CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Waterhuishoudingsplan Westergouwe 140108.pdf

Commissie Fysieke leefomgeving 9 februari 2022, gemeente GoudaBij agendapunt: Bijlagen n.a.v. technische vragen GroenLinks.22.215 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 32

vastgesteld en maatregelen worden bedacht. Het is echter van belang dat het systeem zodanig wordt ingericht (bijvoorbeeld rondgaande watergangen), dat aanvullende (technische) maatregelen effectief kunnen worden toegepast. In Landelijk Wonen zal de kwel toenemen van 1 mm/etmaal naar 1,5 mm/etmaal. De toename van de kwel is het gevolg van een toename van de stijghoogte in het pleistocene pakket bij gelijkblijvend waterpeil; een deformatie van de holocene deklaag en dus toename van de weerstand is niet te verwachten. De belasting door kwel zal toenemen van 1 mm * 365 * 2,1 = 2 2 766 mg P/m jaar naar 1149 mg P/m /jaar. Bij 22% openwater leidt dit tot een belasting van het 2 oppervlaktewater van circa 5.225 mg P/m /jaar. Dit is een beperkte overschrijding van de gestelde norm. Daar komen nog andere belastingen bij in de vorm van neerslag, afstromend regenwater en inlaatwater. Aan de andere kant zullen er weer nutriënten worden opgenomen door vegetatie en ontstaat er een evenwicht in interne en externe belasting en afvoer van nutriënten. Uit voorgaande indicatieve berekeningen wordt geconcludeerd dat de P-belasting door kwel de door de gemeente en waterschap gestelde maximale belasting van openwater zal benaderen dan wel iets zal overschrijden. Naar verwachting liggen de verschillende deelgebieden tussen de kritische belastingsgrenzen of net boven de bovengrens.

Dit zal er toe leiden dat de deelgebieden in een goede of slechte ecologische toestand komen. Met maatregelen gericht op vermindering van de nutriëntenbelasting kan het water in een goede dus heldere plantenrijke toestand komen of worden gehouden. Met name het effect van afstromend regenwater zal cruciaal zijn voor de totale P-belasting van het openwater (zie deelrapport riolering). Met het oog op het voorgaande dient het watersysteem zodanig te worden ingericht dat de basiscondities goed zijn voor de ambities voor een goede waterkwaliteit. Uitgegaan wordt van de volgende maatregelen: • voldoende waterdiepte (hoofdwatergangen bij 10 meter breedte 1,00 meter diep; de plas in Bolwerk: gemiddeld 1,00 meter diep met plaatselijk diepere delen tot 2 á 2,5 meter en ondiepere delen tot 0,5 meter); • waterbodem bestaat uit zand of tenminste een ontgraving van de venige toplaag. Het gebruik van gerijpte grond is ongewenst in verband met nalevering van fosfaten; zeezand moet volgens de eisen zijn ontzilt; • natuurvriendelijke oevers langs veel hoofdwatergangen en de randen van de plas.

In de overige watergangen zoveel mogelijk natuurvriendelijke oevers (streven naar tenminste 50%); • beperking van inval van blad (keuze boomsoorten en afstand tot watergangen tenminste 5 meter); • goede doorstroombare watergangen en duikers+ bruggen; • voorzuivering van afstromend regenwater; • waterinlaat vanuit de GBZ; • geen uitlogende materialen toepassen; • de mogelijkheden voor interne circulatie over een zuiverende voorziening open houden (locatie circulatiegemaal vrijhouden). 4.7.2 Natuurvriendelijke oevers In lit. 4 wordt gesteld dat de fosfaatbelasting in de nieuwe situatie boven de norm ligt voor de omslag van een troebel systeem naar een helder watersysteem. Daarmee is er een reëel risico op een watersysteem met een beperkt doorzicht en een overmatige algenbloei. De systeemverschillen in Waterstad Westergouwe zijn echter dermate groot dat dit risico niet voor alle deelgebieden zal gelden. Vooral in de gebieden Tuinen/Grachten en de GBZ zal door verandering van het milieu de waterkwaliteit sterk verbeteren. STOWA klasse III en IV worden voor deze gebieden haalbaar geacht.

Pagina 33

Bolwerk De waterkwaliteit in het Bolwerk zal sterk afhangen van de mate waarin de kwel kan worden onderdrukt en de mate van benutting van regenwater. Een zeer belangrijk aspect voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit in de plas is de waterdiepte en het materiaal dat de bodem van de plas gaat vormen. Zaak is dat de waterpartij geen direct contact mag hebben met het oorspronkelijke topsysteem en dat er voldoende waterdiepte wordt gecreëerd. De voorkeur gaat uit naar een voorbelasting met zand van de toekomstige waterplas. Bij een waterpeil van NAP -5,50 meter en een minimale waterdiepte van 1 meter, dient door een voorbelasting het bestaande maaiveld te worden verlaagd van gemiddeld NAP -6,0 m tot NAP -6,50 meter. Omdat bij voorkeur tenminste 0,5 meter zand op de bodem moet achterblijven, dient de zetting van het maaiveld tenminste tot NAP –7,0 meter op te treden (1 meter netto maaivelddaling). Deze zetting kan worden bereikt door een bruto ophoging van 2 à 3 meter waarbij de overhoogte aan zand later voor andere deelgebieden kan worden gebruikt. In het grondmechanisch onderzoek wordt dit onderwerp nader ingegaan. Golven veroorzaken een verstekte opwerveling van bodemslib. In de waterplas van Bolwerk is de vrije lengte waar de overheersende windrichting vat op kan hebben (strijklengte) circa 500 tot 850 meter.

In de actuele planvorming wordt uitgegaan van woonpieren in het westelijke deel van de waterplas. Bij windkracht 9 beginnen golven bij een strijklengte van 300 meter in water van minder dan 1 meter diep over de bodem te “schuren”. Bij 1 kilometer strijklengte is de werking van de golven tot bijna 2 meter diep merkbaar. Door de strijklengte te verminderen of de waterdiepte te vergroten zal het opwervelen van bodemslib worden tegengegaan. Geadviseerd wordt om de waterdiepte tenminste 1 meter te laten zijn met op een aantal locaties verdiepte delen tot 2 meter. Al eerder is opgemerkt dat de kritische belasting af neemt bij toename van de waterdiepte. Voor de plas dient daarom ook te worden gestreefd naar een areaal ondiep water (diepte tot 0,5 meter minus waterpeil). Hoe ondieper het water hoe geschikter voor submerse vegetatie. Ondiep water vergroot het potentiële areaal aan submerse vegetatie bij gelijke helderheid. De verdeling ondiep – middeldiep – diep zal ongeveer 20% - 70% - 10% zijn. Bij voorkeur liggen de ondiepe zones langs de oevers van de plas en vormen daarmee geen hindernissen voor de recreatie. Het reliëf op de bodem vermindert de jaarlijkse opwerveling en daarmee betere kansen op een helder watersysteem. Bovendien fungeren de diepe delen als opvang van afgestorven algen en ook voor een betere overwintering van vis.

Verder wordt geadviseerd om de toerit naar het Bolwerk middels een dam-met-brug-verbinding te realiseren, waardoor de golfwerking bij zuidwestelijke windrichting (overheersend) sterk wordt gereduceerd. In Bolwerk zal de volledige buitenring van de waterplas met natuur vriendelijke oevers worden ingericht. In verband met oever- en bodemstabiliteit en tegengaan van lekverliezen wordt geadviseerd om de kaden en oevers te verstevigen met niet gerijpte klei. Vanaf het maaiveld naar waterpeil (1 meter drooglegging) wordt geadviseerd om taluds 1:5 / 1: 10 aan te houden. Indien klei wordt toegepast kan deze helling doorlopen tot de bodem van de waterplas. De breedte van insteek talud tot aan de waterbodem bedraagt dan circa 15 meter. In principe moet er voldoende ruimte zijn voor deze taludhellingen. De drie woonbolwerken krijgen in principe geen natuurvriendelijke oevers. Indien natuurvriendelijke oevers worden overwogen, dan bij voorkeur aan de zuidkant (zonkant) waarbij de golfwerking minder erosief zal zijn. In Bolwerk is circa 7.300 meter oeverlengte aanwezig. Hiervan wordt circa 4.100 meter natuurvriendelijk ingericht (56% - zie bijlage 3). Door het waterpeil in Bolwerk te laten fluctueren (tot 30 centimeter) ontstaat een vitale helofytenoever met een waterriet-zone die voorkomt dat oevers afkalven.

Pagina 34

Figuur 4.5:

Voorbeeld dwarsprofiel natuurvriendelijke oevers buitenring van Bolwerk

Indien talud en oevers voornamelijk bestaan uit ophoogzand wordt geadviseerd om vanaf insteek talud tot aan de waterlijn een talud van 1:5 aan te houden. Deze oever sluit aan op een onderwater –beschoeiing. Vervolgens is het onderwater -talud 1:10. De oevers ter plaatse van de wooneilanden worden met kademuren ingericht. De aanplant van bomen dient in verband met bladval op tenminste 5 meter uit de insteek van de watergangen plaats te vinden. Bladval zal namelijk de waterkwaliteit negatief beïnvloeden. Het droge en natte deel van de buitenste oeverlijn wordt na aanleg ingeplant met riet en eventueel aangevuld met soorten als lisdodde, kattenstaart, zwanebloem, gele lis en zegge. Eventueel kan het droge deel worden ingezaaid met riet. Het riet zal tot een diepte van circa 0,5 meter het water ingroeien. Belangrijk is dat zo snel mogelijk een vegetatie zich kan ontwikkelen op de oevers waardoor erosie en opwerveling van bodemmateriaal wordt beperkt. Riet is de basisbegroeiing en vormt daarmee jaarrond een goede bescherming van de natte oevers tegen golfwerking. Het riet is tevens een goed milieu voor watergebonden organismen en zangvogels. Tuinen & Grachten De watergangen in dit gebied zijn 10 tot 15 meter breed. Een deel van deze breedte kan worden ingericht als natuur vriendelijke oever.

Gelet op de beperkte ruimte en de mogelijke instabiliteit van het ophoogzand wordt overal een onderwater -beschoeiing voorgesteld, tenzij er wél genoeg ruimte aanwezig. Een voorbeeld hiervan is weergegeven in figuur 4.6.

Pagina 35

Natuurvriendelijke oevers een voorbeeld van een gradiëntrijke inrichting van watergangen In Tuinen en Grachten

Bomen op 5 m van insteek talud

Breedte waterlijn 10 m

maaiveld: NAP -5,0m waterpeil: NAP -6,0 m

1m

onderwater beschoeiing

talud 1:3

talud 1:5 plas-dras zone

Figuur 4.6:

Voorbeeld dwarsprofiel natuurvriendelijke oevers Tuinen & Grachten

Ook voor deze watergangen geldt een snelle aanplant of inzaai. Gedacht kan worden aan soorten als riet, lisdodde, verschillende soorten zegge en gele lis. Vermeldenswaardig is dat natuurvriendelijke oevers tevens bijdragen aan de veiligheid tegen verdrinking. Om een goed machinaal onderhoud te kunnen plegen, dienen bomen op tenminste 5 meter van de insteek van de taluds te worden geplant. Deze afstand reduceert tevens de rechtstreekse bladinval naar het openwater en de natuurvriendelijke oevers. Uit proefverkaveling V wordt afgeleid dat alle oeverlengte circa 11.250 meter bedraagt. Hiervan wordt circa 5.600 meter als natuurvriendelijke oevers aangelegd (50% van het totaal). Landelijk Wonen Dit deelgebied wordt gekenmerkt door wonen aan het water. De uitgeefbare kavels grenzen voor nagenoeg 100% direct aan het oppervlaktewater. Steigers en vlonders zullen de oevers domineren. Als dit tot gevolg heeft dat alle oevers in dit gebied voor 100 % worden voorzien van beschoeiingen en steigers, dan worden de waterkwaliteitsdoelstellingen (GEP/STOWA klasse III en IV) mogelijk niet gehaald. Een oplossing hiervoor is om een deel van de tuinen te voorzien van een natuurvriendelijke oever. Gestreefd wordt naar 50% vlonder/steiger en 50% natuurvriendelijke oevers.

Volgens opgaaf bedraagt de oeverlengte totaal 8.600 meter; hiervan wordt tenminste 2.460 meter natuurvriendelijk ingericht (geen kades, vlonders, steigers en niet uitgeefbaar). Dit vormt 29% van het totaal. Omdat de GBZ ook deel uitmaakt van het peilgebied van Landelijk Wonen, wordt het percentage natuurvriendelijke oevers van minimaal 50% ruimschoots gehaald.

Pagina 36

GBZ In dit natuur- en waterrijke gebied wordt voorgesteld om alle watergangen met zachte oevers in te richten (geen toepassing van beschoeiing). In feite dient het landelijke karakter te worden gevolgd met een afwisseling van brede en smalle watergangen en moerasgebieden. Als de moerasgebieden beneden het streefpeil van NAP -6,3 meter worden aangelegd doen deze gebieden mee in de waterberging opgaaf. Voor dit gebied wordt een apart inrichtingsplan gemaakt. In figuur 4.7 is een voorlopig ontwerp van november 2007 weergegeven en geeft een goed beeld van de groene en waterrijke structuren.

Figuur 4.7:

Inrichtingsplan GBZ voorlopig ontwerp november 2007 (Bron: Buro Sant & Co)

Door de GBZ liggen drie hoofdwatergangen. Deze beoogde hoofdwatergangen hebben een breedte van 10 tot 15 meter en garanderen de afvoer vanuit de bovenstroomse gebieden naar peilvak F003. Ook hier geldt dat indien er watergangen gegraven moeten worden op plekken waar de bodem instabiel is, een grondverbetering in de waterbodem zal worden aangebracht. In de praktijk komt het er dan op neer dat ter plaatse van de nieuwe waterbodem een zand- of kleipakket wordt aangebracht. 4.7.3 Wateraanvoer Hoewel op jaarbasis sprake zal zijn van een wateroverschot zullen er ook perioden zijn waarbij sprake is van een tijdelijk watertekort. Deze situatie is aan de orde als over een langere periode de verdamping van oppervlaktewater groter is dan de aanvoer van kwelwater en neerslag samen. Bovendien zal dan de laagste waterstand zijn bereikt (zie volgende paragraaf) en een verdere peildaling ongewenst is. In hoofdstuk 4.3 is de globale aanvoerbehoefte van Bolwerk en Tuinen & Grachten aangegeven. Deze aanvoer is gebaseerd op een langdurig droge periode met een onderschrijding van het minimale waterpeil. Om een idee te krijgen welke peilfluctuaties zullen optreden in Bolwerk en of er inderdaad onderschrijdingen te verwachten zijn, zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd.

In figuur 4.8 is een simulatie weergegeven van het waterpeil in Bolwerk, gebaseerd op werkelijke meteorologische jaren (1971 – 2000). Bij de berekeningen is uitgegaan van 48% water en 52% bebouwd. Verder is uitgegaan van een geringe kwel (gemiddeld 0,3 mm/etmaal).

Pagina 37

Gesimuleerd peilverloop oppervlaktewater in Bolwerk (afvoerpeil NAP -5,50 m) gebaseerd op werkelijke meteorologische jaren 1971-2000 open water: 48,4% (=24,08 ha) / bebouwd en overig: 51,6% (=25,69 ha)

-5,30 -5,40

-5,50 -5,60

-5,70 -5,80

-5,90

14-01-04

19-04-01

24-07-98

28-10-95

31-01-93

07-05-90

11-08-87

14-11-84

18-02-82

25-05-79

28-08-76

02-12-73

08-03-71

11-06-68

-6,00

Figuur 4.8: ·Simulatie peilverloop in Bolwerk

De figuur laat zien dat er jaarlijks een vast patroon is van peilfluctuaties, gedomineerd door neerslag in de winter en verdamping in de zomer. Meestentijds is het peil NAP -5,50 meter. In een gemiddelde zomer zakt dit peil tot 0,10 à 0,15 meter uit. In (zeer) droge jaren zakt het waterpeil uit tot 0,20 à 0,50 meter (1976). Wateraanvoer bij een peilonderschrijding van NAP -5,80 meter is maar zeer incidenteel nodig. Ook als het peil slechts 20 cm beneden streefpeil mag uitzakken, is in een periode van 30 jaren slechts 3 maal waterinlaat gewenst. In Tuinen & Grachten wordt de neerslag en kwel van een groter bebouwd gebied in 12,7% openwater geborgen. Verder zal een deel van de verdamping in het gebied worden gecompenseerd vanuit het openwater. Te denken valt daarbij onder andere aan de verdamping van bomen langs de waterkant. Per saldo zal dit leiden tot grotere peilfluctuaties en daarmee vaker tot peilonderschrijding. Er zal dus vaker naar Tuinen & Grachten water moeten worden aangevoerd. Figuur 4.9 toont een simulatie van het waterpeil in Tuinen & Grachten, uitgaande van een verdeling water – land conform van 12,7% - 87,3%. Verder is de berekening gebaseerd op een kwelintensiteit van gemiddeld 0,8 mm/dag. Nagenoeg elke zomer is er sprake van een wateraanvoerbehoefte om het peil niet verder te laten zakken dan de gestelde 0,20 meter. De aanvoer is soms maar zeer kortdurend.

Verder is jaarlijks gedurende een lange periode sprake van een maximaal peil van NAP -6,0 meter.

Pagina 38

Gesimuleerd peilverloop oppervlaktewater in Tuinen & Grachten (afvoerpeil NAP -6,00 m) gebaseerd op werkelijke meteorologische jaren 1971-2000 open water: 12,7% / bebouwd en overig: 87,3%

-5,80 -5,90 -6,00 -6,10 -6,20 -6,30 -6,40 -6,50 -6,60 -6,70 -6,80 -6,90 14-01-04

19-04-01

24-07-98

28-10-95

31-01-93

07-05-90

11-08-87

14-11-84

18-02-82

25-05-79

28-08-76

02-12-73

08-03-71

11-06-68

-7,00

Figuur 4.9: ·Simulatie peilverloop in Tuinen & Grachten

Noot: Zowel het verloop van het waterpeil in figuur 4.8 als in 4.9 is gebaseerd op indicatieve berekeningen met aannames van kwel en de schematisch voorgestelde interactie tussen land en water. De figuren geven echter wel een indruk van te verwachten fluctuaties, in het geval er geen wateraanvoer zal zijn. Karakteristiek is het rustige beeld in Bolwerk en het onrustige beeld in Tuinen & Grachten. Watertekorten dienen met een opvoergemaal te worden aangevoerd (zie voor de beoogde locatie figuur 4.3). Het tweeweg-systeem van het gemaal zorgt ervoor dat watertekorten op maat kunnen worden gecompenseerd. Watertekorten naar Bolwerk en Tuinen & Grachten worden aangevoerd vanuit de GBZ. Aanvoer vanuit de Ringvaart is ongewenst in verband met de naar verwachting mindere kwaliteit van het boezemwater dan van het water uit de GBZ. In de volgende tabel zijn gemiddelde waarden van verschillende parameters samengevat voor het boezemwater. Deze zijn gebaseerd op metingen over de periode 2000 – 2006 ter hoogte van het bedrijvenpark Gouwestroom. Waterkwaliteit boezemwater in de Ringvaart van de Zuidplaspolder (meetpunt 00036)

Periode MTR-norm Inlaatperiode juli september Winter

Stikstof (tot) <2,2 mg/l 4-5 10-12

Fosfaat (PO4) <0,15 mg/l 0,30 0,20

Zuurstof >5 mg/l 2-5 10-15

Chlorofyl-a <100 mg/l 50-100 50

Uit de tabel wordt afgeleid dat de gehalten voor de vier genoemde parameters over het jaar kunnen fluctueren. Het moment van inlaten ligt in de periode juli – september; dan is het stikstofgehalte 2 maal zo hoog dan de MTR-norm. Dit geldt ook voor fosfaat. Het zuurstofgehalte is in die periode vrij laag. De maat voor algenontwikkeling laat een acceptabele waarde zien. Indien wordt uitgegaan van een wateraanvoer over een periode van drie 2 maanden, dan is de extra belasting van het oppervlaktewater in Bolwerk circa 0,16 gram P/m . In Tuinen en Grachten is dit ongeveer net zoveel. Aangenomen wordt dat de belasting vanuit de GBZ aanzienlijk lager zal zijn. Het wateraanvoersysteem is vooralsnog niet bedoeld om een watercirculatiesysteem in stand te houden. Een goede kwaliteit van het oppervlaktewater dient primair te worden bereikt door het systeem zelf (waterdiepte, oeverinrichting, etcetera). Een watercirculatie levert over het

Pagina 39

algemeen een beperkte bijdrage aan het in stand houden van een goede waterkwaliteit, tenzij deze wordt gecombineerd met een zuiverende voorziening. Als in Bolwerk een troebele en algenrijke waterplas ontstaat, kan een watercirculatie-systeem met een zuivering daar een verbetering in brengen. Vooralsnog worden dergelijke maatregelen niet nodig geacht en dus vormt dit geen onderdeel van het project. 4.7.4 Peilfluctuaties In de deelgebieden Bolwerk en Tuinen/Grachten wordt gestreefd naar flexibel peilbeheer. Hiermee wordt de afhankelijkheid van (gebiedsvreemd) inlaatwater teruggedrongen. Het peilverloop in Landelijk Wonen zal dat van peilvak F003 volgen, omdat dit in open verbinding hiermee staat. Een volgend scenario voor de te onderscheiden deelgebieden kan van toepassing zijn: Deelgebied Bolwerk Tuinen/Grachten Landelijk Wonen / GBZ

Steefpeilen

Maximale bandbreedte waterpeilen

Maximale hoogte NAP -5,50m Uitzakken ondergrens NAP -5,80 m Maximale hoogte NAP -6,00m Uitzakken ondergrens NAP -6,20 m Vigerende peilen F003 Zomerpeil NAP -6,30 m Winterpeil NAP -6,50 m

0,30 m 0,20 m

geen

Met de eerder genoemde peilen wordt in elk deelgebied voldoende drooglegging bereikt. Het iets uitzakken van de waterpeilen biedt mogelijkheden voor regenwaterconservering in voornamelijk de zomermaanden. In de praktijk zal gedurende de wintermaanden het maximale peil zijn bereikt, zowel in Bolwerk als in Tuinen & Grachten. In Landelijk Wonen / GBZ is in de waterparagraaf vastgelegd dat dit gebied valt onder het peilvak F003. Dit peilvak kent vooralsnog een strak peilbeheer dat op de agrarische functies is afgestemd (zomerpeil vast NAP -6,30 meter; winterpeil vast NAP -6,50 meter). Voor natuurontwikkeling in de GBZ is een dergelijk kunstmatig peilbeheer ongewenst. Omdat in de toekomst het peilbeheer in F003 steeds meer zal worden afgestemd op natuurlijke functies, kan met de aanleg van de GBZ daar rekening mee worden gehouden. Primair is van belang dat de GBZ een bergingsfunctie behoudt voor water afkomstig uit het oostelijke deel van de Zuidplaspolder (F005). Aanvullende opmerking van HHSK F003 behoort tot de peilgebieden waarvoor binnen de geldende termijn van het peilbesluit de peilen worden geïndexeerd als gevolg van matige tot sterke maaivelddaling. Dit betekent dat de waterpeilen gedurende de geldigheidsperiode van het peilbesluit worden bijgesteld.

Het zomerpeil met een actueel peil van inmiddels NAP -6,35 meter is dus wat lager dan het oorspronkelijke peil bij het van kracht worden van het peilbesluit. Daarnaast wordt een winterpeil gehanteerd, dat minder dan 0,2 meter lager is dan het zomerpeil. Het is niet alleen voor de GBZ van belang rekening te houden met een peilontwikkeling met meer natuurlijke peilen. Door de open verbinding is het ook voor Landelijk Wonen van belang met een indexering nu al rekening houden.

Pagina 40

4.8 Veiligheid Bij de ontwikkeling van Westergouwe dient in relatie tot water aan een aantal veiligheidsaspecten te worden voldaan. In bijlage 2 is een aantal van deze aspecten nader omschreven. Te onderscheiden zijn: 1. Veiligheid tegen overstromingen vanuit regionale wateren (Hollandse IJssel, Gouwe; Ringvaart van de Zuidplaspolder); 2. Veiligheid tegen inundaties vanuit het eigen watersysteem; 3. Veiligheid tegen inundaties vanuit andere peilgebieden; 4. Veiligheid waterkeringen; 5. Veiligheid tegen grondwateroverlast; 6. Veiligheid tegen opdrijven van waterbodems. Te aanzien van veiligheid tegen overstromingen zijn bij de ontwikkeling van het Masterplan scenario’s doorgerekend. Hieruit is een niveau vastgesteld voor de woningen (minimale hoogte vloerpeilen). Om inundatie vanuit het eigen systeem tegen te gaan, is er voor gezorgd dat voldoende openwater per deelgebied aanwezig is en daarmee voldoet aan de toetsingsnormen van het NBW. Het risico van inundatie ten gevolge van een groot wateraanbod vanuit andere peilgebieden zou uitsluitend kunnen gelden voor het laagste peilvak (Landelijk Wonen en GBZ). De andere gebieden liggen namelijk op een hoger peilvak. In de GBZ wordt echter de huidige waterberging van de hogere peilvakken gecompenseerd. Er treedt daarmee geen verslechtering op van het watersysteem in dit deel van de Zuidplaspolder.

Ten aanzien van de waterkering tussen polder en ringvaart is gesteld dat voldoende afstand moet worden aangehouden om in ieder geval buiten de kernzone en beschermingszone van die kering te blijven. Werkzaamheden in de directe omgeving van de kering zijn vergunningplichtig en dienen met geotechnische berekeningen te worden onderbouwd. In Westergouwe krijgen de woningen een drooglegging van minimaal 1,30 meter. In combinatie met een gesloten drainage worden in de woongebieden daarmee voldoende veiligheden ingebouwd om grondwateroverlast te voorkomen. In verband met de enigszins geringere ontwateringsdiepte wordt geadviseerd om (diepe) kelders zo min mogelijk toe te passen. Tevens wordt als overweging meegegeven om kruipruimteloos te bouwen om vochtoverlast in kruipruimtes te voorkomen. In Westergouwe wordt extra water gegraven. Om de waterbodems van brede waterpartijen stabiel te houden wordt de bodem van het oppervlaktewater voorbelast met zand. Een deel van het zand zal in de eindsituatie de waterbodem gaan vormen. Bij het toepassen van verticale drainages (voor het versnellen van zettingen) dient te allen tijde te worden voorkomen dat deze tot aan het watervoerend pakket worden doorgezet. De lekke bodem die hier het resultaat van is, levert een (eindeloze) stroom op van voedselrijk kwelwater. Dit zal de waterkwaliteitsdoelstellingen en ambities onderuithalen.

Ook zal het water bruingekleurd worden, wat de beleving van het water niet ten goede komt.

Pagina 41

5

Toekomstig beheer en onderhoud

5.1 Algemeen In het gebied wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdwatergangen en overige watergangen. De eerste categorie komt in eigendom en onderhoud van HHSK. De overige watergangen komen in eigendom en onderhoud van de gemeente Gouda. Alle watergangen zullen onder het beheer vallen van HHSK en daarmee onderhevig zijn aan de Keur van het Hoogheemraadschap. Onder watergangen wordt verstaan het natte profiel inclusief de oevers en beschoeiing. Om een goed beheer en onderhoud mogelijk te maken dient normaliter te worden afgezien van het toedelen van openwater aan particulieren. In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken indien rekening wordt gehouden met diverse randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden gaan voornamelijk over heldere afspraken met de desbetreffende eigenaren over wie het onderhoud pleegt, wie de vrijkomende bagger ontvangt en welke (fysieke) ruimte er over blijft voor het onderhoud van de rest van de watergang. De grens tussen uitgeefbaar en openwater dient te worden gelegd op het grensvlak tussen land en water. Bij voorkeur is dat een herkenbare beschoeiing boven de waterlijn. Uiteraard geldt dit uitsluitend voor openwater dat grenst aan particuliere kavels. In het gebied Westergouwe gaat het voornamelijk om de categorie “overige watergangen”.

De beschoeiing wordt door de ontwikkelaar aangelegd en later overgedragen aan de particulier die grenst aan het openwater. De particulier is vervolgens verantwoordelijk voor het onderhoud van de beschoeiing. De aanwijzing van hoofdwatergangen wordt ingegeven door de importantie van dat betreffende water voor aan- en afvoer. Ook om praktische redenen kan gekozen worden voor een bepaalde verdeling. Naast de hoofdwatergangen zullen alle stuwen en inlaten in eigendom en onderhoud van het Hoogheemraadschap komen. Voor alle duikers in de hoofdwatergangen geldt dat ze in eigendom en onderhoud komen van de gemeente en het watervoerende gedeelte (hydraulische aspecten) in onderhoud van het waterschap komen. Alle overige duikers zijn in eigendom en onderhoud van de gemeente. Bij het gezamenlijk uitwerken van het beheer- en onderhoudsplan dient zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de volgende eis van HHSK bij het onderhoud van de hoofdwatergangen: langs het water dienen opstelplaatsen voor materieel beschikbaar te zijn op 150 meter, 250 meter etcetera langs elke watergang, zodat van weerzijden opgeduwd kan worden. Elk van deze plekken bestaat uit een pad naar de watergang van minimaal 4 meter breed en bij de watergang een plaats van 6 bij 6 meter ten behoeve van de draaicirkel van de kraanarm. De verharding kan bestaan uit doorgroeibare materialen.

5.2 Hoofdwatergangen en overige watergangen In dit hoofdstuk is aangegeven welke watergangen in eigendom en onderhoud van HHSK en gemeente komen. In figuur 5.1 is daartoe een onderscheid gemaakt tussen lichtblauwe en donkerblauwe kleuren. De donkere lijnen worden hoofdwatergangen. In feite gaat het om alle grotere doorgaande watergangen in Tuinen & Grachten alsmede om enkele watergangen in Landelijk Wonen. De waterplas in Bolwerk zal in eigendom en in onderhoud zijn van Gouda. onderhouden. Er zal een onderhoudsregime worden toegepast dat optimaal is toegesneden op de ecologische en waterkwantitatieve wensen.

Pagina 42

Een reden dat alle grotere watergangen in Tuinen & Grachten als hoofdwatergang worden aangemerkt is ingegeven vanuit praktisch oogpunt en de wens om een uniform beheer en onderhoud uit te oefenen op vooral de natuurvriendelijke oevers.

Figuur 5.1:

Onderscheid in hoofdwatergangen (donkerblauw) en overige watergangen (lichtblauw)

De watergangen in de GBZ vervallen aan de toekomstige beheerder / eigenaar van het gebied en daarmee dus ook het onderhoud. 5.3 Onderhoud Voorafgaande aan de realisatie van water in Westergouwe dienen door zowel Gouda als het HHSK een plan te worden opgesteld, waarin het beheer en onderhoud wordt beschreven. Hoewel in de Keur enige zaken zijn geregeld, verdient het de voorkeur om het onderhoud planmatig te benaderen. In het onderhoudsplan worden ook zaken geregeld als ontvangstplicht, transport en verwerking van groen en bagger. Op basis van taakhouderschap worden afspraken gemaakt over het beheer en onderhoud. Vooruitlopend op een dergelijk plan wordt in dit Waterhuishoudingsplan een aanzet gegeven voor het wenselijke onderhoud. Door de variatie in omvang van de watergangen zal het periodieke onderhoud van de watergangen / vijvers sterk verschillen. Zowel varend als machinaal onderhoud vanaf de waterkant zal, afhankelijk van de breedte van het openwater, plaatsvinden. Bij het onderhoud van watergangen wordt uitgegaan van de waterbodem tot aan de beschoeiing en bij de aanwezigheid van natuur vriendelijke oevers inclusief de wateroevers. De openbare bermen en taluds tussen openbare wegen/voetpaden en de droge oevers behoren tot het reguliere onderhoud van de gemeente Gouda.

Pagina 43

Bolwerk Gelet op de beoogde status van de plas dient de gemeente zorg te dragen voor onderhoud. Voor HHSK is er geen direct belang om de plas te onderhouden. De waterplas in Bolwerk zal vooral onderhoud vergen aan de randen. Een verwijdering van biomassa 1 keer per 2 jaar lijkt voldoende. De Keur van het HHSK schrijft een jaarlijkse frequentie van maaien voor. Vanuit ecologie kan het echter wenselijk zijn om meerjarig riet te handhaven omdat bepaalde vogelsoorten daarvan kunnen profiteren. Waterriet is van groot belang als paai-, opgroei/, en overwinteringgebied voor snoek die de belangrijkste roofvis is in helder plantenrijk water en met zijn aanwezigheid zorgt voor noodzakelijke regulering van prooivissen (witvis). Hoe met het maaisel moet worden omgegaan dient in het onderhoudsplan te worden geregeld. De gemeente heeft echter een ontvangstplicht van plant/ en bodemmateriaal.

Figuur 5.2:

Mogelijke lange termijn maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit

In de plas zal de aanwas van bagger overwegend door de ondergedoken waterplanten worden veroorzaakt. Rekening wordt gehouden met een aangroei van bagger met maximaal 4 cm/jaar. Ten aanzien van de baggerfrequentie dient aansluiting te worden gezocht bij het baggerbeleid van de gemeente Gouda. In de plas van Bolwerk wordt een (zeer) goede waterkwaliteit nagestreefd: “stabiel helder plantenrijk water”. Het kan echter zo zijn dat het watersysteem met een te hoge P-totaal wordt belast, waardoor algengroei zal toenemen en daarmee het doorzicht worden beperkt, waardoor de ontwikkeling van ondergedoken waterplanten negatief wordt beïnvloed. Als algenbloei daadwerkelijk een jaarlijks terugkerend probleem zal zijn, kan na een ruime monitoring periode worden overwogen om in de hoofdwatergang (tussen Bolwerk en de Ringvaart) een defosfatering te plaatsen. Naast een circulatiegemaal dient ruimte te worden gereserveerd voor een doseringsinstallatie van ijzerchloride en opslag. In figuur 5.2 is de locatie nader aangegeven (DEF).

Pagina 44

Tuinen & Grachten Omdat de hoofdwatergangen in Tuinen & Grachten voor het merendeel met natuurvriendelijke oevers worden ingericht, vindt het onderhoud rijdend plaats met een maaikorf. Hierbij wordt de biomassa van de waterbodem en de oevers enige tijd op de kant gezet (zorgplicht zoals gesteld in Flora- en Faunawetgeving) waarna het per as wordt afgevoerd buiten het stedelijke gebied. Het schoonmaken van de hoofdwatergangen zal door het Hoogheemraadschap worden uitgevoerd. Ook voor het baggeren van de watergangen dient aansluiting te worden gezocht bij het huidige baggerbeleid van de gemeente Gouda en het Hoogheemraadschap. De gemeente heeft een ontvangstplicht van plant- en bodemmateriaal. In een aantal situaties grenzen de (hoofd)watergangen mogelijk aan particuliere tuinen. Aldaar moet worden afgezien van natuur vriendelijke oevers; een beschoeiing vormt een duidelijke grens tussen uitgeefbaar en water. In die situaties is een schouwpad niet mogelijk en dient varend onderhoud plaats te vinden. Om te voorkomen dat de vaarboot telkens uit het water moet worden genomen, moeten op strategische plaatsen – voor zover er geen bruggen zijn – doorvaarbare duikers worden aangelegd (rechthoekige betonnen duikers met afmetingen h * b van minimaal bij 2,00 * 2,50 meter). De doorvaarhoogte is minimaal 1 m ten opzichte van het hoogste peil.

Gelet op de breedte van de ringsloot rondom Westergouwe (15 meter) is daar zeker varend onderhoud noodzakelijk. Voor dit moment zijn nog geen uitspraken te doen over de kans op kroosontwikkeling in Tuinen & Grachten. Naar verwachting zijn de omstandigheden zodanig dat kroos in bepaalde perioden van het jaar zich kan ontwikkelen. Een groot voordeel van het plan is dat de watergangen recht en breed zijn, waardoor het kroos gemakkelijk een bepaalde richting kan opdrijven. Met name bij een overheersende windrichting vanuit het zuidwesten wordt kroos opgedreven richting ringsloot en van daaruit naar de richting Bolwerk. Als kroos daadwerkelijk een jaarlijks terugkerend probleem zal zijn, kan worden overwogen om in de oosthoek van Tuinen & Grachten een kroos-afscheider te plaatsen. Naast een circulatiegemaal dient ruimte te worden gereserveerd voor kroosopslag (container). In figuur 5.2 is de locatie nader aangegeven (KRO). Het kiezen voor kroosverwijdering/circulatiegemaal en defosfateringsinstallatie zijn zaken die pas na enige jaren van monitoring kan worden overwogen en nu dus geen onderdeel vormen van het plan. Dit soort zaken kan in het kader van een stedelijk waterplan worden opgepakt. Landelijk Wonen en GBZ Dit gebied zal straks zowel een aantal hoofdwatergangen als een fijnmazig netwerk van slootjes en moerassen krijgen.

Het onderhoud van de categorie “overige watergangen” dient te worden afgestemd op het ecologische beheer van de GBZ. De hoofdwatergangen zullen jaarlijks door HHSK worden onderhouden. Het resterende gebied (GBZ) komt in handen van een natuurbeherende instantie. Algemeen Voor alle locaties geldt dat op strategische plekken ruimte moet worden gereserveerd voor het verzamelen en innemen van maaisel en bagger. Voor de aanleg van vlonders en steigers langs en boven het oppervlaktewater voert HHSK een afzonderlijk beleid, dat in vergunningen wordt geregeld. In bijlage 4 is een notitie van het Hoogheemraadschap opgenomen waarin het beleid voor vlonders en steigers is aangegeven. Te samen met de gemeente Gouda dient te worden bezien welke aspecten uit dit beleid voor Westergouwe van toepassing kunnen worden verklaard.

Pagina 45

6

Fasering

6.1 Algemeen Waterstad Westergouwe zal in een tijdsbestek van 10 tot 12 jaar worden ontwikkeld (2008 – 2020). Het gebied wordt in een aantal fasen bouw- en woonrijp gemaakt. In figuur 6.1 is indicatief het eerste deelgebied aangegeven. De werkelijke fasering wordt nog nader aangegeven. Vanuit water geredeneerd dienen stroken tussen de hoofdwatergangen in één keer bouwrijp te worden gemaakt, zodat afwatering en ontwatering op de begrenzende watergangen kunnen plaatsvinden.

Figuur 6.1:

Indicatieve fasering en indeling deelgebieden

Een deel van Bolwerk wordt gelijktijdig met Tuinen & Grachten ontwikkeld. Een mogelijkheid is om met peilverhoging te wachten totdat het bouw- en woonrijpmaken van deelgebied 1 is afgerond. Het is echter van groot belang dat de nieuwe waterpeilen worden ingesteld alvorens de eerste bewoners zich gaan vestigen. Ervaringen in andere grote woongebieden leert dat een peilaanpassing nadat het gebied enige tijd is geoccupeerd op de nodige weerstanden kan stuiten, omdat particulieren hun tuininrichting veelal afstemmen op het dán heersende waterpeil (vlonders, oevers, beschoeiing, etcetera). Het zal enige tijd duren voordat Waterstad Westergouwe geheel is afgerond. De verwachtingen zijn dat pas in 2020 de woonwijk + GBZ zullen zijn opgeleverd. Tot die tijd zullen ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit nog niet alle doelstellingen zijn bereikt.

Pagina 46

Bij de start van de realisatie is het van groot belang dat het hoofdwatersysteem dat betrekking heeft op de te ontwikkelen fase eveneens gerealiseerd wordt. Het gaat hierbij om zowel water aanvoer als afvoer. Tevens dient dit systeem altijd te functioneren. Dit stelt randvoorwaarden aan de inrichting en het onderhoud van dit systeem tijdens de realisatie van de betreffende fase en toekomstig te ontwikkelen fasen. 6.2 Fasering bouwrijpmaken Grote delen van Waterstad Westergouwe zullen integraal worden opgehoogd met zand. Om de zettingsperiode te verkorten zal naast kunstmatige ontwatering van veenlagen een overhoogte van zand worden aangebracht. De overhoogte van zand zal na enige tijd worden benut in een ander deelgebied van deelgebied 1. 6.3 Fasering in relatie tot Waterberging Bij de ontwikkeling van graslandgebieden naar woningbouw spelen drie principes van waterberging: 1. compensatie voor het dempen van water; 2. compensatie voor het ontrekken van waterberging aan peilgebied F003; 3. compensatie voor de toename van verhard oppervlak. Ad 1: Op het moment dat er water wordt gedempt dient dit vooraf 1:1 te zijn gecompenseerd. Bij voorkeur dient de compensatie direct plaats te vinden in het uiteindelijke peilvak F003 (Landelijk wonen en GBZ). Ad 2.

Voorafgaand aan het onttrekken van gebieden aan peilvak F003, door het realiseren van peilscheidingen, dient het verlies aan waterberging gecompenseerd te zijn in het uiteindelijke peilvak F003 (Landelijk wonen en GBZ). Ad 3: Op het moment dat met het woonrijp maken wordt gestart (toename verhardingen) dient de wateropgaaf te zijn gerealiseerd. Noot: Als het qua procedure niet past om in GBZ te compenseren, kan worden gedacht aan het tijdelijk afplaggen van een stuk weiland binnen Westergouwe en dat voorlopig deel blijft uitmaken van het peilvak F003. Dit gebied kan later met zand worden opgehoogd. De vrijkomende toplaag (bouwvoor bestaande uit kleidek) kan worden gebruikt voor de afwerking van stedelijk groen en taluds in het voorafgaande deelgebied. De grond zal tijdelijk in depot moeten worden gezet. Voor het realiseren van tijdelijke berging in de overgangsfasen is (delen van) de beoogde plas in Bolwerk mogelijk een optie.

Pagina 47

7

Relaties met grondwater

7.1 Planontwerp en waterpeilen In bijlage 2 zijn de randvoorwaarden voor bouwhoogten en waterpeilen vermeld. Samengevat zijn dit de volgende waarden. Plangebieden / woonmilieus

Waterpeil (m t.o.v. NAP) 1) -5,50

wegpeil (m t.o.v. NAP) -4,50

vloerpeil (m t.o.v. NAP) -4,20

opmerkingen

Bolwerk Waterwonen paal- en pierwoningen? 2) Tuinen -6,00 -5,00 -4,70 2) Grachten -6,00 -5,00 -4,70 3) Landelijk wonen -6,30 /-6,50 -5,40 -4,70 1) het maximale peil is vastgesteld op NAP -5,50 m. In de zomermaanden mag het peil uitzakken met 0,30 m (flexibel peil) 2) het maximale peil is vastgesteld op NAP -6,00 m. In de zomermaanden mag het peil uitzakken met 0,20 m (flexibel peil) 3) aanpassen aan peil in F003

7.2 Ontwateringscriteria Basis voor de te hanteren ontwateringscriteria zijn algemene randvoorwaarden van het ministerie van VROM en meer specifieke randvoorwaarden van gemeente Gouda en het Hoogheemraadschap (zie notitie bijlage 2). Vastgesteld is dat de toekomstige bestemming bepalend is voor de te realiseren ontwateringssituatie. Relevante ontwateringscriteria zijn: • ter plaatse van wegen is een minimale ontwateringsdiepte (afstand tussen het maaiveld en de gemiddeld hoogste grondwaterstand) van 0,70 meter voor de woonstraten en 1,00 meter voor de ontsluitingswegen vereist. Dit in verband met het verkrijgen van voldoende draagkracht en het voorkomen van vorstschade, rekening houdende met een gemiddelde verkeersbelasting. Een ontwateringsdiepte van 0,70 meter ter plaatse van wegen is een geringere eis dan gesteld in de waterparagraaf; een ontwateringsdiepte van 0,70 meter is echter voldoende voor parkeerplaatsen en tertiaire wegenstelsels. • bij bouwen met kruipruimte dient deze een droge bodem te hebben.

Dit houdt in dat het grondwater niet hoger mag stijgen dan tot 1,00 meter onder het vloerpeil van de bebouwing, uitgaande van: o een vloerdikte 0,20 à 0,30 meter (inclusief vloerisolatie); o een vrije ruimte onder de vloer minimaal 0,50 meter (bij voorkeur echter 0,60 meter in verband met een betere toegankelijkheid van de kruipruimte); o een hoogste grondwaterstand beneden bodem van de kruipruimte 0,20 meter (conform eisen bouwbesluit); • bij bouwen zonder kruipruimte dient een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 meter te worden aangehouden, onder voorwaarde dat de vloer volledig vochtdicht wordt afgewerkt. • voor tuinen, parken en groenvoorzieningen dient een minimale ontwateringsdiepte van 0,50 meter te worden aangehouden. Noot: Voor toekomstbomen bedraagt de minimaal gewenste ontwateringsdiepte overigens 0,80 meter.

Pagina 48

In het algemeen wordt bij het beoordelen van de ontwateringssituatie in de stedelijke omgeving uitgegaan van een gemiddelde maatgevende afvoer van 5 mm/dag. Uitgangspunt is dat een aanzienlijk deel van de neerslag via regenwaterstelsels wordt afgevoerd. Neerslag op onverharde gedeelten zal in de bodem infiltreren. Omdat er ter hoogte van Westergouwe sprake is van een permanente kwelsituatie van ongeveer 1 mm/dag (iets lager na realisatie), wordt aanbevolen om uit te gaan van een maatgevende afvoer van 6 mm/dag. Deze kwelsituatie vorm een extra belasting van het in de wijken te realiseren ontwateringsysteem. In het kader van de ontwikkeling van Westergouwe zijn de volgende algemene droogleggingsnormen vastgesteld (drooglegging ten opzichte van wegpeil): • Bolwerk, Tuinen & Grachten 1,00 meter; • Landelijk Wonen 0,80 meter; • tuinen en parken 0,60 meter.

vloerpeil +0,30 m

wegpeil 0,00 m

vrije kruipruimte 0,50 m drooglegging

ontwateringsdiepte 0,70

ontwateringsniveau: - -0,70 m maximale opbolling: 0,20 m drainniveau -0,90 m openwaterpeil -1,00 m

Figuur 7.1: schematisatie van het principe van drooglegging en ontwatering voor de situatie Westergouwe

7.3 Beoordeling ontwateringssituatie en aanleghoogten Een drainage kan alleen dan goed functioneren als het af te voeren water vrij kan lozen op het oppervlaktewater. Indien een directe lozing niet mogelijk is, kan desgewenst gebruik worden gemaakt van een onder te bemalen pompput. Dergelijke ontwateringsystemen zijn echter relatief kwetsbaar en vragen meer beheer en onderhoud om de gewenste ontwateringssituatie te kunnen handhaven. Uitgangspunt is daarom dat de eventueel noodzakelijke drainagesystemen onder vrij verval op het oppervlaktewatersysteem kunnen afwateren, waarbij rekening gehouden moet worden met de bandbreedte van peilen in het oppervlaktewatersysteem (Bolwerk: NAP -5,50 / -5,80 meter; Tuinen & Grachten: NAP -6,0 / 6,20 meter). Dit betekent dat de drainagesystemen op een niveau dat 0,10 meter boven het maximale peil moet afwateren. Wanneer deze droogleggingsnormen naast de bovenstaande ontwateringcriteria worden gelegd, blijkt dat de bepalende ontwateringeisen gelijk zijn aan of groter zijn dan de droogleggingsnorm. Het is dan niet mogelijk om (onder alle omstandigheden) het vereiste grondwaterniveau te realiseren. Een aandachtspunt is dat het bij een drooglegging van 1,00 meter de ontwateringsdiepte door drainageweerstanden kleiner is. Een ontwateringsdiepte van 0,70 meter is in principe voldoende om de draagkracht van de wegen te waarborgen.

Ter plaatse van de woningen dient minimaal een ontwateringsdiepte van 1,0 meter, gemeten ten opzichte van het vloerpeil, te worden gerealiseerd. Bij een vloerpeil dat 1,3 meter boven het streefpeil ligt, bedraagt de maximaal toelaatbare opbolling tussen de ontwateringsmiddelen nog slechts 0,30 meter. Consequentie is dat voor handhaving van droge kruipruimten, dan wel ter voorkoming van vochtproblemen in de woningen, een goed werkend drainagesysteem

Pagina 49

noodzakelijk is. Vanwege de relatief geringe (veiligheids)marge, zeker op en wat grotere afstand van het lozingspunt, is het onder gegeven omstandigheden te realiseren systeem vrij kwetsbaar. Omdat de opbolling toeneemt naarmate de afstand tot de ontwateringsmiddelen groter wordt, wordt geadviseerd te kiezen voor een getrapt aanlegniveau; een vanaf de waterlopen geleidelijk oplopend bouw en wegpeil. In een zone tot 50 meter van de waterlopen kunnen de beoogde aanleghoogten worden aangehouden (zie paragraaf 7.1). Geadviseerd wordt om de aanleghoogten op een afstand van 50 tot 100 meter vanaf de waterlopen met 0,10 meter te verhogen en vervolgens per 50 meter het aanlegniveau steeds met 0,10 meter te verhogen. Deze getrapte niveaus worden zijn relevant in de deelgebieden van “Tuinen”. Elders hebben de gebieden een fijnmazigheid van watergangen, dat met de voorgestelde maaiveldniveaus kan worden volstaan. Bolwerk Het toekomstige wegpeil in Bolwerk ligt op NAP -4,50 meter (1,5 meter hoger dan het huidige maaiveld). Omdat er rond het Bolwerk voldoende water aanwezig is, is het niet noodzakelijk om een getrapt aanlegniveau aan te houden. Als de woongebieden integraal worden onderkelderd is de noodzaak voor ontwatering niet aanwezig. Wel dient onderzocht te worden of het risico van opdrijven van kelders aanwezig is.

Indien de wooneilanden door middel van ophogingen worden gerealiseerd, dan hangt de maximale drainafstand af van de doorlatendheid van het ophoogmateriaal en de kwelintensiteit vanuit de ondergrond (nog nader te bepalen). In het geval van zandophoging is een afdoende ontwatering mogelijk bij een maximale afstand tussen de ontwateringsmiddelen van circa 50 meter (uitgaande van een bruto zandophoging van circa 3 meter). Er wordt in dat geval een ontwateringsdiepte van 0,70 meter voor de woonstraten gerealiseerd. Indien de afstand tot de rondom geplande wateroppervlakken groter is dan circa 50 meter, zijn aanvullende voorzieningen noodzakelijk om ter plaatse van de wegen en de woningbouwcomplexen aan de ontwateringscriteria te voldoen. Tuinen & Grachten Uitgaande van een minimaal aanlegniveau (wegpeil) van NAP -5,00 meter zal een integrale ophoging met goed doorlatend zand noodzakelijk zijn. Ter realisatie van een meer betrouwbare ontwatering in Tuinen (de slootafstand bedraagt hier circa 450 meter) dient bij voorkeur een getrapt aanlegniveau te worden aangehouden, waarbij het maaiveld per circa 50 meter met 0,10 meter oploopt van NAP -5,00 meter tot NAP -4,65 meter. In figuur 7.2 is schematisch aangegeven welke maaiveldniveaus in Tuinen dienen te worden aangehouden om voldoende ontwatering te kunnen genereren.

Gegeven de terreinomstandigheden zijn in Tuinen & Grachten naast het oppervlaktewaterstelsel aanvullende drainagevoorzieningen noodzakelijk om aan de gestelde ontwateringsnormen te kunnen voldoen. Bij een bruto ophoging van circa 2 meter, toepassing van goed doorlatend zand en uitgaande van een ontwateringsdiepte van 0,70 meter bedraagt de maximaal te hanteren drainafstand ongeveer 35 meter. De aanleg van infiltrerende systemen maakt het nóg meer noodzakelijk om voldoende ontwateringsdiepte te creëren; bij grote drainafstanden gaat dit steeds moeilijker en zul je dus met het maaiveld omhoog moeten. Door de gemeente Gouda zal gekeken worden naar de mogelijkheden om meer drooglegging te creëren door het maaiveld te laten oplopen waardoor je meer opbolling van het grondwater kunt toelaten. Tevens kan kruipruimteloos worden gebouwd waardoor een geringere ontwateringsdiepte geen problemen oplevert. Infiltratie van regenwater in gebieden waar de ontwateringsdiepte niet bijzonder groot is, verlangt een zorgvuldige beheersing van het grondwater ter plaatse. Om elk risico van grondwateroverlast te voorkomen, adviseren wij om dergelijke voorzieningen altijd te combineren met gesloten drainage. Afvoer via het ondiepe zandpakket kan namelijk tot (tijdelijke) stagnaties leiden, met uitstraling naar de omgeving.

De drainage van de infiltratievoorzieningen kan overigens goed worden gecombineerd met die van de

Pagina 50

wegenstructuur. Infiltratievoorzieningen in groenstroken direct langs het openwater hoeven niet van aanvullende drainage te worden voorzien (detailuitwerking).

Figuur 7.2:

Advies aanleghoogten Tuinen

Landelijk Wonen Het toekomstige wegpeil in ‘Landelijk Wonen’ is vastgesteld op NAP -5,50 meter. In dit gebied wordt dan een drooglegging verkregen van 0,80 meter. De kans is aanwezig dat plaatselijk niet wordt voldaan aan een ontwateringscriteria van 0,70 meter. Dit zal vooral in het gedeelte langs Tuinen & Grachten gelden. In het overgangsgebied naar GBZ zorgt een fijnmazig netwerk van sloten ervoor dat de opbolling van het grondwater gering zal zijn. Voor de gebiedsdelen waar de fijnmazigheid ontbreekt wordt geadviseerd om het wegpeil circa 0,1 meter hoger aan te leggen en een drainage in het wegcunet aan te brengen. Bij een vloerpeil van NAP -4,70 meter en een maatgevend grondwaterniveau van NAP -5,70 meter bedraagt de maximaal aan te houden opbolling 0,20 meter. Enigszins afhankelijk van het planontwerp zal naar verwachting ook een vrij intensief ontwateringstelsel ter plaatse van de woningen noodzakelijk zijn om een grondwaterniveau van NAP -5,70 meter of lager te kunnen handhaven. Noot: Een kritische kantekening kan worden geplaatst bij het voorgeschreven verschil tussen wegpeil en vloerpeil. Dit verschil bedraagt namelijk 1 meter en kan strijdig zijn met het Bouwbesluit. Alleen bij grote voortuinen kan dit hoogteverschil worden opgevangen.

Naar verwachting zijn de voortuinen dermate kort dat dit hoogteverschil niet binnen de gestelde normen (<5% helling) kan worden overbrugd. Door het maaiveld op NAP -5,40 meter af te werken bedraagt het te overbruggen hoogteverschil nog 0,70 meter. Ook dit hoogteverschil zal veelal nog te groot zijn om binnen de gestelde normen te kunnen overbruggen.

Pagina 51

7.4 Ontwerpaspecten drainage In verband met beheer en onderhoud van de aan te leggen systemen dienen de hoofdleidingen in openbare terreinen te worden aangebracht. Indien de afstand tussen de wegen groter is dan de maximaal aan te houden drainafstanden, zal ook een drainage in de achterpaden of eventueel ter plaatse van de woningen nodig zijn. Aanbevolen wordt om het drainageplan per te ontwikkelen deelplan, afgestemd op de locale situatie, vorm te geven en te dimensioneren. Van belang geachte ontwerpcriteria en aandachtpunten zijn: • De hoofdleidingen (primaire stelsel) dienen te bestaan uit een φ125 mm PE- of PVCribbeldrain. Indien het afwaterend oppervlak groter is dan 1,5 hectare wordt een φ160 mm drainageleiding aanbevolen. Voor de secundaire drainageleidingen wordt ook uitgegaan van φ125 mm ribbeldrain. De drains moeten zijn voorzien van een polypropyleen-450 (O90 = 450 µm) vooromhulling; • Uitgangspunt is dat de drains volledig in de te realiseren zandophogingen komen te liggen.

Om echter de kans op verstopping en vervuiling van de drains te minimaliseren, verdient het aanbeveling om rond de drains filtergrind aan te brengen; • Zoveel mogelijk streven naar een rechtstreeks op het oppervlaktewater lozend drainagesysteem; • Voor een optimale werking verdient het aanbeveling de drainageleidingen zo kort mogelijk te houden (< 200 meter) en op zoveel mogelijk plaatsen voorzieningen voor afwatering op het open water aan te brengen. Dit ter beperking van de hydraulische weerstand van het systeem; • Op aansluitpunten en in bochten inspectieputten met doorspuitvoorzieningen plaatsen en tevens minimaal om de 100 meter een inspectieput plaatsen; • De definitieve drainagesystemen aanleggen nadat de grootste zettingen zijn opgetreden en dus wordt voldaan aan de vastgestelde restzettingsnorm; • Bij een volledige zandophoging behoort ook een verdiepte aanleg van het drainagesysteem tot de mogelijkheden. Hierdoor zullen de drains onder water komen te liggen, met als voordeel dat er minder kans is op ijzerafzetting en wortelingroei in de drains. De afwatering zal dan via putten met een uitstroomopening op een niveau dat 0,10 meter boven het streefpeil plaatsvinden (vrije afwatering); • De drainagediepte dient vooraf te worden afgestemd met het rioleringsplan. Alle drainage buiten de uitgeefbare terreinen dient door de gemeente Gouda te worden onderhouden.

In een beheersplan dient te worden vastgelegd hoe dit onderhoud wordt vormgegeven. 7.5 Kwaliteitaspecten ophoging Gegeven de te realiseren ophogingen en de noodzaak voor aanleg van een aanvullend ontwateringssysteem, wordt geconcludeerd dat de opgegeven ontwateringscriteria alleen te realiseren zijn als de gehele ophoging zal bestaan uit materiaal met een doorlatendheid van minimaal 5 m/dag. Zand met een doorlaatfactor van 5 m/dag zal minimaal moeten voldoen aan de volgende criteria: M50-cijfer > 170 µm, leemgehalte < 5%, lutumgehalte < 1%, organischestofgehalte < 1 %. Dit zand voldoet ook aan de eisen voor het zand dat in de onderbouw van de wegen kan worden toegepast. Ter plaatse van de tuinen en groenvoorzieningen zal, nadat de bouwactiviteiten rond de woningen zijn afgerond, een grondverbetering moeten plaatsvinden. Bij voorkeur wordt ter plaatse van tuinen een teelaardelaag op de zandophoging aangebracht. .

Pagina 52

Literatuur

1. Randvoorwaardennotitie Westergouwe. Voormalig Hoogheemraadschap van Schieland. 2 augustus 2002;

2. Wonen in Westergouwe. Structuurvisie Bodem, Water en Natuur. Grontmij februari 2004; 3. De waterstaatkundige inpasbaarheid van een woonwijk in Westergouwe. Bevindingen van de Werkgroep Wateropgave Westergouwe. september 2004;

4. Watersysteem Westergouwe. Afweging varianten op waterkwantiteit en waterkwaliteit. Nelen & Schuurmans, oktober 2005;

5. Westergouwe Masterplan. Geotechnische en uitvoeringsaspecten bij bouwrijpmaken. Gemeentewerken Rotterdam, januari 2004;

6. Westergouwe; de Tochten. Oriëntatie bouwrijpmaken van watergangen. Gemeentewerken Rotterdam, mei 2004; 7. Effect van de inrichting van Westergouwe op het overstromingsverloop. WL \ Delft Hydraulics, oktober 2005; 8. Waterstad Westergouwe, Masterplan. Bosch en Slabbers i.s.m. Kraaijvanger●Urbis. maart 2005; 9. Proefverkaveling nr. V; Bosch en Slabbers i.s.m. Kraaijvanger●Urbis. maart 2007.

Pagina 53

99078344 - AWit/DH, revisie 8

Bijlage 1

Globale uitwerking proefverkaveling V (maart 2007)

Pagina 55

Pagina 56

Bijlage 1 Globale uitwerking proefverkaveling V (maart 2007)

Bijlage 2

Waterparagraaf Westergouwe (23 december 2005)

memo aan onderwerp

van dienst/afdeling sector telefoon datum

Coördinatiegroep Westergouwe Resultaten uitwerking watersysteem Westergouwe Jaap van Bezooijen Ruimtelijke plannen SW 06 29086712 23 december 2005

definitief

Inleiding In de afgelopen periode hebben de werkgroep Water en Ecologie en de werkgroep Veiligheid en Keringen gewerkt aan de nadere uitwerking van het watersysteem bij Waterstad Westergouwe. De resultaten van de werkgroepen zijn al grotendeels informeel of in concept gepresenteerd aan de coördinatiegroep. In deze memo wordt het eindvoorstel gepresenteerd aan de coördinatiegroep, met het verzoek dit vast te stellen. Dit voorstel behelst een tussenresultaat, welke dient als input voor het globale bestemmingsplan Westergouwe. De inhoudelijke paragrafen worden letterlijk overgenomen in het bestemmingsplan en vormen daarmee de zogenaamde waterparagraaf. Dit bestemmingsplan behelst het plangebied, waarin zowel de woonwijk als de Groenblauwe-zone is opgenomen. In de volgende fase dient Gouda een waterhuishoudingsplan voor dit gebied op te stellen, waarin de in deze memo voorgestelde afspraken nader worden uitgewerkt. Bij dit proces worden in principe alle partijen weer betrokken. De wijze en mate van betrokkenheid van de partijen bij dit proces wordt in de coördinatiegroep bepaald en vastgelegd. In deze memo worden in de twee volgende paragrafen het huidige watersysteem en het nieuwe watersysteem kort beschreven.

Hierna worden voor de volgende aspecten de kenmerken, de onderbouwing en de verdere afspraken doorgenomen: • waterkwantiteit; • waterkwaliteit; • grondwater/ontwatering/veiligheid bij overstroming; • grondverbetering; • keringen; • beheer. Hierna worden de afspraken, zoals voorgesteld in deze memo, naast de randvoorwaarden gelegd, zoals deze gesteld zijn door het ministerie van VROM. Bij het opstellen van deze afspraken zijn tevens de eerder door Hoogheemraadschap opgestelde randvoorwaardennotitie en het Waterplan Gouda als leidraad gehanteerd. De laatste paragraaf bevat een opsomming van de volledige inhoud van het dossier.

Huidige situatie watersysteem

Het plangebied Westergouwe ligt in het peilvak F003, welke weer onderdeel is van de grotere Zuidplaspolder. Dit peilvak heeft een zomerpeil van NAP –6,30 m en een winterpeil van NAP –6,50 m en watert via het peilvak F006 af, via het gemaal Abraham Kroes, op de Hollandse IJssel. Met een gemiddelde hoogteligging van het maaiveld van NAP –6,00 m heeft dit peilvak een drooglegging van circa 30 centimeter. De huidige functie is voornamelijk agrarisch. Het peilvak F003 doet incidenteel ook dienst als doorvoer en berging van overtollig water uit peilvak F005, ten noorden van het spoor. Bij een groot aanbod van water wordt handmatig een stuwschot getrokken en vindt er afvoer plaats via de Vijfde Tocht (peilvak F003) naar peilgebied F006. Dit komt tot circa vijf keer per jaar voor. Als gevolg van de lage ligging van het gebied ten opzichte van de omgeving, speelt grondwater een grote rol. Het relatief hoge gebied van de Krimpernerwaard met polderpeilen van circa NAP – 2,40 m, de peilen in de Gouwe (NAP - 0,60 m), de Hollandse IJssel (getijdengebied NAP +1,50 / - 0,30 m) en de Ringvaart van de Zuidplaspolder (NAP - 2,15 m) hebben tot gevolg dat in dit deel van de Zuidplaspolder een permanente kwelsituatie aanwezig is, met voeding vanuit de genoemde systemen.

De kwel zorgt voor een constante aanvoer van hoofdzakelijk zoet, voedselrijk water, waardoor het systeem, samen met het huidige agrarische gebruik en de aanwezige veenbodems in de meeste sloten, nutriëntrijk is. Plaatselijk komen door de combinatie van (ook licht-brakke) kwel en bodemprocessen mesotrofe omstandigheden voor, die resulteren in bijzondere waterplanten en macrofaunasoorten. Voornamelijk de MTR-normen ten aanzien van fosfaat en stikstof worden niet gehaald.

Algemene beschrijving nieuw watersysteem De woonwijk wordt waterstaatkundig verdeeld in drie delen. Per deel is hieronder aangegeven welk waterpeil, welk straatpeil en welk vloerpeil wordt aangehouden. De onderbouwing van de keuzes voor deze peilen vanuit de aspecten wateroverlast en veiligheid tegen overstroming is in de volgende paragrafen opgenomen. Voor de verduidelijking van de begrippen waterpeil, straatpeil en vloerpeil is hieronder een schematische doorsnede opgenomen. Voor de drooglegging wordt bij de nieuwe woonwijk de afstand tussen

vloerpeil straatpeil

drooglegging

waterpeil

3

het waterpeil en het straatpeil bedoeld . Het deelgebied Bolwerk wordt, samen met de naastliggende waterplas, ondergebracht in een apart peilvak waarin het waterpeil (ten opzichte van het huidige zomerpeil) wordt opgezet met 80 cm tot NAP –5,50 m. Het straatpeil ligt dan, met een drooglegging van 1 meter, op NAP –4,50 meter en het vloerpeil op NAP –4,20 meter. De deelgebieden Tuinen & Grachten worden ook in een nieuw peilvak ondergebracht maar het 3

Bij agrarisch gebruik wordt het maaiveld gehanteerd als peil, aangezien dit maaiveld de functie heeft die beschermd dient te worden. Bij een woonwijk wordt dit peil vastgelegd op het straatpeil, aangezien dit de beschermde functie heeft.

waterpeil wordt hier met 30 centimeter opgezet tot NAP –6,00 meter. Het straatpeil komt dan uit op NAP – 5,00 meter en het vloerpeil op NAP –4,70 meter. Het deelgebied Landelijk wonen en de Groenblauwe zone (GBZ) blijven onderdeel uitmaken van het huidige peilvak F003 en het waterpeil hier blijft dus ongewijzigd. Wel wordt in de waterrijke Landelijk wonen gekozen voor een geringere drooglegging van 60 centimeter, waarmee het straatpeil op NAP –5,70 meter komt te liggen. Het vloerpeil ligt hier op NAP –4,70 meter. Hieronder is e.e.a. nogmaals samengevat. In de bijlage is dit ook schematisch per deelgebied aangegeven. peilvak

Bolwerk [1]

waterpeil NAP –5,50 m straatpeil NAP –4,50 m vloerpeil NAP –4,20 m

Tuinen en Grachten [2] NAP –6,00 m NAP –5,00 m NAP –4,70 m

Landelijke wonen en Groenblauwe zone [3] NAP –6,30 m / -6,50 m NAP –5,50 m NAP –4,70 m

N.B. 1 een onderbouwing van de peilen is opgenomen in de volgende paragrafen N.B. 2 in het deelgebied Landelijk wonen is er vanwege de eis m.b.t. veiligheid tegen overstromingen een verschil van circa 1 meter tussen het straatpeil en het vloerpeil. Hiermee dient in de stedenbouwkundige en de bouwkundige uitwerking rekening mee te worden gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=53a0c71c-0839-4c50-a7d5-b9eadcac69db