CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE_BP Achterwillenseweg 31 te Gouda.pdf

Raadsvergadering 6 oktober 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Achterwillenseweg 3112.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Legger Hoogheemraadschap van Rijnland, met daarop het plangebied weergegeven (blauwe stip) (Bron: Hoogheemraadschap van Rijnland).

30

Conclusie Gelet op het feit dat het verhard oppervlak zal afnemen geldt dat het plan een positieve impact heeft op de waterhuishouding ter plaatse en dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing worden verkregen. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling van de twee woningen is een onderzoek naar het 5 aspect natuur uitgevoerd. Navolgend wordt ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 400 meter afstand van Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. Dit gebied bevat stikstofgevoelige habitattypen, die nog niet zijn aangewezen onder de huidige Vogel- en Habitatrichtlijn. Dit gebeurt binnen afzienbare termijn. Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het project kunnen op6 treden, is een Aerius-berekening uitgevoerd (versie Aerius 2020) voor de aanleg/bouw- en gebruiksfase.

Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op basis van diverse worst-case uitgangspunten. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een vergunningsplicht Wet natuurbescherming is derhalve niet aan orde ten tijde van de omgevingsvergunning bouwen en voor de bestemmingsplanprocedure gelden geen belemmeringen voor de haalbaarheid. Verder blijkt uit de quick scan natuur dat gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tussen de planlocatie en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) toetsing van de herinrichting aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet noodzakelijk wordt geacht.

5

Van Dijk Geo en Milieutechniek (2021). Quick scan Wet natuurbescherming. Achterwillenseweg 31 te Gouda. Projectnummer: 153118. Datum: 1 april 2021.

6

NOX Advies (2021). Aerius-berekening. Achterwillenseweg 31 te Gouda. Projectnummer: onbekend. Datum: 30 maart 2021. 31

Soortenbescherming Er is vanuit de Wet natuurbescherming geen bezwaar tegen de geplande werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Voorafgaand en tijdens de sloop- en bouwwwerkzaamheden dient echter wel rekening te worden gehouden met:  Vleermuizen (foerageren en vliegroutes); werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van aprik/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m. verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt.  Rugstreeppad: gedurende het voortplantingsseizoen (globaal van april tot en met juli) dient het ontstaan van langdurig aanwezige diepe plassen en poelen (in bijvoorbeeld de bandensporen) en kale gronden of grond- en/of zandhopen voorkomen te worden door de plassen en poelen voortijdig te dempen met grond en langdurig aanwezige (ongestoorde) kalen gronden/zandhopen voortijdig in te zaaien met een grasmengsel ten einde ingraving voor de winterperiode (van oktober tot april) te voorkomen; deze handelingen kunnen achterwege gelaten worden door het toegangspad op het zuidelijk deel van het terrein af te schermen (bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond).

 Broedvogels in het algemeen; met de start van de werkzaamheden dient buiten het reguliere broedseizoen (van circa 15 maart tot 15 juli) met voorkeur in de winter te worden aangevangen. Indien dit niet mogelijk is, dient voorafgaand aan de start van het broedseizoen te worden voorkomen dat nieuwe broedgevallen zich op de locatie kunnen nestelen; het ongeschikt maken van de locatie voor nieuwe broedgevallen dient onder begeleiding van een ecoloog te worden uitgevoerd.  Benadrukt wordt dat ten allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving.  Aanbevolen wordt om op het perceel kansen voor de natuur te integreren, bestaande uit het aanleggen van broedhopen voor ringslangen, het natuurlijk inrichten van de oevers rond het terrein en het plaatsen van een steenuilenkast en/of nestmand voor de ransuil. Bescherming houtopstanden Op onderhavige onderzoekslocatie is geen sprake van een houtopstand, derhalve wordt toetsing van de voorgenomen herontwikkeling aan bescherming van houtopstanden niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

32

4.10

Duurzaamheid Algemeen Gouda wil actief aan de slag met het thema duurzaamheid. De plannen van de gemeente Gouda staan in het ‘Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020’. Hiermee geeft de gemeente invulling aan haar duurzaamheidsdoelstellingen. De belangrijkste ambitie uit het Uitvoeringsprogramma is dat Gouda in 2040 CO2-neutraal wil zijn. Toetsing In het Uitvoeringsprogramma geeft de gemeente Gouda aan hergebruik aan te moedigen. Dit plan kenmerkt zich door hoge mate van hergebruik. De bestaande kas zal (deels) worden verplaatst naar een andere locatie. De bestaande fundering van de kas zal (deels) worden hergebruikt als fundering voor de woning. De woning zal worden voorzien van een warmtepomp, zonnepanelen, afgekoppeld regenwater, duurzame materialen, passieve zonne-energie et cetera. Daarnaast zal de buitenruimte duurzaam worden ingericht met inheemse/streekeigen beplanting, insectvriendelijke beplanting met kruiden en vaste planten, natuurlijke oevers en nestvoorzieningen voor verschillende soorten vogels en vleermuizen. Door het saneren van de bestaande bebouwing bestaat de kans om het plangebied te herontwikkelen naar een aantrekkelijke woonomgeving met aandacht voor verschillende duurzaamheidsprincipes. Conclusie Gesteld wordt dat met dit plan een bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheidsdoelstellingen.

4.11

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is de archeologische beleidskaart van de gemeente Gouda geraadpleegd, waarin regels met betrekking tot eventuele archeologische waarden zijn opgenomen. De voorzijde van het plangebied ligt in een gebied met een hoge trefkans op archeologische vondsten, waarbij geldt dat bij bodemingrepen groter 2 dan 100 m en dieper dan 50 centimeter archeologisch onderzoek moet worden uitge2 voerd. Hier is één woning met een oppervlakte van ongeveer 110 m beoogd maar waarvoor geen bodemingrepen dieper dan 50 centimeter plaatsvinden. De beoogde tweede woning bevindt zich aan de achterzijde van het perceel, in een gebied met een lage archeologische verachtingswaarde. Gesteld wordt dat de archeologische vrijstellingswaarden niet worden overschreden. 33

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.12

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Zoals eerder genoemd maakt het plangebied onderdeel uit van de Goudse Hout. Bij de totstandkoming van het landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.2) is rekening gehouden met de kernkwaliteiten vanuit de Goudse Hout en de andere aanwezige ruimtelijke karakteristieken van het plangebied en haar omgeving. Zo voorziet het plan in de herontwikkeling van kassen ten behoeve van kleinschalige bebouwing, waardoor de relatie met het achterliggende landschap verbeterd wordt en wordt bijgedragen aan de karakteristieken van de Goudse Hout (de openheid en zichtlijnen). Ook wordt rekening gehouden met de waterlopen in het plangebied als waterwerken, waardoor wordt aangesloten op het patroon van sloten en veenriviertjes, zoals dat veelal het geval is in de Goudse Hout. Verder geldt dat met de woningbouwontwikkeling en de groene inrichting van het plangebied wordt voorzien in een groen en rustig karakter. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege7 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in het buitengebied ligt, worden dat de kencijfers voor ‘buitengebied’ aangehouden. De gemeente Gouda wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘stedelijk gebied’.

7

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 34

Voor de ontwikkeling van 2 vrijstaande woningen volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: 2 vrijstaande woningen Minimaal

7,8 x 2 = 15,6

Maximaal

8,6 x 2 = 17,2

Gemiddeld gezien zullen maximaal circa 18 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer afgewikkeld kan worden op de Achterwillenseweg e.o. Parkeren Ten behoeve van deze ontwikkeling zal moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in de ‘Parapluherziening Parkeren'. Er moet voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar zijn om de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Voor Gouda zijn de parkeernormen vastgesteld aan de hand van drie zones (zone A, B en C). Het plangebied behoort tot zone C. Bij de realisatie van twee vrijstaande wo2 ningen met een grondoppervlak groter dan 110 m per woning in zone C dienen er 4 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd (2 parkeerplaatsen per woning). Hier kan gezien de grootte van het perceel ruimschoots aan voldaan worden. Het gemeentelijk parkeerbeleid wordt ook in de regels van dit bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

35

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:  de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en  de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve:  het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:  het bebouwen van de gronden;  het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

36

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

37

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Noord’. Dit bestemmingsplan kent de enkelbestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuin’ en ‘Natuur’. Wonen De woningen en het achtererf kennen de bestemming ‘Wonen’. De bestemming ‘Wonen’ is bedoeld voor wonen, tuinen, erven, groenvoorzieningen en water. Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 35% van de woning met een maximum van 60 m². Hoofdgebouwen dienen in het bouwvlak gerealiseerd te worden. De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4 en 9 meter. Tot slot is ook een voorwaardelijke verplichting voor het plan opgenomen. Via deze voorwaardelijke verplichting wordt de aanleg en instandhouding van landschapsinrichtingsmaatregelen geborgd. De maatregelen zijn terug te vinden in het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage bij de regels is opgenomen. Binnen de voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de gebouwen binnen de bestemming ‘Wonen’ niet in gebruik genomen mogen worden zonder de aanleg én instandhouding van de beschreven inrichtingsmaatregelen. Van dit ‘strijdige gebruik’ kan worden afgeweken.

Voorwaarde hiervoor is dat binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de eerste nieuwe woning binnen het plangebied de aanleg en instandhouding van de maatregelen is uitgevoerd. Via deze regeling wordt een goede landschappelijke inpassing van het plangebied verzekerd. Tuin Het voorerf en een gedeelte aan de achterzijde van de schuurwoning is voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Ter plaatse zijn tuinen en parkeervoorzieningen toegestaan 2 alsmede bijgebouwen met een maximum oppervlakte van 60 m . Natuur De achterzijde van het perceel is voorzien van de bestemming ‘Natuur’. De bestemming ‘Natuur’ is bedoeld voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden, extensief recreatief gebruik en bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en onverharde paden en wegen. Hier zijn kleinschalige voorzieningen in de vorm van bouwwerken ten behoeve van het beheer en/of extensief recrea2 tief gebruik toegestaan met een maximum oppervlakte van 30 m .

38

5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de algemene bouwregels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

39

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Procedure

6.2.1

Omgevingsdialoog De initiatiefnemer vindt het belangrijk dat belanghebbenden vroegtijdig op de hoogte zijn van het beoogde initiatief. Begin 2021 heeft daarom een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de bewoners van omliggende huizen en met Staatsbosbeheer. Dit dialoog heeft plaatsgevonden middels digitale communicatiemiddelen dan wel mondeling. Tijdens dit dialoog zijn de plannen gepresenteerd. De belanghebbenden reageerden positief op het plan. Een fysieke bijeenkomst kon vanwege corona niet doorgaan. De initiatiefnemer heeft laten weten altijd open te staan om vragen en/of onduidelijkheden te beantwoorden. Aangezien de initiatiefnemer het belangrijk vindt dat belanghebbenden goed bekend zijn met het plan zal hen, zodra de situatie het weer toelaat, de mogelijkheid worden geboden om nogmaals op het plan te reageren.

6.2.2

Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

40

In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien 6.2.3

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2ab08e3a-c687-42b2-b2b8-46b468379c30