Reactie college Gouda op StAB conceptrapport 41014 (excl bijlagen).pdf
Tekst van het document
19743907V1
d at u m
ONS KENMERK PAGINA
november 2020 286934 28 van 35 2
5.
Onderzoeksvraag 2: de StAB gaat uit van onjuiste feiten. De conclusie op basis van de juiste feiten is dat de steigerconstructie niet is ontworpen om permanent de draagconstructie te waarborgen, maar enkel om de sloop te faciliteren.
5.1.
De StAB concludeert in het conceptrapport, voor zover er instortingsgevaar was, dit weg zou zijn genomen door de steigerwerkconstructie die is gerealiseerd.
5.2.
Ook bij deze onderzoeksvraag zijn er (methodo-)logische gebreken in het onderzoek van de StAB. Immers, de StAB staat ook hier niet stil bij wat er precies wordt verstaan onder instortingsgevaar. Uitgaande van de letterlijke betekenis van het woord, is de vraag die de StAB bij onderzoeksvraag 2 moet beantwoorden: kan gelet op de geplaatste steigerwerken worden uitgesloten dat er een kans was dat de Turfmarktkerk zou instorten? Pas dan is er geen instortingsgevaar.
5.3.
De steiger beperkte weliswaar het instortingsgevaar, maar zelfs met de steiger in de Turfmarktkerk, kan de StAB objectief gezien niet uitsluiten dat de Turfmarktkerk kon instorten. De StAB kan dan ook niet concluderen dat het steigerwerk het instortingsgevaar weg nam.
5.4.
In het verlengde daarvan wijst het college erop dat ook hier de fout wordt gemaakt om als uitgangspunten te hanteren dat (i) er geen instortingsgevaar aanwezig wordt geacht tenzij anders wordt bewezen en (ii) het steigerontwerp toereikend was, tenzij anders wordt bewezen. Het is juist andersom.
5.5.
Daarnaast maakt de StAB volgens het college nog drie onjuiste aannames. Ten eerste, het doel van de stut- steigerwerkzaamheden. Ten tweede, de omvang van de stut- en steigerwerkzaamheden. Ten derde de einddatum van de stut- en steigerwerkzaamheden. (i)
Het doel van de stut- en steigerwerkzaamheden
5.6.
De StAB doet de (impliciete) aanname dat de steiger- en stutwerkzaamheden een permanent karakter hadden. Lees: dat met het stut- en steigerwerk de constructieve veiligheid ter plaatse permanent werd gewaarborgd.
5.7.
Aanvankelijk heeft de eigenaar een (ondeugdelijke en onvolledige) steigerconstructie opgebouwd met als doel de kerk te stutten voor een periode van enkele maanden in afwachting van de sloop. Nadat het instortingsgevaar is geconstateerd is de steigerconstructie vervolgens onder toepassing van bestuursdwang zodanig aangepast dat deze geschikt was om de sloop direct uit te voeren. Het was nooit het doel, noch het resultaat, dat de constructieve veiligheid permanent zou worden gewaarborgd.
5.8.
Het college wijst ten eerste op de reactie van Dekker Engineering (de ontwerper van de steiger constructie) op het conceptrapport:
19743907v1
d at um
ONS KENMERK p a g in a
november 2020 286934 29 van 35 2
Mijn antwoord op vraag 2 zou zijn dat de stutconstructie er 100% op gericht is om instorten vd wanden en het dak te voorkomen. Dat was 100% de inzet van de constructie. Daarnaast heeft de constructie een aanvullende functie ingevuld om de wanden en daken bereikbaar te maken, teneinde veilig te kunnen slopen. Kanttekening bij dit antwoord is dat er sprake is van een tijdelijk karakter, te weten het invullen van deze functie voor een relatief korte tijd, 3-6 maanden. Zoals ik mij kan herinneren is dit aanvullend besproken en volgens mij ook vastgelegd. Dit is relevant, aangezien wij in de basis zijn gestart met een verzorgen van de engineering van een tijdelïjke stutconstructie die gebruikt zou worden om de veiligheid naar de omgeving te vergroten en om geheel danwel gedeeltelijk te gaan slopen. Gaandeweg het traject van uitvoering is duidelijk geworden dat de vraagstelling of functie van de constructie veranderde naar hoe lang deze constructie dit zou kunnen invullen. Daarbij zijn bovenstaande vergelijkbare antwoorden gegeven.
5.9.
De gehele steigerconstructie was bedacht met het oogmerk om veilig te kunnen slopen. Het was niet ontworpen, noch geschikt, om langdurig ter plaatse te laten staan. De StAB lijkt daar wel vanuit te gaan.
5.10.
Dat het steigerwerk een andere doelstelling en functie had dan waar de StAB vanuit lijkt te gaan, beaamt ook Sweco (p.3): Er is inderdaad geconcludeerd dat er een moment was dat sprake was van voldoende stabilisatie om de sloop veilig te kunnen laten plaatsvinden. De aangebrachte voorzieningen waren echter alléén aangebracht met als doel het veilig kunnen slopen en niet het voor langere periode stabiliseren van de gebouw welke onderhevig was aan invloed van zettingen en weersinvloeden.
5.11.
Alle deskundigen (Geelhoed, Pelecon, Witteveen+Bos en Aveco de Bondt) zijn het dan ook oneens met de conclusie van de StAB dat de steigers het instortingsgevaar blijvend wegnamen.
5.12.
Witteveen+Bos (p. 18) maakt hierover (onder meer) de volgende opmerkingen: Witteveen+Bos onderschrijft het oordeel van de STAB (dat - mocht er al sprake zijn van acuut instortingsgevaar - de sloopwerkzaamheden die het college heeft uitgevoerd niet noodzakelijk waren om het instortingsgevaar weg te nemen) niet.
5.13.
Geelhoed merkt (p.3) het volgende op:
19743907V1
akd DATUM ONS KENMERK PAGINA
november 2020 286934 30 van 35 2
Ad 2: Op basis van de waarnemingen in december 2018, waarbij er gestart was met de sloop en er ten dele voldoende stut- en steigerwerk conform het goedgekeurde plan uitgevoerd was, concludeerden wij tezamen met separate adviezen van Peters en Van Leeuwen alsmede Sweco, dat de situatie in deze fase nog meer verergerde. Het slecht uitgevoerde stut- en steigerwerk had reeds voor verergerde scheurvorming gezorgd en doordat het pand niet meer wind- en waterdicht was, waren optredende belastingen en effecten onvoorspelbaar, waardoor wij niet voor langere tijd de veiligheid durfden te garanderen. Hierbij met name te noemen de onvoorspelbare windbelastingen op de half open kap waardoor de kap volledig anders belast kon worden. Gezien de zeer korte afstand van kerk tot belendingen en het garanderen van veiligheid voor slopers en omwonenden was acute sloop wat ons betreft dan ook geboden.
5.14.
Pelecon (p. 3) wijst er ook op dat steiger een tijdelijk oogmerk had: Al deze waarnemingen dwongen ons de situatie zodanig te beoordelen dat acute maatregelen nodig waren. De aangebrachte stempeling heeft het directe gevaar voor de omwonenden weggenomen maar was alleen bedoeld om een veilige sloop mogelijk te maken. Deze steigerjconstructie was niet in staat om evenwicht verstorende krachten ten gevolge van zettingen te weerstaan.
5.15.
Ook Aveco de Bondt (p. 27, Contra-expertise) benadrukt het tijdelijke karakter van het steigerwerk en dat het steigerwerk niet was bedoeld om de draagkracht te waarborgen (noch dat dit was aangetoond): Conclusie: Het steiger- en stutwerk dat door de opdrachtgever is uitgewerkt en aangebracht tot aan het moment van de dwangmaatregel tot sloop, was niet geschikt voor het waarborgen van voldoende constructieve draagkracht. Het steiger- en stutwerk is als hulpconstructie door de gemeente nader uitgewerkt en aangebracht nadat de dwangmaatregel tot sloop was ingesteld. Het voortgang maken met de sloop was daarbij een vereiste omdat de voorzieningen niet voldeden aan de eisen van permanent gebruik die voor gebouwen van dergelijke omvang gelden..
5.16.
Witteveen+Bos (p.18) vat het zo samen: Het gerealiseerde stut- en steigerwerk is weliswaar geschikt om stabiliteit te verlenen aan de wanden tegen (kortdurende) windbelastingen, maar onvoldoende om het kerkgebouw voor langere tijd in stand te houden zonder instortingsgevaar. Langdurige belastingen op de steiger leiden tot gevaar voor instorting van de steigerconstructie.
5.17.
Met andere woorden: de vier deskundigen zijn het erover eens dat de StAB eenvoudigweg de aard van de constructie heeft miskend. Gelet op het voorgaande lijkt het voor de hand te liggen dat de StAB haar conclusie ofwel herziet, ofwel nader onderbouwt.
19743907v1
DATUM ONS KENMERK PAGINA
november 2020 286934 31 van 35 2
(ii)
De omvang van de stut- en steigerwerkzaamheden
5.18.
In het verlengde daarvan constateert het college dat de StAB de aard en omvang van de (aanvullende) steigerwerkzaamheden lijkt te miskennen. In het conceptrapport wordt opgemerkt dat gelet op de beperkte tijdsduur en de snelle goedkeuring in de werkzaamheden, de reeds staande steigerwerken vermoedelijk toereikend waren. Dat is onjuist, alleen al omdat de duur van de werkzaamheden (ruim) twee keer langer was dan waar de StAB vanuit gaat (zie hierna onder iii), maar ook omdat de werkzaamheden veel meer omvatte dan enkel het aanpassen van het steigerwerk op ondergeschikte punten.
5.19.
Als bijlage 8 treft u de brief van Peters & Van Leeuwen van 25 oktober 2018 waarin nader wordt gedetailleerd wat er nog moest gebeuren om het aanwezige steiger- en stutwerk toereikend te maken voor het kunnen slopen (zie hierna):
Naar aanleiding van onze bespreking van hedenmorgen dienen de volgende zaken te worden gedaan voordat een veilige sloop van de Turfmarktkerk kan worden uitgevoerd. 1. 2. 3. 4. 5.
De sparingen ter plaatse van de gescheurde aanbouw dichtzetten of het bovenliggende metselwerk onder stempelen. De aanwezige trekstangen controleren, ophangen aan het steigerwerk en de lassen controleren en waar nodig laten verbeteren door een kundig staalbedrijf. De spanten laten dragen op het uit te breiden (nog goed te keuren) steigerwerk. De noordtoog van de kerk voorzien van een trekstang én voorzien van een ondersteuning omdat bij sloop van de het bovenliggende metselwerk de drukboog op enig moment verdwijnt. Het steigerwerk draagt nu op stukken steigerdeel. Deze dienen op spanning te worden gehouden.
5.20.
Als bijlage 9 treft u de - in opdracht van de gemeente Gouda door Dekker met spoed uitgevoerde - nieuwe berekeningen, waarbij ook de ondersteuning van de dakconstructie (nu wél) is meegenomen. Het college herinnert u aan de eerder opmerking van Dekker dat deze constructie maar een beperkte levensduur had.
5.21.
Als bijlage 10 treft u het rapport van de ODMH van 13 november 2018 waarin foto’s van (een gedeelte van) de aanvullende werkzaamheden zijn opgenomen.
5.22.
Als bijlage 11 treft u de goedkeuring van het uitgevoerde werk van Peters & Van Leeuwen van 13 november 2018.
5.23.
Uit het voorgaande blijkt volgens het college dat de StAB de omvang van het stut- en steigerwerk onderschat in zijn verslag, zowel bij onderzoeksvraag 2 als bij onderzoeksvraag 3. (iii)
5.24.
Datum einde stut- en steigerwerkzaamheden
Als laatste merkt het college op dat de StAB ervan uitgaat dat de steigerwerkzaamheden afgerond waren op 2 november 2018. Dit is onjuist. De werkzaamheden zijn pas op 13
19743907V1
akd d at u m
ONS KENMERK p a g in a
2 november 2020 286934 32 van 35
november 2018 afgerond (zie ook onder meer randnummer 5.86 van het verweerschrift). Kennelijk baseert de StAB de datum op het inspectierapport van de ODMH van 2 november 2018. Dit betreft echter slechts een (klein) deel van de werkzaamheden die worden geïnspecteerd (de achtergevel). Het betreft dus niet een totaal beoordeling. Pas op 13 november 2018 is goedkeuring verleend door Peters & Van Leeuwen voor het laatste deel (bijlage 11).
19743907v1
d at u m
ONS KENMERK p a g in a
november 2020 286934 33 van 35 2
6.
Onderzoeksvraag 3: de StAB gaat uit van een onjuist vertrekpunt en houdt onvoldoende rekening met de omstandigheden van het geval.
6.1.
De StAB concludeert dat - als er al instortingsgevaar was, en de stutconstructie ontoereikend was, dat het college dan nog slechts € 280.053.94,- aan reële noodzakelijke kosten had moeten maken. Dat is aanzienlijk lager dan de daadwerkelijk gemaakte kosten.
6.2.
Het conceptrapport geeft geen onderbouwing van de gekozen methodologie om tot deze conclusie te komen. Ook wordt er niets gezegd over wat de StAB precies verstaat onder ‘noodzakelijk en redelijk’. In het verlengde daarvan formuleert de StAB ook geen criteria voor wanneer kosten als zodanig kwalificeren. Dit betekent dat het conceptrapport cruciale aannames, uitgangspunten en onderzoekkeuzes ongemotiveerd laat.
6.3.
De gebrekkige methodologie en het ontbreken van een duidelijke, gemotiveerde en wetenschappelijk te verantwoorden benadering is des te problematischer omdat de StAB ook essentiële factoren in de vraag of de kosten noodzakelijk en redelijk zijn onbesproken laat. Dit licht het college graag nader toe.
6.4.
Vooropgesteld, het betreft hier de kosten van spoedeisende bestuursdwang. Dat zijn kosten die met grote haast, onder tijdsdruk, met grote belangen in het spel (de veiligheid van omwonenden) moeten worden gemaakt. Dat is ook de reden dat de Afdeling over dat soort kosten zegt dat er een grote mate van terughoudendheid moet worden betracht bij het ‘met de kennis van nu’ beoordelen van die kosten (zie daarvoor uitgebreid het verweerschrift).
6.5.
De StAB heeft in haar antwoord geen rekening gehouden met (i) de tijdsdruk voor het inschakelen van een partij en (ii) de bestaande onzekerheden op dat moment. Voor zover het college kan overzien, lijkt de StAB nu enkel te adviseren over wat volgens haar noodzakelijke en redelijke kosten zijn in een geval waarin (i) er geen haast is en (ii) de inkopende partij alle noodzakelijke kennis bezit en alle onzekerheden of risico’s overziet.
6.6.
Dat is geen reële benadering van de situatie zoals hier aan de orde was, maar hoe dan ook moet die keuze in het conceptrapport tenminste worden geëxpliciteerd en onderbouwd.
6.7.
Ervan uitgaande dat er op 24 oktober 2018 instortingsgevaar was, die niet werd weggenomen door het plaatsen van de stutconstructie, moest het college in een noodtreinvaart een groot sloopproject met veel onzekerheid opdragen aan een commerciële partij die de met het project gemoeide risico’s ook (financieel) zou in calculeren. Het uitgaan van de reële situatie ter plaatse op 24 oktober 2018 levert een totaal andere benadering op en daarmee ook een totaal andere beoordeling van de redelijkheid van bepaalde kosten. Lengkeek merkt in haar reactie op het conceptrapport op:
19743907v1
d at u m
ONS KENMERK p a g in a
november 2020 286934 34 van 35 2
Algemene overweging: Wij zijn bij onze beoordeling uitgegaan van de werkzaamheden die in het kader van de stabilisering en sloop feitelijk zijn uitgevoerd. Hierbij hebben wij beoordeeld of de gemaakte kosten noodzakelijk waren en indien dat het geval is of de betreffende kosten redelijk zijn. Als Lengkeek hebben wij de indruk dat STAB bij haar beoordeling van de kosten is uitgegaan van een ander uitgangspunt dan Lengkeek, zonder rekening te houden met de keuzes van de gemeente en doorgevoerde voorzorgs-Zveiligheidsmaatregelen die gevraagd worden op een moment waarbij sprake is van een instabiele situatie van het kerkgebouw in een binnenstedelijk gebied en een dringend noodzakelijke sloop tot een veilige hoogte. Daar waar STAB is afgeweken van de door ons beoordeelde feitelijke kosten ontbreekt in enkele gevallen een (eenduidige) motivering.
6.8.
Met andere woorden: de StAB is gewoon uitgegaan van totaal andere uitgangspunten dan de werkelijke situatie.
6.9.
Dat gezegd hebbend, het is natuurlijk aan de StAB als adviseur om een methode en onderbouwing te kiezen voor het conceptrapport. Het is dan wel van belang dat die methodiek en onderbouwing kenbaar is en dat ook duidelijk aan de rechtbank wordt bericht dat de StAB de onderzoeksvraag zo heeft benaderd dat uit wordt gegaan van (i) een situatie waarin geen spoed aan de orde is; (ii) een situatie waarin alle kennis aanwezig is bij de inkopende partij en (iii) dat geen rekening wordt gehouden met het juridische beoordelingskader voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang.
6.10.
Daarnaast heeft de StAB - los van de gekozen methodologie - ook een vrij beperkte onderbouwing gegeven van haar benadering voor bepaalde kosten. Sommige posten worden simpelweg geschrapt, zonder kenbare motivering. Bovendien zijn er rekenfouten gemaakt door de StAB. Gemakshalve verwijst het college op dit punt voor de uitgebreide beschouwing van Lengkeek (bijlage 7), die aanwijst welke kosten die de StAB ongemotiveerd niet overneemt en waar de rekenfouten zitten.
6.11.
Tot slot wijst het college erop dat de StAB in het geheel niet stil heeft gestaan bij het feit dat het college een vaste aanneemsom is overeengekomen. Het college heeft dat bewust gedaan, zodat het risico bij de aannemer kwam te liggen als er hogere kosten zouden zijn dan vooraf begroot. Het college dacht dat die situatie zich hier zou voordoen en heeft daarom gekozen voor een vaste aanneemsom. In dit geval zijn de daadwerkelijke kosten (volgens de StAB) lager dan de vaste aanneemsom. Dat maakt de keuze van het college - en daarmee de kosten - echter niet onredelijk.
6.12.
Hoe dan ook, de StAB staat niet stil bij de ratio voor de keuze van een vaste aanneemsom, noch bij de verdedigbaarheid van die keuze, terwijl dit wel een van de cruciale factoren is waarom de werkelijke kosten hoger zijn dan de kosten die de StAB heeft begroot. Dat lijkt het college een zorgvuldigheidsgebrek.
19743907v1
d at u m
ONS KENMERK p a g in a
november 2020 286934 35 van 35 2
7.
Conclusie
7.1.
Het college is van mening dat het conceptrapport herziening behoeft. De methodologie, uitgangspunten en toetsingscriteria worden op cruciale punten in het geheel niet onderbouwd. Zo wordt er bijvoorbeeld niets gezegd over wat “instortingsgevaar1’ eigenlijk is volgens de StAB, en wanneer daar sprake van is. Dat is een vrij cruciaal punt in dit onderzoek. Het ontbreken van een onderbouwing van de methode, uitgangspunten en toetsingscriteria maakt het conceptrapport verder moeilijk te volgen, niet te toetsen en (uiteindelijk) weinig bruikbaar voor de rechtbank. Tot slot zijn de (impliciet) gemaakte keuzes naar de mening van het college en de door hem geraadpleegde deskundigen niet goed te verdedigen.
7.2.
Daarnaast blijkt de StAB op cruciale punten uit te gaan van onjuiste feiten. Die feiten moeten worden aangepast en de door de StAB gedane analyse zou opnieuw moeten worden gedaan op basis van de juiste feiten.
7.3.
Tot slot is ook de analyse en conclusie volgens het college onjuist. De conclusie zou moeten zijn: (i) (ii)
(iii)
Onderzoeksvraag 1: er was instortingsgevaar, omdat de StAB niet kan uitsluiten dat er een kans was op instorten gelet op het schadebeeld. Onderzoeksvraag 2: de stut- en steigerwerkzaamheden beperkten het instortingsgevaar, maar het was er nog steeds, omdat de StAB niet kan uitsluiten dat de Turfmarktkerk alsnog kon instorten. Onderzoeksvraag 3: de kosten zijn redelijk en noodzakelijk, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.
19743907V1