CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

woonzorgvisie DEF.docx

Raadsvergadering 3 november 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Woon(zorg)visie17.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In een aantal grote steden worden daarom maatregelen getroffen voor een opkoopverbod in bepaalde wijken, om zo de krapte en de sterk stijgende woningprijzentegen te gaan. Het is nog niet bekend in hoeverre dit in Gouda speelt. Als blijkt dat dit ook in Gouda tot problemen leidt en landelijke regelgeving het mogelijk maakt, worden aanvullende maatregelen genomen.

pagina 22

6

Verduurzamen woningvoorraad tot een toekomstbestendige voorraad

6.1

Wat zien we?

6.1.1

Een grote opgave Het klimaat verandert. Om de klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan worden allerlei afspraken gemaakt. Het klimaatakkoord van Parijs draagt er aan bij om de wereld leefbaar te houden voor toekomstige generaties. Voor de gebouwde omgeving is in Nederland het klimaatakkoord gesloten. Het doel is dat in 2050 7 miljoen woningen van het aardgas af zijn en alle gemeenten in 2050 CO2-neutraal zijn. Dat betekent dat woningen beter geïsoleerd en geventileerd moeten worden en dat er gebruik wordt gemaakt van duurzame warmte en elektriciteit. Deze opgave wordt wijk voor wijk uitgevoerd, het is namelijk maatwerk om te bepalen wat de meest geschikte aanpak per gebied is. Daarnaast wordt regionaal gezocht naar de meest passende wijzen om hernieuwbare energie op te wekken. Voor Gouda zijn deze opgaven beschreven in de Regionale Energiestrategie (RES) Midden-Holland en de lokale Transitievisie Warmte (TVW). In de RES Midden-Holland is onderzocht hoe hernieuwbare elektriciteit opgewekt kan worden. Dit heeft invloed op de woningen en woningbouw omdat in de woongebouwen ruimte moet zijn voor daarvoor benodigde installaties. In de RES Midden-Holland wordt onder andere ingezet op energieopwekking uit zonne-energie.

Er zal nog worden onderzocht welke acties precies nodig zijn voor het starten én stimuleren van initiatieven van ‘zon op dak’, die aan de ambities van de RES Midden-Holland kunnen bijdragen. In de Goudse Transitievisie Warmte van Gouda zijn de benodigde stappen opgenomen om in 2040 aardgasvrij en CO2-neutraal te zijn. Voor alle buurten is aangegeven welke opties het meest waarschijnlijk lijken om dat te bereiken en welk tijdspad daarbij hoort. Zowel de RES Midden-Holland als de Transitievisie Warmte is een opgave die met een groot aantal betrokkenen is opgesteld en zal moeten worden uitgevoerd. De woningcorporaties vormen een belangrijke partner in de uitvoering van deze complexe opgave.

6.1.2

Bestaande voorraad toekomstbestendig maken De woningnood is groot, daarom gaat vaak veel aandacht uit naar het bouwen van woningen. In het huidige Bouwbesluit staat al dat nieuwbouwwoningen duurzaam moeten worden gebouwd. Ook worden nieuwe woningen niet meer op aardgas aangesloten. Dat draagt bij aan het verduurzamen van de totale woningvoorraad. Toch is de woningvoorraad van de toekomst voor het grootste deel al aanwezig. Deze woningen zijn, in tegenstelling tot nieuwbouwwoningen, in veel gevallen minder goed geïsoleerd en momenteel voor het opwekken van warmte afhankelijk van een aardgasaansluiting. Gouda heeft een relatief goedkope woningvoorraad en de vraag is of deze woningen ook betaalbaar toekomstbestendig kunnen worden gemaakt? Een manier om de energiezuinigheid van woningen te bepalen, is het energielabel. Sinds 2008 is het verplicht, dat een woning bij aankoop of verhuur van een woning over een energielabel beschikt. Na aanmelding is het label 10 jaar geldig. Met dit registratiesysteem heeft de gemeente Gouda redelijk zicht op de energiezuinigheid van de woningvoorraad. Toch heeft ruim 40% van de woningen geen geldig label. Het is ook mogelijk dat er in woningen de afgelopen jaren wel energiebesparende maatregelen zijn genomen met een labelverbetering tot gevolg, maar dat dit nog niet zichtbaar omdat er geen nieuw energielabel is aangevraagd.

In het overzicht komt naar voren dat van de geregistreerde labels ongeveer 1 op de 5 woningen een energielabel B of beter heeft.

pagina 23

Figuur 3: Geregistreerde energielabels in Gouda, 2020

Bron: Klimaatmonitor

6.1.3

Klimaatadaptatie voor een leefbare omgeving Als gevolg van het veranderende klimaat is de verwachting dat we meer te maken krijgen met nadelige gevolgen, zoals hevige regenval in korte tijd en langere periodes van droogte. Daarnaast hebben we te maken met bodemdaling en een zeespiegelstijging. Deze omstandigheden hebben invloed op woningen, zoals de toenemende kans op wateroverlast en hittestress. Eén van de grote opgaven is om de invloed hiervan te verkleinen. Bijvoorbeeld door de openbare ruimte groener in te richten en overtollig water op te kunnen vangen. Voor woningen is het nodig om klimaatadaptief te bouwen. Gemeente Gouda heeft zich daarom aangesloten bij het convenant klimaatadaptief bouwen in de provincie Zuid-Holland. Daarin is door bouwbedrijven, gemeenten, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars de wens uitgesproken om nieuwbouwlocaties zoveel mogelijk klimaatadaptief te bouwen, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Dit moet leiden tot:  Minder wateroverlast;  Minder hittestress;  Minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling;  Meer biodiversiteit.

6.1.4

Aandacht voor bodemdaling In de vorige paragraaf is de bodemdaling in Gouda aangestipt. In de historische binnenstad zijn de woningen gebouwd op een laag zand, klei en puin, met daaronder een laag veen. Het veen klinkt in door het gewicht van de bebouwing erbovenop. Dit proces is al eeuwen gaande. Een deel van de woningen daalt met de bodem mee, woningen die op houten of betonnen palen zijn gebouwd blijven op hoogte. De ene woning heeft daardoor kans op wateroverlast, de andere woning kan te maken krijgen met houtrot doordat de heipalen droog komen te staan. In het Kaderplan bodemdaling binnenstad is uitgewerkt hoe met deze situatie kan worden omgegaan. Ook in andere delen van de stad heeft de inklinkende veenbodem gevolgen voor funderingen, met name in (vooroorlogse) woningen. Funderingsproblemen zijn er vooral in de wijken Kadenbuurt, Korte Akkeren, Kort Haarlem, Ouwe Gouwe, Nieuwe Park en de binnenstad. Woningen in deze wijken zijn vaak gefundeerd op houten palen of rechtstreeks op de bodem. Een huiseigenaar is zelf verantwoordelijk voor een goede staat van zijn woning, inclusief de fundering. Toch is niet bij

pagina 24

iedereen bekend of er voor zijn of haar woning funderingsproblemen spelen. Het vergroten van bewustwording hierover is dan ook erg belangrijk.

6.1.5

Biodiversiteit voor een groene omgeving De laatste tijd is ook meer aandacht voor biodiversiteit. Door natuur in de woning, natuur rondom de woning en natuur in de buurt op te nemen, wordt bijgedragen aan gezondheid en welzijn van bewoners, flora en fauna. Dit wordt ook wel natuurinclusief bouwen genoemd. Met het groenfonds wordt projectontwikkelaars gestimuleerd om groen te realiseren rondom de woning.

6.1.6

Circulair bouwen Een andere wijze om zorgvuldiger om te gaan met de beschikbare middelen, is door circulair te bouwen en door hernieuwbare grondstoffen te gebruiken. Hiermee wordt bedoeld dat producten en grondstoffen zoveel mogelijk kunnen worden hergebruikt en zo min mogelijk weggegooid hoeven te worden. Dit kan door gebruik te maken van bouwmaterialen die eenvoudig opnieuw te gebruiken zijn, maar ook door bestaande gebouwen na de gebruiksfase te renoveren en een nieuwe functie te geven. Er hoeft dan niet gesloopt te worden, waardoor bouwmaterialen niet verdwijnen in de afvalketen.

6.1.7

Duurzame mobiliteit gevraagd Extra woningbouw en economische groei leiden tot meer verkeer en extra parkeervoorzieningen. Dat geldt voor het woon-werkverkeer, maar ook voor vrijetijdsdoeleinden. Met het verkeerscirculatieplan wordt de leefbaarheid en gezondheid in de stad verbeterd en wordt de binnenstad aantrekkelijker gemaakt. Dit gebeurt met acties om duurzaam vervoer te verbeteren en de bereikbaarheid te vergroten. Bewoners kiezen hun vervoersmiddel voor het woon-werkverkeer kiezen afhankelijk van locatie van de woning en de benodigde afstand tot hun werk. Daarom is het provinciaal beleid erop gericht om nieuwe woningbouwprojecten zoveel mogelijk binnenstedelijk en in de nabijheid van Hoogwaardig Openbaar Vervoer-knooppunten te realiseren. Ook kan deelmobiliteit bijdragen aan meer groen en klimaatadaptatie, door minder ruimteslag voor het parkeren.

6.2

Wat willen we?

6.2.1

Aardgasvrij en CO2-neutraal in 2040 Gemeente Gouda heeft de ambitie in 2040 aardgasvrij en CO2-neutraal te zijn, waarbij zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het energiegebruik in de woningen bepaalt voor een belangrijk deel of dit kan worden gerealiseerd. De aanpak om dat waar te maken te maken bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste is dat het verminderen van de energiebehoefte, door de woningen energiezuiniger te maken. Nieuwbouwwoningen hebben hoge energieprestaties en worden niet meer op het gasnet aangesloten. Voor de bestaande woningen zijn de uitdagingen groter. Van de ‘groene’ geregistreerde energielabels bestaat een groot deel uit corporatiewoningen. Corporaties hebben hierin al acties ondernomen door te werken volgens het Convenant Energiebesparing Huursector uit 2012. Daarin was het doel gesteld om in 2021 gemiddeld label B te hebben. Dit is de eerste stap op weg naar CO2-neutrale woningen. Bij particuliere woningeigenaren is ook nog grote winst te behalen. De bewustwording is groeiende. Meer dan de helft van de Goudse huishoudens is op de hoogte van de ambitie om in 2040 aardgasvrij en CO2-neutraal te zijn, maar 1 op de 5 inwoners is hier niet van op de hoogte (Stadspeiling 2020). Hier liggen volop kansen om energiezuiniger te worden bijvoorbeeld door beter te isoleren of door over te schakelen op elektrisch koken.

Nu kookt namelijk ongeveer 2/3e van de Goudse huishoudens nog op gas. De bereidheid om te investeren om de woning te verduurzamen is bij een deel van de woningeigenaren aanwezig. 1 op de 5 Gouwenaars is van plan om te investeren in verduurzamen van de woning. Nog eens 2 op de 5 is dit met enige twijfel van plan (ja, misschien). Daarentegen is bijna 30% dit niet van plan.

pagina 25

Ten tweede bestaat de aanpak uit het opwekken van hernieuwbare energie. Dat kan zowel op individueel niveau (via zonnepanelen, zonneboilers) als op hoger schaalniveau (per woningblok of wijk). Het aandeel woningen dat over hernieuwbare energievoorziening beschikt groeit. Met informatiecampagnes stimuleert de gemeente alternatieve energievormen. In de omgevingsvisie heeft de gemeente zeker oog voor de ruimtelijke inpassing ervan, bijvoorbeeld ten opzichte van de historische waarden in de stad en ten opzichte van duurzame mobiliteit. Een onderdeel van deze energietransitie is de warmtetransitie, het derde onderdeel. In de Warmtetransitievisie geeft de gemeente aan welke wijken mogelijk als eerste van het aardgas af gaan en welke alternatieven mogelijk zijn. Daarin zal stap voor stap worden beschreven welke buurten er in het vervolg aan de beurt zijn. De realisatie van deze transitie is een grootschalig proces en de gemeente heeft hierbij een belangrijke (regie)rol. Hierbij wordt ook de samenwerking gezocht met inwoners en andere organisatie zoals bedrijven, woningcorporaties, netbeheerders en financiers. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) hebben het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten de ambitie uitgesproken in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust ingericht te zijn.

In het rapport Strategie en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is beschreven hoe Gouda een klimaat-adaptieve stad wil worden. Op het gebied van circulariteit spelen twee thema’s een belangrijke rol: het verminderen van afvalstromen en circulair bouwen. Voor deze woon(zorg)visie is voornamelijk circulair bouwen van belang. Bouwende en ontwikkelende partijen wordt gevraagd aandacht te schenken aan circulair bouwen. Dat kan onder andere door in het ontwerp te kiezen voor herbruikbaar materiaal en het verminderen van afval- en grondstofstromen. In het uitvoeringsplan duurzaamheid 2020-2023 staan de voorgenomen acties op het gebied van duurzaamheid. Daarin zijn naast acties in de woningvoorraad ook acties op andere domeinen opgenomen, die een samenhangend geheel vormen.

6.2.2

Tegengaan energiearmoede De energietransitie is één van de grootste en meest complexe transities die momenteel gaande zijn. De gemeente zet erop in dat de energietransitie betaalbaar moet zijn. Als het niet lukt de investering in verduurzaming te betalen uit de opbrengst van een lagere energierekening, zal er op andere wijze financiering beschikbaar moeten komen. De gemeente neemt dit ook op als voorwaarde aan het Rijk voor uitvoering van de energietransitie. Zo kunnen mensen met een minder gevulde portemonnee meedoen aan de energietransitie. De gemeente zet zich onder andere in op voorlichting voor bewoners, zodat zij weten waar zij terecht kunnen voor financiering van energetische investeringen. Onlangs is de subsidieregeling reductie energiegebruik woningen (RREW) Gouda opgezet, waarvan zowel woningeigenaren als huurders gebruik kunnen maken. De gemeente spant zich in om deze en vergelijkbare regelingen mogelijk te maken voor inwoners van Gouda.

6.2.3

Duurzame mobiliteit en wonen verbinden Met de uitbreiding van de woningvoorraad wordt het drukker in de stad. Dat betekent ook dat meer mensen zich binnen de stad verplaatsen. Om dat op een duurzame wijze te kunnen doen zet de gemeente in op fietsverkeer. Ook is het nodig om meer elektrische laadpalen ten behoeve van elektrische auto’s te plaatsen en het gebruik van deelauto’s te verbeteren. Nieuwbouwplannen liggen dicht bij HOV-knooppunten, er zijn voldoende fietsparkeerplekken en er zijn mogelijkheden voor concepten die uitgaan van ‘mobiliteit als een service’. Ook voert de gemeente onderzoek uit in welke mate de elektrische auto als onderdeel van de lokale energiehuishouding kan worden ingebouwd.

6.2.4

Toekomstbestendige woningvoorraad Het verduurzamen van de woningvoorraad bestaat voor een groot deel uit het verbeteren van de energetische maatregelen en het realiseren van aardgasvrije woningen. Maar het gaat verder dan

pagina 26

dat. In de volkshuisvestelijke prioriteiten voor 2021-2025 van het ministerie van BZK is kwaliteit ook onderdeel van de investeringsopgave van sociale huurwoningen. Hierbij valt te denken aan zaken als veiligheid, gezondheid en wooncomfort. Het realiseren van een kwalitatief goede en duurzame sociale huurwoningvoorraad vraagt verbeteringen van de schil aan de woning door isolatie, het op peil brengen en houden van het binnenmilieu, het zorgen voor (brand)veiligheid en wooncomfort van woningen en de energietransitie. De gemeente stuurt de kwalitatieve bouweisen in brede zin vanuit stedenbouw en welstand, zodat nieuwe woningen ook kwalitatief passen in de omgeving. Corporaties zijn belangrijk om een versnelling van de verduurzaming van de woningen te realiseren. Zij vervullen een rol in het aardgasvrij of aardgasvrij-ready maken van de woningen, door de zogenoemde rol van ‘startmotor’ te vervullen. In het Klimaatakkoord is de afspraak opgenomen dat de verduurzaming betaalbaarder wordt vanuit de ‘Renovatieversneller’-regeling, een gezamenlijk initiatief van onder andere Aedes, Bouwend Nederland, Techniek Nederland en het Rijk. Corporaties worden gestimuleerd om zich ambitieus op te stellen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en wooncomfort en bovenop de minimumeisen uit het Bouwbesluit 2012 verdergaande aanpassingen aan de woning te doen.

Aan corporaties zal worden gevraagd in de prestatieafspraken aandacht te schenken aan de vraag in hoeverre zij op deze vlakken een bijdrage kunnen leveren. Bij nieuwbouw- en renovatieplannen worden ontwikkelende partijen met de ‘handreiking duurzaamheid bij bouwplannen’ geïnformeerd waaraan een bouwplan moet voldoen op het gebied van duurzame prestaties (GPR-score), klimaatadaptatie, groen en grondstofgebruik. Deze informatievoorziening maakt onderdeel uit van de campagne ‘Maak Gouda duurzaam’. Vanuit deze campagne worden inwoners en ontwikkelende partijen gestimuleerd en geïnformeerd om een bijdrage te leveren aan de verduurzamingsdoelstellingen.

pagina 27

7

Wonen voor iedereen

7.1

Wat zien we?

7.1.1

Afnemend aantal vrijkomende woningen De afgelopen jaren is er een afname van het aantal vrijkomende sociale huurwoningen, terwijl het aantal ingeschreven woningzoekenden stijgt. Net als in de koopsector, is er weinig doorstroming en een beperkt aanbod. Om een aantrekkelijke woonstad te blijven, zonder dat bepaalde groepen de stad moeten verlaten, is het belangrijk dat het aantal betaalbare woningen wordt uitgebreid en dat er meer evenwicht komt tussen de woningvraag (zowel kwantitatief als kwalitatief) en het woningaanbod. Vooral nu de kloof tussen sociale huur en koop groter wordt, is het niet aannemelijk dat er veel vanuit sociale huur naar vrijehuursector en koopsector wordt doorgestroomd. Dit zagen we ook bij de starterslening. Nadat deze uitsluitend mogelijk was als de aanvrager een sociale huurwoning achterliet, bleek dat er weinig startersleningen werden verstrekt. Als je kijkt naar verhuisbewegingen binnen de stad, zie je dat in de periode 2017-2019 27% van de woningzoekenden een corporatiewoning betrok, 43% een koopwoning en 28% een particuliere huurwoning. Gezien de eigendomsverhouding valt op dat bij nieuwe vestigingen de particuliere huursector oververtegenwoordigd is. De mutatiegraad is hier beduidend hoger.

7.1.2

Doelgroepen in de knel De moeilijke omstandigheden bij het vinden van een woning hebben gevolgen voor verschillende groepen. Jongeren wonen langer thuis bij hun ouders voordat zij zelfstandig gaan wonen. Met een startersinkomen behoren zij vaak tot de doelgroep voor een sociale huurwoning, maar omdat zij nog geen woonduur hebben opgebouwd, komen ze daar niet altijd voor in aanmerking. Zij leggen het dan af tegen oudere (her)starters. Zij hebben een groot aandeel in de groep woningzoekenden. Voor de particuliere huurmarkt worden vaak hoge inkomenseisen gesteld en het aantal koopstarters neemt af. Lage en middeninkomens, van alle leeftijden, zijn aangewezen op een beperkt vrijkomend aanbod. Ook zij zijn doorgaans aangewezen op sociale huurwoningen, middenhuurwoningen of goedkope koopwoningen. In die prijsklassen komt weinig aanbod vrij en is er veel vraag. Voor potentiële doorstromers, zoals empty-nesters (die hun kinderen het huis uit hebben zien gaan) en ouderen is een volgende woning vooral een kwalitatief vraagstuk. Laten zij een eengezinswoning achter, dan is een kleiner gelijkvloers appartement een logisch vervolg. Die nieuwe woning is vaak echter niet zoveel goedkoper en de woonlasten worden hoger doordat de huidige hypotheek vaak al is afbetaald.

Ook sluit het aanbod niet altijd aan op de wensen en is er niet altijd een goed alternatief dichtbij het sociale netwerk waartoe zij (willen) behoren. Dit zijn drempels om de verhuizing daadwerkelijk te maken, ondanks de verhuiswens. Het is een onwenselijke situatie, maar in de meeste gevallen op te vangen door de bestaande woonsituatie. Voor urgente woningzoekenden ligt dit anders. Zij hebben op korte termijn woonruimte nodig vanuit een ernstige situatie, bijvoorbeeld als dat op medische gronden nodig is. Met een urgentieverklaring kunnen zij voorrang krijgen op andere woningzoekenden. Daarnaast zijn er spoedzoekers die niet in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, maar wel naarstig op zoek zijn naar woonruimte op korte termijn, bijvoorbeeld door een relatiebreuk en (dreigende) dakloosheid. Een tijdelijke periode kan worden overbrugd, om daarna een volgende woning te betrekken. Nog een andere groep betreft statushouders die voor een eerste woning vaak aangewezen zijn op een sociale huurwoning. De gemeente krijgt elk halfjaar vanuit het Rijk een taakstelling opgelegd om deze groep passende huisvesting te geven. Tot slot zijn er ook mensen in een kwetsbare positie die een zorgbehoefte hebben.

Het gaat hier bijvoorbeeld om jongeren die uitstromen uit jeugdzorg, mensen met een beperking, mensen die uitstromen uit een instelling of waarbij het juist vanuit preventie gezien beter is dat zij een woning hebben, zodat zij vanuit een veilige situatie hun (schulden)problematiek kunnen aanpakken. Deze

pagina 28

groepen in een (dreigende) kwetsbare positie vormen een belangrijk onderdeel van het woonzorgvisiegedeelte (Hoofdstuk 8 van deze woon(zorg)visie).

7.1.3

Specifieke woningbehoeften Naast behoefte aan ‘reguliere woningen’ is er vraag naar speciale woonvormen. Hoewel ook hier sprake kan zijn van schaarste, is dit niet per definitie de kern van het vraagstuk. Het gaat voornamelijk om een bijzondere vorm van wonen die anders dient te worden ingevuld. Het zijn uiteenlopende groepen, die hier specifiek worden uitgelicht. Woonwagenbewoners Het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van het Ministerie van BZK geeft aan dat bij toewijzing van standplaatsen recht gedaan moet worden aan de woonwagencultuur van leven in familieverband. Zo mogelijk moet tegemoet worden gekomen aan de wens om in familieverband samen te leven. Hiervoor zijn in Gouda in samenspraak met de Woonwagenbewonersvereniging Gouda beleidsregels opgesteld. Bij toewijzing van een te verhuren standplaats wordt voorrang verleend aan woningzoekende familieleden op de locatie waar de standplaats vrij komt. Ook is het mogelijk dat kinderen de standplaats van de overleden ouder(s) overnemen. Arbeidsmigranten Arbeidsmigranten zijn vaak minder zelfredzaam. Ze spreken de Nederlandse taal soms niet, hebben geen sociaal netwerk om op terug te vallen, kennen de Nederlandse regelgeving niet of gebrekkig en zijn sterk afhankelijk van hun werkgever. Dat gaat vaak niet alleen over het werk, maar ook over huisvesting.

In het advies ‘Geen tweederangsburgers’ van de commissie Roemer (eind 2020), wordt aandacht gevraagd voor het tegengaan van onwenselijke situaties en in sommige gevallen ernstige misstanden. Dat is in de eerste plaats van belang voor de arbeidsmigranten zelf, maar ook voor de samenleving. Slechte kwaliteit van huisvesting, verkamering en overbewoning kunnen overlast voor de buren tot gevolg hebben. Samenwerking met het Rijk en de provincie is noodzakelijk om verbetering in deze situatie aan te brengen. Bewoners van tiny houses en woongroepen Demografische trends, kleinere huishoudens, maar ook leefstijlkeuzes en woonidentiteit spelen in toenemende mate een rol in woningkeuze. Voor huishoudens met een kleine beurs en startende huishoudens is kleiner wonen vaak een noodzaak vanuit betaalbaarheid. Hetzelfde geldt in toenemende mate voor mensen die midden in stadscentra willen wonen, dichtbij de voorzieningen. Toch zijn er de laatste jaren ook mensen die kiezen voor kleinschalige, minimalistische concepten. Deze worden vaak tiny houses genoemd, waarbij een kleine woning te midden van (groene) ruimte de inzet is. Hoewel de woning klein is, neemt het toch veel ruimte in vanwege de combinatie met het groen rondom de woning. In steden is dit dan ook vaak niet mogelijk of maximaal in een tijdelijke vorm, op grond die later verder ontwikkeld wordt.

Een andere zoektocht naar wonen is de hang naar gemeenschappelijke waarden. Hierbij is soms ook sprake van een kleinere woning en worden sommige faciliteiten gedeeld. De oorsprong van deze woonvraag is divers. Sommigen zien het als betaalbaarder alternatief, anderen zijn op zoek naar gelijkgestemden (bijvoorbeeld gezien de leeftijden), of juist een mix tussen jong en oud.

7.2 7.2.1

Wat willen we? Schaarse woningen verdelen De woningschaarste zal niet zomaar verdwijnen. Nieuwe woningen bouwen vraagt een traject van meerdere jaren. De nadruk alleen leggen op nieuwe woningen is daarom niet voldoende. Voor de huidige beschikbare woningvoorraad is het nodig om zo eerlijk mogelijk om te gaan met de mogelijkheden die er zijn. Voor de sociale huurvoorraad gebeurt dit aan de hand van de huisvestingsverordening. Met een jaarlijkse monitoring worden de slaagkansen van verschillende groepen in de gaten gehouden. En wordt er ingezet op verbetering als een bepaalde groep beduidend lagere slaagkansen heeft dan andere. Er blijft dan namelijk sprake van schaarste. Het optimaliseren van het toewijzingsproces gebeurt binnen de kaders van de huisvestingsverordening.

pagina 29

Samen met de woningcorporaties en regiogemeenten in Midden-Holland worden die kaders geactualiseerd. Jongeren zitten woningtechnisch in de knel. Met de afschaffing van de aflossingsvrije hypotheek, de aanscherping van de hypotheeknormen en de invoering van het leenstelsel is het voor starters en jongeren zeer moeilijk geworden om een woning te krijgen. Om jongeren perspectief te bieden op een koopwoning, verleent de gemeente startersleningen. Ook in de huursector zijn er mogelijkheden om de bestaande voorraad efficiënter in te zetten. In het kader van het landelijke Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren van het ministerie van VWS is begin 2021 een handreiking ‘Maatwerk Participatiewet voor dak- en thuisloze jongeren’ opgesteld. Eén van de manieren om dak- en thuisloosheid tegen te gaan is maatwerk bij de kostendelersnorm7, zodat jongeren het ouderlijk huis niet hoeven te verlaten om financiële redenen. Er zal onderzocht moeten worden in hoeverre hiervoor maatwerk mogelijk is. Daarnaast wordt met woningcorporaties naar mogelijkheden gezocht om woningen te delen. Randvoorwaarden daarbij zijn dat dit niet indruist tegen de maatregelen die worden genomen om overlast tegen te gaan en dat er een passende vorm van begeleiding is. Woningtoewijzing is één manier om doelgroepen in de knel beter te kunnen bedienen.

Een andere is het bevorderen van de doorstroming, waardoor woonruimte vrijkomt voor woningzoekenden. Het stimuleren van doorstroming is vooral gericht op ouderen en maakt onderdeel uit van de aanpak rondom langer thuis (zie hoofdstuk 8 van deze woon(zorg)visie). Een gevolg van de woningschaarste, is dat tijdelijke woonruimten ook niet direct voorhanden zijn. Spoedzoekers, die op zeer korte termijn woonruimte nodig hebben om woonruimte voor de langere termijn te kunnen regelen, ondervinden hier hinder van. Een flexibele schil in tijdelijke woonconcepten kan voor dit probleem een oplossing bieden. De gemeente kijkt daarbij ook naar de mogelijkheid om een permanente woonvorm met onzelfstandige wooneenheden te realiseren. Ook voor statushouders geldt dat de gemeente voor deze groep woonruimte binnen de vrijkomende sociale huurwoningen zoekt.

7.2.2

Recht doen aan woonwagencultuur Gemeente Gouda zet zich ervoor in dat een woonwagenbewoner die een standplaats zoekt hier binnen redelijke termijn kans op maakt. Daarmee komen we tegemoet aan de wens om de woonwagencultuur van leven in familieverband te ondersteunen. Het aanbod van woonwagenstandplaatsen in Gouda is bijna twee keer groter dan elders in het land, vergeleken met het landelijk gemiddelde (per inwoner). Om te bepalen of er daadwerkelijk voldoende standplaatsen zijn, worden de slaagkansen vergeleken met reguliere woningzoekenden in de sociale huursector. In aanvulling hierop wordt de realisatie van een aantal standplaatsen in Westergouwe beoogd.

7.2.3

Huisvesting voor arbeidsmigranten In de regio Midden-Holland zijn er relatief veel arbeidsmigranten. Het regionale beleidsuitgangspunt is dat iedere gemeente voorziet in de eigen opgave voor de huisvesting van deze groep. Gemeente Gouda zet zich, samen met de regio, in om een helder beeld te hebben van de omvang van deze groep en welke huisvestingsvraagstukken daarbij spelen. Uitgangspunt is dat er een verbetering in de huisvesting komt, zowel voor de arbeidsmigranten als voor de omgeving.

7.2.4

Ruimte bieden voor alternatieve woonvormen, zoals groepswonen Woonwensen veranderen door de tijd. In de afgelopen jaren is een hernieuwde voorkeur zichtbaar voor kleinschalige woonvormen, zoals hofjes die uitgaan van een plek waar mensen een kleine gemeenschap vormen. Gemeente Gouda wil open staan voor nieuwe initiatieven die passen binnen de uitgangspunten van de principes betaalbaarheid en gemengde wijken. Afhankelijk van de locatie komt het aan op maatwerk of de initiatieven ruimtelijk passend zijn. In theorie is er ruimte

7 Bijstandsgerechtigden die hun woning delen met meerdere volwassenen krijgen een lagere uitkering.

pagina 30

voor tiny houses, in de praktijk is dit vaak lastig. In het kader van de omgevingsvisie wordt de impact op de ruimte beoordeeld op kansrijkheid. Vanwege de strategische opgave voor huisvesting van (bijzondere) doelgroepen en passende huisvesting voor ouderen krijgen woonvormen die (onder andere) bedoeld zijn voor deze groepen meer aandacht ten opzichte van andere plannen.

pagina 31

8

Visie op wonen en zorg: langer zelfstandig thuis en een plek voor mensen in een kwetsbare positie

8.1

Het belang van een woonzorgvisie Door demografische ontwikkelingen neemt de urgentie van de opgave om wonen en zorg te verbinden toe. Landelijk zal het aantal 75+’ers met 1,4 miljoen toenemen tot 2,6 miljoen in 2040. De opgaven die hieruit voortkomen, hebben ertoe geleid dat Aedes, ActiZ, VNG, Taskforce Wonen en Zorg, Zorgkantoor Nederland, ministerie BZK en VWS landelijk doelstellingen hebben opgesteld. Die bestaan eruit dat er nultredenwoningen beschikbaar komen en bijgebouwd worden voor ouderen, extra geclusterde woningen worden gebouwd en toegewezen aan ouderen, een deel daarvan door woningcorporaties wordt gerealiseerd en extra verpleegzorgplekken van de grond komen. Een vertaling van de opgaven naar gemeente en regio gebeurt door het opstellen van een woonzorgvisie en daaruit voortkomend afspraken over de uitvoering met betrokken partijen. Gemeente Gouda heeft ervoor gekozen om de opgave niet alleen voor de doelgroep ouderen in beeld te brengen, maar ook andere doelgroepen die zijn aangewezen op zorg. De verbreding van de visie tot een woonzorgvisie bestaat hoofdzakelijk uit 3 elementen: er ligt een analyse ten grondslag aan de woonzorgopgave, er worden concrete doelstellingen geformuleerd en zowel woningcorporaties als zorgaanbieders worden in de uitvoering nadrukkelijk betrokken. De woonzorganalyse is een bijlage van de woon(zorg)visie.

8.2

Woonzorganalyse, wat zien we? Gouda, en breder Midden-Holland, heeft de afgelopen jaren een stevige basis gelegd voor inzichten in de woonbehoefte van doelgroepen die zijn aangewezen op zorg. Vanwege de snel wijzigende omstandigheden binnen het wonen en de transities in het sociaal domein zijn onderzoeken uit de afgelopen jaren nu aangevuld met actuele beelden vanuit data en gesprekken met woningcorporaties, zorgaanbieders, het zorgkantoor en de sociaal makelaars van de gemeente. Deze woonzorganalyse geeft inzicht in de belangrijkste opgaven op het gebied van wonen en zorg op de korte termijn en in wat verschillende maatschappelijke veranderingen kunnen betekenen voor de opgave over een langere periode. Iedereen heeft recht op een goede woonplek. Ten tijde van een sterke behoefte aan meer woningen, zoals in de huidige situatie, is het dringen tussen meerdere groepen om een woning te kunnen bemachtigen. In de woonzorganalyse zijn een aantal specifieke doelgroepen uitgelicht, die vanwege hun kwetsbare situatie meer aandacht vragen. Het doel is een evenwicht te vinden in passende huisvesting voor deze groepen én ook “reguliere” woningzoekenden een woonplek bieden. De analyse vormt een beeld van de opgave die er nu is en die er naar verwachting in 2030 zal zijn.

Op hoofdlijnen zijn de belangrijkste conclusies als volgt: Ouderen en mensen met een lichamelijke beperking Het aantal ouderenhuishoudens neemt sterk toe, dat geldt voornamelijk voor de groep van 75 jaar en ouder. In 10 jaar tijd zijn er volgens de prognoses ruim 2.000 meer huishoudens van hoge leeftijd. Een groot deel van deze ouderen blijft vitaal tot op hoge leeftijd, maar deze groep heeft ook relatief vaak te maken met mobiliteitsbeperkingen en dementie. Naar schatting zullen er in 2030 ongeveer 1.000 huishoudens meer kampen met een mobiliteitsbeperking dan nu. De helft daarvan heeft een lichte mobiliteitsbeperking en kan daarmee, met enige aanpassingen, in de meeste woningen blijven wonen. De voorraad reguliere woningen is daarvoor groot genoeg, al zullen er extra kosten benodigd zijn voor deze aanpassingen of het verhuizen naar geschikte woningen. Voor circa 500 huishoudens extra is dat in de meeste gevallen niet voldoende, zij zijn aangewezen op een woning waar ze zwaardere zorg kunnen ontvangen. Voor de groep die de zwaarste zorg nodig heeft en daarvoor een Wet langdurige zorg (Wlz)indicatie krijgt, geldt dat zij ook in steeds grotere mate zelfstandig blijven wonen. Dat is deels vanwege de wens om ook in de laatste levensfase thuis te kunnen blijven wonen, deels is dat een

pagina 32

financiële afweging. In de huidige situatie wonen naar schatting zo’n 240 mensen thuis met een Wlz-indicatie voor verpleging en verzorging, als de huidige trend doorzet zullen dat er in 2030 bijna 500 zijn. Zij zijn grotendeels aangewezen op geclusterde woonvormen waar wordt ingezet op het kunnen leveren van zware zorg. Een aandoening die vaak op latere leeftijd optreedt is dementie. Ongeveer 70% van de mensen die hiermee te maken krijgen woont thuis, anderen wonen in een instelling. Vanwege de vergrijzing zal dit vaker voorkomen, naar verwachting zullen ongeveer 500 mensen meer te maken krijgen met dementie in 2030 dan nu het geval is. Ook voor mensen met een niet-aangeboren hersenaandoening en mensen met een lichamelijke beperking (zonder somatische grondslag) is een toename te verwachten. De huisvestingsopgave voor deze groep komt grotendeels terug in het aanpassen van de bestaande voorraad en het toevoegen van geschikte nieuwbouwwoningen. Voornamelijk voor de zwaardere zorgbehoevenden zal een uitbreiding van geclusterd woonaanbod benodigd zijn. Het gaat daarbij om woningen waar zij (zware) zorg kunnen ontvangen maar wel zelfstandig wonen. Mensen met een verstandelijke beperking De levensverwachting van mensen met een verstandelijke beperking neemt toe. Dat is een belangrijke reden waarom er een toename te verwachten is van deze groep.

Nu zijn er ongeveer 450 personen die een indicatie hebben, dat zullen er in 2030 naar verwachting 560 worden. De huisvestingsopgave ligt voor een deel in de goedkope woningvoorraad, waar zij zelfstandig kunnen wonen. Een ander deel is aangewezen op kleinschalige woonvormen en bestaand zorgvastgoed. Hierbij ligt de nadruk voor een groot deel op een kwalitatieve vernieuwing. Uitstroom uit instellingen Er zijn diverse groepen die niet zelfstandig kunnen wonen. Het gaat om mensen die wonen in een voorziening voor Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang en in een jeugdzorginstelling. Voor mensen die uit deze instellingen naar een reguliere woning verhuizen, geldt dat de overgang naar een eigen woning in veel gevallen te beschouwen valt als (opnieuw) een stap naar een zelfstandig leven, met alle bijkomende verantwoordelijkheden en vraagstukken. Vaak hebben zij behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Het passend huisvesten van deze mensen valt of staat met de mogelijkheid om ze op een goede en duurzame manier te ondersteunen in hun dagelijks leven. Er zijn regionale afspraken voor deze huisvesting. Momenteel zijn er circa 140 mensen die Beschermd Wonen in Gouda. Het doel is dat er meer mensen zelfstandig gaan wonen, deels doordat er minder mensen meer in deze instellingen instromen in het kader van preventie en eerder uitstromen als zij daar klaar voor zijn.

De daadwerkelijke ontwikkeling is onder andere afhankelijk van de realisatie van beschut wonen, een woonvorm die minder zwaar en kostbaar is dan Beschermd Wonen. Deze opgave ligt voornamelijk in de regio. Door afspraken in de woonruimteverdeling kunnen er jaarlijks 30 – 35 mensen uitstromen uit het Beschermd Wonen. De afgelopen periode is het aantal mensen in de Maatschappelijke Opvang toegenomen. Het kan zijn dat dit door de coronapandemie is versterkt. In de opvang is de insteek per definitie dat het een tijdelijke voorziening is. Het is dan ook een groep die regelmatig in omvang verschilt. In 2020 waren dat er ongeveer 60 tegelijkertijd, ongeveer het dubbele gedurende het jaar. Voor jongeren die uitstromen uit de jeugdzorg geldt dat er ongeveer 35 jongeren in Midden-Holland dringend op zoek zijn naar een eigen woningplek. Voor Gouda specifiek komt dit neer op 13 jongeren. Daarnaast zijn ongeveer 15 jongeren dringend met een zwaardere zorgvraag, zoals beschut of beschermd wonen. Voor de langere termijn zijn er nog eens circa 20 jongeren op zoek naar een eigen woonplek en circa 10 voor een plek waar ze een zwaardere zorgvraag kunnen ontvangen.

pagina 33

8.3

Wat willen we?

8.3.1

Langer thuis wonen mogelijk maken

De doelstelling voor langer thuis wonen is het mogelijk maken dat ouderen op een prettige manier langer thuis kunnen wonen. Dat streven is opgebouwd uit 3 pijlers: wonen, de woonomgeving en zorg en ondersteuning. Voldoende passende huisvesting voor ouderen Langer zelfstandig thuis wonen staat of valt met woningen die geschikt zijn om daarin oud te worden, met en zonder beperkingen. Dit kan op verschillende manieren. Ten eerste kan dat in de woning waar mensen al wonen, mits deze woning geschikt is. Ten tweede kan dat door de woning waarin zij wonen, geschikt te maken door de woning op de (dreigende) beperkingen aan te passen. Ten derde is er de mogelijkheid om te verhuizen naar een geschikte woning. Dat kan zowel een aangepaste woning zijn als een geclusterde woning, met al dan niet aanvullende voorzieningen in de nabijheid. In het gebouw gaat het dan bijvoorbeeld om een scootmobielruimte, in de omgeving om een supermarkt of andere plek waar je andere mensen kunt ontmoeten. Wat in de praktijk ook vaak gebeurt is dat mensen blijven wonen in een woning die niet geschikt is, maar ondanks beperkingen daar toch mee om te gaan (bijvoorbeeld beneden gaan slapen als men de trap niet meer op komt) én pas in de uiterste fase naar een instelling te verhuizen op basis van een zware zorgvraag (crisissituatie), bijvoorbeeld wanneer dementie ertoe leidt dat zelfstandig wonen niet meer kan.

Hoe ouderen tot keuzes komen over hoe zij zich voorbereiden op het ouder worden, vertelt een aantal ouderen in Zilveren Helden. Uiteindelijk is het de oudere zelf die het best kan beslissen welke huisvesting het meest passend/wenselijk is. Zowel de gemeente als andere betrokken partijen kunnen ondersteunen in het bewustwordings- en keuzeproces. Dat gebeurt op de volgende wijzen:  Bewustwording vergroten, door ouderen zelf aan het woord te laten, voor ouderen (nog) beter in beeld te brengen welke opties er zijn voor geschikt en geclusterd wonen en ze te ondersteunen in hun keuze. Hiervoor wordt o.a. de Goudawijzer gebruikt, waar staat wat men zelf kan doen voor een woningaanpassing en domotica en of daarvoor een Wmo-bijdrage passend is;  De ouderenadviseurs die 75-plussers (kunnen) bezoeken helpen ook om de bewustwording van de woonsituatie te vergroten;  Doorstroming mogelijk maken. Voor bijna 6.700 ouderen geldt dat zij tot de doelgroep voor sociale huur behoren. Een deel hiervan woont echter in een eengezinswoning (kan ook een koopwoning zijn) en slechts een zeer beperkt deel van hen zal naar verwachting willen verhuizen naar een (andere) corporatiewoning. Een verhuizing naar een geschikte woning kan weliswaar passend zijn, maar er zijn veel ouderen die willen blijven wonen in de eengezinswoning, eventueel met aanpassingen. Bijvoorbeeld omdat zij in de buurt van hun

pagina 34

sociaal netwerk willen blijven wonen, omdat zij opzien tegen verhuizen en alles wat daarbij komt kijken of omdat ze na verhuizing hogere woonlasten zullen krijgen. Gezamenlijk met de woningcorporaties en huurdersorganisaties wordt onderzocht hoe de beschikbare voorraad beter kan aansluiten bij hun woonwensen. Wellicht kunnen mensen op die manier toch verhuizen naar een beter passende woning en kan op die manier de bestaande woningvoorraad passende verdeeld worden; Geschikte woningvoorraad uitbreiden, door ontwikkelende partijen bij nieuwbouw aan te moedigen de woningen toekomstbestendig te bouwen. Dit maakt het mogelijk om langer zelfstandig thuis te blijven wonen. Hiertoe behoort ook het mogelijk maken van ontmoeten buiten de woning. Het Ontwerp voor ontmoeten (uitgave van Platform31) draagt hieraan bij; Met gebouweigenaren, bestaande uit onder andere woningcorporaties en verenigingen van eigenaren, wordt de samenwerking gezocht om de (on)mogelijkheden in beeld te brengen voor scootmobielruimtes en toegankelijke routes in en rondom het gebouw.

Een geschikte en prettige woonomgeving Alleen een geschikte woning is niet voldoende voor het langer zelfstandig wonen. Mensen kunnen beperkingen hebben die belemmeren in het dagelijks functioneren. Naast praktische zaken zijn sociale contacten en zingeving van belang. Een eigen netwerk van familie, vrienden of buurtgenoten kan de kwaliteit van het leven sterk vergroten. Ook in dit geval is aandacht voor ontmoeting nodig. Bij nieuwe projecten en gebiedsontwikkeling is er daarom aandacht voor het concept van de inclusieve wijk. In Westergouwe wordt dit concept verwerkt in het stedenbouwkundig ontwerp. In de bestaande stad kijken we zoveel mogelijk naar de mogelijkheden voor ontmoeting in bestaande gebouwen en in de bestaande openbare ruimte (Participatie in de buurt). In een inclusieve wijk doet iedereen er toe. Indien nodig staan mensen voor elkaar klaar en wordt burenhulp en vrijwilligerswerk mogelijk gemaakt. Belangrijk hierbij is het gemeentelijk streven naar gemengd wonen; een gemengde woningvoorraad voor verschillende doelgroepen en in verschillende prijssegmenten in elke wijk. Daarbij is ook de balans tussen draagkracht en draaglast van inwoners in wijken belangrijk. In een inclusieve wijk wordt de onderlinge solidariteit bevorderd.

Vanuit informele en formele organisaties vindt samenwerking plaats, is er aandacht voor verbinding tussen groepen en zijn er plekken in de wijk waar men elkaar kan ontmoeten. Dat kan een belangrijke rol spelen in het faciliteren van sociale cohesie en in het (langer) thuis wonen van allerlei doelgroepen. De maatschappelijke voorzieningen moeten voor iedereen toegankelijk zijn, dus ook voor mensen met een beperking. Met de Lokale Inclusie Agenda wordt deze opgave ook bevestigd. De juiste zorg en ondersteuning In de regel geldt dat intramuraal wonen voor mensen met een zeer zware zorgvraag is. Daar wonen zij en ontvangen zij zorg. Voor iedereen met een minder zware zorgvraag is zelfstandig wonen aan de orde, met een eigen woning of huurcontract. Zorg bestaat uit hulp vanuit het eigen sociaal netwerk (mantelzorgers), een apart zorg- of welzijnsarrangement dat in sommige complexen wordt geleverd en/of professionele (thuis)hulp of gemeentelijke voorzieningen. Voor gemeenten is er een rol weggelegd voor de ondersteuning van mensen die niet zelfredzaam zijn. Als mensen niet zelfredzaam zijn, kan dat nadelige gevolgen hebben voor deze mensen zelf en hun omgeving. Vereenzaming, verwaarlozing of juist overlastgevend gedrag naar de omgeving is iets waar niemand gebaat bij is. Het is daarom van belang dat vroegtijdig wordt gesignaleerd dat mogelijk sprake is van ongewenste situaties.

Dat kan vanuit woningcorporaties, die dicht bij hun huurders staan en weten wat er speelt in de wijk en achter de voordeur, dat kan door mantelzorgers die dichtbij de zorgbehoevende staan, door de zorgaanbieders die geregeld over de vloer komen en door de gemeente, die ouderen en andere minder zelfredzame inwoners informeert waar zij kunnen aankloppen voor hulp. Dat gebeurt bijvoorbeeld met ouderenadviseurs, die langs gaan op het moment dat iemand 75 wordt. Er ligt een gedeelde opgave voor alle partijen om hier zo goed mogelijk mee om te gaan. Dat vraagt een goede samenwerking, dat partijen elkaar weten te vinden, elkaar als gelijkwaardig beschouwen en dat ze er op aan kunnen dat de signalen worden opgepakt.

pagina 35

Voor mantelzorgers geldt vaak dat er veel op ze afkomt. Het aantal beschikbare mantelzorgers zal de komende jaren afnemen, doordat de leeftijdsgroep kleiner is en doordat mensen langer moeten doorwerken. Degenen die mantelzorgen zijn daar steeds meer tijd aan kwijt. De opgave is om deze groep te ondersteunen waar dat kan, bijvoorbeeld met respijtzorg. Het sociaal team helpt daarbij. In gemeente Gouda mogen mantelzorgwoningen bovendien in principe vergunningsvrij worden gerealiseerd, mits de woning wordt verwijderd of in de oude staat wordt teruggebracht als de mantelzorgsituatie is beëindigd. Ook gelden er enkele voorwaarden, zoals onder andere voor de plaats, omvang, veiligheid en isolatie van het bouwwerk. Daarnaast zijn er regels voor wie er gebruik mag maken van de mantelzorgwoning en wat er moet gebeuren als de mantelzorg stopt. Bovendien is het mogelijk een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning aan te vragen, dat kan zowel voor de mantelzorger als voor de zorgvrager zijn. Met deze inzet probeert de gemeente Gouda mantelzorgers in hun taak te ondersteunen.

8.3.2

Duurzame en passende huisvesting voor bijzondere doelgroepen De doelstelling om op duurzame en passende wijze huisvesting voor bijzondere doelgroepen te bieden, bestaat uit 2 hoofdlijnen: preventie en huisvesting en inpassing in de wijk. Inzet op preventie Beschermd Wonen is zorg en begeleiding voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek en waarbij behandeling niet op de voorgrond staat. In principe is dit een tijdelijke woonzorgvorm, met als doel weer zelfstandig te gaan wonen. Sinds enkele jaren wordt gestreefd naar een zo kort mogelijk verblijf in Beschermd Wonen. Om de verblijfsduur te minimaliseren zijn de afgelopen jaren in Gouda en de regio zogenoemde beschutte woonvormen opgezet, waarin een aantal bewoners met vergelijkbare behoefte aan ondersteuning bij elkaar woont. Daarbij hoort een gemeenschappelijke ruimte aanwezig die ruimte biedt om onder begeleiding gezamenlijke activiteiten te doen. Met beschut wonen wordt een tussenstap geboden op weg naar zelfstandig wonen. Er is wel begeleiding, maar geen 24-uurstoezicht meer. Ook Gewoon Thuis levert een bijdrage aan de afbouw van het aantal plekken Beschermd Wonen en het voorkomen van instroom.

Het concept bestaat uit zelfstandig (in een reguliere woning) wonen en daar ambulante begeleiding ontvangen, zo vaak als nodig is en op het moment dat het nodig is (ook buiten kantooruren). Cliënten kunnen geplande en ongeplande begeleiding krijgen op allerlei gebieden. Op deze manier kunnen ze (weer) zelfstandig gaan wonen of blijven wonen, en wordt ook de instroom in de beschermde woonvormen beperkt. Soms komt het voor dat mensen dak- of thuisloos worden. Zij maken dan tijdelijk gebruik van maatschappelijke opvang of andere vormen van tijdelijk verblijf. Dit is te allen tijde een ongewenste situatie. Aan de voorkant wordt daarom nog meer ingezet op het vroeg signaleren van schulden om huisuitzettingen te voorkomen. Dit geldt specifiek ook voor kwetsbare groepen die uitstromen vanuit een instelling, zoals jeugdzorg of een GGZ-instelling. Reden om extra woonplekken te realiseren waar (ambulante) begeleiding kan worden geleverd. Met een dak boven hun hoofd kunnen mensen hun situatie weer op orde brengen. Helaas valt niet alles te voorkomen, waardoor mensen in de maatschappelijke opvang blijven terecht komen. Dat is een tijdelijke voorziening, van waaruit mensen door zullen moeten stromen naar een passende woning. Het is de bedoeling dat mensen niet langer dan 3 maanden in de opvang verblijven.

In het Actieplan ter voorkoming van dakloosheid is opgenomen dat de regiogemeenten in Midden-Holland en de domeinen zorg en ruimte/wonen dit vraagstuk oppakken. Ook hierbij wordt nadrukkelijk de samenwerking met woningcorporaties en zorgaanbieders gezocht. Aandacht voor huisvesting en inpassing in de wijk De druk op de woningmarkt is overal voelbaar. Dat geldt in het bijzonder voor de kwetsbare doelgroepen. Zij zijn vaak aangewezen op goedkope woonruimte, die maar beperkt vrijkomt. Als die woonruimte vrijkomt, is dat vaak in complexen waar meer mensen in een kwetsbare situatie wonen. In ‘Veerkracht in het corporatiebezit (2020)’ wordt gewaarschuwd voor de druk op de leefbaarheid in het corporatiebezit, specifiek in de buurten met meer kwetsbare inwoners. Met de inzet op gemengde wijken, waarbij alle lagen van de bevolking naast elkaar wonen, zet Gouda

pagina 36

erop in om een balans aan te houden van zorgvragers en zorgdragers. Het uitgangspunt is een zekere mate van spreiding over de stad van de geclusterde woningen, waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van buurten en wijken. Met de woningcorporaties en zorgaanbieders werken we continue aan een passend woningaanbod voor deze groepen. Vaak komen mensen die in een kwetsbare situatie terecht zijn gekomen, daar na meerdere tegenslagen of een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De stap naar zelfstandig wonen is dan een belangrijke, maar soms ook grote stap terug naar het ‘gewone’ leven. Het is dan ook belangrijk dat zij begeleid worden in hun eerste (hernieuwde) stappen in zelfstandig wonen. Met een zorgdakconstructie wordt een zachte landing in de wijk mogelijk gemaakt. In de praktijk blijkt dit goed te werken, mits de samenwerking tussen de huurder, verhuurder en zorgaanbieder goed verloopt. Zeker ten tijde van de begeleiding zijn de resultaten positief. Voor de langere termijn dienen alle partijen de handen ineen te slaan om ook een ‘waakvlamfunctie’ op te zetten, zodat een latere terugval niet tot een nieuwe ongewenste situatie leidt. De woningcorporaties geven vanuit hun signalerende rol weer dat de uitstroom vanuit Beschermd Wonen soms gepaard gaat met een te snelle afbouw van 24-uurszorg, met nadelige gevolgen voor de bewoner zelf én de omgeving.

Er ligt dan ook een nadrukkelijke gezamenlijke opgave tussen de betrokken partijen om te bepalen of een cliënt klaar is voor de stap naar zelfstandig wonen. In een enkel geval ligt de oplossing niet in een terugkeer in de wijk. Voor sommige mensen zijn daar te veel prikkels, wat kan leiden tot ongewenst en onaangepast gedrag. Voor deze kleine groep zet gemeente Gouda in op de realisatie van een aantal Gouwe Huse, waar deze mensen in een prikkelarme omgeving kunnen wonen. In andere gevallen is er sprake van mensen met psychische of psychiatrische problematiek (GGZ) die met preventieve inzet niet naar een instelling hoeven in te stromen. Zij kunnen met begeleiding thuis blijven wonen. Er is dan geen sprake van uitstroom, maar mogelijk geeft het wel druk op de leefbaarheid. Om eventuele overlast te verminderen is een goede afstemming tussen de betrokken partijen ook in dit geval benodigd.

8.4

Overkoepelende vraagstukken Voor de realisatie van het langer zelfstandig thuis wonen en een duurzame en passende huisvesting voor bijzondere doelgroepen, speelt een aantal overkoepelende vraagstukken. Soms alleen voor langer zelfstandig thuis of voor bijzondere doelgroepen, soms samen en soms samen met reguliere woonopgaven.

8.4.1

Samenwerking met betrokken partijen Om de samenwerking tussen de gemeente en woningcorporaties, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties, regiogemeenten en het zorgkantoor te verbeteren, zijn de volgende aspecten van belang:  Opzetten van een centrale coördinatie van alle aanvragen voor bijzondere doelgroepen, om vervolgens prioriteiten te kunnen bepalen. Hiervoor zoekt de gemeente nadrukkelijk ook het contact met het zorgkantoor en de regio Midden-Holland, waarbij het doel is dat partijen verder kijken dan alleen de eigen opgaven en doelstellingen;  Blijvende aandacht voor de rolverdeling: samenwerking is onmisbaar en partijen moeten kunnen terugvallen op de partners;  Er is een verschil tussen ontwikkelingen in het ruimtelijk domein, waar de totstandkoming van een woningbouwproject zomaar vijf tot zeven jaar (of meer) kan duren, en de realiteit van de dag en snelle ontwikkelingen in het sociaal domein, waar iemand beter gisteren dan vandaag geholpen had kunnen worden om erger te voorkomen. De samenwerking tussen beide domeinen vraagt voortdurend aandacht;  Werken binnen de mogelijkheden. Zorgaanbieders hebben te maken met een beperkte capaciteit aan verplegend (medisch) personeel. Dit botst soms met de visie dat iedereen zelfstandig thuis moet kunnen wonen.

Het vereist dat partijen van elkaar weten wat er speelt en hoe zij elkaar kunnen versterken;  Bij het realiseren van geclusterde woonruimte is vaak sprake van een financieel knelpunt. Soms geldt dat voor de financiering van de gemeenschappelijke ruimten, soms gaat het om

pagina 37

8.4.2

woningen die specifiek geschikt en bedoeld zijn voor een selecte groep, waardoor sprake kan zijn van (tijdelijke) leegstand. Er is niet één oplossing voor dit probleem. Wel draagt een goede samenwerking, belangenafweging en vertrouwen tussen alle partijen daaraan bij; Voorheen had Gouda op veel vlakken een centrumfunctie. Nu is de insteek nog veel scherper om zorg juist te kunnen bieden waar het sociaal netwerk zich bevindt. Dat betekent ook dat er zorgaanbod in gemeenten elders in Midden-Holland bij dient te komen, zoals bijvoorbeeld ook voor plekken beschut wonen geldt. De behoefte daaraan is groot, maar het is niet de bedoeling dat deze plekken allemaal in Gouda terecht komen.

Balans tussen reguliere woningzoekenden en bijzondere doelgroepen In tijden van grotere druk op de woningmarkt, zijn er veel mensen naarstig op zoek naar een woning. Dit betekent soms ook dat er mensen zijn die lang op een woning wachten, terwijl zij zien dat anderen met voorrang worden toegewezen. Het verlenen van voorrang gebeurt niet zomaar. Er dient sprake te zijn van een hoge mate aan urgentie, zoals vaak bij bijzondere doelgroepen het geval is. Wel ziet gemeente Gouda het belang ervan in dat de toewijzing aan reguliere woningzoekenden en bijzondere doelgroepen in balans blijft. Met monitoring van toewijzingen in de woonruimteverdeling zien we hierop toe en zodra er sprake blijkt van disbalans zoeken we naar een oplossing.

8.4.3

Zoeken naar gedeelde mogelijkheden Het realiseren van (nieuwe) woonzorgconcepten bestaat er vaak uit dat er een mix van doelgroepen in een gebouw woont. Dat zorgt voor dynamiek. Een zorgvuldige afweging van te combineren doelgroepen is daarbij essentieel. Wat bijvoorbeeld vaak goed werkt is de combinatie van jongeren en ouderen met fysieke beperkingen in één complex, of vitale en kwetsbare ouderen bij elkaar. Ook in de bestaande voorraad zijn er soms mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld de nieuwe invulling van de Bernhardhof (voormalig verzorgingshuis Julianastaete). Daar wonen zogenoemde ‘dragers’ (reguliere woningzoekenden met maatschappelijke betrokkenheid) en ‘vragers’ (uitstroom vanuit diverse zorginstellingen) samen. Ook door (open te staan voor) het transformeren van voormalig zorgvastgoed, kantoren of schoolgebouwen en het ontwikkelen van woonvormen eventueel met een semi-permanent karakter, zet gemeente Gouda in op een uitbreiding van woonvormen. Er ligt niet alleen een kwantitatieve opgave voor meer geclusterde woonvormen, ook kwalitatief is er een verbeterslag nodig. Bij verouderd zorgvastgoed zijn soms mogelijkheden om een ‘tussenvorm’ te realiseren, waarbij zorg kan worden verleend maar wel een zelfstandige woning wordt bewoond. Gemeente Gouda nodigt initiatiefnemers uit om die nieuwe woonvormen te ontwikkelen.

8.4.4

Woonvormen in alle segmenten Het zoeken naar nieuwe geclusterde woonvormen is in volle gang. Voor senioren die graag gemeenschappelijk willen wonen, worden projecten ontwikkeld, zogenaamde geclusterde tussenvormen; dit betreft woonvormen tussen regulier zelfstandig wonen en verpleeghuiswoonvormen. Voor mensen met dementie zijn er de laatste jaren meerdere initiatieven van de grond gekomen, vaak voor mensen met een groter vermogen. Gemeente Gouda zoekt samen met het zorgkantoor naar mogelijkheden om zowel het aanbod in het lagere, midden- én hogere segment te creëren, zowel voor zelfstandig wonen voor ouderen, al dan niet in geclusterde woonvormen en woonvormen voor mensen met dementie. Het gaat hierbij ook nadrukkelijk om woonvormen waar mensen met een zwaardere zorgvraag zelfstandig kunnen wonen.

8.4.5

Een passende woonomgeving en ontmoetingsmogelijkheden De verbinding tussen de sociale en fysieke omgeving is een forse, integrale opgave. Het gaat om zaken als geschikte looproutes en vervoersmogelijkheden, maar ook om voldoende ontmoetingsmogelijkheden. Deze uitwerking vindt onder andere plaats in het project ‘inclusieve wijk Westergouwe’ en in de ‘Lokale Inclusie Agenda’. Een voorname positie is hierbij weggelegd voor het VN-verdrag handicap. Op grond van artikel 19 VN-verdrag handicap hebben mensen met

pagina 38

een beperking het recht om net als ieder ander op voet van gelijkheid zelfstandig in de maatschappij te wonen en te participeren. Hoe, waar en met wie zij willen wonen kunnen zij zelf kiezen. Gemeente Gouda biedt de ondersteuning die noodzakelijk is om het wonen en deelnemen aan de maatschappij te realiseren. Dat gebeurt met maatwerk vanuit Wmo, maar ook met te voorzien in toegankelijke algemene voorzieningen.

pagina 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=81e91c56-8000-4771-bab7-595f1d4a105f