CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Aanpassingen Verordening jeugdhulp 2024.pdf

gemeenteraad 17 december 2025, gemeente GroningenBij agendapunt: 5a1: Aanpassingen Verordening jeugdhulp 2024 (raadsvoorstel 12-11-25)24.737 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026 Intitulé Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026 DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRONINGEN, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 16 september 2025; gelet op de artikelen 2. 9, 2. 10, 2. 12 en 8. 1. 1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; • het uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: – de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; – de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; – de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; – de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; 1

– de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; – de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; – overwegende dat het verder ook wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders, of met een beperkte toegangsbeoordeling (Triage); b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet valt onder de Jeugdwet; c. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; d.

budgetplan: een bij de aanvraag voor een pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 9 van deze verordening; e. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen; f. 2

gebruikelijke hulp: hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; g. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2. 3, eerste lid, van de Jeugdwet; h. individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die toegankelijk is na voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. De voorziening wordt door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt; i. Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG): een medewerker in dienst van Stichting WIJ Groningen die bij huisartsen vormen van jeugdhulp kan verlenen en die een rol vervult bij de toegang tot jeugdhulp en zoals verder uitgewerkt in de toelichting bij bijlage 1 van deze verordening. j. ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van het onderzoek, gewenste resultaten en afspraken, als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van deze verordening; k.

pedagogische civil society: de sociale omgeving rond de jeugdige, bestaande uit ouders, familie, buurtvrienden, school, peuterspeelzalen, vrijwilligers, sportcoaches en anderen die betrokken zijn bij de opvoeding en het opgroeien van de jeugdige met als doel om de draagkracht van het gezin van de jeugdige te vergroten en opvoedingsproblemen te voorkomen; l. persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige of ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in art. 8. 1. 1 van de Jeugdwet; m. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt; n. 3

Sociaal wijkteam: het geheel of een of meer onderdelen van de organisatie die blijkens de stukken van haar oprichting tot doel heeft het uitvoeren van (wettelijke) taken van de gemeente op het gebied van het brede sociaal domein, waaronder in elk geval begrepen taken uit hoofde van de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet. Deze taken behelzen onder andere de kernactiviteiten (collectieve) preventie, ondersteuning en toegang tot voorzieningen. o. triage: een eerste en beperkte toegangsbeoordeling (vooronderzoek) op basis van een hulpvraag, waarbij de aard en de omvang van de in te zetten hulp nog niet hoeft te worden bepaald. Triage valt onder de gemeentelijke toegangstaak. Middels triage wordt bepaald welke ondersteuning passend en proportioneel is. Binnen de triage worden alle expertisegebieden betrokken (inclusief de preventieve). Hierbij wordt altijd een afweging gemaakt tussen kracht van de leefwereld en de omvang van het probleem. p. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1. 1 van de Jeugdwet; q. Verwijzer(s): de partijen die op grond van de Jeugdwet mogen verwijzen naar jeugdhulp en de partij die in opdracht van het college de toegang naar jeugdhulp verzorgt in de gemeente Groningen; r. wet: de Jeugdwet. 2.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, Regeling Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Aanbod van vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van jeugdhulp zijn beschikbaar: a. algemene voorzieningen, gericht op het versterken van de sociale context, de algemene voorziening basisondersteuning en de algemene voorziening Basis jeugdhulp, het één en ander zoals beschreven in de bijlage bij deze verordening die daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt en 4

b. individuele voorzieningen, zoals kort beschreven in de bijlage bij deze verordening die daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt en die zijn te verdelen in de volgende productcategorieën: • ambulant; • specifieke doelgroepen; • dagbesteding/dagbehandeling; • overig; • advies; • logeren/respijtzorg; • intensief ambulant; • verblijf/opname; • crisis; • jeugdhulp Plus en • klinisch verblijf. 2. De in het vorige lid genoemde productcategorieën zijn opgenomen in de verwijsgids van de regionale inkooporganisatie en zijn onderverdeeld in producten, waarbij per product in elk is opgenomen: 5

a. doelgroepen; b. activiteiten (aanpak); c. doorlooptijd (duur); d. intensiteit (frequentie); e. kwaliteit (product specifieke eisen); f. beoogd resultaat (doel); g. vermelding productcode iJW. h. Bij een aantal producten zijn uitvoeringsvoorwaarden geformuleerd. i. Bij een aantal producten is een maximum aantal uren of maximumduur opgenomen. 3. Algemene en individuele voorzieningen kunnen ook in collectieve vorm, dat wil zeggen in groepsverband, worden aangeboden. 4. Voor zover het lokaal en regionaal ingekochte aanbod niet toereikend of passend is, voorziet de gemeente in een (aanvullend) aanbod dat, afhankelijk van de gekozen financieringsvorm, wordt ingekocht met inachtneming van het aanbestedingsrecht dan wel het subsidierecht. 5. Voor zover het regionaal ingekochte en lokaal ingekochte aanbod niet toereikend of passend is, maakt de gemeente gebruik van het door de VNG ingekochte aanbod specialistische jeugdhulp.

6

6. Het in dit artikel opgenomen regionaal en lokaal ingekochte aanbod van jeugdhulp geldt als het door de gemeente gecontracteerde aanbod. Verwijzers worden geacht naar dit aanbod te verwijzen, waarbij de in het zevende lid bepaalde voorrang van algemene voorzieningen boven individuele voorzieningen in acht wordt genomen. Verwijzing naar ander aanbod komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. 7. Het college is niet verplicht om een vorm van hulp in te zetten als er twijfels zijn over het resultaat dat die hulp kan bereiken. Als de inzet van die (wetenschappelijk) niet erkende hulp in een individuele situatie door het college toch als meest passend wordt gezien, kan het college deze vorm van hulp na onderzoek in een individueel geval wel toekennen 7. Een algemene voorziening gaat voor de inzet van een individuele voorziening, tenzij de algemene voorziening niet als passend wordt geacht of niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is en een individuele voorziening wel aan deze voorwaarden voldoet. Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling Artikel 3. Toegang algemene voorziening 1. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling (triage). 2.

Als de jeugdige of zijn ouders geen gebruik wensen te maken van een algemene voorziening hebben zij desgewenst recht op een onderzoek als bedoeld in artikel 7. Artikel 4. Goede Toekenning Bij ‘zorgtoekenningen’ hanteren jeugdhulpaanbieders en het college de afspraken die zijn vastgelegd in de ‘Goede Toekenning’. Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij Stichting WIJ Groningen. Deze organisatie is verantwoordelijk voor de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp in de gemeente Groningen, maar heeft geen mandaat om namens het college te besluiten op aanvragen om jeugdhulp. Als de jeugdige en/of ouders daarom vragen, wordt gezorgd voor ondersteuning bij het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. 2. Het eerste contact over de hulpvraag als bedoeld in het eerste lid kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht indien dit contact aanleiding geeft tot een onderzoek als bedoeld in artikel 7 van de verordening.

7

3. Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend bij het college. 4. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag als dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 5. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening aanmerken als een aanvraag als dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 6. Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening. Een door de jeugdige of ouder ondertekend budgetplan kan worden aangemerkt als aanvraag. 7. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken, waarbij als startdatum het eerste contact als bedoeld in het tweede lid geldt. 8. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 9. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 10. De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

11. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening. Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet en betaling van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, voor zover is verwezen naar een door of namens de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 2. De in dit artikel genoemde verwijzers houden zich aan de regels van deze verordening, waaronder in elk geval de in artikel 2, zevende lid, bepaalde regel over de voorrang van algemene voorzieningen boven individuele voorzieningen. 8

3. Als de jeugdhulpaanbieder na verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van die jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening, zoals de in artikel 7 bepaalde stappen van het onderzoek, en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het contract. 4. Als bij een huisarts gebruik wordt gemaakt van een Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG), dan biedt deze niet alleen kortdurende en laagdrempelige hulp en ondersteuning, maar kan deze ook een rol hebben bij de (verdere) verwijzing naar jeugdhulpaanbieders. In de toelichting op bijlage 1 is de positie en het takenpakket van de OJG verder uitgewerkt. 5Het college kan de na verwijzing te verlenen individuele voorziening vastleggen in een beschikking en doet dit in elk geval als ouders of jeugdigen hierom verzoeken. 6. De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de datum van verwijzing of beschikking melden bij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder waarnaar verwezen is. Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de jeugdige en/of zijn ouders zich te legitimeren. De jeugdige en/of zijn ouders geven daartoe in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 2.

Het college verzamelt alle voor het onderzoek, als bedoeld in het vierde lid, van belang zijnde en toegankelijke gegevens en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 4. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders, waarbij de jeugdige minimaal één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de hulpvraag, de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders; b. 9

of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja, welke problemen, stoornissen en beperkingen dat zijn; c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, te weten het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; d. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en personen die tot het sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden; e. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; f. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een algemene voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; g.

voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening, ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; h. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. i. 10

de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; j. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 5. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek mits al eerder een gesprek met hen is geweest en de jeugdige minimaal één keer is gezien. 6. Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen het gesprek, het onderzoek en de conclusies daaruit vast in het ondersteuningsplan. Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen, geldt als voorwaarde voor het compleet maken van de aanvraag dat dit ondersteuningsplan wordt ondertekend door de ouders en/of jeugdige en daarna wordt teruggestuurd. 7. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken van het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning, zoals bedoeld in artikel 1. 1. 1 van de Wmo 2015. 8.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s om de recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen. 9. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en vastgelegd. 10. Het in dit artikel bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd door professionals die geregistreerd staan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of BIG-register. 11. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; 11

c. taal- en leerproblemen; d. somatische aandoeningen; e. lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en f. kindermishandeling en huiselijk geweld. 12. Bij het onderzoeken van de stappen uit het vierde lid, wordt in elk geval bij de stappen b. en c. gebruik gemaakt van relevante deskundigheid. Voor de ouders of jeugdige moet tijdens het onderzoek duidelijk zijn wie, wanneer met welke deskundigheid de hulpvraag heeft onderzocht. Zo nodig wordt dit ook vastgelegd in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in het zesde lid. Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen 1. Jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening na een aanvraag en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht), zoals nader uitgewerkt in artikel 8a van deze verordening; b. door gebruik te maken van een andere voorziening, of; c. door gebruik te maken van een algemene voorziening. 2. Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: 12

a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van een in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder b, van deze verordening genoemd probleem, stoornis en/of beperking waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college achteraf nog het volgende kan beoordelen: de noodzaak, of de voorziening passend is en de gemaakte kosten. 4. De voorziening als bedoeld in het derde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing als de ingezette individuele voorziening tot stand is gekomen door een verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts. 6. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste lid. 7. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening. 8. Als een keuze kan of moet worden gemaakt tussen een individuele voorziening met verblijf of een voortzetting daarvan, en jeugdhulp in de thuissituatie om dat eerste te voorkomen of de voortzetting daarvan, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van een (gedeelde) verklarende analyse. 9. Het college kan nadere regels stellen over de inhoud en methode van een (gedeelde) verklarende analyse, zoals genoemd in het achtste en negende lid. Artikel 8a. Eigen kracht 1.

Bij de beoordeling van de onderzoeksstap van artikel 7, vierde lid, aanhef en onder d, en bij de invulling van criteria van artikel 8 van de verordening, hanteert het college de volgende uitgangspunten, definities en afwegingskader. 2. Uitgangspunten bij de beoordeling van eigen kracht zijn: a. Alle kinderen moeten gezond en veilig kunnen opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen participeren in de samenleving. b. Ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind (hierna te noemen ouders) zijn op grond van nationale en 13

internationale wetgeving primair verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van het kind. Dit omvat fysieke en emotionele zorg, zoals voeding, kleding, huisvesting, veiligheid en liefdevolle aandacht. c. De overheid respecteert deze verantwoordelijkheid van ouders en ondersteunt door middel van passende hulp en voorzieningen als dat nodig is, bijvoorbeeld via bijstand of kinderopvang als ouders werken. Daarnaast moet de overheid bescherming bieden als ouders de zorg voor een kind niet aankunnen, of bij mishandeling of verwaarlozing. d. Jeugdhulpvoorzieningen zijn bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen die uitmonden in problemen in het dagelijks leven en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. e. Opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. Verschillen tussen kinderen, ouders en gezinnen mogen er zijn. Afwijkingen van het ‘gemiddelde’, incidenten en mindere perioden worden niet onnodig geproblematiseerd en gemedicaliseerd. f. Het is normaal dat kinderen soms lastig of afwijkend gedrag vertonen. Soms is het nodig om eerst te volgen hoe iets zich ontwikkelt (‘watchful waiting’).

Verwijzers en jeugdhulpaanbieders moeten ‘nee’ verkopen als ze vinden dat er onvoldoende reden is voor het inzetten van (gespecialiseerde) jeugdhulp. Daarvoor moeten zij wel in staat zijn om met ouders een goed gesprek te voeren over het hobbelige pad van opvoeden en opgroeien, wat ouders zelf kunnen doen en welke voorzieningen in de pedagogische basis ze daarvoor kunnen benutten. g. Ouders kunnen niet zondermeer een beroep doen op het college voor jeugdhulp aan hun kind. Het college verstrekt geen individuele jeugdhulpvoorziening als en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen een oplossing kan bieden voor de in het onderzoek vastgestelde hulpvraag en problemen, stoornissen of beperkingen. Dit wordt eigen kracht genoemd. h. Als de draaglast van kinderen, ouders, gezinnen en omgeving de eigen draagkracht te boven gaat, is een beroep op een jeugdhulpvoorziening op zijn plaats. Het college bepaalt dit op basis van eigen kracht. i. Overheidsbemoeienis moet niet leiden tot zorgafhankelijkheid, maar moet primair en actief bijdragen aan herstel en versterking van de eigen kracht van kinderen, gezinnen en samenleving. Het gaat om hulp tot zelfhulp, zo dicht mogelijk bij het kind, het liefst thuis in de lokale context, en niet langer dan noodzakelijk is. j. Bij alle besluiten die kinderen betreffen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

Het college verbindt zich ertoe het kind te verzekeren van 14

de bescherming en de zorg die nodig zijn voor het welzijn van het kind, rekening houdend met de rechten en plichten van ouders. 3. Onder eigen kracht wordt in elk geval verstaan: a. gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; b. bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; c. de ondersteuning vanuit het sociale netwerk en d. het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 4. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp en zorg van ouders kunnen worden gezien. Dit geldt bijvoorbeeld als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof.

Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen (zoals kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang) en naar wat in redelijkheid met mantelzorg (sociaal netwerk) kan worden opgevangen. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 5. Afwegingskader A. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft ; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 15

B. Om vast te stellen wat jeugdigen afhankelijk van hun leeftijdscategorie in ieder geval nodig hebben en kunnen, maakt het college gebruik van het volgende: (B1) Jeugdigen van 0 tot en met 2 jaar: a. hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; b. ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig; c. zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; d. hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; e. hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. (B2) Jeugdigen van 3 en 4 jaar: a. kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer); b. hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; c. kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; d. ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/ verzorgers; e. hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aanen uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; f. hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; g. zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; h.

hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. (B3) Jeugdigen van 5 tot en met 11 jaar: a. volgen onderwijs, oplopend van 22 tot 25 uur per week; b. kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);

16

c. hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; d. hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling; e. zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/ verzorgers; f. hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan; g. hebben hulp nodig bij plannen en structureren van (huis)werk en vrijetijdsbesteding; h. hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en opvoeding en begeleiding wordt geboden. (B4) Jeugdigen van 12 tot 18 jaar: a. hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; b. kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; c. kunnen vanaf 16 jaar maximaal één dag en nacht alleen gelaten worden; d. hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; e. hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/ opleiding; f. hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); g. hebben hulp nodig bij plannen en structureren van (huis)werk en vrijetijdsbesteding; h.

hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd; i. bij een normaal ontwikkelingsprofiel worden jeugdigen vanaf het 18e levensjaar in staat geacht zelfstandig te kunnen wonen, al dan niet met begeleiding en een steunend netwerk. C. Om vast te stellen welke uitdagingen horen bij een bepaalde leeftijdscategorie houdt het college rekening met het volgende: (C1) Jeugdigen van 0-2 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d.

voedingsproblemen; slaapproblemen; scheidingsangst; angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; 17

e. incidenteel huilen. (C2) Jeugdigen van 2-4 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d. e. f. g. h.

angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; koppigheid; driftbuien; agressie; ongehoorzaamheid; druk gedrag; niet zindelijk zijn; zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik.

(C3) Jeugdigen van 4-6 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d. e.

niet gegronde angsten; ruzies met leeftijdgenoten; zindelijkheid; schoolweigering; gebrek zelfsturing.

(C4) Jeugdigen van 6-12 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d. e. f.

Ruzies, pesten; concentratieproblemen; laag prestatieniveau; niet naar school willen; incidenteel stelen of vandalisme; overmatig gamen/televisie/netflix, cyberpesten.

(C5) Jeugdigen van 12-16 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d. e. f. g. h. i.

onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

18

(C6) Jeugdigen 16-23 jaar hebben als normale uitdagingen soms (last van): a. b. c. d.

stemmingswisselingen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten.

D. De volgende activiteiten vallen in elk geval onder gebruikelijke hulp: - begeleiden naar activiteiten als muziekles, zwemles en sport; - begeleiden naar het ziekenhuis, deze uren kunnen wel meegewogen worden bij de eventuele (over)belasting van ouders voor de zorg voor hun kind. E. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. F. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in het derde lid staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: a. kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. b.

Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. G. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

19

H. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. de mate van planbaarheid van de hulp; c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders (bijvoorbeeld verstandelijke beperkingen, psychische en psychiatrische problematiek, middelenmisbruik en verslaving); d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld op basis van hun achtergrond of gevolgde opleiding, zoals een verpleegachtergrond); f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. de woonsituatie; j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht. I.

Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. J. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: a. er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; b. als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, probeert de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen; 20

c. bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; d. als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht; e. het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten; f. er wordt gekeken naar andere ondersteuning en zorg die een ouder biedt, zoals mantelzorg; g. het verlenen van hulp aan je kind gaat in beginsel voor op ondersteuning en zorg aan derden buiten het gezin; h. een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 6. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 7. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken.

Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Artikel 9. Aanvullende criteria pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in en kan daarvoor gebruik maken van een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a. waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. 21

op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 2. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk mits: a. vast staat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze; b. de ondersteuning aan de jeugdige of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent; c. er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming; d. de geboden jeugdhulp niet leidt tot voor de jeugdige onveilige situaties; e. 22

het niet gaat om een ggz-behandeling. 4. Het college verstrekt geen pgb als het gaat om spoedeisende jeugdhulp. 5. Zonder voorafgaande goedkeuring door het college van de overeenkomst tussen de budgethouder met de door hem of haar in te schakelen jeugdhulpverlener, kan geen gebruik gemaakt worden van het pgb. 6. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel.

Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5. 2. 1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, dan is er altijd sprake van informele hulp. 3. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid onder a, b of c, dan is er sprake van informele hulp.

23

4. Indien de hulp wordt verleend door iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is alleen sprake van formele hulp indien wordt voldaan aan de onder de in het eerste lid, onder b en c genoemde voorwaarden en deze hulp leidt tot betere en effectievere ondersteuning en die tevens doelmatiger is. Artikel 11. Hoogte pgb 1. De tarieven voor een pgb zijn bepaald voor de volgende categorieën jeugdhulp: a. begeleiding individueel/gezin; b. specialistische begeleiding individueel/gezin; c. persoonlijke verzorging; d. begeleiding groep; e. specialistische begeleiding groep; f. verblijf/logeren. 2. De basis voor de hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 70% van het rekenkundig gemiddelde van de bedragen waartegen de jeugdhulpaanbieders hebben ingeschreven op de in het eerste lid genoemde categorieën jeugdhulp zorg in natura, met uitzondering van het hoogste en het laagste bedrag. 3. In afwijking van het tweede lid kan een lager tarief worden toegekend indien op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4.

Als het op basis van het tweede lid vastgestelde formele pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 24

5. Het formele tarief voor vervoer bedraagt € 7,81 (retour). 6. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van dienstbetrekking ten minste gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd. 7. Het informele tarief bedraagt voor: a. begeleiding: € 18,11 (uur); b. verblijf/logeren: € 18,11 (etmaal); c. vervoer: € 2,70 (retour). 8. Een pgb voor vormen van jeugdhulp en een pgb voor vervoer, waarvoor een tarief is vastgesteld per uur, per dagdeel of per etmaal of retour, mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en voor dat vervoer en mag niet anders besteed worden. 9. Als uit het gesprek en het ondersteuningsplan blijkt, dat het pgb-tarief niet toereikend is, kan het college hiervan afwijken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. 10. Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening vastgestelde tarieven verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welk indexcijfer hierbij wordt gehanteerd. 11.

Als er geen gebruik wordt gemaakt van de in dit artikel genoemde tarieven voor de categorieën pgb worden de bedragen, doelgroepen en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria, zoals in de Wet, het daarop gebaseerde besluit, de verordening en de nadere regels zijn gesteld. 12. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte en de mogelijke indexering van pgb-tarieven wordt vastgesteld.

25

13. Bij nadere regels kan het college verdere invulling geven aan het bepaalde in de voorgaande leden. De diverse tariefhoogten die voortvloeien uit bovenstaande bepalingen, worden opgenomen in een tabel die als bijlage behoort bij de Nadere regels jeugdhulp. 14. Voor jeugdhulp die niet valt onder de in het eerste lid onder a t/m f genoemde categorieën wordt uitgegaan van het tarief van de goedkoopst mogelijke oplossing in natura. 15. Degene die een pgb gaat beheren, dient aan onderstaande criteria a tot en met j te voldoen, hij of zij: a. heeft een goed overzicht van de eigen situatie, dan wel die van de hulpvrager, en heeft duidelijk beeld van de hulpvraag; b. weet welke regels en verplichtingen er horen bij een pgb, of weet waar men die regels (online) kan vinden; c. is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, waardoor hij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb; d. is voldoende vaardig om te communiceren met de gemeente, de SVB en jeugdhulpverleners; e. is in staat zelfstandig te kunnen handelen en zelf onafhankelijk voor jeugdhulpverleners te kunnen kiezen; f. is in staat om zelf afspraken te maken en deze afspraken vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan de verstrekkers van het pgb; g. is in staat om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde jeugdhulp passend en kwalitatief goed is; h. 26

is in staat de inzet van de jeugdhulpverleners te coördineren, waardoor de jeugdhulp door kan gaan ook bij verlof en ziekte; i. is in staat om als werkgever- of opdrachtgever de jeugdhulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; j. heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden. Artikel 12. De beschikking Het college stelt over de inhoud van de beschikking nadere regels. Artikel 13. Periodiek onderzoek en heroverweging Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering 1. Degene aan wie een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededelingen te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget. 2. Het college kan een besluit met betrekking tot een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a.

de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. 27

de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb; e. de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of; f. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden niet is aangesproken voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, tenzij dit de jeugdige of zijn ouders niet is aan te rekenen. 4. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. 5. Het college kan regels opstellen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid tot terugvordering uit het vierde lid. Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1.

Het college informeert jeugdige en ouders in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 3. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 8. 1. 4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 28

4. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van deze verordening. 5. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het derde of vierde lid van dit artikel. 6. Het college kan regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Hoofdstuk 5. Afstemming en afbakening met andere voorzieningen Artikel 16a. Afstemming met Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg 1. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2. 6, eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 6 van deze verordening, plaatsvindt, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Het college stemt de wijze waarop hij zijn verantwoordelijkheden op grond van deze wet uitvoert, af met zorgverzekeraars met het oog op de wettelijke verantwoordelijkheden van die laatsten. 3.

Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 4. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouders indien nodig ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Artikel 16b. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet 1. Indien de jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft die onderdeel uitmaakt van het basispakket van verzekerden, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de wet en is er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de wet. 2. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid 29

bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de wet. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits de jeugdige daarvoor gezien zijn hulpvraag in aanmerking komt. 3. Een voorziening in de vorm van verblijf valt niet onder de wet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Een voorziening in de vorm van verblijf valt wel onder de jeugdhulpplicht van de wet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. Het college verleent laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige gezien zijn hulpvraag daarvoor in aanmerking komt. Artikel 16c. Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg 1. Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: a. ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of; b. omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen, i. door fysieke problemen, of ii.

door zware regieproblemen. 2. Ondersteuning die gezien voorgaande niet onder de jeugdhulpplicht valt, betreft ondersteuning zoals genoemd in artikel 3. 1. 1 van de Wet langdurige zorg, waaronder onder meer begrepen: a. logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; b. verblijf in een instelling; c. vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg; d. behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaken van de behandeling die vanuit de Wet langdurige zorg geboden wordt. 3. Als de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de wet. Artikel 17. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening en de gecertificeerde instellingen. 30

2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a. het overleg over de in te zetten jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3. 5, eerste lid van de wet; b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders; e. hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3. 5, derde lid van de wet. Artikel 17a. Zak- en kleedgeldregeling [vervallen] Artikel 18. Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2. 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet. 2.

Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 17, derde lid van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3. 1, vijfde lid van de wet. Artikel 19a. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 31

1. Het college maakt afspraken met (de samenwerkingsverbanden passend) onderwijs over de toegankelijkheid en beschikbaarheid van jeugdhulp. 2. Het college zorgt samen met de ketenpartners voor de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijsondersteuning en leerplichtzaken. Op individueel niveau worden deze vastgelegd in het ondersteuningsplan of ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) van de jeugdige en/of zijn ouders. 3. Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (op overeenstemming gericht overleg). Er is sprake van een spiegelbepaling in de Jeugdwet en de Wet op het passend onderwijs In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden. 4. Er vinden afstemmingsoverleggen en contactmomenten plaats tussen voorschoolse voorzieningen, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs enerzijds en het sociale wijkteam en de leerplicht anderzijds. Artikel 19 b. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs 1.

Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. 2. Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht. Als een leerling extra ondersteuning nodig heeft, dient een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) te worden opgesteld. 3. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de wet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het in het tweede lid bedoelde plan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. 4. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. 32

Artikel 21a. Afstemming met Wmo-voorzieningen 1. Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college zorgt voor de continuïteit van ondersteuning, hulp en zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 21b. Afbakening Jeugdwet en Wmo 1. Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de hulpvraag een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de wet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1. 1. 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Een aanspraak op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 betreft dan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend: a. ondersteuning, wonen/verblijf en persoonlijke verzorging voor jeugdigen vanaf 18, indien het doel is het bevorderen van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; b. hulpmiddelen die bijdragen aan zo lang mogelijk en zelfstandig mogelijk in de leefomgeving blijven wonen of participeren; c. woningaanpassingen die de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de persoon compenseren; d.

een vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties die worden bezocht ter bevordering van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, zoals sportvereniging en recreatieplekken; e. een maatwerkvoorziening voor opvang, indien jeugdige met ouder(s) meekomt als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting. Artikel 21c. Overgang 18- naar 18+ 1. Het college en de jeugdhulpaanbieder zorgen ervoor dat, als een jeugdige gebruik maakt van jeugdhulp en indien nodig, er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf het moment waarop de jeugdige 18 jaar wordt en welke voorziening vanaf dat moment nodig is. 2. De jeugdhulpaanbieder legt ter uitvoering van het eerste lid voor een jeugdige vanaf 16,5 jaar in een (perspectief)plan vast welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf het moment waarop de jeugdige 18 jaar wordt; hoe en vanuit welke wet (Wmo, WLZ, Zvw of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf dat moment wordt ingezet. 3. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan. 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/5195/documents/90945