CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Achterwillenseweg 146

Raadsvergadering 1 november 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb): Achterwillenseweg, naast 14623.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Gouda Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterwillenseweg naast nr. 146’ Ontwerp

22 februari 2023

Gemeente Gouda Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterwillenseweg naast nr. 146’

Inhoud • Ruimtelijke onderbouwing • Bijlagen

werknummer datum bestand

622.129.10 22 februari 2023 J:\622\129\10\3 Projectresultaat\

KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

2.

Planbeschrijving

2

2.1 Bestaande situatie 2.2 Ontwikkelingen

2 4

1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Leeswijzer

3.

Ruimtelijke Ordening

1

1 1 1

6

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

4

4.1 Kader 4.2 Onderzoek 4.3 Conclusie

Natuur en landschap

13 15 15

5

Water

16

5.1 Kader 5.2 Onderzoek 5.3 Conclusie

16 18 19

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1 Archeologie 6.2 Cultuurhistorie

6 7 10 12 13

20

20 21

7

Milieu

22

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen

22 22 23 24 25 27 27 30

8

Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

31

31 31

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Flora- en faunaonderzoek, ABO-Milieuconsult B.V., 14 juni 2022 Stikstofdepositie-onderzoek, KuiperCompagnons, 21 februari 2023 Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een woning aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda, Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, 19 april 2022 Verkennend bodemonderzoek, ABO-Milieuconsult B.V., 12 april 2022 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, KuiperCompagnons, 21 februari 2023

Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied in meer detail

1

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan Aanleiding Op het perceel naast de Achterwillenseweg 146 in Gouda wordt een woning toegevoegd. De bestaande schaapskooi op het perceel wordt gesloopt en de bestaande brug wordt vervangen door een nieuwe duiker. De nieuwe woning past niet in het vigerende bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een concreet bouwplan, wat in één keer gerealiseerd zal worden. De afwijking van de desbetreffende bestemmingsplanregels kan mogelijk worden gemaakt op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 4, lid 1 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit betekent dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Doel Het nieuw beoogde stedenbouwkundige plan past niet binnen de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de gewijzigde opzet in juridischplanologische zin mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Achterwillenseweg 146 betreft perceel 8649. Dit perceel wordt opgesplitst. De ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” heeft betrekking op het oostelijke deel van perceel 8649, behorende bij het erf van de bestaande woning aan Achterwillenseweg 146 in Gouda. De begrenzing van het plangebied wordt globaal gevormd door de Achterwillenseweg in het noorden, percelen 2313 en 2393 in het oosten, het perceel van Achterwillenseweg 146 in het westen en de het spoor in het zuiden. De globale ligging van het plangebied is in afbeelding 1.1 en 1.2 weergegeven.

1.3

Leeswijzer Deze onderbouwing is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats. Hoofdstuk 3 beschrijft het ruimtelijk beleid. Hoofdstuk 4 tot en met 7 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor de wijziging en gaat in op, onder andere, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Ten slotte worden in hoofdstuk 8 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

2

2.

Planbeschrijving

2.1

Bestaande situatie Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de Achterwillenseweg. In de bestaande situatie wordt het plangebied voornamelijk gebruikt als een grasweide voor schapen, zie afbeelding 2.1. Op het perceel staat een schaapskooi. Om het perceel ligt een watergang. Het plangebied is toegankelijk door twee bruggetjes.

Afbeelding 2.1: Bestaande situatie aan de Achterwillenseweg

Planologische situatie Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Middenwillens’, vastgesteld op 8 juli 2010 door de gemeente Gouda. In de planologische situatie is het plangebied bestemd als ‘Wonen I’. Er is geen bouwvlak aanwezig. Tevens heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologie’. De watergang om het perceel heeft de bestemming ‘Water’. De afwijking van de desbetreffende bestemmingsplanregels kan mogelijk worden gemaakt op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 4, lid 1 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

3

Afbeelding 2.2: Vigerende planologische situatie (in rood de globale begrenzing)

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

4

2.2

Ontwikkelingen De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van een woning ten oosten van Achterwillenseweg 146. De woning bestaat uit drie bouwlagen (inclusief de vide). Naast de woning komt een garage. De woning wordt 9 meter hoog en de garage 3 meter. Aan de achterzijde van de woning wordt een terras aangelegd. Op afbeelding 2.3 is een schematische plattegrond van het perceel weergegeven en op afbeelding 2.4 is een impressie van de nieuwe woning weergegeven. Beeldkwaliteit Voor de nieuwe inrichting wordt gebruik gemaakt van bebouwings- en verkavelingsprincipes die al langs de Achterwillenseweg te vinden zijn. Qua maat en schaal sluit deze woning aan op de bestaande structuur van de Achterwillenseweg. De woning krijgt een landelijke uitstraling. De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 9 meter. Ontsluiting en parkeren Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande oprit vanaf de Achterwillenseweg. Het hekwerk dat over deze oprit loopt wordt verwijderd.. De bestaande brug wordt gesloopt en vervangen door een duiker. Deze duiker ligt een paar meter zuidelijker zodat hij aantakt op de oprit. Daarnaast komt de bestaande brug aan de westzijde van het plangebied ook te vervallen. De Achterwillenseweg is via de Goudse Houtsingel / Goverwellesingel ontsloten op de bestaande wegenstructuur in Gouda.

In het plan wordt voorzien in de bouw van één vrijstaande woning met op basis van de CROW-normen een verkeersgeneratie van circa 8 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Omdat deze verkeersproductie laag is ten opzichte van de bestaande verkeersintensiteit op de omliggende wegen, leidt deze extra verkeersproductie niet tot belemmeringen. Volgens het gemeentelijk parkeerbeleid van Gouda moeten voor woningen groter dan 110 m2 GBO in zone C twee parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost.

Afbeelding 2.3: schematische plattegrond nieuwe woning

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

5

Afbeelding 2.4: impressie nieuwe woning

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

6

3.

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing. Nieuwe ladder Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd.

De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de bouw van één woning. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

7

stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Daarnaast is het projectgebied gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De voorliggende ontwikkeling is daarom niet ladderplichtig. Deze ontwikkeling past daarnaast binnen de woningbehoefte die geldt voor de gemeente Gouda volgens de woningbehoefteraming 2021 van de Provincie Zuid-Holland. In de periode 2021-2030 wordt een groei van de woningbouwbehoefte in de regio Midden-Holland van 14.500 woningen geprognotiseerd. De voorliggende ontwikkeling lijkt op basis van deze prognoses, passend binnen de woningbouwbehoefte zoals bepaald door de Provincie Zuid-Holland. 3.2

Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

8

Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

9

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in twee kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Veencomplex - Veen’. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen heeft het plangebied geen aanduiding. Wel ligt het plangebied nabij de aanduiding ‘Veen(weide)landschap’.

Richtpunten hiervan zijn: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één woning. De ontwikkeling respecteert het open middengebied en het herkenbaar houden van de polders. Qua maat en schaal past de woning in de omgeving. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Steden en dorpen’ en als ‘Stadsen dorpsrand). Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur.

• Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand. • De hoogte van de bebouwing is gezien de ligging van de locatie en bestaande hoogte in de omgeving legitiem. Het pand wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur. • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Voorgenomen ontwikkeling bouwt voort op het bestaande dorpsgebied en sluit aan bij de karakteristieke kenmerken uit de omgeving. Er wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt, de bouwhoogtes sluiten aan

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

10

bij de mogelijkheden in de omgeving. De ontwikkeling wordt dus ingepast in de bestaande structuren en dragen bij aan de ontwikkeling van de dorpsrand. Het plangebied geeft binnen de laag van de beleving geen aanduiding. Wel grenst het plangebied aan een recreatiegebied. De voorgenomen ontwikkeling doet hier geen afbreuk aan. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen.

Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte.

3.3

Gemeentelijk beleid Ruimtelijke structuurvisie Gouda 2005-2030 De gemeente Gouda heeft een structuurvisie 2005-2030 opgesteld om een kader te geven waar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De structuurvisie is opgesteld om richting te geven aan de plannen die in de komende periode in Gouda zijn voorzien. Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de Zuidplaspolder, zal de functie van Gouda als regionale verzorgingskern binnen het Groene Hart afzwakken en zal de stad steeds meer onderdeel worden van de Zuidvleugel van de Randstad. Binnen deze veranderende regionale positie en context, heeft de gemeente specifieke opgaven en uitgangspunten benoemd.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

11

De opgaven die de gemeente heeft gesteld, zijn: • de binnenstad vitaal houden; • versterken van de regiofunctie; • verbeteren van de ontsluiting en de bereikbaarheid; • realiseren van voldoende gedifferentieerde en aantrekkelijke woonmilieus; • ontwikkelen van stedelijke knooppunten; • voldoende werkgelegenheid/economisch perspectief; • benutten van de groene omgeving; • versterken van het leefklimaat in de wijken; • optimaliseren van de milieukwaliteit; De opgaven hebben geleid tot een aantal uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Gouda. Deze uitgangspunten leggen de basis voor de plankaart 2020 en een visiekaart 2030. In de visie wordt gesproken over Westergouwe (toen nog een wijk in voorbereiding) als een brug naar de Zuidplasontwikkeling. De ontwikkeling van Gouda is sterk bepaald door het landschap waarin de stad is ontstaan. De Achterwillenseweg vormt in de structuurvisie een hoogwaardige fietsroute binnen Gouda, begeleid door groenstedelijke woonmilieus. Ook kunnen hier langs waterlopen nieuwe, hoogwaardige woonmilieus worden ontwikkeld die bijdragen aan een meer gedifferentieerd woningaanbod. Met de voorgenomen ontwikkeling van één woning wordt op een passende en gebiedseigen wijze een nieuwe invulling gegeven aan het plangebied. De schaapskooi wordt gesloopt waardoor de belevingskwaliteit van de fietsroute wordt verbeterd.

Er wordt één vrijstaande woning teruggebouwd langs de waterlopen, behorend tot een hoogwaardig woonmilieu. De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de kaders van de ruimtelijke structuurvisie. Woon(zorg)visie Gouda 2030 De woon(zorg)visie 2030 heeft als doel ‘Aangenaam stedelijk wonen voor iedereen, met oog voor mensen met een zorgbehoefte. Gouda wil een stad zijn waar het voor iedereen mogelijk is om te kunnen wonen. Betaalbaarheid, toekomstbestendigheid en een gevarieerd woningaanbod zijn daarbij essentieel. De komende tien jaar moeten er zeker zo’n 3.600 woningen in Gouda bijkomen. Dat is berekend in provinciale prognoses. Actiepunten voor ‘wonen voor iedereen’ zijn: 1. Vergroten van de mogelijkheden voor huisvesting voor jongeren, door nieuwbouw, continueren van startersleningen en onderzoek mogelijkheden in de bestaande bouw; 2. Doorstroming op de woningmarkt bevorderen; 3. De slaagkans van verschillende groepen onderzoeken en indien nodig bij te sturen in de woningtoewijzing; 4. Zorgen voor uitbreiden van standplaatsen voor woonwagenbewoners; 5. Stimuleren alternatieve woonvormen. De woningbouwopgave geeft kansen voor het versterken van de kernen en het buitengebied. Voorliggend initiatief is daar een goed voorbeeld van. Er wordt immers een voormalig agrarisch perceel tot herontwikkeling gebracht in de vorm van een woonperceel.

Het plan voorziet in een meer ontspannen groen woonmilieu aan de rand van Gouda. Ook wordt het karakter van het buitengebied van de gemeente Gouda op passende wijze versterkt. Zo sluit dit plan aan bij de gemeentelijke ambities uit de woon(zorg)visie.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

12

3.4

Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

13

4

Natuur en landschap

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en  sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

14

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.1 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

15

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Het voornemen voor de realisatie en het gebruik van een woning loopt samen met de sloop van de schaapskooi. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is door ABO Milieuconsult een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. De rapportage is opgenomen als bijlage 1. Op grond van de uitgevoerde flora- en faunaonderzoek worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de realisatie en het gebruik van de één woning is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. 4.2.2 Gebiedsbescherming Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekening is opgenomen als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden aanwezig. De bouwlocatie ligt direct ten westen van het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Omdat dit natuurgebied (nog) niet is aangeduid als een stikstofgevoelig gebied, is dit natuurgebied niet van belang. Het meest nabij gelegen natuurgebied waar wel stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn betreft ‘Nieuwkoopse Plannen & De Haeck’ op een afstand van circa 10 km van de planlocatie. In deze notitie is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwe woning beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en het gebruik van deze woning. 4.3

Conclusie Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek naar beschermde flora en fauna kan worden gesteld dat negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten zijn uitgesloten. Uit het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de nieuwe woning. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

16

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit im Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

17

5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden.

Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. 5.1.2 Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden.

Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

18

Keur en uitvoeringsregels Per mei 2020 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. 5.2

Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Planbeschrijving De bestaande schaapskooi wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning gebouwd. De woning krijgt inclusief garage een oppervlakte van ongeveer 203 m2. Het plangebied wordt omringt door een watergang die is aangeduid als ‘overig water’. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Onderhavig plangebied is ook niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het Waterschap. Watervoorziening De schaapskooi van circa 25 m2 wordt gesloopt. Hiervoor wordt een woning van circa 203 m2 voor teruggebouwd. Daarnaast wordt er een terras aan de achterzijde van de woning aangelegd. Aan de voorzijde van de woning wordt een grindpad aangelegd. Het verhard oppervlak zal meer dan 500 m2 toenemen. Watercompensatie is dan ook niet benodigd.

Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

19

Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling dient het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen zoveel mogelijk voorkomen te worden om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten.

Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud In de legger van het Waterschap zijn tevens de onderhoudsverplichtingen en de onderhoudsplicht opgenomen van de wateren en kunstwerken in het plangebied. De legger bestaat uit een algemene toelichting, tekeningen en een administratief register. De legger is een aanvulling op de Keur. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

20

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Archeologie Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.

In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoek Volgens het bestemmingsplan Middenwillens' (vastgesteld 8 juli 2010) zijn de gronden mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Vooronderzoek is benodigd. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied binnen een zone met een hoge archeologische verwachting in verband met de ligging in het historisch bebouwingslint langs de Achterwillenseweg. Er zijn geen cartografische aanwijzingen voor historische bebouwing uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd, maar dit kan ook niet geheel worden uitgesloten. Het plangebied heeft op basis van de bekende landschappelijke en archeologische gegevens verder een lage archeologische verwachting op het aantreffen van resten uit het Neolithicum tot aan de ontginningen in de Late Middeleeuwen.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

21

Om deze verwachting te toetsen is op 28 maart 2022 een inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen uitgevoerd. Het bodemprofiel binnen het plangebied bestaat uit sterk kleiig veen tot 5 m -mv. het kleiige veen was in alle gevallen slap qua compactie. In het veen zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een archeologische laag, of indicaties voor plaggen of andere vormen van ophoging. Het plangebied lag in een veengebied en was te nat voor permanente bewoning. Het onderliggende veen is vanwege de aanwezigheid van hout geïnterpreteerd als bosveen tot een diepte van 2,5 meter beneden maaiveld; daaronder zijn fragmenten riet in de boorkernen aangetroffen. Ook tijdens de diepe boring is enkel veen aangetroffen, dat weliswaar sterk kleiig was maar geen kleilagen of dergelijke bevatte. Voor de aanwezigheid van de Gouderak stroomgordel zijn geen aanwijzingen waargenomen binnen 5 m -mv. Deze afzettingen kunnen dieper hebben gelegen, maar het is ook mogelijk dat de Gouderak niet in de nabijheid van het plangebied heeft gestroomd. Het plangebied had op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten van bewoning in het historisch bebouwingslint langs de Achterwillenseweg.

Hiervoor zijn tijdens het veldonderzoek geen aanwijzingen aangetroffen zodat de hoge archeologische verwachting binnen het plangebied kan worden bijgesteld naar laag. Binnen het bereik van de boringen (5 m -mv) zijn tevens geen aanwijzingen aangetroffen voor dieper gelegen stroomgordels, wat betekent dat deze veel dieper zijn gelegen, of niet binnen het plangebied aanwezig zijn geweest. Verstoring van dergelijke lagen zal voor het plangebied neerkomen op verstoring door heipalen. Gezien het beperkte oppervlak van de woning en de gangbare dichtheid aan palen voor woningbouw, wordt de mogelijke impact van deze heipalen op een dieper gelegen archeologische vindplaats, voor zover al aanwezig, als zeer klein ingeschat. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 6.2

Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening(Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Goudse Hout. Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten vanuit de Goudse Hout en de andere aanwezige ruimtelijke karakteristieken van het plangebied en haar omgeving. Zo wordt rekening gehouden met de waterlopen in het plangebied als waterwerken, waardoor wordt aangesloten op het patroon van sloten en veenriviertjes, zoals dat veelal het geval is in de Goudse Hout. Verder geldt dat met de woningbouwontwikkeling en de groene inrichting van het plangebied wordt voorzien in een groen en rustig karakter. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

22

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De ontwikkeling van één woning blijft ruimschoots onder de drempel van 100 hectare of 2.000 woningen. Gezien de beperkte omvang geeft dit geen aanleiding om het project aan te merken als stedelijke ontwikkeling.

Daarnaast sluit de aard van de ontwikkeling aan bij het karakter en de bouwmogelijkheden in de omgeving. Eventuele nadelige effecten zullen, ten opzichte van de huidige situatie, dermate klein

Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

23

zijn dat deze niet significant zullen zijn. Om deze redenen wordt het geheel niet gezien als een stedelijke ontwikkeling waardoor een separate aanmeldnotitie niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van de uitvoerbaarheid van deze ruimtelijke onderbouwing is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten: • Natuur en landschap • Water • Archeologie en cultuurhistorie • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Bedrijven en milieuzonering • Externe veiligheid In deze ruimtelijke onderbouwing is per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het plan geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Ruimtelijke onderbouwing “Achterwillenseweg naast nr. 146” Ontwerp

24

7.3.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau ABO-Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 verricht op de locatie. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: • In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. • De bovengrond is licht verontreinigd met molybdeen, koper, cadmium, kwik en lood. • In de ondergrond is licht verontreinigd met molybdeen. • Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium. De hypothese "De onderzoekslocatie is onverdacht" dient, op basis van de licht verhoogde waarden in de grond en de licht tot sterk verhoogde waarden in het grondwater, verworpen te worden. De licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen in de grond zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium. De sterk verhoogde concentratie nikkel is, naar alle waarschijnlijkheid, te relateren aan natuurlijke factoren. Mogelijk is door bemesting van het terrein, het grondwater verontreinigd met nikkel. Bij stopzetting van bemesting van het terrein, zal de bodem zich herstellen en zal de grondwaterverontreiniging met nikkel verdwijnen.

De vastgestelde bodemkwaliteit vormt omgevingsvergunning (activiteit bouwen).

geen

belemmering

voor

de

aanvraag

van

de

7.3.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader Voordat de nieuwe woning wordt geprojecteerd, moet onderzoek worden uitgevoerd naar de relevante geluidhinderaspecten. Omdat deze nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de zone van de route Achterwillenseweg/Willenskade en de spoorlijn van Gouda naar Woerden is een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. Andere geluidsbronnen zoals het verkeer op 30 km-wegen of industrielawaai is voor deze woning niet aan de orde en zijn daarom verder buiten beschouwing gelaten. Indien uit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door het wegverkeer en/of de activiteiten op het industrieterrein leidt tot een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=ed3d60ed-7ef1-4eed-8254-ff75642e0878