Ruimtelijke onderbouwing Broekweg 5a te Gouda
Tekst van het document
Daarnaast is het grondwater als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichloorethenen. Hiervoor kan worden opgemerkt dat er sprake is van een streefwaarde overschrijding en dit betreft een worst-case scenario; in de praktijk is er waarschijnlijk sprake van een lagere concentratie (< Swaarde).
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 25
Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem kan worden geconcludeerd dat er, gezien de geringe mater van verontreiniging, milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
DUURZAAMHEID Convenant Klimaatadaptief bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Eén van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is een complex en meerjarig traject. In het convenant is afgesproken om in afwachting van de resultaten van dit instrumentarium alvast een 'Minimaal Programma van Eisen' te ontwikkelen. Dit Programma is bedoeld als voorlopige maatregel om de nieuwbouwplannen die in de komende jaren ontwikkeld worden klimaatbestendig in te richten. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie ZuidHolland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. Gouda zich aangesloten bij het Convenant Klimaatadaptief Bouwen.
Met de ondertekening van het convenant, heeft Gouda zich gecommitteerd om klimaatadaptief bouwen tot het nieuwe normaal te verheffen. Het convenant bestaat uit een aantal producten zoals een Leidraad ter ondersteuning voor beleidsontwikkeling en een Programma van Eisen met handvatten voor nieuwe ontwikkelingen. Uitvoeringsprogramma Duurzame Ontwikkeling 2020 In de gemeente Gouda is al langere tijd veel aandacht voor duurzame ontwikkeling. Afgelopen jaren werkte de gemeente aan de hand van het Uitvoeringsprogramma Duurzame Ontwikkeling 2016-2019. In 2018 is gestart met de raadsprogramma’s Energietransitie en Klimaatadaptatie. Het Uitvoeringsprogramma Duurzame Ontwikkeling 2020 laat zien wat de gemeente vanuit haar verschillende taken doet om duurzame ontwikkeling in Gouda en in de gemeentelijke organisatie te faciliteren, stimuleren en realiseren. Vanuit dit overzicht wordt ook de samenhang in de gemeentelijke inzet duidelijk. Duurzame ontwikkeling kan worden beschreven langs drie aspecten: sociaal (people), ecologisch (planet) en financieel (profit). Dit uitvoeringsprogramma focust op ecologische duurzaamheid en betreft met name de fysieke leefomgeving. Ecologische duurzaamheid gaat om minder gebruik en vooral meer hergebruik van energie en grondstoffen. En ook meer natuur en biodiversiteit horen hierbij.
Het uitvoeringsprogramma is opgebouwd uit de relevante thema's van het landelijke klimaatbeleid:
Energietransitie - meer hernieuwbare energie en minder energiegebruik Klimaatadaptatie - meer groen en robuuste waterhuishouding Duurzame mobiliteit - meer hernieuwbare energie, minder brandstofgebruik en minder milieubelastende uitstoot Circulaire economie – meer hergebruik van grondstoffen
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 26
Uit de thema's vloeien diverse ambities voort voor onder meer wonen. Gouda heeft onder meer de ambitie om CO2-neutraal en aardgasvrij te zijn in 2040. Tijdens grootschalige woningbouw wordt duurzaamheid ook meegenomen. Zo wordt er in de Spoorzone veel aandacht besteed aan duurzame mobiliteit. Handreiking duurzaamheid De gemeente Gouda hanteert een Handreiking duurzaamheid bij bouwplannen. De gemeente heeft graag dat initiatiefnemers hier rekening mee houden. Voor bouwplannen geldt:
Nieuwbouw is aardgasvrij en in principe energieneutraal. Dit geldt ook voor transformaties naar wonen. Bij verkoop of oplevering heeft de woning of het gebouw een geldig energielabel. Ook bij transformaties naar wonen. De verbouw of renovatie verbetert de energieprestaties van het pand. Bij de bouw van grondgebonden woningen is een tuin verplicht. Bij planontwikkelingen (bouwsom > € 1 ton) wordt 15% van het projectgebied als openbaar groen ingericht (en behouden).
Relatie tot de ontwikkeling Een klimaatverandering waar in het ontwerp van de te realiseren woning nadrukkelijk rekening mee is gehouden is zomerhitte. Op de zuidzijde komt een veranda om directe zonlichttoetreding op het glas te voorkomen. Bij de overige ramen wordt zonwering meegenomen in het ontwerp. Het dak krijgt een biobased isolatiemateriaal waardoor de hitte langer buiten blijft. Door dit te combineren met nachtventilatie ontstaat een kleinere afhankelijkheid van installaties om de woning koel te houden. Verder wordt de woning energieneutraal en is er geen gasaansluiting. Energie wordt opgewekt uit zonne-energie door gebruik te maken van PV-panelen op het dak van het bijgebouw. Ten aanzien van het aspect water is van belang dat het schone regenwater afgekoppeld is van de riolering. Het vuile water wordt via de riolering afgevoerd en schone regenwater blijft binnen het plangebied. Daarnaast zal het totaal aan verhard terrein beperkt toenemen ten opzicht van de bestaande situatie en wordt dit gecompenseerd. In de landschappelijke inpassing van het plan is ook gewerkt met half open verharding en flauwe oevers. Hierdoor zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op het bestaande watersysteem. In de landschappelijke inpassing is gekozen voor het toevoegen van de schietwilg.
De schietwilg is een van de vroegste bloeiers in het voorjaar en biedt daarmee veel beschutting voor verschillende diersoorten. Het is tevens een voedselbron voor veel insecten, vogels en eenden. Een wilg werkt waterzuiverend en vangt CO2 op. Naast de wilg is beplanting geselecteerd welke voorziet in een passende nestgelegenheid en voedselvoorziening voor huismussen.
Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 27
Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot de ontwikkeling Het project betreft het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Ten behoeve van verwarming van de huidig woning is een propaantank aanwezig op locatie. Voor de nieuwe woning is deze niet meer benodigd en zal worden verwijderd. Deze risicobron is derhalve niet meer aanwezig voor de nieuwe locatie. Om de overige relevante omliggende risicobronnen in kaart te brengen is de risicokaart Nederland geraadpleegd. In onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Figuur 8. Uitsnede risicokaart (bron: arcgis.com)
Op de risicokaart is te zien dat: De locatie van het project niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 28
De locatie van het project niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; De locatie van het project wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabijgelegen transportroute; De locatie van het project niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen.
Transportroutes De locatie ligt nabij een spoortraject met een plasbrandaandachtsgebied, namelijk de spoorlijn Gouda – Rotterdam/ Den Haag ten noorden van de locatie. De 10-6-risicocontour voor het plaatsgebonden risico ligt op 12 meter vanuit het midden van de spoorbundel. Het invloedsgebied van het groepsrisico reikt tot enkele honderden meters vanaf het spoor. De projectlocatie ligt hier binnen. Onderhavige ontwikkeling heeft echter geen toename van het groepsrisico tot gevolg doordat op de locatie reeds een bedrijfswoning is toegestaan. Verder is van belang dat in geval van een calamiteit op het spoor sprake is van een zelfredzame doelgroep en dat zij in de zuidelijke richting kunnen vluchten. Wel is van belang dat de nieuwe woning wordt voorzien van een uitschakelbaar ventilatiesysteem. Dit zodat bij calamiteiten eventuele toxische gassen niet naar binnen worden gezogen. De locatie ligt ook nabij de provinciale weg N207. Er is geen sprake van een 10-6-risicocontour buiten de provinciale weg N207. Het invloedsgebied bedraagt 200 meter en de projectlocatie ligt op ruim 700 meter vanaf de N207.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
GELUID In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:
woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.
Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot de ontwikkeling Het project bestaat uit het permanente gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Wanneer geluidgevoelige gebouwen in het kader van de Wet geluidhinder, zoals woningen, worden gerealiseerd dient aangetoond te worden of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In de huidige situatie is reeds een bedrijfswoning toegestaan en aanwezig. Zowel het gebruik als plattelandswoning als de vervangende nieuwbouw van de bedrijfs-/ plattelandswoning resulteert niet in een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling aangezien ter plaatse reeds een agrarische bedrijfswoning vergund en aanwezig is. In het kader van de Wet geluidhinder geldt voor dit project Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 29
niet de verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek. Er is sprake van een bestaande bedrijfswoning en derhalve ook een reeds bestaande geluidsgevoelige functie. Wel wordt opgemerkt dat de bestaande woning een eenvoudige, gedateerde woning betreft. Vervangende nieuwbouw vindt plaats op de huidige locatie en zal resulteren in een plattelandswoning die bouwkundig aan de eisen van de huidige tijd voldoet. In het kader van het aspect geluid zal de vervangende nieuwbouw tot gevolg hebben dat een verbetering van de fysieke woonkwaliteit en leefbaarheid wordt bereikt. Volledigheidshalve wordt onderstaand ingegaan op de relevante geluidsbronnen in het kader van de Wet geluidhinder voor de beoogde ontwikkeling. Wegverkeerslawaai De projectlocatie ligt in de zone van de Broekweg en de Stoofkade. De Broekweg is doodlopend en betreft daardoor alleen bestemmingsverkeer. De belasting van geluid op de woning door wegverkeer zal hierdoor beperkt zijn. Doordat sprake is van de wijziging van het gebruik van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning en er geen extra woningen mogelijk worden gemaakt, hoeft niet nader te worden ingegaan op geluid van wegverkeer. Railverkeerslawaai De projectlocatie ligt nabij de spoorlijn Gouda – Rotterdam/ Den Haag. Volgens het geluidregister is de zonebreedte van het spoor 600 meter. De locatie van de te vervangen woning ligt binnen deze zone.
Doordat sprake is van de wijziging van het gebruik van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning en er geen extra woningen mogelijk worden gemaakt, hoeft niet nader te worden ingegaan op geluid van railverkeer. Industrielawaai De projectlocatie betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning van de naastgelegen paardenhouderij aan de Broekweg 7. Aan een plattelandswoning wordt een lager beschermingsniveau toegekend dan aan een burgerwoning, maar er dient wel sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Derhalve wordt onderstaand ingegaan op geluid van de paardenhouderij waar de plattelandswoning voorheen toe heeft behoord als tweede bedrijfswoning. De richtafstand voor geluid van een bedrijf waar paarden worden gehouden betreft volgens de VNGpublicatie maximaal 30 meter. De plattelandswoning bevindt zich op 25 meter van het dichtstbijzijnde stallengebouw waar paarden worden gehouden. De meeste geluidproducerende activiteiten vinden op een grotere afstand van de woning plaats, zijn inpandig of vinden plaats aan de achterzijde van de paardenstalling. Het paardenbedrijf brengt derhalve een zekere geluidsbelasting met zich mee maar zal niet leiden tot een onaanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van de plattelandswoning. Daarnaast ligt in de omgeving een motorcrossterrein. Een motorcrossterrein heeft een richtafstand van 700 meter voor geluid.
De woning ligt binnen deze richtafstand. Voor de activiteiten op het terrein is een milieuvergunning afgegeven. De geluidsbelasting van de omliggende woningen is incidenteel zo hoog, dat hiervoor in de milieuvergunning maatwerkvoorschriften zijn opgenomen. In de milieuvergunning is per tijdvak opgenomen hoe hoog de geluidbelasting mag zijn. De specifieke regels in de milieuvergunning reguleren het gebruik en daarmee de geluidhinder voor de omgeving. Doordat in de huidige situatie al sprake is van een bedrijfswoning op de projectlocatie is in de maatwerkvoorschriften van de milieuvergunning voor het motorcrossterrein reeds rekening gehouden met de (plattelands)woning op de projectlocatie. Verondersteld mag worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 30
GEUR Algemeen De Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) diende voorheen als grondslag voor geurhinderbeleid, maar is per 1 januari 2016 niet langer aangewezen als BBT-document. Het aspect geurhinder wordt nu gereguleerd via het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling. In essentie regelt het besluit dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Het stelt eisen aan de beoordeling van het aspect geurhinder bij bedrijven. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. De beleidslijn is:
als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, komen maatregelen in aanmerking op basis van het BBT-principe (Best Beschikbare Technieken); de mate van hinder kan onder andere worden bepaald op grond van belevingsonderzoeken, hinderenquêtes, klachtenregistraties etc. het bevoegde bestuursorgaan stelt de mate van hinder vast die nog aanvaardbaar is. ernstige geurhinder moet worden voorkomen en in bestaande gevallen bestreden.
Ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen geldt eveneens als uitgangspunt dat nieuwe hinder dient te worden voorkomen. Uitgangspunt is dan ook dat een nieuwe woonlocatie, of een anderszins gevoelige bestemming, op een zodanige afstand wordt gepland van geurbronnen en dat geen of hooguit een aanvaardbare mate van hinder te verwachten is. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten eisen opgenomen. In bepaalde gevallen zijn maximaal toegestane geurbelastingen opgenomen, bijvoorbeeld voor varkens en pluimvee (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld). In andere gevallen gelden vaste afstandseisen, bijvoorbeeld voor rundvee en paarden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld). Als er geen geuremissiefactor is vastgesteld, moet de veehouderij in principe voldoen aan een afstand van 100 meter (binnen de bebouwde kom) of 50 meter (buiten de bebouwde kom) tot een geurgevoelig object.
Relatie tot de ontwikkeling De projectlocatie betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning van de naastgelegen paardenhouderij aan de Broekweg 7. In de toekomstige situatie wordt het permanente gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning mogelijk gemaakt en wordt voorzien in vervangende nieuwbouw van de woning. In de Wet plattelandswoning is opgenomen dat een plattelandswoning uitgesloten kan worden van de geurbeoordeling. Hierdoor wordt de woning niet gezien als een geurgevoelig object ten opzichte van het bedrijf waar het bij hoort. Wel dient bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning het ‘eigen’ bedrijf te worden meegenomen. Voor de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een plattelandswoning buiten de bebouwde kom geldt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de afstand tussen een emissiepunt (van het eigen bedrijf en bedrijven van derden) en de plattelandswoning 25 meter of meer bedraagt. De afstand tussen het dichtstbijzijnde dierverblijf van de naastgelegen paardenhouderij aan de Broekweg 7 en de plattelandswoning bedraagt minimaal 25 meter. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich enkele (agrarische) bedrijfspercelen.
Die omliggende bedrijvigheid wordt niet belemmerd door het permanente gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning. Voor een agrarische bedrijfswoning of plattelandswoning geldt namelijk hetzelfde geurhinderniveau. Voor omliggende bedrijven is er daarom geen sprake van een eventuele (extra) belemmering in vergelijking met de bestaande situatie. Ook voor (toekomstige) bewoners is er geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 31
LUCHTKWALITEIT In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Voor veehouderijen is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dan een uitbreiding/ oprichting ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie lucht verontreinigde stoffen. De vuistregel is bedoeld als een hulpmiddel voor de motivering, met als uitgangspunt de 3%-grens. In onderstaande tabel staat bij welke afstand tot de stallen een fijnstof emissie per definitie NIBM bijdraagt. Daarbij geldt, hoe groter de afstand des te groter de kans dat de veehouderij NIBM bijdraagt. Tabel 2. Vuistregel uitbreiding/ oprichting NIBM (bron: ECN. Getallen op basis van berekeningen met Stacks, versie 2008).
Afstand tot te toetsen plaats Totale emissie in g/ jr van uitbreiding/ oprichting
70m 324.000
80m 387.000
90m 473.000
100m 581.000
120m 817.000
140m 1.075.000
160m 1.376.000
WHO advieswaarden en voorstel Europese Commissie Op 22 september 2021 heeft de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht. De nieuwe advieswaarden zijn voor de relevante stoffen lager dan de advieswaarden uit 2005. De WHO heeft zich gerealiseerd dat niet overal in de wereld de nieuwe advieswaarden direct kunnen worden gerealiseerd. Om een stapsgewijze verbetering van de luchtkwaliteit mogelijk te maken, heeft de WHO ook een aantal ‘interimdoelen’ geformuleerd. De Europese Commissie heeft het strengste interimdoel voorgesteld als nieuwe grenswaarden. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de beschikbare jaargemiddelde grens- en advieswaarden voor luchtkwaliteit. Tabel 3. Overzicht grens- en advieswaarden luchtkwaliteit
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Grenswaarde in µg/m3 (Wet milieubeheer) 40
Advieswaarde in µg/m3 (WHO 2005) 40
Voorstel Europese Commissie in µg/m3 20
Advieswaarde in µg/m3 (WHO 2021) 10
40 25
20 10
20 10
15 5
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 32
Relatie tot de ontwikkeling Het project bestaat uit het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Uit de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:156) volgt dat de luchtkwaliteitseisen ook voor plattelandswoningen gelden. Echter worden geen extra woningen gerealiseerd. Daarnaast mag op basis van bovenstaande voorbeelden geconcludeerd worden dat het project zelf niet in betekenende mate bijdraagt Binnen de inrichting zijn volgens de vergunning 15 paarden aanwezig, maar er is plaats voor 16 paarden. Dit is derhalve het worst case uitgangspunt. Voor de berekening van de fijnstof emissie kan gebruik worden gemaakt van vastgestelde emissiefactoren. Voor paarden is echter geen emissiefactor vastgesteld. Er wordt aangesloten bij de emissiefactor van een zoogkoe omdat de huisvestingssystemen vergelijkbaar zijn. Het strogebruik is wel hoger bij paarden (2.505 kg/ jaar voor een paard tegenover 1.300 kg/ jaar voor een zoogkoe), waardoor voor de stofemissie per paard wordt uitgegaan van 1,93 zoogkoe. De emissiefactor van zoogkoeien bedraagt 86 g/ dier/ jaar. De stofemissie van een paard bedraagt dan (1,93 * 86) 166 g/ dier/ jaar. De fijnstof emissie van de paardenhouderij met maximaal 16 paarden bedraagt dan 2.656 g/ jaar. Op 70 meter afstand ligt de NIBM vuistregelgrens op een emissie van 324.000 gram/ jaar.
In de beoogde situatie ligt de woning aan de Broekweg 5a op 25 meter afstand van het dichtstbijzijnde dierverblijf van de naastgelegen paardenhouderij aan de Broekweg 7. Met een totale emissie van maximaal 2.656 gram per jaar kan worden geconcludeerd dat er op een afstand van 25 meter geen sprake zal zijn van een IBM emissie. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van een specifieke locatie kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de locatie van het project. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de gecorrigeerde achtergrondconcentraties uit de monitoringsronde 2022 ter plaatse van het rekenpunt het meest dichtbij de locatie van het project. Tabel 4. Gecorrigeerde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: cimlk.nl).
Jaar
Achtergrondconcentratie NO2 (µg/m3)
2021 2030 Grenswaarden Wet milieubeheer Advieswaarde WHO (2021) Advieswaarde Europese Commissie (2023)
15,46 12,52 40 10 20
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
16,22 14,45 40 15 20
9,13 7,47 25 5 10
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De advieswaarden van de WHO (2021) worden overschreden, maar er wordt voldaan aan de advieswaarde van de Europese Commissie (2023). Daarnaast voorziet de ontwikkeling in het gebruik van een bestaande (voormalige) (bedrijfs)woning als plattelandswoning, niet in extra verkeer. Een overschrijding van de grenswaarden zal hierdoor niet plaatsvinden.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 33
NATUUR Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot de ontwikkeling Soortenbescherming Het project bestaat uit het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. In gevolge van de vervangende nieuwbouw van de woning vinden er sloop- en bouwwerkzaamheden plaats. In dit kader is een onderzoek gedaan naar soortenbescherming. Er is een ecologische quickscan en een nader ecologisch onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van vleermuizen. De rapportages van de onderzoeken zijn opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand zijn de conclusies overgenomen. Ecologische quickscan Voor de bepaling van mogelijke effecten op beschermde soorten zijn het plangebied en de directe omgeving onderzocht met een bronnenonderzoek en een oriënterend locatiebezoek. Op basis hiervan kan niet worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Behalve eventuele algemene inheemse broedvogels worden in het plangebied verder geen (effecten op) beschermde soorten zonder een vrijstelling verwacht.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 34
Met deze quickscan wordt daarom in het kader van soortenbescherming geconcludeerd dat een nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, waarmee kan worden bepaald of een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig is. In het kader van gebiedsbescherming zal voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase nader onderzocht moeten worden of sprake is van negatieve effecten door een eventuele toename in stikstofuitstoot en – depositie. Overige effecten op beschermde gebieden of belangrijk weidevogelgebied worden niet verwacht. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet verder altijd voldoende rekening gehouden worden met het broedseizoen en de zorgplicht. Nader onderzoek vleermuizen Van mei t/m september 2023 heeft Eco-Niche het ecologisch onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De aan- of afwezigheid van de onderzochte beschermde soorten en de functies van de planlocatie dienden te worden vastgesteld. Hieronder volgt de conclusie inclusief de te nemen vervolgstappen. Op de planlocatie en in de directe omgeving zijn geen beschermde functies van beschermde soorten waargenomen. Voor kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van kleine en grotere soorten inclusief laatvlieger en meervleermuis in de bebouwinghoeven geen maatregelen te worden genomen om negatieve effecten te voorkomen, aangezien er geen beschermde soorten en functies op de planlocatie zijn aangetroffen.
Voor dit project is geen ontheffing nodig om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, maar de Zorgplicht blijft wel altijd van toepassing. De Zorgplicht (Art 1.11) geldt voor alle soortgroepen, dus ook als ze niet beschermd zijn. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Gebiedsbescherming De projectlocatie is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief de zogenaamde verbindingszones die de verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Op een afstand van circa 1,7 km meter van de locatie is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. De projectlocatie maakt eveneens geen deel uit van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is gelegen op een afstand van circa 4,8 km. Dit betreft het Vogelrichtlijngebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”. Het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied ligt op circa 11 km afstand. Dit betreft “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck”. Door middel van een stikstofdepositie berekening dient aangetoond te worden of sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Wanneer sprake is van stikstofdepositie is het beoogd initiatief niet zonder meer uitvoerbaar onder de Wet natuurbescherming.
Uit de berekening van stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase (zie bijlage) blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 35
Relatie tot de ontwikkeling Op basis van de informatie van de VEO Bommenkaart blijkt dat op de locatie een vooronderzoek is uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten (in 2014 en 2017 door T&A Survey en in 2011 door Saricon). De rapportage van het Historisch Vooronderzoek Explosieven uit 2017 zoals uitgevoerd door T&A Survey is beschikbaar gesteld en opgenomen in de bijlage van deze rapportage. In de bijlagen van het onderzoek is een CE bodembelastingkaart opgenomen. Op de bodembelastingkaart is voor het gehele onderzoeksgebied aangegeven of de locatie verdacht is op de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. Een verdacht gebied is herkenbaar aan een rode of roze arcering, waarbij roze staat voor een gebied waarvan bekend is dat de bovenlaag naoorlogs geroerd is. Groene gebieden zijn de onverdachte gebieden. Onderstaand is een uitsnede van de CE bodembelastingkaart getoond waaruit blijkt dat de projectlocatie onverdacht is voor mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. Figuur 9. Uitsnede CE bodembelastingkaart. Projectlocatie: oranje ster (bron: Historisch Vooronderzoek Explosieven door T&A Survey)
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
VERKEER EN PARKEREN Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. In paragraaf 2.3 is reeds verwezen naar de “Parapluherziening Parkeren”. In dit paraplubestemmingsplan is geborgd dat getoetst dient te worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid, het Parkeerplan Gouda 2020 (geldend sinds 2 april 2022). In het Parkeerplan heeft de gemeente het parkeerbeleid uitgewerkt, passend bij de kaders die volgen uit het Mobiliteitsplan 2017-2026.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 36
Relatie tot de ontwikkeling Parkeren vindt in zowel de huidige als toekomstige situatie plaats op het eigen terrein. Er is voldoende parkeerruimte aanwezig. De ontsluiting van de bedrijfswoning was georganiseerd via de gronden behorende bij het bedrijf aan de Broekweg 5, maar is in gevolge van de afsplitsing van de woning aan de Broekweg 5a middels een eigen in-/ uitrit georganiseerd. De plattelandswoning is daarmee direct ontsloten op de Broekweg. De verkeersaantrekkende werking van een bedrijfswoning is vergelijkbaar met de verkeersaantrekkende werking van een plattelandswoning. Het aantal verkeersbewegingen naar de projectlocatie zal door onderhavig project niet toenemen.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het gebruik van de bestaande (voormalige) (bedrijfs)woningen als plattelandswoningen.
WATER Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Waterbeheerder De projectlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hanteert voor de ontwerp en inrichting van een gebied een aantal algemene uitgangspunten. Zo moet worden zorg gedragen dat: 1. de veiligheid tegen overstromingen gegarandeerd blijft; 2. het watersysteem duurzaam voldoet aan de normen voor berging, aan- en afvoer (wateropgave). Bij een verhardingstoename van >500 m² dient een watercompensatie plaats te vinden. Indien bestaand water gedempt wordt, dient deze oppervlakte één op één gecompenseerd te worden.
Als deze waterberging ter plaatse niet te realiseren is, dient dit elders binnen het zelfde peilgebied, zo dicht mogelijk bij de locatie gecompenseerd te worden; 3. de waterkwaliteit niet achteruitgaat dan wel kan verbeteren; 4. het beheer en het onderhoud van het watersysteem, de waterkeringen en de wegen op een verantwoorde en efficiënte wijze mogelijk zijn; 5. negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien noodzakelijk worden mitigerende en compenserende maatregelen genomen; 6. er geen afwenteling plaatsvindt van negatieve effecten.
Relatie tot de ontwikkeling Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 12 december 2023 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat voor het project een normale procedure kan worden doorlopen.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 37
Watersysteem Oppervlaktewater Ter plaatse van het plangebied en in de nabije omgeving is oppervlaktewater aanwezig. Aan de noord-, oosten zuidzijde van de projectlocatie is overig water gesitueerd. Voor wat betreft het overig water rondom de locatie, geldt dat HHSK het onderhoud uitvoert. Vanwege onderhoud van het watersysteem dient er rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid van het oppervlaktewater voor het onderhoudsmaterieel. Dit project leidt niet tot de realisatie van bebouwing of andere obstakels direct langs de oever. De onderhoudsstroken van watergangen blijven hiermee onveranderd bereikbaar. Figuur 10. Uitsnede Leggerkaart oppervlaktewatersystemen. Projectlocatie: oranje ster (bron: HHSK)
Grondwater Er is een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uitgevoerd (zie ook paragraaf 4.3) waarbij tevens is ingegaan op het grondwater. Ten tijde van de uitvoering van de grondboringen is de grondwaterstand vastgesteld rond 2,0 m -mv. De realisatie van onderhavig plan heeft geen onevenredig nadelig effect op de grondwaterstand ter plaatse. Waterkering Ter plaatse van het plangebied en in de nabije omgeving is geen kernzone of beschermingszone van een waterkering aanwezig (zie figuur 11). Voor de ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie gelden geen beschermingszones waar rekening mee moet worden gehouden. Riolering Op de projectlocatie is een gescheiden stelsel aangelegd waarbij afstromend hemelwater van schone oppervlakken zoals van daken, direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Afkoppeling geschiedt conform de daarvoor bij het Hoogheemraadschap geldende richtlijnen. Zo wordt voorkomen dat schoon
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 38
hemelwater afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Figuur 11. Uitsnede Leggerkaart waterkeringen. Projectlocatie: oranje ster (bron: HHSK)
Wateropgave Oppervlaktewater In de oorspronkelijke situatie is ca. 95 m² (77 + 17) verhard c.q. bebouwd. In de toekomstige situatie is ca. 630 m² (110 + 119 + 400) m² verhard van de totale projectlocatie, waarbij de verharding bestaat uit bebouwing en erfverharding. Doordat er meer dan 500 m² verhard oppervlak wordt toegevoegd, betekent dit volgens de Keur van het Hoogheemraadschap er watercompensatie plaats dient te vinden. De hoeveelheid verharding in de toekomstige situatie neemt immers met ca. 535 m² toe ten aanzien van de oorspronkelijke situatie. Ook is het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. De benodigde watervergunning voor onderhavig project is aangevraagd en daarbij wordt ingegaan op de wijze waarop de watercompensatie binnen de projectlocatie plaatsvindt. Grondwater De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, keurbeschermings- en/of attentiegebied. Waterkering en waterveiligheid Er ligt geen kernzone of beschermingszone van een waterkering ter plaatse van de projectlocatie. Riolering De ontwikkeling heeft geen toename van het aantal woningen op de projectlocatie tot gevolg. Het riool krijgt door de ontwikkeling niet meer afvalwater te verwerken. Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden derhalve geen belemmeringen verwacht.
Waterkwaliteit Om waterkwaliteit te waarborgen wordt onder andere de afvoer van regen- en vuilwater conform de geldende eisen ontworpen. Er wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen. Dit houdt in dat toepassing
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 39
van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
TOETS STEDELIJKE ONTWIKKELING BESLUIT M.E.R. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor alle activiteiten die op de D-lijst staan geldt bovendien sinds 16 mei 2017 dat het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor voorliggend project geldt echter dat het Besluit m.e.r.
niet van toepassing is, omdat de wijziging van het gebruik van een bestaande (voormalige) (bedrijfs)woning naar plattelandswoning, niet op de C of D lijst vermeld staat. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is dit project geen stedelijk ontwikkelingsproject en ook andere categorieën die vermeld staan op de C of D lijst zijn in onderhavige situatie niet aan de orde. Er geldt derhalve geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 40
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De initiatiefnemer draagt de kosten voor de uitvoering van het project, het project wordt economisch uitvoerbaar geacht. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. De noodzakelijke kosten van de gemeenten worden gedekt door legesopbrengsten. Dit project is hiermee financieel uitvoerbaar.
MAATCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Maatschappelijk draagvlak Opdrachtgever heeft in de zomer van 2023 zijn plannen laten zien en mondeling toegelicht aan de direct omwonenden. Hiervoor is hij bij elk van zijn buren afzonderlijk langs gegaan. De direct omwonenden hebben geen bezwaren geuit tegen de voorgenomen plannen.
Procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes wegen ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 41
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. In deze rapportage is de ontwikkeling aan de Broekweg 5a te Gouda gemotiveerd aan relevante beleidskaders. Tevens is de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 42
BIJLAGE 1. Archeologisch onderzoek Laagland Archeologie, 2021
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 2. Cultuurhistorisch onderzoek Adviesbureau Lantschap, 2021
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 3. Verkennend bodemonderzoek Van Dijk Tech, 2023
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 4. Ecologische quickscan De Bouwecoloog, 2023
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 5. Nader ecologisch onderzoek vleermuizen Eco-Niche, 2023
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 6. Onderzoek stikstofdepositie Busscher Milieu Advies, 2023
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
BIJLAGE 7. Historisch Vooronderzoek Explosieven T&A Survey, 2017
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO