PlanMER Omgevingsvisie Gouda hoofdrapport 1.1 incl bijlagen.pdf
Tekst van het document
RAPPORT Plan Milieueffectrapport Omgevingsvisie gemeente Gouda Klant:
Gemeente Gouda
Referentie: BG8638TPRP2008261433 Status:
Definitief/1.1
Datum:
8 september 2021
Open
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Industry & Buildings Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Plan Milieueffectrapport Ondertitel: PlanMER Omgevingsvisie Gouda Referentie: BG8638TPRP2008261433 Status: 1.1/Definitief Datum: 8 september 2021 Projectnaam: Omgevingsvisie Gouda Projectnummer: BG8638 Auteur(s): Hanneke Koedijk, Elise van Kan
Opgesteld door: Véronique Maronier Datum: 8 september 2021 Goedgekeurd door: Mariska de Ruiter Datum: 8 september 2021
Classificatie Open
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
i
Open
Inhoud Samenvatting
3
1
Inleiding: waarom een Omgevingsvisie en planMER?
21
1.1
Omgevingsvisie Gouda
21
1.2
Waarom een planMER/OER?
21
1.3
De m.e.r.-procedure
22
1.4
Leeswijzer
22
2
Waar gaat de Omgevingsvisie over?
23
2.1
Integratie beleidsvisie
23
2.2
Totstandkoming Omgevingsvisie Gouda
23
2.3
Hoofdlijnen Omgevingsvisie: Goudse waarden, opgaven en keuzes
25
2.4
Samenhang met andere kaders
30
3
Hoe is dit planMER gemaakt?
32
3.1
Algemene aanpak
32
3.2
Beoordelingskader
32
3.3
Te beoordelen beleid en omgang alternatieven
34
3.4
Methodiek effectbeoordeling
35
4
De staat van de leefomgeving, nu en in de toekomst
41
4.1
Rad van de leefomgeving
41
4.2
Toelichting rad van de leefomgeving
43
5
Effecten van het voorgenomen beleid
48
5.1
Beoordeelde beleidsuitspraken
48
5.2
Effecten van voorgenomen beleid
57
5.3
Mate van doelbereik
68
5.4
Botsproeven
73
6
Passende beoordeling Natura 2000-gebieden
76
7
Conclusies, aandachtspunten en aanbevelingen
78
8
Wat gebeurt er na het planMER?
86
8.1
Omgevingsplan en omgevingsprogramma’s
86
8.2
Onzekerheden en monitoring
87
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
1
Open
Referenties
89
Begrippenlijst
90
Bijlage 1: Foto van de leefomgeving
91
Bijlage 2: Passende beoordeling
92
Bijlage 3: Beleidsuitspraken
93
Bijlage 4: Onderbouwing effecten, doelbereik en botsproeven
94
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
2
Open
Samenvatting Voor u ligt het milieueffectrapport (planMER) voor de Omgevingsvisie van de gemeente Gouda. Het planMER is in opdracht van de gemeente Gouda opgesteld door Royal HaskoningDHV. In de Omgevingsvisie geeft de gemeente een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Gouda. Het planMER biedt inzicht in de kansen en risico’s van het nieuwe beleid voor het milieu; in breed perspectief voor de gehele fysieke leefomgeving. Op basis hiervan worden aandachtspunten meegegeven voor het vervolg. In deze samenvatting leest u meer over de inhoud van het planMER en de Omgevingsvisie.
S.1
Omgevingsvisie Gouda
Naar verwachting wordt op 1 januari 2022 de Omgevingswet ingevoerd. De gemeente Gouda moet, als lokale overheid, de Omgevingswet implementeren. De Omgevingswet voegt 26 wetten over de fysieke leefomgeving samen tot één wet. Het is verplicht voor gemeenten om als onderdeel van de nieuwe Omgevingswet een Omgevingsvisie op te stellen en die door de gemeenteraad te laten vaststellen. In haar Omgevingsvisie schetst de gemeente Gouda een toekomstbeeld voor de fysieke leefomgeving, waarin integrale keuzes over de inrichting van gebieden worden gemaakt. Het achterliggende doel van het omgevingsbeleid is erop gericht de kwaliteit van leven van de inwoners van Gouda te verbeteren. In de Omgevingsvisie zijn vijf keuzes voor de leefomgeving geformuleerd om invulling te geven aan de 5 Goudse opgaven (afgeleid uit de Goudse waarden). Deze vijf Goudse keuzes vormen de kern van de visie en voor het nieuwe beleid: 1. Florerende stad: Focus op de economisch gezonde stad met voldoende werk en voldoende en prettige en gevarieerde woonruimte, en sterke en uiteenlopende voorzieningen voor Gouda en omgeving, in de context van onze grote historische kwaliteiten. Een hoge kwaliteit van bebouwing en de openbare ruimte draagt bij een prettige leefomgeving; 2.
Duurzame mobiliteit: Focus op de verduurzaming van de wijze waarop we ons binnen en buiten de stad bewegen, met een verschuiving naar nog meer fietsen, wandelen en openbaar vervoer, en met ruimte voor nieuwe mobiliteitsdiensten. Door afname van autoverkeer is het mogelijk verhardingsoppervlak en parkeerruimte te reduceren; 3. Gezonde groene stad: Focus op het stimuleren van onze gezondheid, door hier bij de inrichting van de stad rekening mee te houden: een aantrekkelijker en groenere openbare ruimte, met gevarieerd groen, veel biodiversiteit, aandacht voor duurzaamheid, bescherming van de cultuurhistorische linten en groenstructuren, en zorgvuldig gekozen transitie- of ontwikkellocaties. Aandacht voor beperken van geluidhinder en zorg voor schone lucht speelt daarbij een grote rol; 4. Energietransitie: Focus op duurzame transitie van onze energie, niet alleen in keuze van de bron daarvan (duurzame opwekking) maar ook hoe we dit onderling afstemmen, zodat we elkaar niet (onder- of bovengronds) in de weg zitten met de systemen; 5.
Sterke wijken: Focus op onze woonwijken, waar het gewoon fijn leven is en/of nog fijner gaat worden! Voldoende woningen en de juiste, kwalitatief goede woningen, met een goed ingerichte openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeten en gezond gedrag, waarbij iedereen mee kan doen! De totaalkaart van de Omgevingsvisie (zie Figuur 0.1) geeft hier een samenvatting van. Het planMER richt zich op het beoordelen van de betreffende keuzes. In hoofdstuk 2 van het planMER wordt dieper ingegaan op de totstandkoming van de Omgevingsvisie.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
3
Open
Omgevingsvisie Gouda
Figuur 0.1 Omgevingsvisie kaart
De Omgevingsvisie is het kader waarbinnen Gouda een omgevingsplan opstelt. Een omgevingsplan bevat concrete regels en maatregelen waarmee de Omgevingsvisie tot uitvoering gebracht wordt. Gekoppeld aan de Omgevingsvisie wordt de procedure van de m.e.r. doorlopen, omdat de Omgevingsvisie kaders stelt voor activiteiten die volgens de wet m.e.r.-plichtig of m.e.r.- beoordelingsplichtig zijn. Daarnaast is op voor-
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
4
Open
hand niet uit te sluiten dat als gevolg van de strategische keuzes in de Omgevingsvisie significante negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden gelegen in de gemeente of in directe nabijheid van de gemeente Gouda (Nieuwkoopse Plassen & de Haeck en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein).
S.2
Waarom een planMER?
Het proces van de milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel voor besluitvorming. Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r. is het milieueffectrapport (MER; voor strategische plannen heet dit planMER). Het planMER is gelijktijdig opgesteld met de ontwerp Omgevingsvisie en heeft gedurende dit traject waardevolle informatie opgeleverd voor de Omgevingsvisie. Op welke wijze dit is gebeurd en van invloed is geweest op de Omgevingsvisie is terug te lezen in het planMER. Daarnaast zijn aanbevelingen voor het vervolgtraject geformuleerd, bijvoorbeeld voor programma’s en de monitoring. Ook dit is beschreven in dit planMER. Naast het opstellen van het planMER is ook een passende beoordeling opgesteld. De passende beoordeling is nodig omdat niet op voorhand kon worden uitgesloten of de Omgevingsvisie significante gevolgen heeft op Natura 2000-gebieden. De belangrijkste uitkomsten van de passende beoordeling zijn opgenomen in dit planMER (de volledige passende beoordeling is opgenomen in bijlage 2). Het planMER (incl. passende beoordeling) gaat gezamenlijk met de ontwerp Omgevingsvisie ter inzage. Gedurende deze periode kan er op beiden rapporten een zienswijzen worden ingediend.
Daarnaast wordt het planMER getoetst door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.). Dit is een door het Rijk ingesteld onafhankelijk adviesorgaan. Tezamen wordt dit meegenomen in de verdere afronding en vaststelling van de Omgevingsvisie.
S. 3
Hoe is dit planMER gemaakt?
Met het planMER wordt inzicht gegeven in: • De staat van en trends in de leefomgeving van Gouda. Dit is de huidige situatie (2020) en de verwachte toekomstige autonome ontwikkeling in 2030 (en waar mogelijk 2040). • De effecten van het nieuwe beleid op de voorziene staat van de leefomgeving in 2030 (en waar mogelijk 2040). • De mate waarin nieuw beleid bijdraagt aan het behalen van de ambities van de Omgevingsvisie (‘doelbereik’). De kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie zijn in beeld gebracht aan de hand van een beoordelingskader. Het beoordelingskader is gebaseerd op de drie lagen van People-PlanetProfit. Per laag zijn de thema’s aangegeven en de daarbij beschouwde indicatoren. Het beoordelingskader vormt de basis voor de ‘foto van de leefomgeving’. In de ‘foto van de leefomgeving’ is de huidige situatie en autonome ontwikkeling (tot 2030) per indicator omschreven. De autonome ontwikkeling is de situatie in 2030 als het huidige beleid wordt voorgezet. Op basis van beschikbare (kwalitatieve) informatie en een per indicator gedefinieerde schaallat is het kwaliteitsniveau (score) toegekend voor de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Het toegekende kwaliteitsniveau is een gemeentebreed beeld.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
5
Open
Voor elke Goudse keuze zijn beleidsuitspraken opgesteld, welke zijn beoordeeld in dit planMER. Op basis van informatie uit de ‘Foto van de leefomgeving’ en de mening van experts is voor elk van de beleidsuitspraken behorende bij de 5 Goudse keuzes, die de basis vormen voor de Omgevingsvisie, in beeld gebracht of er sprake is van een kans op een positief effect, een risico op een negatief effect of geen effect wordt verwacht. Verder is in het planMER beoordeeld in hoeverre het te verwachten is dat het nieuwe beleid bijdraagt aan het halen van de 5 Goudse opgaven (doelbereik). Daarnaast zijn er zogenaamde ‘botsproeven’ uitgevoerd. Hierin is gekeken in hoeverre beleidsuitspraken mogelijk onderling strijdig zijn (botsen) of onderling kansen bieden op versterking. De beleidsuitspraken zijn systematisch met elkaar geconfronteerd in een beoordelingstabel. Een uitgebreide toelichting op de beoordelingsmethodiek is beschreven in hoofdstuk 3 van het planMER.
S.4
De staat van de fysieke leefomgeving
De staat van de fysieke leefomgeving van Gouda is visueel weergegeven in figuur 0-2, zowel voor de huidige situatie (lichte lijn) als voor de autonome ontwikkeling tot 2030 (donkere stippellijn). De huidige situatie laat een wisselend beeld zien. Vooral wat betreft de indicatoren woningaanbod en behoefte, voorzieningenniveau, bodemkwaliteit, biodiversiteit, Natuurnetwerk Nederland, cultureel historisch erfgoed, energiebesparing en grondstoffen en circulariteit staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor. Onder druk staan toerisme en recreatie, gezonde leefomgeving, omgevingsveiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid, droogte, bodemdaling, broeikasgassen, en werkgelegenheid. Op de meeste aspecten is een gelijkblijvende of verbeterende trend te zien voor de autonome ontwikkeling (2030) ten opzichte van de huidige situatie. Voor enkele aspecten is sprake van een autonome verslechterende trend. Dit wil overigens niet zeggen dat er binnen de gemeente geen of onvoldoende aandacht voor is; het wil wél zeggen dat er geen (of onvoldoende) vastgesteld beleid is om negatieve trends naar verwachting te kunnen keren. Hier liggen kansen voor de Omgevingsvisie. Deze aspecten betreffen: voorzieningenniveau, maatschappelijke participatie, landschappelijk-, cultuurhistorisch- en archeologisch erfgoed en grondstoffen en circulariteit.
Aspecten die momenteel (2020) matig scoren en waarbij een gelijkblijvende of verbeterende trend te verwachten is, vragen ook extra aandacht. Deze aspecten betreffen: gezonde leefomgeving, omgevingsveiligheid, sociale en verkeersveiligheid, droogte, bodemdaling, broeikasgassen, duurzame energieopwekking, werkgelegenheid, werklocaties en recreatie en toerisme. Overige aspecten staan minder onder druk of verbeteren autonoom naar verwachting in 2030. Een uitgebreide toelichting op de staat van de fysieke leefomgeving, nu en in de toekomst, is beschreven in hoofdstuk 4 van het planMER.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
6
Open
Figuur 0-2 Staat van de fysieke leefomgeving
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
7
Open
S.5
Beoordeelde beleidsuitspraken
In Tabel 0-1 zijn de beleidsuitspraken uit de Omgevingsvisie opgenomen die beoordeeld zijn in dit planMER. Deze zijn onderverdeeld in de 5 verschillende Goudse keuzes (de keuzes zijn gevisualiseerd in paragraaf 5.1 van het planMER). In bijlage 3 van het planMER is het totaal aan beleidsuitspraken/keuzes opgenomen die zijn beschouwd. Tabel 0-1 Beleidsuitspraken die beMERd zijn Beleidsuitspraken Omgevingsvisie Gouda Beleidsuitspraak
Kern
Florerende stad De toevoeging van 2.300 woningen (bovenop bestaande vastgestelde plannen) door hoger en dichter te bouwen rondom OV-knooppunten. Hiermee wordt een hoogwaardig gemengd stedelijk Slimme groei en functieverande- milieu gecreëerd. Transformatie van leegstand naar nieuwe functies zoals woningen, groen en 1. ring bedrijvigheid die aansluit op de vraag en bijdraagt aan kwaliteitsverbetering. Transformatie naar woningen in de gebieden Spoorzone en Goudse Poort. Cultuurhistorische waarden vormen het startpunt van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
2. Vestigingsklimaat
Ruimte voor moderne en innovatieve bedrijvigheid creëren door slim gebruik van de beschikbare ruimte (clusteren en/of verdichten). Ook blijft er ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid aan huis. Faciliteren van verplaatsing van bedrijvigheid die geen gebruik maken van het water of geldende milieucategorie om ruimte te creëren voor bedrijven met een hoge milieucategorie.
3. Voorzieningen
Onderwijs: Ter aanvulling op de bestaande opleidingen zet Gouda in op de ontwikkeling van een campus met hoger onderwijs om een completer opleidingsaanbod te kunnen bieden.
Duurzame mobiliteit Voor de binnenstad ligt de prioriteit op lopen. In de woonwijken wordt gezocht naar een nieuwe balans van fietsen, wandelen, openbaar vervoer en auto. Het overige stedelijke gebied van Gouda is meer auto-afhankelijk. Het zijn de bedrijventerreinen (langs de snelweg), Westergouwe, en het gebied ten zuiden van de Hollandsche IJssel, waar openbaar vervoer wat verder weg is. Voor Westergouwe wordt wel gewerkt aan zo goed mogelijk openbaar vervoer als relatie met de rest van de stad en de omgeving.
4. Mobiliteitszones
Gezonde groene stad
5.
Groener, blauwer en klimaatadaptief Gouda
Er wordt bekeken waar verhard oppervlak in de openbare ruimte omgezet kan worden naar groen. Als de maatschappelijke en technische ontwikkelingen daar de mogelijkheid voor bieden, willen we overtollige parkeerruimte transformeren tot groen. Tevens versterken en vergroenen van de verbindingen naar groengebieden. Voorwaarde is dat inpassing van groen wordt uitgevoerd in balans met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Regenwater zoveel mogelijk vasthouden zodat het kan infiltreren in de bodem (en wateroverlast kan voorkomen) en een actief grondwaterpeil om droogte tegen te gaan. Gebouwen worden goed geïsoleerd zodat warmte zo lang mogelijk buiten blijft. Groen en water toevoegen aan de openbare ruimte om hittestress tegen te gaan.
Het actief vergroten van de biodiversiteit door uitbreiding van de ecologische oevers die door de stad lopen. Het beschermen en behouden van groene gebieden zoals de Oostpolder en het 6. Natuur en recreatie in evenwicht uitbreiden van natuur- en recreatiegebieden. Daarnaast is er blijvend aandacht voor ecologisch beheer van bermen en wordt bezien hoe dit nog structureler kan worden doorgevoerd.
7. Gezondheid bevorderen
8 september 2021
Het bieden van meer recreatiemogelijkheden in de buitenlucht, zowel binnenstedelijk als aan de rand van de stad (grote groengebieden). Daarbij rekening houdende met mensen die slecht ter been zijn door obstakels uit de openbare ruimte te verwijderen. In de binnenstad van Gouda hebben voetgangers en fietsers prioriteit. Binnen wijken wordt ingezet op het creëren van een integrale aanpak gezonde wijk waarin aandacht is voor leefbaarheid, rust en activering. Tenslotte inzetten op het herkenbaar houden van de hoge belevingswaarden van de verbindingen en routes van de Historische Linten.
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
8
Open
Beleidsuitspraken Omgevingsvisie Gouda Beleidsuitspraak
Kern
Energietransitie
8. Duurzame energieopwekking
In regionaal verband is de ‘Regionale Energie Strategie’ vastgesteld, waarin drie denkrichtingen worden gegeven hoe aan de opgave voor hernieuwbare opwek kan worden voldaan. Die drie denkrichtingen bevatten alle dezelfde basis. In die basis worden zonne-energie en windenergie gecombineerd op plekken die het meest wenselijk en kansrijk zijn. Voor Gouda betekent dat gekeken wordt naar: Daken (bestaand en nieuw), voor de opwekking van zonne-energie De zone langs de A12/A20 en de invalswegen, voor de opwekking van zonne- en windenergie (samen met buurgemeente Waddinxveen). Voor zonne-energie wordt hierbij gekeken vooral naar grote (bedrijfs-)daken en op overkappingen van parkeerterreinen Omdat dit alleen onvoldoende is om aan de totale Goudse ambitie te voldoen, zijn aanvullende oplossingen nodig. Hiervoor wordt gedacht aan één of meer grote locaties om schone energie met zon en/of wind op te wekken, in zogeheten ‘energielandschappen’. Dit wordt verder uitgewerkt in de RES 1.0, Het is hierbij ook de vraag of dit zou moeten landen in Gouda. In de fase van concept-RES naar RES 1.0 zullen de denkrichtingen gebruikt worden bij de uitwerking tot concrete scenario’s. Uiteindelijk zal bij de RES 1.0 een keuze worden gemaakt hoe de regio de opwek gaat vormgeven.
Sterke wijken
9. Passend woningaanbod
Het voorzien in voldoende sociale en middeldure huurwoningen op transformatielocaties in de stad en Westergouwe. Uitgangspunt is een goede mix aan woningtypen per wijk1, zodat er geen wijken ontstaan met een beperkt aantal doelgroepen. Daarnaast focussen op het maken van aantrekkelijke openbare ruimte, die veilig is, die bloeit en uitnodigt tot bewegen.
10. Inclusiviteit
De openbare ruimte zo inrichten dat deze ontmoetingen voor iedereen mogelijk maakt, bijvoorbeeld door buurtcentra te voet beter bereikbaar te maken. Aanwezigheid van commerciële en maatschappelijke voorzieningen in elke wijk.
S.6
Effecten van het voorgenomen beleid
Voor de beleidsuitspraken zoals hierboven beschreven zijn de effecten in beeld gebracht. In bijlage 4 van het planMER is per beoordelingsaspect inzichtelijk gemaakt in hoeverre een beleidsuitspraak kan leiden tot kansen op positieve effecten, dan wel risico’s op negatieve effecten. De resultaten zijn samengevat gevisualiseerd in het Rad van de leefomgeving met behulp van groene (kansen) en rode (risico’s) pijlen ten opzichte van de referentiesituatie (zie Figuur 0-3).
1
De extra woningen die als gevolg van de transformatie beoogd zijn vallen binnen de genoemde 2.300 van beleidsuitspraak nr. 1.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
9
Open
Figuur 0-3 Rad van de leefomgeving met effecten beleidsuitspraken
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
10
Open
Er is onderscheid gemaakt in twee soorten pijlen. Bij de dunne pijlen is het gecumuleerde aantal kansen of risico’s kleiner of gelijk aan 1 of -1, bij dikke pijlen groter dan 1 of -1. Onder de figuur wordt een overallbeeld gegeven in relatie tot de kwaliteitsniveaus van de referentiesituatie. In paragraaf 5.2 van het planMER wordt ook het beeld per uitspraak, thema en beoordelingsaspect toegelicht. Opgemerkt dient te worden dat gezien de beperkte omvang van de beoordeelde beleidsuitspraken (10) de verschillen tussen een ‘overall’ kans op een positief effect dan wel risico op negatief effect soms erg klein zijn. In de ‘Foto van de leefomgeving’ zijn de kwaliteitsniveaus van de beoordelingsaspecten bij autonome ontwikkeling in 2030 in beeld gebracht. Zoals in hoofdstuk 4 van het planMER is beschreven, geldt voor een aantal beoordelingsaspecten dat deze zijn beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘oranje’ en er sprake is van een autonome verslechterende trend. Het is van belang om met beleid deze negatieve trend zo veel als mogelijk te keren. Ten aanzien van kwaliteit en kwantiteit werklocaties laat het beleid een verbetering zien ten opzichte van de autonome situatie.
Het is de verwachting dat als gevolg van het creëren van ruimte voor moderne en innovatieve bedrijvigheid (door slim gebruik te maken van de beschikbare ruimte) zowel de kwaliteit als de kwantiteit van werklocaties toeneemt. De negatieve trend die waarneembaar is bij landschap en cultureel erfgoed wordt naar verwachting als gevolg van o.a. verdichting (woningbouw en bedrijvigheid) en energietransitie niet gekeerd. Omdat cultuurhistorische waarden in de Omgevingsvisie randvoorwaardelijk zijn gesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen is het de verwachting dat het cultuurhistorisch erfgoed niet verder verslechtert als gevolg van het beleid. Wat betreft de beoordelingsaspecten die autonoom reeds een verbetering laten zien geldt dat de Omgevingsvisie voor de thema’s klimaatadaptatie, milieukwaliteit, natuur en biodiversiteit, bodem en energie en grondstoffen meer risico’s op negatieve effecten dan kansen op positieve effecten laat zien. Het risico bestaat dat de Omgevingsvisie de verbeterende trend zoals deze in de autonome ontwikkeling wordt ingezet niet doorzet. Het is hiervoor van belang rekening te houden met de aanbevelingen (zie hoofdstuk 7 van het planMER). Tenslotte geldt voor de overige thema’s (gezondheid, wonen en verstedelijking, sociale samenhang, bereikbaarheid, werkgelegenheid) dat er meer kansen op positieve effecten dan risico’s op negatieve effecten gezien worden.
De verbeterende trend die autonoom waarneembaar is, zal verder doorgezet worden.
S. 7
Doelbereik
Om na te gaan in hoeverre het beleid uit de Omgevingsvisie bijdraagt aan de gestelde (Goudse) opgaven is de mate van doelbereik in beeld gebracht. Voor het doelbereik is eerst bepaald welke indicatoren een raakvlak hebben met de Goudse opgaven (zie Tabel 0-2), waarna de effecten van deze indicatoren per opgave opgeteld zijn (op basis van de effectbeoordeling) tot het aantal kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. Tabel 0-2 Goudse opgaven en bijbehorende beoordelingsaspecten Goudse opgaven
Gerelateerde beoordelingsaspecten
Doorgeven historisch Gouda
Voorzieningenniveau, bodemdaling, landschappelijk erfgoed, archeologisch erfgoed, cultureel erfgoed, recreatie en toerisme
Duurzaam stedelijk ontwikkelen
Groen- en waterbeleving, woningaanbod en behoefte, duurzame woningen, wateroverlast, hitte, droogte, biodiversiteit (gemeentelijke natuur), beschermde soorten, broeikasgassen, grondstoffen en circulariteit
Prettig woon- en leefklimaat bevorderen
Sociale veiligheid, woningaanbod en behoefte, voorzieningenniveau, maatschappelijke participatie, sociale cohesie in buurten, inclusiviteit, economische zelfredzaamheid
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
11
Open
Goudse opgaven
Gerelateerde beoordelingsaspecten
Gezondheid stimuleren
Gezonde leefstijl, gezonde leefomgeving, verkeersveiligheid, luchtkwaliteit, geluid, broeikasgassen, wandel- en fietsnetwerk, openbaar vervoer, duurzame en slimme mobiliteit
Sterke economie en regionale positie be- Voorzieningenniveau, kwantiteit en kwaliteit werklocaties, werkgelegenheid, kennis en inhouden novatie, openbaar vervoer
In Figuur 0-4 zijn het aantal kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten weergeven per opgave uit de Omgevingsvisie. Dit is een cumulatie van kansen en risico’s die geconstateerd zijn voor de betrokken beoordelingsaspecten per opgave.
Figuur 0-4 Het aantal kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten per opgave
Op basis van Figuur 0-4 kunnen de volgende constateringen worden gedaan: • Als gevolg van het beleid opgenomen in de Omgevingsvisie is er bij drie van de vijf opgaven overwegend sprake van kansen waardoor gesteld kan worden dat er bijgedragen wordt aan de geformuleerde opgaven. Bij twee van de vijf opgaven geldt dat er enkel sprake is van kansen, bij drie opgave zijn er naast kansen ook risico’s geconstateerd. • De opgave met de meeste kansen en risico’s is duurzaam stedelijk ontwikkelen. Hierbij geldt dat er (relatief veel) beoordelingsaspecten bij betrokken zijn die in de effectbeoordeling veel kansen of risico’s laten zien. Dit betreft onder meer ‘’groen- en waterbeleving’, ‘woningaanbod en behoefte’ en ‘voorzieningenniveau’ waarbij sprake is van veel kansen op positieve effecten. De beoordelingsaspecten die veel risico’s op negatieve effecten laten zien hebben met name betrekking op het onder druk staan van biodiversiteit en beschermde soorten, maar ook wateroverlast en hitte. • Als gevolg van het nieuwe beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie is er voor één (Doorgeven historisch Gouda) van de vijf opgaven sprake van meer risico’s op negatieve effecten dan kansen op positieve effecten. Voor deze opgaven geldt dat er gekeken dient te worden in hoeverre risico’s gemitigeerd kunnen worden zodat opgaven alsnog behaald kunnen worden.
In paragraaf 5.3.3 van het planMER wordt het doelbereik per opgave nader toegelicht.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
12
Open
S.8
Botsproeven
Middels botsproeven zijn de verschillende beleidsuitspraken onderling met elkaar vergeleken. De Omgevingsvisie wil de verschillende thema’s in onderlinge samenhang bezien. Om grip te krijgen op de haalbaarheid van de doelen zijn de beleidsuitspraken op hoofdlijnen tegenover elkaar gezet en is benoemd of er sprake is van synergie dan wel mogelijke tegenstrijdigheden. De beleidsuitspraken zijn hieronder met elkaar vergeleken (Tabel 0-3). Het beleid omvat hoofdzakelijk kansen voor synergie. Er zijn zeven tegenstrijdigheden geconstateerd. In Tabel 0-3 zijn per ontwikkelrichting de belangrijkste conclusies opgesomd. Mede op basis hiervan zijn in de conclusies aanbevelingen gedaan om negatieve effecten bij tegenstrijdigheden te beperken in vooral de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie en bijbehorende instrumenten.
Groener en klimaatadaptief Gouda
6
Natuur en recreatie
7
Gezondheid bevorderen
8
Duurzame energieopwekking
9
Passend woningaanbod
Inclusiviteit
5
Passend woningaanbod
Mobiliteitszones
Duurzame energieopwekking
4
Gezondheid bevorderen
Voorzieningen
Natuur en recreatie
3
Groener en klimaatadaptief
Vestigingsklimaat
Mobiliteitszones
2
Voorzieningen
Slimme groei en functieverandering
Vestigingsklimaat
1
Slimme groei en functieverandering
Tabel 0-3 Botsproeven tussen ontwikkelrichtingen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
+/-
+/-
0
+/-
0
+
+
+
+
+
0
+/-
0
0
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+
0
0
0
+
+
0
0
0
+
0
0
0
0
0
+
0
0 0
10 Inclusiviteit
Legenda +
Kansen op synergie
-
Risico op tegenstrijdigheden
+/-
Zowel kansen op synergie als risico’s op tegenstrijdigheden
0
Geen effectrelatie voorzien
Zoals in bijlage 4 van het planMER zichtbaar is, omvat het beleid hoofdzakelijk kansen voor synergie. Er zijn vier tegenstrijdigheden geconstateerd (zie aantal -en in Tabel 0-3). Figuur 0-5 geeft het totaalbeeld van de risico’s op conflicten en kansen op synergie per beleidsuitspraak. In paragraaf 5.4 van het planMER is
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
13
Open
een uitgebreide beschrijving van de vergelijking van de beleidsuitspraken opgenomen. Om een beeld te geven van mogelijke synergie en risico’s, zijn hieronder 2 voorbeelden beschreven. Een voorbeeld van een kans voor de versterking van het vestigingsklimaat is de realisatie van een Campus voor het hoger onderwijs (voorzieningen). Een voorbeeld van een risico bij verdichting van bedrijventerreinen (verbeteren vestigingsklimaat) zijn conflicterende ruimteclaims met andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals groen (Groener en klimaatadaptief Gouda), duurzame energieopwekking en voorzieningen.
Figuur 0-5 Botsproeven beleidsuitspraken
S.9
Passende beoordeling
Omdat het op voorhand niet is uitgesloten dat het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie een (significant) negatief effect veroorzaakt op Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling opgesteld. Deze is onderdeel van dit planMER en opgenomen in Bijlage 2. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies samengevat. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 2 van het planMER. Voor Natura 2000-gebieden die binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat er negatieven effecten kunnen optreden. Hierdoor zijn in de passende beoordeling de effecten op 2 Natura 2000-gebieden beoordeeld: Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (aangrenzend aan de gemeentegrens) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (op circa 8 kilometer van de gemeentegrens). Enkele beleidsuitspraken van de Omgevingsvisie kunnen een risico hebben op significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen. Bij de verdere uitwerking van het nieuwe beleid moet integraal aandacht zijn voor ontwikkelingen die kunnen leiden tot een verhoogde milieudruk binnen Natura 2000-gebieden.
Door een integrale aanpak en de projectscope van een ontwikkeling zo in te steken dat ook maatregelen om stikstofdepositie te verminderen worden betrokken bij de ontwikkeling (interne saldering) kan een significant negatief effect voorkomen worden. Ook is aandacht
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
14
Open
nodig voor de uitwerking van de opgave om duurzame energie op te wekken. Aanvaringsslachtoffers onder vogels van omliggende Natura 2000-gebieden, zoals Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein kan een risico op significant negatieve effecten veroorzaken. Dit is echter met een doordachte locatieafweging, opstelling en eventueel stilstandvoorziening te voorkomen. Daarmee zijn de getoetste beleidsuitspraken uit de Omgevingsvisie in principe uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel Natura 2000). Tabel 0-4 Beleidsuitspraken uit de Omgevingsvisie met een risico op een significant negatief effect Nr
Wat
Invloed op Natura 2000
Risico’s op negatief effect
Aandachtpunten bij nadere uitwerking beleid (mitigatie)
Eindbeoordeling
Florerende stad Er kan sprake zijn van een toe- Ja, klein risico op signiname in stikstofdepositie als geficant negatief effect Ontsluit het gebied zo veel als mogelijk Slimme volg van een verkeersaantrekdoor stikstofdepositie op (snel)fietsroutes en OV, zodat er zo (Significant) negroei en 1 kende werking. Het Natura 2000- op Nieuwkoopse Plas- min mogelijk toename plaatsvindt van gatief effect is functievergebied Nieuwkoopse Plassen & sen & De Haeck van- het aantal vervoers-bewegingen met de te voorkomen. anderingen De Haeck is gevoelig voor stikwege de relatief grote auto. stofdepositie. afstand. Bij de uitwerking van dit beleid moet kritisch gekeken worden naar de ligging, Door uitbreiding bedrijventerrein ontsluitings-routes en type bedrijvigheid mogelijk een toename in stikstof- Ja, groot risico op signiom zo de invloed op het Natura 2000depositie (o.a. als gevolg van ver- ficant negatief effect (Significant) neVestigingsgebied zoveel mogelijk te beperken. 2 keers-aantrekkende werking). Het door stikstofdepositie gatief effect is klimaat Saldering met ander beleid voorkomt Natura 2000-gebied Nieuwop Nieuwkoopse Plaste voorkomen. mogelijk een toename aan stikstofdepokoopse Plassen & De Haeck is sen & De Haeck. sitie. Een andere optie is extern saldegevoelig voor stikstofdepositie. ren met andere stikstofbronnen zoals veehouderijen.
Energietransitie Er kan sprake zijn van verstoring en aanvaringsslachtoffers onder Ja, groot risico op signiOnderzoek naar de vliegbewegingen met name vogels nabij het Natura ficant negatief effect van vogels is nodig. Op basis daarvan 2000-gebied Broekvelden, Vet- door verstoring en aanDuurzame moet een zorgvuldige locatiekeuze en (Significant) netenbroek & Polder Stein en in varingsslachtoffers on8 energieopkeuze voor aantal/typen windturbines gatief effect is mindere mate nabij Nieuwkoopse der met name vogels wekking gebaseerd worden. Aanvaringsslachtof- te voorkomen. plassen & De Haeck. Energie op- nabij Broekvelden, Vetfers kunnen daarnaast voorkomen worwek door zon-op-dak heeft geen tenbroek & Polder den door stilstandvoorzieningen. invloed op Natura 2000-gebieStein. den.
S.10 Conclusies, aandachtspunten en aanbevelingen De ‘Foto van de leefomgeving’ beschrijft de referentiesituatie van beoordelingsaspecten opgenomen in het planMER. Meerdere beoordelingsaspecten scoren in de referentiesituatie niet voldoende. Voorbeelden van beoordelingsaspecten zijn kwaliteit en kwantiteit werklocaties en cultuurhistorisch erfgoed. Er zijn echter ook veel beoordelingsaspecten waar een verbeterende trend te zien is, veelal als gevolg van reeds ingezet beleid (bijvoorbeeld op het gebied van bereikbaarheid en klimaatadaptatie). De Omgevingsvisie kent op de meeste thema’s nieuw beleid waarmee getracht wordt de referentiesituatie te beschermen of te verbeteren. Dit uit zich in kansen op positieve effecten op verschillende beoordelingsaspecten (zie groene pijlen Figuur 0-3). Als gevolg van het beleid opgenomen in de Omgevingsvisie wordt overwegend positief bijgedragen aan drie van de vijf hoofddoelen, dit zijn prettig woon- en leefklimaat bevorderen, gezondheid stimuleren en sterke economie en regionale positie behouden. Voor de overige twee 8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
15
Open
hoofddoelen (duurzaam stedelijk ontwikkelen en doorgeven historisch Gouda) en geldt ook hier sprake is van kansen op positieve effecten maar daarnaast ook substantieel veel risico’s op negatieve effecten. Aan de andere kant zijn er ook diverse risico’s geconstateerd (zie rode pijlen Figuur 0-3). De risico’s hangen voornamelijk samen met mogelijke negatieve effecten op natuur en biodiversiteit, milieukwaliteit, klimaatadaptatie en energie en grondstoffen. Hiervoor zijn diverse aandachtpunten en aanbevelingen geformuleerd die kunnen worden meegenomen bij het verder aanscherpen van de Omgevingsvisie, dan wel bij de uitwerking in het Omgevingsplan of Omgevingsprogramma. In onderstaande Tabel 0-5 zijn de aandachtspunten en aanbevelingen weergegeven, ook wel mitigerende maatregelen. In figuur 0-6 zijn deze ruimtelijk op kaart geduid. Een belangrijke kanttekening is dat de Omgevingsvisie beleid op hoofdlijnen formuleert. De effecten zijn mede afhankelijk van de manier waarop dit beleid uiteindelijk wordt uitgewerkt. Om dat met zo weinig mogelijk negatieve effecten te kunnen laten gebeuren zijn goede stedenbouwkundige analyses en gebiedsprogramma’s nodig, mede als onderbouwing van het omgevingsplan. Enkele beleidsuitspraken van de Omgevingsvisie kunnen daarnaast een risico hebben op significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden.
Bij de verdere uitwerking van het nieuwe beleid moet integraal aandacht zijn voor ontwikkelingen die kunnen leiden tot een verhoogde milieudruk binnen Natura 2000gebieden. Door een integrale aanpak en de projectscope van een ontwikkeling zo in te steken dat ook maatregelen om stikstofdepositie te verminderen worden betrokken bij de ontwikkeling (interne saldering) kan een significant negatief effect voorkomen worden. Daarmee zijn de getoetste beleidsuitspraken uit de Omgevingsvisie in principe uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel Natura 2000-gebieden). Tabel 0-5 Aanbevelingen/mitigerende maatregelen vanuit planMER (zie figuur 0-6 voor locatie) Beleidsuitspraak
Kans, risico en/of effect
Waar verwerkt/meegenoMitigerende maatregel (aandachtspun- men? (genoemde paragraten en aanbevelingen) ven betreffen de paragraven in de Omgevingsvisie)
1: Houdt bij herontwikkeling in het stedelijk gebied rekening met voldoende maat- 1: Dit heeft (meer) aandacht regelen voor afvoer van water en vergekregen in §7.3 van de vigroening (bv groene daken, aanplant bo- sie, in een nieuwe sub-paramen, ed). graaf over water 2: Daarnaast kunnen er bouweisen ge- 2: Dit kan worden meegeno1. Klimaatadaptatie: Als gevolg van versteld worden aan nieuwbouw, deze kun- men in de nader op te stellen dichting kan hittestress en wateroverlast nen opgenomen worden in de vergunOmgevingsplannen (maar is ontstaan en nemen de gevolgen bij een ningseisen. te gedetailleerd voor de Omeventuele overstroming toe. 3: Door gebouwen op een bepaalde ma- gevingsvisie) nier te ontwerpen kan er bijvoorbeeld 3: Is als aandachtspunt opge‘’Slimme groei en meer wind het gebied in wat een verkoenomen in §7.3 van de visie functieverandelend effect heeft of kunnen gebouwen op en kan in Omgevingsplannen ring’’ (nr. 1) en een natuurlijke manier gekoeld worden. nader worden uitgewerkt ‘’vestigingskli4: Autonoom wordt er door de gemeente 4: Klopt, en dit stond reeds in maat’ (nr. 2) reeds ingezet op een te hanteren groen- §7.3 norm van 15% bij nieuwbouw (zie par 3.3. Foto van de leefomgeving). 2.
Milieukwaliteit: Als gevolg van verdich- Stimuleer het gebruik van OV en stil ver- Dit staat reeds in §7.2 van de ting met woningen en bedrijven ontstaat voer (fiets, e-bike) en zet in op een auto- visie en is de essentie van de een toename van verkeer. Dit heeft een luw/lage parkeernorm om autogebruik te transitie-strategie: meer OV, negatieve weerslag op luchtkwaliteit en verminderen. In de Omgevingsvisie wordt dus verdichting en transitie geluidhinder. Als gevolg van inbreiding ter reeds ingezet op e-hubs. Focus hierbij op bij voorkeur rondom OV-knohoogte van het spoor kan de mate van tril- de locaties waar verdichting verwacht pen (CS, Goverwelle en grolingshinder toenemen. wordt. tere buslijnen)
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
16
Open
Beleidsuitspraak
Kans, risico en/of effect
Waar verwerkt/meegenoMitigerende maatregel (aandachtspun- men? (genoemde paragraten en aanbevelingen) ven betreffen de paragraven in de Omgevingsvisie)
3. Natuur en biodiversiteit: Toename van woningen en bedrijven gaat als gevolg van een verkeersaantrekkende werking Een natuurinclusieve uitwerking van dit veelal gepaard met een toename van stikIn §7.3 van de visie is (nu beleid, waarbij verblijfplaatsen en leefgestofdepositie. Natura 2000-gebied Nieuwnog meer) aandacht besteed bieden worden gerealiseerd biedt kansen koopse Plassen & De Haeck is zeer geaan dit onderwerp: groener voor soorten van stedelijk gebied. Ook de voelig voor stikstofdepositie. Als gevolg maken van de bestaande inrichting en het beheer van groene gevan de beoogde inbreiding is de toename verstedelijkte gebieden, bieden dient hierbij betrokken te worden. van woningen echter relatief beperkt in groen houden van groengeOm de gevolgen van stikstofdepositie te omvang. Verdichting in het stedelijk gebieden, natuurvriendelijk bebeperken of op te heffen liggen de grootbied genereert risico’s voor beschermde heer van groen etc. ste kansen in interne/externe saldering soorten zoals gebouwbewonende vogels met andere stikstofbronnen. en vleermuizen en biodiversiteit in zijn algemeenheid door het verdwijnen van groene elementen. 1: Heeft aandacht in §7.1, en 1: Randvoorwaarden stellen aan de ruim- kan in Omgevingsplannen (in telijke kwaliteit van moderne en innova- bijv.
vorm van ‘kavelpaspoort’ tieve bedrijventerreinen, zodat bestaande of beeldkwaliteitsplan nader, landschappelijke en cultuurhistorische en specifiek per locatie, worwaarden (zoals bijvoorbeeld erfgoed) zo den uitgewerkt). 4. Landschappelijk en cultuurhistorisch min mogelijk worden aangetast. 2: Dit is reeds onderdeel van erfgoed: Risico op mogelijke verstoring 2: Om behoud van archeologische waar- het bestaande beleid. In de van archeologische waarden bij verdich- den in situ (in de bodem) te garanderen Omgevingsvisie is aangegeting. Kans op versterking van cultuurhisto- is er op voorhand meer archeologisch ven dat een integrale Bodemrische waarden doordat dit randvoorwaar- onderzoek nodig en mogelijk opgravin- visie meerwaarde zou hebdelijk is voor hoogwaardig gemengd ste- gen (ex situ) om archeologische waarden ben (de uitwerking daarvan delijk milieu. te behouden. valt buiten de reikwijdte van 3: Door archeologisch onderzoek op de Omgevingsvisie) voorhand een vast onderdeel te laten zijn 3: Dit is inderdaad het voor(voor besluitvorming) kunnen archeolo- stel dat wordt gedaan in §7.3, gische waarden zoveel mogelijk behou- door tijdig en integraal bodem den blijven. (in al z’n aspecten) bij planvoorbereiding te betrekken.
1: Stimuleer het gebruik van OV en stil 1: Stimuleren van OV en fiets vervoer (fiets, e-bike) en zet in op een maakt reeds deel uit van de autoluw/lage parkeernorm om autogemobiliteitsstrategie (o.a. verbruik te verminderen. dichten rondom stations, 5. Energie en grondstoffen: 2: Toename van energieverbruik kan STOMP en aanleg eHubs Risico op toename van uitstoot broeikas- voorkomen worden door concrete voor- etc. (zie §7.2 Omgevingsvigassen als gevolg van toename auto en waarden en eisen aan nieuwe kantoren, sie) transportbewegingen en gebouwen. Risico voorzieningen en woningen te verbinden 2: Dit is bestaand (rijks-)beop toename energieverbruik en restafval op het gebied van energiezuinig bouwen. leid / BENG en wordt derdoor toename van bedrijvigheid en toe3: De Omgevingsvisie gaat beperkt in op halve meegenomen bij uitname gebouwen. afvalscheiding. Om een toename van de werking van het beleid. hoeveelheid (rest)afval te voorkomen 3: Dit is toegevoegd in de kunnen aan de voorkant randvoorwaar- Omgevingsvisie bij o.a. nut den gesteld worden. Bv. het opnemen en noodzaak van een intevan randvoorwaarden in de verordening grale bodemvisie/ -aanpak (in
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
17
Open
Beleidsuitspraak
Kans, risico en/of effect
Waar verwerkt/meegenoMitigerende maatregel (aandachtspun- men? (genoemde paragraten en aanbevelingen) ven betreffen de paragraven in de Omgevingsvisie) zoals circulair inkopen en het stellen van §7.3). Ook in §5.2, rondom eisen aan horeca (bv t.a.v. het gebruik Duurzame stedenbouw, is van herbruikbare materialen of het ge(al) aangeven dat de gebruik van één type materiaal in producten meente streeft naar een zo zodat scheiding niet nodig is). Aan de circulair mogelijke economie achterkant kan de gemeente invloed uit- en bouwwijze. oefenen door afvalinzameling te bundelen en daar eisen aan te stellen.
Om verslechtering van de verkeersveiligDe strategie van het VCP 6. Veiligheid: Risico op afname verkeers- heid te voorkomen kunnen mitigerende wordt gevolgd en overgenoveiligheid door toename verkeersbewegin- maatregelen getroffen worden. Hierbij men in de Omgevingsvisie gen als gevolg van woningbouw en bedrij- valt te denken aan het duidelijk scheiden (zie o.a. §7.2). Nadere uitvigheid. Risico omgevingsveiligheid door van langzaam verkeer van gemotoriseerd werking vindt plaats in het toename kwetsbare gebouwen (woningen) verkeer om de kans op een ongeval tusVCP en de Omgevingsplanin gebieden nabij het spoor en wegen. sen deze verkeersdeelnemers te verkleinen. nen. Daarnaast kan de maximale snelheid in woongebieden verlaagd worden. 7.Wonen en verstedelijken: Kans voor Om deze kans te verzilveren dienen Dit heeft meer aandacht gepassend woningaanbod; het voorzien in voorwaarden gesteld te worden om te kregen nu (zie §7.1.1 van de voldoende sociale en middeldure huurwo- voorkomen dat in en nabij de stad enkel Omgevingsvisie). ningen, op transformatielocatie in de stad wordt ingezet op het hogere segment woen aan Westergouwe. ningen. De inpassing van de windenergieopgave is uitgewerkt in de RES 1.0. De RES 1.0 In de Omgevingsvisie wordt wordt gevolgd door een RES 2.0. Gekoppeld aan het RES-traject wordt mogelijk een inderdaad nu slechts deels planMER opgesteld.
Aangezien de effecten van de windturbines in dit separate tra- ingegaan om mogelijkheden ject reeds worden meegenomen heeft effectbeoordeling van deze uitspraak alleen voor duurzame/ minder enerop hoofdlijnen, passend bij het detailniveau van de visie, plaatsgevonden. Geadvi- gie, i.v.m. het nog lopende seerd wordt om in het planMER voor de RES een verdere verdieping plaats te laten RES-traject. Wel is opgenovinden van de effectbeschrijving zoals onderstaand uitgelicht. men dat sowieso wordt ingezet op zonnepanelen op m.n. daken en zonne- en windenergie-winning langs hoofdinfra (A12/A20 en invalswegen). Bij de verdere uitwerking van dit beleid in de RES is het nodig om onderzoek uit te voeren naar de vliegbewegingen van voDuurzame ener- 8. Natuur en biodiversiteit: gels en vleermuizen en de gevoelighegieopwekking Mogelijk risico negatieve effecten Natura den van de weidevogelgebieden en (nr. 8) 2000-gebied en NNN als gevolg van aanNNN. Op basis daarvan moet een zorgvaringsslachtoffers onder vogels. Risico vuldige locatiekeuze en keuze voor aanDit wordt meegenomen in de aantasting beschermde soorten en biodital/typen windturbines gebaseerd worplanMER van de RES en in versiteit (vleermuizen en vogels). den. Aanvaringsslachtoffers kunnen de uitwerking van de omgedaarnaast voorkomen worden door stilvingsplannen. Deze raadgestandvoorzieningen.
vingen zijn toegevoegd aan de Omgevingsvisie. 9. Cultureel erfgoed: Risico op aantasting van cultuurhistorisch erfgoed (in binnenstad) door aanleg o.a. zonnepanelen op daken.
Houdt bij energietransitie rekening met (beschermd) cultureel erfgoed.
Plaats turbines op afstand van gevoelige 10. Geluid en omgevingsveiligheid: Riobjecten (zoals woningen en locaties sico’s voor geluidshinder en veiligheid als waar vervoer of opslag van gevaarlijke gevolg van bladbreuk. stoffen (b.v. tankstation) plaatsvindt.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
18
Open
Figuur 0-6 Ruimtelijke duiding van belangrijkste kansen en risico’s gerelateerd aan de aanbevelingen
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
19
Open
S.11 Wat gebeurt er na dit planMER? De nieuwe Omgevingswet stelt monitoring en evaluatie van het beleid verplicht om in beeld te krijgen of de uitwerking van het beleid (de Omgevingsvisie) daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Periodiek wordt er middels een terugkoppeling nieuwe input geleverd voor de beleidsontwikkeling wat kan leiden tot voortzetting of bijsturing van het beleid. Door monitoring en evaluatie ontstaat een gesloten beleidscyclus. Figuur 0-7 geeft de beleidscyclus weer. Deze beleidscyclus en de toepassing voor de Omgevingsvisie Gouda is als volgt: 1) In de beleidsontwikkeling wordt de Omgevingsvisie opgesteld, deze stap wordt met vaststelling van de Omgevingsvisie Gouda voltooid; 2) In de beleidsdoorwerking worden de uitspraken uit de Omgevingsvisie verder geconcretiseerd in, bijvoorbeeld, uitvoeringsprogramma’s en omgevingsplannen. Hierbij vormt de Omgevingsvisie het afwegingskader voor verdere uitwerking. Dit wordt uitgebreid beschreven in paragraaf 8.1 van het planMER; 3) Tijdens de uitvoering worden de concrete besluiten en/of regels en ander instrumentarium toegepast; 4) In de terugkoppeling wordt door monitoring en evaluatie gereflecteerd op behaalde resultaten waarna deze op basis van hun betekenis input vormen voor een nieuwe beleidscyclus. De Omgevingsvisie Gouda heeft geen vastgelegde looptijd.
De gemeente houdt de visie actueel door deze na ca. 5 jaar (ca. 1 jaar voorafgaand op mogelijke actualisatie van de Omgevingsvisie) tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen (en waar nodig inclusief planMER). Hierbij wordt ook gekeken naar de uitvoering via het omgevingsprogramma. Dit wordt uitgebreid beschreven in paragraaf 8.2 van het planMER. Geadviseerd wordt om de volgende stappen te doorlopen voor het monitorings- en evaluatieprogramma: • Stap 1: Welke ontwikkelingen hebben plaats gevonden sinds de vorige check? • Stap 2: Vallen de milieugevolgen van deze ontwikkelingen binnen de acceptabel geachte grenzen? Hiervoor wordt aangesloten bij de in dit MER beschouwde beoordelingssystematiek. • Stap 3: Moeten mitigerende / aanvullende maatregelen worden getroffen om de milieugevolgen acceptabel te houden of te krijgen? • Stap 4: Zijn de doelen nog realistisch en voldoen de gestelde kaders nog of zijn ze te ruim of juist te knellend? Is er aanleiding voor bijstellen van de bestuurlijke aanpak? • Stap 5: Geeft het omgevingsplan/omgevingsprogramma aanleiding om de Omgevingsvisie bij te stellen?
Figuur 0-7 Beleidscyclus Omgevingswet [Aandeslagmetdeomgevingswet.nl, 2020]
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
20
Open
1
Inleiding: waarom een Omgevingsvisie en planMER?
Dit hoofdstuk beschrijft waarom een Omgevingsvisie wordt opgesteld (paragraaf 1.1) en daaraan gekoppeld een plan-m.e.r. procedure wordt doorlopen (paragraaf 1.2). De stappen van de m.e.r.-procedure zijn nader toegelicht (paragraaf 1.3) en het hoofdstuk sluit af met een leeswijzer (paragraaf 1.4).
1.1
Omgevingsvisie Gouda
De gemeente Gouda staat voor uitdagingen op het gebied van o.a. woningbouw, mobiliteit, gezondheid, klimaatadaptatie en energietransitie die van invloed zijn op de omgeving waarin we leven. Uitdagingen liggen er niet alleen op de lange termijn, maar ook al in de komende jaren. De gemeente Gouda werkt aan het opstellen van de Omgevingsvisie Gouda, waarin de ruimtelijke keuzes worden gemaakt om dergelijke vraagstukken gezamenlijk op te pakken. In de Omgevingsvisie wordt de langetermijnvisie van de gemeente beschreven op de toekomstige ontwikkeling van de stad. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Gouda liggen, en op welke manier de gemeente daarmee om wil gaan. Aan de Omgevingsvisie worden concrete uitwerkingen ‘gehangen’ in de vorm van programma’s of andere instrumenten. Deze uitwerkingen zijn doorvertalingen van het relatief abstracte lange termijnbeleid van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie geeft richting aan het gebiedsdekkende Omgevingsplan.
1.2
Waarom een planMER/OER?
M.e.r. staat voor milieueffectrapportage, een instrument om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig mee te nemen in de (ruimtelijke) plan- en besluitvorming rondom een voorgenomen activiteit. De inhoud van de Omgevingsvisie bepaalt of het verplicht is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Dit is wettelijk geregeld in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. 1994, waarin de Europese regelgeving over milieueffectrapportages is geïmplementeerd. De regelgeving voor het uitvoeren van een m.e.r. wordt vanuit de Wet milieubeheer overgenomen in de Omgevingswet. Omdat de Omgevingsvisie Gouda een kader vormt voor toekomstige besluiten over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het milieu (m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten), is het verplicht om een planMER op te stellen. Dergelijke besluiten betreffen bijvoorbeeld de bouw van woningen of de aanleg van bedrijfslocaties (stedelijk ontwikkelingsprojecten). Verder wordt voor de Omgevingsvisie Gouda een ‘passende beoordeling’ in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit gebeurt omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat als gevolg van de strategische keuzes in de Omgevingsvisie significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden. In de Wet milieubeheer is bepaald dat de plan-m.e.r.-procedure ook moet worden doorlopen voor plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is.
Zowel vanuit Besluit-m.e.r. als de Wet natuurbescherming geldt dus de verplichting voor het opstellen van een planMER. Dit planMER kan tevens beschouwd worden als een omgevingseffectrapport (OER), omdat het onderzoek breder kijkt dan alleen milieuaspecten. Bij de uitwerking van de Omgevingsvisie heeft de gemeente ingezet op een geïntegreerd proces met interactie tussen het uitwerken van de Omgevingsvisie en het opstellen van het planMER. De Omgevingsvisie beschrijft het beleid, wat de ambities zijn en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen. Het planMER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving, de gevolgen van het beleid op de leefomgeving, en of het beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities. De interactie bestaat uit regelmatige wederzijdse
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
21
Open
terugkoppeling tussen de beleidsontwikkeling aan de ene kant (Omgevingsvisie), en de gevolgen ervan voor de leefomgeving aan de andere kant (m.e.r.). Aanscherpingen in het beleid hebben plaatsgevonden op basis van de ‘Foto van de leefomgeving’ en de effectanalyses. Op deze manier is de m.e.r. gebruikt om het beleid aan te scherpen en keuzes te maken.
1.3
De m.e.r.-procedure
De m.e.r.-procedure verloopt de volgende wettelijke stappen, en is juridisch gekoppeld aan de planprocedure van de Omgevingsvisie. Dit betekent dat het planMER gelijktijdig met de ontwerp-Omgevingsvisie in procedure wordt gebracht: 1. Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag [juli 2020]: De m.e.r.-procedure is gestart met de bekendmaking van het voornemen via een openbare kennisgeving en publicatie van de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) op 1 juli 2020. 2. Raadplegen betrokken instanties over reikwijdte en detailniveau van het planMER en vaststellen reikwijdte en detailniveau [zomer 2020]: Bij de planvorming betrokken bestuursorganen en organisaties zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER2. In de periode 2 juli tot en met 12 augustus 2020 kon eenieder de NRD raadplegen en zienswijzen indienen. Er zijn reacties gekomen van GGD, politie, TenneT en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Aan de indieners is één op één teruggekoppeld op welke wijze de zienswijzen worden meegenomen in het planMER. 3. Opstellen planMER, passende beoordeling en ontwerp-Omgevingsvisie [najaar 2020-medio 2021]: Het planMER en de passende beoordeling zijn opgesteld parallel aan en in interactie met de ontwerp-Omgevingsvisie. 4.
Ter inzage leggen planMER en ontwerp-Omgevingsvisie [najaar 2021]: Het planMER (inclusief passende beoordeling) wordt samen met de ontwerp-Omgevingsvisie zes weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft in deze periode de gelegenheid om zienswijzen in te dienen. De Commissie voor de m.e.r. toetst in deze periode de kwaliteit van het planMER, en beoordeelt of de juiste informatie is gebruikt om een besluit over de Omgevingsvisie te kunnen nemen. 5. Besluit en vervolg [eind 2021- begin 2022]: De Omgevingsvisie en het planMER worden vastgesteld door bevoegd gezag: de gemeenteraad van de gemeente Gouda.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de Omgevingsvisie op hoofdlijnen en gaat o.a. in op de totstandkoming van de visie en de Goudse waarden, de integrale hoofdopgaven en de keuzes. Hoofdstuk 3 beschrijft het beoordelingskader dat in dit planMER is gebruikt om de referentiesituatie en de alternatieven te toetsen op hun effecten op de leefomgeving. Hoofdstuk 4 gaat in op de staat van de leefomgeving in de huidige situatie en met autonome ontwikkelingen tot 2030. De effectbeoordeling, de mate van doelbereik en de botsproeven zijn beschreven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies van de passende beoordeling. Hoofdstuk 7 gaat in op de conclusies en geeft de aandachtspunten en aanbevelingen mee. En ten slotte is het vervolgproces na het planMER beschreven in hoofdstuk 0. 2
Aan de hand van de NRD heeft het bevoegd gezag de volgende bestuursorganen en instanties geraadpleegd over de inhoud van de NRD: Provincie Zuid-Holland, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, gemeente Krimpenerwaard, gemeente Waddinxveen, gemeente Zuidplas, Hoogheemraadschap van Schieland en de polder Stolwijkersluis, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Hoogheemraadschap van Rijnland, Veiligheidsregio Hollands Midden en GGD Hollands Midden. 8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
22
Open
2
Waar gaat de Omgevingsvisie over?
Dit hoofdstuk gaat nader in op de Omgevingsvisie Gouda. Het beschrijft welk beleid wordt geïntegreerd (paragraaf 2.1), hoe de visie tot stand is gekomen (paragraaf 2.2), en wat de Goudse waarden, opgaven en keuzes zijn (paragraaf 2.3). Het hoofdstuk sluit af met een toelichting van de samenhang met andere kaders (paragraaf 2.4).
2.1
Integratie beleidsvisie
De gemeente Gouda moet als lokale overheid op den duur de Omgevingswet implementeren. De Omgevingswet gaat 26 wetten en regels voor erfgoed, infrastructuur, milieu en water vervangen. De Omgevingswet verplicht alle gemeenten om een Omgevingsvisie op te stellen over de toekomst van het gebied, en die door de gemeenteraad te laten vaststellen. In de Omgevingsvisie Gouda wordt de focus gelegd op: 1. Het effect van het huidige beleid op de fysieke leefomgeving 2. Datgene – in die fysieke leefomgeving – wat we het meest waardevol vinden, en dat bescherming bieden 3. Transities die nog veel energie vergen om een succes te worden (bijvoorbeeld Klimaatadaptatie, Energietransitie en Gezonde stad) 4. Een integrale afweging 5. Een langetermijnperspectief Verscheidene bestaande beleidsnota’s gaan op in de Omgevingsvisie. Het integrale karakter van de Omgevingsvisie moet leiden tot meer samenhang in beleid. De Omgevingsvisie maakt het mogelijk om opgaven bij elkaar te brengen, en dilemma’s in ruimtegebruik integraal af te wegen. Ingrepen in het beheer van de openbare ruimte, groen, en de ontwikkeling van woningbouw worden bijvoorbeeld verbonden met sociale en ruimtelijke onderwerpen, zoals gezondheid, sociale veiligheid, inclusiviteit, klimaatadaptatie en energietransitie.
Gezondheid en veiligheid zijn thema’s die in de Omgevingswet een prominentere plek krijgen dan in de nu geldende wetten en regels, of we in (bijv.) Structuurvisies gewend waren.
2.2
Totstandkoming Omgevingsvisie Gouda
De start van de Omgevingsvisie lag bij de in 2018 en 2019 opgestelde Toekomstvisie ‘Gouda Ligt Goed!’, waarin de gewenste stad van de toekomst is geschetst. Vele Gouwenaren hebben geparticipeerd bij het opstellen van de Toekomstvisie Gouda. Op basis van stakeholderparticipatie onder de Goudse bevolking is opgehaald waar men voor de stad de meeste waarde aan hecht; de kernkwaliteiten van Gouda. In de Toekomstvisie zijn vier transities beschreven die Gouda op zich af ziet komen. Samen met de Gouwenaren zijn in de Toekomstvisie vervolgens vier ambities voor de toekomstige ontwikkeling van Gouda benoemd. Vanuit de Toekomstvisie zijn in de Omgevingsvisie de vijf Goudse waarden afgeleid. De essentie van deze waarde worden in deze Omgevingsvisie beschermd of verder ontwikkeld in de beoogde richting. Daarnaast heeft een uitgebreide inventarisatie van bestaande beleidsstukken in het fysieke domein plaatsgevonden, en ook van beleid over o.a. klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, gezondheid en inclusiviteit. Bij veel gemeentelijk beleid over diverse onderwerpen is door Gouwenaren geparticipeerd, zoals recent over het beleidskader Sociaal Domein en het project Stevige Stad. Ook is er de jaarlijkse stadspeiling, waar meer dan 2.000 Gouwenaren aan meedoen. De resultaten hiervan zijn meegenomen bij het opstellen van de Omgevingsvisie.
8 september 2021
PLANMER OMGEVINGSVISIE GOUDA
BG8638TPRP2008261433
23
Open
Met als basis de Goudse waarden hebben we vijf integrale Goudse opgaven geformuleerd. De opgaven beschrijven met welke uitdagingen en kansen de gemeente Gouda te maken krijgt in de toekomst. Samen vormen ze de ‘agenda’ voor deze Omgevingsvisie. Hoe de ambities moeten worden gerealiseerd en tegelijkertijd de waarden worden beschermd, is uitgewerkt in vijf hoofdopgaven. Om invulling te geven aan de Goudse Opgaven maken we Keuzes voor de leefomgeving. Deze vormen de kern van onze visie. Door in integrale oplossingen te denken komen veel opgaven in meerdere keuzes terug. De gemeente heeft het instrument m.e.r. gebruikt bij de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie. De interactie tussen Omgevingsvisie en planMER is weergegeven in Figuur 2.1.