Uitspraak RvS 202105299-1-R3.pdf
Tekst van het document
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:1504
Datum uitspraak
25 mei 2022
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de raad van de gemeente Gouda het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" vastgesteld. Het plangebied bevindt zich in Gouda en wordt begrensd door de Ridder van Catsweg aan de noorden oostzijde en het Catsveld aan de zuidzijde. Op de gronden van het plangebied waren een autobedrijf met een showroom, een autowerkplaats, een wasstraat en een tankstation gevestigd. Vastbouw wil de gronden van het plangebied ontwikkelen als woningbouwlocatie. Het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" kent daarvoor onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen", "Tuin" en "Verkeer Verblijf" toe aan de gronden van het plangebied. Het aantal in het plangebied voorziene woningen bedraagt maximaal 172. Deze woningen zullen volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting in drie woongebouwen worden gerealiseerd.
Volledige tekst 202105299/1/R3. Datum uitspraak: 25 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. Vereniging Beheer Catsveld Locatie, gevestigd te Gouda, en anderen, (hierna tezamen en in enkelvoud: de vereniging), 2. [appellant], wonend te Gouda, appellanten, en
1
de raad van de gemeente Gouda, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de vereniging en [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Vastbouw Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: Vastbouw) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 8 december 2021 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De vereniging, [appellant] en Vastbouw hebben een zienswijze naar voren gebracht naar aanleiding van het herstelbesluit. De raad en Vastbouw hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 28 februari 2022, waar zijn verschenen: - de vereniging, bij monde van [gemachtigden A], bijgestaan door [gemachtigde B]; - [appellant], bijgestaan door mr. M.J.S. Spanjersberg, advocaat te Zoetermeer; - de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Rausch, mr. S. Davids en drs. H. van Dijk. Ook is op zitting Vastbouw, vertegenwoordigd door [gemachtigden C] en bijgestaan door mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruin, beiden advocaat te Arnhem, als partij gehoord. Namens Vastbouw zijn ook gehoord dr. ir. L. Aanen, T.B.W. Kraaijenbrink MSc, beiden werkzaam bij Peutz, en J. Langejans, werkzaam bij BJZ.nu.
Overwegingen Bestuurlijke lus 1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Inleiding 2. Het plangebied bevindt zich in Gouda en wordt begrensd door de Ridder van Catsweg aan de noord- en oostzijde en het Catsveld aan de zuidzijde. Op de gronden van het plangebied waren een autobedrijf met een showroom, een autowerkplaats, een wasstraat en een tankstation gevestigd. Vastbouw wil de gronden van het plangebied ontwikkelen als woningbouwlocatie. Het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" kent daarvoor onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijf" toe aan de gronden van het plangebied. Het aantal in het plangebied voorziene woningen bedraagt maximaal 172. Deze woningen zullen volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting in drie woongebouwen worden gerealiseerd. 3. Het beroep van de vereniging is ook ingediend namens de natuurlijke personen die wonen
2
aan de [zeven locaties]. [appellant] woont aan [locatie 8]. De vereniging en [appellant] kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan. Herstelbesluit 4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." 5. Bij het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit ook een beroep van rechtswege is ontstaan van de vereniging en [appellant]. Wat zij tegen het oorspronkelijke besluit van 30 juni 2021 naar voren hebben gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van hun beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit. Bijlage 6. De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Intrekking beroepsgronden 7. Op de zitting heeft de vereniging haar beroepsgronden over de vaststelling van een wezenlijk ander plan en de luchtkwaliteit ingetrokken.
[appellant] heeft op de zitting zijn beroepsgronden over de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet en de openbare plint ingetrokken. Toetsingskader 8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep tegen het herstelbesluit Procedureel Inspraak 9. De vereniging voert aan dat er ten onrechte geen voorontwerp voor inspraak ter inzage is gelegd en dat er geen inspraakmogelijkheid is geweest voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan. 9.1. De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de procedurele regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en de Awb is verlopen.
Het ter inzage leggen van een voorontwerp en het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maken geen
3
onderdeel uit van de in de Wro, het Bro en de Awb geregelde bestemmingsplanprocedure. De Afdeling wijst er daarnaast op dat een ieder voorafgaand aan de vaststelling van het plan de mogelijkheid krijgt om, mondeling of schriftelijk, zienswijzen naar voren te brengen over het ontwerpplan. Dit heeft de wetgever voldoende gevonden om een visie op het plan naar voren te brengen. De vereniging heeft in dit geval van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Het betoog slaagt niet. Bevoegdheid college 10. De vereniging betoogt dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen niet kan delegeren en mandateren aan het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college). De vereniging wijst op het document "Procesvoorstel vervolgbehandeling BP Ridder van Catsweg 683 i.r.t. voorgestelde ambtshalve wijziging". Dit procesvoorstel is op 15 juni 2021 door de raad aanvaard. Volgens de vereniging volgt uit dit procesvoorstel dat het college in de verbeelding, planregels en plantoelichting ambtshalve wijzigingen kan doorvoeren. Dit is volgens de vereniging door het college gebeurd. 10.1. De Afdeling stelt vast dat uit het procesvoorstel niet volgt dat de bevoegdheid tot de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad aan het college is overgedragen. Het plan is door de raad op 30 juni 2021 vastgesteld. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
Voor zover de vereniging doelt op wijzigingen die door het college zijn doorgevoerd in stukken die ter besluitvorming aan de raad zijn voorgelegd, wijst de Afdeling op het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7636), is het college ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bevoegd beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren. Uit het genoemde document blijkt dat het ambtshalve wijzigen van de verbeelding, planregels en plantoelichting onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van een beslissing van de raad als bedoeld in dat artikelonderdeel. Het betoog slaagt niet. Bestuurlijk informatiesysteem 11. De vereniging betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voert hierover aan dat het college op het laatste moment in het bestuurlijk informatiesysteem bepaalde stukken heeft vervangen. Deze stukken waren ten onrechte niet gevoegd bij de agenda’s van de vergaderingen van de Commissie Stad op 28 juni 2021 en van de raad op 30 juni 2021. De vereniging betoogt daarnaast dat in de "Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen" (hierna: de zienswijzennota) voor de bijeenkomsten van de Commissie Stad en de raad nog de oude bijlagen waren gevoegd. 11.1.
In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat hij het plan heeft vastgesteld op basis van de stukken die deel uitmaken van het bestemmingsplan en de stukken die zijn uitgewisseld in het bestuurlijk informatiesysteem. Daarbij zijn verschillende onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan tussentijds, onder meer naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen, aangevuld en aangepast. Die geactualiseerde onderzoeken zijn toegevoegd aan het bestuurlijk informatiesysteem, waarbij de achterhaalde versies uit het systeem zijn verwijderd. Op de zitting is door de raad verklaard dat bij de besluitvorming tot vaststelling van het plan de raad de beschikking had over alle geactualiseerde stukken. Gelet op deze toelichting van de raad is de Afdeling van oordeel dat de raad aannemelijk
4
heeft gemaakt dat de geactualiseerde stukken kenbaar waren voor de Commissie Stad en de raad. De omstandigheid dat deze stukken niet bij de agenda waren gevoegd en dat in de zienswijzennota nog de oude bijlagen waren gevoegd, wat daarvan ook zij, doet daar niet aan af. Het betoog slaagt niet. Discrepantie tussen het herstelbesluit en de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl 12. De vereniging betoogt dat de tekst van de planregels op de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl afwijkt van het herstelbesluit dat op 9 december 2021 is vastgesteld. Zij wijst in dit verband op de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels. 12.1. De raad heeft op de zitting erkend dat de formulering van de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels zoals opgenomen in het herstelbesluit afwijkt van de formulering van de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. De raad heeft aangegeven dat hij het plan had willen vaststellen conform de versie die op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is geplaatst. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat de raad een ander besluit heeft genomen dan de raad had willen nemen. De Afdeling oordeelt dat daardoor een rechtsonzekere situatie is ontstaan en het herstelbesluit in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het betoog slaagt. 12.2.
De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. 13. De vereniging betoogt dat op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl het integrale, gewijzigde, bestemmingsplan is gepubliceerd in plaats van het herstelbesluit met bijlagen. Dit is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 13.1. De Afdeling overweegt dat de raad heeft beoogd om - zoals hiervoor onder 5 is overwogen - met het herstelbesluit het besluit van 30 juni 2021 in zijn geheel te vervangen. Door het publiceren van het integrale bestemmingsplan op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is daarom geen rechtsonzekere situatie ontstaan. Het betoog slaagt niet. Nota hoogbouw 14. De vereniging betoogt dat de raad in dit geval geen toepassing heeft kunnen geven aan de gemeentelijke nota hoogbouw van mei 2005, zodat deze nota niet bij de totstandkoming van het bestemmingsplan kon worden betrokken. Zij wijst erop dat de nota hoogbouw 16 jaar oud is en daarom ruimschoots de termijn van 10 jaar overschrijdt die gangbaar is voor de actualisatie van planologisch relevante besluiten. Daarnaast stelt zij dat in het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" uit 2010 geen toepassing is gegeven aan de nota hoogbouw, waardoor deze nota inmiddels is achterhaald.
Voor zover de nota hoogbouw wel van toepassing is - wat de vereniging betwist - betoogt zij dat op grond van artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in verbinding met de verbeelding binnen de bestemming "Wonen" een gebouw van 32 m is toegestaan. Deze hoogte kan op grond van artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels worden verhoogd met 10%. Bovendien kunnen op grond van de artikelen 8.3 en 8.4 van de planregels ook dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties worden geplaatst. Dit is in strijd met de nota hoogbouw die een gebouw van maximaal 35 m toestaat. Gelet op deze strijdigheid had volgens de vereniging zo
5
vroeg mogelijk een besluitvormings- en interactieproces moeten worden ingericht. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Daarnaast betoogt [appellant] dat de gronden van het plangebied in de nota hoogbouw niet zijn aangewezen als hoogbouwzone. Bovendien is het volgens hem niet de bedoeling geweest om in het centrum van Bloemendaal, waar het plangebied naast is gelegen, met hoogbouw de lucht in te gaan. In dit verband wijst hij op de tekst op pagina 29 van de nota hoogbouw en op de vele zienswijzen die naar voren zijn gebracht. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de nota hoogbouw. 14.1. Op pagina 9 van de nota hoogbouw is vermeld dat de nota hoogbouw een beleidsregel is. Op zoneringskaarten is aangegeven waar hoogbouw binnen Gouda denkbaar is en wat de maximale bouwhoogtes zijn. Van de nota hoogbouw kan alleen worden afgeweken in bijzondere gevallen, namelijk als de toepassing van de nota hoogbouw onevenredig is gelet op het doel waarmee deze nota is opgesteld. Daarbij moet het gaan om zwaarwegende algemene en maatschappelijke belangen. Aan afwijking van de nota hoogbouw wordt volgens de nota een zware motiveringseis gesteld. Op pagina 29 van de nota hoogbouw is een kaart opgenomen waar onder meer de gronden van het plangebied geel zijn gearceerd. Vermeld is dat een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m.
Onder deze kaart is de volgende tekst opgenomen: "Zo kunnen de gebieden benoemd worden waar hoogbouw mag, mits het zich voegt in het handschrift van de wijk. In Gouda Zuid zijn de locaties verweven met de structuur van de wijk. In Noord gaat het, op het centrum van Bloemendaal na, om gebieden die in de huidige situatie een soort blinde vlekken binnen de stad vormen, maar waar de kans ligt om zowel de aanhechting aan de stad te verbeteren, de groenstructuur te versterken en een schaalsprong te maken. Hier kunnen nieuwe programmacombinaties gezocht worden en mag het de lucht in." 14.2. Over het betoog dat de nota hoogbouw in dit geval niet van toepassing is, overweegt de Afdeling als volgt. De nota hoogbouw is volgens de vermelding op pagina 9 een beleidsregel. De raad moet ingevolge artikel 4:84 van de Awb in beginsel overeenkomstig beleidsregels handelen. Omdat niet is gebleken dat de nota hoogbouw is ingetrokken, moet de nota hoogbouw bij de besluitvorming worden betrokken. Weliswaar stelt de vereniging dat de nota hoogbouw 16 jaar oud is en dat in zoverre de termijn van 10 jaar die gangbaar is voor de actualisatie van planologische besluiten wordt overschreden, maar de Afdeling merkt op dat op 1 juli 2018 de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen en beheersverordeningen is komen te vervallen.
Bovendien is de nota hoogbouw een beleidsregel waarvoor deze actualiseringsplicht niet gold. De omstandigheid dat in het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" geen toepassing is gegeven aan de nota hoogbouw en hoogbouw toen niet toestond, maakt het voorgaande niet anders. Aan het vorige bestemmingsplan kunnen namelijk geen blijvende rechten worden ontleend. 14.3. De stelling dat de gronden van het plangebied niet zijn aangewezen als hoogbouwlocatie, volgt de Afdeling niet. Uit het gestelde onder 14.1 volgt dat op de in de nota hoogbouw opgenomen kaart de gronden van het plangebied geel zijn gearceerd en dat voor deze gronden een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m. Anders dan [appellant] betoogt, kan uit de tekst op pagina 29 van de nota niet worden afgeleid dat het niet de bedoeling is geweest om hoogbouw in het plangebied toe te staan. Met deze tekst is namelijk beoogd aan te geven wat voor soort gebieden voor hoogbouw in aanmerking komen. 14.4. Uit artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang met de
6
verbeelding volgen de toegestane bouwhoogtes voor de gronden met de bestemming "Wonen". In artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels is bepaald dat de in het plan opgenomen regels met betrekking tot onder meer maatvoering niet van toepassing zijn voor wat betreft overschrijding door voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie, voor zover deze binnen een bouwvlak en op het dak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale bouwhoogte niet met meer dan 3,5 m wordt overschreden. Uit artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat het college bevoegd is om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in de planregels ten aanzien van onder meer de voorgeschreven hoogte van gebouwen, voor zover deze afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in het plan voorgeschreven maat. Uit artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang met de verbeelding volgt dat voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde van het plangebied bouwhoogtes van onderscheidenlijk 32 en 29 m gelden. Deze hoogtes kunnen worden verhoogd tot 39,05 en 35,75 m gelet op wat is bepaald in de artikelen 8.6, aanhef en onder e, en 10, aanhef en onder a, van de planregels. Op de kaart op pagina 29 van de nota hoogbouw is echter vermeld dat een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m.
Dit betekent dat het herstelbesluit in zoverre niet in overeenstemming is met de nota hoogbouw. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan had kunnen worden afgeweken van de nota hoogbouw. Zoals onder 14.1 is overwogen, wordt aan een afwijking van de nota hoogbouw een zware motiveringseis gesteld. Die motivering is door de raad in dit geval niet gegeven. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het herstelbesluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De betogen slagen. 14.5. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. Structuurvisie Groen 15. De vereniging en [appellant] betogen dat het plan niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, zoals dat is verwoord in de op 6 maart 2019 door de raad vastgestelde Structuurvisie Groen. Eerste beleidsregel 16. De vereniging en [appellant] betogen dat de eerste beleidsregel uit de Structuurvisie Groen voorschrijft dat de oppervlakte van bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen ten minste behouden moeten blijven. Daarvan is volgens hen geen sprake.
De omstandigheid dat in de zienswijzennota staat dat in het inrichtingsplan is beschreven hoe het gebied zal worden ingericht, is volgens de vereniging onvoldoende, omdat het bestemmingsplan die inrichting niet voorschrijft. 16.1. In de Structuurvisie Groen is op pagina 5 vermeld dat de doelen van de structuurvisie zijn het vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen en het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten en wateroverlast en hittestress te verminderen. Er zijn vijf beleidsregels in de structuurvisie opgenomen, waarmee bij planontwikkelingen rekening moet worden gehouden. De eerste beleidsregel is dat de oppervlakte van bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen ten minste worden behouden. Deze beleidsregel vormt het uitgangspunt bij plantontwikkelingen. De tweede beleidsregel betreft dat bij
7
planontwikkelingen een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied als openbaar groen moet worden ingericht. 16.2. Aan de gronden van het plangebied zijn in het plan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Verkeer - Verblijf" toegekend. De oppervlakte van de gronden met de bestemming "Groen" bedraagt ongeveer 2.200 m². Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, c en d, van de planregels zijn de voor groen aangewezen gronden bestemd voor onder meer groenvoorzieningen, water, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. In het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" was aan de gronden van het plangebied de bestemming "Bedrijf" toegekend. Daarnaast waren aan het grootste deel van de gronden van het plangebied een bouwvlak en de maatvoeringsaanduidingen "maximum bebouwingspercentage terrein: 50%" en "maximum bouwhoogte: 5 m" toegekend. Bij een vergelijking tussen het bestreden plan en het vorige plan neemt met het bestreden plan en de daarin toegekende bestemmingen de beoogde omvang van openbaar groen en water toe. De omstandigheid dat in de zienswijzennota wordt verwezen naar het inrichtingsplan, doet hier gelet op de verbeelding en planregels van het plan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" niet aan af.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd met de eerste beleidsregel uit de Structuurvisie Groen is vastgesteld. De betogen slagen niet. Tweede beleidsregel 17. De vereniging en [appellant] betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de tweede beleidsregel uit de Structuurvisie Groen dat een oppervlakte ter grootte van ten minste 15 procent als openbaar groen moet worden ingericht. De vereniging wijst er in dat verband op dat artikel 11.4 van de planregels de instandhouding van het openbaar groen niet verzekert, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is. Volgens haar is deze bepaling ook rechtsonzeker, omdat onduidelijk is hoe moet worden aangetoond dat ter plaatse minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied wordt ingericht als openbaar groen. 17.1. De raad stelt dat op grond van artikel 11.4 van de planregels bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan het uitgangspunt uit de Structuurvisie Groen dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden. Dit zal moeten worden aangetoond in de aanvraag voor deze vergunning.
De aanvraag zal door het college worden opgenomen als onderdeel van de omgevingsvergunning, wat een vaste werkwijze is in de gemeente Gouda. Als het openbaar groen niet wordt aangelegd of niet in stand wordt gehouden, dan kan en zal volgens de raad worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Dit is volgens de raad in lijn met de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, onder 7.1, en 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2820, onder 6.3. De raad wijst er ook op dat een voorschrift aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal worden verbonden om de instandhouding van het openbaar groen ook nog langs die weg te borgen. 17.2. Zoals hiervoor onder 16.1 uiteen is gezet, houdt de tweede beleidsregel uit de Structuurvisie Groen in dat bij planontwikkelingen een oppervlakte ter grootte van ten minste 15 procent van het totale projectgebied als openbaar groen moet worden ingericht. Daarover
8
is het volgende in de planregels bepaald: "11.4 Voorwaardelijke verplichting openbaar groen Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat: a. de beleidsregels, zoals bepaald in de Structuurvisie Groen, welke als Bijlage 3 bij de regels is toegevoegd, in acht zijn genomen, waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien ter plaatse van minimaal 15% van de oppervlakte van het plan openbaar groen wordt aangelegd en in stand gehouden; b. indien de beleidsregels zoals opgenomen in sub a worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden." 17.3. Anders dan de kop van artikel 11.4 van de planregels suggereert, betreft de regeling in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden en dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning. 17.4.
Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kunnen, gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, alleen voorschriften worden verbonden die zien op deze activiteit. Vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:316, en van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4047. De omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling zal in dit geval uitsluitend worden verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Een voorschrift dat strekt tot het realiseren en in standhouden van een bepaald percentage openbaar groen, heeft echter geen betrekking op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit betekent dat - gelet op het bepaalde in artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo - aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zo’n voorschrift niet kan worden verbonden. De Afdeling is daarom van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen waaraan een voorschrift wordt verbonden dat strekt tot het realiseren en in stand houden van een bepaald percentage openbaar groen, geen grondslag voor handhaving biedt, als het openbaar groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Over de vergelijking van de raad met de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, overweegt de Afdeling als volgt.
Uit overweging 7.1 van die uitspraak blijkt dat de raad in artikel 10, onder c, van de planregels van het in die zaak aan de orde zijnde plan had geborgd dat bij een toename van verhard oppervlak, minimaal 10 procent van de oppervlakte van de toename van verhard oppervlak moest worden gecompenseerd. In de plantoelichting bij dat plan was weliswaar vermeld dat in de aanvraag voor een omgevingsvergunning zou worden uitgewerkt op welke wijze de watercompensatie zou worden toegepast, maar uit overweging 7.2 van deze uitspraak blijkt ook dat de planregel zo moest worden uitgelegd dat de gronden waarop de nieuwe verharding is voorzien, niet mogen worden gebruikt als het verhardingsoppervlak in het plangebied toeneemt, terwijl niet minimaal 10 procent van deze toename aan watercompensatie wordt gerealiseerd.
9
Bovendien zag de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door artikel 10, onder c, van de planregels zo aan te passen, zodat de te realiseren oppervlakte aan watercompensatie ook in stand moet worden gehouden. In het hier aan de orde zijnde plan is geen planregel opgenomen dat een bepaald percentage openbaar groen moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat de in de uitspraak van 26 januari 2022 aan de orde zijnde situatie niet vergelijkbaar is met de nu aan de orde zijnde situatie. De vergelijking van de raad met de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2820, gaat ook niet op. Uit overweging 6.3 van deze uitspraak blijkt dat in artikel 4.3 van de planregels van het in die zaak aan de orde zijnde plan was bepaald dat een omgevingsvergunning voor het realiseren van gebouwen alleen zou worden verleend, nadat uit onderzoek was gebleken dat aan de grenswaarden zoals genoemd in tabel 1 bij stap 3 volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" zou worden voldaan. In die zaak stond niet ter beoordeling dat een bepaalde geluidmaatregel moest worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Dit betekent dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie. 17.5.
Voor zover artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels volgens de raad zo kan worden uitgelegd dat daarin staat dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning, overweegt de Afdeling als volgt. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen maakt alleen deel uit van de vergunning als dat in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is vermeld. In artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel zal uitmaken van de vergunning. 17.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen grondslag voor handhaving biedt, als het in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels bedoelde openbaar groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Daarom is met artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels niet verzekerd dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. De betogen slagen. 17.7. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. Artikel 11.4 van de planregels voor het overige 18.
De vereniging betoogt dat artikel 11.4 van de planregels een verwijzing naar de Structuurvisie Groen bevat, die na de vaststelling van het plan zou kunnen worden gewijzigd. Zo’n verwijzing is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook is deze verwijzing in strijd met artikel 11.3 van de planregels, omdat daarin is bepaald dat de regels waarnaar wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de vaststelling van het plan. 18.1. In artikel 11.3 van de planregels is bepaald dat de wettelijke regelingen en beleidsregels waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Artikel 11.4, aanhef en onder b, van de planregels bevat op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro een zogenoemde dynamische verwijzing naar de door de gemeente Gouda vastgestelde Structuurvisie Groen en de eventuele wijzigingen daarvan. Dat is in beginsel toegestaan (vergelijk de uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607). Artikel 11.4 kan ertoe leiden dat andere beleidsregels
10
relevant worden, terwijl in artikel 11.3 van de planregels is bepaald dat de wettelijke regelingen en beleidsregels gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat artikel 11.4 van de planregels zich in zoverre niet verdraagt met het beginsel van rechtszekerheid. Het betoog slaagt. 18.2. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. Overkapping met een groen dak 19. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet is gekozen voor een volledig overkapt parkeerdek, waarbij het dak een groene uitstraling kan krijgen. De vereniging betoogt dat artikel 11.5 van de planregels de instandhouding van de overkapping van het parkeerdek niet verzekert, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is. Volgens haar is ook onduidelijk hoe moet worden aangetoond dat het parkeerdek binnen het plangebied voor minimaal 70% is voorzien van een overkapping met een groen dak. 19.1. De raad stelt dat op grond van artikel 11.5 van de planregels de parkeerplaatsen van het parkeerdek voor 70 procent moeten zijn voorzien van een overkapping met een groen dak. Het gaat hier volgens de raad om algemene bouwregels in het bestemmingsplan. Die regels gelden voor de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling.
Dat wordt voldaan aan deze algemene bouwregels, moet volgens de raad worden aangetoond bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De groene overkapping op het parkeerdek is bovendien onderdeel van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en daarmee ook van de te verlenen omgevingsvergunning. Dit betekent volgens de raad dat artikel 11.5 van de planregels kan worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. 19.2. Over het betoog van [appellant] dat ten onrechte niet is gekozen voor een volledig overkapt parkeerdek waarbij het dak een groene uitstraling krijgt, merkt de Afdeling het volgende op. In paragraaf 4.4.5 van de plantoelichting is vermeld dat de groene bedekking van de carports op het parkeerdek één van de manieren is waarop uitvoering wordt gegeven aan het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Gouda, neergelegd in het "Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 - 2019".
Daarover is het volgende in de planregels bepaald: "11.5 Voorwaardelijke verplichting overkapping parkeerdek Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" voor een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat parkeerplaatsen op een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d, voor zover gelegen buiten gebouwen, voor minimaal 70% zijn voorzien van een overkapping met een groen dak." 19.3. Anders dan de kop van artikel 11.5 suggereert, betreft de regeling in artikel 11.5 van de planregels geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 11.5 van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden en dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning.
11
19.4. Anders dan hiervoor onder 17.4 over het aanleggen en in stand houden van openbaar groen is overwogen, overweegt de Afdeling dat de realisatie van de overkapping op het parkeerdek die moet worden voorzien van een groen dak, betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk. Het is daarmee een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit betekent dat - gelet op het bepaalde in artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo - aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een voorschrift dat strekt tot het realiseren en instandhouden van de overkapping op het parkeerdek met een groen dak kan worden verbonden. In artikel 11.5 van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat een dergelijk voorschrift aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal worden verbonden. Dit betekent dat met artikel 11.5 van de planregels onvoldoende is verzekerd dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak zal worden gerealiseerd en in stand zal worden gehouden. 19.5. Voor zover artikel 11.5 van de planregels volgens de raad zo kan worden uitgelegd dat daarin staat dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning, overweegt de Afdeling als volgt.
In artikel 11.5 van de planregels is bepaald dat in de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangetoond dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak wordt gerealiseerd. In de bouwtekening behorende bij de aanvraag zou dit bijvoorbeeld kunnen gebeuren. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen maakt alleen deel uit van de vergunning als dat zo in het besluit is vermeld. In artikel 11.5 van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel zal uitmaken van de vergunning. 19.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen grondslag voor handhaving biedt als de in artikel 11.5 van de planregels bedoelde overkapping met een groen dak niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Daarom is met artikel 11.5 van de planregels onvoldoende verzekerd dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. De betogen slagen. 19.7. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. Woon- en leefklimaat 20.
De vereniging en [appellant] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Lichthinder - Maatregelen ter beperking van inschijnende koplampen 21. [appellant] betoogt dat de parkeergarage zo moet worden aangepast dat overlast van inschijnende koplampen van de op het parkeerdek parkerende auto’s kunnen worden weggenomen. De parkeervoorziening zou bovendien aan de gehele waterkant geen licht van auto’s moeten doorlaten. De vereniging betoogt dat daarnaast ten onrechte niet uit artikel 8.8 van de planregels volgt, op welke wijze vaststaat dat maatregelen worden getroffen om directe lichtuitstraling op de gevel van haar woningen tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Volgens haar is de instandhouding van deze maatregelen ook niet verzekerd, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is.
12
21.1. De raad stelt dat op grond van artikel 8.8 van de planregels het bouwwerk zo moet worden vormgegeven dat directe lichtuitstraling als gevolg van koplampen tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Het gaat hier volgens de raad om algemene bouwregels in het bestemmingsplan. Die regels gelden voor de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling. Dat wordt voldaan aan deze algemene bouwregels, moet volgens de raad worden aangetoond bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De maatregelen rondom lichthinder zijn bovendien onderdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en daarmee ook van de te verlenen omgevingsvergunning. Dit betekent volgens de raad dat artikel 8.8 van de planregels kan worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. 21.2. In paragraaf 5.11.2 van de plantoelichting is vermeld dat de lichtuitstraling afkomstig van de centrale parkeervoorziening en het parkeerdek wordt beperkt door de toepassing van een betonnen wand rondom de parkeervoorziening op maaiveldniveau en de toepassing van een opstaande betonnen rand van ongeveer 1 m op het parkeerdek.
Daarover is het volgende in de planregels bepaald: "8.8 Lichthinder Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' staat vast dat maatregelen worden getroffen en in stand gehouden om directe lichtuitstraling op de gevels van de nabij het plangebied aanwezige bestaande woningen, ten gevolge van koplampen van verkeer binnen het plangebied, tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de parkeervoorzieningen waar nodig worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,20 meter of een maatregel met een vergelijkbaar effect wordt getroffen." 21.3. De regeling in artikel 8.8 van de planregels betreft geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 8.8 van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat de maatregel moet worden getroffen ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m of dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning. 21.4.
In artikel 2, aanhef en onderdeel 12, van bijlage II van het Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning voor onder meer de activiteit bouwen niet is vereist als deze activiteit betrekking heeft op: "12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 1 m, of b. niet hoger dan 2 m, en 1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat, 2°. achter de voorgevelrooilijn, en 3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;"
13
De Afdeling is van oordeel dat de in artikel 8.8 van de planregels bedoelde afscheiding zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden opgericht op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 12, van bijlage II van het Bor. Dit betekent dat geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist, waaraan het voorschrift kan worden verbonden dat de maatregel moet worden getroffen en in stand moet worden gehouden ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m. Ook is een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die deel zou kunnen uitmaken van de vergunning, niet vereist. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat met artikel 8.8 van de planregels onvoldoende is verzekerd dat de maatregel zal worden getroffen ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. De betogen slagen. 21.5. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. - Hoogte van de afscheiding 22. De vereniging stelt dat een afscheiding van 1,2 m hoogte bij de parkeervoorzieningen te laag is om lichthinder te voorkomen op de terrassen van de tweede en derde bouwlaag van het appartementencomplex aan de Haastenburg. 22.1.
De Afdeling overweegt dat Vastbouw in zijn nader stuk en op de zitting uiteen heeft gezet dat de in artikel 8.8 van de planregels neergelegde minimale hoogte van 1,2 m voor een afscheiding is gebaseerd op de gemiddelde hoogte van een koplamp van een auto van ongeveer 0,8 m die de CROW hanteert en dat daarbovenop 40 cm is toegevoegd. De Afdeling oordeelt daarom dat de in artikel 8.8 van de planregels neergelegde minimale hoogte van 1,2 m voor een afscheiding niet te laag is om onaanvaardbare lichthinder van koplampen van auto’s te voorkomen. Het betoog slaagt niet. - Artikel 8.8 van de planregels voor het overige 23. De vereniging vindt de passage "waar nodig" in artikel 8.8 van de planregels rechtsonzeker. Zij wijst erop dat onduidelijk is om welke locatie het gaat en wie deze locatie moet aanwijzen. 23.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7032), is het opnemen van een nader afwegingsmoment wat betreft de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden in beginsel niet aanvaardbaar. De ruimtelijke gevolgen van de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden moeten bij de planvaststelling zijn beoordeeld en aanvaardbaar zijn geacht.
Uit artikel 8.8 van de planregels volgt dat de parkeervoorzieningen "waar nodig" moeten worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m of een maatregel met een vergelijkbaar effect. De Afdeling is - gelet op de zinsnede "waar nodig" - van oordeel dat sprake is van een nader afwegingsmoment van de toegestane bouwmogelijkheid. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het herstelbesluit in zoverre is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt.
14
23.2. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. 24. De vereniging betoogt verder dat voor de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend ten onrechte artikel 8.8 van de planregels niet geldt. 24.1. De Afdeling overweegt dat uit artikel 8.8 van de planregels niet blijkt dat deze bepaling niet zou gelden voor de gronden met de bestemming "Groen". Bovendien is artikel 8.8 van de planregels in het hoofdstuk "Algemene bouwregels" opgenomen. Het betoog dat artikel 8.8 van de planregels niet geldt voor de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend, kan daarom niet slagen. Bezonning 25. De vereniging en [appellant] betogen dat zij wat betreft het aspect bezonning onevenredig door het plan worden geschaad. De vereniging voert in dit verband aan dat de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken over de bezonning ondeugdelijk zijn. Zij voert aan dat in het door Peutz opgestelde "Bezonningsonderzoek Van Loon Gouda" van 23 juni 2021 (hierna: het bezonningsonderzoek) is vermeld dat de berekeningen zijn uitgevoerd met het pakket Radiance in combinatie met een aantal binnen Peutz ontwikkelde routines, terwijl niet is vermeld welke routines dat zijn en in hoeverre die routines afwijken van de algemeen aanvaarde uitvoering van bezonningsstudies.
Volgens de vereniging biedt het bezonningsonderzoek bovendien geen helder inzicht in de bezonning, omdat de bezonningsdiagrammen lastig zijn te lezen en niet wordt aangegeven hoeveel uur bezonning overblijft. De vereniging betoogt daarnaast dat in het door Peutz opgestelde aanvullende bezonningsonderzoek "Bezonning bestemmingsplanvolume Van Loon Gouda" van 24 november 2021 (hierna: het aanvullende bezonningsonderzoek) ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt. 25.1. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonningssituatie in de omgeving van het plangebied. De resultaten zijn neergelegd in het bezonningsonderzoek en het aanvullende bezonningsonderzoek. In paragraaf 2.1 van het bezonningsonderzoek staat dat naast het inzichtelijk maken van de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonning van de omgeving, een beoordeling is gemaakt van de bezonningssituatie volgens de zogenoemde lichte TNO-norm die uitgaat van ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag. Het bezonningsonderzoek is volgens paragraaf 2.2 gebaseerd op de rekenkundige bezonning van een 3D-model van de geplande bebouwingssituatie. De mogelijke bezonningsduur is bepaald door over de dag met een interval van 5 minuten te berekenen welke geveldelen zon kunnen krijgen.
De berekeningen zijn uitgevoerd met het pakket Radiance, in combinatie met een aantal binnen Peutz ontwikkelde routines. De resultaten zijn als zogenaamde valse kleurenplaatjes weergegeven. In het aanvullende bezonningsonderzoek is verder vermeld dat de effecten van de voorziene bebouwing op de woningen aan de Haastenburg zijn bekeken, waarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt. Voor de gronden op de zuidwestelijke zijde van het plangebied is rekening gehouden met de
15
toegestane bouwhoogtes uit het plan, namelijk 10,15 m voor de lagere bebouwing en 16,35 m voor de hogere bebouwing. Bij de hogere bebouwing zijn de liftopbouw met een hoogte van 1,2 m boven de dakrand en de ventilatiekanalen met een hoogte tussen 0,5 en 1 m langs de westzijde van het dak meegenomen. Wat betreft de gronden op de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied, is rekening gehouden met de toegestane bouwhoogtes en een verhoging daarvan met 3,5 m over 40% van het dakoppervlak aan de westzijde van de daken. 25.2. Over het pakket Radiance en de door Peutz ontwikkelde routines overweegt de Afdeling dat Vastbouw in zijn nader stuk uiteen heeft gezet dat Radiance een gevalideerd pakket is voor het bepalen van fysisch correcte lichtintensiteitsverdelingen. Het pakket Radiance wordt gebruikt voor het bepalen van de locaties waar zon is te verwachten. De door Peutz ontwikkelde routines zorgen volgens Vastbouw ervoor dat dit gebeurt met een interval van 5 minuten voor de opgegeven data en voor het combineren en visualiseren van de resultaten. Gelet op deze toelichting van Vastbouw ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat in het bezonningsonderzoek niet van het pakket Radiance en de door Peutz ontwikkelde routines had mogen worden uitgegaan.
Voor zover de vereniging betoogt dat het bezonningsonderzoek geen helder inzicht in de bezonning biedt, merkt de Afdeling op dat in paragraaf 3 van het bezonningsonderzoek is beschreven hoe de diagrammen moeten worden gelezen. Ook kan uit het bezonningsonderzoek worden afgeleid hoeveel uur bezonning overblijft. 25.3. In het aanvullende bezonningsonderzoek is vermeld dat is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt. Zoals hiervoor onder 14.4 is overwogen, kunnen de toegestane bouwhoogtes met 3,5 m worden verhoogd vanwege voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels. In het aanvullende bezonningsonderzoek is hiermee echter geen rekening gehouden ten aanzien van de voorziene bebouwing op de zuidwestelijke zijde van het plangebied met toegestane bouwhoogtes van 10,15 en 16,35 m.
Weliswaar is bij de voorziene bebouwing op de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied met toegestane bouwhoogtes van 20 en 29 m en 26 en 32 m rekening gehouden met een verhoging van de toegestane bouwhoogtes met 3,5 m over 40% van het dakoppervlak aan de westzijde van de daken, maar op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels kunnen voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op het hele dakoppervlak van het gebouw worden geplaatst. Hiermee is ten onrechte geen rekening gehouden. De conclusie is dat het aanvullende bezonningsonderzoek in zoverre gebrekkig is en leemten in kennis bevat om de daaraan verbonden conclusie over de gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor de bezonning ter plaatse van de woningen van de vereniging en [appellant] te kunnen dragen. De raad heeft het herstelbesluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid door het aanvullende bezonningsonderzoek daaraan ten grondslag te leggen. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 25.4. De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. 26. De Afdeling komt, gelet op wat hiervoor is overwogen, nu niet toe aan de beroepsgronden van de vereniging en [appellant] dat zij wat betreft het aspect bezonning onevenredig door het plan worden geschaad. De Afdeling zal hier in de einduitspraak een
16
oordeel over geven, voor zover dan nog opportuun. Uitzicht en privacy 27. [appellant] betoogt dat als gevolg van het bestemmingsplan het uitzicht vanaf zijn woning wordt aangetast. Hij wijst op de omstandigheid dat eerst sprake was van een vrij uitzicht. Daarnaast vrezen de vereniging en [appellant] voor een aantasting van hun privacy, omdat tientallen tot honderden personen direct zicht krijgen op hun woningen, voortuinen en terrassen. Weliswaar staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in 172 woningen, maar volgens [appellant] zal het aantal bewoners van de voorziene woontoren veel meer zijn. 27.1. Het is niet uit te sluiten dat de realisering van de in het plan voorziene ontwikkeling feitelijk zal leiden tot een verlies van uitzicht en privacy voor de vereniging en [appellant]. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht en de privacy niet zo groot is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in het algemeen geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat en dat sprake is van een stedelijke omgeving waarin deze ontwikkeling is voorzien.
Verder blijkt uit paragraaf 9.3 van de plantoelichting dat de naar voren gebrachte zienswijzen in combinatie met de uitkomsten van de dialoogsessies en enkele ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De aanpassingen betreffen onder meer het verlagen van de maximaal toegestane bouwhoogtes, het verlagen van het aantal woningen van 196 naar 172 en het wijzigen van de situering en de omvang van het bouwvlak op de westelijke zijde van het plangebied. Het betoog slaagt niet. Parkeren Aantal benodigde parkeerplaatsen 28. De vereniging en [appellant] betogen dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd, zodat geen overlast van geparkeerde auto's in de omliggende straten zal ontstaan. Op de zitting hebben zij betoogd dat met de in het plangebied voorziene 234 parkeerplaatsen niet in de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling zal worden voorzien. [appellant] heeft op de zitting aangegeven dat het de vraag is of er voldoende parkeerplaatsen zijn, als blijkt dat de reductie van de parkeereis met 30% niet juist is. 28.1.
De Afdeling stelt vast dat de raad voor de beoordeling van de vraag of ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid als uitgangspunt heeft gehanteerd dat de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling op het eigen terrein zal worden opgelost. 28.2. Bij besluit van 29 januari 2020 heeft de raad het "Parkeerplan Gouda 2020" (hierna: het Parkeerplan) vastgesteld. Daarin is voor een aantal delen van de stad, waaronder het deel waarin het plangebied ligt, een parkeernorm vastgesteld. De in het Parkeerplan opgenomen tabel met parkeernormen is als Bijlage 1 bij de planregels gevoegd. Uit de zienswijzennota blijkt dat, als toepassing wordt gegeven aan deze parkeernorm, dan 283 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd om in voldoende parkeergelegenheid te kunnen voorzien. 28.3. In paragraaf 3.2.4.1 van de plantoelichting staat dat in dit geval maatwerk wordt geleverd in de vorm van het "Mobiliteitsplan Van Loon Locatie" van 29 juni 2021 dat herijkt is op 22 november 2021 (hierna: het mobiliteitsplan). In het mobiliteitsplan is vermeld dat de
17
geldende parkeernormen geen recht doen aan de specifieke eigenschappen van dit plan. In het mobiliteitsplan zijn drie factoren vermeld op basis waarvan het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kan worden verminderd, namelijk: (1) een gewogen parkeereis die van een bepaald aanwezigheidspercentage van bezoekers en bewoners uitgaat, (2) een differentiatie van de parkeernorm vanwege de toekomstige doelgroepen die hun intrek in de woongebouwen zullen nemen en (3) de deelmobiliteit en het concept Mobility as a Service (hierna: MaaS). Op pagina 5 van het mobiliteitsplan staat dat een gewogen parkeereisberekening uitgaat van een bepaald aanwezigheidspercentage van bewoners en bezoekers. Gelet hierop kan de totaal benodigde parkeercapaciteit worden berekend, waarbij rekening wordt gehouden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. De percentages en gewogen uitkomsten in de tabellen op de pagina’s 5 en 6 van het mobiliteitsplan zijn als uitgangspunt genomen. De benodigde parkeercapaciteit is 261 parkeerplaatsen op een zaterdagavond, waarvan 209 parkeerplaatsen voor bewoners en 52 parkeerplaatsen voor bezoekers. Op pagina 6 van het mobiliteitsplan is verder vermeld dat een verdere differentiatie van de parkeernorm is te maken door te kijken naar het woningoppervlak en de doelgroepen. Het autobezit is namelijk onderling aantoonbaar verschillend.
De doelgroepen die hun intrek in de voorziene woningen zullen nemen, zijn jongeren, starters en senioren. Het autobezit van deze doelgroep op basis van het type huishouden is bepaald aan de hand van gegevens van CBS/Statline. Voor sociale huurwoningen wordt een afslag van 0,2 op de parkeernorm voor het bewonersaandeel gehanteerd. Omdat 43 sociale huurwoningen zullen worden gerealiseerd waarvoor een parkeernorm van 1,3 exclusief bezoekers geldt, is sprake van een reductie van 8,6 parkeerplaatsen. Wat betreft de deelmobiliteit en het concept MaaS blijkt uit de pagina’s 3 en 4 van het mobiliteitsplan dat MaaS een dienst is waarbij voor een bepaald bedrag per maand gebruik kan worden gemaakt van mobiliteit op maat, zoals deelauto’s en deelbakfietsen. Voor alle bewoners van de woongebouwen worden drie deelbakfietsen en twaalf deelauto’s beschikbaar gesteld. Het deelmobiliteitsaanbod is direct bij oplevering beschikbaar. Er wordt een uitgebreid kennismakingsaanbod aan de bewoners geboden in de vorm van een proefpakket met voor € 100,00 aan vrije kilometers bij aanvang per huishouden. Om zoveel mogelijk drempels weg te nemen, worden er tenminste twee informatieavonden op locatie gehouden om uitleg te geven over de voertuigen, tarieven en het gebruik ervan. Bij de huur en verkoop van de appartementen wordt er een informatiebrochure verstrekt.
Als de deelmobiliteit en het concept MaaS worden toegepast, dan kan blijkens pagina 7 van het mobiliteitsplan de parkeereis met 30% ofwel 60,2 parkeerplaatsen worden gereduceerd. Rekening houdend met alle drie de reductiefactoren komt het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein uit op 205. Er zullen binnen het plangebied 234 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dat betekent dat 29 parkeerplaatsen extra worden aangelegd. Geconcludeerd wordt in paragraaf 3.2.5 van de plantoelichting dat met het mobiliteitsplan wordt voorzien in een passende invulling van de parkeereis en het aspect mobiliteit. 28.4. Over de reductiefactor van 30% die is toegepast vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens pagina 7 van het mobiliteitsplan tonen de cijfers van het CROW aan dat autodelers gemiddeld 30% minder auto’s bezitten. Verwezen wordt naar de "Factsheet Argumenten voor Autodelen" van het CROW. Op pagina 3 van deze factsheet staat het volgende:
18
"Autodelers bezitten ruim 30 procent minder auto’s dan voordat ze met autodelen begonnen. Vooral mensen die klassiek zijn gaan autodelen, deden vaak een auto weg. De deelauto komt vooral in de plaats van een tweede of derde auto." Blijkens de tabellen op de pagina’s 2 en 6 van het mobiliteitsplan zullen 172 woningen worden gerealiseerd, waarvan 91 woningen met een oppervlakte van tussen de 55 en 85 m². Deze woningen zijn voornamelijk geschikt voor 1- en 2-persoonshuishoudens, waarvan het gemiddelde autobezit 0,8 per woning is. Dit betekent dat bij 1- en 2-persoonshuishoudens het tweede autobezit laag is ten opzichte van bijvoorbeeld paren met kinderen. In de factsheet van het CROW staat daarentegen dat de deelauto vooral in de plaats komt van een tweede of derde auto. Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de reductie van de parkeereis met 30% vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS onvoldoende deugdelijk heeft onderbouwd. Het gevolg daarvan is dat moet worden aangenomen dat de raad de parkeerbehoefte als gevolg van het plan heeft onderschat. Hierdoor zou een tekort aan parkeerplaatsen kunnen ontstaan, met parkeerproblemen voor de bewoners van de omliggende woningen tot gevolg. Maar in het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat het aannemelijk is dat deze laatste situatie zich als gevolg van de vaststelling van het herstelbesluit zal voordoen.
Daarvoor geldt het volgende. Op pagina 8 van het mobiliteitsplan wordt erop gewezen dat 229 parkeerplaatsen zijn benodigd als de deelmobiliteit en het concept MaaS de helft van het gewenste effect zouden hebben. In dat geval wordt de parkeereis gereduceerd met 15% in plaats van 30% vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS. Dit is blijkens het mobiliteitsplan een worst casescenario. In wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de in deze zaak gegeven onderbouwing van het reductiepercentage van 15% te twijfelen. Omdat gelet op de artikelen 6.3.2, onder b, en 11.1, onder b, van de planregels, binnen het plangebied 234 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de vaststelling van het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de parkeersituatie van de bewoners van de omliggende woningen. De betogen slagen niet. Effectuering mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan 29. De vereniging en [appellant] vragen zich verder af of het parkeren op eigen terrein via het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan kan worden geëffectueerd. Hierover betoogt de vereniging dat het mobiliteitsconcept ten onrechte uitgaat van het meervoudige gebruik van parkeerplaatsen.