Verordening fysieke leefomgeving Gouda- geldend.pdf
Tekst van het document
-
Bebouwde kom: de bebouwde kom zoals aangegeven op de in Bijlage II bij deze verordening opgenomen kaart van 28 oktober 2020, in de zin van artikel 4.1 sub a van de Wet natuurbescherming;
-
Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerk gebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;
-
Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
-
College: het college van burgemeester en wethouders;
-
Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
-
Kunstwerken: voor de geleiding van een leiding aangebrachte infrastructuur waaronder in ieder geval wordt verstaan leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige voorzieningen ten behoeve van de geleiding van leidingen;
-
Ligplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt drijvend object;
-
Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Erfgoedwet en de Woningwet;
-
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg., alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
-
Openbare ruimte: de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke ruimte, zoals wegen, parkeerplaatsen, stoepen, pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen;
-
Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
41/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
-
Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder a en c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);
-
Rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in de verordening is voorgeschreven, alsmede de beheerder;
-
Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:
-
-
a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b.
een vaste plaats op een evenement;
Voertuigen: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) met uitzondering van: a.
kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
b.
treinen en trams;
Weg: weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;
Cultureel erfgoed (afdeling 3.2 en 2.1) -
Archeologievriendelijk bouwen: instrument voor behoud in situ/bouwwijze waarbij de schade aan het. bodemarchief tot een minimum wordt beperkt en het bodemarchief onder de nieuwbouw bewaard blijft; Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek cf. de richtlijnen van de KNA: gebiedsgericht of vindplaatsgericht onderzoek waarbij het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch bureauonderzoek en/of het Programma van Eisen is gebaseerd, wordt aangevuld en getoetst door middel van waarnemingen in het veld waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied (land, water). Dit omvat de aan of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het IVO kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuven (IVO-P) (waarbij veldwerk o.a. bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O) (waarbij het veldwerk kan bestaan uit kartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek).
-
Archeologische Opgraving- variant begeleiding (vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie): vorm van onderzoek – bij hoge uitzondering - waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld;
-
Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld;
-
Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek met als doel een gespecificeerde archeologische verwachting en formulering van een verdere onderzoeksstrategie dan wel planaanpassing met als doel fysieke bescherming (behoud in situ). Het bureauonderzoek wordt opgesteld aan de hand van de aan- of afwezigheid (de historische situatie en mogelijke verstoringen, de mogelijke bouwhistorische waarden), het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht (cf. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie);
-
Archeologisch onderzoek: hierbij wordt aangesloten bij de begripsbepalingen in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, BRL 4000. De andere begrippen zoals archeologisch bureauonderzoek, veldinventariserend onderzoek, opgraving e.d. uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, BRL 4000 maken ook onderdeel uit van de begripsbepalingen van deze verordening
-
Archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
42/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
-
Beeldbepalend pand: onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege haar verschijningsvorm in het stedenbouwkundig of architectonisch beeld;
-
Beeldbepalende stedenbouwkundige structuur: ruimtelijke structuur die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege haar verschijningsvorm in het stedenbouwkundig beeld;
-
Beschermd gemeentelijk archeologisch monument: monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
Beschermd gemeentelijk beeldbepalend pand: pand dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
Beschermd gemeentelijk beeldbepalende structuur: (stedenbouwkundige) structuur die is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
Beschermd gemeentelijk monument: monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
Beschermd rijksmonument: rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen;
-
bouwhistorisch onderzoek: onderzoek naar de bouw, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van gebouwen, complexen van gebouwen of gebieden in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm, de constructies, de gebruikte materialen en de afwerking. Het onderzoek brengt in kaart hoe de oorspronkelijke situatie was, welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht, en het beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen. De drie vormen van bouwhistorisch onderzoek zijn beschreven in de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’;
-
Commissie cultuurhistorie: de door het college ingestelde commissie of aangewezen instantie, met als taak te adviseren over bescherming van monumenten en andere erfgoedbeleidszaken, zoals beschreven in het "Reglement Commissie Cultuurhistorie". Deze commissie voorziet in deskundigheid op de gebieden van de monumentenzorg, archeologie, historische stedenbouw en ~geografie;
-
Cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
Cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
-
Cultuurhistorisch onderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid, aard, betekenis en waarde van:
-
a.
in de bodem – op land en onder water - bewaarde sporen en resten van menselijke bewoning vanaf het eerste begin van de menselijke bewoning,
b.
historische gebouwen, erven, tuinen, parken en stedenbouwkundige structuren en
c.
landschappelijke elementen, gebieden en ruimtelijke patronen waarin de historische wisselwerking tussen mens en maatschappij enerzijds en de fysieke omgeving anderzijds tot uitdrukking komt: het historische landschap;
Depot voor bodemvondsten/Gouwedepot Bewaarplaats van archeologische vondsten en bijbehorende documentatie uit opgravingen zoals bedoeld in de artikelen 5.7 t/m 5.9 van de Erfgoedwet. De gemeente Gouda beschikt op verzoek sinds 2010 over een door Gedeputeerde Staten aangewezen depot;
-
Ensemble: groep zaken bestaande uit een of meer monumenten die al dan niet in combinatie met cultuurgoederen gezamenlijk deel uitmaken van het cultureel erfgoed vanwege hun onderlinge samenhang;
-
Gemeentelijk erfgoedregister: een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
43/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
-
Gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht: stads- en dorpsgezicht dat is aangewezen als bedoeld in artikel 2.11 van deze verordening;
-
Hoogwaardige locaties: de door het college als zodanig aangegeven locaties, waar archeologische waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond;
-
Hoogwaardige locaties met bijzondere waarde: de door het college als zodanig aangegeven locaties, waar archeologische waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, en waar is vastgesteld dat deze restanten van exceptionele wetenschappelijke waarde zijn;
-
Hoogwaardige locaties – verstoord tot 1,5 m –mv: de door het college als zodanig aangegeven locaties, waar archeologische waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, maar de bovenste 1,5 meter beneden het maaiveld reeds is verstoord;
-
Kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
-
Locaties met een hoge verwachting: de door het college als zodanig aangegeven locaties, waar (zeer) sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn;
-
Locaties met een hoge verwachting dieper dan 2m –mv: de door het college als zodanig aangegeven locaties waar (zeer) sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn, maar deze waarden zich zeker dieper dan 2 meter beneden het maaiveld bevinden;
-
Maaiveld: aanduiding voor het grondoppervlak. De maaiveldhoogte wordt opgegeven in meters. Bijvoorbeeld: “2 m –mv” is 2 meter beneden het maaiveld;
-
Monument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de erfgoedwaarden.
-
Reconstructie: terugbrengen in de oorspronkelijke staat of in een vroegere verschijningsvorm;
-
Renovatie: vernieuwen van een gebouw met het doel het te laten voldoen aan eigentijdse eisen op het gebied van: veiligheid, functionaliteit, comfort en duurzaamheid;
-
Reparatie: herstellen met zo weinig mogelijk middelen door middel van hergebruik, beperkte vervanging, verandering en/of toevoeging;
-
Restauratie: herstelwerk aan monumenten dat het normale onderhoud te boven gaat en tot doel heeft het monument of cultuurgoed in goede staat te brengen met behoud van de erfgoedwaarden; betreft in het algemeen het onderhouden, herstellen, aanpassen of verbeteren van een monument of cultuurgoed;
-
Reversibiliteit: aanpak waarbij wijziging volledig omkeerbaar zijn of de ingreep een herkenbare toevoeging betreft, die dankzij de herkenbaarheid weer ongedaan kan worden gemaakt met behoud van de erfgoedwaarden.
-
Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht: stads- en dorpsgezicht dat is aangewezen als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;
-
Rijksmonumentenregister: register als bedoeld in de Erfgoedwet, artikel 3.3;
-
stads-of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden;
-
Tuinhistorisch onderzoek: onderzoek naar de aanleg, veranderings- en gebruiksgeschiedenis van aanleggen in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm (ontwerp), onderliggende structuren en ideeën, de gebruikte materialen en beplanting en de afwerking. Het onderzoek brengt in kaart hoe de oorspronkelijke situatie was en welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht, en het beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen. De vorm en methode van
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
44/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
tuinhistorisch onderzoek, het maken van waardestellingen en de plaats van een onderzoek in een beheer- of verandertraject zijn beschreven in de ‘Richtlijnen tuinhistorisch onderzoek’; -
Verzameling: cultuurgoederen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed vanwege hun onderlinge samenhang;
-
Werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren: alle graafwerkzaamheden, voor welk doel ook, die dieper gaan dan 0,5 meter beneden het maaiveld verstoren;
Bouwactiviteiten (afdeling 3.4) -
Gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
-
NEN: norm die door de stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;
-
Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
-
Welstandsnota: nota als bedoeld in artikel 12a van de Woningwet;
Markt (afdeling 3.5 en 2.2) -
Anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats;
-
Controleur openbare ruimte: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.
-
Dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;
-
Lijst van gegadigden: een lijst van ambulante handelaren die te kennen hebben gegeven voor een vaste standplaats in aanmerking te willen komen;
-
Markt: de door het college ingestelde warenmarkt;
-
Marktpromotiefonds: een door de Centrale vereniging van ambulante handel beheerd fonds om reclameen promotieactiviteiten ten nutte van de warenmarkt mee uit te voeren;
-
Marktstandplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;
-
Standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel;
-
Standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;
-
Vaste standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel.
Afdeling 3.6 -
Leiding: een buis bestemd voor het transport van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, of kabel, gelegen in, op of boven de grond, met uitzondering van bovengrondse hoogspanningskabels, of in kunstwerken, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen en kabelgoten;
-
Leidingenexploitant: degene onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen degene die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd;
-
Ondergrondse obstakels: bodemverontreiniging, materialen, objecten en stoffen die nadelige beïnvloeding van de staat van de aan te leggen of gelegde leiding tot gevolg hebben of kunnen hebben;
Naamgeving en nummering (afdeling 3.7 en 2.2) -
Adres: door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
45/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
-
Afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is.
-
Nummeraanduiding: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, met dien verstande dat deze bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- of cijfercombinatie
-
Pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
-
Verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is;
-
Woonplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente.
Vaartuigen (afdeling 3.8 en 2.2) -
Bedrijfsvaartuig: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor bedrijfs- of kantoorwerkzaamheden;
-
Bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning/bedrijfsvaartuig niet goed mogelijk is, zoals een bijboot, steiger en gangboorden;
-
Historisch bedrijfsvaartuig: voormalig bedrijfsvaartuig dat bewoond of onbewoond en varend volgens het bestuur Binnenhavenmuseum Turfsingel van museale waarde is;
-
Ligplaatsovereenkomst: een overeenkomst voor vaste liggers tussen de Turfsingel en de (mede) eigenaar van een historisch bedrijfsvaartuig;
-
Vaartuig: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonboten, glijboten en ponten;
-
Water: alle wateren ongeacht of deze, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
-
Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of, te oordelen naar zijn constructie of inrichting, uit sluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van één of meer personen;
Bomen (afdeling 3.9) -
Boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
-
Boomwaarde: de geldelijke waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;
-
Houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;
-
Kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon van een boom tot een hoofdstam met takstompen;
-
Kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;
-
Monumentale bomen: een houtopstand die is opgenomen op de gemeentelijke lijst van monumentale bomen. Deze lijst betreft zowel gemeentelijke als particuliere monumentale bomen;
-
Rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;
-
Vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben;
Planschadeprocedure (afdeling 4.1)
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
46/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
-
Aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;
-
Adviseur: de door het college aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening;
-
Adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van deze verordening;
-
Planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;
-
Planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;
Bijlage II – Bebouwde kom
Bijlage III – Archeologische Basiskaart https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-16167/1/bijlage/exb-201816167.pdf
Bijlage IV – tekst Archeologische Basiskaart https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-16168/1/bijlage/exb-201816168.pdf
Bijlage V - Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-16169/1/bijlage/exb-201816169.pdf
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
47/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Bijlage VI – Handreiking instandhoudingsplicht https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-16170/1/bijlage/exb-201816170.pdf
Bijlage VII – Reglement van orde op de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (versie Welstandsnota 2017, bijlage I) 1.
Organisatie Gouda kiest voor het voeren van een integraal ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Niet alleen de gebouwen, maar ook de plaatsing en ordening daarvan, de inrichting van het publiek domein en de zorg voor het cultureel erfgoed bepalen die ruimtelijke kwaliteit. Dat betekent dat niet alleen geadviseerd wordt over bouwplannen, maar ook over reclames, restauratieplannen, stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden en de inrichtingsplannen voor het openbaar gebied. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan gevraagd en ongevraagd advies geven over het ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
2.
Taken De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert onder andere over de volgende onderwerpen: 1.
3.
Bouwplannen a.
bouwaanvragen (welstandstaak)
b.
principeplannen (advies aan de aanvrager met een welstandsbeoordeling)
2.
Restauratie of wijziging van beschermd erfgoed (monumenten, zowel rijks- als gemeentelijk)
3.
Aanvragen voor reclames, terrassen en uitstallingen
4.
Sloopaanvragen binnen een aanlegvergunningenstelsel
5.
Stedenbouwkundige plannen.
6.
Stedenbouwkundige randvoorwaarden bij ontwikkelingen (onder andere artikel 2.12 WABO)
7.
Regieplannen en beeldkwaliteitplannen
8.
Plannen voor de inrichting van het openbaar gebied
Samenstelling Gouda voert een integraal beleid. Dat betekent dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit op diverse punten deskundig moet zijn. De volgende disciplines zijn noodzakelijk: 1.
architectuur
2.
stedenbouw
3.
landschapsontwerp en inrichting van het openbaar gebied
4.
bouwhistorie
5.
cultuurhistorie.
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan bij het uitoefenen van de verschillende adviesfuncties verschillende samenstelling hebben. De commissie wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. De voorzitter is geen vakinhoudelijke deskundige, maar moet wel affiniteit met het werk van de commissie hebben. Van de voorzitter mag verwacht worden dat hij innemend, maar niet toegeeflijk is en vooral duidelijk in zijn samenvatting van het advies. De commissie wordt ondersteund door een secretaris die het advies van de commissie op schrift stelt in heldere en begrijpelijke taal en daarin de verbinding legt met de welstandscriteria. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
48/108
27-01-2022 19:21
4.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Competenties De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten deskundig, gezaghebbend en overtuigend zijn. Daarnaast moeten ze de stad Gouda goed kennen en tegelijk onafhankelijk staan tegenover de ingediende bouwplannen. De commissie moet duidelijk en goed met de ontwerpers kunnen communiceren. Hieronder worden de gevraagde kwaliteiten toegelicht en gemotiveerd. Deskundig: oordeel met voorspellende waarde en verzekering van blijvende waarde Doorslaggevend moet zijn of een bouwwerk een blijvende waardering zal oogsten gedurende de daaropvolgende decennia en nog veel langer. Het is aan het gemeentebestuur om zichzelf op dit punt van een vooruitziende blik te voorzien. Ze kan zich daarvan verzekeren door een deskundige adviescommissie die in staat is om de plannen goed te doorzien en te beoordelen, en waarvan het oordeel een grote voorspellende waarde heeft. Gezaghebbend en overtuigend Voor een ontwerper is het niet gemakkelijk om kritiek op het eigen ontwerp te verwerken. Het is immers naar beste inzicht vervaardigd. Het helpt, wanneer de beoordelende instantie gezag heeft door eigen werk en prestaties. Ook helpt het, wanneer de beoordelaars begrip hebben voor de motieven van de ontwerper, maar in aansluiting daarop hun oordeel kunnen verhelderen, daarbij steunend op het door de gemeente geformuleerde beleid. De commissie moet in haar advies overtuigend zijn.
Onafhankelijk, goed bekend met de stad De leden van de commissie moeten bij hun beoordeling geen ander motief hebben dan een goed resultaat voor de stad. De ervaring leert dat lokale professionele activiteit daarin soms complicerend werkt. Het aantrekken van landelijk gezaghebbende vakmensen kan ertoe leiden dat de commissieleden niet in Gouda wonen. Dat is voor de onafhankelijkheid een voordeel. Maar het vergt een goede en regelmatig terugkerende kennismaking met de stad: de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit dient de stad zeer goed te kennen. Onafhankelijk, geen (bouw)stijlvoorkeuren Een ander aspect van onafhankelijkheid is de neutraliteit ten opzichte van (bouw)stijlen. Hoewel een ontwerper natuurlijk een eigen handschrift en stijlvoorkeur kent, zal hij of zij bij de beoordeling van andermans werk daardoor niet beïnvloed mogen worden. Beoordeeld moet worden of het ontwerp voldoet aan de gestelde criteria. Passendheid in de omgeving en kwaliteit binnen een bepaalde stijl is daarbij belangrijker dan een oordeel over die stijl zelf. Voeling met de stad Ook moet de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit oog hebben voor wat er in de stad speelt en leeft. Niet alleen moet de commissie de stad goed kennen in bouwkundige en stedenbouwkundige zin.
Maar ook wat er aan opvattingen leeft, is van belang bij het behandelen van de plannen, het overleg met de indieners en het advies aan het college.
5.
benoeming van de leden De welstandsleden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd door de Raad op voordracht het college. Het college gebruikt daarbij de kwalificaties uit deze nota. De vertegenwoordiger(s) namens de Commissie Cultuurhistorie worden door het college toegevoegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Alle leden worden door het college benoemd. Er wordt landelijk geworven. De selectie wordt schriftelijk vastgelegd en vertrouwelijk behandeld door het college. De voordracht wordt door het college gemotiveerd. De commissie telt minimaal vier leden en een onafhankelijk voorzitter. Supervisors of een kwaliteitsteam kunnen worden ingesteld en benoemd door het college. Een supervisor is geen lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit: hij/zij presenteert daar het plan, eventueel samen met de architect. Ook het kwaliteitsteam maakt geen deel uit van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, maar adviseert in een eerder stadium over de kwaliteitsaspecten en de vraag of en wanneer een plan in de procedure verder kan. Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als supervisor worden benoemd, maar treedt vervolgens bij de behandeling van de betreffende plannen terug uit de Adviescommissie Ruimtelijke
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
49/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Kwaliteit. Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als adviseur aanzitten in het kwaliteitsteam. Alvorens een lid te benoemen stelt de Raad zich op de hoogte van de kwaliteiten van de kandidaat. Dat kan door in een informele raadscommissie een korte presentatie te laten geven van het oeuvre door de betreffende kandidaat, gevolgd door een informatief gesprek. Zo wordt de Raad ook inhoudelijk betrokken bij het onderwerp. De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd voor een termijn van max. drie jaar en kunnen daarna eenmaal worden herbenoemd. Om de continuïteit in de commissie te waarborgen, wordt telkens een deel van de commissie vervangen. 6.
communicatie en perscontacten Een goede communicatie over de ruimtelijke kwaliteit van de stad is belangrijk. De communicatie rond het werk van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is daarin een belangrijk aspect. Verantwoordelijk daarvoor is tijdens de vergadering de voorzitter van de commissie, in het dagelijks verkeer de secretaris en over het beleid de verantwoordelijke afdeling Ruimtelijk Beleid en Advies (waar de beleidsvelden ruimtelijke kwaliteit en stedenbouw zijn ondergebracht) en de portefeuillehouder. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is een adviescommissie die een door de eigen gemeenteraad vastgesteld Beleid uitvoert en dit naar beste vermogen doet. De commissie adviseert aan het college, die uiteindelijk de beslissing nemen. Regelmatig overleg met de portefeuillehouder is nodig om voeling te houden met het beleid, waarbinnen moet worden gewerkt. Raadsleden zijn welkom bij de vergadering. Het is immers het beleid van de Raad dat hier wordt uitgevoerd en de Raad moet oordelen over eventuele bijstelling. Om verkeerde berichtgeving te voorkomen kunnen de leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit alleen met instemming van de gemeente (verantwoordelijke portefeuillehouder, of ambtenaar) worden geïnterviewd en alleen onder de voorwaarde dat het interview door hen wordt geautoriseerd en onverhoopte onjuistheden vooraf kunnen worden gecorrigeerd.
7.
Presentievergoedingen De voorzitter en de leden genieten een door het uitvoerend orgaan vastgesteld presentiegeld overeenkomstig de gemeentelijke vergoedingenregeling. Reiskosten worden vergoed op basis van kosten openbaar vervoer of de verreden kilometers. Declaraties dienen uiterlijk na afloop van elk kwartaal via de bedrijfsnota en het declaratieformulier te worden ingediend.
Bijlage VIII – Werkwijze van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (versie Welstandsnota 2017, bijlage II) 1.
frequentie, openbaarheid en verslag van de vergaderingen De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (grote commissie) vergadert in principe eens in de twee weken. Daarnaast adviseren elke twee weken maximaal twee gemandateerde leden van de commissie (kleine commissie) over kleine bouwplannen. Eén daarvan is een ‘monumenten/erfgoed-lid’, de ander een ‘nieuwbouw/architectuur-lid’. In bijzondere gevallen wijzen de gemandateerde leden een klein plan door naar de voltallige commissie. De vergaderingen over omgevingsvergunningaanvragen voor bouwen, monumenten, slopen, reclame en principeplannen zijn openbaar. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt. Bij negatieve adviezen, voorwaardelijke adviezen en als van de welstandsrichtlijnen afgeweken wordt, worden de adviezen gemotiveerd. Dit verslag geldt als advies aan het college. De aanvrager wordt schriftelijk geïnformeerd over de genoemde adviezen. Behandeling van stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden, regieplannen, beeldkwaliteitplannen, plannen voor de inrichting van het openbaar gebied zijn niet openbaar. Deze voorstellen zijn ambtelijk en nog niet voorgelegd aan het college. Deze adviezen en ongevraagde adviezen zijn niet openbaar en worden als een besprekingsverslag geredigeerd.
Ze worden pas na vaststelling in de eerstvolgende vergadering doorgeleid naar het college en degenen die bij het overleg aanwezig waren. De adviezen worden gevoegd bij het betreffende voorstel aan het college.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
50/108
27-01-2022 19:21
2.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
advisering over de plannen Voordat een bouwplan, restauratieplan, herbestemmingsplan, inrichtingsplan of reclameplan aan de commissie voorgelegd wordt, is het plan getoetst aan het bestemmingsplan. Indien het plan niet voldoet aan het bestemmingsplan en dus een verzoek tot vrijstelling van het bestemmingsplan inhoudt, wordt het plan eerst door de ambtelijke dienst voorzien van een stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch advies. Indien blijkt dat het plan niet past binnen de gemeentelijke ruimtelijke visie, wordt geen advies aan de commissie gevraagd. Er is immers al een grond tot afwijzing en vanwege de samenhang van stedenbouw, cultuurhistorie en architectuur is adequate advisering dan niet mogelijk. De commissie kan de volgende adviezen geven: positief, positief onder voorwaarden, negatief, of het plan aanhouden en de ontwerper uitnodigen om een toelichting op het ontwerp te geven. Een positief advies onder voorwaarden kan alleen worden gegeven als deze voorwaarden simpel en eenduidig zijn, toegevoegd kunnen worden aan de vergunning en aangetekend op de vergunningstekening. Het overleg van een ontwerper met de commissie heeft soms het karakter van collegiaal overleg, waarbij het plan in gewijzigde vorm nogmaals aan de commissie ter beoordeling aangeboden wordt, voordat er een definitief advies afgegeven wordt.
Toch is het wenselijk om beperkingen te stellen aan het aantal malen dat een plan in de commissie besproken wordt. In de regel zullen de aanvrager en de commissie binnen drie behandelingen tot afronding moeten komen. Bij de derde behandeling moet de commissie haar definitieve (gemotiveerde) advies geven. Alleen indien de ontwerper daar nadrukkelijk om verzoekt en de commissie van mening is dat er nog voortgang in het collegiale overleg zit, kunnen meer behandelingen mogelijk zijn. In enkele gevallen kan het zinvol zijn dat een van de commissieleden buiten de vergadering van de voltallige commissie om in overleg met de ontwerper gaat, omdat het plan nog onvoldoende kwaliteit heeft. Deze wijze van ontwerpbegeleiding wordt supervisie genoemd (niet te verwarren met supervisor). Bij een herhaalde behandeling van een plan zijn de eerder behandelde stukken en verslagen aanwezig en deze worden als uitgangspunt voor de verdere bespreking genomen. De stukken die in de welstandsvergadering besproken zijn, worden door de behandelende afdeling gearchiveerd. Er zal behoefte blijven bestaan aan vooroverleg. Dit biedt de aanvrager meer zekerheid in een eerder stadium en daardoor lagere voorbereidingskosten. Gouda kent daarvoor het principeplan. Het principeplan wordt ook voorgelegd aan de commissie. De commissie geeft een gemotiveerd richtinggevend welstandsadvies.
Dat advies kan ook inhouden een uitnodiging om het plan aan te passen of een uitnodiging voor nader overleg. Een advies op een principeplan is niet gericht aan het college maar aan de aanvrager en diens architect.
Bijlage IX – Afwegingsmodel voor boombelang en verwijderingsbelang https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/images/Gouda/i232404.pdf
Bijlage X – Rekenmodel herplantwaarde https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/images/Gouda/i232405.pdf
Toelichting Algemene toelichting Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De gemeente heeft tot 2029 de tijd om een gemeentebreed omgevingsplan op te stellen waarin alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden samengebracht. Zodra de Omgevingswet in werking treedt, begint de overgangsfase en heeft de gemeente van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste bruidsschatregels die vanuit het Rijk aan gemeenten worden overgedragen. Ten tweede ruimtelijke regels zoals de huidige bestemmingsplannen en de https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
51/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
beheersverordeningen. Ten derde regels uit gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In Gouda staan die regels nu verspreid over diverse lokale verordeningen. Daarom is besloten om één Verordening fysieke leefomgeving (VFLO) te maken waarin alle regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. Deze tussenstap stelt inwoners, bedrijven en medewerkers in staat om op één plek en dus sneller op te zoeken welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden. Dit is belangrijk in verband met betere dienstverlening en de kortere termijnen voor vergunningverlening onder de Omgevingswet. De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet verwerkt in het definitieve omgevingsplan. Deze verordening is volledig beleidsneutraal. Bij het overzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Veel redactionele en technische wijzigingen dus, maar geen beleidsinhoudelijke wijzigingen. In deze verordening worden regels uit de volgende verordeningen gebundeld: -
de Erfgoedverordening Gouda 2017;
-
de Marktverordening Gouda 2009:
-
de Bouwverordening Gouda 2019;
-
de Vaartuigenverordening Gouda 2009;
-
de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009;
-
de Verordening naamgeving en nummering adressen Gouda 2012.
Van de volgende verordening gaat slecht een gedeelte van de verordeningen over: -
de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020;
-
de Bomenverordening 2010.
Onderdeel van deze toelichting is een transpositietabel waarin wordt aangegeven wat de basis van het artikel is in de oorspronkelijke verordening. Deze toelichting is zo opgebouwd dat bij de toelichting van een artikel eerst wordt ingegaan op de aanpassingen ten opzichte van de voormalige bepaling. Voor alle aanpassingen geldt dat deze geen inhoudelijke wijzigingen tot gevolg hebben. Per artikel volgt vervolgens de toelichting uit de oorspronkelijke verordening (mits beschikbaar), geactualiseerd op de VFLO. Structuur De structuur van de verordening is zo gekozen dat gebruikers de toepasselijke regels bij inwerkingtreding gemakkelijk kunnen vinden en sluit aan op het casco omgevingsplan van de VNG. Daardoor kan deze verordening uiteindelijk eenvoudig worden verwerkt in het omgevingsplan. Toelichting op artikelen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen De begrippen zijn in lijn met de Omgevingswet opgenomen in Bijlage I. Voor zover dat nodig was zijn de verschillende begrippen op elkaar en de Omgevingswet afgestemd. De oude toelichtingen op de verschillende begrippen zijn eveneens van toepassing op deze bijlage. Artikel 1.2 Bevoegd gezag Dit is een nieuw artikel, waarin voor alle besluiten op grond van deze verordening, zoals omgevingsvergunningen, wordt bepaalt dat het college bevoegd gezag is.
Dit geldt bijvoorbeeld voor het verlenen van omgevingsvergunningen, maar ook voor het wijzigen en intrekken daarvan. In de oorspronkelijke verordeningen was het college ook bevoegd gezag. Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Algemeen
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
52/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
In dit hoofdstuk zijn de regels betreffende aanwijzingen in de fysieke leefomgeving opgenomen uit de verordeningen waarop deze verordening is gebaseerd. Aanwijzingen op basis van dit hoofdstuk zorgen ervoor dat regels uit hoofdstuk 3 van kracht zijn op bepaalde gebieden. Artikel 2.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.1 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel regelt de toekenning van de status van ‘gemeentelijk monument’ aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’; natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument, archeologisch monument en dergelijke als gemeentelijk monument.
Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als monument om de afweging van het algemeen belang, dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en hoeft daarom niet afzonderlijk te worden. Artikel 2.2 Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend pand Dit artikel is gebaseerd op artikel 3.1 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.1 van de VFLO.
Artikel 2.3 Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalende structuur Dit artikel is gebaseerd op artikel 3.2 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.1 van de VFLO. Artikel 2.4 Voornemen tot aanwijzing Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 en 3.3 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien beide artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn ook geactualiseerd op basis van de VFLO. Oorspronkelijke toelichting Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak: het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
53/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument. Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging.
Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 2.5 Advies aanwijzing gemeentelijk monument en beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.4 en 3.5 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien beide artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn ook geactualiseerd op basis van de VFLO. Artikel 2.6 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.7, 3.8 en 3.9 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn ook geactualiseerd op basis van de VFLO. Oorspronkelijke toelichting De aanwijzing als ‘voorlopig gemeentelijk monument’ is bedoeld voor monumenten waarvan de bescherming ‘niet gepland’, hetzij ‘onverwacht’ is en waarvoor een spoedprocedure noodzakelijk is om het verlies van erfgoedwaarden te voorkomen.
Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in dergelijke gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 2.5 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming als bedoeld in afdeling 3.1 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaats vindt, vervalt de bescherming. Artikel 2.7 Inhoud aanwijzingsbesluit Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.5 en 3.6 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De beslistermijn is verplaatst naar artikel 2.14, omdat dit beter past bij de verdere structuur van de VFLO. Artikel 2.8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.2, 2.6 en 3.7 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. Verder zijn deze artikelen niet aangepast.
Oorspronkelijke toelichting Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
54/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens vindt van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaats op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed, zoals dat krachtens deze verordening is beschermd. Het gaat om door het gemeentebestuur aangewezen monumenten, beeldbepalende panden en ~ structuren, stads- of dorpsgezichten of, hoewel in Gouda niet van toepassing, cultuurgoederen. Daarnaast is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.
Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze Erfgoedverordening. Het woord “onherroepelijk” in het eerste lid betekent dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Voor de concrete invulling van het gemeentelijke erfgoedregister zal een richtlijn worden uitgewerkt en door het college worden vastgesteld. De richtlijn geeft aan welke informatie in ieder geval beschikbaar wordt gesteld. Te denken valt aan de volgende punten: a.
Het aanwijzingsbesluit door het college
b.
Het aanwijzingsadvies van de Adviescommissie
c.
De monumenten- of redengevende beschrijving
d.
De waardestelling/waardering.
Artikel 2.9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.8 en 3.10 van de Erfgoedverordening. Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 2.10 Aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.1 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is dit artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Deze bevoegdheid lag bij de Verordening inzake Monumenten en Archeologie nog bij B&W. Deze gemeentelijke stads- en dorpsgezichten moeten vervolgens krachtens het bestemmingsplan worden beschermd.
Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988, echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht gelden artikel 11 van de Monumentenwet en voor de bescherming van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden en/of ~structuren de artikelen 3.4, van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
55/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Artikel 2.11 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.2 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. De verwijzingen naar andere artikelen zijn ook geactualiseerd op basis van de VFLO. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt, zodra het stads- en dorpsgezicht, waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of een provincie wordt aangewezen als stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte aard kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 2.12 Archeologische basiskaart Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.1 van de Erfgoedverordening.
De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is in dit artikel weggehaald dat de kaart wordt vastgesteld door het college, dit klopte namelijk niet. De kaart was namelijk opgenomen als bijlage bij de Erfgoedverordening. De kaart is dus vastgesteld door de raad. Wel is in het tweede lid de bevoegdheid tot het wijzigen van de kaart bij het college neergelegd. Op deze manier klopt de bevoegdheid verdeling met de werkelijkheid. De verschillende waarden op de kaart zijn weggehaald aangezien dit ook al staat vermeld op de kaart. Artikel 2.13 Beslistermijn Dit artikel is gebaseerd op de identieke beslistermijnen uit de voormalige artikelen 2.5 en 3.6 van de Erfgoedverordening. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Artikel 2.14 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de Verordening naamgeving en nummering adressen Gouda 2012. De verwijzing naar “burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Verder is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Het eerste lid regelt het vaststellen en begrenzen van de woonplaats(en).
Het totale grondgebied van de gemeente moet in een of meer woonplaatsen worden opgedeeld. Dit betekent, dat de gemeentegrens altijd samenvalt met de woonplaatsgrenzen. Verder biedt het eerste lid de mogelijkheid om woonplaatsen te verdelen in wijken en buurten. In het kader van de Volkstelling 1971 is tussen gemeenten, de provinciale planologische diensten en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gebiedsindeling overeengekomen, die wordt aangeduid met de term CBS wijk- en buurtindeling. Deze indeling werd noodzakelijk geacht, omdat op provinciaal en landelijk niveau behoefte bestond aan inzicht in de onderverdeling van het gemeentelijk grondgebied. Sinds 1971 heeft het echter ontbroken aan systematisch interbestuurlijk overleg waardoor onduidelijkheid kon ontstaan over de te hanteren wijk- en buurtindeling. De minister van Economische Zaken is voornemens zijn coördinerende rol inzake wijk- en buurtindeling te reactiveren, maar dat heeft nog niet geleid tot nadere bijhoudingsregels. Gemeenten doen er voorlopig verstandig aan - bij het opdelen van een woonplaats in wijken en buurten - de CBS-voorschriften inzake de wijk- en buurtindeling uit 1970 aan te houden. Gouda sluit zich hierbij aan. Het tweede lid regelt het per woonplaats benoemen van openbare ruimte. In de Wet BAG zijn geen bepalingen opgenomen over de grenzen van benoemde delen van de openbare ruimte.
Daar is in de verordening wel voor gekozen om te voorkomen dat delen van de openbare ruimte, onbedoeld, een dubbele naam krijgen of deels geen naam krijgen vanwege onduidelijkheid over de begrenzingen. Voor de meeste gemeenten is het vastleggen van begrenzingen van benoemde delen van de openbare ruimte al dagelijkse praktijk. Verder is in het tweede lid de naamgeving van gemeentelijke gebouwen en bouwwerken meegenomen. Deze taak kan, naast de naamgeving van woonplaatsen en de openbare ruimte, aan de Commissie voor de naamgeving worden opgedragen.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR649263
56/108
27-01-2022 19:21
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent fysieke leefomgeving (Verordening fy…
Met de wettelijke regeling inzake de naamgeving van de openbare ruimte komt een einde aan discussies over de naamgeving van rijkswegen en provinciale wegen. De Wet BAG schrijft namelijk voor dat alle verblijfsobjecten van een nummer moeten zijn voorzien en dat geldt dus ook voor bijvoorbeeld benzinestations, restaurants of hotels die alleen via een rijks- of provinciale weg zijn te bereiken. Nummers kunnen alleen worden uitgegeven als zij worden gerelateerd aan een door het college vastgestelde naam aan een deel van de openbare ruimte. Gemeenten moeten derhalve ex artikel 6 van de Wet BAG voor rijks- en provinciale wegen een naambesluit nemen. In dit soort gevallen zal worden aangesloten bij de al jaren door veel gemeenten toegepaste werkwijze, waarbij de naamgeving louter wordt gebaseerd op de nummer en het type weg. Bijvoorbeeld door de A3 in een bepaalde woonplaats de naam <Rijksweg A3> toe te kennen. Daarmee blijft de A-nummering in tact en ook het type weg (rijksweg) blijft onveranderd. (E-aanduidingen moeten niet in de naamgeving van rijkswegen worden betrokken.) Zo kan ook bijvoorbeeld de provinciale weg N999 de naam <Provinciale weg N999> worden toegekend. Ook hier blijft het type weg en de N-nummering volledig in tact. Anders ligt dat bij de naamgeving van rivieren en wateren van internationale betekenis.