Verordening fysieke leefomgeving Gouda- geldend.pdf
Tekst van het document
Na ampel beraad is besloten over de naamgeving van dit soort openbare buitenruimten geen regels op te nemen in de verordening. Er bestaat voor de gemeente immers geen enkele aanleiding of noodzaak tot het herbenoemen van deze rivieren en wateren. Het behoeft bovendien geen nadere uitleg dat het tot onoverzichtelijke situaties leidt als bijvoorbeeld een rivier per woonplaats een andere naam krijgt toebedeeld. Het toekennen van nummeringen aan een object of plaats dient te worden gekoppeld aan de naam van de openbare ruimte naast voornoemde rivieren en wateren. Als zich de bijzondere situatie al mocht voordoen om een naam van een rivier of water van internationale betekenis te wijzigen, dan kan dat niet eerder plaatsvinden dan na gehouden overleg met het bestuursorgaan die dat aangaat. Het derde lid bepaalt, dat onder de termen bepalen, vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en twee lid, tevens het wijzigingen of intrekken daarvan omvat. Deze passage is opgenomen, omdat hierover in het verleden problemen zijn gerezen. Artikel 2.15 Vaststellen van lig- en standplaatsen, afbakenen van panden en verblijfsobjecten en toekennen van nummers Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering adressen Gouda 2012.
De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Het eerste en tweede lid regelen het vaststellen van standplaatsen en ligplaatsen en het toekennen van nummers aan verblijfsobjecten, ligplaatsen, standplaatsen en afgebakende terreinen. Hier is niet voor de term huisnummer gekozen, omdat bij afgebakende terreinen, lig- en standplaatsen niet kan worden gesproken van huis. Vandaar dat de term nummeraanduiding wordt gebruikt. Een burger kan overigens een aanvraag voor een nummeraanduiding bij burgemeester en wethouders indienen. Deze aanvraag zal in de regel zijn aan te merken als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op de afwikkeling van de aanvraag zijn de hoofdstuk 3 en 4 van de Awb van toepassing (zie hierover ook de algemene toelichting). De strekking van het derde lid spreekt voor zich en behoeft geen verdere toelichting. Het vierde lid regelt, dat het eerste tot en met het derde lid ook kan worden toegepast op andere betreedbare en afsluitbare objecten zoals bijvoorbeeld afgebakende terreinen - als het college dat nodig oordeelt.
Het vijfde lid bepaalt dat onder de termen vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en twee lid, tevens het wijzigingen of intrekken daarvan omvat. Deze passage is opgenomen, omdat hierover in het verleden problemen zijn gerezen. Artikel 2.16 Aangewezen ligplaatsen op de ligplaatskaart Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van de Vaartuigenverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is het artikel niet aangepast. Artikel 2.17 Bebouwde kom Volgens artikel 4.1 onder a Wet natuurbescherming dient de raad de bebouwde kom vast te stellen. Een dergelijke bepaling ontbrak alleen in de Bomenverordening. In de jaren zestig is wel een bebouwde kom, op basis van de Bomenwet, vastgesteld door de raad. Doormiddel van deze bepaling wordt deze kaart geactualiseerd. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
57/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Algemeen In dit hoofdstuk zijn de regels gebundeld uit de verschillende verordeningen die gaan over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Artikel 3.1 Oogmerken Dit is een nieuw artikel waarin de oogmerken van deze afdeling ter introductie worden benoemd. Oogmerken komen namelijk ook regelmatig terug in de Omgevingswet. In de Erfgoedverordening waren deze oogmerken opgenomen als beoordelingsgronden voor de verlening van de omgevingsvergunning. De Erfgoedverordening en nu deze afdeling ziet daarmee dus ook op de bescherming van deze belangen. Artikel 3.2 Toepassingsbereik Dit is een nieuw artikel waarin wordt aangegeven wat het toepassingsbereik is van dit artikel. Het derde lid is afkomstig uit artikel 2.7 (vierde lid) van de Erfgoedverordening. Het eerste lid onder b en het tweede lid zijn gebaseerd op artikel 2.3 en 3.4 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO.
Oorspronkelijke toelichting Eerste lid onder b en tweede lid Gedoeld wordt op monumenten waarvan de bescherming ‘gepland is’ danwel ‘verwacht wordt’ en waarvoor dus in principe geen spoedprocedure noodzakelijk is. Dit is landelijk te doen gebruikelijk. Hiermee kan worden voorkomen dat tijdens de aanwijzingsprocedure nog belangrijke waardevolle zaken verdwijnen. Bouw- en woningtoezicht heeft hiermee een juridisch handvat om in te grijpen. Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). Artikel 3.3 Toepassingsbereik archeologische waarden Dit is een nieuw artikel dat het toepassingsbereik van deze afdeling regelt voor archeologische waarden. Dit is gedaan om beter aan te sluiten op de VFLO en de Omgevingswet. Artikel 3.4 Instandhoudingsplicht Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.9 en 3.11 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren.
Oorspronkelijke toelichting Dit artikel voor gemeentelijke monumenten is, naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Hiermee wordt deze aanpassing in de Erfgoedwet 2016 ook van kracht voor gemeentelijke monumenten. De toetsing en uitvoering van plannen vindt plaats op basis en in de geest van de ‘Handreiking Instandhoudingsplicht rijksmonumenten’. Artikel 3.5 Omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.10 en 3.12 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De voorschriften op basis het derde lid kunnen mede inhouden een vrijstelling van de vergunningsplicht, bedoeld in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Het vierde lid is toegevoegd om duidelijk te maken dat de verbodsbepaling alleen van toepassing is op de gevel van een beeldbepalend pand. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
58/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Oorspronkelijke toelichting Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo. Met in achtneming van het bepaalde in deze verordening, kan de monumentenadviseur van de Omgevingsdienst de RCE-brochure ‘Vergunningvrij, informatie voor professionals’ in algemene zin als leidraad gebruiken bij de beoordeling van de Wabo-activiteiten in, aan, op of bij monumenten en in beschermde gezichten. Het servicemoment, zoals bedoeld in artikel 3.9 is een geschikt moment om voorgenomen activiteiten bij de Omgevingsdienst te toetsen of ze vergunning vrij zijn. Artikel 3.6 Beoordelingsregels Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.13 en 3.15 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. Verder is de formulering aangepast naar een “ja, mits” formulering, maar de regel is hiermee inhoudelijk niet gewijzigd. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Aangezien het hier ging om gunningscriteria is de titel conform de Omgevingswet hernoemd als beoordelingsregels. Oorspronkelijke toelichting In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten, dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument.
In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 3.7 Advies omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.14 en 3.16 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. Het vierde lid van artikel 2.14 en 3.16 van de Erfgoedverordening is verwijderd aangezien dit een herhaling is van het eerste lid van artikel 3.6 van de VFLO. Oorspronkelijke toelichting In het eerste en tweede lid wordt gesproken over “geheel of gedeeltelijk afbreken”. Met “gedeeltelijk afbreken” wordt nadrukkelijk niet gedoeld op ondergeschikte en/of niet beschermenswaardige onderdelen van een monument, maar op sloopplannen die het monument substantieel aantasten en waarbij de beschermenswaardigheid van het monument in het geding komt. In dit geval vraagt het bevoegd gezag (ook) advies aan de Commissie Cultuurhistorie. Artikel 3.8 Intrekken van de omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.12 en 3.14 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren, ten behoeve van de leesbaarheid zijn ze samengevoegd.
De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Artikel 3.9 Servicemoment monumentenadviseur Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.11 en 3.13 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. Verder zijn deze artikelen niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Op basis van de vermindering van regeldruk heeft het Rijk vergunningvrije activiteiten vastgesteld voor rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dat betekent dat bepaalde activiteiten waaruit een project kan bestaan vergunningvrij zijn geworden. Het ligt in de rede om de regelgeving voor gemeentelijke monumenten op dit punt gelijk te trekken met die voor Rijksmonumenten, door bepaalde activiteiten met inachtneming van hetgeen daarover in de Wabo c.q. het BOR is geregeld vergunningvrij te verklaren. Om onnodige handhavingsacties achteraf te voorkomen, is ervoor gekozen om in dit artikel een zekere vorm van service, zij het op volstrekt facultatieve basis, te introduceren over de wijze waarop de activiteiten kunnen worden uitgevoerd.
De service bestaat uit het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de Omgevingsdienst aanwezig is alsook het adviseren van de eigenaar of de architect over de beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële aanpak. In goed overleg tussen de monumentenadviseur van de Omgevingsdienst en de eigenaar van het monument wordt aan het servicemoment vorm gegeven. Artikel 3.10 Omgevingsvergunning en aanvraag omgevingsvergunning
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
59/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.3 van de Erfgoedverordening. Verder is verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Oorspronkelijke toelichting In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de mogelijkheid (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) om op basis van deze verordening het slopen in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Artikel 3.11 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.4 van de Erfgoedverordening. Dit artikel is overgenomen en vernummerd maar verder niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting In het eerste en tweede lid wordt gesproken over “afbreken van een bouwwerk”. Hiermee wordt gedoeld op bouwwerken waarvan de sloopplannen de karakteristiek van het stads- of dorpsgezicht substantieel aantasten. In dit geval vraagt het bevoegd gezag (ook) advies aan de Commissie Cultuurhistorie. Artikel 3.12 Instandhoudingsplicht archeologische waarden en verwachtingen Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.2 van de Erfgoedverordening.
De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Oorspronkelijke toelichting Eerste lid Op de archeologische beleidskaart (B) is aangegeven in welke gebieden archeologische waarden zijn te verwachten. In de gebieden waar archeologische waarden zijn aangetoond en waar (zeer) sterke aanwijzingen voor archeologische waarden zijn (respectievelijk hoogwaardige locaties en locaties met een hoge verwachting), mogen bodemverstorende werkzaamheden pas worden uitgevoerd als hiervoor een omgevingsvergunning (activiteit archeologie) is verleend. Betreft het een gemeentelijk archeologisch monument, dan is geen omgevingsvergunning (activiteit archeologie) nodig. In dat geval is reeds op grond van artikel 3.5 van deze verordening een reguliere omgevingsvergunning (activiteit monument) vereist. Voor gebieden waar aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn, maar waarvan de aanwezigheid nog niet is aangetoond, geldt een lichtere bescherming. Diepere graafwerkzaamheden mogen daar slechts plaatsvinden na archeologisch bureauonderzoek. De resultaten van dit onderzoek kunnen aanleiding vormen een inventariserend veldonderzoek te verlangen en/of de locatie aan te merken als een locatie met een hoge verwachting of een hoogwaardige locatie.
In het laatste geval wordt artikel 3.12 van toepassing, hetgeen inhoudt dat diepere graafwerkzaamheden slechts mogen worden uitgevoerd na het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit archeologie). In voorkomende gevallen kan het bevoegd gezag op basis van voortschrijdend inzicht afwijken van bovenstaande voorwaarden en geen of minder archeologisch onderzoek vereisen. Onder de in lid 3 genoemde archeologische begeleiding wordt in de praktijk verstaan dat periodiek baggerdepots op vondsten worden nagelopen. Hieronder valt ook dat wordt zeker gesteld dat bijzondere vondsten die op andere wijze tijdens het baggeren worden gedaan (bagger passeert bijvoorbeeld op baggerschepen vaak een grove zeef) worden geborgen. Artikel 3.13 De aanvraag Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.3 van de Erfgoedverordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Oorspronkelijke toelichting In dit artikel is vastgelegd hoe een omgevingsvergunning (activiteit archeologie) moet worden aangevraagd en welke gegevens moeten worden overgelegd. Afhankelijk van het type aanvraag kunnen burgemeester en wethouders nadere gegevens eisen. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
60/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Artikel 3.14 Beslissing op de aanvraag Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.4 van de Erfgoedverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen op verschillende zaken betrekking hebben, zoals het melden van de start van de werkzaamheden, het verrichten van archeologisch onderzoek of het doen van een opgraving. De in het tweede lid bedoelde archeologische waarden, zijn sporen uit het verleden die bijzonder gaaf, uniek, van groot wetenschappelijk belang, van landelijk belang of in ander opzicht behoudenswaardig zijn. Het gaat dus om zeer hoogwaardige sporen. Artikel 3.15 Intrekken van de omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.5 van de Erfgoedverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden ingetrokken. Intrekking van de vergunning houdt in dat op de betreffende locatie geen vergunningplichtige activiteiten meer mogen worden uitgevoerd. Artikel 3.16 Wijzigen kwalificatie van een locatie Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.6 van de Erfgoedverordening.
De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Niet altijd is vooraf goed in te schatten welke waarden aanwezig zijn. Daarom is in dit artikel het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om op grond van nieuwe gegevens die uit onderzoek voortkomen een bepaalde locatie als vergunningsplichtig gebied aan te wijzen. Artikel 3.17 Oogmerken Dit is een nieuw artikel waarin de generale oogmerken worden gegeven van deze afdeling. In lijn met de Omgevingswet en de VFLO zijn de algemene weigeringsgronden uit artikel 1:7 van de APV in dit artikel veranderd in oogmerken. Artikel 3.18 Toepassingsbereik Dit is een nieuw artikel waarin het toepassingsbereik wordt gegeven van deze afdeling. Dit artikel bepaalt voor welke activiteiten deze afdeling geldt, dit is toegevoegd om zo beter aan te sluiten op de VFLO en de Omgevingswet. Artikel 3.19 Indiening aanvraag Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:7, tweede en derde lid APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment gewacht wordt.
Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. Artikel 3.22 Beoordelingsregels Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:7 APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Aangezien het hier ging om gunningscriteria is de titel conform de Omgevingswet hernoemd als beoordelingsregels. Oorspronkelijke toelichting
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
61/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Een vergunningstelsel houdt een verbodsbepaling in om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden voorheen een artikellid of –leden met beoordelingsregels. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere beoordelingsregels golden. Dit was vaak niet het geval. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is ervoor gekozen om de algemene beoordelingsregels in Hoofdstuk 1 te plaatsen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikelleden daarmee vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere beoordelingsregels gelden dan de in artikel 1:7 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. Dienstenrichtlijn Onder het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etcetera.
Beoordelingsregels De beoordelingsregels zijn algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): -
de openbare orde;
-
de openbare veiligheid;
-
de volksgezondheid; en
-
het milieu.
Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omvat de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van de minderjarigen en kwetsbare volwassenen, alsook dierenwelzijn, omvatten. Evenzo omvat het begrip openbare veiligheid vraagstukken in verband met de staatsveiligheid. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. In dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in deze verordening geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden. Enkele voorheen gehanteerde beoordelingsregels komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord: Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast.
Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheid De veiligheid van personen en gezondheid kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
62/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen. Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. Artikel 3.21 Voorschriften en beperkingen Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:3 APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast.
Oorspronkelijke toelichting Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere sancties. In artikel 3:22 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. In de algemene strafbepaling wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 3.22 Persoonlijk karakter van een omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:4 APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt.
Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enzovoort. Persoonlijke werking zal eerder aanwezig moeten worden geacht bij de ontheffing dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene regel. Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer ‘mee overgaan’ op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden. Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd.
Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, wat het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of vergunninghouder onafhankelijk. Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden. Zo is aan de exploitatievergunning voor horecabedrijven een persoonlijk karakter toegekend. Bij het besluit tot weigeren van een dergelijke vergunning in verband met aantasting van het woonen leefklimaat zal niet zonder meer voorbij gegaan kunnen worden aan het feit dat voorheen wel vergunning aan een ander was verleend. Een ‘gemengd’ karakter heeft de ontheffing sluitingsuur.
De voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven moeten in de eerste plaats gezien worden als bepalingen https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
63/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
die ten doel hebben geluidhinder en andere overlast, die ontstaan door het ’s avonds en ’s nachts drijven van een ‘inrichting’, te voorkomen of te beperken. In zoverre kan men zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt. Aan de andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant bij de beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is en dat de ontheffingsfiguur gebruikt is. In de VFLO is in artikel 3.21 de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing vooropgesteld. Hiervan kan worden afgeweken gezien de toevoeging van de zinsnede ‘tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald’ en expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of ontheffing. Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende geldt, is het gewenst het voorschrift op te nemen dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de vergunning of ontheffing. Artikel 3.23 Intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:5 APV.
Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel kunnen de bevoegdheid tot wijziging en intrekking beperken. Artikel 3.24 Termijnen Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:6 APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 3.24 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 3.23 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien.
Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt. Dienstenrichtlijn Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldingsduur heeft tenzij: a.
de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
b.
het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; of
c.
een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.
Beargumenteerd moet dan ook worden waarom het opnemen van een bepaalde tijd in een vergunning nodig is. Tevens moet het de evenredigheidstoets doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Artikel 3.25 Omgevingsvergunning gebruik openbare plaats Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:3 en 1:8 APV. Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Dit artikel is opgesplitst aangezien de beoordelingsregels en de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels in aparte artikelen staan, zoals dit ook zo is in de rest van de VFLO. Het gedeelte van artikel 1:9 APV dat over artikel 2:3 ging is hierin opgenomen. Oorspronkelijke toelichting https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
64/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Algemeen Het begrip “openbare plaats” is omschreven in de bijlage. Onder het begrip valt de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet maar ook voor het publiek toegankelijke pleinen en openbare plaatsen. In de praktijk zal het artikel met name van toepassing zijn op het gebruik van de weg niet overeenkomstig de bestemming, onder andere op het plaatsen van driehoeks- en sandwichborden, uitstallingen, (vuil)containers, steigers, keten, kranen en dergelijke. Lex silencio positivo De vergunningplicht ziet met name op het plaatsen van driehoeksborden, sandwichborden, aankondigingsborden. Er valt niet in te zien waarom in deze gevallen van een lex silencio zou moeten worden afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt op dit artikel van toepassing verklaard. Eerste lid Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Ook het zonder vergunning afsluiten van de openbare weg, in de zin van de Wegenwet, voor het openbare verkeer kan met dit artikel worden aangepakt. Bijvoorbeeld het plaatsen van een hekwerk. Inboedels In het verleden kwam het voor dat een verhuurder bij een woningontruiming de inboedel op de weg liet plaatsen. Doordat de huurder niet in staat was de kosten voor het verwijderen te betalen was het directe gevolg dat de gemeente voor de kosten (voor het verwijderen en vernietigen) opdraaide.
Sinds enige jaren is hiertoe beleid vastgesteld. Dit houdt, kort samengevat in, dat het op de weg plaatsen van inboedels in Gouda in strijd is met artikel 3.23 APV en dat daarvoor geen vergunning wordt verleend. De verhuurder dient naast het ontruimen tevens zorg te dragen voor afvoer van de inboedel. Indien hij dat nalaat zal bestuursdwang worden toegepast en de de kosten daarvan op hem worden verhaald. Het beleid is in overeenstemming met de jurisprudentie: Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de woningstichting is gericht.
Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 (oud) van de APV. Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd. ABRS 07-11-2001, JG 02.0006, LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M. Geertsema, Gst. 2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld. Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het verbod van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M. Geertsema. Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer. Vzr. Zutphen 25-08-2004, Artikel 3.26 Beoordelingsregels Dit artikel is gebaseerd op de beoordelingsregels afkomstig uit artikel 2:3 APV.
Vergunning en ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Artikel 3.27 Maken of veranderen van een uitweg Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:4 APV. Verder is het tweede lid verwijderd aangezien de definitie van “weg” opgenomen is in de bijlage. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Beoordelingsregels zijn hier uitgehaald en opgenomen als een apart artikel. Oorspronkelijke toelichting Algemeen
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
65/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Dit artikel beoogt te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan en dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen en (zeer) schaarse parkeerruimte. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast. Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.
De aanvrager dient, naast een uitwegvergunning, ook privaatrechtelijke toestemming te krijgen van de eigenaar van de grond. Artikel 3.28 Beoordelingsregels Dit artikel is gebaseerd op de beoordelingsregels uit artikel 2:4 APV, deze zijn opgenomen in een apart artikel om beter aan te sluiten op de structuur van de VFLO. De formulering is aangepast naar een “ja, mits” formulering, maar de regel is hiermee inhoudelijk niet gewijzigd. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Artikel 3.29 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Dit artikel is gebaseerd op artikel 2:6 APV. Er zijn geen aanpassingen gemaakt aan dit artikel. Oorspronkelijke toelichting De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden.
Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 3.30 Aanwijzing collectieve festiviteiten Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:2 van de APV. De verwijzingen naar andere artikelen, binnen de verordening, zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. In artikel 2.15 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen.
Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Door het college wordt in Gouda jaarlijks een zogenaamde “12-dagen regeling” vastgesteld. Deze regeling bevat beleidsregels ten aanzien van de uitvoering van het besluit en deze verordening, onder andere stelt het college er een maximum aantal festiviteiten in vast. Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
66/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn. In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen. Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 4.113 van het Activiteitenbesluit kennen alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten. Artikel 3.31 Onversterkte muziek Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:4 APV. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Verder zijn er geen aanpassingen gemaakt aan dit artikel. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17 en 2.18 van het Activiteitenbesluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus.
Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is. De genoemde geluidsniveaus in tabel c zijn niet van toepassing op; a.
het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
b.
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;
c.
het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.
Artikel 3.32 Geluidhinder door machines e.a. tijdens de daguren Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:5 APV. Ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Uitgangspunt van dit artikel is dat geluidhinder door machines, tijdens de daguren en tijdens langere perioden, in een stedelijk gebied onvermijdelijk is. Het verbod in lid 1 richt zich dan ook niet op ‘gewone’ geluidhinder https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
67/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
maar op onevenredige geluidhinder en op geluidhinder die zo langdurig is dat de uitwerking ervan op de omgeving onevenredig wordt. Bij onevenredige geluidhinder heeft de geluidhinder zo’n grote negatieve uitwerking op de directe omgeving dat het redelijkerwijs niet langer mogelijk is om werkzaamheden in die omgeving uit te oefenen. Bijvoorbeeld zodanige geluidshinder bij een school dat een leraar in een leslokaal zich niet meer verstaanbaar kan maken. Geluidhinder die gedurende bepaalde tijd niet onevenredig is, kan dit wel worden doordat het zich gedurende een lange duur herhaald. In deze gevallen kan het college, onder het stellen van voorschriften, ontheffing verlenen. Artikel 3.33 Geluidhinder tijdens de avonduren Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:6 APV. Ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Uitgangspunt van dit artikel is dat geluidhinder tijdens de avonduren veel minder acceptabel is dan tijdens de daguren. Geluidhinder tijdens de avonduren dient dan ook beperkt te blijven en gebonden te zijn aan regels of, onder het stellen van voorschriften, een ontheffing. Op basis van het tweede lid kan het college (nadere) regels stellen.
Het is met name bedoeld voor gevallen waarin activiteiten als gevolg van onvoorziene omstandigheden uitlopen van de dag- in de avonduren. Door het stellen van nadere regels kunnen bepaalde activiteiten doorlopen in de avonduren zolang de uitvoerder zich houdt aan de gestelde regels. Sommige activiteiten kunnen, wanneer aangevangen tijdens de daguren, doorlopen tot in de avonduren. Dit kan enerzijds het gevolg zijn dat de aangevangen activiteiten, door de aard ervan, niet kunnen worden gestaakt. Het staken ervan zou leiden tot gevaarzetting of (onherstelbare) schade aan het bouwwerk. Met het stellen van nadere regels kunnen de activiteiten ook in de avonduren worden voortgezet zolang wordt voldaan aan de gestelde regels, bijvoorbeeld door het nemen van geluidsbeperkende maatregelen. Uitgangspunt van dit artikel is dat geluidhinder tijdens de nachturen nog veel minder acceptabel is dan tijdens de avonduren. Geluidhinder tijdens de nachturen dient dan ook beperkt te blijven tot echte uitzonderingsgevallen en gebonden te zijn aan een ontheffing. Met de mogelijkheid tot ontheffing kan geluidhinder in uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan bijvoorbeeld bij werkzaamheden aan de infrastructuur. Artikel 3.34 Geluidhinder tijdens de avonduren Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:7 APV. Ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.
Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Uitgangspunt van dit artikel is dat geluidhinder tijdens de nachturen nog veel minder acceptabel is dan tijdens de avonduren. Geluidhinder tijdens de nachturen dient dan ook beperkt te blijven tot echte uitzonderingsgevallen en gebonden te zijn aan een ontheffing. Met de mogelijkheid tot ontheffing kan geluidhinder in uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan bijvoorbeeld bij werkzaamheden aan de infrastructuur. Artikel 3.35 Generatorverbod Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:8 APV. Ontheffing is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden bij aanmeerplaatsen, onder andere aan het Gouwekanaal en de IJsselkade, aansluitingen voor de afname van elektriciteit gerealiseerd. Uitgangspunt is dat een schip dat is afgemeerd aan een ligplaats geen gebruik maakt van een generator indien deze ligplaats voorzien is van een mogelijkheid voor afname van walstroom. Om kenbaar te maken waar het verbod om een generator te gebruiken geldt, worden gebieden door het college als zodanig nader aangewezen.
Gebruik van walstroom voorkomt mogelijke geluidsoverlast voor de omgeving, met name in de avond– en nachturen, als gevolg van draaiende generatoren. Tevens zorgt het voor schonere lucht in de directe omgeving door verminderde uitstoot van stikstofoxide, CO2 en fijnstof. Artikel 3.36 Kennisgeving incidentele festiviteiten https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
68/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:3 APV. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Activiteitenbesluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente.
Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw). Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar.
Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113, tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag. Zevende lid In het zevende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type Aen B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Artikel 3.37 Natuurlijke behoefte doen Dit artikel is gebaseerd op 4:9 APV. Dit artikel is niet aangepast.
Oorspronkelijke toelichting Met deze bepaling kan het ‘wildplassen’ worden tegen gegaan. Hier speelt vooral het milieumotief (stankoverlast) een rol. Voor het bestrijden van de aantasting van de openbare zedelijkheid blijft artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht het aangewezen middel. Artikel 3.38 Bescherming groenvoorzieningen Dit artikel is gebaseerd op 4:11 APV. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De beoordelingsregels uit dit artikel zijn apart opgenomen in artikel 3.36. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
69/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Oorspronkelijke toelichting Met het aantasten van openbare groenvoorzieningen wordt het milieubelang geschaad. Het plukken van bloemen wordt als het aanbrengen van schade aan groenvoorzieningen aangemerkt. Daarnaast stelt dit artikel verbodsbepalingen voor het zich bevinden of rijden of parkeren van een voertuig in openbaar groen. Het college kan een vergunning verlenen. Er moet sprake zijn van door of vanwege de gemeente aangelegde groenvoorzieningen (zorg voor instandhouding gemeentelijke terrein), omdat dit artikel is bedoeld om maatregelen te kunnen nemen tegen beschadiging van openbare groenvoorzieningen op gemeentelijk terrein. Dit betreft de huishouding van de gemeente. De zinsnede ‘zonder daartoe bevoegd te zijn’ houdt in, dat de overtreder toestemming van de eigenaar van de groenvoorziening moet hebben wil hij zich straffeloos op de in het artikel omschreven wijze gedragen. Derde en vierde lid Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen. Deze bepalingen hebben tot doel beschadiging van groenstroken e.d. te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in het vierde lid vervatte verbod beperkt tot groenstroken.
De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Bewust is hier dan ook gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt. Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Als in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.