van deze verordening kent een uitwerking van de eigen kracht en een afwegingskader om te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, sprake is van gebruikelijke hulp. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel b). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1. 2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening (onderdeel c) heeft voorrang boven een individuele voorziening. Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoetkomt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden, door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte.
Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling. Lid 3 In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders tijdig een aanvraag in te dienen bij de gemeente. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze de aanvraag doen, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college geen jeugdhulpplicht. 60
Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en het passend zijn van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 5 In het vijfde lid is een uitzondering opgenomen voor de situatie dat de ingezette ondersteuning tot stand is gekomen door een verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts. In dat geval moet het college de voorziening toekennen. De jeugdige en/of ouders hebben zich dan immers tijdig gemeld bij een bevoegde verwijzer.
Lid 7, 8 en 9 Anders dan de Wmo 2015, kent de Jeugdwet geen bepaling over een financiële afweging bij de keuze en de inzet van individuele voorziening. De gemeentelijke verordening biedt wel ruimte om hierover regels te stellen. Met lid 7 wordt uitvoering gegeven aan artikel 2. 9, aanhef en onder a, van de wet. Daar is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. De begrippen ‘goedkoopst’, ‘adequaat’ en ‘tijdig beschikbaar’ moeten in onderlinge samenhang worden bezien. De volgorde waarin deze begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de afweging die wordt gemaakt bij het verstrekken van een bepaalde voorziening, de hoogte van de kosten van de voorziening voorop staat en pas in tweede instantie wordt gekeken naar het feit of de voorziening als voldoende passend en tijdig beschikbaar kan worden aangemerkt. ‘Goedkoopst adequaat en tijdig beschikbaar’ betekent dat een voorziening altijd adequaat en tijdig beschikbaar moet zijn. Pas als er meerdere adequate voorzieningen zijn, kan de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening worden gekozen.
Een hulpvrager die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat en tijdig beschikbaar is, betaalt de meerkosten zelf. In lid 8 is opgenomen dat zoveel mogelijk een (gedeelde) verklarende analyse wordt opgesteld wanneer er kan of moet worden gekozen tussen jeugdhulp met verblijf (of de voortzetting daarvan) en jeugdhulp in de thuissituatie (of de voortzetting daarvan). 61
Dergelijke ingrijpende keuzes vergen een extra zorgvuldig onderzoek. Een (gedeelde) verklarende analyse kan daarvoor een goed middel zijn. Zo'n analyse bevordert een transparante besluitvorming: niet alleen op basis van urgentie en veiligheid, maar ook op basis van inzicht in oorzaken, draagkracht, netwerk en kosten. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid. Met de stijgende kosten van jeugdhulp is het belangrijk dat juist in deze situaties ook kritisch en zorgvuldig wordt gekeken naar alle consequenties van zo'n ingrijpende keuze en daarmee dus ook naar de financiële. Artikel 8a. Eigen kracht De Centrale Raad van Beroep heeft in mei 2025 een drietal uitspraken gedaan, waaruit blijkt dat de invulling van het begrip eigen kracht en een daarbij te hanteren afwegingskader thuishoort in de gemeentelijke verordening. Eén van die uitspraken heeft betrekking op de gemeente Groningen. In die uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1097) heeft de Centrale Raad daarover het volgende overwogen. (R. o. 4. 5) “Uit de artikelen 2. 3 en 2. 9 van de Jw volgt, mede gelet op de wetsgeschiedenis, dat de algemene begrippen van artikel 2. 3 nader dienen te worden uitgewerkt en geduid in een verordening op grond van artikel 2. 9.
Ten behoeve van de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur dienen in de verordening regels te worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening en de wijze van beoordeling en afwegingsfactoren daarbij. De wetgever is nadrukkelijk van mening dat artikel 2. 3 Jw zelf de jeugdige en zijn ouders onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt over de door het college te verlenen voorzieningen, over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling daarvan, en over de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Niet kan dan ook worden volstaan met een herhaling in de verordening van de begrippen uit de Jw. In de gemeentelijke verordening dient onder andere een duidelijke hoofdrichting te worden neergelegd voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, nu dit binnen het wettelijk systeem wordt beschouwd als één van de afwegingsfactoren als bedoeld in artikel 2. 9 Jw.
Specifiek wijst de Raad hierbij op de duiding die de gemeentelijke regelgever in dit kader wenst te geven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Een opdracht in de verordening van de gemeenteraad aan het college tot nadere regelstelling op dit vlak volstaat niet. (R. o. 4. 6) In artikel 2. 3, eerste lid van de Jw is de bevoegdheid tot het beslissen op een verzoek om jeugdhulp op grond van de Jw toebedeeld aan het college. Het college dient 62
dus een besluit te nemen over toe- of afwijzing van het verzoek op grond van de criteria die door de gemeenteraad in de verordening zijn neergelegd. ” Naar aanleiding van het voorgaande is in artikel 8a een uitwerking van de begrippen eigen kracht, gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp opgenomen en het daarbij te hanteren afwegingskader. Artikel 9. Aanvullende criteria pgb Lid 1 Als een jeugdige/ouder in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8. 1. 1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 3 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8. 1. 1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is.
In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een 63
professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. In artikel 8. 1. 1, derde lid, van de Jeugdwet heeft de wetgever de mogelijkheid opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgeboden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kringen van andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige regelmatig contacten onderhoudt zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging, etc. De regering vindt de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol. Toch vindt ze het ook wenselijk dat de beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot een beperkt aantal gevallen. In die gevallen moet duidelijk zijn dat de inzet vanuit het sociale netwerk aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders. In de meeste situaties zal het daarbij gaan om informele ondersteuning, met het daarbij behorende tarief. Belangrijk is dat de veiligheid van de jeugdige altijd is gewaarborgd en dat de jeugdhulp van goede kwaliteit is.
Bij de beoordeling van die veiligheid en kwaliteit dient een goede afweging te worden gemaakt of de inzet van het sociale netwerk voldoende is, of dat daarnaast nog professionele externe begeleiding/behandeling nodig is. Ook moet worden voorkomen dat de jeugdhulp tot overbelasting leidt bij de persoon die deze verleent. Verder gelden natuurlijk de door de wet gestelde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Voor wat betreft het in dit verband relevante begrip gebruikelijke hulp, wordt verwezen naar artikel 1, eerste lid, onder f van deze Verordening. Lid 5 Als de overeenkomst niet door het college wordt goedgekeurd, betekent dit nog niet dat daarmee de toewijzing van de individuele voorziening en het pgb komen te vervallen. Een overeenkomst moet conform de afgegeven beschikking worden opgesteld, dus met de juiste tarieven en vermelding van de jeugdhulpverlener. Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de 64
systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o. a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG.