CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Reactie college Gouda op StAB conceptrapport 41014 (excl bijlagen).pdf

Commissie Fysieke leefomgeving 24 maart 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming : Turfmarkt kerk StAB rapport (GEEN BESLUIT) (20.15uur)12.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

akd PER KOERIER aan

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

VAN

Bezuidenhoutseweg 60

mr.dr. T.N. Sanders Advocaat

2594 AW Den Haag

TELEFOON

+31 88 2535919

FAX

+31 88 2535934

e -ma il

tsanders@akd.nl

BEZOEKADRES

Vlaszak 67 4811 GX BREDA

POSTADRES

Postbus 4714 4803 ES BREDA Nederland

INTERNET d at u m

www.akd.nl

2 november 2020

o n d er w er p

Reactie gemeente Gouda

UW KENMERK

STAB-41014

ONS KENMERK

286934 Geachte heer, mevrouw, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda treft u hierbij aan een reactie op het conceptrapport van de StAB aangaande de Turfmarktkerk te Gouda. Het college heeft naar aanleiding van het conceptrapport reacties gevraagd aan diverse deskundigen. Deze treft u bijgevoegd aan. Het betreffen de volgende deskundigen: Pelecon Structural Engineers B.V. (bijlage 1) Geelhoed Engineering B.V. (bijlage 2) Aveco de Bondt B.V. (bijlage 3a en 3b) Witteveen+Bos B.V. (bijlage 4) Sweco N.V. (bijlage 5) Dekker Engineering B.V. (bijlage 6) Lengkeek B.V. (bijlage 7a en 7b) In deze brief vat het college die reacties samen per onderzoeksvraag (onder verwijzing naar de relevante delen van de rapporten) en voegt daar zijn eigen opmerkingen aan toe. Algemene opmerkingen zorgvuldigheid onderzoek Los van de opmerkingen op detailniveau ten aanzien van de feiten en de conclusies, hecht het college er waarde aan om over te brengen dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de StAB in haar wens om te voldoen aan de door de rechtbank gestelde termijn, niet voldoende zorgvuldig is geweest. Ten eerste is er geen gebruik gemaakt van het aanbod van het college om met de betrokken bouwkundigen (waaronder Pelecon, Geelhoed maar ook Dekker, Sweco en de toezichthouders) te spreken. Er is enkel gesproken met de betrokken juristen.

Meer achtte de StAB niet nodig. Dat wreekt zich nu. Het ontbreken van voldoende feitenkennis en een goed overzicht van het dossier heeft geleid tot (cruciale) fouten in het conceptrapport. Ten tweede ontbreekt de onderbouwing voor de gekozen methodologie, uitgangspunten en toetsingscriteria voor het onderzoek voor zowel onderzoeksvraag 1, onderzoeksvraag 2 en AKD N.V. is statutair gevestigd in Rotterdam. Derdenrekening: NL28INGB0678001677. Voor algemene voorwaarden en beperking van de aansprakelijkheid zie achterzijde.

19743907v i

DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 2 van 35 2

onderzoeksvraag 3. Zo wordt er bijvoorbeeld niets gezegd over wat “instortingsgevaar" eigenlijk is volgens de StAB en wanneer daar sprake van is. Dat is een vrij cruciaal begrip voor dit onderzoek. Het ontbreken van een onderbouwing van de methode, uitgangspunten en toetsingscriteria maakt het conceptrapport moeilijk te volgen, niet te toetsen en (uiteindelijk) weinig bruikbaar voor de rechtbank. Het college vraagt de StAB om de tijd te nemen om dit onderzoek opnieuw (en zorgvuldiger) uit te voeren, waarbij in ieder geval de juiste feiten worden gebruikt en de gekozen methodologie, uitgangspunten en toetsingscriteria duidelijk worden verwoord. Als daar uitstel voor nodig is, dan vraagt het college de StAB om dat uitstel te vragen. Het conceptrapport is namelijk eenvoudigweg niet van de kwaliteit die betrokkenen gewend zijn van de StAB.

19743907V1

DATUM ONS KENMERK PAGINA

2 november 2020 286934 3 van 35

Pagina

Inhoudsopgave 1.

Onderzoeksvraag 1

4

2.

Onderzoeksvraag 1: (Methodo-)logische gebreken in het conceptrapport

5-11

(i) (ii) (iii) (iv)

3.

Het conceptrapport definieert niet wat “instortingsgevaar” precies is; De conclusie dat er geen instortingsgevaar was, volgt niet uit de inhoud van het conceptrapport; De StAB draait in haar conceptrapport de bewijslast (impliciet) ten onrechte om; Tussenconclusie: het conceptrapport kent fundamentele gebreken op het vlak van de gebruikte (impliciete) onderzoeksmethode en logica.

Onderzoeksvraag 1: de StAB gaat uit van onjuiste feiten (i)

12-25

Visuele inspecties van het pand (randnummer 3.4.2 StAB concept)

(ii)

Lintvoegwaterpassingen (randnummer 3.4.3 StAB concept)

(iii)

Zettingen (randnummer 3.5.1. StAB concept)

(iv)

Scheefstand gevels (randnummer 3.5.2. StAB concept)

(v)

Scheurvorming gevels (randnummer 3.5.3. StAB concept)

(vi)

Wegzakken achterbouw (randnummer 3.5.4 StAB concept)

(vii)

Scheurvorming toog (randnummer 3.5.5. StAB concept)

(viii)

Aantasting van het dakspant (randnummer 3.5.6. StAB concept)

4.

Onderzoeksvraag 1: de StAB trekt een onjuiste conclusie

26-27

5.

Onderzoeksvraag 2: de StAB gaat uit van onjuiste feiten. De conclusie op basis van de juiste feiten is dat de steigerconstructie niet is ontworpen om permanent de draagconstructie te waarborgen, maar enkel om de sloop te faciliteren.

28-32

(i) (ii) (iii)

Het doel van de stut- en steigerwerkzaamheden De omvang van de stut- en steigerwerkzaamheden Datum einde stut- en steigerwerkzaamheden

6.

Onderzoeksvraag 3: de StAB gaat uit van een onjuist vertrekpunt en houdt onvoldoende rekening met de omstandigheden van het geval.

33-34

7.

Conclusie

35

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 4 van 35 2

1.

Onderzoeksvraag 1

1.1. Onderzoeksvraag 1 betreft de vraag of er sprake was van instortingsgevaar op 24 oktober 2018. Het conceptrapport geeft als conclusie (pagina 5): “Volgens StAB [was er] geen sprake van acuut instortingsgevaar, zoals geconcludeerd in dan wel op grond van de rapporten van de ODMH van 17 oktober 2018 en van Peters & Van Leeuwen van 22 oktober 2018.” 1.2. Het college heeft daar (in hoofdlijnen) de volgende opmerkingen over: 2. Onderzoeksvraag 1: het conceptrapport kent gebreken op het vlak van methodologie en logica. 3. Onderzoeksvraag 1: de StAB gaat uit van onjuiste feiten. 4. Onderzoeksvraag 1: de StAB trekt een onjuiste conclusie

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 5 van 35 2

2.

Onderzoeksvraag 1: (methodo-)logische gebreken in het conceptrapport

2.1. De StAB concludeert dat er geen instortingsgevaar was. De onderbouwing van de StAB voor die conclusie is (samengevat) als volgt: (1) Er is geen instortingsgevaar, totdat bewezen is dat dit wel zo is (dat wordt niet geëxpliciteerd, maar dat herleidt het college wel uit de conclusie van het conceptrapport); (2) Het is aan het college om aan te tonen dat er instortingsgevaar was; (3) Dat kan aan de hand van de F30 richtlijn (voor de fundering) en de NEN8700 norm (voor de bovenbouw). Die analyses zijn niet uitgevoerd, maar dat had wel gemoeten. (4) De wel beschikbare gegevens, te weten: o visuele waarnemingen (randnummer 3.4.2 StAB concept), o lintvoegwaterpassingen (randnummer 3.4.3 StAB concept), o zettingen (randnummer 3.5.1. StAB concept), o scheefstand gevels (randnummer 3.5.2. StAB concept), o scheurvorming gevels (randnummer 3.5.3. StAB concept), o wegzakken achterbouw (randnummer 3.5.4 StAB concept), o scheurvorming toog (randnummer 3.5.5. StAB concept) en de o aantasting van het dakspant (randnummer 3.5.6.) “geven weliswaar zorg over [de] draagconstructie" maar zijn ieder op zichzelf beschouwd onvoldoende om te concluderen dat er sprake was van instortingsgevaar. (5) De StAB meent daarom dat “er geen direct gevaar van instorting van het kerkgebouw was". 2.2. Het college zal op de conclusie en de opbouw van die conclusie ingaan aan de hand van de deskundigenrapporten.

De reactie van het college is voor wat betreft de gehanteerde methode, uitgangspunten, toetsingscriteria en logica onder te verdelen in de volgende punten: (i) (ii) (iii) (iv)

Het conceptrapport definieert niet wat “instortingsgevaar” precies is; De conclusie dat er geen instortingsgevaar was, volgt niet uit de inhoud van het conceptrapport; De StAB draait in haar conceptrapport de bewijslast (impliciet) ten onrechte om; Tussenconclusie: het conceptrapport kent fundamentele gebreken op het vlak van de gebruikte (impliciete) onderzoeksmethode en logica.

19743907v1

akd d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 6 van 35 2

(i)

Het conceptrapport definieert niet wat “instortingsgevaar” precies is

2.3. In het conceptrapport wordt niet gedefinieerd wat er onder “instortingsgevaar” wordt verstaan door de StAB. Het is dan ook lastig te volgen wat de StAB precies bedoelt te zeggen als zij zegt dat er geen sprake zou zijn van instortingsgevaar. 2.4. Er is geen definitie van het woord “instortingsgevaar” in wet- of regelgeving. Het normale spraakgebruik is dan leidend. ‘Gevaar’ is volgens het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (2020) de “kans op een gevaarlijke gebeurtenis”. Instortingsgevaar is dus logischerwijs de ‘kans op instorting’. Instortingsgevaar is dus (in deze context): ‘de kans dat de Turfmarktkerk instorf. 2.5. Het oordelen dat er geen instortingsgevaar was op 24 oktober 2018, houdt dus in dat de StAB zegt dat er geen kans was dat de Turfmarktkerk zou instorten. 2.6. Het college vraagt zich af in hoeverre de StAB zich ervan bewust is dat haar conclusie dus niet alleen is dat niet vaststond dat de Turfmarktkerk op instorten stond (welke conclusie volgens het college onjuist is, maar op basis van de inhoud van het StAB rapport nog te plaatsen zou zijn), maar ook dat de StAB in het conceptrapport volledig en ongeclausuleerd uitsluit dat er ook maar enige kans was dat de Turfmarktkerk had kunnen instorten. 2.7.

Het college denkt dat de StAB niet heeft bedoeld te zeggen dat er geen kans was dat de Turfmarktkerk zou instorten, alleen maar dat het niet vaststond dat de Turfmarktkerk zou gaan instorten. Dat blijkt namelijk ook uit de conclusie van het conceptrapport (randnummer 3.6): “De waarnemingen geven weliswaar aanleiding tot zorg over [de] draagconstructie, maar deze zorg zou met een gedegen onderzoek bevestigd of weggenomen moeten worden. ” 2.8. Met andere woorden: op basis van de toen bekende feiten was er volgens de StAB aanleiding tot zorg en onderzoek, maar het stond nog niet vast dat de Turfmarktkerk zou gaan instorten. Die conclusie zou nog verdedigd kunnen worden op basis van de inhoud van het conceptrapport (hoewel die volgens het college onjuist is, waarover later meer). De daadwerkelijke conclusie in het conceptrapport, dat uitgesloten is dat de Turfmarktkerk zou kunnen instorten (lees: er is geen instortingsgevaar), kan echter objectief gezien niet gedragen worden door de inhoud van het rapport. 2.9. Het verzoek aan de StAB is dus om het rapport op dit vlak dus - als de lezing van het college juist is dat de StAB niet 100% kan uitsluiten dat er instortingsgevaar was - te nuanceren en duidelijk te onderbouwen wat de StAB verstaat onder ‘instortingsgevaar’. (ii)

De conclusie dat er geen instortingsgevaar was, volgt niet uit de inhoud van het conceptrapport;

2.10. Voor zover de StAB wel heeft beoogd uit te sluiten dat er ook maar een kans was dat de Turfmarktkerk zou instorten, meent het college dat die conclusie niet getrokken kan worden op basis van de inhoud van het conceptrapport. Zelfs al zijn de feiten en de aannames in het

19743907v1

DATUM ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 7 van 35

rapport allemaal juist, en is de analyse van de StAB ook correct (wat het college betwist - zie hierna), dan nog volgt daar nog steeds niet de conclusie uit die de StAB in het conceptrapport trekt. Hooguit kan de StAB oordelen dat niet vaststond dat er instortingsgevaar was. Dat is echter wat anders dan zeggen dat geen instortingsgevaar was. 2.11. In dat kader wijst het college erop dat de geraadpleegde deskundigen allen eensgezind zijn in het oordeel dat de StAB zijn conclusie dat er geen instortingsgevaar was, niet kan onderbouwen op basis van de feiten in het conceptrapport. Zo concludeert Witteveen+Bos (p.17): Witteveen+Bos is van oordeel dat door gebrek aan nadere informatie, dat wil zeggen resultaten uit metingen of berekeningen, noch kan worden aangetoond, noch kan worden uitgesloten, dat er sprake was van acuut instortingsgevaar. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van acuut instortingsgevaar. 2.12. Elders (p.13) onderbouwt Witteveen+Bos deze conclusie verder. Zij merkt op dat: Op basis van de beschikbare informatie kan naar oordeel van Witteveen+Bos op geen enkele wijze worden uitgesloten dat het kerkgebouw op instorten stond. Er was sprake van ernstige schades aan onderdelen met een dragende functie, waardoor enerzijds de constructieve samenhang sterk was verminderd en anderzijds zich wijzigingen in de krachtsafdracht hadden voorgedaan.

Doordat de belastingen op onbekende (en onbedoelde) wijze door de resterende constructie werd afgedragen, was eveneens onbekend of, en in welke mate, de constructie nog weerstand kon bieden tegen externe belastingen. Derhalve kon de constructieve veiligheid niet meer worden gegarandeerd en was er sprake van een verhoogd veiligheidsrisico voor personen, in en nabij het kerkgebouw. 2.13. Tot slot wijst Witteveen+Bos erop dat het conceptrapport van de StAB ook innerlijk tegenstrijdig is (p. 13): In tegenstelling tot haar stellige oordeel dat er géén direct gevaar voor instorting van het kerkgebouw was op 24 oktober 218, concludeert STAB in paragraaf 3.6 echter ook dat de waarnemingen aanleiding geven tot zorg over de draagconstructie, en dat een gedegen onderzoek nodig is om deze zorg te kunnen bevestigen of wegnemen. Kennelijk kan ook STAB op basis van de beschikbare gegevens niet uitsluiten dat de constructieve veiligheid in het geding was, anders zou zij een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk achten.

2.14. Aveco de Bondt concludeert verder (p. 4, Quick Scan) in dezelfde lijn dat instortingsgevaar in deze casus simpelweg niet uitgesloten kan worden: Gezien het schadebeeld en een niet volwaardig aangebrachte ondersteuningsconstructie, was instortingsgevaar niet uit te sluiten. Het treffen van maatregelen was daarom een noodzakelijke actie. 2.15. Ook Pelecon (p. 6) en Geelhoed (p.3) delen deze opvatting.

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 8 van 35 2

2.16. Kortom: vier verschillende deskundigen (Aveco de Bondt, Witteveen+Bos, Pelecon en Geelhoed) zijn allemaal en onafhankelijk van elkaar van oordeel dat de StAB hier een conclusie trekt die niet gedragen kan worden door de feiten die de StAB in het conceptrapport zelf noemt. De StAB kan niet uitsluiten dat er instortingsgevaar was. De conclusie dat er geen instortingsgevaar was kan dan ook geen stand houden. Hooguit zou de StAB (als zij onverkort vasthoudt aan de gebruikte methode, feiten en analyse) kunnen concluderen dat niet vaststaat dat er instortingsgevaar was. Het college vraagt de StAB dan ook om haar conclusie nogmaals kritisch tegen het licht te houden. (iii)

De StAB draait in haar conceptrapport de bewijslast (impliciet) ten onrechte om

2.17. Voor wiens rekening en risico het geconstateerde gebrek aan metingen en berekeningen moet komen, is eigenlijk een juridische vraag (‘de bewijslast’). In zoverre zou dat in principe niet bij het deskundigenverslag besproken moeten worden, maar in de juridische discussie bij de rechtbank. 2.18. De StAB geeft met het conceptrapport echter impliciet een oordeel hierover. Dat volgt uit de wijze waarop de StAB haar conclusie onderbouwt. Daarom zal ook hier een reactie op dat punt worden gegeven. 2.19. Het (onuitgesproken) vertrekpunt van de StAB lijkt te zijn dat er geen instortingsgevaar is, totdat het tegendeel is bewezen. Immers, de StAB toetst het dossier, concludeert dat er onvoldoende informatie is om instortingsgevaar vast te stellen, dus zou er geen instortingsgevaar zijn. Het is dus aan het college om aan te tonen dat er instortingsgevaar was. Kan het college dat niet, dan is er geen instortingsgevaar, aldus (impliciet) de StAB. 2.20. Los van dat dit juridisch gezien niet een juist uitgangspunt is bij bouwwerken (immers, het is de eigenaar die de bouwkundige staat moet kunnen bewijzen - zie daarvoor de rechtspraak in het verweerschrift van het college, reeds in uw bezit), is die werkwijze volgens Aveco de Bondt en Witteveen+Bos ook een onjuist vertrekpunt voor een beoordeling door een bouwkundige van een constructie. 2.21.

Het is aan de eigenaar van een bouwwerk om aan te tonen dat hij voldoet aan alle toepasselijke normen. Daarbij kan bij bouwwerken gedacht worden - zoals de vier deskundigen in navolging van de StAB op zich beamen - aan de F30 richtlijnen (enkel voor de funderingspalen)1 en de NEN8700 norm voor de bovenbouw. Als de eigenaar niet kan aantonen dat daaraan is voldaan, terwijl er bovendien gerede twijfels zijn over de bouwkundige staat (wat de StAB in het conceptrapport op zich beaamt), dan betekent dit dat ervan uit moet worden gegaan dat niet wordt voldaan aan de desbetreffende normen. Daarmee staat per definitie vast dat er

1 Terzijde merkt het college nog op dat de StAB de F30 richtlijn alleen noemt, maar vervolgens niet daadwerkelijk toetst. Aveco de Bondt heeft die toetsing wel verricht (zie p. 22 Contra-expertise) en concludeert dat daaruit volgt dat de fundering in 2018 aanleiding gaf tot grote zorg: "De staat van de paalfundering zou op basis van de F30 beoordeeld zijn als slecht en aanleiding zijn tot grote zorg. De F30 geeft een handhavingstermijn van 0-1 jaar."

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 9 van 35

instortingsgevaar is. Het kan immers niet worden uitgesloten dat de Turfmarktkerk zou kunnen instorten, terwijl instortingsgevaar ‘de kans is dat het gebouw instort’. 2.22. Zo merkt Witteveen+Bos (p.13) op: In paragraaf 3.4.2 oordeelt de STAB dat op grond van de gedane visuele waarnemingen enkel geconcludeerd kan worden dat er sprake was van een slechte bouwkundige staat van het kerkgebouw, en dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake was van acuut instortingsgevaar. Volgens Witteveen+Bos is in onderhavige kwestie juist het tegenoverstelde van cruciaal belang, namelijk de vraag of op basis van gedane visuele waarnemingen kan worden uitgesloten dat het gebouw op instorten stond. 2.23.

Aveco de Bondt merkt daarover op (p. 28, Contra-expertise): Het criterium bij constructieve veiligheid dient te zijn dat de draagkracht met zekerheid gewaarborgd moet worden bij de van toepassing zijnde normen en veiligheidsniveau. Hierbij rekening houdend met bestaande bouw en de oorspronkelijke datum van realisatie. Indien de ODMH van oordeel is dat de draagkracht onvoldoende is, staat het de eigenaar vrij om op basis van de beschikbare normen aan te tonen dat dit mogelijk wel het geval is. Een vermoeden van voldoende draagcapaciteit is hierbij echter niet voldoende. Immers de veiligheid dient gewaarborgd te zijn. De eigenaar heeft geen stukken geleverd om aan te tonen dat het gebouw veilig was.

2.24.

Het bevoegd gezag heeft hier meerdere malen serieuze twijfels geuit over de staat van het bouwwerk. Zoals de StAB zelf ook constateert, is er objectief gezien ook alle aanleiding toe om twijfels te uiten over de constructieve staat van het gebouw. Het is in een situatie zoals deze vervolgens aan de eigenaar om aan te tonen dat de draagkracht wel voldoende is en dat instortingsgevaar daarmee is uitgesloten. Niet het omgekeerde.

2.25.

De StAB benadert het in het conceptrapport zo dat het aan het bevoegd gezag is om aan te tonen dat de draagkracht niet voldoende is. Dat is echter - naar de stand van de wetenschap niet hoe bouwkundigen die naar de regels der kunst handelen een potentieel gebrekkig gebouw zouden moeten benaderen. Evenmin strookt het met het in de Woningwet en het Bouwbesluit vastgelegde uitgangspunt dat het aan de eigenaar is om aan te tonen dat zijn bouwwerk voldoet aan de geldende normen.

2.26.

In het verlengde daarvan valt op dat de StAB geen aandacht heeft voor het feit dat, gedurende de gehele tijd dat de eigenaar de macht over de Turfmarktkerk had (lees: vóór 24 oktober 2018 en in de periode tussen 30 november 2018 en 20 december 2018), de eigenaar op geen enkel moment heeft proberen aan te tonen dat de Turfmarktkerk wél voldeed aan de normen van F30 en NEN 8700. Dat had wel voor de hand gelegen met het geconstateerde schadebeeld.

2.27.

Het college wijst er in dat kader op dat de deskundige van de eigenaar (SABO) op 10 december 2018 zelfde Turfmarktkerk heeft betreden. De eigenaar had dus ook daadwerkelijk de

19743907v1

d at um

ONS KENMERK PAGINA

2

november 2020

286934 10

van 35

gelegenheid om - voordat de sloop van de draagconstructie feitelijk werd uitgevoerd - aan te tonen dat de constructie wél de nodige draagkracht had. Dat heeft de eigenaar in het geheel nagelaten. 2.28.

Zo merkt Aveco de Bondt op (p. 28, Contra-expertise): 1.

Op grond van de constateringen zoals hierna in het rapport beschreven, heeft ODMH beoordeeld dat zonder nadere onderbouwing niet gesteld kon worden dat aan het afkeurniveau voldaan werd. (par. 3.1)

2.

De eigenaar heeft in de stut- en sloopfase van zomer 2018 tot en met december 2018 geen hoofdconstructeur aangesteld om de constructieve veiligheid te analyseren en te waarborgen. Gezien het schadebeeld had dit door de eigenaar wel behartigd moeten worden. De adviseur van de steigerconstructie Dekker verwijst naar de hoofdconstructeur hetgeen aangeeft dat zij die taak niet vervulde. De eigenaar heeft geen schadeanalyse uitgevoerd in de genoemde periode, (par 2.2 en par. 7.1)

2.29.

De eigenaar was dus ondanks serieuze (gerechtvaardigde) twijfels over de constructieve staat van de Turfmarktkerk, niet in staat is om aan te tonen dat de draagkracht gewaarborgd is. Het lijkt het college dat dit feit reeds aanleiding geeft om te concluderen dat de draagkracht niet gewaarborgd is. Zeker nu de eigenaar ook geen enkele aanstalten heeft gemaakt om dat te onderzoeken. Daardoor is het niet uit te sluiten dat de Turfmarktkerk kan instorten. Dat betekent dat er per definitie instortingsgevaar is, want de kans op instorten kan niet uitgesloten worden.

2.30.

Kortom: het gebrek aan informatie, ondanks het feit dat de visuele waarnemingen volgens de StAB “aanleiding tot zorg over de draagconstructie” geven, wordt nu in het nadeel van het bevoegd gezag uitgelegd. Het zou juist in het nadeel van de eigenaar moeten worden uitgelegd. Hij is immers verantwoordelijk voor de staat van het gebouw en moet te allen tijde kunnen aantonen dat zijn gebouw niet op instorten staat.

2.31.

Als de StAB de bewijslast hier niet zou omdraaien, dan is de juiste conclusie dat er zorgen waren over de constructieve veiligheid op basis van visuele waarnemingen, dat de eigenaar niet kon aantonen dat de draagkracht gewaarborgd was en dus dat er instortingsgevaar was. Op zijn minst zou de conclusie moeten zijn dat in ieder geval niet uitgesloten kan worden dat er instortingsgevaar was. (iv)

Tussenconclusie: het conceptrapport kent fundamentele gebreken op het vlak van de gebruikte methode, uitgangspunten en logica

2.32.

De StAB heeft dus niet gedefinieerd wat instortingsgevaar is en miskent ook wat instortingsgevaar is. Daarbij is een onjuist vertrekpunt genomen (namelijk dat het aan het college is om de op basis van visuele waarnemingen getrokken conclusie dat er instortingsgevaar is met metingen en berekeningen te bevestigen, terwijl het juist aan de eigenaar is om hier uitsluitsel over te geven) en is een conclusie getrokken die niet gedragen kan worden door de feiten die de

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 11 van 35

StAB zelfvan belang acht. Het college ziet zich hierin gesteund door Geelhoed, Pelecon, Aveco de Bondt en Witteveen+Bos. 2.33.

Het is verder problematisch dat de StAB deze - vrij cruciale - methodologische keuzes, uitgangspunten en logica helemaal niet motiveert, toelicht of onderbouwt. Het wordt volledig impliciet gedaan. Dat is niet een deskundigenrapport die de gebruikelijke hoge maatstaf van een StAB rapport haalt.

2.34.

Gelet op het voorgaande meent het college dat er een fundamenteel gebrek zit aan het conceptrapport en dat het herzien zal moeten worden.

2.35.

De StAB zou volgens het college, bij een juiste methode, correcte uitgangspunten en juiste logica de volgende redenering moeten volgen: (1) Als uit visuele waarnemingen blijkt dat er zorgen zijn over de draagkracht van een gebouw, dan is er sprake van instortingsgevaar (omdat niet uitgesloten kan worden dat het gebouw kan instorten), tenzij bewezen kan worden dat dit niet zo is; (2) Het is aan de eigenaar om aan te tonen dat er geen instortingsgevaar was; (3) Dat kan aan de hand van de F30 richtlijn (voor de fundering) en de NEN8700 norm (voor de bovenbouw). Die analyses zijn niet uitgevoerd, maar dat had wel gemoeten. Dat komt voor rekening van de eigenaar. (4) De wel beschikbare gegevens, te weten: o visuele waarnemingen (randnummer 3.4.2 StAB concept), o lintvoegwaterpassingen (randnummer 3.4.3 StAB concept), o zettingen (randnummer 3.5.1. StAB concept), o scheefstand gevels (randnummer 3.5.2. StAB concept), o scheurvorming gevels (randnummer 3.5.3. StAB concept), o wegzakken achterbouw (randnummer 3.5.4 StAB concept), o scheurvorming toog (randnummer 3.5.5. StAB concept) en de o aantasting van het dakspant (randnummer 3.5.6.) Geven zorg over de staat van de draagconstructie. (5) Uit de beschikbare gegevens blijkt dat er zorgen zijn over de draagkracht van de Turfmarktkerk. Het kan niet uitgesloten worden dat er een kans is dat het gebouw instort.

Er is dus per definitie sprake van instortingsgevaar.

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 12 van 35 2

3.

Onderzoeksvraag 1: de StAB gaat uit van onjuiste feiten

3.1.

Los van de gebreken in de methodologie, uitgangspunten en logica, is de StAB op diverse punten ook van onjuiste feiten uitgegaan. Dat kan zijn omdat het college onvoldoende informatie heeft aangeleverd op die punten, in welk geval excuses van het college op zijn plaats zijn. Het college herhaalt in ieder geval het gedane aanbod om de StAB in contact te brengen met haar deskundigen en met de partijen die de controles hebben uitgevoerd. De feitelijke onjuistheden dienen in ieder geval recht te worden gezet in het definitieve rapport. Het ligt voor de hand dat de StAB de gecorrigeerde feiten opnieuw beoordeelt om te bezien of en zo ja welke, gevolgen die feiten voor haar conclusies hebben.

3.2.

Hierna gaat het college per randnummer van het conceptrapport in op waarom de feiten waar de StAB vanuit gaat onjuist zijn.

3.3.

Ter informatie: uit het conceptrapport blijkt niet dat er een goed compleet beeld is van alle beschadigingen. Het lijkt erop dat sommige beschadigingen de StAB eenvoudigweg zijn ontgaan. Een dergelijk overzicht is overigens ook niet opgesteld in een eerdere fase van de procedure, zodat het nog vervaardigd moest worden. In de Contra-Expertise van Aveco de Bondt worden alle waargenomen gebreken op de tekeningen van het gebouw aangeduid. Dat kan wellicht helpen bij een beter beeld krijgen van het geheel. (i)

Visuele inspecties van het pand (randnummer 3.4.2 StAB concept)

3.4. De StAB laat in zijn overzicht een aanvullende visuele inspectie weg uit het rapport. Geelhoed Engineering heeft op 10 december 2018 de Turfmarktkerk bezocht en daarbij (nogmaals) visuele waarnemingen verricht. Op dat moment was de Turfmarktkerk voor het overgrote deel nog aanwezig. De waarnemingen van Geelhoed zijn relevant, omdat deze de verdere degradatie van de Turfmarktkerk bevestigen. Het rapport van Geelhoed d.d. 10 december 2018 bevindt zich in het dossier van de StAB. Het lijkt erop dat de StAB dit rapport dus bewust buiten beschouwing heeft gelaten. Die keuze wordt niet gemotiveerd. 3.5.

Wellicht is de ratio achter deze keuze dat de waarnemingen dateren van na 24 oktober 2018 en dat deze dus strikt genomen niets zeggen over de staat op 24 oktober 2018. Het college wijst erop dat dit een misvatting is. De StAB zou dit rapport gewoon moeten meenemen, omdat het een feitelijke opname is van de staat van de Turfmarktkerk voorafgaand aan de sloop. Dat is relevant voor een inschatting van de bouwkundige staat van het geheel op 24 oktober 2018. Het is ook een belangrijke waarneming, omdat de deskundige daarin bevestigt dat de staat van de Turfmarktkerk verder is verslechterd en dat er instortingsgevaar is. Die deskundige heeft ook de eerdere opnames in het dossier verzorgd en kon dus goed beoordelen of de schades zich in de loop der tijd hadden verergerd. Bovendien, het feit dat de StAB wel waarde hecht aan de eerdere waarnemingen van Geelhoed (waaruit volgens de StAB volgt dat er destijds geen instortingsgevaar was), maar de latere waarnemingen van diezelfde deskundige terzijde legt, valt niet goed met elkaar te rijmen.

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 13 van 35

3.6.

Voorts meent de StAB dat het te ver gaat om op basis van visuele waarnemingen te concluderen dat er sprake is van instortingsgevaar. Die opvatting weerspreken alle vier de deskundigen. Zo merkt Aveco de Bondt op (p.6 Quickscan): Deelt u de opvatting van de StAB (p.27 bovenaan) dat uitsluitend visuele waarnemingen nooit de conclusie kunnen dragen dat een gebouw op instorten staat? Antwoord Aveco de Bondt: Deze stelling is niet terecht, en zeker niet als dit in algemene zin gesteld wordt door aan te geven dat deze "nooit de conclusie kunnjen dragen". Bij ernstige mate van schade is visuele inspectie zeker wel een adequaat middel om de situatie te beoordelen. Uiteraard dient dit door een deskundige te worden uitgevoerd. Ter illustratie: In geval van een aanrijdingen op een gebouw met ernstige schade als gevolg of bij ernstige bouwfouten met grote vervormingen en / of schade (bijvoorbeeld in de vorm van scheurvorming), is snel handelen op basis van visuele inspectie noodzakelijk. Een constructie kan op dat moment nog een labiel evenwicht hebben en bij de geringste belastingtoename bezwijken. Vertraging bij het waarborgen van constructieve veiligheid is in een dergelijk geval onverantwoord en niet toelaatbaar.

3.7.

Pelecon zegt hierover (p. 5): 2..

Deelt u de opvatting van de StAB (p.2 / bovenaan) dat uitsluitend visuele waar nemingen nooit de conclusie kunnen dragen dat een gebouw op instorten staat?

Ik deel deze conclusie niet. Bij d<3 Turfmarktkerk was er een moment dat er met alle aanwezige kennis en waarneming een beslissing van het bevoegd genomen moest worden. Bij iedere technische beslissing is het altijd aan te bevelen een uitgebreid meetprogramma op te zetten. Een meetprogramma bij funderingsproblemen heeft alleen zin als deze over meerdere jaren wordt uitgevoerd en beoordeeld. Bij de I urfmarktkerk waren er maar beperkte metingen gedaan. KB was voornemens de kerk te slopen en heeft het niet nodig gevonden een uitgebreid meetprogramma op te zetten. Het ontbreken van een uitgebreid meetprogramma ontslaat een constructeur niet van de plicht op basis van kennis en waarneming een advies te geven op basis van de dan beschikbare informatie.

3.8.

Geelhoed merkt hierover op (p. 3): We hebben weliswaar geen berekeningen uitgevoerd om het gevaar voor instorten rekenkundig te onderbouwen, maar de visuele waarnemingen waren van die mate, dat wij dit niet verder nodig achtten.

3.9.

En, tot slot, Witteveen+Bos merkt als volgt op (p.16.):

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 14 van 35 2

Uit de diverse waarnemingen die zijn gerapporteerd in de inspectierapportages blijkt dat er tussen oktober 2017 en oktober 2018 sprake is geweest van een toenemende mate van degradatie van de constructie. De mate waarin de constructie degradeerde is hierbij echter niet gekwantificeerd. Deze degradatie heeft een afname van de constructieve samenhang en afname van de draagkracht van de constructie tot gevolg gehad. Dit zou uiteindelijk leiden tot een (gedeeltelijke) instorting. Het moment waarop een instorting daadwerkelijk plaatsvindt laat zich niet voorspellen. Het was op basis van de beperkte beschikbare informatie ook niet mogelijk hier een kwantitatieve onderbouwing voor te geven. Daarnaast speelt het tijdsaspect hierbij een belangrijke rol; de kans dat zich een instorting voordoet neemt in de tijd verder toe. Het risico (= kans * gevolg) wordt daardoor steeds groter. Gezien de ligging van het kerkgebouw in de binnenstedelijke omgeving, is er daarbij sprake van direct gevaar voor omstanders en omwonenden. 3.10.

Kortom: de deskundigen zijn het allemaal eens dat de benadering van de StAB hier (te) kort door de bocht is. De visuele waarnemingen rechtvaardigden ernstige twijfels en kunnen wel degelijk de conclusie rechtvaardigen dat er een kans is op instorting - en daarmee instortingsgevaar. (ii)

Lintvoegwaterpassingen (randnummer 3.4.3 StAB concept)

3.11.

De StAB beoordeelt in het conceptrapport de drie lintvoegwaterpassingen en concludeert dat het zettingsbeeld geen reden tot zorg zou geven. Er vindt volgens de StAB weliswaar een verzakking van het gehele pand plaats maar omdat die gelijkmatig zou plaatsvinden heeft dat (kort samengevat) geen effect op de veiligheid.

3.12.

Er zijn daarbij echter twee fouten gemaakt. Ten eerste de gedane aanneming over het uitgevoerde funderingsherstel. Ten tweede de interpretatie van de lintvoegmetingen.

3.13.

De eerste fout is de onjuiste aanname dat het funderingsherstel overal is uitgevoerd. Die aanname is onjuist. Zo merkt Pelecon op dat het funderingsherstel niet over het gehele pand plaatsvond (zie p.2 Pelecon). Slechts een deel is daadwerkelijk hersteld. Het deel dat hersteld is, is bovendien in eigen beheer door de eigenaar (zonder deskundige begeleiding) uitgevoerd. Cruciaal is dat de fundering van de laagbouw nooit is hersteld. De reden daarvoor was dat de eigenaar van plan was om dat deel (uiteindelijk) te slopen. Dat heeft de eigenaar vervolgens niet gedaan.

3.14.

Dit betekent dat, anders dan waar de StAB vanuit gaat, de fundering instabiel was en de verzakkingen niet gelijkmatig aan het optreden waren. Een visualisering van de lintvoegmetingen, gecombineerd met de locatie van het funderingsherstel en de laagbouw, laat duidelijk zien wat het probleem was (zie p.2, Pelecon):

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 15 van 35

2

I jplvneqrnetinnen

jp rr^v,

-------------------------

Fugro rnc ?Q15 IcDpjCfi 201/ CcGvaik septembef 2018

3.15.

locoii* (undeT^g «oor paolkOSpCT verpiiuA'3 Zijn 'n n-ci /ö!7

Uit die afbeelding wordt duidelijk dat de hoek waar de laagbouw aansluit op de kerk veel grotere verzakkingen heeft ondergaan (86 tot 121 mm) dan de rest van de Turfmarktkerk. Dat heeft te maken met het feit dat bij dit deel van het gebouw de fundering zwaarder leed aan paalrot dan de rest van de Turfmarktkerk. Daarnaast is voor de laagbouw geen funderingsherstel uitgevoerd, waardoor na het paalherstel dit deel nog steeds niet van een deugdelijke fundering was voorzien. Aldus Pelecon (p.3): KB heeft zich toen onvoldoende gerealiseerd dat de sloop van de laagbouw een cruciaal onderdeel van het herstelplan was. KB had het herstelprogramma moeten uitbreiden naar de palen van de laagbouw. Dit deel van gebouw was het meest verzakt en had het meest te lijden van de paalrot.

3.16.

In feite ‘hing’ op 24 oktober 2018 de laagbouw aan het hoofdgebouw, en was de laagbouw verder gezakt (en zou bovendien nog verder gaan zakken) dan het hoofdgebouw. De laagbouw was ook constructief bevestigd aan het hoofdgebouw. Dit betekent dat de laagbouw een risico vormde voor het hoofdgebouw. Zo merkt Aveco de Bondt op (p. 7 Quickscan):

19743907v1

aJcd d at u m

ONS KENMERK PAGINA

november 2020 286934 16 van 35 2

Naast de excentriciteit zal bij bezwijken van de achterbouw de gevel omver getrokken worden door de houten balklagen die aan de wand verankerd zijn. De heer Van der Speld heeft verklaard dat bij de sloop van de achtergevel gebleken is dat een horizontale scheur aanwezfg was in het metselwerk. Deze scheur had tot instabiliteit van de gevel kunnen leiden. 3.17.

Dat heeft ook tot gevolg, aldus Pelecon (p.3), dat er helemaal geen evenwicht van krachten kon zijn (ook niet een labiel evenwicht): STAB stelt in 3.5.5 ( blz. 32) dat er ondanks de scheurvorming in de boog evenwicht van krachten was. Wanneer alleen de boog wordt beschouwd hebben zij gelijk. Doordat de laagbouw nog aanwezig was en de fundering van het 'slechte’ deel van de kerk hersteld was, wil deze aan de kerk gaan 'hangen' waardoor verticale en horizontale krachten op de bestaande kerk uitgeoefend worden. Deze extra verticale belasting zorgt voor overbelasting van de herstelde palen en de extra horizontale belasting verstoort het door STAB beschreven evenwicht in de gescheurde boog.

3.18.

Dat er sprake was van een herstelde, stabiele fundering, is dus een feitelijk onjuiste aanname van de StAB.

3.19.

De tweede feitelijke onjuistheid is de interpretatie van de StAB van de lintvoegwaterpasmetingen. De StAB laat daarbij één meting buiten beschouwing. Op pagina 29 van het conceptrapport (onderaan), merkt de StAB op dat de meting van punt 20 in september 2018 buiten beschouwing wordt gelaten omdat hij abnormaal zou zijn en dat (als die meting juist zou zijn) er scheuren zichtbaar zouden moeten zijn.

3.20.

Het college wijst erop dat drie deskundigen hierover opmerken dat dit onjuist is (zie p.5 Pelecon, p.2 Geelhoed, p. 7 Aveco de Bondt Quickscan - de vierde deskundige, Witteveen+Bos, laat zich hier niet expliciet over uit). Dat een meting abnormaal is, rechtvaardigt niet het uitsluiten daarvan. Daarbij komt dat er ook scheuren op de locatie te zien waren, terwijl de StAB de meting buiten beschouwing laat omdat er scheuren zichtbaar zouden moeten zijn. Bovendien, zoals uit de afbeelding blijkt: de meting van september 2018 past heel goed in de trend ter plaatse. Aveco de Bondt merkt daarover op (p. 7 Quickscan):

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 17 van 35

3.3 Lintvoegmeting Is het terecht dat de StAB (p.29, onderaan) de lintvoegmeting waarbij een significante verzakking is vastgesteld (58mm) buiten beschouwing laat omdat dat "fysiek niet mogelijk" zou zijn ? De zakkingtoename van 58 mm bij slechts 1 meetpunt, punt 20 is opmerkelijk en enige twijfel is te rechtvaardigen. Omdat punt 20 tussen 19 en 21 ligt, bestaat de kans dat de laatste meting met een zakking van 86 mm klopt. Een verklaring voor de afwijking met de meting in 2015 en 2017 kan niet op basis van deze informatie gegeven worden. Dit betekent niet dat de meting per definitie niet goed zou zijn. 2015

2017

5-9-

19

-39

-45

-59

20

-21

-28

-86

21

-95

-121

-121

2018

3.21.

In ieder geval heeft de StAB met een hele beperkte motivering een meting van een gerenommeerd bureau zo maar buiten beschouwing gelaten. Dat is onjuist naar de mening van het college, maar zou in ieder geval grondiger gemotiveerd moeten worden. (Ui)

3.22.

Zettingen (randnummer 3.5.1. StAB concept)

De StAB gaat uit van een redelijk gelijkmatig zettingsproces, waarbij er wel scheuren zijn, maar waarbij de zettingen geen invloed hebben op de stabiliteit van het gebouw. Daarbij wordt, aldus Aveco de Bondt, wel een denkfout gemaakt (p. 22, Contra-expertise). De StAB kijkt namelijk alleen naar de relatieve zettingen: 5.4 Zakkingen fundering De metingen van de zakkingen van de fundering laten zien dat er voortgaande zakking is opgetreden tussen 2017 en 2018. De zakking is weliswaar veel kleiner dan de aanvankelijke zakking, maar deze dient we! gesuperponeerd te worden bij de aanvankelijke zakking. De mate van scheurvorming die hierdoor in 2017 al was ontstaan, maakt dat dit een ernstige omstandigheid is. Mede omdat de capaciteit van het gebouw om vervormingen op te nemen, niet of slechts zeer lokaal nog aanwezig is gezien de mate van scheurvorming die reeds is opgetreden. Conclusie: De situatie van gereduceerde draagkracht van de fundering diende zo spoedig mogelijk beëindigd te worden om daarmee verder verlies aan draagkracht van de bovenbouw te voorkomen.

3.23.

Het college wijst in dat kader op de afbeelding van Pelecon (zie onder randnummer 3.14) waaruit blijkt dat er een groot verschil is tussen de absolute zettingen aan een kant van het pand en de absolute zettingen aan de andere kant van het pand.

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

2 november 2020 286934 18 van 35

(iv)

Scheefstand gevels (randnummer 3.5.2. StAB concept)

3.24.

De StAB kiest ervoor om alleen de scheefstandmetingen voor de voorgevel en de zijgevels mee te nemen in het bepalen van de scheefstand van de gevels. Daarbij wordt, merkwaardig genoeg, de achtergevel niet meegenomen. Terwijl het juist de achtergevel is die ernstige scheefstand (uitbuiken) had. De motivering voor deze keuze ontbreekt. In dat kader verdient het de opmerking dat op het fotomateriaal zichtbaar is (met het blote oog) dat de achtergevel aan het uitbuiken was en dus behoorlijk scheef stond. De keuze om de achtergevel niet mee te nemen wordt niet gemotiveerd door de StAB.

3.25.

Het is ook onterecht dat het uitbuiken van de achtergevel niet wordt meegenomen als indicatie dat er instortingsgevaar was. Zo merkt Aveco de Bondt op (p. 7 Quickscan): 3.4 Uitbuiken achtergevel Is het terecht dat de StAB (p.32) het uitbuiken van de achtergevel niet ziet als een indicatie dat de achtergevel kon instorten? Deze stelling is niet terecht. In het STAB rapport wordt als onderbouwing voor voldoende draagkracht de draagkracht beschouwd op basis van de kerndoorsnede zonder hierbij excentriciteiten van de belasting in beschouwing te nemen. Deze stelling zou op kunnen gaan als het metselwerk horizontaal onbelast is. Dit is echter niet het geval. Zondermeer dient de constructie in staat te zijn windbelasting op te nemen (zowel winddruk als windzuiging), en bovendien is de kans reëel aanwezig dat wanden belast worden door spatkrachten en mogelijk ook excentrische belastingen door het dak. Naast de excentriciteit zal bij bezwijken van de achterbouw de gevel omver getrokken worden door de houten balklagen die aan de wand verankerd zijn. De heer Van der Speld heeft verklaard dat bij de sloop van de achtergevel gebleken is dat een horizontale scheur aanwezig v/as in het metselwerk. Deze scheur had tot instabiliteit van de gevel kunnen leiden.

3.26.

Die conclusie van Aveco de Bondt wordt ondersteund door Pelecon (p. 5): 4.

Is het terecht dat de StAB (p.32) het uitbuiken van de achtergevel niet ziet als een indicatie dat de achtergevel kon instorten?

Wanneer men de gevolgen het niet slopen van de laagbouw niet in beschouwing neemt heeft STAB gelijk. Voor ons v/as het juist de bevestiging dat er horizontale krachten optraden en zo de stabiliteit van de gescheurde boog kritisch v/as geworden. 3.27.

Ook Geelhoed (p. 3) wijst daarop:

19743907v1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 19 van 35 2

In 3.5.2. wordt opgemerkt dat de gevel ondanks een scheefstanden van 15-20-40 mm geen stabiliteit problemen kende. Daarbij wordt gesproken over het volledig op druk belast zijn van de doorsnede bij een zwaartepunt van de belasting binnen 1/6 van de v/anddikte. Bij deze wanden van 330 mm zou dit dan zelfs 45 mm mogen zijn. Dat gaat natuurlijk uit van een pure verticale normaalkracht in de gevel, daar v/aar deze vanzelfsprekend een belangrijke horizontale belasting kennel, namelijk wind. Dat is maatgevender voor deze gevel dan het kleine beetje normaalkracht uit kap en eigen gewicht. 3.28.

Met andere woorden: bij gebrek aan horizontale krachten heeft de StAB gelijk, maar hier waren er horizontale krachten in de vorm van wind en de laagbouw die ‘hing’ aan het gebouw. De conclusie van de StAB dat het niet relevant is dat de achtergevel aan het uitbulken was, is dus onjuist. (v)

3.29.

Scheurvorming gevels (randnummer 3.5.3. StAB concept)

De scheurvorming in het gebouw acht de StAB niet relevant. Een cruciale aanname van de StAB is echter dat er geen horizontale scheurvorming was. Die aanname is onjuist. Zo blijkt uit het beschikbare fotomateriaal:

19743907V1

akd d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 20 van 35 2

3.30.

Witteveen+Bos wijst hier ook op (p. 14): Daarnaast gaat de STAB in haar rapportage voorbij aan het feit dat er naast verticale scheurvorming ook horizontale scheuren zijn geconstateerd. In Afbeelding 3.1 zijn deze horizontale scheuren (gemarkeerd met paarse pijlen) zichtbaar. Deze horizontale scheuren zijn een indicatie voor de aanwezigheid van excentrische belastingen of spatkrachten als gevolg van vervorming van de constructie, en zijn in de regel een reden tot zorg over de staat van een constructie.

19743907V1

DATUM ONS KENMERK PAGINA

2 november 2020 286934 21 van 35

Afbeelding 3.1 Overzicht van horizontale en verticale scheurvorming

3.31.

Hieruit volgt dat reeds hierom de analyse van de StAB onjuist is. Er waren zichtbare, groter wordende, horizontale scheuren zichtbaar in de noordoosthoek van het gebouw (zie ook de tekeningen van Aveco de Bondt voor de locaties). (vi)

Wegzakken achtertouw (randnummer 3.5.4 StAB concept)

3.32.

De conclusie van de StAB dat de achterbouw niet de achtergevel ‘omver’ zou trekken, is gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat ook daar funderingsherstel had plaatsgevonden en dat de achterbouw niet noemenswaardig (verder) was gezakt dan de rest van het pand. Beide aannames zijn zoals eerder toegelicht onjuist. Zoals onder (ii) toegelicht is ter plaatse van de laagbouw geen funderingsherstel geweest en is dat deel van het pand ook (aantoonbaar) verder verzakt dan de rest van het gebouw. De achterbouw trok dus wel degelijk aan het pand en zou bij bezwijken het hoofdgebouw hebben omgetrokken, aldus Aveco de Bondt (p. 7, Quickscan; zie ook Pelecon p.5 en Geelhoed p.3).

3.33.

Ook hier: de denkfout die de StAB maakt is dat zij enkel naar de relatieve zettingen kijkt, maar niet de absolute zetting. Het is duidelijk dat de achterbouw veel lager ligt dan het hoofdgebouw,

19743907V1

akd DATUM ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 22 van 35 2

terwijl die wel (bij de bouw van de Turfmarktkerk) vermoedelijk op hetzelfde peil zijn gebouwd. Dat heeft een effect op de stabiliteit en de op het gebouw werkzame krachten. (vii)

Scheurvorming toog (randnummer 3.5.5. StAB concept)

3.34.

De StAB constateert dat de scheurvorming weliswaar ernstig was, maar dat de toog desondanks in evenwicht was, zodat het geen instortingsgevaar indiceerde.

3.35.

De deskundigen die het college heeft geraadpleegd volgen de StAB daar niet in. Zowel Geelhoed als Pelecon wijzen erop dat er verticale en horizontale belasting op de toog stond. Zo zegt Geelhoed (p.3): STAB geeft aan dat er nog altijd evenwicht bestond tussen de twee helften van de toog. Wij zagen echter een duidelijke toename van de scheur in de toog, waarbij het risico van volledig doorscheuren er is niet alleen sprake van druk bovenin en trek onderin, maar ook sprake van dwarskracht die door een gereduceerde doorsnede moet - van instorten van deze toog te groot geacht werd.

3.36.

Pelecon zegt hierover (p.4): STAB stelt in 3.5.5 ( blz. 32) dat er ondanks de scheurvorming in de boog evenwicht van krachten was. Wanneer alleen de boog wordt beschouwd hebben zij gelijk. Doordat de laagbouw nog aanwezig was en de fundering van het 'slechte' deel van de kerk hersteld was, wil deze aan de kerk gaan 'hangen' waardoor verticale en horizontale krachten op de bestaande kerk uitgeoefend worden. Deze extra verticale belasting zorgt voor overbelasting van de herstelde palen en de extra horizontale belasting verstoort het door STAB beschreven evenwicht in de gescheurde boog.

3.37.

Aveco de Bondt (p.8 Quick-scan en p.20-21 Contra-expertise) en Witteveen+Bos (p.14) zeggen hierover beiden dat het evenwicht waarschijnlijk een labiel evenwicht was en dat dit dus reden geeft tot (ernstige) zorg over de draagconstructie. Zo zegt Aveco de Bondt (p. 8 Quick-scan): 3.5 Scheurvorming boog Is het terecht dat de StAB (p.32) de scheurvorming in de toog buiten beschouwing laat omdat er "nog altijd evenwicht bestond tussen de twee helften van de gevel" zou zijn? Deze stelling is niet terecht. Correct is dat het resterende deel drukzone in de boog een restcapaciteit heeft. Hoe groot deze is, is niet vastgesteld, bovendien is de hoogte van de drukzone beperkt omdat de scheur divergerend is. De draagkracht kan zonder nadere controle niet gewaarborgd worden. Ook voor deze schade geldt dat de capaciteit / draagkracht van de constructie vastgesteld moet worden en getoetst moet worden aan de mogelijke belasting, e.e.a. conform de geldende normen. De actuele situatie kan een labiel evenwicht zijn waarbij de constructie mogelijk bij geringe belastingtoename kan bezwijken. De opnamerapporten laten een verplaatsing van de delen van de boog links en rechts van de scheur zien. Deze rapporten geven aanleiding tot een gerede twijfel aan de stabiliteit van dit onderdeel. Als de delen niet meer aansluiten, zal de draagkracht daarmee vervallen en de boog bezwijken.

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK PAGINA

november 2020 286934 23 van 35 2

3.38.

En in de Contra-expertise zegt Aveco de Bondt daarover (p. 21): 5.2 Scheurvorming metselwerkboog achtergevel De metselwerkboog in de achtergevel verzorgd een belangrijk deel van de draagkracht van het achterste deel van het dak van de kerk. Bezwijken van dit onderdeel zou tot grootschalige instorting leiden. De constructieve werking van een boog is gebaseerd op drukkrachten in de boog en horizontale spatkrachten aan de voet van de boog. [Vanuit dit mechanisme is het opmerkelijk dat er midden in de boog een scheur aanwezig is, immers bij druk zal geen scheur ontstaan. Essentieel voor de boog is de zijdelingse stabiliteit. Indien de boog zijdelings uit kan knikken of verplaatsen, zal deze draagkracht verliezen en bezwijken. De schade foto's van de boog laten zien dat in de scheur de delen van de boog links en rechts van de scheur onderling zijn verplaatst. Dit is een zeer ernstig schadebeeld omdat hiermee de stabiliteit van de boog in het geding is. De situatie bij de achtergevel is dat het deel achter de gevel in ernstige mate verzakt. Door de houten balklagen en de dakconstructie van de achterbouw, zullen horizontale krachten op de gevel ontstaan. Beoordeeld wordt dat dit de oorzaak is van het schadebeeld dat is waargenomen met betrekking tot de verplaatsing uit het vlak van de boog.

De scheur in de nok van het spant is waarschijnlijk ontstaan door horizontale verplaatsing van de onderkant boog aan de oostzijde. De overmatige zakking van de fundering zal hierbij een primaire rol hebben gespeeld. Conclusie: De draagkracht van de boog met het schadebeeld zoals dit voor sloop aanwezig was, was niet gewaarborgd. Maatregelen in de vorm van slopen of stutten worden voor de situatie van destijds noodzakelijk geacht.

3.39.

Witteveen+Bos komt tot diezelfde conclusie (p. 15): Witteveen+Bos is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een evenwichtssituatie, maar dat de veiligheid die hierbij nog aanwezig is, onbekend is. Mogelijk is er sprake van een labiel evenwicht; kleine verstoringen van het evenwicht (ten gevolge van bijvoorbeeld vervormingen in de constructie of externe factoren zoals (onvoorziene) weersomstandigheden, belastingen tijdens slopen, zettingen) kunnen verstoring van het evenwicht met bezwijken van de constructie tot gevolg hebben. De conclusie van de STAB dat de scheur in de toog niet tot instorting leidt, kan wegens gebrek aan meet- of rekenresultaten, enkel zijn gestoeid op onderbuikgevoel.

3.40.

Kortom: er kon niet met zekerheid vastgesteld worden dat het evenwicht gewaarborgd was omdat er horizontale krachten waren. Voor zover er wel evenwicht was, was dit mogelijk een labiel evenwicht. Een dergelijk evenwicht is nog steeds een indicatie voor instortingsgevaar. Witteveen+Bos vergelijkt een dergelijk evenwicht met een "kaartenhuis'' (p. 16) en Aveco de

19743907v1

akd d at u m

ONS KENMERK PAGINA

2 november 2020 286934 24 van 35

Bondt met een "tafel met losse poten" (p.20 Contra-expertise). Dat is geen wenselijke situatie voor een gebouw. (viii)

Aantasting van het dakspant (randnummer 3.5.6. StAB concept)

3.41.

De StAB constateert dat het dakspant “was doorgerot' en uiteindelijk wellicht tot instorting van de kerk had kunnen leiden. Op 24 oktober 2018 was dat naar het oordeel van de StAB nog niet het geval. De StAB acht het aannemelijk dat dat de draagwerking van de totale kap inmiddels op andere wijze plaatsvond, "omdat het sterk verminderde draagvermogen in dit bewust spantbeen nog niet leidde tot instorting van de kerk’.

3.42.

Vooropgesteld, die redenering kent een logisch bezwaar. Er is in die redenering namelijk nooit sprake van instortingsgevaar, totdat het pand daadwerkelijk is ingestort. Het feit dat de Turfmarktkerk nog niet was ingestort kan de conclusie dat er dus geen instortingsgevaar was objectief gezien niet dragen.

3.43.

Inhoudelijk zijn de deskundigen ook op dit vlak eensgezind in hun oordeel dat de StAB dit niet goed ziet. Witteveen+Bos zegt hierover (p.16): Het klopt inderdaad de belasting op een andere manier wordt afgedragen. Witteveen+Bos is echter van oordeel dat door de aantasting van nagenoeg de volledige doorsnede van het dakspant er een gevaarlijke en dus onwenselijke situatie was ontstaan. Op het moment dat niet bekend is hoe de krachtswerking van de kapconstructie plaatsvindt, is onbekend of er nog (voldoende) veiligheid aanwezig is in de constructie. Ook hier geldt dat er op het moment weliswaar een evenwichtssituatie aanwezig is, maar dat volledig onbekend is of, en in welke mate, er nog veiligheid aanwezig is. Een kleine verstoring van het evenwicht, bijvoorbeeld door het bezwijken van verbindingsmiddelen in de kapconstructie die momenteel anders worden belast dan voorzien, kan een voortschrijdende instorting (domino effect) tot gevolg hebben. Ter vergelijk: in een kaartenhuis heerst ook een evenwichtssituatie; echter onder de minste of geringste invloed van buitenaf (luchtstroming, een trilling van de ondergrond) zakt het kaartenhuis volledig in elkaar.

3.44.

Aveco de Bondt sluit zich daarbij aan (p. 8 Quickscan) en merkt op:

19743907V1

d at u m

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 25 van 35 2

3.6 Houtrot spant Is het terecht dat de StAB (p.33) de aantasting van het dakspant (welke was doorgerot), niet problematisch acht? Wat vindt u van de aanname van de StAB dat de draagwerking van de totale kap "inmiddels op een andere manier plaatsvond"? Deze stelling is niet correct. Weliswaar kunnen elementen die oorspronkelijk niet bedoeld waren voor het vervangen van de draagkracht van het spant (bijvoorbeeld het dakbeschot) een bijdrage leveren, de betrouwbaarheid van deze draagweg is allerminst te garanderen zonder nader onderzoek. Het aanwezige evenwicht kan een labiel evenwicht zijn en bij de geringste toename van belasting of vervorming tot bezwijken leiden. De constructieve veiligheid is daarmee niet gewaarborgd. De kilkeper maakt evenwicht met de kilkeper van het andere aansluitende dakviak. Bij wegvallen van de met houtrot aangetaste kilkeper, zal het evenwicht vervallen en bestaat kans op bezwijken van het dakviak. 3.45.

Pelecon merkt daarover op (p.6): 6.

Is het terecht dat de StAB (p.33) de aantasting van het dakspant (welke was doorgerot), niet problematisch acht? Wat vindt u van de aanname van de StAB dat de draagwerking van de totale kap "inmiddels op een andere manier plaatsvond"?

leder kapconstructie kan meerdere mogelijkheden om belastingen af te dragen hebben. Bij het constructief ontwerp noemt men dit de 2e draagweg. In het geval van de Turfmarktkerk heeft waarschijnlijk het dakbeschot de krachten overgenomen. Als dit goed bevestigd is kan dit maar maakt het dak zeer kwetsbaar. Argeloos verwijderen van dakbeschot kan dan tot instorting leiden wat gevaarlijk is. Ook de bevestigingen van het dakbeschot zijn niet ontworpen om als 2e draagweg te functioneren en kunnen bros bezwijken bij plotselinge veranderingen van krachten door bijv. storm. 3.46.

Geelhoed merkt tot slot op (p.3): STAB geeft aan dat de draagwerking van de totale kap inmiddels op een andere manier plaatsvond. Het is mogelijk dat dit (deels) het geval was. Wij zijn er echter van overtuigd dat het ondanks dat slechts wachten was op bezwijken van dit onderdeel - het spant moet nog steeds belast zijn geweest - en daarmee zou het hele evenwicht uit de kap zijn. De gevel wordt dan bij zakken ook niet meer aan de bovenzijde gesteund.

3.47.

Kortom: op dit punt zeggen de deskundigen allemaal dat wat de StAB aangeeft op zich plausibel is (namelijk dat de afdracht op een andere wijze plaatsvindt - ze noemen daarbij allemaal het dakbeschot). De deskundigen zijn het echter allemaal oneens met de conclusie van de StAB dat dit feit niet problematisch is. Het dakbeschot is daar niet voor bedoeld. Het verwijderen van het dakbeschot zou voorts tot instorting leiden. Het is constructief onveilig en een indicatie dat er instortingsgevaar was.

1974390/vl

aJcd DATUM ONS KENMERK PAGINA

november 2020 286934 26 van 35 2

4.

Onderzoeksvraag 1: de StAB trekt een onjuiste conclusie

4.1.

De vier deskundigen hebben allemaal separaat, zonder kennis van eikaars betrokkenheid bij het leveren van een contra-expertise en zonder kennis te nemen van de inhoud van eikaars adviezen, advies aan het college uitgebracht. Toen de adviezen uitgebracht waren, heeft het college met de deskundigen gezamenlijk gesproken over de inhoud van de rapporten om te kijken of hij de rapporten goed had begrepen. Bij die vergadering waren de deskundigen eensgezind dat de StAB in haar conclusie in 3.5.7. te kort door de bocht gaat.

4.2.

De StAB beschouwt eerst alle feiten individueel en concludeert per feit dat het onderzochte feit op zichzelf genomen geen bewijs is dat er instortingsgevaar was. Vervolgens wordt geconcludeerd dat er geen instortingsgevaar was. Wat echter geheel ontbreekt in het conceptrapport is een integrale beschouwing van alle elementen tezamen. Zelfs al zou de StAB het juist zien (dat alle waarnemingen op zichzelf bezien individueel niet problematisch zijn), in het rapport wordt nergens stilgestaan bij de vraag of de combinatie van alle waarnemingen en indicaties gezamenlijk wél problematisch zijn. Dat is namelijk wel de eensluidende conclusie van Witteveen+Bos, Aveco de Bondt, Geelhoed en Pelecon. Het is dus op zijn minst merkwaardig dat de StAB daar niet bij stil staat.

4.3.

Witteveen+Bos merkt daarover op (p. 16): Voor zowel de toog als dakconstructie geldt dat kwantitatief niet kan worden onderbouwd dat er gevaar voor instorting heerste. Echter, het gedrag van de constructie was door verlies aan onderling verband en degradatie van essentiële onderdelen onvoorspelbaar geworden. Onduidelijk was op welke manier belastingen werden afgedragen, en onbekend was hoeveel reseive (veiligheid) er nog aanwezig was in de constructie. Gevaar van instorting kon derhalve clan ook niet worden uitgesloten. Dit resulteerde in een onacceptabel veiligheidsrisico voor personen in het kerkgebouw en in haar nabij omgeving.

4.4.

En op p.16: Witteveen+Bos onderschrijft het oordeel van de STAB (dat er geen direct gevaar van instorting van het kerkgebouw was, noch dat er een direct gevaar voor de omgeving van het gebouw aanwezig was op 24 oktober 2018) niet. Witteveen+Bos is van oordeel dat door gebrek aan nadere informatie, dat wil zeggen resultaten uit metingen of berekeningen, noch kan worden aangetoond, noch kan worden uitgesloten, dat er sprake was van acuut instortingsgevaar. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van acuut instortingsgevaar.

4.5.

Aveco de Bondt concludeert (p. 28, Contra-Expertise);

1974390/vl

d at um

ONS KENMERK p a g in a

november 2020 286934 27 van 35 2

8.1 De draagkracht van de boog met het schadebeeld zoals dit voor sloop aanwezig was, was niet gewaarborgd. Maatregelen in de vorm van slopen of stutten waren voor de situatie van destijds noodzakelijk geacht, (par. 5.2) 8.2 De draagkracht van de kilkeper met het schadebeeld zoals dit voor sloop aanwezig was, was niet gewaarborgd. Maatregelen in de vorm van slopen of stutten waren voor de situatie van destijds noodzakelijk geacht, (par. 5.3) 8.3 De situatie van gereduceerde draagkracht van de fundering diende zo spoedig mogelijk beëindigd te worden om daarmee verder verlies aan draagkracht van de bovenbouw te voorkomen, (par. 5.4) 4.6.

Geelhoed en Pelecon concluderen ook in gelijke zin: er was instortingsgevaar, omdat er gerede twijfels waren over de constructieve veiligheid, terwijl de constructieve veiligheid niet aangetoond kon worden.

4.7.

Kortom: de StAB trekt een conclusie die niet goed is onderbouwd. Bovendien wordt die conclusie ook door een breed pallet aan deskundigen tegengesproken. Het college verzoekt de StAB dan ook opnieuw kritisch naar de inhoud van haar conceptrapport te kijken en te bezien of de onderbouwing de conclusies daadwerkelijk kunnen dragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=cb8ee7ba-8e15-4b75-82e1-0e427b617d67