Uitspraak RvS 202105299-1-R3.pdf
Tekst van het document
De eigenaren van de parkeerplaatsen zullen volgens haar niet accepteren dat derden vrijblijvend gebruik maken van de parkeerplaatsen. Het plan bevat daarom ten onrechte geen regel dat alleen de bewoners van de voorziene ontwikkeling gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen. [appellant] voert aan dat het mobiliteitsconcept uitgaat van de deelmobiliteit, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte beschikbaar is. Voor zover in het mobiliteitsplan ervan wordt uitgegaan dat de toekomstige bewoners moeten bijdragen aan het concept MaaS, stelt de vereniging dat op dit punt ten onrechte een voorwaardelijke verplichting in de planregels ontbreekt. 29.1. Uit artikel 6.3.2, onder b, van de planregels volgt dat minimaal 234 parkeerplaatsen en 12 elektrische deelauto’s en 3 deelbakfietsen in het kader van het concept MaaS beschikbaar moeten zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in
19
artikel 6.1, onder a, van de planregels. Als blijkt dat hiervan geen sprake is en in zoverre het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan niet wordt geëffectueerd, dan kan handhavend worden opgetreden. Op grond van artikel 6.4.1 van de planregels kan het college bovendien met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2, onder b, van de planregels als monitoring zoals omschreven in het mobiliteitsplan daartoe aanleiding geeft. Op de monitoring zal hierna onder 30 worden ingegaan. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde door de vereniging en [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan niet kan worden geëffectueerd. De betogen slagen niet. Monitoring van het mobiliteitsplan 30. De vereniging betoogt dat ten onrechte niet is omschreven aan welke eisen het parkeeronderzoek ten behoeve van de monitoring van het mobiliteitsplan moet voldoen. Voor zover in het mobiliteitsplan staat dat uit het parkeeronderzoek moet blijken dat geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied en de directe omgeving, stelt de vereniging dat alleen in het plangebied moet worden voorzien in de parkeerbehoefte. Ook is niet in het mobiliteitsplan omschreven welke additionele maatregelen er nodig zijn, als de ambitie uit het mobiliteitsplan niet wordt gehaald.
De omstandigheid dat een opsomming van mobiliteitsmaatregelen in het mobiliteitsplan is opgenomen, doet daar volgens de vereniging niet aan af, omdat de feitelijke uitvoering van deze maatregelen niet wordt onderbouwd. Het voorgaande klemt te meer, omdat uit het parkeeronderzoek zal moeten blijken dat met het mobiliteitsplan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen, zo stelt de vereniging. 30.1. Uit artikel 6.4.1 van de planregels volgt dat het college met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2, onder b, van de planregels als de monitoring zoals omschreven in het monitoringsplan daartoe aanleiding geeft. Op pagina 5 van het mobiliteitsplan staat daarover het volgende: "Met het oog op de verplichting van de Van Loon locatie uit het bestemmingsplan om in parkeren te voorzien op de wijze zoals beschreven in dit mobiliteitsplan zal naast de controle van de gebruiksdata van MaaS ook de effectiviteit van dit plan worden gemonitord. Monitoring zal jaarlijks plaatsvinden voor het eerst 1 jaar na ingebruikname van de betreffende appartementen aan de hand van een parkeeronderzoek.
Ter voldoening aan de eisen van het bestemmingsplan zal uit dit onderzoek moeten blijken dat het mobiliteitsplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en derhalve op het maatgevende moment geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied en de directe omgeving. Als uit het onderzoek zou blijken dat er aanleiding bestaat om additionele mobiliteitsmaatregelen te treffen dan zal daarvoor worden gezorgd. Gedacht kan worden aan het aanbieden van alternatieve vormen van deelmobiliteit, wijzigingen in de tariefstelling of abonnementsvormen, realisatie of bijdragen aan ov-haltes en looproutes naar ov-haltes, lokale fietsverbindingen en herinrichtingen van lokale infrastructuur." 30.2. Weliswaar is in het mobiliteitsplan niet precies omschreven aan welke eisen het parkeeronderzoek ten behoeve van de monitoring van het mobiliteitsplan moet voldoen, maar dit betekent niet dat de raad artikel 6.4.1 van de planregels niet zo heeft kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit pagina 5 van het monitoringsplan kan worden afgeleid dat monitoring jaarlijks zal plaatsvinden na ingebruikname van de voorziene appartementen en
20
dat uit het parkeeronderzoek zal moeten blijken dat geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen. De omstandigheid dat in het mobiliteitsplan is vermeld dat dit tekort zich niet mag voordoen in het plangebied en de directe omgeving, betekent niet dat parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plan zullen worden gerealiseerd. In artikel 11.1, onder a, van de planregels is namelijk tot uitdrukking gebracht dat de door de voorziene woonbebouwing te genereren parkeerbehoefte op eigen terrein wordt gelenigd. De Afdeling volgt de vereniging niet in haar betoog dat ten onrechte niet precies is omschreven welke additionele maatregelen er nodig zijn als de ambitie uit het mobiliteitsplan niet wordt gehaald. Voorop staat dat moet worden voldaan aan de eisen die zijn vermeld in artikel 6.3.2 van de planregels, tenzij met een omgevingsvergunning onder voorwaarden daarvan wordt afgeweken. In het kader van de verlening van zo’n vergunning en de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmogelijkheden kan worden getoetst of met de additionele maatregelen de ambitie uit het mobiliteitsplan wordt gehaald. Het betoog slaagt niet. Begrippen in planregels 31. Volgens de vereniging is ten onrechte in artikel 6.3.2 van de planregels opgenomen dat "bij aanvang" moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid in plaats van "vanaf aanvang". 31.1.
Uit artikel 6.3.2 van de planregels kan worden afgeleid dat "bij aanvang" inhoudt het moment dat wordt gestart met het wonen en in samenhang daarmee de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in of bij een woning en beroepsmatige activiteiten in of bij een woning, als bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels. Het betoog dat "bij aanvang" in deze bepaling moet worden vervangen door "vanaf aanvang", volgt de Afdeling daarom niet. Het betoog slaagt niet. 32. In artikel 11.1, onder b, aanhef en sub 1, van de planregels is volgens de vereniging bepaald dat moet worden aangetoond dat er parkeerplaatsen en mobiliteitsvoorzieningen beschikbaar zijn. Onduidelijk is volgens haar wat onder "aangetoond" moet worden verstaan. 32.1. De Afdeling stelt vast dat het woord "aangetoond" niet in artikel 11.1 van de planregels is opgenomen, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist. Verkeer 33. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de effecten van de voorziene ontwikkeling op de verkeerssituatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport "Verkeersonderzoek Van Loon locatie, Gouda" van 8 april 2021 (hierna: het verkeersonderzoek). De uitgangspunten in het verkeersonderzoek 34. De vereniging voert aan dat in het verkeersonderzoek onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd.
Zij voert daarover aan dat in het verkeersonderzoek voor de bedrijfssituatie van het huidige tankstation, dat is gesitueerd in het plangebied, met een andere verdeling van personenwagens is gerekend over de dag-, avond- en nachtperiode dan in het door Peutz opgestelde rapport "Realisatie woningbouw aan de Ridder van Catsweg te Gouda. Onderzoek naar de aspecten geluid en luchtkwaliteit in de omgeving" van 29 juni 2021 (hierna: het onderzoek geluid en luchtkwaliteit). Zij wijst er in dat verband op dat in het
21
verkeersonderzoek ervan wordt uitgegaan dat er 415 klanten per dag gebruik maken van het tankstation, wat neerkomt op 5 personenwagens per afnamepunt per uur. In het onderzoek geluid en luchtkwaliteit wordt echter uitgegaan van 6 à 8 klanten per afnamepunt per uur. Op basis van de waarnemingen van de vereniging zijn de berekeningen in het verkeersonderzoek bovendien onjuist en wordt geen representatief beeld van de bedrijfssituatie van het huidige tankstation gegeven. Daarnaast voert de vereniging aan dat de nieuwe, haakse in- en uitrit van de planlocatie zal zorgen voor andere verkeerskundige manoeuvres dan de huidige in- en uitrit van het tankstation. De huidige en nieuwe in- en uitrit mogen daarom niet met elkaar worden vergeleken. Gelet hierop moeten de insteek- en uitrijbewegingen volledig worden meegenomen in het verkeersonderzoek, volgens de vereniging. 34.1. In het verkeersonderzoek is onderzoek gedaan naar de te verwachten verkeerseffecten als gevolg van de voorziene ontwikkeling op de gronden van het plangebied. In paragraaf 2 van het verkeersonderzoek is ingegaan op de verkeersgeneratie. In paragraaf 2.2 van dit onderzoek staat dat aan de hand van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" (hierna: de CROW-publicatie) de toename van het verkeer als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied is berekend.
Over de oorspronkelijke situatie is in paragraaf 2.3 van het verkeersonderzoek vermeld dat het tankstation ten tijde van het opstellen van het verkeersonderzoek nog in gebruik was. Op basis van de verkoop van 3.792.043 liter aan brandstof in 2019 en van een gemiddelde hoeveelheid brandstof van 25 liter per tankbeurt, maakten 151.682 voertuigen per jaar gebruik van het tankstation. Per dag kwam dit neer op 416 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). De verkeersgeneratie van de nu leegstaande werkplaats en autoshowroom bedroeg ongeveer 60 en 91 mvt/etmaal. Op de verkeersontsluiting en de verkeerseffecten is ingegaan in paragraaf 3 van het verkeersonderzoek. In paragraaf 3.1 van dit onderzoek zijn de huidige en toekomstige ontsluiting gevisualiseerd. Hieruit blijkt dat de twee huidige ontsluitingen komen te vervallen en worden vervangen door een ontsluiting vanuit de parkeervoorziening aan de noordwestkant van het plangebied. Daarnaast staat in paragraaf 3.2 van het verkeersonderzoek dat met hulp van het Regionale Verkeersmodel Midden Holland (RVMK 3.2) de huidige en toekomstige verkeersintensiteiten voor de Ridder van Catsweg in beeld zijn gebracht. Daarbij zijn de ochtend- en avondspits van een werkdag en een zaterdagmiddag bekeken. Ingegaan is op de referentiesituatie 2030, namelijk de situatie in 2030 zonder de herontwikkeling van de gronden van het plangebied.
Ook is de plansituatie in 2030 bekeken. Dat is de referentiesituatie 2030 inclusief de extra verkeersgeneratie door de herontwikkeling van de gronden van het plangebied ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in 2018 de werkplaats en de autoshowroom buiten gebruik waren. In paragraaf 3.3 van het verkeersonderzoek staat dat het effect op de verkeersafwikkeling is geanalyseerd aan de hand van de berekende verkeersgeneratie, de verkeersintensiteiten uit het verkeersmodel en de verdeling van het verkeer over de verschillende routes. Gebruik is gemaakt van de verkeerssimulatie software VISSIM. 34.2. De stelling van de vereniging dat ten onrechte in het verkeersonderzoek met een andere verdeling van personenwagens wordt gerekend dan in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit, volgt de Afdeling niet. Uit een door de raad overgelegde nadere notitie van Goudappel Coffeng van 6 oktober 2021 blijkt namelijk dat de verdeling van personenwagens anders is, omdat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van een gemiddelde werkdag en dat
22
bij milieuonderzoeken, zoals het onderzoek geluid en luchtkwaliteit, wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De vereniging heeft de juistheid van een dergelijk verschil in benadering niet gemotiveerd betwist. Voor zover de vereniging aanvoert dat de insteek- en uitrijbewegingen bij de nieuwe in- en uitrit volledig moeten worden meegenomen in het verkeersonderzoek, merkt de Afdeling op dat in paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek staat dat is uitgegaan van de plansituatie in 2030. Dit is de referentiesituatie aangevuld met de extra verkeersgeneratie door de herontwikkeling van het plangebied. Dit betekent dat de totale verkeersintensiteit na de realisatie van de voorziene bebouwing is bekeken. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. 34.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het verkeersonderzoek heeft mogen baseren. Het betoog slaagt niet. De uitkomsten van het verkeersonderzoek 35. De vereniging voert aan dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend.
Wanneer het tankstation zal verdwijnen, zal daarmee niet het verkeer afnemen, omdat de gebruikers van het tankstation hun dagelijkse autoritten blijven uitvoeren waarbij zij nog evenveel van de Ridder van Catsweg gebruik zullen maken. In dat verband wijst zij er ook op dat de Ridder van Catsweg is aangemerkt als "Stadsstraat". Voor zover in het verkeersrapport is vermeld dat het plan geen wezenlijke bijdrage levert aan de verkeersituatie ter plaatse, stelt de vereniging dat het plan ook geen positieve bijdrage levert. De huidige, nadelige verkeerssituatie zal in stand worden gehouden. Bovendien zal de nieuwe, haakse in- en uitrit van de planlocatie zorgen voor andere verkeerskundige manoeuvres dan de huidige in- en uitrit van het tankstation. Er is volgens haar daarom geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert aan dat de voorziene ontwikkeling zal leiden tot opstoppingen op de Ridder van Catsweg. 35.1. In paragraaf 2.4 van het verkeersonderzoek is aan de hand van de kengetallen uit de CROW-publicatie de toename van het verkeer als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied berekend. Bij die berekening is uitgegaan van het gebiedstype "rest bebouwde kom" en de stedelijkheidsgraad "sterk stedelijk gebied". Het aantal mvt/etmaal is berekend op 694 op een weekdag en 770 op een werkdag.
Uit paragraaf 4 van het verkeersonderzoek volgt dat de planontwikkeling beperkte effecten heeft op de wachttijd en verkeersdoorstroming op de Ridder van Catsweg, de verschillende aansluitende wegen en het kruispunt met de Burgemeester van Reenensingel. 35.2. Over het betoog dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 34.1 is overwogen, is in het verkeersonderzoek een vergelijking gemaakt tussen de referentiesituatie en de plansituatie in 2030. De referentiesituatie is blijkens paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek de situatie zonder de herontwikkeling van het plangebied, maar met de bestaande functies en de autonome/regionale ontwikkelingen die in de toekomst gaan plaatsvinden. De plansituatie betreft de referentiesituatie aangevuld met de extra verkeersgeneratie door de ontwikkeling van het plangebied. Dit betekent dat in de
23
plansituatie het bestaande tankstation en het bestaande verkeer over de Ridder van Catsweg is meegenomen. Ook is in paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek vermeld dat is uitgegaan van een worst case-scenario. In wat de vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Gelet hierop volgt de Afdeling het betoog dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend niet. Voor zover de vereniging en [appellant] wijzen op de bestaande verkeersproblematiek, merkt de Afdeling op dat met het herstelbesluit de bestaande verkeersproblematiek niet hoeft te worden opgelost. In het verkeersonderzoek is verder geconcludeerd dat de planontwikkeling beperkte effecten heeft op de wachttijd en verkeersdoorstroming op de Ridder van Catsweg, de verschillende aansluitende wegen en het kruispunt met de Burgemeester van Reenensingel. 35.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast. De betogen slagen niet. Geluid 36.
Voor de voorziene ontwikkeling in het plangebied heeft Peutz het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de nadere notitie "Van Loon Gouda, beantwoording beroepsgronden" van 6 oktober 2021 (hierna: de nadere notitie van Peutz) opgesteld. De bevindingen en conclusies hiervan heeft de raad aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd. Parkeergarage 37. De vereniging voert aan dat het onderzoek geluid en luchtkwaliteit wat betreft de parkeergarage ten onrechte niet op de maximale planologische mogelijkheden is gebaseerd. Zij wijst er in dat verband op dat in de planregels ten onrechte niet is geborgd dat de parkeergarage op de begane grond gesloten zal worden gerealiseerd. 37.1. Aan een aantal gronden van het plangebied waaraan de bestemmingen "Verkeer Verblijf" en "Wonen" zijn toegekend, is ook de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer verblijf - parkeerdek" toegekend. Op grond van de artikelen 5.1, aanhef en onder d, en 6.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijf" en "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeerkeervoorzieningen met uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - verblijf - parkeerdek" een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen.
Op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder b, van de planregels bedraagt de bouwhoogte ter plaatse van deze functieaanduiding niet meer dan 8 m, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijf". De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is geregeld dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd, terwijl in paragraaf 4.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit ervan is uitgegaan dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd op enkele roosters voor ventilatie na. Op dit punt bevat het onderzoek geluid en luchtkwaliteit een leemte in kennis. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad het herstelbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid door het onderzoek geluid en luchtkwaliteit in zoverre daaraan ten grondslag te leggen. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.
24
37.2. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. 38. De Afdeling komt, gelet op wat hiervoor is overwogen, nu niet toe aan de beroepsgronden van de vereniging en [appellant] die zij over de parkeergarage hebben aangevoerd. Het gaat in dat verband over de standaard bodemfactor, het nagalmniveau, de gemiddelde rijsnelheid in de parkeergarage en het geluid vanwege dichtslaande portieren. De Afdeling zal hier in de einduitspraak een oordeel over geven, voor zover dan nog opportuun. Indirecte hinder - De uitgangspunten in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit 39. De vereniging betoogt dat er niet van kon worden uitgegaan dat een personenwagen bij een rijafstand van 50 m in het heersende verkeersbeeld is opgenomen. Het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is volgens haar in zoverre niet representatief. 39.1. Blijkens paragraaf 3.1.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is beoordeeld in hoeverre sprake zal zijn van indirecte hinder als gevolg van de toename van de verkeersstromen, ondanks dat het in dit geval niet gaat om een inrichting. Voor de beoordeling hiervan heeft de raad aangesloten bij de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de schrikkelcirculaire).
Volgens deze schrikkelcirculaire bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder 50 dB(A) en de maximale grenswaarde 65 dB(A) etmaalwaarde. Een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde is aanvaardbaar als een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde wordt gewaarborgd. In paragraaf 4.3 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit staat dat voor indirecte hinder ten gevolge van het verkeer is uitgegaan van een rijafstand zoals opgenomen in de schrikkelcirculaire. In dit geval is uitgegaan van een rijafstand van 50 m voor personenwagens. Daarna maakt het verkeer van en naar de planlocatie onderdeel uit van het heersende verkeersbeeld. 39.2. Over het hanteren van een rijafstand van 50 m voor personenwagens merkt de Afdeling op dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de nadere notitie van Peutz is vermeld dat deze rijafstand in overeenstemming is met de schrikkelcirculaire. In de nadere notitie van Peutz is ook vermeld dat kan worden verwacht dat een personenwagen bij een rijafstand van 50 m dezelfde rijsnelheid als het overige verkeer zal hebben en daarna is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De Afdeling ziet in het aangevoerde door de vereniging geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
De Afdeling oordeelt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan in zoverre op het onderzoek geluid en luchtkwaliteit heeft mogen baseren. Het betoog slaagt niet. - De uitkomsten van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit 40. De vereniging betoogt dat de indirecte hinder vanwege het verkeer afkomstig van de voorziene ontwikkeling hoger zal zijn dan in de huidige situatie. Hierbij geldt volgens haar dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit ten onrechte wordt gesteld dat de gevelconstructie van de bestaande omringende woningen een afdoende geluidreducerend vermogen heeft om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen. Deze aanname is volgens de vereniging niet onderbouwd.
25
40.1. Geconcludeerd wordt in paragraaf 7.1.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de schrikkelcirculaire met 3 dB(A) in de avondperiode wordt overschreden. Het is aannemelijk dat de gevelconstructie van de nabijgelegen woningen een geluidreducerend vermogen heeft van 13 dB om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen. Ook wordt erop gewezen dat de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder in de toekomstige situatie meer dan 10 dB(A) lager is dan de geluidbelasting ten gevolge van het heersende verkeersbeeld. De bijdrage aan de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder op de openbare weg is als niet significant aan te merken, aldus het onderzoek geluid en luchtkwaliteit. 40.2. Anders dan de vereniging betoogt, blijkt uit het onderzoek geluid en luchtkwaliteit dat de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder in de toekomstige situatie 10 dB(A) lager is dan de geluidbelasting ten gevolge van het heersende verkeersbeeld.
Voor zover de vereniging stelt dat niet aannemelijk is dat de gevelconstructie van de bestaande woningen een voldoende geluidreducerend vermogen heeft om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen, merkt de Afdeling op dat uit de nadere notitie van Peutz kan worden afgeleid dat een woning met niet afgedichte raamkieren, niet gedempte ventilatieroosters en enkel glas al een geluidreducerend vermogen van 13 dB behaalt. Het is daarom volgens Peutz niet te verwachten dat een reductie van 13 dB niet zal worden gehaald. De Afdeling ziet in het aangevoerde door de vereniging geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling in zoverre leidt tot een uit akoestisch oogpunt onaanvaardbare situatie. Het betoog slaagt niet. VNG-brochure 41. De vereniging voert aan dat ten onrechte de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) en niet de recentere VNG-uitgave "Milieuzonering nieuwe stijl" in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is toegepast. Deze recentere VNG-uitgave zou zijn bedoeld voor toepassing onder de Crisisen herstelwet en de Transitiewet.
Zij wijst in dit verband op de omstandigheid dat de Crisisen herstelwet in dit geval op het plan van toepassing is. Daarnaast betoogt de vereniging dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit de gronden van het plangebied ten onrechte zijn gekwalificeerd als gemengd gebied, omdat het volgens de vereniging gaat om een rustige woonwijk. Zij wijst hiervoor op de toename van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van geluid ten gevolge van de activiteiten op het parkeerterrein. Dit benadrukt volgens haar dat het gaat om een rustige woonwijk. 41.1. In paragraaf 3.1.3 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is vermeld dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de richtafstanden uit de VNG-brochure zijn gehanteerd, ondanks dat het bij de in het plan voorziene ontwikkeling niet gaat om de inpassing van bedrijven en/of woningen nabij bedrijvigheid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit aspect uit het onderzoek geluid en luchtkwaliteit niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Over de VNG-uitgave "Milieuzonering nieuwe stijl" overweegt de Afdeling dat deze brochure een alternatief is naast de bestaande VNG-brochure. Die recentere VNG-uitgave is alleen bedoeld voor zogenoemde bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte als bedoeld in de Crisis- en herstelwet. Van zo’n bestemmingsplan is hier
26
geen sprake. 41.2. In het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de plantoelichting is ingegaan op de VNGbrochure. In paragraaf 5.5.2 van de plantoelichting is vermeld dat het plangebied en de omgeving zijn aan te merken als een gemengd gebied, omdat de gronden van het plangebied zijn gelegen aan een wijkontsluiting en in een omgeving met enige functiemening. Voor zover de vereniging betwist dat de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, overweegt de Afdeling dat de gronden van het plangebied grenzen aan de Ridder van Catsweg. Daarnaast is ten noorden van het plangebied het winkelcentrum Bloemendaal gelegen. Gelet op de feitelijke situatie mocht de raad uitgaan van een gemengd gebied. Het betoog slaagt niet. Windklimaat 42. De vereniging voert aan dat het door Peutz opgestelde rapport "Van Loon te Gouda. Windklimaatonderzoek met behulp van CFD" van 23 juni 2021 (hierna: het windonderzoek) ten onrechte is gebaseerd op het ontwerp van de architect en niet op de maximale planologische invulling. Ook is geen onderzoek gedaan naar de windhinder in de voortuinen en terrassen van de woningen aan de Haastenburg en voor fiets- en voetgangersverkeer op de Ridder van Catsweg. De conclusie in het windonderzoek dat het windklimaat rond de planlocatie gunstig is en dat er geen verdere maatregelen ter verbetering noodzakelijk zijn, is volgens de vereniging daarom onvoldoende onderbouwd.
[appellant] vreest voor windhinder als gevolg van de voorziene ontwikkeling. 42.1. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar het te verwachten windklimaat als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de directe omgeving van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het windonderzoek dat op 10 februari 2022 ten aanzien van de activiteit langdurig stilzitten is verduidelijkt. 42.2. In paragraaf 1 van het windonderzoek is vermeld dat met behulp van Computational Fluid Dynamics een indicatief onderzoek is verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de voorziene bebouwing in het plangebied. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van het door de architect aangeleverd 3D model. Voor beoordeling van het windklimaat is volgens paragraaf 2 van het windonderzoek gebruik gemaakt van de norm NEN 8100:2006 "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving", waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen de activiteiten doorlopen, slenteren en langdurig stilzitten. Vermeld is dat de activiteit langdurig zitten dusdanig kritisch is dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor slenteren in plaats van langdurig zitten met een streefwaarde van minder dan 5%.
In de paragrafen 3 en 4 van het windonderzoek staat dat het te verwachten windklimaat rond het plan vrijwel overal goed is voor lopen en dat bij de zuidoosthoek van het plangebied het windklimaat zeer lokaal net matig is voor doorlopen. Dankzij de aanwezigheid van de parkeerlaag is het windklimaat ter plaatse van de speelplaats aan de noordoostzijde van het plangebied goed voor slenteren en ter plaatse van de entrees is het te verwachten windklimaat ook goed voor slenteren. Bij de woningen aan de Haastenburg en het Catsveld en voor een groot deel van de gevels van de woningen aan de Lekkenburg mag een goed windklimaat voor langdurig stilzitten worden verwacht. Op basis van de berekeningen is er in het gebied rond de geplande nieuwbouw geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten.
27
De conclusie van het windonderzoek is dat het te verwachten windklimaat rond het plan gunstig is en dat er geen verdere maatregelen ter verbetering van het windklimaat noodzakelijk zijn. 42.3. Over het betoog dat niet de maximale mogelijkheden van het plan als uitgangspunt zijn genomen, overweegt de Afdeling dat volgens het windonderzoek onder meer gebruik is gemaakt van het door de architect aangeleverde 3D-model van de geplande bebouwing. Daarover is in de nadere notitie van Peutz vermeld dat dit geen invloed heeft op de resultaten gezien de kleine verschillen tussen de geplande bebouwing en het bestemmingsplanvolume. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Voor zover de vereniging betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de windhinder in de voortuinen en terrassen van de woningen aan de Haastenburg, merkt de Afdeling op dat in de nadere notitie van Peutz is vermeld dat bij het windonderzoek ook de tuinen en terrassen van deze woningen zijn bekeken. In dat verband wijst de Afdeling op de afbeelding op pagina 11 van het windonderzoek. De stelling dat het windklimaat voor fiets- en voetgangersverkeer op de Ridder van Catsweg niet is bekeken, volgt de Afdeling gelet op deze afbeelding ook niet.
Bovendien is in de nadere notitie van Peutz vermeld dat een matig windklimaat voor slenteren voor de activiteit doorlopen gunstig is te noemen en niet zal leiden tot problemen voor voetgangers of fietsers. 42.4. In wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de conclusies van het windonderzoek en de nadere notitie van Peutz te twijfelen. De Afdeling oordeelt dat de raad in verband met het aspect windhinder het plan heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet. Bodem 43. [appellant] betoogt dat de bodem mogelijk tot hoogstwaarschijnlijk is verontreinigd vanwege de eerdere vestiging van een tankstation op de planlocatie. Ten onrechte heeft de raad dit niet onderzocht. 43.1. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet ter beoordeling staan. Maar de raad had het plan niet mogen vaststellen, als hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 43.2. Voorafgaand aan het vaststellen van het plan is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het door ORTAGEO Nederland B.V.
opgestelde rapport "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek. Ridder van Catsweg 681-687 in Gouda" van 4 april 2019 (hierna: het bodemonderzoek). Daarin is onder meer geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met zware metalen en minerale olie en dat de ondergrond op het achterterrein plaatselijk matig is verontreinigd met PCB. Daarnaast is de ondergrond lokaal licht met minerale olie verontreinigd en het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium en zink. In paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting is vermeld dat op basis van de onderzoeksresultaten het noodzakelijk is dat op de locatie sanerende werkzaamheden plaatsvinden. Het noodzakelijke saneringsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland goedgekeurd.
28
Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de aanwezige bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Milieueffectrapportage 44. De vereniging betoogt dat de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg 683, Gouda" van 29 juni 2021 niet door de raad is vastgesteld. Deze aanmeldnotitie is volgens hen namelijk pas na de vaststelling van het besluit van 30 juni 2021 als bijlage bij dat besluit gevoegd. De vereniging betoogt daarnaast dat in de aanmeldnotitie wordt verwezen naar conclusies uit rapporten, terwijl zij deze conclusies niet onderschrijven. Gelet hierop kon niet worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen meebrengt. [appellant] betoogt dat voor het plan ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt. Het standpunt van de raad dat de milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling beperkt zijn en er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maakt, is volgens hem onbegrijpelijk. De in het plan voorziene ontwikkeling zal namelijk worden gebouwd op een bodem die vanwege de eerdere aanwezigheid van een tankstation is verontreinigd. 44.1.
Niet in geschil is dat wat betreft de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt de drempelwaarden van onderdeel D, categorie D11.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Hoewel de drempelwaarden niet worden overschreden, moet op grond van de criteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn ook worden bezien of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en of het uitvoeren van een plan-m.e.r. alsnog noodzakelijk is. Dit volgt uit artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm). In bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn zijn de kenmerken van het project/de activiteit, de plaats van het project/de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect als criteria genoemd. 44.2. Het college heeft op 14 juli 2020 een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Aan dit besluit is - anders dan de vereniging veronderstelt - de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg, Gouda" van 4 oktober 2019, die is opgenomen in bijlage 7 bij de plantoelichting van het ontwerpplan, ten grondslag gelegd. Uit bijlage 9 bij het herstelbesluit kan verder worden afgeleid dat de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg 683, Gouda" op 29 juni 2021 is geactualiseerd.
De omstandigheid dat de raad de aanmeldnotitie niet zou hebben vastgesteld, wat daarvan ook zij, betekent niet dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit gebrekkig is, omdat het college het m.e.r.beoordelingsbesluit heeft genomen. Het college was daartoe gelet op artikel 7.1, vierde lid, van de Wm bevoegd. In het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt voor de verdere inhoudelijke onderbouwing verwezen naar de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019. In de aanmeldnotitie is de voorgenomen activiteit getoetst aan de criteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Er wordt op gewezen dat de diverse milieuaspecten zijn beoordeeld en dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. De vereniging heeft niet geconcretiseerd waarom dit geen toereikende beoordeling op grond van de relevante criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn
29
zou zijn. Alleen de stelling dat de vereniging de conclusies niet onderschrijft van de rapporten waarnaar in de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019 die geactualiseerd is op 29 juni 2021, wordt verwezen, is daarvoor onvoldoende. 44.3. Wat betreft het aspect bodem overweegt de Afdeling als volgt. In het door ORTAGEO Noordoost B.V. opgestelde bodemonderzoek van 4 april 2019 is onder meer geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met zware metalen en minerale olie en dat de ondergrond op het achterterrein plaatselijk matig is verontreinigd met PCB. De Afdeling stelt vast dat in de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019, op grond waarvan het m.e.r.beoordelingsbesluit is genomen, niet is ingegaan op het aspect bodem. De Afdeling is daarom van oordeel dat niet alle relevante criteria als genoemd in bijlage III van de m.e.r.richtlijn toereikend zijn beoordeeld in de uitgevoerde m.e.r-beoordeling. Dit is in strijd met artikel 7.17, derde lid, van de Wm. Maar de Afdeling ziet aanleiding om de schending van artikel 7.17, derde lid, van de Wm met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling acht niet aannemelijk dat [appellant] en andere belanghebbenden door de schending van artikel 7.17, derde lid, van de Wm zijn benadeeld.
Zoals hiervoor uiteen is gezet onder 43.2, is in paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting inzichtelijk gemaakt dat het aspect bodem niet zonder meer aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het noodzakelijke saneringsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland goedgekeurd. De raad heeft zich op de zitting op het standpunt mogen stellen, dat ook wat betreft de bodemsituatie er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die maken dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld. 44.4. De betogen slagen niet. Planregels voor het overige Doelgroepen en prijsklassen voorziene woningen 45. De vereniging stelt dat de raad ten onrechte niet in de planregels heeft verankerd wat de doelgroepen en de prijsklassen zijn voor de voorziene woningen, terwijl hij dat gelet op de plantoelichting wel van belang heeft geacht. 45.1. Op grond van artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van de uitvoerbaarheid regels bevatten over sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap. 45.2. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij niet met het bestemmingsplan, maar met het woningbouwprogramma wil bereiken dat wordt voorzien in een passend woningaanbod voor verschillende doelgroepen waaronder starters en senioren.
De raad ziet daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het plan geen noodzaak om daarin regels op te nemen als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro. In wat de vereniging aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Het betoog slaagt niet. Hoogste punt van een gebouw 46. In artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels is volgens de vereniging bepaald dat de hoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw. Het hoogste punt is niet beperkt tot het dakvlak, als bedoeld in artikel 1.20 van de
30
planregels. Volgens de vereniging is het daarom rechtsonzeker wat het hoogste punt van een gebouw is. 46.1. Uit artikel 1.20 van de planregels volgt dat het dakvlak de bovenafsluiting van een gebouw met inbegrip van isolatielagen en dakbedekking betreft, maar met uitzondering van verhoogde dakranden. Uit artikel 2.1, eerste alinea, van de planregels volgt dat de bouwhoogte van dakopbouwen ten behoeve van bijvoorbeeld noodtrappen moet worden gemeten vanaf de bovenkant van het dakvlak van een gebouw tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. Uit artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels volgt verder dat de bouwhoogte van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde moet worden gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, met uitzondering van bijvoorbeeld dakopbouwen en ondergeschikte bouwonderdelen. Uit deze bepalingen kan worden afgeleid dat het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels, de bovenkant van het dak betreft waarop bijvoorbeeld dakopbouwen en ondergeschikte bouwonderdelen mogen worden geplaatst. Het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in deze bepaling zou ook een verhoogde dakrand kunnen zijn gelet op artikel 1.20 van de planregels.
De Afdeling is daarom van oordeel dat het niet rechtsonzeker is wat het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels is. Het betoog slaagt niet. Aanlegfase 47. De vereniging voert aan dat in verschillende onderzoeken die ten grondslag liggen aan het plan, wordt uitgegaan van bepaalde stikstofuitstoot van werktuigen, terwijl in de planregels niet is bepaald dat overeenkomstig die uitgangspunten moet worden gewerkt. 47.1. De Afdeling overweegt dat de raad er in redelijkheid van heeft kunnen afzien om in het plan vast te leggen welk type werktuigen voor de realisering van het voorziene bouwplan wordt gebruikt. Dit is primair een kwestie van uitvoering. In een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan moet worden uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar die uitgangspunten hoeven niet per se in het bestemmingsplan te worden geborgd. Het betoog slaagt niet. Evenwichtige belangenafweging en financieel belang 48. De vereniging en [appellant] betogen dat door de raad ten onrechte doorslaggevende betekenis is toegekend aan de mededeling van het college dat de businesscase van Vastbouw onvoldoende ruimte laat om verdere aanpassingen te doen. Zo’n financieel belang mag volgens de vereniging geen deel uitmaken van de onderbouwing van dit bestemmingsplan.
[appellant] wijst erop dat - gelet op dit financiële belang - nauwelijks is gekeken naar de ruimtelijke inpassing van de voorziene ontwikkeling. 48.1. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad veel gewicht toegekend aan het belang dat wordt gediend met het realiseren van 172 appartementen, namelijk het leveren van een bijdrage aan de opgave om woningen toe te voegen aan de regionale woonmarkt en het bevorderen van de doorstroming op de woonmarkt. Uit de stukken blijkt dat de raad het plan heeft vastgesteld met het oog op dit algemene belang en niet vanwege de wensen of de financiële belangen van de initiatiefnemer. De raad heeft ook andere belangen, zoals de belangen van omwonenden, in zijn
31
besluitvorming betrokken. Uit paragraaf 9.3 van de plantoelichting volgt dat de naar voren gebrachte zienswijzen in combinatie met de uitkomsten van de dialoogsessies en enkele ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het plan. De aanpassingen betreffen onder meer het verlagen van de maximaal toegestane bouwhoogtes, het verlagen van het aantal woningen naar 172 en het wijzigen van de situering en de omvang van het bouwvlak op de westelijke zijde van het plangebied. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat geen evenwichtige belangenafweging aan het plan ten grondslag ligt. De betogen slagen niet. EVRM 49. De vereniging betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft gehandeld. Door de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een onevenredige inbreuk gemaakt op haar eigendom, privacy, woongenot, gezondheid en welzijn. In het bijzonder wijst zij op de woningen aan de Haastenburg waar als gevolg van het plan een cumulatie van effecten zal optreden. Volgens haar is er geen ‘fair balance’ tussen de eigendomsaantasting en het algemeen belang. 49.1.
Op grond van artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Deze bepaling laat onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang (vergelijk de uitspraak van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1021). Een bestemmingsplanregeling is zo’n regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7996). Gelet op wat hiervoor is overwogen over de beroepsgronden van de vereniging en in het licht van de beleidsruimte van de raad bij het vaststellen van nieuwe bestemmingen en regels, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van de vereniging niet op voldoende evenwichtige wijze heeft afgewogen bij zijn besluitvorming. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan het door artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht van de vereniging is geschonden. Het betoog slaagt niet. Planschade 50. [appellant] betoogt dat vooralsnog geen duidelijkheid is gegeven over de afwikkeling van planschade. 50.1. De Afdeling overweegt dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat.
De Afdeling wijst op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in te dienen. Het staat [appellant] vrij om daarop een beroep te doen. Het betoog slaagt niet. Herhalen en inlassen zienswijze
32
51. Voor zover de vereniging en [appellant] voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota is ingegaan op die zienswijzen. De vereniging en [appellant] hebben in hun beroepschrift en op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen onjuist of onvolledig zou zijn. Verzoek inschakelen deskundige 52. De vereniging heeft de Afdeling verzocht om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Gelet op wat hiervoor in deze uitspraak is overwogen, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet nodig. Conclusie 53. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 12.1, 14.4, 17.6, 18.1, 19.6, 21.4, 23.1, 25.3 en 37.1, zijn de beroepen van de vereniging en [appellant] tegen het herstelbesluit gegrond. Omdat de geconstateerde gebreken in het herstelbesluit grotendeels ook kleven aan het besluit van 30 juni 2021, zijn ook de beroepen van de vereniging en [appellant] tegen het besluit van 30 juni 2021 gegrond. Bestuurlijke lus 54.
Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog: - met inachtneming van wat is overwogen onder 12.1, te waarborgen dat de formulering van de artikelen 1.27 en 1.11, onder b, van de planregels uit het herstelbesluit overeenstemt met de versie van de planregels die op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is geplaatst; - met inachtneming van wat is overwogen onder 14.4, toereikend te motiveren waarom bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zich voordoen op grond waarvan had kunnen worden afgeweken van de nota hoogbouw ten aanzien van de bouwhoogtes voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde van het plangebied, of een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Bij het nemen van een gewijzigd of nieuw besluit zou de raad ervoor kunnen kiezen om artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels te schrappen, als het opnemen van een bevoegdheid voor zo’n afwijking van de geldende bouwhoogtes in dit geval niet nodig wordt geacht. De raad zou er ook voor kunnen kiezen om de bouwhoogtes voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde te verlagen.
Als de raad ervoor kiest om deze bouwhoogtes te verlagen, dan geeft de Afdeling mee dat het bezonningsonderzoek en de plantoelichting op dit punt ook moeten worden gewijzigd; - met inachtneming van wat is overwogen onder 17.6, een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot het aanleggen en in stand houden van minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen. In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als het in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels bedoelde groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden; - met inachtneming van wat is overwogen onder 18.1, artikel 11.4, aanhef en onder b, of artikel 11.3 van de planregels te wijzigen, zodat zekerheid wordt geboden over de vraag van welke beleidsregels moet worden uitgegaan; - met inachtneming van wat is overwogen onder 19.6, een voorwaardelijke verplichting in de
33
planregels op te nemen die strekt tot het realiseren en in stand houden van een overkapping met een groen dak op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek. In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als de in artikel 11.5 van de planregels bedoelde overkapping met een groen dak niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden; - met inachtneming van wat is overwogen onder 21.4, een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot het treffen en in stand houden van de maatregel ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m.
In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als de maatregel ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m, niet is getroffen en in stand wordt gehouden; - met inachtneming van wat is overwogen onder 23.1, artikel 8.8 van de planregels te wijzigen en het plan zo aan te passen, zodat zekerheid wordt geboden over de vraag waar de parkeervoorzieningen moeten worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m; - met inachtneming van wat is overwogen onder 25.3, een onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de voorziene bebouwing voor de bezonning van de woningen aan de Haastenburg. De Afdeling geeft de raad mee dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op het hele dakoppervlak van het gebouw mogen worden geplaatst op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels; - met inachtneming van wat is overwogen onder 37.1, het daar omschreven gebrek te herstellen.
Bij het nemen van een gewijzigd of nieuw besluit zou de raad ervoor kunnen kiezen om een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot de aanleg en instandhouding van de gesloten parkeergarage voor de begane grond, als de raad het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd. Als de raad er niet voor kiest om zo’n voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen, dan moeten het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de plantoelichting op een toereikende wijze worden gewijzigd; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft niet opnieuw te worden toegepast. Samenvatting 55. Deze uitspraak is een tussenuitspraak. Dat houdt in dat pas in een volgende uitspraak - de einduitspraak - definitief op de beroepen zal worden beslist. Over de volgende beroepsgronden zal, voor zover nog opportuun en in het licht van het daarover door de raad nog te nemen herstelbesluit, in de einduitspraak definitief worden geoordeeld: - de beroepsgronden over de bezonning (onder 26); - de beroepsgronden over de parkeergarage (onder 38). Proceskosten en griffierecht 56.
In de einduitspraak zal worden beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
34
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Gouda op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van overweging 54 de daar omschreven gebreken in het besluit van 8 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022 159-926
BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 4:84 Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Artikel 6:22 Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Artikel 8:51d Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.
35
Besluit m.e.r. Categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.2 1. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid kan een bestemmingsplan regels bevatten met betrekking tot sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap. 2. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten: a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels; […]. Gemeentewet Artikel 160 1. Het college is in ieder geval bevoegd: […] b. beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast;
36
[…]. Planregels van het op 9 december 2021 vastgestelde bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" Artikel 1.20 dakvlak bovenafsluiting van een gebouw, met inbegrip van isolatielagen en dakbedekking maar met uitzondering van verhoogde dakranden. Artikel 1.27 Mobility as a Service Mobiliteitsdienst waarmee gebruikers via een gezamenlijk digitaal platform de multimodale (vraag gestuurde en realtime) mobiliteitsdiensten, zoals openbaar vervoer, een deelauto, deelbakfiets en eventueel daaraan toe te voegen andere vervoersmodaliteiten, kunnen plannen, boeken, betalen en afnemen. Artikel 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk Voor dakopbouwen t.b.v. noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties vanaf de bovenkant van het dakvlak van een gebouw tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. Voor overige bouwwerken vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van dakopbouwen t.b.v. noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties en overige ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Artikel 3.1 De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen en water; […] c. speelvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; […].
Artikel 5.1 De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] d. parkeervoorzieningen, met uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf - parkeerdek' een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen; […]. Artikel 5.2.1 Op de voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat:
37
[…] b. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf parkeerdek' niet meer mag bedragen dan 8 m; […]. Artikel 6.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in of bij een woning en beroepsmatige activiteiten in of bij een woning; […] e. parkeervoorzieningen, met uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf - parkeerdek' een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen; […]. Artikel 6.2.1 Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat: […] d. de bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 10 m, tenzij binnen een bouwvlak, of een gedeelte daarvan, anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; […]. Artikel 6.3.2 a. De voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebruikt indien voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen wordt gerealiseerd en in stand gehouden; b. Aan de verplichting als bedoeld onder a wordt voldaan indien uitvoering is gegeven aan het Mobiliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 2, waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien: 1.
Minimaal 234 parkeerplaatsen beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a., waarvan 12 parkeerplaatsen gereserveerd zijn voor deelauto's, en; 2. 3 opstelplaatsen voor elektrische deelbakfietsen en minimaal 850 fietsparkeerplekken beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a, en; 3. 12 elektrische deelauto's en 3 elektrische deelbakfietsen in het kader van Mobility as a Service beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a. Artikel 6.4.1 Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het
38
bepaalde in 6.3.2 onder b indien monitoring zoals omschreven in het in Bijlage 2 opgenomen Mobiliteitsplan daar aanleiding toe geeft, waarbij de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien middels een gewijzigd mobiliteitsplan aangetoond wordt dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en derhalve op het maatgevende moment geen sprake zal zijn van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied. Artikel 8.3 Voor dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties gelden de volgende regels: a. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties mogen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van het dakoppervlak van het gebouw waarop zij worden geplaatst; b. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties mogen niet hoger zijn dan 1,2 m gemeten vanaf het dakvlak als bedoeld in 2.1. Artikel 8.4 a. dakopbouwen ten behoeve van zonnepaneelinstallaties mogen niet hoger zijn dan 1,2 m gemeten vanaf het dakvlak als bedoeld in 2.1. Artikel 8.6 De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en maatvoering, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door: […] e.
voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie voor zover deze binnen een bouwvlak en op het dak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 3,5 m wordt overschreden; […]. Artikel 8.8 Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' staat vast dat maatregelen worden getroffen en in stand gehouden om directe lichtuitstraling op de gevels van de nabij het plangebied aanwezige bestaande woningen, ten gevolge van koplampen van verkeer binnen het plangebied, tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de parkeervoorzieningen waar nodig worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,20 meter of een maatregel met een vergelijkbaar effect wordt getroffen. Artikel 10 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van: a. een afwijking ten aanzien van de voorgeschreven hoogte van gebouwen, hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanduidingen, eventueel met een overschrijding van de bouwgrenzen, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;