CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE_BP Achterwillenseweg 31 te Gouda.pdf

Raadsvergadering 6 oktober 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Achterwillenseweg 3112.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Gouda, Achterwillenseweg 31

Gemeente Gouda

Datum: 3 mei 2021 Projectnummer: 200514 ID: NL.IMRO.0513.Achterwillensweg31-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

6 9

3

Beleidskader

12

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

12 14 16

4

Milieu- en omgevingsaspecten

18

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Geur Luchtkwaliteit Water Natuur Duurzaamheid Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

18 18 19 20 21 25 26 27 31 33 33 34 34

5

Wijze van bestemmen

36

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

36 37

6

Uitvoerbaarheid

40

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Procedure

40 40

Bijlagen      

Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek spoor- en wegverkeerslawaai Bijlage 4: Advies Veiligheidsregio Bijlage 5: Quick scan natuur Bijlage 6: Onderzoek stikstofdepositie

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Achterwillenseweg 31 te Gouda ligt een agrarisch perceel. Op het perceel bevond zich een tuincentrum, met kassen en een bedrijfswoning. Nadat het tuincentrum haar werkzaamheden heeft beëindigd aan het begin van 2016 is de verouderde bebouwing op het perceel leeg komen te staan en in vervallen staat geraakt. Het voornemen bestaat om de bestaande bebouwing te slopen en twee vrijstaande woningen terug te bouwen. Met deze ontwikkeling wordt op een passende en gebiedseigen wijze een nieuwe invulling gegeven aan het in onbruik geraakte plangebied. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Noord’ zijn de gronden voorzien van de bestemming ‘Agrarisch’ en de functieaanduiding ‘tuincentrum’. Op grond van deze bestemming is de bouw van (burger)woningen niet mogelijk. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor het gebied noodzakelijk. Voorliggend plan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied Het langwerpig-vormige plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Gouda, ten noordoosten van de stad Gouda. Het plangebied is gelegen aan de noordkant van de Achterwillenseweg op ongeveer 200 meter afstand van treinstation Gouda Goverwelle. Ten zuiden van de locatie liggen eveneens woningen. Verder wordt het plangebied omringd door veenontginningen en bosgronden behorende tot het recreatie- en natuurgebied de Goudse Hout. Op de navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding weergegeven.

Goudse Hout

Gouda Goverwelle

Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd) (Bron: PDOK Viewer).

3

Globale begrenzing van het plangebied (rood omlijnd) (Bron: PDOK Viewer).

1.3

Geldende bestemmingsplan Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Noord’, zoals dat op 22 april 2010 is vastgesteld door de raad van de gemeente Gouda. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘tuincentrum’. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor grondgebonden weidebouw, veeteelt en tuinbouw. Ook voorziet de bestemming ‘Agrarisch’ in water, groenvoorzieningen, voet- of fietspaden en het behoud en de versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Doordat het plangebied beschikt over de functieaanduiding ‘tuincentrum’ is op voorliggende locatie eveneens een tuincentrum toegestaan.

4

Globale ligging van het plangebied binnen het geldende bestemmingsplan ‘Noord’ (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Als gevolg van de agrarische bestemming is de realisatie van twee (burger)woningen niet mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. Daarom is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Ontstaansgeschiedenis de Goudse Hout Het plangebied is gelegen aan de rand van Gouda in een gebied dat is aangeduid als de Goudse Hout. Tot aan ongeveer het jaar 1000 na Christus bestond de locatie waar zich nu de Goudse Hout bevindt uit veengronden. Het langgerekte verkavelingspatroon is ontstaan als gevolg van het ontginnen van de oorspronkelijke veengronden. Rond het jaar 1000 braken in Gouda namelijk betere tijden aan. De druk van de Vikingen nam af en het klimaat werd droger en warmer. De rust keerde terug en de bevolking begon te groeien. Om deze monden te voeden was er behoefte aan akkerland e om graan te verbouwen. Hierdoor breekt in de 11 eeuw de tijd van de grote ontgingingen aan. Mensen graven sloten om het veen te ontwaren, waarna langzaam het drassige moerasbos in landbouwgrond verandert. Op deze manier worden ook de gebieden rondom de stad Gouda bewoonbaar. Het plangebied ligt in Achterwillens, dat weer deel uitmaakte van Willens. Samen met Stein en de Ouwe Gouwe, behoren deze gebieden tot de oudste ontginningen van Gouda, namelijk van vóór 1100. Naast veeteelt voorzieningen worden de veengebieden ook gebruikt om turf te wine nen. De bevolking groeide in de 14 eeuw en de vraag naar turf als brandstof nam toe.

Met de introductie van de baggerbeugel in 1530 werd het ook mogelijk om turf onder de waterspiegel te delven, het zogenaamde slagturven. De groeiende vraag naar brandstof maakte de turfexploitatie tot een winstgevende onderneming. Vooral in de e 17 eeuw ontstonden door het slagturven diepe veenplassen. Deze vormden door oeverafslag een bedreiging voor het omringende land De aanleg van de spoorlijn in 1855 had tot gevolg dat Willens in twee delen werd verdeeld, een deel ten zuiden en een deel ten noorden van het spoor. Het deel ten noorden van de spoorlijn (dat in feite het achterste deel van de oorspronkelijke ontginning was), kon nu alleen nog maar bereikt worden via de Tiendweg, nu de Achterwillenseweg.

6

Plangebied

Spoorlijn

e

Een uitsnede van een kaart uit de tweede helft van de 19 eeuw (Bron: www.opentopo.nl).

Tot aan de Tweede Wereldoorlog werd het gebied rondom de Goudse Hout gekenmerkt door een grote mate van openheid en een lage bebouwingsdruk. In de loop van de jaren ’50 van de vorige eeuw kwam er verandering in deze kenmerkende ‘openheid’ van het gebied door een toename van woonhuizen en zomerwoningen. Ook werden er kassen gebouwd. Voor de nieuwe bewoners, veelal afkomstig uit stedelijk gebied, vormden bomen de ultieme belichaming van natuur. Gebiedseigen natuurproducten zoals veen, riet, ruigte, geriefhout, voedergras of hooi voor de geit, kregen een nieuwe betekenis. Het voorheen dominerende karakter van kleinschalig agrarisch gebruik en turfwinningen verruilde zich voor verparking, verbossing en boomopslag als gevolg van de wensen van de nieuwe bewoners. De boomgroei, de aanleg van heggen en ook de bouw van woningen en schuttingen, hebben het zicht op de plassen vanaf de wegen sterk verminderd. De doorzichten zijn schaarser en worden nog steeds verder bedreigd. Ook het oorspronkelijke oevermilieu kwam onder druk te staan door voornamelijk verbossing. De karakteristieke en zonbehoevende rietkragen en bloemrijke oevers werden sterk aangetast door de toenemende mate van schaduw in het gebied. De aanleg van botensteigers en harde beschoeiingen en de chemische processen in de bodem en het water, zorgden voor verdere afbraak van het oorspronkelijke oevermilieu.

Een groot deel van de kassencomplexen aan de Achterwillenseweg, die na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd, zijn inmiddels verdwenen. De huidige bebouwing bestaat voornamelijk uit huizen die, ruwweg, in de periode 1955-1975 zijn gebouwd. In deze periode werden onder meer plannen ontwikkeld voor de wederopbouw in landelijke gebieden. Ten behoeve van woningbouw is een aantal van de lange en smalle percelen bij elkaar gevoegd. De huizen liggen aan de kop van de kavels. Een groot deel van het gebied is sterk verwilderd.

7

De Goudse Hout is aangelegd in de jaren ‘80 van de vorige eeuw, op de polder Willens, waarbij de oude verkavelde structuur uit de middeleeuwen grotendeels is behouden. Dit is thans een 83 hectare groot recreatie- en natuurgebied in de wijk Gouda-Noord. Het is een karakteristiek open veenweidegebied, waaraan open water, sloten, vele bruggetjes en bosschages zijn toegevoegd en dat is doorsneden door fiets en wandelpaden. Sinds 2017 beheert Staatsbosbeheer in opdracht van Groenalliantie deze recreatiegebieden. Er wordt gewerkt aan een kwaliteitsimpuls van het gebied. De kenmerkende kwaliteit van het plassen- en veengebied van nu is ontstaan door de langdurige geschiedenis en kenmerkt zich door:  de openheid en zichtlijn van en over plassen en weiden;  het patroon van sloten en kavels met ter plaatse veenriviertjes;  ontginningsrelicten in de vorm van bebouwingslinten, verveningscomplexen, scheisloten, legakkers, voorland, kerkpaden, jaagpaden en heirbaan;  waterstaatkundige relicten in de vorm van oude waterlopen en vaarsloten, ringdijk en ringvaart, eilanden, de Oukoopse molen en bruggen;  agrarische relicten in de vorm van boerenvervening, veen- en kleiputten, eendenkooien, geriefhoutbosjes en erfbeplanting. Het plangebied Het plangebied behoort tot de veenontginningen langs de Achterwillenseweg.

Het perceel heeft een typisch langgerekte vorm met daaromheen een slotenstructuur. Op het perceel bevindt zich een tuincentrum, met kassen en een bedrijfswoning. Ten behoeve van het parkeren bij het tuincentrum is de voorzijde van het plangebied grotendeels verhard. Nadat het tuincentrum haar werkzaamheden aan het begin van 2016 heeft beëindigd is de verouderde bebouwing op het perceel leeg komen te staan en in 2 vervallen staat geraakt. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 6.300 m en 2 de kassen hebben een grondoppervlak van circa 2.400 m . Navolgende afbeeldingen schetsen de huidige situatie ter plaatse van het plangebied.

Zicht op de bedrijfswoning binnen onderhavig plangebied, gezien vanaf de Goverwelle Singel (Bron: Google Streetview).

8

De kassen op de achterzijde van het perceel (Bron: Ingenieursbureau Mol).

2.2

Toekomstige situatie plangebied Het voornemen bestaat om de bestaande verouderde bebouwing te slopen en twee vrijstaande woningen terug te bouwen. Door deze herontwikkeling wordt een leegstandsprobleem opgelost. Ook de verharding aan de voorzijde van het perceel zal met de voorgenomen ontwikkeling zoveel mogelijk worden weggenomen. Deze ontwikkeling is in lijn met de overige ontwikkelingen langs de Achterwillenseweg, waar de laatste jaren meerdere kassencomplexen zijn gesaneerd. Door het saneren van landschapsontsierende bebouwing bestaat de kans om het plangebied te herontwikkelen overeenkomstig de landschappelijke kernwaarden en de ruimtelijke structuur van de Goudse Hout. 1

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In dit landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de Goudse Hout. Met de voorgenomen ontwikkeling van twee woningen wordt op een passende en gebiedseigen wijze een nieuwe invulling gegeven aan het in onbruik geraakte plangebied. Het kenmerkende langgerekte perceel met daaromheen een slotenstructuur blijft behouden. De woningen hebben een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 9 meter. De woning aan de voorzijde 2 van het perceel (het voorhuis) kent een oppervlakte van circa 110 m en de schuur2 woning centraal op het perceel kent een oppervlakte van circa 330 m . Concreet betekent dit dat wordt voorzien in relatief kleinschalige vrijstaande woningen bestaande uit één laag met een kap, zoals dat veelal voorkomt langs de Achterwillenseweg. Daarnaast komt ook de woonfunctie beter overeen met het bebouwingslint langs de Achterwillenseweg, dat nagenoeg uitsluitend bestaat uit de woonfunctie. Door de beoogde ontwikkeling krijgt het plangebied een minder intensief bebouwd karakter en wordt de relatie met het achterliggende landschap verbeterd, dat zich kenmerkt door haar openheid en zichtlijnen.

1

The Missing Link (2021). Cultuurhistorisch, landschappelijk en stedenbouwkundig kader. Herontwikkeling Achterwillenseweg 31. Projectnummer: onbekend. Datum: 2021. 9

In navolgende afbeelding is schematisch zichtbaar gemaakt hoe de architectonische inpassing en de voorgestelde landschappelijke inrichting samen komen. Duidelijk zichtbaar is dat het landschap vanaf de Goudse Singel beter leesbaar wordt en dat een meer natuurlijke overgang wordt gecreëerd met de Goudse Hout door de toegenomen openheid van het perceel.

Architectonische en landschappelijke inpassing (Bron: Juli ontwerp B.V.).

Voorhuis (Bron: Juli ontwerp B.V.).

Schuurwoning (Bron: Juli ontwerp B.V.).

Verder wordt de ontsluiting van het perceel verplaatst in oostelijke richting, zodat beter leesbaar wordt dat de locatie historisch gezien aan het lint van de Achterwillenseweg gelegen is. Het voorste volume, aan de wegzijde, wordt daarbij meer naar het westen geplaatst, zodat de lintbebouwing aan de Achterwillenseweg nog zo ver mogelijk doorloopt, waarmee het doorgaande karakter van het lint maximaal benadrukt wordt. De schuurwoning wordt op de oostelijke helft van het perceel geplaatst, in het verlengde van de inrit van het perceel, wat ook het meest logisch is (ook historisch gezien) en volgt uit het verplaatsen van de inrit. De perceelsgrenzen zijn beplant met knotwilgen en elzen. Niet als één rigide, statische lijn, maar op een speelse manier, waarbij open en besloten stukken zich afwisselen. Hierbij is een goede balans gezocht tussen enerzijds de mate van behoefte aan privacy rondom de bouwvolumes en anderzijds het behouden van voldoende doorzichten naar het open landschap.

10

Erfinrichting (Bron: The Missing Link).

11

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de Achterwillenseweg en de Goudse Hout centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Leegstaande verouderde bebouwing wordt herontwikkeld naar een meer duurzame en toekomstbestendige invulling door middel van twee vrijstaande woningen. Binnen het plan is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De NOVI bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

12

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Daarmee hoeft er voor dit plan geen toets aan de Ladder worden doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

13

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In de fysieke leefomgeving ziet de provincie zes richtinggevende ambities, te weten:  Naar een klimaatbestendige delta  Naar een nieuwe economie: the next level  Naar een levendige meerkernige metropool  Energievernieuwing  Best bereikbare provincie  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De gestelde ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Toetsing Het plangebied bevindt zich aan de rand van het stedelijk gebied. In de Omgevingsvisie wordt ruimte geboden om stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden in het landelijk gebied te laten plaatsvinden, in aansluiting op bestaande stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten.

Met de voorgenomen ontwikkeling van twee woningen wordt op een passende en gebiedseigen wijze een nieuwe invulling gegeven aan het in onbruik geraakte plangebied. Door de kassen en bedrijfswoning te slopen kan de relatie met het achterliggende landschap worden verbeterd. Hierdoor krijgt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse een impuls.

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland beschrijft het strategische beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsverordening ziet toe op de ruimtelijke regelgeving. De Omgevingsverordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en c zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid.

14

Toetsing Het plangebied bevindt zich aan de rand van het stedelijk gebied. Volgens de provinciale Omgevingsverordening is het plangebied aangewezen als een gebied met een beschermingscategorie (2) voor ruimtelijke kwaliteit. Voor een plan in een gebied met beschermingscategorie 2 geldt dat een plan onder voorwaarden mogelijk is en moet voldoen aan (een combinatie van) aanvullende maatregelen: 1 duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2 wegnemen van verharding; 3 toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4 andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. In het landelijk gebied mogen geen stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden, maar dit plan betreft ook geen stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.1.3). Dit plan betreft de herontwikkeling van vrijkomende bebouwing in het landelijk gebied. In het opgestelde landschappelijk inpassingsplan, zoals vermeld in paragraaf 2.2, is op basis van een analyse van het geldende beleid en de ruimtelijke karakteristieken een inrichtingsschets voor de ontwikkeling opgesteld. In dit landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de Goudse Hout.

Zo voorziet het plan in de herontwikkeling van kassen ten behoeve van meer kleinschalige bebouwing, waardoor de relatie met het achterliggende landschap verbeterd wordt en wordt bijgedragen aan de karakteristieken van de Goudse Hout (de openheid en zichtlijnen). Ook wordt rekening gehouden met de waterlopen in het plangebied als waterwerken, waardoor wordt aangesloten op het patroon van sloten en veenriviertjes, zoals dat veelal het geval is in de Goudse Hout. Verder geldt dat met de woningbouwontwikkeling en de groene inrichting van het plangebied wordt voorzien in een groen en rustig karakter. Tot slot geldt dat aangesloten wordt bij de overige maatregelen zoals geformuleerd in de provinciale omgevingsverordening. Zo betreft de ontwikkeling de herontwikkeling van leegstaande bebouwing en kassen en wordt zoveel mogelijk verharding weggenomen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.

15

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Ruimtelijke structuurvisie Gouda 2005-2030 De gemeente Gouda heeft een structuurvisie 2005-2030 opgesteld om een kader te geven waar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De structuurvisie is opgesteld om richting te geven aan de plannen die in de komende periode in Gouda zijn voorzien. Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de Zuidplaspolder, zal de functie van Gouda als regionale verzorgingskern binnen het Groene Hart afzwakken en zal de stad steeds meer onderdeel worden van de Zuidvleugel van de Randstad. Binnen deze veranderende regionale positie en context, heeft de gemeente specifieke opgaven en uitgangspunten benoemd. De opgaven die de gemeente heeft gesteld, zijn:  de binnenstad vitaal houden;  versterken van de regiofunctie;  verbeteren van de ontsluiting en de bereikbaarheid;  realiseren van voldoende gedifferentieerde en aantrekkelijke woonmilieus;  ontwikkelen van stedelijke knooppunten;  voldoende werkgelegenheid/economisch perspectief;  benutten van de groene omgeving;  versterken van het leefklimaat in de wijken;  optimaliseren van de milieukwaliteit; De opgaven hebben geleid tot een aantal uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Gouda. Deze uitgangspunten leggen de basis voor de plankaart 2020 en een visiekaart 2030.

In de visie wordt gesproken over Westergouwe (toen nog een wijk in voorbereiding) als een brug naar de Zuidplasontwikkeling. Toetsing De ontwikkeling van Gouda is sterk bepaald door het landschap waarin de stad is ontstaan. De Achterwillenseweg vormt in de structuurvisie een hoogwaardige fietsroute binnen Gouda. Gesteld wordt dat het een fietsroute vormt begeleid door groenstedelijke woonmilieus. Ook kunnen hier langs waterlopen nieuwe, hoogwaardige woonmilieus worden ontwikkeld, die bijdragen aan een meer gedifferentieerd woningaanbod. Met de voorgenomen ontwikkeling van twee woningen wordt op een passende en gebiedseigen wijze een nieuwe invulling gegeven aan het in onbruik geraakte plangebied. Landschapsontsierende bebouwing wordt gesaneerd waardoor de belevingskwaliteit van de fietsroute wordt verbeterd. Er worden twee vrijstaande woningen teruggebouwd langs waterlopen, behorend tot een hoogwaardig woonmilieu. De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de kaders van de ruimtelijke structuurvisie.

16

3.3.2

Woonvisie Gouda 2015-2020 (2015) Met deze woonvisie zet de gemeente de koers uit voor het wonen in Gouda. Een actualisatie van de Woonvisie is in voorbereiding. Gouda is een stad waar het aangenaam wonen is voor alle generaties. De centrale ligging in de Randstad, het historische centrum, de centrumvoorzieningen en de nabijheid van groen en water zijn de kernkwaliteiten van Gouda. De volgende vijf hoofdthema´s staan centraal in het woonbeleid:  Woon- en leefkwaliteit in Gouda: wijken met toekomstwaarde;  Kwaliteit bestaande woningen: duurzaam - energetisch, veilig en levensloopgeschikt;  Wonen voor iedereen: betaalbaar, beschikbaar en toegankelijk;  Optimale voorraad: versnelling & vraagsturing woningproductie;  Wonen met zorg. Toetsing In de gemeentelijke woonvisie wordt onder meer genoemd dat de gemeente Gouda te maken heeft met tenminste evenveel vestigers als vertrekkers vanuit de gemeente als vanuit de regio. Deze woningbouwopgave geeft kansen voor het versterken van de kernen en het buitengebied, zo wordt in de woonvisie verondersteld. Voorliggend initiatief is daar een goed voorbeeld van. Er wordt immers een voormalig agrarisch perceel tot herontwikkeling gebracht in de vorm van een woonperceel. Het plan voorziet in een meer ontspannen groen woonmilieu aan de rand van Gouda.

Ook wordt het karakter van het buitengebied van de gemeente Gouda op passende wijze versterkt. Zo sluit dit plan aan bij de gemeentelijke ambities uit de woonvisie. Conclusie Het plan sluit aan bij de doelstellingen van het ruimtelijk beleid op gemeentelijk niveau.

17

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel ten behoeve van de realisatie van twee woningen. Gelet op de aard (wonen) en omvang (2 woningen) van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing In verband met de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan is een ver2 kennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van het bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Bovengrond  De bovengrond ter plaatse van de voortuin (M1) is licht verontreinigd met zink, kwik en lood;  De bovengrond op het centrale deel van het terrein (MM2) is licht verontreinigd met kwik en lood;  De bovengrond ter plaatse van de teeltruimte (MM3) is sterk verontreinigd met zink en PAK. Verder is de bovengrond licht verontreinigd met enkele individuele zware metalen, PAK, alfa-HCH, beta-HCH en DDD;

2

Ingenieursbureau Mol. Verkennend bodemonderzoek. Achterwillenseweg 31 te Gouda. Projectnummer: A6612. Datum: 22 december 2020. 18

 Na uitsplitsing van grondmengmonster MM3 blijkt dat de bovengrond rondom de teeltruimte (M102 en M104) sterk verontreinigd is met zink en licht verontreinigd is met PAK. In de teeltruimte (M100, M101 en M103) is de bovengrond licht verontreinigd met zink en niet verontreinigd met PAK. Ondergrond  De ondergrond ter plaatse van het centrale terreindeel (MM4) is licht verontreinigd met enkele individuele zware metalen, PAK, alfa-HCH, beta-HCH en DDD;  De ondergrond ter plaats de van de teeltruimte (MM5) is licht verontreinigd met molybdeen;  De ondergrond ter plaatse van het centrale terreindeel waar olieproduct is waargenomen (M6) is licht verontreinigd met minerale olie. Grondwater  Het grondwater ter plaatse van de voortuin (peilbuis 04) is licht verontreinigd met barium;  Het grondwater, ter plaatse van het centrale deel van het terrein waar olieproduct is waargenomen (peilbuis 07), is licht verontreinigd met minerale olie, barium en xylenen. De hypothese onverdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging wordt verworpen. Rondom de teeltuimte is de grond sterk verontreinigd met zink. Verder zijn op de hele onderzoekslocatie zowel in de grond als het grondwater lichte verontreinigingen aangetoond. Gelet op de onderzoeksresultaten wordt momenteel nader bodemonderzoek uitgevoerd.

Hierin wordt de verontreiniging nader onderzocht en zo nodig weggenomen, voorafgaande aan de bouw. Conclusie Gelet op het feit dat er een nader bodemonderzoek wordt uitgevoerd en de verontreiniging zo nodig wordt weggenomen vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

19

Toetsing 3 Door Geluid op Nivo is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van voorliggende ontwikkeling. Onderzocht zijn de geluidbelasting vanwege de wegen Goudse Houtsingel en Achterwillenseweg en de spoorlijn Gouda – Woerden. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Het plan voor de realisatie van de twee nieuwe woningen op het perceel aan de Achterwillenseweg 31 in Gouda voldoet aan de wettelijke geluidseisen. Voldaan wordt aan de wettelijke geluidnorm van zowel het weg- als railverkeer.  Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is niet nodig en er is ook geen ontheffing van een hogere grenswaarde voor het plan nodig. Vanuit het oogpunt van geluid van weg- en railverkeer kunnen de nieuwe woningen volgens plan worden gerealiseerd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.4

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.

3

Geluid op Nivo (2020). Akoestisch Onderzoek V1.0. Ten behoeve van 2 nieuwe woningen aan de Achterwillenseweg 31 te Gouda. Projectnummer: CK001 2805KA31 02-12-2020 V1.0. Datum: 7 januari 2021. 20

Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van hindergevoelige functies (woningen). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen hinderveroorzakende functies. Gelet op het feit dat het plangebied op voldoende afstand is gelegen van hinderveroorzakende functies en dit plan niet voorziet in de realisatie van een hinderveroorzakende functie is een nadere beschouwing in het kader bedrijven en milieuzonering niet benodigd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.5

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaar-

21

lijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Toetsing Risico-inventarisatie Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig is. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het plangebied weergegeven door middel van een paarse stip. Uit raadpleging van de gegevens van de risicokaart blijkt dat het plangebied, voor wat betreft de fietsenwinkel (waar eveneens de verkoop van vuurwerk plaatsvindt) aan de -6 Goudvlinderstraat 2 niet binnen de PR-contouren 10 en invloedsgebieden van deze risicobron ligt. Ook de spoorlijn Utrecht-Gouda ligt op meer dan 200 meter zodat het plangebied buiten de meest relevante zones van het groepsrisico (de 200 meter zone), een plasbrandaandachtsgebied en een veiligheidszone ligt.

Uitsnede risicokaart met daarop het plangebied weergegeven (paarse stip) (Bron: www.risicokaart.nl).

22

Conform de gegevens van de risicokaart, het Basisnet Spoor en de Handreiking Risicoanalye Transport (HART) vindt over dit deel van de spoorlijn onder andere vervoer van gevaarlijke stoffen in de stofcategorie D3 plaats. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn, maar wel buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat ingegaan moet worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de spoorlijn Utrecht-Gouda dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met de D3 categorie stof, toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. 1 Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld:  Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaand spoor betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn.  Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van het plangebied en de specifieke risicolocatie cruciaal.

Het plangebied is voor de brandweer op een goede manier te bereiken, namelijk via de Goverwellesingel. De brandweer kan spoedig via de Goverwellesingel het plangebied bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen 10 minuten aanwezig kan zijn, zowel vanuit Haastrecht als Reeuwijk. Aangezien de geadviseerde opkomsttijd van de brandweer wordt overschreden (met circa vier minuten) worden extra rookmelders geïnstalleerd in de woningen. In de veenontginningen is veel oppervlaktewater aanwezig dat in geval van een calamiteit ingezet kan worden als bluswatervoorziening voor het realiseren van een waterscherm waarmee de effec-

23

ten van een toxische wolk kunnen worden beperkt. In en rondom het plangebied zijn voldoende opstelplaatsen voor de brandweer beschikbaar. 2 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Op een afstand van circa 210 meter afstand van het spoor is het ontstaan van een toxische wolk op het spoor het worstcase scenario. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Vooraf instructie van personeel en aanwezigen is hierbij dus van belang. Primair vormt NL-Alert de basis voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen.

Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor het plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. Geconcludeerd kan worden dat de vluchtwegen een goede ontvluchting mogelijk maken. Hierbij gaat het om de route Goudse Houtsingel - Zoutmansweg - A12 die vervolgens verder van het spoor afleidt. Door goede communicatie omtrent een ongeluk op het spoor, en een goede instructie aan personeel en aanwezigen kan het risico van een ongeluk op het spoor worden verantwoord. Een goede instructie aan het personeel maakt dat de aanwezige mensen binnen het plangebied goed kunnen schuilen, of uit het plangebied kunnen worden gebracht. Daarnaast is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten en is er voldoende oppervlaktewater aanwezig om de effecten van een toxische wolk door middel van een waterscherm te beperken. Tevens mag er van uit worden gegaan dat bij een ramp op het spoor de brandweer snel ter plekke kan zijn voor het treffen van adequate maatregelen en dat voldoende voorzieningen aanwezig zijn voor het treffen van deze maatregelen.

24

Advies Veiligheidsregio Ten aanzien van het aspect externe veiligheid heeft de Veiligheidsregio een 4 advies uitgebracht. Dit advies is toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting. De Veiligheidsregio geeft aan dat er geen primaire bluswatervoorziening aanwezig is in de omgeving. Derhalve zal een offensieve bluswatervoorziening worden gerealiseerd. In een volgende fase zal een projectietekening met bluswatervoorzieningen nog aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd. Daarnaast constateert de Veiligheidsregio dat de geadviseerde opkomsttijd voor het plangebied niet wordt gehaald (overschrijding van circa 4 minuten). Derhalve zullen extra rookmelders worden geïnstalleerd in de beoogde woningen. Als laatste moet de mechanische ventilatie van de woningen met één druk op de knop kunnen worden uitgeschakeld. Dit voorkomt dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de beoogde woningen met afschakelbare ventilatie worden uitgevoerd. Hierdoor wordt een beginnende brand sneller gedetecteerd en kunnen slachtoffers worden voorkomen. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen. Daarom wordt aangenomen dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed wooneen leefklimaat en er geen veehouderijen in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4

Veiligheidsregio Hollands Midden (2021). Concept bestemmingsplan Achterwillenseweg 31 Gouda. Zaakkenmerk: 2021-001748. Kenmerk Veiligheidsregio: D2021-02-002885. Datum: 4 maart 2021. 25

4.7

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen.

De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

26

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8

Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.

Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter

27

nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan In 2016 heeft de provincie Zuid-Holland een planherzieningsbesluit inzake het waterbeleid genomen. Het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 wordt hiermee actueel verklaard voor de onderdelen waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid- Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: a waarborgen waterveiligheid; b zorgen voor mooi en schoon water; c ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; d realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem.

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoog heemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheem raadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

28

Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de be voegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.

De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromin gen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uit voeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: wa terkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere ka nalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de boven genoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.

Waterkeringen Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aan grenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de 2 onbebouwde gronden met meer dan 500 m is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een reali satie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan

29

2

500 m dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Toetsing Voor voorliggend plan is de digitale watertoets doorlopen. Uit de digitale watertoets volgt dat het Hoogheemraadschap van Rijnland waterbelang heeft bij het plan. Verharding Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. Met de voorgenomen ontwikkeling is een afname van het verhardoppervlak voorzien. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen worden gerealiseerd om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Hiervoor is voldoende ruimte. Watercompensatie Ter plaatse van het plangebied wordt geen oppervlaktewater gedempt. De omliggende sloten blijven gehandhaafd. Het is derhalve niet nodig om watercompensatie door te voeren. Waterwingebied / grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied. Waterkering Raadpleging van de legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland (zie navolgende afbeelding) wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit bestemmingsplan heeft tevens geen invloed op overige waterstaatkundige elementen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2ab08e3a-c687-42b2-b2b8-46b468379c30