Ruimtelijke onderbouwing Achterwillenseweg 146
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
25
7.4.2 Onderzoek Gelet op bovenstaande is door KuiperCompagnons onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter plaatse van de toekomstige woning. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten van dit onderzoek opgenomen. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door het verkeer op de route Achterwillenseweg/Willenskade en het railverkeer op de spoorlijn van Rotterdam naar Utrecht. De geluidsbelasting overschrijdt de voorkeursgrenswaarde tot een geluidsbelasting van maximaal respectievelijk 51 dB en 68 dB. De maximale hogere waarde van 53 dB voor wegverkeer en 68 dB voor railverkeer worden niet overschreden. Omdat maatregelen op of langs de (spoor)weg niet doelmatig zijn en omdat de woning kan voldoen aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid, is het vaststellen van hogere waarden mogelijk. 7.4.3 Conclusie Er dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde moet gelijktijdig met de ontwerpomgevingsvergunning ter inzage worden gelegd. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast.
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
26
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
In deze tool zijn de Achterwillenseweg en de Willenskade opgenomen. In afbeelding 7.1 zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021)
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 13,8 µg/m3, 16,1 µg/m3 en 8,9 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,0, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
27
De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de realisatie van één nieuwe woning. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek Dit plan voorziet in de realisatie van hindergevoelige functies (woningen). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich naast het spoor geen hinderveroorzakende functies. Het spoor is voor het aspect geluid al in paragraaf 7.4 onderzocht. Gelet op het feit dat het plangebied op voldoende afstand is gelegen van hinderveroorzakende functies en dit plan niet voorziet in de realisatie van een hinderveroorzakende functie is een nadere beschouwing in het kader bedrijven en milieuzonering niet benodigd. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
28
verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor In 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. In dit onderzoek is op deze wetgeving voorgesorteerd.
Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen.
Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. 7.7.2 Onderzoek Risicobronnen Met de nieuwe ontwikkeling wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het perceel waarop de nieuwe woning wordt gebouwd is gelegen ten noorden van de spoorlijn Gouda-Utrecht. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
29
De spoorlijn heeft een PR 10-6 contour van 7 meter waarbinnen niet gebouwd mag worden. Het plangebied ligt geheel buiten deze zone. Wel bevindt het plangebied zich deels binnen het PAG. Binnen het PAG mag gebouwd worden, maar op grond van het Bouwbesluit 2012 dienen aanvullende bouwtechnische maatregelen worden getroffen die vooral gericht zijn op vergroting van de zelfredzaamheid. Ook bevindt het plangebied zich binnen het verantwoordingsgebied voor het groepsrisico. Aangezien de ontwikkeling slechts één woning betreft, zal het plan geen significant effect op het groepsrisico hebben. Een berekening van het groepsrisico is daarom niet benodigd. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woning gaan wonen/aanwezig zijn.
Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of het spoor een brand ontstaan waarbij een tankwagon met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario plasbrand Door een incident met een benzinetankwagon op het spoor kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving.
Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de nabijheid van de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Scenario toxische gassen Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
30
Vluchtmogelijkheden In het geval van een incident op het spoor met een GF3 transportwagon kan men vluchten naar de Achterwillenseweg of Willenskade. Vandaar kan men van de bron af richting het westen of noorden vluchten. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen.
Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. 7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Hollands Midden. 7.8
Overige belemmeringen In het plangebied is geen sprake van overige belemmeringen. Het aspect overige belemmeringen vormt dan ook geen belemmering voor de haalbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing.
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
31
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een projectbesluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het besluit. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met de ruimtelijke onderbouwing moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een ontwikkelovereenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het toevoegen van één woning draagt bij aan een kwalitatieve verbetering van het gebied. Omdat sprake is van inbreiding binnen de bebouwingscontouren – en geen uitbreiding – wordt ten aanzien van het provinciaal beleid geen belemmeringen verwacht. Tevens wordt de ontwikkeling ingepast in de bestaande structuren en dragen bij aan de ontwikkeling van de stadsrand. Daarnaast is overeenkomstig het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), op een uitgebreide voorbereidingsprocedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent onder meer dat de ontwerp-omgevingsvergunning gedurende zes weken ter inzage moet worden gelegd. Van de eventueel ingediende zienswijzen wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan.
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
Besluitvlak
Plangebied Besluitvlak
VERKLARINGEN bestaande bebouwing, kadastrale- en topografische gegevens BGT/BRK 16 juni 2022
Ontwerp OVERLEG
Gemeente Gouda
*
TERINZAGELEGGING ONTWERP
Ruimtelijke Onderbouwing
VASTGESTELD
Achterwillenseweg naast nr146 IDN
GEWIJZIGD
NL.IMRO
WERKNR.
622.129.10
SCHAAL
1:1000
DATUM
16 juni 2022
GETEKEND
N
FORMAAT PROJECTMAP
\\kc-filer.kuiper.nl\project\622\129\10\3 Projectresultaat\verbeelding\dwg
BESTAND RO-RO-62212910-VB-CO.dwg
gj
BLAD
KuiperCompagnons Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap BV City & Regional Planning, Urban Design, Architecture, Landscape
Postadres: Postbus 13042 3004 HA Rotterdam Bezoekadres: Van Nelleweg 3042 3044 BC Rotterdam Telefoon: 010 433 00 99 DATUM PLOT USER
16-6-2022 GJacobson
A3
E-mail: kuiper@kuiper.nl Internet: www.kuiper.nl
Bijlagen
32
Bijlage 1 Flora- en faunaonderzoek, ABO-Milieuconsult B.V., 14 juni 2022
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
FLORAEN FAUNAONDERZOEK GOUDA - ACHTERWILLENSEWEG 146
Opdrachtgever
:
KuiperCompagnons T.a.v. de heer S.M. Klingens Postbus 13042 3004 HA Rotterdam
Vestiging
:
ABO-Milieuconsult B.V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn Tel. +31 (0)172 44 98 27
Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage
: : :
ANL22-6649.V2 Maart 2022 14 juni 2022
Veldmedewerker:
De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)
Projectadviseur:
Mevrouw Ir. A.M. Otting
Handtekening:
Dhr. R.J. van der Helm General Business Unit Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 6 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 6 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 6 3.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 7 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 7 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 8 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 9 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................................. 9 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland .................................................... 10 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ................................................................................ 11 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................. 11 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 12 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................
12 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 13 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 13 5.6 Vissen ........................................................................................................................................... 14 5.7 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 15 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 16 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 16 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 .......................................................................... 16 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 17 7. AANBEVELINGEN .............................................................................................................................. 18 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 20
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
2/19
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Achterwillenseweg 146 te Gouda. Aanleiding tot het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot sloop van de schapenkooi, nieuwbouw en vernieuwen van een duiker binnen het plangebied. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in hoofdstuk 7 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.
Afbeelding 1: Huidige situatie
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
3/19
Afbeelding 2: Voorgenomen toekomstige situatie plangebied.
Afbeelding 3: Ligging plangebied (wit omlijnd, bron: opdrachtgever).
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
4/19
Afbeelding 4: Close-up plangebied (wit omlijnd, bron: opdrachtgever).
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
5/19
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 4 maart 2022 in de ochtend bij half bewolkt weer en circa 8ºC. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.
De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
6/19
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda. Het ligt in het buitengebied van Gouda, tussen de Achterwillenseweg, Willenskade en het spoor. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het ligt op enkele tientallen meters van Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Binnen een straal van 10 kilometer liggen geen andere Natura 2000-gebieden.
Afbeelding 5: Ligging plangebied (rode kader midden) in een straal van circa 1 kilometer ten opzichte van omgeving. Bron: Provincie Zuid-Holland. NNN = donkergroen. Belangrijk weidevogelgebied = lichtgroen.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
7/19
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staat een houten gepotdekselde schapenkooi met een rietenkap. Deze is gelegen in grasland. Aan de kant van het spoor en de Willenskade staan knotwilgen. Het plangebied is omsloten door watergangen, waarvan het overgrote gedeelte is beschoeid. Een klein gedeelte nabij de brug is onbeschoeid (afbeelding 4).
Afbeelding 6: Plangebied gezien vanaf de Willenskade.
Afbeelding 7: Schapenkooi met elzen op de achtergrond.
Afbeelding 8: De rij knotwilgen aan de spoorzijde.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
8/19
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 - 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
9/19
4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m d. (niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
10/19
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied is een houten schuur aanwezig. De volgende gebouwbewonende soorten die voorkomen volgens verspreidingsgegevens kunnen daarvan gebruik maken, indien geschikte openingen aanwezig zijn: gewone dwergvleermuis (pipistrelllus pipistrelllus), ruige dwergvleermuis (pipistrelllus nathusii) en laatvlieger (eptesicus serotinus). Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden verwacht. Watervleermuis (myotis daubentonii), meervleermuis (myotis dasycneme) en ruige dwergvleermuis zijn boombewonende soorten die volgens verspreidingsgegevens kunnen voorkomen. Zomerverblijven bevinden zich vaak in (oude) bomen met holten. Ruige dwergvleermuis, meervleermuis en watervleermuis gebruiken als winterverblijfplaats ondergrondse objecten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Bij uitzondering worden deze soorten ook in de winter in boomholten aangetroffen. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen holten gebruiken als paarverblijf. De bomen in het plangebied moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors.
Resultaten veldbezoek De houten schuur is ongeïsoleerd en kiert aan vele kanten. Aan de binnenzijde van de schuur zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. In de knotwilgen zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen aangetroffen. Deze zijn ook niet aangetroffen in de bomen die vallen binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden.
Afbeelding 9: Binnenkant schapenkooi.
Afbeelding 10: Nokvorsten op het rieten dak.
De knotwilgen in het plangebied vormen een doorlopend lijnvormig element met de bomen op de aangrenzende percelen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat groen van betekenis voor insecten, het stapelvoedsel van vleermuizen, ontbreekt.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
11/19
Conclusie vleermuizen In de schapenkooi en de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen openingen gevonden die geschikt zijn voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Een lijnelement is aanwezig, waardoor een vaste vliegroute van vleermuizen aanwezig kan zijn. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Met betrekking tot de mogelijke vliegroute blijven de knotwilgen in het plangebied behouden. Door tijdens de werkzaamheden in het donker het bouwlicht niet op de knotwilgen te laten schijnen in de periode half maart tot half oktober (de actieve tijd van vleermuizen) wordt voorkomen dat een vliegroute wordt verstoord. Nader onderzoek is dan niet noodzakelijk. Mochten de knotwilgen worden gekapt, of is het niet mogelijk de verlichting weg te houden van de knotwilgen en het daarachter liggende water, dan is nader onderzoek naar de functie van de knotwilgen en het achterliggende water als vliegroute voor vleermuizen noodzakelijk.
5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen de beschermde soorten boommarter en otter voor. Boommarter heeft een groot areaal aan bos nodig, wat ontbreekt in het plangebied. De aanwezigheid van boommarter kan op voorhand worden uitgesloten. De otter is vaak ’s nachts actief en heeft dan vele kilometers aan oever- en moerasland nodig. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat het plangebied ongeschikt is voor boommarter, omdat het zowel in het plangebied als de directe omgeving ontbreekt aan bos. Beschutting voor otter en andere zoogdieren ontbreekt in het plangebied. Er zijn geen beschermde zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. De mol komt voor en andere algemene soorten zoogdieren mogelijk ook. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Het ontbreekt in het plangebied aan geschikt biotoop voor otter en boommarter. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen geen beschermde soorten voor.
Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop. Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied, dat bestaat uit begraasde weide, hiervoor niet geschikt is. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
12/19
5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd in het buitengebied van Gouda. Verschillende soorten gebouwbewonende soorten, met name huismus kan in het plangebied broeden indien geschikte openingen hiervoor aanwezig zijn. Vanwege de aanwezige bomen in de nabijheid van het plangebied kan een nest van een roofvogel of uil binnen de verstorende invloedsfeer aanwezig zijn. Resultaten veldbezoek Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied. Het ontbreekt in het plangebied aan geschikte nestgelegenheid voor huismus. In de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen (overblijvende) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. De knotwilgen hebben geen holle ruimtes waarin vogels kunnen gaan nestelen. Het is niet uit te sluiten dat vogels in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer gaan broeden. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen.
Vanwege het aanwezige groen is het niet uit te sluiten dat algemene soorten in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer gaan broeden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli. Indien met de werkzaamheden gestart wordt in het broedseizoen, dient vooraf door een ecoloog te worden vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels plaatsvindt. Wel kan gestart worden voorafgaand aan het broedseizoen en met continue (weekenden uitgezonderd) verstoring worden doorgewerkt. Door de verstoring zullen er geen vogels in het plangebied gaan broeden. 5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Ringslang is het enige reptiel wat volgens verspreidingsgegevens voorkomt. Een leefgebied voor ringslangen moet aan ten minste drie functies voldoen: ringslangen moeten er kunnen overwinteren, foerageren en eieren uit laten komen. De plekken waar dat gebeurt moeten met elkaar verbonden zijn door een netwerk van geschikte trekwegen. Als winterverblijf kunnen in aanmerking komen: 1.
holen en gangen zoals holtes tussen boomwortels, onder boomstammen, houtstapels, onder vloeren en in kelders; 2. plantenmateriaal zoals composthopen, bladhopen, hooibergen, hooiopslag in schuren; 3. holtes of spleten tussen rotswanden. In Nederland kunnen dat, basalttaluds zijn, oude muren, puinhopen en bunkers. De eisen die aan een jachtgebied gesteld worden zijn, behalve dat het (voorkeurs)voedsel aanwezig is, schuilplaatsgelegenheid, weinig wind en expositie naar zuid, zuidoost of zuidwest. Uit waarnemingen blijkt dat sloten bekende jachtterreinen kunnen vormen. De sloten moeten bij voorkeur een rijke vegetatie, kikkeren salamanderfauna hebben. De oevervegetatie moet goed ontwikkeld zijn, hoge bomen die in de oever staan met dikke wortels kunnen ringslangen gelegenheid geven om te zonnen en te schuilen. Broedplaatsen worden gevormd door afvalhopen (blad, mos, takken, stro, zaagsel en hooi), kuilen met plantaardig materiaal, dood hout, schors, mosplakkaten.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
13/19
Wat betreft amfibieën komt de rugstreeppad voor in de omgeving van het plangebied. De rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. De rugstreeppad is vooral een soort die voorkomt op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is bouwmateriaal om onder te schuilen een voorwaarde. Water dat snel opwarmt en waarin ze kunnen zitten, moet eveneens in de buurt zijn. Heikikker komt ook voor in de omgeving van het plangebied. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn, vanwege de tijd van het jaar, geen amfibieën en reptielen waargenomen. Het plangebied is ongeschikt landbiotoop voor de rugstreeppad, omdat los zand om zich in te graven ontbreekt. Het plangebied is bestaat volledig uit grasland.
De watergangen naast het plangebied zijn te breed en groot als voortplantingswater voor rugstreeppad. Voor heikikker ontbreekt geschikt biotoop. Bovendien ligt het plangebied tussen wegen en het spoor. Takkenhopen, puinbergen, broedhopen of andere plaatsen om zich te verschuilen ontbreken in het plangebied. Voor ringslang, maar ook voor rugstreeppad, zijn dit belangrijke eisen aan hun leefgebied. Conclusie amfibieën en reptielen Het voorkomen van reptielen en amfibieën kan op basis van biotoop worden uitgesloten. Voor de rugstreeppad geldt dat geschikt land- en waterhabitat ontbreekt. Voor heikikker ontbreekt geschikt landbiotoop. Voor ringslang ontbreken schuil-, broed- en jachtmogelijkheden. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie §6.1. 5.6 Vissen Resultaten bureauonderzoek De volgende vissen zijn in Nederland beschermd: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal. De kreeftachtige Europese rivierkreeft wordt hier ook meegenomen, omdat deze soort eveneens gebruik maakt van watergangen. Volgens verspreidingsgegevens komen deze beschermde soorten niet voor binnen een straal van 5 kilometer van het plangebied. Resultaten veldbezoek In de sloten grenzend aan het plangebied komen algemene soorten vissen voor. Conclusie vissen Beschermde soorten komen niet voor.
Voor algemene soorten geldt: Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als zowel de watertemperatuur als de luchttemperatuur boven het vriespunt en beneden de 25°C liggen en wanneer er geen sprake is van ijsvorming. Bagger dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen). Indien dieren worden aangetroffen, dienen deze teruggeplaatst te worden in een geschikt leefgebied in de nabije omgeving, waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
14/19
5.7 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander biotoop dan het plangebied. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied in het aangrenzende Natura 2000-gebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het gecultiveerde biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of waardplanten voor ei-afzetting. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen hoeven niet te worden genomen.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
15/19
6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. Voor de zorgplicht voor vissen zie §5.6. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Voor het broedseizoen geldt geen standaard periode. In verband met de aanwezigheid van watervogels kan rekening gehouden wordt met half maart tot half juli. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Wel kan worden gestart met de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen en worden doorgewerkt in het broedseizoen. Vanwege de aanwezige verstoring zullen dan geen vogels in (de omgeving van) het plangebied gaan broeden.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
16/19
6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep)
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Bijzonderheden / opmerkingen
Vleermuizen
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden zoogdieren Vogels Amfibieën en reptielen Vaatplanten Vissen Overige soorten
Nee Mogelijk* Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig. * Hou rekening met het broedseizoen. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies. Uit aanvullende informatie van de opdrachtgever blijkt dat de knotwilgen en aanwezige watergangen niet verlicht worden tijdens en na de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden de knotwilgen niet gekapt.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
17/19
7. Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming zijn wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. -
Voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.
Afbeelding 11: Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen en technische informatie over de plaatsing daarvan.
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
18/19
Afbeelding 12: Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen.
-
Er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden.
-
Voor huismussen kan ruimte open gelaten worden onder de eerste twee rijen dakpannen van de goot. Om te voorkomen dat mussen het gehele dak gaan gebruiken kan vogelschroot gemonteerd worden op de derde rij daklatten. Huismussen en andere dieren hebben behoefte aan schuilplaatsen in de omgeving. Het planten van inheemse bomen heeft de voorkeur. Liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn ook bomen die in een haag geplant kunnen worden en goede bescherming geven. Bovendien dragen ze bessen.
Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. https://www.checklistgroenbouwen.nl/
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
19/19
Literatuur en bronvermelding Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland brochure vleermuisvriendelijk bouwen: Zoogdiervereniging e.a., 2011 Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 RAVON, 2022, https://www.ravon.nl. Datum raadplegen website 14 maart 2022. Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/
Flora- en faunaonderzoek, Achterwillenseweg 146 te Gouda, ANL22-6649.V2
20/19
33
Bijlage 2 Stikstofdepositie-onderzoek, KuiperCompagnons, 21 februari 2023
Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp
NOTITIE Betreft Opdrachtgever Werknummer Datum
Stikstofdepositie-onderzoek “Uitgebreide WABO-procedure naast Achterwillenseweg 146” Mevrouw G.B. van der Kleyn 622.108.70 21 februari 2023
Aanleiding Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-berekening uitgevoerd voor de nieuwbouw van een woning op de zogenoemde locatie ‘Naast Achterwillenseweg 146’. In deze notitie is de stikstofdepositie door het gebruik van de nieuwe woning beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. In de volgende hoofdstukken wordt eerst het wettelijk kader behandeld, waarna de ligging van de locatie en de uitgangspunten van de berekeningen worden beschreven. Daarna worden de berekeningsresultaten gepresenteerd waarna de notitie wordt afgesloten met de conclusies van het onderzoek.
Wettelijk kader De wettelijke grondslag waarop toetsing van de planontwikkeling noodzakelijk is, betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toets dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Meer concreet heeft deze toets de volgende twee doelen: 1 Zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast; 2 Zekerheid bieden dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten niet optreedt. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten. Wet stikstofreductie en natuurverbetering De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn.