Wijzigingsbesluit wijziging VFLO 2023 versie 3-2-2023.docx
Tekst van het document
besluit van de gemeenteraad dossiernummer
6741
onderwerp
Wijziging Verordening fysieke leefomgeving Gouda
De raad van de gemeente Gouda; gelezen het voorstel van 13 december 2022, gelet op de artikelen 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, de artikelen 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 gelezen in samenhang met artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 2.1 en 2.2, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 8 van de Woningwet;
besluit: tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving Gouda Artikel I De Verordening fysieke leefomgeving Gouda wordt als volgt gewijzigd: A. In de titel van afdeling 5.2 en artikel 2.5, 2.6, 2.10, 3.7, 3.11, 3.51, 3.52, 3.53, 3.54, 5.2 en 5.3 wordt ‘adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit’ en ‘Commissie Cultuurhistorie’ vervangen door ‘Adviescommissie Omgevingskwaliteit’. B. Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.1. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: A. rijksmonumenten, en
Nieuwe tekst Artikel 2.1. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: A. rijksmonumenten, en B. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een
B. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Toelichting De opsomming over archeologisch onderzoek is hier verwijderd, aangezien dit duidelijk terugkomt in de begripsbeschrijving, zoals al was opgenomen in bijlage I. C. Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.2. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend pand 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalend pand. 2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing richt zich op de verschijningsvorm of de samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3. Het interieur wordt niet betrokken bij de aanwijzing van een beeldbepalend pand. 4. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht. 5. …
Nieuwe tekst Artikel 2.2. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend pand 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalend pand. 2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing richt zich op de verschijningsvorm of de samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3. Het interieur wordt niet betrokken bij de aanwijzing van een gemeentelijk beeldbepalend pand. 4. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een pand als gemeentelijk beeldbepalend pand bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht. 5. … Toelichting In het derde lid is toegevoegd dat het om een gemeentelijk beeldbepalend pand gaat. In het vierde lid is de onjuiste verwijzing naar een monument gecorrigeerd en is de opsomming over archeologisch onderzoek net als in het vorige artikel verwijderd.
D. Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.3. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalende structuur 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een (stedenbouwkundige) structuur die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
Nieuwe tekst Artikel 2.3. Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalende structuur 1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een (stedenbouwkundige) structuur die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische pagina 2
waarde aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalende structuur. 2. De in het eerste lid bedoelde beschrijving van een structuur richt zich op een onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege zijn verschijningsvorm of zijn samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek (archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, opgraving) wordt verricht.
waarde aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalende structuur. 2. De in het eerste lid bedoelde beschrijving van een structuur richt zich op een onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege zijn verschijningsvorm of zijn samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van gemeentelijk beeldbepalende structuur bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht.
Toelichting In het derde lid is de onjuiste verwijzing naar een monument gecorrigeerd. Daarnaast is wederom de opsomming over archeologisch onderzoek verwijderd. E. Artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.4. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg met de eigenaar van de kerk over het voornemen.
Nieuwe tekst Artikel 2.4. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk gebouw als monument wordt aangewezen, voert het college overleg met de eigenaar van de kerk over het voornemen. Toelichting De tekst van lid 2 is aangepast, aangezien in deze procedure sprake is van de aanwijzing van een kerkelijk gebouw als monument.
F. Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten, voorlopige gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beeldbepalende panden en structuren, en voorlopige gemeentelijk beeldbepalende panden en structuren ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Nieuwe tekst Artikel 2.9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten, voorlopige gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beeldbepalende panden en structuren, en voorlopige gemeentelijk beeldbepalende panden en structuren ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
pagina 3
2. Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziging, dan is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument, pand of structuur, waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig teniet is gegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, pand of structuur, voor uitsluitend dat deel waarop de rijksaanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 2.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het geheel of gedeeltelijk vervallen van de aanwijzing, wordt zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
2. Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziging, dan is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument, pand of structuur, waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig teniet is gegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, pand of structuur, voor uitsluitend dat deel waarop de rijksaanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het geheel of gedeeltelijk vervallen van de aanwijzing, wordt zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. In het derde lid werd foutief verwezen naar artikel 2.17 van de Erfgoedwet. Dit is aangepast naar het correcte artikel 3.17 van die wet.
G. Artikel 2.10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.10 Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. …t/m 8.
Nieuwe tekst Artikel 2.10 Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, gebieden aanwijzen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. …t/m 8. Toelichting In het eerste lid is de eerste verwijzing naar ‘stads- en dorpsgezichten’ gewijzigd naar gebieden. Dit geeft een betere weergave van hetgeen kan worden aangewezen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.
H. Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd. Bestaande tekst Artikel 2.11 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.10, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. … t/m 3.
Nieuwe tekst Artikel 2.11 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.10, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. … t/m 3.
pagina 4
Toelichting In dit artikel zat in het eerste lid een onjuiste verwijzing naar artikel 2.11, deze is nu aangepast naar het juiste artikel 2.10. I. Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.14 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1. Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau van de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2. … t/m 3
Nieuwe tekst Artikel 2.14 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1. Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2. … t/m 3. Toelichting In het eerste lid werd foutief verwezen naar “Centraal Bureau van de Statistiek”, dit is nu gewijzigd naar het correcte “Centraal Bureau voor de Statistiek”.
J. Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het belang van monumentenzorg; b. het belang van godsdienstuitoefening in een kerkelijk monument; c. het belang van het behoud van archeologische waarden.
Nieuwe tekst Artikel 3.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het belang van het behoud van cultureel erfgoed; b. het belang van godsdienstuitoefening in een kerkelijk monument; c. het belang van het behoud van archeologische waarden. Toelichting In sub a is het oogmerk gewijzigd naar ‘het behoud van cultureel erfgoed’. Dit geeft een betere weergave van de beoogde bescherming en sluit beter aan bij de terminologie van de verordening.
K. Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.7 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning, anders dan voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vraagt het college advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
Nieuwe tekst Artikel 3.7 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vraagt het college advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
pagina 5
2. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of structuur vraagt het college advies aan de Commissie Cultuurhistorie voordat het beslist op de aanvraag. 3. Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
2. Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
Toelichting Dit artikel is aangepast aan de samenvoeging van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Commissie Cultuurhistorie. De Commissie Omgevingskwaliteit adviseert over alle aanvragen met betrekking tot een gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur. L. Artikel 3.10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.10 Omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 2. De artikelen 3.6 en 3.8 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Nieuwe tekst Artikel 3.10 Omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. Het is in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 3.6 en 3.8 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Toelichting Het eerste lid is toegevoegd aangezien deze was weggevallen bij de vorige vaststelling van de verordening. De artikelleden zijn overeenkomstig vernummerd.
M. Artikel 3.11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.11 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, anders dan voor het afbreken van een bouwwerk, vraagt het college advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
Nieuwe tekst Artikel 3.11 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht vraagt het college advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit voordat het beslist op de aanvraag.
pagina 6
2. In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afbreken van een bouwwerk in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, vraagt het college advies aan de Commissie Cultuurhistorie voordat het beslist op de aanvraag. 3. Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
2. Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college.
Toelichting Dit artikel is aangepast aan de samenvoeging van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Commissie Cultuurhistorie. De Commissie Omgevingskwaliteit adviseert over alle omgevingsvergunning in een gemeentelijk stadsen dorpsgezicht, daardoor zijn de eerste twee leden samengevoegd. N. Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.12 Instandhoudingsplicht en omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie met bijzondere waarde. Dit is niet van toepassing indien het een gemeentelijk archeologisch monument betreft en om die reden voor deze werkzaamheden op grond van artikel 3.5 reeds een omgevingsvergunning is vereist. 2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie, tenzij: a. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 50 m² betreffen, of b.
er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). 3. Het is verboden werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren te verrichten op een locatie die in de
Nieuwe tekst Artikel 3.12 Instandhoudingsplicht en omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie met bijzondere waarde. Dit is niet van toepassing indien het een gemeentelijk archeologisch monument betreft en om die reden voor deze werkzaamheden op grond van artikel 3.5 reeds een omgevingsvergunning is vereist. 2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie, tenzij: a. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 25 m² betreffen, of b. er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). 3. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren te verrichten op een locatie die in de pagina 7
4.
5.
6.
7.
archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als hoogwaardige locatie, verstoord tot 1,5 meter onder het maaiveld zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 50 m² betreffen, of b. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren niet dieper gaan dan 1,5 meter onder het maaiveld, of c. er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a. deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen. Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting vanaf 2 meter onder het maaiveld zonder een omgevingsvergunning, tenzij: a. deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen of b. deze werkzaamheden niet dieper gaan dan 2 meter onder het maaiveld.
Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een lage verwachting l zonder een omgevingsvergunning, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 10.000 m² betreffen. Het is verboden werkzaamheden te verrichten in waterwegen als bedoeld in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over: a. baggerwerkzaamheden, b. het uitzeven van de bodems van waterwegen, c. werkzaamheden die op andere wijze de archeologische waarde
4.
5.
6.
7.
archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als hoogwaardige locatie, verstoord tot 1,5 meter onder het maaiveld, tenzij: a. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 25 m² betreffen, of b. de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren niet dieper gaan dan 1,5 meter onder het maaiveld, of c. er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting, vanaf 0,5 meter onder maaiveld, tenzij: a. deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting vanaf 2 meter onder het maaiveld, tenzij: a. deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen of b. deze werkzaamheden niet dieper gaan dan 2 meter onder het maaiveld.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een lage verwachting, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 10.000 m² betreffen. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten in waterwegen als bedoeld in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV, voor zover het gaat over: a. baggerwerkzaamheden, b. het uitzeven van de bodems van waterwegen, c. werkzaamheden die op andere wijze de archeologische waarde
pagina 8
van de bodems van waterwegen aantasten.
van de bodems van waterwegen aantasten. Toelichting Conform het raadsvoorstel is hier de vrijgestelde oppervlakte in lid 2 en lid 3 verlaagd van 50 m² naar 25 m². Dit sluit beter aan bij de te beschermen waarden en zal voor de meeste (kleine) ontwikkelingen geen gevolgen hebben. Daarnaast is met het oog op de leesbaarheid meer uniformiteit aangebracht in de teksten van de verschillende artikelleden. De artikelleden beginnen nu allemaal met de zinssnede: ‘het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten…’
O. Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.15 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de voorschriften van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5 derde lid.
Nieuwe tekst Artikel 3.15 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de voorschriften van de vergunning als bedoeld in artikel 3.14 eerste lid. Toelichting Onder b werd onjuist verwezen naar artikel 3.5 derde lid. Dit is gewijzigd naar het correcte artikel 3.14 eerste lid.
P. Artikel 3.16 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.16 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding als bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek kan het college de kwalificatie van een locatie wijzigen.
Nieuwe tekst Artikel 3.16 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding als bedoeld in artikel 5.10 en artikel 5.11 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college de kwalificatie van een locatie wijzigen. Toelichting Als correctie is hier ook de verwijzing naar artikel 5.11 van de erfgoedwet opgenomen. Daarnaast is de verwijzing naar de verschillende vormen van archeologisch onderzoek gewijzigd naar de overkoepelende term.
Q. Artikel 3.25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.25 Omgevingsvergunning gebruik openbare plaats 1. Het is verboden een openbare plaats te gebruiken anders dan overeenkomstig de
Nieuwe tekst Artikel 3.25 Omgevingsvergunning gebruik openbare plaats 1. Het is verboden een openbare plaats te gebruiken anders dan overeenkomstig de
pagina 9
bestemming daarvan zonder een omgevingsvergunning. 2. Het in het eerste lid gestelde vergunningplicht is niet van toepassing op: a. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; b. standplaatsen als bedoeld in de bijlage en de afdeling Markt in dit hoofdstuk; c. evenementen als bedoeld in artikel 2:8 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020; d. terrassen als bedoeld in artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020. 3. … t/m 6.
bestemming daarvan zonder een omgevingsvergunning. 2. Het in het eerste lid gestelde vergunningplicht is niet van toepassing op: a. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; b. standplaatsen als bedoeld in afdeling 3.4 in dit hoofdstuk; c. evenementen als bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020; d. terrassen als bedoeld in artikel 2:9 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020. 3. … t/m 6.
Toelichting In het tweede lid onder b stond de verwijzing naar een afdeling uitgeschreven, voor de uniformiteit is dit is nu aangepast naar het nummer van de afdeling, te weten afdeling 3.4. In het tweede lid onder c en d stonden verwijzingen naar APV artikelen die inmiddels zijn vernummerd, dit is gecorrigeerd. R. Artikel 3.27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.27 Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg 1. Voor de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning van het college vereist: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Keur Rijnland 2015 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Nieuwe tekst Artikel 3.27 Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg 1. Voor de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning van het college vereist: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Keur Rijnland 2020 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Toelichting In het tweede lid is de verwijzing naar de Keur 2015 geactualiseerd naar de Keur Rijnland 2020.
pagina 10
S. Artikel 3.30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.30 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4. Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.31 van deze verordening, uiterlijk om 00:30 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:30 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag. 5. …
Nieuwe tekst Artikel 3.30 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4. Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.31 van deze verordening, uiterlijk om 00:30 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:30 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag. 5. … Toelichting De verwijzingen in het eerste en vierde lid naar artikelen van het Activiteitenbesluit zijn geactualiseerd conform dat besluit.
T. Artikel 3.33 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.33 Geluidhinder tijdens de avonduren 1. Het is verboden om tussen 19.00 uur en 23.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning.
Nieuwe tekst Artikel 3.33 Geluidhinder tijdens de avonduren 1. Het is verboden om tussen 19.00 uur en 23.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning.
2. De vergunningsplicht is niet van toepassing voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen nadere regels ter beperking van geluidhinder.
2. De vergunningsplicht is niet van toepassing voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen nadere regels ter beperking van geluidhinder.
3. De vergunningsplicht is niet van toepassing op situaties, dat vergunning is verleend op basis van artikel 2:8 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit of in het daarin
3. De vergunningsplicht is niet van toepassing op situaties, dat vergunning is verleend op basis van artikel 2:5 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit of in pagina 11
geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening Zuid-Holland. 4. …
het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening Zuid-Holland. 4. … Toelichting In het derde lid is de verwijzing naar de APV aangepast aan de vernummering van die verordening. Daarnaast is in het derde lid verwijzing naar “Besluit” gewijzigd naar het correcte “Activiteitenbesluit”.
U. Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd. Bestaande tekst Artikel 3.34 Geluidhinder tijdens de nachturen 1. Het is verboden om tussen 23.00 uur en 07.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning. 2. Het verbod geldt niet voor zover vergunning is verleend op basis van artikel 2:8 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 3. …
Nieuwe tekst Artikel 3.34 Geluidhinder tijdens de nachturen 1. Het is verboden om tussen 23.00 uur en 07.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning. 2. Het verbod geldt niet voor zover vergunning is verleend op basis van artikel 2:5 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 3. … Toelichting In het tweede lid is de verwijzing naar de APV aangepast aan de vernummering van die verordening.
V. Artikel 3.36 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.36 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze
Nieuwe tekst Artikel 3.36 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 pagina 12
2.
3. 4.
5.
6.
7.
verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Op de festiviteiten, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 - op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:30 uur en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. … t/m 9.
2.
3. 4.
5.
6.
7.
van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Op de festiviteiten, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 - op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:30 uur en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. … t/m 9.
Toelichting In het eerste, tweede en zesde lid zijn de verwijzingen naar het Activiteitenbesluit geactualiseerd conform de vernummering van dat besluit. W. Paragraaf 3.2.4 wordt hernoemd tot ‘Beheer en bescherming van de openbare ruimte’ en na artikel 3.37 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3.37a Verbod oplaten ballonnen 1. Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter dan lucht is, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is. 2. Het verbod is niet van toepassing op luchtvaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart. pagina 13
Toelichting Conform raadsvoorstel is deze bepaling ongewijzigd overgenomen uit de APV. Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3.37b Verbod gebruik confetti en serpentine Het is verboden confetti en serpentine, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, op een openbare plaats te gebruiken. Toelichting Conform raadsvoorstel is deze bepaling ongewijzigd overgenomen uit de APV.
X. Artikel 3.39 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.39 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: a. … t/m b.
Nieuwe tekst Artikel 3.39 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.38, tweede en derde lid, kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: a. … t/m b. Toelichting In de aanhef is de verwijzing naar artikel 3.38 vierde lid, gecorrigeerd naar het juiste artikel 3.38 tweede en derde lid.
Y. Artikel 3.40 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.40 Omgevingsvergunning handelsreclame 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is zonder een omgevingsvergunning. 2. … t/m 4.
Nieuwe tekst Artikel 3.40 Omgevingsvergunning handelsreclame 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 2. … t/m 4. Toelichting In het eerste lid is de zinsnede ‘vergunning van het college’ vervangen door ‘omgevingsvergunning’.
Z. Artikel 3.52 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.52 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1. De behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen door of onder verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een
Nieuwe tekst Artikel 3.52 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1. De behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen door of onder verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit wordt uiterlijk één dag voor de vergadering gepubliceerd op de website van de gemeente Gouda. Indien pagina 14
dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien het college - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot nietopenbare behandeling, dan dienen het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. … t/m 4.
het college - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot nietopenbare behandeling, dan dienen het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. …t/m 4.
Toelichting De wijze van bekendmaking van de agenda van de commissie zoals opgenomen in het eerste lid, is aangepast. De agenda wordt uiterlijk één dan voor de vergadering gepubliceerd op de website van de gemeente Gouda. Daarnaast is in het eerste lid de verwijzing naar de Wob aangepast naar het artikel in de inmiddels geldende Woo. AA. Artikel 3.54 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.54 Nadere regels taken, samenstelling en werkwijze Adviescommissie Omgevingskwaliteit Nadere regels over taken, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zijn vastgelegd in het Reglement van orde op en in de werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zoals opgenomen in de bijlagen VII en VIII van deze verordening.
Nieuwe tekst Artikel 3.54 Nadere regels taken, samenstelling en werkwijze Adviescommissie Omgevingskwaliteit Nadere regels over taken, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zijn vastgelegd in het Reglement van orde op de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zoals opgenomen in bijlage VII van deze verordening. Toelichting Conform het raadsvoorstel komt de werkwijze van de commissie, opgenomen in bijlage VIII, te vervallen. Het artikel is hierop aangepast.
AB. Artikel 3.62 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.62 Intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college trekt een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1 derde lid, de vergunning wordt overgeschreven;
Nieuwe tekst Artikel 3.62 Intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college trekt een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, de vergunning wordt overgeschreven;
pagina 15
c.
indien de vergunninghouder in staat van faillissement komt te verkeren. d. indien de vergunninghouder blijvend arbeidsongeschikt is, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1 derde lid, de vergunning wordt overgeschreven; 2. Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.61 genoemde vereisten. 3. Indien degene op wie een omgevingsvergunning nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, is overgeschreven, reeds omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste marktstandplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde omgevingsvergunning ingetrokken.
c.
indien de vergunninghouder in staat van faillissement komt te verkeren. d. indien de vergunninghouder blijvend arbeidsongeschikt is, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, de vergunning wordt overgeschreven; 2. Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.61 genoemde vereisten. 3. Indien degene op wie een omgevingsvergunning nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, is overgeschreven, reeds omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste marktstandplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde omgevingsvergunning ingetrokken. Toelichting In het eerste lid onder b en d, en in het derde lid werd onjuist verwezen naar artikel 5.1, derde lid. Dit is gecorrigeerd naar het juiste artikel 5.1, tweede lid.
AC. Artikel 3.67 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.67 Omgevingsvergunning leidingen 1. Het is verboden een leidingen in, op of boven de openbare ruimte, en in of op kunstwerken te verrichten zonder een omgevingsvergunning leidingen: a. aan te leggen of te houden; b. te onderhouden, of c. behoudens het bepaalde in artikel 3.80, te verwijderen. 2. Het is verboden om een leiding zonder of in strijd met een omgevingsvergunning leidingen: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven.
Nieuwe tekst Artikel 3.67 Omgevingsvergunning leidingen 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, in, op of boven de openbare ruimte, en in of op kunstwerken, een leiding: a. aan te leggen of te houden; b. te onderhouden, of c. behoudens het bepaalde in artikel 3.80, te verwijderen. 2. Het is verboden om een leiding zonder of in strijd met een omgevingsvergunning: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven.
Toelichting De tekst van het eerste en tweede lid is aangepast omdat deze niet goed liep, waarbij de naam van deze vergunning (omgevingsvergunning leidingen) voor verwarring pagina 16
kon zorgen. Dit heeft verder geen gevolgen voor de toepassing van het artikel. AD. Artikel 3.71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.71 Wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien:
Nieuwe tekst Artikel 3.71 Wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunning 1. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien:
a. de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de leidingvergunning de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van tenminste zes maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van tenminste zes maanden niet in gebruik is en niet onderhouden is; c. … t/m g.
a. de leidingexploitant niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de leidingvergunning de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 26 weken staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van tenminste 26 weken niet in gebruik is en niet onderhouden is; c. … t/m g.
2. …
2. … Toelichting In het eerste lid, onder a en b, is de termijn gewijzigd naar weergave in weken. Dit is gebruikelijker en in deze verordening worden dergelijke termijnen overal zo weergegeven.
AE. Artikel 3.74 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.74 Verplichtingen bij aanleg leiding 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de omgevingsvergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding documenten in te dienen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald.
Nieuwe tekst Artikel 3.74 Verplichtingen bij aanleg leiding 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de omgevingsvergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding documenten in te dienen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen 26 weken na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald. Toelichting In het tweede lid is de termijn gewijzigd naar weergave in weken. Dit is gebruikelijker en in deze verordening worden dergelijke termijnen overal zo weergegeven.
pagina 17
AF. Artikel 3.84 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.84 Omgevingsvergunning ligplaats 1. Het is verboden om een op de op grond van artikel 2.16 aangewezen plaatsen met een vaartuig in te nemen zonder een omgevingsvergunning. 2. … t/m 5.
Nieuwe tekst Artikel 3.84 Omgevingsvergunning ligplaats 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, op de op grond van artikel 2.16 aangewezen plaatsen, met een vaartuig een ligplaats in te nemen. 2. … t/m 5. Toelichting De tekst van het eerste lid is aangepast omdat deze niet goed liep. De heeft verder geen gevolgen voor de toepassing van het artikel.
AG. Artikel 3.86 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.86 Wachtlijst omgevingsvergunning ligplaats 1. Indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geweigerd omdat de gewenste ligplaats aan een ander is toegewezen wordt, behoudens de in artikel 3.88, lid bepaalde gevallen, de naam van de aanvrager op zijn verzoek op een door het college aan te houden wachtlijst geplaatst. 2. Indien één van de op grond van artikel 2.16 aangegeven plaatsen vrijkomt stelt het college, behoudens de in artikel 3.84, bepaalde gevallen, de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. In deze gevallen kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als voldaan is aan artikel 3.85, onder b t/m g. 3. Indien de nieuwe aanvraag niet binnen vier weken na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde is ontvangen, wordt aangenomen dat geen prijs meer wordt gesteld op de omgevingsvergunning en wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt.
Nieuwe tekst Artikel 3.86 Wachtlijst omgevingsvergunning ligplaats 1. Indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geweigerd omdat de gewenste ligplaats aan een ander is toegewezen wordt, behoudens de in artikel 3.84, vierde lid bepaalde gevallen, de naam van de aanvrager op zijn verzoek op een door het college aan te houden wachtlijst geplaatst. 2. Indien één van de op grond van artikel 2.16 aangegeven plaatsen vrijkomt stelt het college, behoudens de in artikel 3.84, bepaalde gevallen, de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. In deze gevallen kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als voldaan is aan artikel 3.85, onder b t/m g. 3. Indien de nieuwe aanvraag niet binnen vier weken na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving is ontvangen, wordt aangenomen dat geen prijs meer wordt gesteld op de omgevingsvergunning en wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt. Toelichting In het eerste lid is een onjuiste verwijzing gecorrigeerd. In het derde lid is na “bedoelde” het woord “kennisgeving” toegevoegd, aangezien dit was weggevallen.
AH. Artikel 3.93 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.93 Aanvraag omgevingsvergunning
Nieuwe tekst Artikel 3.93 Aanvraag omgevingsvergunning pagina 18
Bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning ligplaats moet de aanvrager gebruik maken van een door het college vastgesteld formulier de volgende bescheiden worden overgelegd: a. een tekening van het vaartuig en een foto, die een indruk geeft van het vaartuig in zijn omgeving; b. een aanduiding van de ligplaats op de betrokken ligplaatsenkaart.
Bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning ligplaats moet de aanvrager gebruik maken van een door het college vastgesteld formulier en worden de volgende bescheiden overgelegd: a. een tekening van het vaartuig en een foto, die een indruk geeft van het vaartuig in zijn omgeving; b. een aanduiding van de ligplaats op de betrokken ligplaatsenkaart. Toelichting De tekst van de aanhef is aangepast omdat deze niet goed liep. Dit heeft geen gevolgen voor de toepassing van het artikel.
AI. Artikel 3.96 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.96 Omgevingsvergunning kappen 1. Het is verboden om een houtopstand te vellen of te doen vellen zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstanden buiten de openbare ruimte met een dwarsdoorsnede van de stam tot 30 centimeter gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; 3. Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.99 en 3.100. b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud en het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen.
Nieuwe tekst Artikel 3.96 Omgevingsvergunning kappen 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstanden buiten de openbare ruimte met een dwarsdoorsnede van de stam tot 30 centimeter gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud en het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen. c. een houtopstand die met toestemming van het college wordt geveld vanwege dreigend gevaar voor de directe omgeving, indien vanwege spoed de normale vergunningsverlening procedure niet kan worden afgewacht, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. Toelichting
pagina 19
De tekst van het eerste lid is in lijn gebracht met de rest van de verordening. Dit heeft geen gevolgen voor de toepassing van het artikel. Daarnaast is in het artikel, waar dit ontbrak voor “houtopstand” het lidwoord “een” gezet. In het vierde lid, onder a, is de verwijzing naar de Plantenzieketewet gewijzigd naar Plantgezondheidswet en is de verwijzing naar artikel 3.99 en 3.100 gewijzigd, zodat duidelijker is dat deze artikelen ook hier van toepassing zijn. Deze artikelen gaan over de herbeplantingsplicht en de mogelijkheid tot het opnemen van voorschriften. Aan het vierde lid is sub c toegevoegd. Hierin is conform raadsvoorstel de mogelijkheid voor kap met toestemming van het college opgenomen. Dit is alleen mogelijk onder de genoemde voorwaarden en hier zijn ook artikel 3.99 en 3.100 van toepassing. AJ. artikel 3.101 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.101 Verplichtingen Degene aan wie een verplichting als bedoeld in artikel 3.96 of 3.100 is opgelegd alsmede diens rechtsopvolger is gehouden dienovereenkomstig te handelen.
Nieuwe tekst Artikel 3.101 Verplichtingen Degene aan wie een verplichting als bedoeld in artikel 3.99 of 3.100 is opgelegd alsmede diens rechtsopvolger is gehouden dienovereenkomstig te handelen. Toelichting De onjuiste verwijzing naar artikel 3.96 is gecorrigeerd naar 3.99.
AK. Artikel 4.3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4.3 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1. Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 5.1, vijfde lid, is bepaald. 2. … t/m 5.
Nieuwe tekst Artikel 4.3 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1. Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 5.1, vierde lid, is bepaald. 2. …t/m 5. Toelichting In het eerste lid is de onjuiste verwijzing naar artikel 5.1 vijfde lid gecorrigeerd naar het juiste artikel 5.1, vierde lid.
AL. Artikel 5.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5.1 Nadere regels 1. Het college kan nadere regels vaststellen met het oog op de in de artikelen 3.26,
Nieuwe tekst Artikel 5.1 Nadere regels 1. Het college kan nadere regels vaststellen met het oog op de in de artikelen 3.17,
pagina 20
3.42 vierde lid, 3.44 en 3.17 genoemde belangen. 2. Het college kan over de onderwerpen in afdeling 3.4 nadere regels stellen, waaronder regels voor het overschrijven van vergunningen. 3. Het college kan ter uitvoering van afdeling 3.5 nadere regels stellen, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen over de veiligheid, het ontwerp, beheer, aanleg, onderhoud en het verwijderen van leidingen. Het college stelt in de nadere regels vast welke gegevens en documenten voor de beoordeling van de aanvraag benodigd zijn.
3.26, 3.42 vierde lid en 3.44 genoemde belangen. 2. Het college kan over de onderwerpen in afdeling 3.4 nadere regels stellen, waaronder regels voor het overschrijven van vergunningen. 3. Het college kan ter uitvoering van afdeling 3.5 nadere regels stellen, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen over de veiligheid, het ontwerp, beheer, aanleg, onderhoud en het verwijderen van leidingen. Het college stelt in de nadere regels vast welke gegevens en documenten voor de beoordeling van de aanvraag benodigd zijn.