CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota VTH BWT Gouda 2017-2020.pdf

Commissie Fysieke leefomgeving 24 maart 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming : Turfmarkt kerk StAB rapport (GEEN BESLUIT) (20.15uur)22.162 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Melding brandveilig gebruik (gebruiksmelding) Een gebruiksmelding moet worden ingediend wanneer: · in een gebouw of ander bouwwerk, niet zijnde een woning of woongebouw, meer dan 50 personen tegelijk verblijven, of · een woning kamergewijs wordt verhuurd, of · een gelijkwaardige oplossing wordt toegepast om aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012 te voldoen. Als er meer risicovolle vormen van gebruik van een gebouw of ander bouwwerk plaatsvinden, zoals bij kinderdagverblijven, basisscholen, hotels, pensions, ziekenhuizen en tehuizen met meer dan 10 bedden, is een melding niet voldoende maar is een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik nodig. Proces Een melding die schriftelijk of via het Omgevingsloket online wordt ingediend, wordt zo spoedig mogelijk getoetst aan de indieningsvereisten uit het Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Indien nodig wordt de indiener gevraagd om de melding aan te vullen met stukken die nodig zijn om de melding in ontvangst te kunnen nemen. Indien de melding niet voldoet aan de indieningsvereisten, wordt de indiener schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat er een nieuwe melding ingediend moet worden. Bij een gebruiksmelding wordt vaak advies gevraagd bij de Veiligheidsregio Hollands-Midden (brandweer).

Het advies van de Veiligheidsregio wordt door de ODMH meegenomen bij de bepaling of voldaan wordt aan de indieningsvereisten voor de melding. Als de toets positief is en de stukken correct en volledig zijn, wordt een brief verzonden waarin de ontvangst wordt bevestigd en wordt meegedeeld dat de melding akkoord is bevonden. Bij een sloopmelding kunnen in de akkoordbrief ook aanvullende voorwaarden worden gesteld Een sloopmelding kent normaal gesproken geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Dit is anders als er aanvullende voorwaarden zijn gesteld. Dan is sprake van een besluit waartegen bezwaar en beroep open staan.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

22 van 64

3

Samenloop met milieu

Een aantal inrichtingen (bedrijven en instellingen) heeft een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig. Het gaat dan om inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Als er sprake is van bouw-, sloop-, reclame-, inrit- of kapactiviteiten in samenhang met de oprichting of uitbreiding van een bedrijf of instelling, wordt de aanvraag om een omgevingsvergunning voor alle activiteiten gecombineerd afgehandeld.

3.1

Melding Activiteitenbesluit

Tegenwoordig kan een groot deel van de bedrijven en instellingen met een melding Activiteitenbesluit (via www.aim.vrom.nl) de start of de verandering van een bedrijf regelen. In het Activiteitenbesluit staan algemene milieuregels voor bedrijven, waarbij onderscheid gemaakt wordt naar de soort milieubelastende activiteit (bijvoorbeeld metaalbewerking) en de soort milieubelasting (bijvoorbeeld geluid). Voor bedrijven met een relatief beperkte milieubelasting (‘type B inrichtingen’) is de melding van toepassing. Hieronder vallen onder meer garagebedrijven, metaalbewerkende bedrijven en jachthavens. Op grond van artikel 8.41a Wet milieubeheer moet een melding Activiteitenbesluit gelijktijdig met de aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend (indieningsvereiste), tenzij al eerder een volledige melding voor het project is gedaan. In enkele gevallen is zelfs een melding niet noodzakelijk. Het gaat dan om inrichtingen die activiteiten uitvoeren die minimaal milieubelastend zijn, zoals veel kantoor- en schoolgebouwen (‘type A inrichtingen’). Ze hoeven bij de oprichting of een wijziging geen melding te doen aan het bevoegd gezag. Ook hebben ze geen omgevingsvergunning milieu nodig. Ze vallen volledig onder het Activiteitenbesluit. Ook voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, zijn algemene regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen.

Deze regels zijn direct werkend en worden niet in de omgevingsvergunning opgenomen.

3.2

Omgevingsvergunning voor een inrichting

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning ook betrekking heeft op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een milieubelastende inrichting, wordt door de ODMH een integraal besluit opgesteld waarin de verschillende aspecten op een juiste wijze zijn afgewogen. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met de uitgangspunten en afspraken die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 (‘Vergunningen en meldingen’) van de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving voor gemeentelijke milieutaken 2015-2018.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

23 van 64

3.3

Duurzaamheid

Het Bouwbesluit stelt eisen aan duurzaamheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Duurzaam bouwen wil zeggen dat zowel in de ontwerpfase, de bouwfase en de gebruiksfase als bij de sloop gekeken wordt naar energiebesparing, waterbesparing en besparing op (schaarse) materialen en hergebruik. Een duurzaam gebouw heeft een gezond binnenmilieu, levert weinig hinder op wat betreft licht, geluid en dergelijke, en leidt niet tot vervuiling zoals CO2-uitstoot. Sommige concepten voor duurzaam bouwen, beheren en renoveren gaan niet alleen over afzonderlijke gebouwen maar ook over grotere eenheden zoals woonwijken. Een belangrijk onderdeel van duurzaamheid is de energiezuinigheid, dat wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 ‘Energieprestatie van gebouwen (EPG)’. Deze norm geldt voor zowel nieuwbouw van woningen als utiliteitsbouw. Deze en andere normen zijn opgenomen in het Bouwbesluit. Bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor (nieuw)bouwprojecten voert de ODMH altijd een EPC-toetsing uit, Indien door de gemeente strengere eisen worden gesteld aan de energieprestaties van bouwprojecten dan die welke het Bouwbesluit hanteert, wordt dit in een privaatrechtelijke overeenkomst met de projectontwikkelaar vastgelegd.

Naleving van deze eisen maakt geen deel uit van (het toetsingskader van) de omgevingsvergunning, omdat alleen de eisen uit het Bouwbesluit wettelijk geborgd zijn. Naast toezicht op de wettelijke eisen voert de ODMH projecten uit die met duurzaamheid te maken hebben. Zo kunnen gemeenten, projectontwikkelaars of aannemers geadviseerd worden over de energieprestaties bij woningbouwontwikkelingen, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan het basisontwerp en aan varianten in aanvullende maatregelen. Deze projecten vallen echter buiten de reikwijdte van deze nota.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

24 van 64

4

Overige besluiten

Naast aanvragen om een omgevingsvergunning worden ook andere aanvragen en meldingen behandeld. Deze worden hier nader beschreven.

4.1

Actualisatie

De Wabo verplicht het bevoegd gezag om vergunningen regelmatig te toetsen op actualiteit. In de wet staat niet hoe vaak dit moet gebeuren. De ODMH sluit hiervoor zoveel mogelijk aan bij een natuurlijk moment. Dit kan zijn als er verplichtingen uit andere wetgeving volgen, of wanneer een aanvrager om een veranderings- of revisievergunning voor het bedrijf vraagt. In de praktijk komt deze vorm van actualisatie bij BWT niet vaak voor, omdat omgevingsvergunningen voor activiteiten als bouwen, slopen of het kappen van bomen hun werking verliezen als de activiteit eenmaal is uitgevoerd.

4.2

Revisie

Onder een revisie bij bouw- en woningtoezicht wordt iets anders verstaan dan onder een revisie van een vergunning bij bedrijven in het kader van milieubelastende activiteiten. Bij bouw- en woningtoezicht gaat het veelal om een verandering in de uitvoering van een voorgenomen bouwwerk vooruitlopend op de start van de werkzaamheden of tijdens de bouw. Het kan dan gaan om een wijziging die geen gevolgen heeft voor de bouwmassa, indeling, maatvoering, functies en constructies, maar die slechts betrekking heeft op het visuele aspect (geen ingrijpende wijziging). Het kan ook gaan om wijzigingen waarin bouwmassa, indeling, maatvoering, functies en constructies wel wijzigen. Zo’n situatie doet zich voor als de aanvrager enkele wijzigingen in het al vergunde plan wil doorvoeren, of bij bouwplannen waarvan de verkoop niet goed loopt en waar wijzigingen moeten worden doorgevoerd om de verkoop te verbeteren. Bij een wijziging van ingrijpende aard is altijd een nieuwe omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig. Bij wijzigingen van niet ingrijpende aard kan volstaan worden met een ‘revisie’ van de vergunning, wat inhoudt dat in het dossier wordt aangegeven op welke onderdelen de bouwplannen zijn gewijzigd zonder dat er een nieuw besluit wordt genomen. Publicatie van de wijziging is niet aan de orde. Er is dus ook geen bezwaarmogelijkheid tegen deze wijziging(en).

De toezichthouder beschikt op locatie (via Squit) over alle benodigde documenten, dus zowel de oorspronkelijke documenten (aanvraag, tekeningen, constructieberekeningen) als de nieuwe documenten en tekeningen die (onderdelen van) de oorspronkelijke documenten vervangen.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

25 van 64

4.3

Intrekkingsbesluiten

Het komt voor dat een omgevingsvergunning is verleend, maar dat er geen gebruik van gemaakt wordt. Onder meer de crisis in de vastgoedsector heeft geleid tot het op de plank blijven liggen van een aantal vergunningen voor bouwprojecten. Grote aantallen ongebruikte omgevingsvergunningen voor het bouwen kunnen nieuwe woningbouwprojecten frustreren. Ook kunnen de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen leiden tot onzekere situaties voor voornamelijk omwonenden, omdat die niet weten of het bouwwerk wel of niet gerealiseerd zal worden. In de Wabo is aangegeven onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken. Voor vergunningen voor de activiteit bouwen geldt dat er gedurende tenminste 26 weken geen handelingen mogen zijn verricht die met de vergunning samenhangen. Voor milieuvergunningen geldt dat deze kunnen worden ingetrokken als er niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is gestart met de vergunde activiteiten. De intrekkingsmogelijkheid is een bevoegdheid, maar geen verplichting. Bij de beslissing tot intrekken moeten alle relevante belangen worden betrokken. In ieder geval moet worden nagegaan of het uitstel toe te rekenen is aan de vergunninghouder. Ook moet worden nagegaan of de vergunninghouder niet alsnog binnen redelijke termijn gebruik zal maken van de ongebruikte omgevingsvergunning.

De ODMH voert de intrekkingen uit overeenkomstig het gemeentelijk beleid. Als richtlijn geldt dat vergunningen voor de activiteit bouwen niet eerder ingetrokken worden dan nadat gedurende twee jaar niet is gestart met de vergunde activiteiten. Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, wordt een voornemen tot intrekking verzonden. De vergunninghouder kan zienswijzen indienen. Mochten de zienswijzen aanleiding geven om niet in te trekken, dan kan een termijn gesteld worden waarbinnen begonnen dient te worden. Mocht er dan niet begonnen zijn, dan volgt een definitief intrekkingsbesluit. Voor een vergunning die is voorbereid conform de reguliere procedure, wordt voor de intrekking eveneens de reguliere procedure doorlopen. Als het besluit voorbereid is met een uitgebreide procedure (afdeling 3.4 Awb), dan dient de intrekking ook met de uitgebreide procedure te worden afgehandeld en zal een ontwerp intrekkingsbesluit ter inzage gelegd worden. De ODMH kan ook bij overtredingen op basis van wetgeving als sanctie (een gedeelte van) een omgevingsvergunning intrekken. Dit zal altijd gebeuren in overleg met de gemeente.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

26 van 64

5

Uitgangspunten van het handhavingsbeleid

5.1

Reikwijdte en werkingsduur

Het handhavingsbeleid heeft betrekking op bouw, sloop, constructieve veiligheid, brandveiligheid (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012, Bouwverordening, Woningwet, Monumentenwet) en strijdig gebruik (Wet ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen, beheerverordeningen). APV-aspecten die mede onder de Wabo vallen (reclame, kappen, uitrit), vallen ook onder de reikwijdte van deze notitie. Doelen en prioriteiten op het gebied van milieu, alsmede APV-aspecten die niet tevens onder de Wabo vallen, komen niet in deze notitie aan de orde.

5.2

Beginselplicht tot handhaving

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Met de Wabo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriele Regeling omgevingsrecht (Mor) in werking getreden. De Wabo schijft onder meer voor dat bevoegde gezagen handhavingsbeleid formuleren. In het Bor is omgeschreven aan welke criteria een handhavingsorganisatie moet voldoen. Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in beginsel verplicht op te treden tegen overtredingen (beginselplicht tot handhaven). Alleen in bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgezien. Daarvan is sprake bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding of als handhavend optreden buitenproportioneel is. De vraag is hoe een lage handhavingsprioriteit zich verhoudt tot de beginselplicht tot handhaving. Uit jurisprudentie is gebleken dat, wanneer door een belanghebbende om handhaving wordt verzocht, dit verzoek niet enkel vanwege de prioriteitstelling in het handhavingsbeleid kan worden afgewezen. Dat is immers alleen in “bijzondere omstandigheden” toegestaan, en de keuze van een bestuursorgaan om (in verband met een beperkte handhavingscapaciteit) een bepaalde overtreding een lage prioriteit toe te kennen, geldt niet als een bijzondere omstandigheid.

Het bestuursorgaan zal dus bij een verzoek om handhaving altijd een afweging moeten maken in het individuele geval, waarbij de belangen van de verzoeker worden betrokken. Bij deze afweging moet het bestuursorgaan bezien of er ondanks een eventuele lage prioriteit toch aanleiding is om op te treden. Uit jurisprudentie blijkt dus dat in het handhavingsbeleid prioriteiten mogen worden gesteld. Deze prioritering kan bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde, lichte overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nooit zal worden opgetreden, is niet toegestaan. Daarmee zou immers het te handhaven wettelijk voorschrift worden ondergraven. Het bestuursorgaan kan een verzoek om handhaving dus niet afwijzen met een enkele verwijzing naar het handhavingsbeleid waarin aan de desbetreffende overtreding een lage prioriteit is toegekend. Handhaven is dus een wettelijke plicht, maar de gemeente kan binnen de wettelijke kaders doelen vastleggen, prioriteiten stellen en accenten aanbrengen. Om dat te doen, wordt een risicoanalyse uitgevoerd.

Dit houdt in dat de kans op en de eventuele (negatieve) gevolgen van het optreden van bepaalde situaties binnen Gouda worden geïnventariseerd. Indien de kans op en/of het negatieve

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

27 van 64

effect van een overtreding te groot worden geacht, wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen of opheffen van die situatie.

5.3

Procesmatig en cyclisch handhaven

Uitgangspunt bij het opstellen van handhavingsbeleid is het voldoen aan de kwaliteitseisen zoals deze in het kader van de professionalisering van de milieuhandhaving zijn vastgesteld. Aangesloten wordt 8 bij de aanbevelingen van de toenmalige Inspectie VROM ten aanzien van de bouwregelgeving. Professioneel handhaven wordt bereikt door het consequent uitvoeren van een aantal processtappen die met elkaar samenhangen. Het handhavingsbeleidsplan is immers geen eindproduct, maar een onderdeel van een beleidscyclus waarin beleidsontwikkeling, uitvoering, evaluatie en bijstelling doorlopend worden uitgevoerd. Deze beleidscyclus, de Bor-regelkring, wordt ook wel de ‘Big 8’ genoemd.

1. Beleidsvorming

8. Beleidsvoorbereiding

Beleidontwikkelingcyclus

2. Operationeel beleidskader

& -evaluatie

Planning & Control-cyclus

4. Uitvoeringskader

Uitvoeringcyclus

6. Monitoring

5. Uitvoering

De cyclus houdt in dat via een inventarisatie van de handhavingstaken en een risicoanalyse de prioriteiten worden vastgesteld. De prioriteiten worden vertaald in een uitvoeringsprogramma. Na afloop van de periode waarop het uitvoeringsprogramma betrekking heeft, vinden monitoring en evaluatie plaats. De uitkomsten daarvan leiden tot aanpassing of bijstelling van het beleid, waarna, uiteraard, weer een nieuw uitvoeringsprogramma wordt opgesteld.

8

Nu Inspectie Leefomgeving en Transport

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

28 van 64

6

Handhavingsstrategie

6.1

Landelijke Handhavingsstrategie voor BWT

Op 4 juni 2014 is (versie 1.7 van) de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) tijdens het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOB) door het IPO en het Openbaar Ministerie aangeboden aan Wilma Mansveld, staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Daarbij spraken alle betrokken partijen zich uit voor implementatie van de LHS. Doel van de LHS is onder meer een eenduidig handhavend optreden door betrokken instanties bij gelijksoortige overtredingen. De LHS is ontwikkeld vanuit het milieurecht, waarin een handhavingstekort is geconstateerd doordat de inrichting van de handhavingsorganisatie niet toegesneden bleek op de handhavingstaak. Met name waar het complexe bedrijfsprocessen betrof met hoge of middelhoge milieu- en veiligheidsrisico’s was sprake van een gebrek aan deskundigheid bij de toezichthoudende instanties. Onder meer de fragmentatie en het gebrek aan informatie-uitwisseling werden als barrière gezien voor de aanpak van zware en georganiseerde milieucriminaliteit. Daarom worden in de LHS onder meer duidelijke afspraken gemaakt over de taakverdeling tussen bestuur en OM, waarbij het strafrecht wordt toegepast bij (middel)zware criminaliteit. Hoewel de LHS van toepassing is verklaard op het hele Wabo-pakket, dus inclusief kapvergunningen en toestemmingen voor reclame-uitingen, is al vastgesteld dat het niet volledig toepasbaar is op andere beleidsvelden dan milieu.

Onder meer voor het domein ‘bouwen en wonen’ is in de LHS aangegeven dat het noodzakelijk kan zijn om een specifieke handhavingsstrategie te ontwikkelen, die natuurlijk wel moet passen binnen de kaders van de LHS. Zolang niet duidelijk is op welke termijn die specifieke landelijke strategie voor bouw- en woningtoezicht zal worden vormgegeven, hoe die strategie er uit zal zien, en bij welke organisatie het voortouw zal liggen, is de LHS echter onverkort van toepassing op bouw- en woningtoezicht (bijlage 2). Het stappenplan hebben wij vertaald naar een handhavingsstrategie voor bouw- en woningtoezicht. De uitgangspunten zijn hetzelfde gebleven: passend interveniëren bij iedere bevinding en in vergelijkbare situaties op vergelijkbare wijze reageren. De term handhavingsstrategie omvat meer dan alleen het opleggen van sancties bij geconstateerde overtredingen. Het betreft ook aanspreken, informeren en voorlichten tijdens toezichtbezoeken. Ook gedogen kan een passende (handhavings)strategie zijn, mits op de juiste wijze afgewogen. Bij bouwen woningtoezicht zal meer aandacht uitgaan naar het communicatieve spoor, waarin aanspreken en informeren van belang zijn, dan naar het strafrechtelijke spoor. De kern van de LHS is een matrix (ze bijlage 2) waarin zowel de ernst van de overtreding als het gedrag van de overtreder worden gewogen.

De indeling van de constatering, zijnde de eerste stap van het stappenplan, wordt gebaseerd op (mogelijke) gevolgen van de overtreding en op het gedrag van de overtreder. Grofweg ziet dat er als volgt uit: In de matrix zijn vier categorieën voor de ernst van de overtreding geformuleerd, én vier categorieën voor het gedrag van de overtreder. Gevolgen kunnen vrijwel nihil zijn (categorie 1), maar ook zeer ernstig en onomkeerbaar (4). De overtreder kan goedwillend zijn en onbedoeld een overtreding hebben begaan (categorie A), maar ook calculerend of zelfs bewust en structureel fraude plegen (D). Voor de indeling in de interventiematrix is dus het gedrag van de overtreder op dat moment belangrijk. Ook de toezicht- en handhavingshistorie is een belangrijke informatiebron. Afhankelijk van de ernst

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

29 van 64

van de overtreding en de aard van de overtreder wordt gestart met lichtere of zwaardere instrumenten. De handhaver bepaalt in welk segment de overtreding en de overtreder worden ingedeeld. De LHS gaat uit van het principe dat handhavers zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel, maar dat wel snel wordt overgestapt op zwaardere interventies als naleving uitblijft. Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering B, onverschillig/reactief, het vertrekpunt. Bij de indeling wordt vervolgens gekeken of sprake is van verzwarende of verzachtende omstandigheden. Van verzwarende omstandigheden is (bijvoorbeeld) sprake als de overtreder financieel voordeel heeft behaald door de overtreding. Ook als een overtreder een voorbeeldfunctie heeft, kan dat een reden zijn om in te zetten op een zwaardere eerste stap. Datzelfde geldt voor overtredingen die gepaard gaan met andere delicten, zoals valsheid in geschrifte of witwassen. Een verzwaring van de in te zetten instrumenten is dan aan de orde. Bij recidive zal ook eerder gekozen worden voor een zwaarder instrument. Indien sprake is van (een of meerdere) verzwarende argumenten, wordt de bevinding één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven verplaatst.

Bij verzachtende omstandigheden, zoals vastgestelde onbekwaamheid of jeugdige leeftijd van de overtreder, vindt de omgekeerde beweging plaats. Een verzachtende omstandigheid gaat dus niet over de ernst van een feit, maar kijkt hoe iemand tot een strafbare handeling is gekomen. Verzachtende omstandigheden zijn altijd persoonlijk, en hebben nooit hun weerslag op eventuele mededaders. Als de constatering is toegekend aan een vak in de matrix, is de volgende stap het vaststellen of overleg met de politie en het OM noodzakelijk is voor een strafrechtelijk optreden. Dit zal het geval zijn bij valsheid in geschrifte, corruptie of witwassen. Ook als sprake is van situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals bij het weigeren van de toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en poging tot omkoping, en situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht door bijvoorbeeld sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie, kan strafrechtelijk optreden noodzakelijk zijn. Overeenkomstig de LHS wordt in die situaties altijd aangifte gedaan. Is daar geen sprake van, dan wordt volstaan met bestuurlijk opgetreden. De handhaver zet de interventie in totdat sprake is van naleving. Als naleving uitblijft binnen de door de handhaver gegeven termijn, wordt doorgepakt.

Dan komt de eerstvolgende zwaardere (combinatie van) interventie(s) in beeld, door opzij en/of omhoog te bewegen in de interventiematrix. De stappen en beslissingen worden helder en duidelijk vastgelegd in het administratiesysteem, zodanig dat duidelijk is hoe is omgegaan met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

30 van 64

6.2

Preventiestrategie en communicatie

Gelet op de ervaringen met overtredingen in het domein ‘bouwen en wonen’ kan worden gesteld dat veelal sprake is van goedwillende of onverschillige overtreders (A en B) en van overtredingen die slechts beperkte gevolgen kennen of gevolgen die van belang kunnen zijn (score 2 of 3). Daarom wordt in het handhavingsbeleid veel ruimte geboden voor informatieve gesprekken en waarschuwingen. Pas als dit niet leidt tot herstel van de situatie, wordt overgegaan op het daadwerkelijk opstellen en versturen van handhavingsbesluiten (de aanschrijving of lastgeving). Hiermee wordt voldaan aan de doelen van de LHS, zoals het in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en passend interveniëren bij iedere bevinding. Indien sprake is van bijzondere gevallen, bijvoorbeeld situaties waarin met gebruikmaking van de bestuurlijke afwegingsruimte een legaliseerbare situatie kan worden bereikt, dan kan altijd eerst de mogelijkheid geboden worden aan de overtreder om een vergunning aan te vragen. Dit kan onder meer het geval zijn bij afwijkingen die middels een binnenplanse of buitenplanse afwijkingsprocedure geformaliseerd kunnen worden. Voor verdere uitleg wordt kortheidshalve verwezen naar het hoofdstuk over de procedurestappen.

6.3

Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete

In de LHS is veel ruimte geboden voor de zogeheten bestuurlijke strafbeschikking, die in het milieurecht vaak wordt toegepast. Deze Bsbm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten) is een relatief nieuw sanctie-instrument waarmee een strafbeschikking kan worden opgelegd door onder meer de Omgevingsdiensten op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling (een daad van vervolging), in tegenstelling tot bijvoorbeeld een bestuurlijke boete (zie verderop) die juist het voorkómen van vervolging tot doel heeft. Bij de BSBm is de directeur van de OMDH gemandateerd om een strafrechtelijke boete op te leggen bij overtredingen in Gouda. Het werken met deze strafbeschikking gebeurt binnen de richtlijnen van het OM, al is de BOA in dienst van de ODMH. De opbrengsten van de bestuurlijke strafbeschikking gaan naar het Rijk en het innen van de boete gebeurt door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De overtredingen waarvoor de bestuurlijke strafbeschikking kan worden opgelegd, zijn opgenomen in het zogeheten ‘Feitenboekje’.

Ten aanzien van bouw- en woningtoezicht is de bestuurlijke strafbeschikking onder meer mogelijk bij overtredingen van het Bouwbesluit, zoals slopen zonder sloopmelding indien bij die sloop asbest wordt verwijderd, slopen zonder startmelding sloop of bij een sanering die niet tijdig wordt gemeld. Ook voor het in gebruik nemen van een bouwwerk zonder gebruiksmelding of het niet hebben van een brandmeldinstallatie, rookmelders, noodverlichting, blustoestellen en dergelijke kan een bestuurlijke strafbeschikking worden opgelegd. De bestuurlijke strafbeschikking is bedoeld voor relatief eenvoudige overtredingen, waarbij er over de schuldvraag geen twijfel bestaat. Omdat de Bsbm de overtreding niet opheft, is vaak ook nog een (op herstel gerichte) bestuursrechtelijke sanctie nodig om de overtreding ook echt ongedaan te laten maken. De bestuurlijke strafbeschikking kan los van of parallel aan deze op herstel gerichte interventies worden ingezet. Ook volgtijdelijke inzet is mogelijk. Het is belangrijk om te weten dat voor de milieu- en keurfeiten die in aanmerking komen voor afhandeling door middel van een bestuurlijke strafbeschikking, de politie niet langer de bevoegdheid Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

31 van 64

heeft om op te treden (bijvoorbeeld in de vorm van het opmaken van een proces-verbaal). Als de bestuurlijke strafbeschikking niet wordt ingezet, zou de overtreding dus niet worden bestraft. Sinds 2009 kunnen gemeenten ook zelf op grond van de 'Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte' boetes opleggen voor het overtreden van gemeentelijke verboden en voorschriften die zijn vastgelegd in de APV. Het gaat daarbij om lichte overtredingen die voor veel overlast en verloedering zorgen. Zwaardere, gevaarzettende gedragingen en overtredingen die onderdeel uitmaken van de ordehandhavingsbevoegdheden van de politie (samenscholingen, ongeregeldheden, betogingen en demonstraties), en gedragingen die sterk aan het strafrecht zijn gerelateerd, zoals handel in drugs, heling en het meevoeren van inbrekerswerktuigen of steekwapens, vallen niet onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete. Bij onrechtmatige bewoning en woonfraude kan de bestuurlijke boete wel worden ingezet. Gemeenten dienen de keuze voor de bestuurlijke boete vast te leggen in de betreffende verordeningen middels een raadsbesluit om de bestuurlijke boete in de gemeente in te zetten, gevolgd door een raadsbesluit om de APV (en eventueel de afvalstoffenverordening) aan te passen. Bij gemeenten die kiezen voor de bestuurlijke boete vloeien de ontvangsten naar de gemeentekas.

Daar staat tegenover dat zij zelf zorg moeten dragen voor onder meer het innen van de boete en dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure. Bezwaar tegen de bestuurlijke boeten dienen namelijk bij de gemeente zelf te worden aangetekend, in tegenstelling tot bezwaar tegen een bestuurlijke strafbeschikking. Gouda hanteert het instrument van de bestuurlijke boete nog niet, maar overweegt dit wel. De bestuurlijke strafbeschikking wordt wel in Gouda gehanteerd.

6.4

Interventiematrix in relatie tot gemeentelijke prioriteiten

De LHS gaat uit van het principe dat zo licht mogelijk gestart wordt met interveniëren. Echter, als het gaat om aspecten en activiteiten die bij de gemeente de prioriteit ‘hoog’ krijgen, wordt de betreffende overtreding altijd in categorie 3 en 4 van de lijst met (mogelijke) gevolgen ingedeeld. Overtredingen met prioriteit ‘laag’ of ‘gemiddeld’ kunnen in alle vier de categorieën ingedeeld worden, dus ook in categorie 1 of 2. Ten aanzien van het gedrag van de overtreder wordt, overeenkomstig het uitgangspunt van de LHS, in beginsel uitgegaan van categorie B.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

32 van 64

7

Prioriteiten

7.1

Inleiding

Er zijn, helaas, meer overtredingen dan waarop de ODMH namens de gemeente Gouda, gezien de beschikbare capaciteit, kan handhaven. Daarom is het noodzakelijk om een prioritering aan te brengen in de handhavingstaken en -doelen: welke activiteiten krijgen voorrang boven andere, zodat op een goede manier wordt omgegaan met de uitdagingen waar de stad Gouda voor staat. Om te bepalen welke overtredingen prioriteit zouden moeten krijgen, is onder meer een risicoanalyse uitgevoerd. Hierbij is de methodiek uit de ‘Handreiking handhaven bouwregelgeving’ van het (toenmalige) ministerie van VROM gehanteerd. De risicoanalyse geeft een beeld van bij welke overtredingen op het gebied van bouw- en woningtoezicht zich de grootste negatieve effecten kunnen voordoen. Ook wordt gekeken in welke situaties of branches de kans op overtreding van de wet het grootst is (autonoom naleefgedrag). Onder ‘risico’ verstaan we dus de kans op overtreding vermenigvuldigd met de ernst van de negatieve effecten. De gemeente Gouda heeft, samen met de ODMH, een inschatting gemaakt van de mate waarin bepalingen worden nageleefd en van de negatieve effecten die (kunnen) optreden als dit niet gebeurt. Het gaat hierbij niet om uitgebreide wetenschappelijke analyses, maar om inschattingen op basis van de kennis en ervaring die wij in huis hebben.

Voor de negatieve effecten zijn de thema’s uit de ‘Handreiking handhaven bouwregelgeving’ aangepast en uitgebreid met een extra thema. De mogelijke overtredingen zijn daarom beoordeeld op de thema’s fysieke veiligheid (letsel, al dan niet dodelijk), volksgezondheid (ziektes, aandoeningen, vermindering levensverwachting), natuurschoon en landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en erfgoed, financieel-economische schade voor gemeenschap en/of gemeente, sociaalmaatschappelijke kwaliteit (zoals hinder, overlast en gevoel van onveiligheid) en bestuurlijk imago gemeente (politiek-bestuurlijke afbreuk, aantasting van het beeld ten aanzien van betrouwbaarheid en geloofwaardigheid). Naast deze risicoanalyse zijn ook het ‘Actieprogramma zakencoalitie Gouda 2016-2018’, het coalitieakkoord ‘Gouda daagt uit!’ 2014-2018, de Kadernota, diverse strategische documenten en andere bestuurlijke beleidsdocumenten betrokken bij de vaststelling van de prioriteiten. Immers, ook beleidsmatige en politieke overwegingen kunnen ertoe leiden dat een bepaald onderwerp extra aandacht verdient. Zo is er de komende periode veel aandacht voor het feestjaar 2022, het jaar waarin het 750 jaar geleden is dat Gouda stadsrechten kreeg. Dat leidt tot extra inzet in het kernwinkelgebied van Gouda.

Ook integrale handhaving is een belangrijk speerpunt in Gouda, omdat daarmee voorkomen wordt dat de handhaving van de verschillende regels (milieu, afval, water, bouwen, ruimtelijke ordening en natuurbeheer) gefragmenteerd, ongestructureerd en/of inconsequent wordt uitgevoerd.

7.2

Risicoanalyse en gemeentelijke prioriteiten

Op basis van risicoanalyse en de bestuurlijke standpunten zijn de volgende prioriteiten ten aanzien van toezicht en handhaving gesteld in Gouda: · monumenten: sloop, (ver)bouw-, renovatie- of herstelwerkzaamheden zonder of in strijd met een vergunning en/of melding; · bouwen zonder of in strijd met de vergunning indien sprake is van gevaar voor brandveiligheid en/of constructieve veiligheid; Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

33 van 64

• drank- en horecabedrijven indien sprake is van risico's voor brandveiligheid en/of constructieve veiligheid; • sloop waarbij asbest aanwezig is, zonder of in strijd met vergunning of melding; • gebruik van grond of bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan, met name waar het gaat om terrassen, schotten, luifels, inrichting horeca e.d. in de Goudse binnenstad; • gebruik in strijd met een melding of vergunning brandveilig gebruik; • integraal toezicht (de aanpak van illegale hennepteelt, controles van coffeeshops, motorclubs en dergelijke, vervallen en verloederde panden/achterstallig onderhoud, de aanpak van overlastpanden inclusief panden met zogenaamde MOE-landers); • handhaving van woonwagens op woonwagenlocaties (reguliere handhavingsacties, jaarlijkse schouwmomenten met gemeenteambtenaren, politie, stadstoezicht, belastingdienst en nutsbedrijven om te zorgen voor normalisatie van de woonwagenlocaties); • overige overtredingen in de Goudse binnenstad.. Deze zullen de komende periode extra aandacht gegeven worden in verband met cultuurhistorie, toerisme en het economische beleid en het thema ‘Gouda 750 jaar’ in 2022.

Overtredingen die hier niet genoemd worden (zie bijlage 3), kunnen wél gehandhaafd worden, bijvoorbeeld als hier een klacht of handhavingsverzoek voor ingediend wordt of als de gemeente ervoor kiest om bepaalde onderwerpen (soorten overtredingen, gebieden, doelgroepen) projectmatig aan te pakken.

6.6

Gevolgen (landelijke) ontwikkelingen

Naar verwachting treedt in 2018 de eerste fase van de private kwaliteitsborging in de bouw in werking (zie meer hierover in hoofdstuk 15, ‘toekomstige ontwikkelingen’). Als eerste zijn de bouwwerken aan de beurt die vallen onder gevolgklasse 1. Het gaat dan om het bouwen en verbouwen van vergunningplichtige bouwwerken met een laag risico op het gebied van constructieve veiligheid en brandveiligheid. Er mag voor het gebruik van die bouwwerken geen melding of vergunning brandveilig gebruik nodig zijn. De hoogte van de bouwwerken mag niet meer dan 20 meter zijn. Tevens mag geen sprake zijn van een ‘gelijkwaardige oplossing’ met betrekking tot constructieve veiligheid of brandveiligheid. Het gaat dus met name om grondgebonden woningen en eenvoudige bedrijfsgebouwen. Drie jaar na de eerste fase van de privatisering vindt een evaluatie plaats, waarna het toezicht op winkels, bibliotheken, gemeentehuizen en (hoge) flats ook privaat uitgevoerd zou moeten (kunnen) worden. Uiteindelijk zou het stelsel ook moeten gaan gelden voor zeer complexe bouwwerken, zoals een metrostation, ziekenhuis of voetbalstadion. Voor deze bouwprojecten zal dus op termijn geen toezicht meer gehouden worden op technische voorschriften van het Bouwbesluit. De (bestuursrechtelijke) handhaving blijft echter wel een taak van het bevoegd gezag.

Dit zal onder meer aan de orde zijn als er niet (langer) wordt voldaan aan de eis dat een kwaliteitsborgingsinstrument wordt toegepast dat is toegelaten tot het stelsel voor de betreffende risicocategorie. Een kwaliteitsborgingsinstrument is een instrument dat is toegelaten door de landelijke Toelatingsorganisatie en dat een beoordelingsmethodiek bevat die gericht is op het bouwen van een bouwwerk. Doel van het instrument is om, middels risicoanalyse, toets- en toezichtplannen, vast te stellen of het bouwwerk voldoet aan de eisen die aan bouwwerken gesteld worden. Ook kan handhaving nodig zijn indien de eindverantwoordelijke die is aangewezen voor de kwaliteitsborging niet (langer) gerechtigd is om te werken met het gekozen

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

34 van 64

kwaliteitsborgingsinstrument. Ook het bouwen zonder vergunning van een bouwwerk waarvoor wettelijk wel een vergunningplicht geldt, blijft een handhavingsgrond. Overigens blijft het toezicht op en handhaving van de omgevingsveiligheid tijdens de bouw wel bij de OMDH, namens Gouda, evenals toezicht op en handhaving van bestaande bouw.

7.4

Klachten, meldingen en handhavingsverzoeken

De ODMH dient, namens de gemeente Gouda, vlot en adequaat te reageren op klachten, meldingen en handhavingsverzoeken van derden. Deze kunnen betrekking hebben op onderwerpen die hoog op de prioriteitenlijst staan. Maar ook als de klachten, meldingen en handhavingsverzoeken betrekking hebben onderwerpen met een lagere prioriteit, zal er aandacht aan moeten worden besteed. Met name bij handhavingsverzoeken is van belang om te beseffen dat de beginselplicht tot handhaving ook geldt bij (vermeende) overtredingen met lage prioriteit en dat de lage prioriteit geen reden mag zijn om af te zien van handhaving.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

35 van 64

8

Procedurestappen bij handhavingstrajecten

8.1

Minnelijk overleg

Bij handhaving wordt vaak direct aan het opleggen van een sanctie gedacht. Maar het daadwerkelijk opleggen van een sanctie is een uiterste middel, en is bovendien slechts een deel van het gehele handhavingsproces. Tussen het tijdstip waarop de bevindingen gedaan zijn en het tijdstip dat er daadwerkelijk een sanctiebesluit wordt genomen, ligt een periode waarin veelal wordt gepoogd de overtreder zover te krijgen dat deze uit zichzelf de overtreding ongedaan maakt. Dit is het zogeheten ‘minnelijke overleg’. Via het minnelijk overleg met de overtreder wordt getracht aan de overtreding een einde te maken. In het kader van dit overleg kan ook worden onderzocht of legalisatie mogelijk is. Als legalisatie mogelijk is, wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld de overtreding te legaliseren. Maakt de overtreder geen gebruik van de mogelijkheid om de overtreding te legaliseren of is legalisatie van de overtreding niet mogelijk c.q. wenselijk, dan wordt een constateringsbrief of vooraankondiging verstuurd (zie de drie-stappen-procedure of de twee-stappen-procedure). Het minnelijk overleg kan ook gebruikt worden bij klachten, meldingen en handhavingsverzoeken.

Middels telefonisch contact of een overleg kan aan de verzoeker gevraagd worden wat de achterliggende gedachte is, op welk onderwerp de klacht of het verzoek zich richt, wat de klager of verzoeker hoopt te bereiken en wat de verzoeker eventueel zelf al ondernomen heeft om de overlast bij de overtreder onder de aandacht te brengen.

8.2

Drie-stappen-procedure ter voorbereiding op handhavingsacties

Bij de voorbereiding op handhavingsacties wordt in beginsel gekozen voor het drie-stappen-model. Dat houdt in dat de ODMH, namens Gouda, na een constatering van een overtreding als eerste stap een constateringsbrief stuurt voorafgaand aan de eventuele formele vooraanschrijving. Onder meer bij overtredingen ten aanzien van brandveilig gebruik van bouwwerken (Bouwbesluit) is veelal sprake van een gebruiksmelding waarbij nog niet voldaan wordt aan de wet- en regelgeving. In die situatie kan een constateringsbrief al een belangrijke stimulans zijn om overtredingen op te heffen. Ook overtredingen waarbij afspraken gemaakt zijn met de overtreder over een legalisatie lenen zich ervoor om eerst de stap te zetten in de vorm van een afsprakenkader/constateringsbrief. Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van een constateringsbrief is dat deze brief niet mag leiden tot een impliciete gedoogsituatie. Mocht de constateringsbrief niet leiden tot opheffing van de overtreding, dan stuurt de ODMH als tweede stap een vooraanschrijving waarin de overtreder op de hoogte gesteld wordt van het voorgenomen handhavingsbesluit. Dat handhavingsbesluit kan het opleggen van een last onder dwangsom zijn, of een last onder bestuursdwang. Een vooraanschrijving is overigens geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De overtreder en eventuele andere belanghebbenden worden vervolgens in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het voorgenomen handhavingsbesluit naar voren te brengen. De overtreder (of een eventuele andere belanghebbende) moet zijn visie kunnen geven op de vraag of daadwerkelijk sprake is van een overtreding, dan wel of er redenen zijn om de handhaving (tijdelijk) achterwege te laten. De zienswijze of visie kunnen zowel schriftelijk als mondeling gegeven worden, al naar gelang de belanghebbende(n) wens(t)(en).

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

36 van 64

Voorkomen moet worden dat er eindeloos gecorrespondeerd wordt naar aanleiding van een vooraanschrijving, omdat daarmee de besluitvorming uitgesteld wordt. Maar het (eenmalig) bieden van de mogelijkheid tot het inbrengen van zienswijzen is een extra zorgvuldigheidsvereiste, dat duidelijk meerwaarde heeft als het gaat om het verifiëren van de deugdelijkheid van de informatie waarop het besluit wordt gebaseerd. De door de overtreder of belanghebbenden naar voren gebrachte zienswijzen moeten door de gemeente worden afgewogen tegen de maatschappelijke belangen, zoals de ruimtelijke kwaliteit, de wens tot consequente en eenduidige handhaving, precedentwerking of belangen van derden. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot een heroverweging van het voorgenomen handhavingsbesluit. Als derde stap wordt vervolgens het handhavingsbesluit (de aanschrijving of lastgeving) opgesteld en verstuurd aan de overtreder. Dit besluit is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Tegen een dergelijk besluit staan de rechtsmiddelen zoals opgenomen in de Awb open. Als uitgangspunt geldt dat de handhavingsbesluiten aangetekend worden verstuurd. Constateringsbrieven en vooraanschrijvingen worden niet aangetekend verstuurd. Omdat handhavingsbesluiten (veelal) ook gelden voor eventuele rechtsopvolgers van de overtreders, 9 worden handhavingsbesluiten ingeschreven in het Wkpb -register.

8.3

Twee-stappen-procedure

In een beperkt aantal situaties wordt gekozen voor het twee-stappen-model. Indien uit het minnelijk overleg of op andere wijze reeds op voorhand geconcludeerd kan worden dat een constateringsbrief niet zal leiden tot het opheffen van een overtreding, zal direct gekozen worden voor het versturen van een vooraanschrijving, gevolgd door de zienswijzemogelijkheid en, waar nodig, het handhavingsbesluit.

8.4

Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen kan bovendien worden afgezien van het versturen van een vooraanschrijving. Dit moet altijd worden gemotiveerd. Indien mogelijk zal telefonisch of mondeling getracht worden om in ieder geval aan de hoorplicht te voldoen. Van dat gesprek wordt altijd een verslag gemaakt, dat aan het handhavingsdossier wordt toegevoegd.

8.5

Legalisatieonderzoek

In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift is het bevoegd gezag in de regel verplicht om op te treden (beginselplicht tot handhaving). Slechts onder bijzondere omstandigheden mag hiervan worden afgezien. Een van die bijzondere omstandigheden is dat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Voordat een handhavingstraject gestart wordt, dient dan ook onderzocht te worden of daar sprake van is. Daarom wordt eerst legalisatieonderzoek uitgevoerd. Een legalisatieonderzoek houdt in dat nagegaan wordt of datgene dat als een overtreding wordt aangemerkt, kan worden weggenomen door alsnog een vergunning te verlenen. Hierbij kunnen milieuaspecten, eisen uit het Bouwbesluit, ecologische aspecten van toepassing zijn. Ook planologische aspecten worden meegewogen, waarbij onder meer het overgangsrecht in 9

WKPB = Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

37 van 64

bestemmingsplannen van belang kan zijn. De overtreder mag overigens niet gedwongen worden tot het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning of andere toestemming om zodoende over meer gegevens te beschikken voor het legalisatieonderzoek. Een legalisatieonderzoek kan drie mogelijke uitkomsten hebben: 1. De uitkomst van legalisatieonderzoek staat nog niet vast. In de constateringsbrief aan de overtreder wordt dan vermeld dat nog een (nader) onderzoek naar legalisering plaatsvindt en op welke onderwerpen nadere gegevens benodigd zijn. Wat al bekend is, wordt in de brief vermeld, evenals een termijn waarbinnen de gemeente uitsluitsel geeft over de legalisatiemogelijkheden. 2. De overtreding is mogelijk te legaliseren. In reactie op de geconstateerde overtreding wordt schriftelijk bericht dat deze mogelijk (gedeeltelijk) kan worden gelegaliseerd en op welke wijze dat kan gebeuren. Indien voor het legaliseren van de overtreding aanpassingen of maatregelen noodzakelijk zijn, wordt dat zo veel mogelijk in de brief aangegeven. De overtreder kan worden uitgenodigd voor een gesprek, waarin de aanpassingen of maatregelen worden toegelicht. In vervolg hierop wordt de overtreder een termijn gegund voor het indienen van een aanvraag om vergunning, het doen van een melding of het op een andere wijze mee te werken aan legalisatie.

Hiervoor geldt in principe een standaardtermijn van vier weken. Deze termijn kan verkort of verlengd worden als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de noodzakelijk geachte aanpassingen en maatregelen meer tijd vergen. Na het verlopen van deze termijn zijn er twee mogelijkheden: · Indien binnen de gestelde termijn géén ontvankelijke aanvraag is ingediend of op een andere wijze medewerking is verleend, wordt het handhavingstraject vervolgd. Indien er geen aanvraag is ingediend, is er immers geen concreet zicht op legalisatie. · Indien wél een ontvankelijke aanvraag is ingediend of op een andere wijze is voldaan aan de eisen die nodig zijn voor legalisatie, zal vanwege concreet zicht op legalisatie (vooralsnog) worden afgezien van handhaving. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet vanzelfsprekend is dat de aangevraagde activiteiten ook daadwerkelijk kunnen en zullen worden verleend, onder meer omdat in een aantal gevallen moet worden aangetoond dat de aangevraagde situatie voldoet aan de gestelde eisen. Indien de aangevraagde vergunning wordt geweigerd, krijgt de overtreder alsnog de standaardtermijn van vier weken om de overtreding te beëindigen. Deze termijn kan natuurlijk verkort of verlengd worden als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Indien de overtreding daarna niet is beëindigd, wordt de handhaving voortgezet door middel van het verzenden van een voornemen tot handhaving en eventueel het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. 3. De overtreding is naar verwachting niet te legaliseren. Indien uit het legalisatieonderzoek blijkt dat de overtreding naar verwachting niet gelegaliseerd kan worden, wordt de overtreder hier schriftelijk van op de hoogte gesteld. Daarbij wordt gemotiveerd waarom legalisatie niet mogelijk is en zonodig ook waarom geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend. Vermeld wordt dat een eventueel in te dienen aanvraag naar verwachting zal worden geweigerd. Er is dan geen sprake van concreet zicht op legalisatie, en het handhavingstraject wordt voortgezet.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

38 van 64

8.6

Afronding van dossiers

Elk handhavingsdossier moet op correcte wijze worden afgerond. Als de overtreding ongedaan is gemaakt, wordt altijd een kennisgeving aan de overtreder gestuurd. Daarmee kan het dossier worden gesloten. Daarnaast wordt de aanschrijving uitgeschreven uit het Wkpb-register. Handhavingsdossiers inclusief rapportages worden tenminste bewaard totdat alle juridische procedures zijn afgerond. Vervolgens worden zij gearchiveerd conform de regels in de Archiefwet.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

39 van 64

9

Gedogen en wraking

Gedogen is het door een overheidsinstantie, bij constatering van een overtreding, afzien van handhavend optreden, dan wel het door een overheidsinstantie vooraf verklaren of anderszins de verwachting wekken dat tegen een overtreding niet zal worden opgetreden. Dit gedogen kan actief gebeuren, middels een gedoogbesluit, of passief/impliciet.

9.1

Actief gedogen

Er is sprake van actief gedogen als het college van B&W expliciet te kennen geeft geen bestuursdwang of dwangsom toe te zullen passen. Uitgangspunt is dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar wordt geacht, en dat overtredingen ongedaan worden gemaakt. Dat betekent dat in principe geen ruimte is voor permanente gedoogsituaties. De mate waarin wordt gedoogd moet zoveel mogelijk in omvang en/of tijdsduur moet worden beperkt. Beperking van de tijdsduur van gedogen is onder meer van belang om precedentwerking en daarmee een opwaartse druk tot verder gedogen te voorkomen. Als er gekozen wordt voor gedogen, betreft het dus altijd het tijdelijk afzien van optreden in afwachting van een definitieve oplossing. In een aantal gevallen kan een redelijke afweging van belangen leiden tot de conclusie dat handhavend optreden op dat moment niet redelijk is. Bij deze afweging wordt aangesloten bij de criteria die hiervoor in landelijke beleidskaders voor gedogen zijn geformuleerd, en bij de zorgvuldigheidseisen zoals deze zijn neergelegd in de Awb. In principe komen alleen de volgende situaties voor het afzien van bestuursrechtelijk handhavend optreden in aanmerking: · Overmachtssituaties. Van overmachtssituaties is bijvoorbeeld sprake bij vergunningen die uitsluitend op formele gronden zijn vernietigd, maar ook bij werkzaamheden die direct voortvloeien uit calamiteiten.

Vooruitlopend op legalisatie kan tijdelijk worden gedoogd. · Situaties waarin nader onderzoek nodig is. Er kan eveneens gedoogd worden als nader onderzoek nodig is naar de oplossing van geconstateerde overtredingen, en de gemeente in afwachting is van de uitkomsten van dat onderzoek. · Situaties waarin handhavend optreden onevenredig is. Hierbij gaat om situaties die strikt genomen in strijd zijn met de wet- en regelgeving, maar die in de praktijk geen inbreuk maken op enig publiek belang. Overigens wordt er naar gestreefd om gemeentelijke regelgeving zodanig op te stellen en aan te passen dat dergelijke situaties niet (meer) als overtreding (behoeven te) worden aangemerkt. · Situaties waarin sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit doet zich voor als de overtreding op het moment van constateren weliswaar in strijd is met de regelgeving, maar er concreet zicht is op mogelijke legalisering als gevolg van regelgeving in voorbereiding of beleidsontwikkeling waarmee de strijdigheid wordt opgeheven. Als gedogen aanvaardbaar wordt geacht, dient dat schriftelijk te worden bevestigd. Belanghebbenden hebben dan immers in ieder geval de mogelijkheid om het gedoogbesluit te laten toetsen door een rechter.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

40 van 64

Een positieve gedoogbeschikking is een besluit in de zin van de Awb. Het college van B&W dient het gedoogbesluit vast te stellen, de ODMH is hiervoor niet gemandateerd. Het besluit moet inzicht geven in de belangenafweging en de andere overwegingen die tot het gedogen hebben geleid. Bij de afweging om al dan niet tot handhaving over te gaan, spelen de beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol (motiveringsbeginsel, betrouwbare overheid, rechtsgelijkheid). Over de noodzaak tot gedogen, de tijdsduur, voorwaarden en de wijze van handhaving tijdens de gedoogperiode dient vooraf overleg te zijn gepleegd met de overtreder, belanghebbenden en andere handhavingspartners zoals politie en Openbaar Ministerie.

9.2

Passief gedogen

Van passief gedogen is sprake als het college van B&W wel op de hoogte is van de overtreding, maar geen actie onderneemt tegen de overtreding en evenmin expliciet te kennen geeft af te zien van handhavend optreden. Zodra overtredingen vastgelegd worden, bijvoorbeeld door het invullen van een controlerapport of het bijhouden van een lijst, maar ook bij het maken van foto’s van de overtreding door een toezichthouder, is duidelijk dat de gemeente op de hoogte is de illegale situatie. Passief gedogen is in beginsel een ongewenste situatie en Gouda streeft er dan ook naar dergelijke situaties zo veel mogelijk te voorkomen Als een illegale situatie meerdere jaren heeft bestaan zonder dat daartegen is opgetreden, kan de overtreder hier overigens géén rechten aan ontlenen. Dit ligt anders als aangetoond kan worden dat het college van B&W al geruime tijd op de hoogte was van de overtreding, aangezien dan sprake is van passief gedogen. Wanneer het college van B&W in zo’n situatie alsnog wil optreden, zal dit nadrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Hiervan kan sprake zijn als de overtreding ten onrechte als ondergeschikt was aangemerkt of als het illegale handelen wordt geïntensiveerd.

9.3

Wraking

Wraking is niet zozeer gedogen maar een vorm van uitgestelde handhaving. Een wrakingsbrief is géén besluit in de zin van de Awb. Door middel van een wrakingsbrief geeft de gemeente de overtreder te kennen dat het college van B&W niet berust in de overtreding, maar zich het recht voorbehoudt om op een nader te bepalen tijdstip handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtreding als de overtreder deze zelf niet opheft. Bij een verergering van de situatie, bij handhavingsverzoeken van derden en/of zodra de gemeente anderszins daartoe aanleiding ziet, kan alsnog handhavend worden opgetreden. Wraking wordt met name gehanteerd voor overtredingen die op het moment van constatering geen prioriteit hebben. Indien wraking gecombineerd wordt met een verzoek om handhaving, dient in de wrakingsbrief en/of de afwijzing van het handhavingsverzoek aangegeven te worden hoe lang de uitgestelde handhaving zal duren en vanaf wanneer alsnog een handhavingstraject gestart wordt (een tijdschema voor de verdere behandeling van een verzoek om handhaving nadat tot wraking is besloten) . Uit jurisprudentie blijkt dat het beleid waarin prioriteiten bij handhaving zijn gesteld, in beginsel niet onredelijk wordt acht. Op alle momenten handhavend optreden tegen alle mogelijke overtredingen van wettelijke voorschriften kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet van het college worden gevergd.

Dat wil echter niet zeggen dat binnen de looptijd van het Handhavingsbeleidsplan volledig afgezien kan worden van handhavend optreden tegen overtredingen. Volgens de rechtbank dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet op de beginselplicht tot handhaving, ten minste een moment in het vooruitzicht te stellen waarop het verzoek om handhaving alsnog kan worden ingewilligd. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen die in het handhavingsbeleid een lage prioriteit hebben in het Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

41 van 64

geheel niet handhavend zal worden opgetreden, is rechtens niet aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven wettelijk voorschrift wordt ondergraven. Dit geldt overigens niet voor wraking in combinatie met een klacht of melding. Bij een klacht/melding kan wél aan de melder en aan de overtreder worden aangegeven dat de (vermeende) overtreding een lage prioriteit heeft en daarom wordt gewraakt.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

42 van 64

10

Sanctiemiddelen

Voor het opleggen van bestuurlijke sanctiemiddelen kan uit de volgende instrumenten worden gekozen: · Opleggen van een last onder dwangsom (LOD); · Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB); · Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning. a. Opleggen van een last onder dwangsom (LOD) Een last onder dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt indien of zolang de overtreding voortduurt. De last onder dwangsom bevat een last om de overtreding te beëindigen, en om voortzetting en herhaling te voorkomen. In de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn opgenomen waarbinnen de overtreding ongedaan gemaakt moet worden. Als de overtreding tijdig ongedaan gemaakt wordt, is geen dwangsom verschuldigd. Wanneer de overtreding niet, of niet tijdig wordt beëindigd, dan wel wordt voortgezet of herhaald, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder. Daarmee wordt diegene bedoeld die “het in zijn macht heeft” om de last uit te voeren of na te komen, en daarmee de overtreding te beëindigen. Meestal gaat het om de eigenaar van het perceel of bouwwerk, maar het kan ook de huurder/gebruiker zijn. Per geval moet worden beoordeeld wie als “overtreder” kan worden aangemerkt en aangeschreven.

Niet altijd kan een overtreding worden bestreden met een last onder dwangsom. Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet, mag niet gekozen worden voor een last onder dwangsom. Hierbij kan gedacht worden aan ernstige milieuovertredingen of overtredingen met onomkeerbare gevolgen. Direct optreden om verdere schade te voorkomen, door middel van bestuursdwang, is dan noodzakelijk. b. Opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB) Bestuursdwang houdt in dat het feitelijk beëindigen van een overtreding uitgevoerd wordt door het bevoegd gezag. Dit kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: · Bij acuut dreigende calamiteiten en gevaarlijke situaties waarbij direct optreden noodzakelijk is. Dit geldt onder meer indien de overtreder niet bereikbaar is; · Indien de overtreder niet genegen of (financieel) in staat is om de overtreding ongedaan te maken; · Indien het opleggen van een last onder dwangsom niet tot het gewenste effect, te weten het ongedaan maken van de overtreding, heeft geleid. De kosten van het uitvoeren van bestuursdwang kunnen verhaald worden op de overtreder. Het uitgangspunt is dat Gouda vervolgens ook daadwerkelijk tot het verhalen van de kosten overgaat. Het tegelijk opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor één en dezelfde overtreding is niet mogelijk.

Als er sprake is van twee of meer verschillende overtredingen, is een combinatie van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wel mogelijk. Een voorbeeld waarbij wel gelijktijdig een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd kan worden, is het opleggen van een bouwstop (= een last onder bestuursdwang) en het gelijktijdig opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er verder wordt gegaan met bouwen (=

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

43 van 64

preventieve last onder dwangsom). Door de stillegging van de bouw is een op dat moment plaatsvindende overtreding met onmiddellijke ingang beëindigd. De last onder dwangsom is opgelegd om te voorkomen dat de overtreding opnieuw plaatsvindt. c. Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning Een verleende vergunning kan eventueel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien niet overeenkomstig die vergunning is of wordt gehandeld. Ook kan een vergunning worden ingetrokken als de aan de vergunning verbonden voorschriften of regels niet worden nageleefd. Deze sanctie wordt ingezet bij 'onomkeerbare' overtredingen die niet legaliseerbaar zijn, bijvoorbeeld als het bouwwerk anders wordt uitgevoerd dan was aangevraagd en vergund. Tot intrekking van de vergunning kan pas worden overgaan als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het bouwwerk (of de activiteit) alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning. Zodra de vergunning is ingetrokken, is de betrokkene direct in overtreding als de activiteit wordt voortgezet, en kunnen andere maatregelen worden toegepast, zoals een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

Nota VTH BWT Gemeente Gouda 2017 – 2020

44 van 64

11

Dwangsommen

11.1 Inleiding In het ‘Handhavingsbeleid 2013 – 2016 Bouw- en Woningtoezicht gemeente Gouda’ waren geen bedragen voor dwangsommen opgenomen. Per overtreding werd apart vastgesteld wat een redelijke en effectieve dwangsom zou zijn. De andere gemeenten waarvoor de ODMH in mandaat een last onder dwangsom oplegt, hanteerden wel vaste bedragen bij gelijke overtredingen. Deze bedragen waren echter niet gelijk aan elkaar. Omwille van de harmonisatie van de uitvoering is afgesproken om voor alle gemeenten, dus ook voor Gouda, bij eenzelfde soort overtreding op een eenduidige manier op te treden binnen de regio, en daarbij eenduidige dwangsommen opleggen. Daarom bevat deze nota een bijlage met de soort en de hoogte van de dwangsommen per type overtreding. In beginsel is de hoogte van de dwangsom afhankelijk van de aard van de overtreding. Het college van B en W heeft bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en van het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsvrijheid. De dwangsomhoogte moet op de ernst van de overtreding worden afgestemd (evenredigheid), en tot doel hebben de overtreding tegen te gaan of te voorkomen (effectiviteit).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=ba815d5f-9e51-4f63-be36-96c05d3faa83