Ruimtelijke onderbouwing Broekweg 5a te Gouda
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur
Broekweg 5a te Gouda 1.4 23068 27 juli 2024 L.G.A. van Laar MSc BBE/ E. Scheer
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding Doel Leeswijzer
4 4 4
2
Projectbeschrijving Projectlocatie Huidige situatie Beoogde ontwikkeling Geldende bestemmingsplannen
5 5 6 6 8
3
Ruimteliijk beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 11 13 17 18
4
Omgevingsaspecten Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Geur Luchtkwaliteit Natuur Ontplofbare oorlogsresten Verkeer en parkeren Water Toets stedelijke ontwikkeling Besluit m.e.r.
22 22 24 25 26 27 29 31 32 34 35 36 37 40
5
Beschrijving uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatchappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
6
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
42
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7
Archeologisch onderzoek, Laagland Archeologie, 2021 Cultuurhistorisch onderzoek, adviesbureau Lantschap, 2021 Verkennend bodemonderzoek, Van Dijk Tech, 2023 Ecologische quickscan, De Bouwecoloog, 2023 Nader ecologisch onderzoek vleermuizen, Eco-Niche, 2023 Onderzoek stikstofdepositie, Busscher Milieu Advies, 2023 Historisch Vooronderzoek Explosieven, T&A Survey, 2017
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING In opdracht van de familie Kruithof (verder: initiatiefnemer), eigenaar van het perceel aan de Broekweg 5a te Gouda, heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de ontwikkeling van een plattelandswoning op het genoemde perceel. Meer concreet bestaat de beoogde ontwikkeling uit het permanent toestaan van een plattelandswoning, de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning en de realisatie van een bijbehorend bouwwerk aan de Broekweg 5a te Gouda. In het geldende bestemmingsplan is er op het perceel een agrarische bestemming opgenomen. Middels een reeds verleende omgevingsvergunning is het tijdelijk gebruik van de plattelandswoning toegestaan. Om het permanente gebruik van de woning als plattelandswoning en het beoogde bouwplan planologisch toe te staan dient er een planologische procedure te worden doorlopen. In januari 2022 is er een bouwinitiatief ingediend bij de gemeente Gouda voor het beoogde initiatief. Op 22 augustus 2022 is per brief aan de initiatiefnemer aangegeven dat het ingediende bouwinitiatief planologisch en stedenbouwkundig passend is en dus positief is beoordeeld. Het plan is inmiddels verder uitgewerkt maar komt op hoofdlijnen nog overeen met het in 2022 beoordeelde plan.
DOEL De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van de omgevingsaspecten wordt gemotiveerd.
LEESWIJZER De ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit een zestal hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 betreft de inleiding; Hoofdstuk 2 betreft een beschrijving van het project en het geldende bestemmingsplan; Hoofdstuk 3 betreft het relevant ruimtelijk beleid; Hoofdstuk 4 betreft de omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5 betreft een beschrijving van de uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 6 betreft de conclusie.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Broekweg 5a en bevindt zich in de Oostpolder van Gouda. De locatie is kadastraal bekend gemeente: Gouda, sectie: F en nummers 3938 en deels 3937 en 3939, en heeft een oppervlakte van circa 2.950 m². In de directe omgeving van de locatie is een paardenhouderij gelegen (noordwestzijde) en bevinden zich recreatiewoningen (oostzijde) en een burgerwoning (zuidoostzijde). Op iets grotere afstand is onder andere een autobedrijf en het spoor gesitueerd. Aan de zuidoostzijde van de projectlocatie is het Oostpolder Vlonderpad gelegen. Hiermee is het natuur- en recreatiegebied van de Oostpolder toegankelijk. In het gebied, dat vooral bestaat uit veenweiden, is de ontginningsrichting van noordwest naar zuidoost en de haaks daarop gegraven poldersloten duidelijk herkenbaar. De projectlocatie zelf wordt ook aan drie zijden (deels) begrensd door poldersloten. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS)
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 5
HUIDIGE SITUATIE In de huidige situatie is ter plaatse van de projectlocatie een bestaande woning met bijgebouw aanwezig. De woning heeft voorheen gefunctioneerd als tweede bedrijfswoning bij de naastgelegen paardenhouderij (Broekweg 7). Initiatiefnemer is eigenaar geweest van deze paardenhouderij. Het bedrijf, inclusief de eerste bedrijfswoning, is inmiddels verkocht. De binding tussen de bewoners van de woning aan de Broekweg 5a met het agrarisch bedrijf aan de Broekweg 7 is derhalve niet meer aan de orde. De woning en het bijgebouw ter plaatse van de projectlocatie zijn verouderd en voldoen niet meer aan de eisen van de huidige tijd. Figuur 2. Impressie van de bestaande bebouwing op de projectlocatie (bron: de Bouwecoloog)
Tijdelijke vergunning Op 11 februari 2019 is een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk wijzigen van de agrarische bedrijfswoning aan de Broekweg 5a te Gouda naar een plattelandswoning. De omgevingsvergunning met kenmerk 2018286132 maakt het mogelijk om voor een periode van maximaal 10 jaar de woning in gebruik te nemen als plattelandswoning.
BEOOGDE ONTWIKKELING De beoogde ontwikkeling betreft het permanent toestaan van een plattelandswoning, de vervangende nieuwbouw van de bestaande woning en de realisatie van een bijbehorend bouwwerk aan de Broekweg 5a te Gouda. De permanente toestemming voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als plattelandswoning voorkomt dat bewoning van de woning door de initiatiefnemer bij het vervallen van de tijdelijke vergunning niet meer is toegestaan. De vervangende nieuwbouw voorziet in de vervanging van de verouderde woning voor een woning die weer aan de eisen van de huidige tijd voldoet. De positionering van de woning blijft nagenoeg gelijk. De footprint van de nieuw te bouwen woning neemt beperkt toe ten opzichte van de bestaande te slopen woning. De gewenste woning heeft een inhoudsmaat van maximaal 650 m³ en een maximale goot- en nokhoogte van respectievelijk 4 m en 9 m. Dit is conform hetgeen in het bestemmingsplan Oostpolder is opgenomen voor onder andere een agrarische bedrijfswoning en een reguliere woning (zie ook paragraaf 2.4). Het bestaande bijbehorend bouwwerk wordt gesloopt en het beoogde plan voorziet in een nieuw te realiseren bijbehorend bouwwerk. Daar waar het huidige bijbehorend bouwwerk nagenoeg op de lijn met de bestaande woning is gebouwd, is in de beoogde situatie het bijgebouw meer achterop het erf gepositioneerd.
Het te realiseren bijbehorend bouwwerk heeft een footprint van ca. 119 m² en een goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 m en 4,40 m.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 6
Figuur 3. Situatietekening en 3D model beoogde woning (bron: Houweling architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 7
Stedenbouwkundige inpassing Oostpolder (polder Broek) De Oostpolder neemt een bijzondere positie in Gouda in: het is het grootste groengebied binnen het stedelijk weefsel van Gouda. Het noordelijke deel van de Oostpolder (polder Broek) is hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch gebied. Het betreft een open landschap van veenweiden met brede poldersloten. De Broekweg vormde samen met de Alpher Wetering de ontginningsbasis van de polder Broek en langs de Broekweg zijn van oudsher (agrarische) woningen aanwezig. De gemeente Gouda wil in dit gebied de agrarische activiteiten behouden, net als het kenmerkende slotenpatroon en de openheid van het landschap. Om de natuur meer ruimte te geven worden o.a. de sloten aangevuld met natuurvriendelijke oevers. De aanleg van het Vlonderpad maakte het gebied toegankelijk en gaf het een recreatieve waarde. Specifieke kenmerken van de Oostpolder (polder Broek) zijn o.a. strookvormige percelen, smalle wegen en langhuisboerderijen. Het ontwerp op perceelniveau houdt rekening met deze specifieke kenmerken van het gebied. Perceelniveau De nieuwe woning richt zich door de nokrichting op de Broekweg en wordt daardoor een onderdeel van het bebouwingscluster langs dit lint. De woning kent een geleding in een voor- en achterhuis onder één dak en sluit hiermee aan op de typologie van de langhuisboerderijen in de omgeving.
Het voorhuis heeft een gemetselde gevel met lichte dakranden, in lijn met de architectuur van de bebouwing in de omgeving. Achter op het erf staat een bijgebouw waarin ruimte is voor een berging en onder andere de opslag van materiaal en materieel voor het onderhoud en beheer de bijbehorende tuin en omliggende gronden. De positie en de langgerekte vorm van het bijgebouw benadrukt de lengte richting van de ontginning vanaf de Broekweg. Het bijgebouw opent zich naar het achtererf wat gevormd wordt door de woning en het bijgebouw. Dit past bij de agrarische uitstraling waarbij de toegang tot bijgebouwen en schuren voor dieren en landbouwvoertuigen over het achtererf van de agrarische woning gaat. Samen vormen de te realiseren woning en het bijgebouw één bebouwingscluster.
Landschappelijke inpassing Het landschap heeft een open karakter met veel grasland en een kenmerkend slotenpatroon. Belangrijk bij de nieuwe ontwikkeling is het behoud van het doorzicht vanaf de Broekweg naar het achterland. Het nieuwe bijgebouw ligt gezien vanaf de Broekweg daarom dichter bij de woning en meer naar achteren dan de huidige schuur naast de woning. Hierdoor wordt het doorzicht richting het Oostpolder Vlonderpad groter. De bestaande doorzichten over het landschap naar het achterland blijven daarnaast ook behouden door behoud van het grasland rondom de bebouwing. Wanneer beplanting wordt toegevoegd gaat de voorkeur uit naar streekeigen beplanting en soorten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit.
GELDENDE BESTEMMINGSPLANNEN Ter plaatse van de projectlocatie gelden de bestemmingplannen “Oostpolder”, “Parapluherziening Parkeren”, “Parapluplan Wonen” en “parapluplan Darkstores”. Oostpolder Het bestemmingsplan “Oostpolder” is vastgesteld op 16 oktober 2013. In gevolge van dit bestemmingsplan geldt op de projectlocatie grotendeels de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Ook de enkelbestemmingen ‘Tuin’, ‘Recreatie’ en ‘Water’ gelden binnen de projectlocatie. Daarnaast geldt grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op de verbeelding is een groot bouwvlak opgenomen en geldt ter plaatse van de bestaande woning de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 8
Figuur 4. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Oostpolder” (bron: QGIS, eigen bewerking)
In de bouwregels van het bestemmingsplan is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ten hoogste één bedrijfswoning mag worden gebouwd. Verder is in de regels aangegeven dat de inhoud van een agrarische bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 650 m³, de goothoogte niet meer dan 4 meter en de bouwhoogte niet meer dan 9 meter. De gezamenlijke oppervlakte van de bij de agrarische bedrijfswoning horende bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m². De maximale toegestane goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt respectievelijk 3 en 4,5 meter. Parapluherziening Parkeren De parapluherziening Parkeren is vastgesteld op 21 november 2018. In gevolge van de vaststelling van dit plan is geborgd dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In paragraaf 4.11 van deze ruimtelijke motivering komt het aspect verkeer en parkeren aan bod, waardoor er in deze paragraaf niet nader op wordt ingegaan. Parapluplan Wonen Het parapluplan Wonen is vastgesteld op 1 juni 2022. Met de vaststelling van dit parapluplan zijn voor het aspect wonen eenduidige definities opgenomen. Daarnaast regelt het nieuwe paraplubestemmingsplan dat woningen niet zondermeer gebruikt kunnen worden voor kamerverhuur.
Parapluplan Darkstores Het parapluplan Darkstores is vastgesteld op 12 april 2023 en is een reactie op het voorbereidingsbesluit ten aanzien van de vestiging van darkstores. Het paraplubestemmingsplan biedt een nieuw planologisch kader voor flitsbezorgsupermarkten in de vorm van darkstores.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 9
Toets aan het bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling op de projectlocatie is in strijd met het geldende bestemmingsplan “Oostpolder”. De strijdigheden zijn gelegen in:
Het gebruik: het permanent gebruiken van de woning als plattelandswoning is binnen het geldende bestemmingsplan niet toegestaan; Het bouwen van het beoogde bijgebouw is binnen de bouwregels van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.
Geconcludeerd wordt dat het beoogde gebruik ten aanzien van het permanent bewonen van de plattelandswoning door een bewoner zonder binding met het agrarisch bedrijf, en de realisatie van het beoogde bijbehorend bouwwerk strijdig is met het geldende bestemmingsplan. Een planologische procedure is derhalve benodigd om het gewenste gebruik als plattelandswoningen toe te staan.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 10
3
RUIMTELIIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 5. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 11
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot de ontwikkeling Het project betreft het permanent toestaan van een plattelandswoning, vervangende nieuwbouw van de bestaande woning en de realisatie van een bijbehorend bouwwerk. Het project betreft daarmee een ontwikkeling op perceelsniveau. Op het projectgebied en het project zijn geen nationale belangen van toepassing. Hiermee is de Nationale Omgevingsvisie niet relevant voor het projectgebied. Conclusie De Nationale Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot de ontwikkeling Het project raakt geen nationale ruimtelijke belangen. Het Barro heeft daardoor geen directe gevolgen voor de gewenste functiewijziging. Conclusie Het Barro vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 12
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Relatie tot de ontwikkeling Het projectplan is niet te typeren als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van een permanente wijziging van het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Dit gebruik is reeds door middel van een tijdelijke omgevingsvergunning toegestaan. Uit jurisprudentie blijkt wanneer een ruimtelijk plan voorziet in de realisatie van 11 woningen (of minder), die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Dit heeft als gevolg dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden voor de beoogde ontwikkeling.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie is opgebouwd uit een groot aantal beleidskeuzes, waaronder ‘gezonde en veilige leefomgeving’, ‘ruimtelijke kwaliteit’, ‘verstedelijking’, etc. Op iedere beleidskeuze is in de visie een toelichting gegeven en wordt het provinciaal belang gemotiveerd. Enkele relevante beleidskeuzes worden in deze paragraaf behandeld. Gezonde en veilige leefomgeving De provincie wil zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving. Een omgeving die inwoners als prettig ervaren, uitnodigt tot gezond gedrag en beschermt tegen negatieve invloeden, zoals luchtvervuiling,
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 13
bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluid, wateroverlast en hittestress. Naast het beschermen wil de provincie een duidelijke verbetering van de huidige leefomgeving bevorderen door de leefomgeving ook op gezond gedrag in te richten. Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Hoe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit is een ontwerpopgave. Om hier richting aan te heeft de provincie richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen opgesteld. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: (1) inpassing, (2) aanpassing en (3) transformatie. Bij inpassen gaat het om een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De impact op het gebied is klein. Een aanpassing betreft een wijziging in de structuur van een gebied die aansluit bij de huidige gebiedsidentiteit. De impact op het gebied is groter. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuwe gebiedsidentiteit ontstaat. De impact van dit type ontwikkeling op een gebied is enorm. Bij transformatie is het dan ook belangrijk om goed vorm te geven aan de ontwikkeling van een nieuwe ruimtelijke kwaliteit, met vaak ook een nieuwe identiteit. Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.
Relatie tot de ontwikkeling De locatie van de ontwikkeling bevindt zich in het gebied dat is aangegeven als bodemdalingsgevoelig gebied (kaart 3). In specifiek de veen(weide)gebieden wil de provincie de bodemdaling beperken. Er is reeds sprake van een woning en bijgebouw op de projectlocatie, waardoor in het kader van deze ruimtelijke ontwikkeling de afweging niet hoeft plaats te vinden ten aanzien van de bodemdalingsgevoeligheid. Onderhavige ontwikkeling heeft geen negatief onevenredig effect op de bodemdalingsgevoeligheid. Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 14
De projectlocatie ligt binnen de groenblauwe structuur (kaart 26). Dit is een samenhangend stelsel van verschillende groenblauwe ruimtes en routes in en rondom het stedelijk gebied. De provincie wil de groenblauwe elementen behouden en versterken. Nieuwe verstedelijking vindt daarom zo veel mogelijk plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. In onderhavige situatie is geen sprake van een nieuwe verstedelijking doordat er reeds een woning en bijgebouw planologisch toegestaan en feitelijk aanwezig zijn. Door natuurinclusief te ontwikkelen kan de groenblauwe structuur worden behouden en versterkt door de beoogde ontwikkeling. Om te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteit passend is, is de ontwikkeling getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Beoordeeld is welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn op de ontwikkellocatie (hierna: de locatie) en welke richtpunten hierbij horen. De relevante kwaliteitskaarten ter plaatse van de locatie, zijn de kaarten ‘Laag van de ondergrond’ en ‘Laag van de stedelijke occupatie’. Op de kwaliteitskaarten bij de ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ en de ‘Laag van de beleving’ is de locatie niet aangegeven. De weergegeven richtpunten vormen randvoorwaarden bij de uitwerking van het plan. Laag van de ondergrond De locatie is gelegen in het ‘Rivierdeltacomplex – rivierklei en veen’. Daarbij geldt het volgende richtpunt:
Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.
Figuur 6. Uitsnede kwaliteitskaart Laag van de ondergrond. Ontwikkellocatie: oranje ster (bron: gebiedsprofielen Zuid-Holland)
Laag van de stedelijke occupatie De locatie ligt in de ‘stedelijke groen- en waterstructuur’, is onderdeel van de ‘stads- en dorpsranden’ en ligt ter plaatse van het gebied ‘bouwwerken voor energie-opwekking’. De richtpunten hierbij zijn:
Ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 15
Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.
Figuur 7. Uitsnede kwaliteitskaart Laag van de stedelijke occupatie. Ontwikkellocatie: oranje ster (bron: gebiedsprofielen Zuid-Holland)
Voor de beoogde ontwikkeling op de locatie kan als volgt worden gereageerd op de richtpunten. De ontwikkeling leidt niet tot een verandering van de herkenbaarheid van komgronden en oeverwallen. Dit doordat het een ontwikkeling op perceelsniveau betreft en er reeds een woning en bijgebouw op de locatie aanwezig zijn. Ook leidt het plan niet tot veranderingen ten aanzien van de groen- en waterstructuur. Door natuurinclusief te ontwikkelen draagt het plan bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Het ontwerp van het voorgenomen plan voorziet in een passende ontwikkeling, waarbij de nieuwe situatie landschappelijk wordt ingepast. Zie daarvoor ook paragraaf 2.3.1 en 2.3.2 van deze rapportage. Verder is geen sprake van de plaatsing van bouwwerken voor energie-opwekking. Conclusie De Omgevingsvisie Zuid-Holland vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2023 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening onherroepelijk geworden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking. Regels voor ruimtelijke kwaliteit Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 16
In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook voorgaande paragraaf) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten. Ladder voor duurzame verstedelijking Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte.
Relatie tot de ontwikkeling Uit artikel 6.9 Omgevingsverordening Zuid-Holland volgt dat sprake is van het type ontwikkeling ‘inpassing’ wanneer de ruimtelijke ontwikkeling sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. Bij een dergelijke ontwikkeling is de impact op het gebied klein. Dit geldt ook voor onderhavige ontwikkeling. Ontwikkelingen kunnen worden toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Vanuit de provinciale omgevingsverordening worden tevens regels gesteld ten aanzien van het buitengebied (artikel 6.9a beschermingscategorie 3) en belangrijk weidevogelgebied (artikel 6.9c beschermingscategorie 2). Maar ook ten aanzien van de milieuaspecten bodem en water. In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt daar nader op ingegaan. Vanwege de ligging van de projectlocatie in het buitengebied (beschermingscategorie 3) is een ruimtelijke ontwikkeling toegestaan indien de openheid en het groene karakter van het landschap niet wordt aangetast. In paragraaf 2.3.2 is reeds ingegaan op de landschappelijke inpassing van het plan.
Daarnaast kan gesteld worden dat er geen sprake is van de aantasting van de openheid en het groene karakter doordat er in de huidige situatie reeds een woning en een bijgebouw aanwezig is en dit in de toekomstige situatie niet veranderd. In gevolge van de ligging in het belangrijk weidevogelgebied (beschermingscategorie 2) is bepaald dat alleen kan worden voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling wanneer de ontwikkeling geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Voor de locatie van de ontwikkeling geldt dat er geen verandering optreedt in de kenmerken en waarden van het weidevogelgebied, dit doordat er in de bestaande situatie reeds een woning en een bijgebouw aanwezig is en dit in de toekomstige situatie niet veranderd. Conclusie De Omgevingsverordening Zuid-Holland vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
REGIONAAL BELEID Regionale Agenda Wonen 2019 Midden-Holland is een bijzonder gebied: veel ruimte, groen, prachtige natuurgebieden, maar ook de historische stad Gouda, volop stedelijke ontwikkeling en een goede bereikbaarheid. Een centrale ligging in het (internationale) handelsnetwerk en bedrijvigheid maakt de regio een aantrekkelijke plek om te wonen, mede omdat regio’s Utrecht, Holland Rijnland en de metropoolregio’s Rotterdam en Haaglanden nabij zijn. De
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 17
centrale ligging wordt kracht bijgezet doordat de regio goed bereikbaar is met zowel openbaar vervoer als auto, dankzij onder meer het Hoogwaardig Openbaar Vervoersnetwerk (HOV) in combinatie met de A12 en de A20. Het unieke landschap en het erfgoed in de regio maakt Midden-Holland tot een fijne plek om te wonen. Ook door een variatie in woonmilieus zoals stedelijke of dorps/landelijk wonen. Mensen hebben wat te kiezen. Dan gaat het om bereikbaarheid, ligging, nabijheid van steden, cultuur, landschap en sociale binding. De grote aantrekkingskracht van de regio gecombineerd met de toenemende spanning op de woningmarkt resulteert in een netto uitbreidingsbehoefte van de woningvoorraad met zo’n 10.000 woningen tot 2030 (Marktonderzoek regio Midden-Holland, Fakton). De regiogemeenten verdelen en realiseren deze grote opgave met erkenning voor de lokale verschillen en identiteiten. Elk woongebied in de regio kent een eigen karakter. De profielen tezamen geven de breedte van het aanbod in de Regio Midden-Holland weer. Gouda Gouda is de centrumgemeente in de Regio Midden-Holland, met een meer stedelijk profiel dan de andere gemeenten: een historische binnenstad met een ring van stadswijken uitlopend naar een laagbouw woonmilieu. Het heeft als enige gemeente in de regio een binnenstedelijk centrum met omliggend stadswijken.
De regio Midden-Holland heeft baat bij het versterken van de centrumfunctie van Gouda. Gouda is via de A12 en Hoogwaardig Openbaar Vervoer bij uitstek goed ontsloten en dus interessant voor nieuwe inwoners. Het overall beeld van Gouda is gemiddeld: veel voorraad scoort gemiddeld op belevingswaarde en op toekomstwaarde. Maar omdat ook in Gouda een toename van het aantal huishoudens te verwachten is, kent de gemeente weinig echt kwetsbare voorraad: er is geen voorraad met een negatieve toekomstwaarde. Strategische toevoegingen aan de bestaande voorraad zijn meergezinswoningen en huureengezinswoningen, in het binnenstedelijke woonmilieu en de levendige stadswijk, in het milieu met hoog- en laagbouw en in het centrum-dorps woonmilieu. Met de ontwikkeling van de Spoorzone streeft de gemeente naar een versterking van het stedelijk woonklimaat in Gouda. Voor Westergouwe worden de mogelijkheden voor verbreding van het woningaanbod onderzocht. Met een verbeterde positionering schept Gouda kansen voor het accommoderen van een deel van de bovenregionale vraag, uit bijvoorbeeld de metropoolregio Rotterdam – Den Haag en in mindere mate ook de Utrechtse regio. Relatie tot de ontwikkeling In Midden-Holland is sprake van een netto uitbreidingsbehoefte van de woningvoorraad met zo’n 10.000 woningen tot 2030.
Hierbij is het streven om een aangenaam stedelijk woonklimaat voor iedereen te realiseren binnen Gouda. Om dit streven na te leven gaat de voorkeur uit naar een mix van verschillende typen woningen. Het beoogde plan betreft een vrijstaande woning in het centrum-dorps woonmilieu van Gouda. De ontwikkeling voorziet in het permanent toestaan van het gebruik van een bedrijfswoning als zijnde een plattelandswoning. Leegstand van de woning door het ontbreken van de behoefte aan een tweede bedrijfswoning wordt hiermee voorkomen. Daarnaast resulteert de vervangende nieuwbouw van de woning in een woning die voldoet aan de eisen van de huidige tijd en is derhalve sprake van de verbetering van de kwaliteit van de woonvoorraad. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de Regionale Agenda Wonen 2019.
GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie Gouda De Omgevingsvisie Gouda beschrijft de langetermijnvisie van de gemeente op de toekomstige ontwikkeling van de stad vanuit het perspectief van 750 jaar ontwikkeling en is gericht op de komende decennia. De visie geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Gouda liggen en op welke manier de gemeente
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 18
daarmee om wil gaan. Het benoemen van de Goudse kernkwaliteiten is een verplichting vanuit de Omgevingswet. De historie is een richtinggevende factor voor het vaststellen van de kernwaarden, formuleren van opgaven en het maken van keuzes. In de relatief kleine, compacte stad zijn vrijwel overal cultuurhistorische waarden te vinden die in hoge mate bijdragen aan de omgevingskwaliteit. In het vraagstuk "Hoe transformeren we de bestaande stad naar de toekomst?" vormt het cultureel erfgoed een sleutelrol. Met de Omgevingsvisie zet Gouda de koers uit voor de lange termijn. De koers wordt stap voor stap uitgezet, uitgevoerd en bijgewerkt. Door deze aanpak kan Gouda adequaat reageren op nieuwe inzichten en mogelijkheden, oftewel koersvast voor de lange termijn en lenig op de korte termijn zijn. In Gouda bestaan verschillende beleidsdocumenten die raken aan het omgevingsbeleid, zoals de Mobiliteitsvisie, Bedrijventerreinvisie, Structuurvisie Groen, Woonvisie, Hoogbouwnota en de Erfgoedvisie. De Omgevingsvisie vervangt deze beleidskaders niet; een aantal bestaande visies zijn integraal onderdeel van de Omgevingsvisie, een aantal visies worden opgenomen in andere instrumenten, waaronder het Omgevingsplan. De globale Omgevingsvisie zal nader worden uitgewerkt en nieuw sectoraal beleid met gevolgen voor de fysieke leefomgeving zal worden vastgesteld.
Steeds zal daarbij de relatie met de Omgevingsvisie worden gelegd en verantwoord worden op welke manier een sectorale visie gerelateerd is en bijdraagt aan de totale, integrale visie. Verder wordt in de Omgevingsvisie een ontwikkelperspectief geschetst. Er zijn kernwaarden, opgaven, uitdagingen en keuzes benoemd. Kernwaarden: Complete stad: compleet en evenwichtig waar mensen graag in goede gezondheid wonen, werken, recreëren, van cultuur genieten en winkelen Compacte stad: compact Gouda met bruisend historisch centrum en rustige randen Strategische ligging Te midden van het Groene Hart, met waardevol landschap, natuur en veel water Initiatiefrijke stad: Gouda is initiatiefrijk en geniet een grote mate van participatie van haar inwoners Opgaven: Doorgeven historisch Gouda: historische stad doorgeven aan de volgende generaties Duurzaam stedelijk ontwikkelen Prettig woon- en leefklimaat bevorderen Gezondheid stimuleren: gezonde mensen door een gezonde en veilige leefomgeving Sterke economie en regionale positie behouden Uitdagingen: Verstedelijkingsopgave Energietransitie Klimaatadaptatie Keuzes: Florerende stad Duurzame mobiliteit Gezonde groen-blauwe stad Energietransitie Sterke wijken. Relatie tot de ontwikkeling De beoogde ontwikkeling op de projectlocatie sluit aan bij diverse opgaven zoals benoemd in de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Zo voorziet de ontwikkeling in een woning met een prettig woon- en leefklimaat in een gezonde en veilige omgeving. Dit komt naar voren in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing, waarin op alle omgevingsaspecten wordt ingegaan. Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 19
In verband met de ligging in de Oostpolder, met waardevol landschap, natuur en veel water, wordt het plan landschappelijk ingepast en daarnaast is sprake van natuurinclusief bouwen. De vervangende nieuwbouw van de woning heeft verder tot gevolg dat een verouderde woning vervangen wordt voor een woning met energetisch veel betere prestaties. De beoogde ontwikkeling sluit hierdoor ook aan bij de keuze voor een gezonde groen-blauwe stad en energietransitie. Conclusie De Omgevingsvisie Gouda vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toekomstvisie Gouda 2030 Met de Toekomstvisie Gouda 2030 schetst de gemeente een beeld hoe de stad er in 2030 uitziet en waar de gemeente met al haar partners naar toe wil werken. Sociaal gezien profileert Gouda 2030 zich als een stad van tolerantie en ontmoetingen. Naast haar historie komt ook de kennis van bodemdaling erbij als kwaliteit. Gouda wil in 2030 een levendige én betaalbare stad zijn voor jongeren. Als laatste is Gouda een knooppunt met ontwikkelkansen. ‘Gouda ligt goed!’ is daarbij de gedeelde leuze om dit alles mogelijk te maken. De toekomstvisie bouwt voort op de identiteit en kwaliteiten van de gemeente. Gouda onderscheidt zich op dit moment van andere steden met drie sterke punten, die het fundament vormen van de toekomstvisie. Zo heeft Gouda grote historische waarde en cultuur. Het aanbod aan voorzieningen, evenementen en initiatieven vanuit de stad is groot. En als laatste kenmerkt Gouda zich door haar centrale ligging, nabij grote steden en natuur. Relatie tot de ontwikkeling In de Toekomstvisie staan vijf opgaven centraal op basis waarvan keuzes voor de fysieke leefomgeving zullen worden gemaakt. Dit zijn: doorgeven historisch Gouda (1), duurzame stedelijke ontwikkeling (2), prettig woon- en leefklimaat bevorderen (3), gezondheid stimuleren (4) en sterke economie en regionale positie behouden (5).
Het project betreft het permanent toestaan van een plattelandswoning, vervangende nieuwbouw van de bestaande woning en de realisatie van een bijbehorend bouwwerk en levert daarmee een bijdrage aan meerdere opgaven uit de Toekomstvisie Gouda. Er is immers sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling op een locatie met een prettig woon- en leefklimaat. Conclusie De Toekomstvisie Gouda 2030 vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Woon(zorg)visie 2030 Met de Woon(zorg)visie 2030 zet de gemeente Gouda de koers uit voor het wonen in Gouda voor de komende jaren. Gouda is een stad waar het aangenaam wonen is voor alle generaties. De centrale ligging in de Randstad, het historische centrum, de centrumvoorzieningen en de nabijheid van groen en water zijn de kernkwaliteiten van Gouda. De volgende vijf hoofdthema's staan centraal in het woonbeleid:
Woon- en leefkwaliteit in Gouda: wijken met toekomstwaarde; Kwaliteit bestaande woningen: duurzaam - energetisch, veilig en levensloopgeschikt; Wonen voor iedereen: betaalbaar, beschikbaar en toegankelijk; Optimale voorraad: versnelling & vraagsturing woningproductie; Wonen met zorg: een thuis voor kwetsbare groepen.
In Gouda is vooral vraag naar het centrumstedelijk wonen in de historische binnenstad en de ring direct er omheen. Daarnaast is er vraag naar meer ontspannen groenstedelijke woonmilieus zoals de luxe stadswijk, rustige stadswijk en wonen aan de randen of in uitleggebieden. Gemeente Gouda zoekt gericht naar (nieuwe) kansen om (meer) te voorzien in deze vraag. De gemeente volgt de marktvraag en verwacht een effectieve vraag naar nieuwbouw van gemiddeld 170 woningen binnenstedelijk per jaar de komende tien jaar.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 20
Gouda wil in 2040 CO2-neutraal zijn. Er ligt dan ook een grote opgave in de energetische verbetering van de woningvoorraad, oftewel de maatregelen die de energetische prestaties van een woning verbeteren. Relatie tot de ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Door het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning toe te staan wordt een woning aan de voorraad toegevoegd waar eenieder mag wonen in tegenstelling tot uitsluitend iemand met een binding met het gevestigde bedrijf. De vervangende nieuwbouw van de woning heeft tot gevolg dat een verouderde woning vervangen wordt voor een woning met energetisch veel betere prestaties. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de Woon(zorg)visie 2030.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 21
4
OMGEVINGSASPECTEN ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Inmiddels is in de Erfgoedwet de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem opgenomen. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.
Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Erfgoedvisie Gouda In de Erfgoedvisie (2013) is vastgelegd hoe de gemeente Gouda het cultureel erfgoed borgt en welke prioriteiten zij daarbij stelt. De gemeente geeft hiermee in overleg met ‘de stad’ richting aan een concrete uitwerking hiervan. De Erfgoedvisie is dus de basis over wat de gemeente wel en niet beschermt en hoe dit in stand wordt gehouden, ook in tijden van schaarste of bezuinigingen. Uitgangspunten van de Erfgoedvisie zijn onder meer: de samenhang centraal stellen en het verhaal van de stad beschrijven. Gouda beschikt over een digitale Cultuurhistorische Basiskaart (CHBK). Door het erfgoed in ruimtelijke samenhang te laten zien, worden het ontstaan en de ontwikkeling van Gouda in beeld gebracht. Bovendien wordt er in de behoefte voorzien om de kennis van het Goudse erfgoed te ordenen, te bundelen en te ontsluiten. Middels de CHBK is tevens de archeologische basiskaart te raadplegen. Een belangrijk instrument om de cultuurhistorische waarden in beeld te krijgen, is de Cultuurhistorische Analyse (CHA). Deze is in Gouda sinds 2000 verplicht bij ontwikkelingen in alle gebieden waar waarden worden verwacht. Op de zogenaamde "gele-vlekkenkaart" is aangeven waar deze verwachtingen liggen.
Relatie tot de ontwikkeling Archeologie Op de projectlocatie geldt een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Uit informatie van de archeologische beleidskaart van de gemeente Gouda blijkt dat er sprake is van een hoge verwachting. Hierbij geldt dat een archeologievergunning benodigd is voor projecten groter dan 100 m² waarvan de bodemverstorende ingrepen dieper reiken dan 0,5 m –maaiveld. In oktober 2021 is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door Laagland Archeologie. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand is de conclusie en verwachting uit de rapportage overgenomen.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 22
Zoals op basis van het bureauonderzoek werd verwacht heeft het plangebied langdurig deel uitgemaakt van een broekbosgebied. Daarom is een dik veenpakket gevormd. Dit wordt afgedekt door een (kom)kleipakket. In het centrale deel van het plangebied is een half gerijpt kleipakket met roestvlekken aangetroffen. Waarschijnlijk is op de locatie van de huidige woning een zijstroom van de Gouwe actief geweest. Deze zijstroom heeft een kleirug gevormd en in het noorden van het plangebied bevindt zich waarschijnlijk de restgeul van de zijstroom. In de top van het kleipakket is geen potentiële bewoningslaag aangetroffen. De top van het bodemprofiel wordt gevormd door een recente bouwvoor en, rondom de huidige woning, een recent opgebrachte veenlaag. Op basis van het veldonderzoek worden in het plangebied geen archeologische waarden verwacht. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat geen archeologische waarden worden verwacht. Een archeologievergunning is niet benodigd en bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling zullen geen archeologische waarden verstoord worden. Cultuurhistorie Op de locatie is geen sprake van een rijks- of gemeentelijk beschermd monument. Ook is de locatie geen onderdeel van een beschermd stadsgezicht. In juli 2021 is een cultuurhistorisch onderzoek gedaan door adviesbureau Lantschap.
De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand is hetgeen geconcludeerd is ten aanzien van landschap en cultuurhistorie uit de rapportage overgenomen. Het plangebied maakt deel uit van het laatste relatief gave deel van de Broekpolder, een strook veenland (bovenland) aan de westkant van de Gouwe. In tegenstelling tot het aangrenzende gebied van de Zuidplaspolder is het veen hier niet (of slechts zeer ten dele) vergraven ten behoeve van de turfwinning. De aanwezigheid van stroken bovenland langs rivieren en riviertjes is kenmerkend voor het Hollandse veenweidegebied. De directe omgeving van het plangebied heeft de specifieke kenmerken van zo’n veenweidegebied: grote waterrijkdom, strookvormige percelen, gebruik als grasland, smalle wegen en langhuisboerderijen. Bijzondere elementen verhogen de cultuurhistorische betekenis van het gebied, zoals de Alpher Wetering, het Gouwekanaal, het gemaal en de sluis aan de Broekweg. De oppervlakte aan veenweidegebied is de afgelopen decennia in de Broekpolder en de omringende delen van de Oostpolder in Schieland sterk achteruitgegaan door de aanleg van Westergouwe, sportvelden, bedrijventerrein Gouwestroom en bungalowpark Elzenhof. Bij de nieuw te bouwen woning aan de Broekweg is het veenweidelandschap nog herkenbaar aanwezig.
De smalle Broekweg, de oude ontginningsas van de polder, ligt ingeklemd tussen de Alpher Wetering aan de oostzijde en de bermsloot aan de westkant. De erven aan de Broekweg zijn ontsloten door bruggen en dammen over deze bermsloot. Met de afbraak van het huidige pand Broekweg 5a gaan geen bouwhistorische waarden verloren. Materiaalgebruik, vormgeving en oriëntatie (evenwijdig aan de Broekweg) passen niet in het veenweidegebied en vormen een dissonant met de cultuurhistorisch waardevolle panden Johannahoeve (Broekweg 5) en Hanny’s Hoeve (Broekweg 7). Het vervangen van het huidige pand door een huis dat met de nok loodrecht op de Broekweg staat doet geen afbreuk aan de landschappelijke of cultuurhistorische betekenis, het is in landschappelijk opzicht een verbetering.
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 23
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De VNG-brochure definieert een gemengd gebied als: “Een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.”.
Relatie tot de ontwikkeling Typering locatie De projectlocatie kent in de huidige situatie de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Omliggende bestemmingen betreffen, ‘Agrarisch met waarden’, ‘Bedrijf’, ‘Water’, ‘Verkeer’, ‘Recreatie – Dagrecreatie’, ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’, ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat in het kader van bedrijven en milieuzonering sprake is van een rustig buitengebied. Bedrijvigheid Broekweg 7 De woning op de projectlocatie heeft voorheen gefunctioneerd als tweede bedrijfswoning bij de naastgelegen paardenhouderij aan de Broekweg 7. Initiatiefnemer is eigenaar geweest van deze paardenhouderij. Het bedrijf, inclusief de eerste bedrijfswoning, is inmiddels verkocht en er is geen behoefte aan een tweede bedrijfswoning. Door de voormalige bedrijfswoning te bestemmen als zijnde een plattelandswoning wordt het agrarisch bedrijf niet (extra) beperkt. In de milieuzonering wordt er geen onderscheid gemaakt tussen een Mees Ruimte & Milieu | 23068.RO
Pagina | 24
agrarische bedrijfswoning en een plattelandswoning. Voor een agrarische bedrijfswoning of plattelandswoning gelden dezelfde richtafstanden. Op grond van artikel 5 van de Wgv geldt een minimale afstand tussen een geurgevoelig object en de gevel van een dierenverblijf. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom. De plattelandswoning is echter niet geur- of geluidgevoelig ten aanzien van het voormalige eigen bedrijf, de paardenhouderij aan de Broekweg 7. De afstand van de plattelandswoning tot de paardenstal behorende bij dit bedrijf bedraagt 25 meter. Overige nabijgelegen bedrijvigheid In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich diverse (agrarische) bedrijfspercelen. Die bedrijvigheid wordt niet belemmerd door het beoogde gebruik van de bestaande (voormalige) (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw. De vervangende nieuwbouw vindt plaats daar waar in de huidige situatie de bestaande woning aanwezig is. Voor een agrarische bedrijfswoning of plattelandswoning gelden dezelfde richtafstanden. Voor omliggende bedrijven is daarom geen sprake van een (extra) belemmering in vergelijking met de bestaande situatie. Ook voor (toekomstige) bewoners is er geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
BODEM Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot de ontwikkeling Het project betreft het gebruik van de bestaande (bedrijfs)woning als plattelandswoning en de vervangende nieuwbouw van de woning. Gesteld kan worden dat in de bestaande bedrijfswoning/ tijdelijke plattelandswoning het verblijf van mensen voor meer dan 2 uur per dag al is toegestaan. Om die reden is het in het kader van het gebruik van de woning niet nodig een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Het beoogde plan voorziet ook in bouwwerkzaamheden en leidt daarmee tot werkzaamheden in de bodem. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek benodigd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand is de conclusie uit de rapportage overgenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de toplaag van de bodem ter plaatse van de voorziene bouwlocatie licht verontreinigd is met PAK. De onderlaag is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De vastgestelde verontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan oudsher gebruik. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium en xylenen. Een licht verhoogd gehalte aan barium wordt vaker in het grondwater vastgesteld en wordt doorgaans veroorzaakt door natuurlijke ophoping. De oorzaak van de lichte verontreiniging met xylenen is onbekend.