CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Landelijke Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid incl illustraties.pdf

Commissie Fysieke leefomgeving 24 maart 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming : Turfmarkt kerk StAB rapport (GEEN BESLUIT) (20.15uur)23.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In het kader van een privaatrechtelijke aansprakelijkstelling wordt in ieder geval ook geadviseerd een bouwkundige vooropname te maken voor de start van de werkzaamheden.

Blad 55 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Bij sloop- of bouwwerkzaamheden worden de volgende schadeoorzaken en schadegevolgen omschreven: Schadeoorzaken: Bij sloopwerkzaamheden:  beschadiging door sloopmaterieel;  omvallende bouwdelen van het te slopen object;  trillingen als gevolg van het slopen met een zgn. "specht";  sloopwerk met behulp van explosieven;  slopen van ondergrondse bouwdelen;  instabiliteit bij gedeeltelijke sloop. Bij bouwwerkzaamheden:  omvallende bouwkraan of een andere bouwmachine;  omvallende of uit een kraan vallende bouwelementen;  trillingen bij het inbrengen van funderingspalen;  trillingen bij het inbrengen van damwanden;  trillingen bij het verwijderen van (tijdelijke) damwanden;  verlagen van de grondwaterstand;  ontgraving in een open bouwput;  vervorming of lekkage van bouwputwanden;  opbarsten of lekkage van de bouwputbodem.

Schadegevolgen:  scheefstand van een belending waardoor instabiliteit van het bouwwerk dreigt;  scheefstand van onderdelen van het bouwwerk, waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan en vloeren en/of balken van hun opleggingen dreigen te glijden;  trillingen waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan;  verschilzettingen (relatieve rotaties) van een zodanige omvang dat de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan, waarmee dit kan worden aangemerkt als bezwijken;  beschadiging of wegvallen van onderdelen van de bouwconstructie door bouwmaterieel (bijv. een omvallende bouwkraan). De maatregelen om bovengenoemde schade te voorkomen dienen te worden omschreven in het bouwveiligheidsplan, zoals genoemd in Bouwbesluit, artikel 8.7. 7.1.1

De belendingen Wanneer bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden een risico bestaat dat belendingen beschadigd kunnen raken, wordt van alle binnen het risicogebied (de bouwveiligheidszone) aanwezige belendingen een opnamerapportage gemaakt. In deze rapportage zijn ten minste de volgende aspecten vastgelegd:  de bouwkundige staat van het pand;  een beschrijving van de hoofddraagstructuur van het pand;  de aanlegdiepte en -breedte van de fundering;  de soort en inheidiepte van funderingspalen;  een beschrijving van reeds aanwezige schade of vervorming;  toelichtende foto’s.

Blad 56 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Van de belendingen wordt de constructieve opbouw en de aard van de fundering onderzocht en vastgelegd aan de hand van een omschrijving, tekeningen en foto's. Op basis van dit onderzoek worden de belendingen ingedeeld in één van de gebouwcategorieën, zoals omschreven in de SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken. Op basis hiervan worden de toelaatbare trillingswaarden per belending vastgelegd. In overleg met de eigenaren wordt onderzocht of er constructieve maatregelen aan de belendingen mogelijk zijn om (gevaarlijke) schade te voorkomen. 7.1.2

Vervormingsmetingen Om eventuele vervormingen (zettingen en relatieve rotaties) bij belendingen tijdig te detecteren, worden aan de belendingen die binnen de bouwveiligheidszone liggen tijdens de uitvoering vervormingsmetingen uitgevoerd. Vooronderzoek  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot de diverse risicoaspecten liggen.  Op basis van de draagstructuur van de belendingen wordt bepaald wat de toelaatbare zettingen en relatieve rotaties voor de belendingen zijn. Deze vervormingsgrenzen worden in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld.  Er wordt bepaald of er alleen verticale metingen (meetboutjes) of 3Dmetingen (x, y, en z-vervormingen) worden uitgevoerd.  Op basis van de structuur van de belendingen worden meetpunten aangebracht.  Er wordt een meetprotocol voor vervormingsmetingen opgesteld, waarin ten minste de meetfrequenties zijn vastgelegd.  Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen.  Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de vervormingsgrenzen. Metingen  Ten behoeve van uit te voeren vervormingsmetingen wordt van ieder pand een 0-meting uitgevoerd. De resultaten hiervan worden vastgelegd in een meetrapport.  Vervolgmetingen worden systematisch vergeleken met de resultaten van de 0-meting.

 De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden. Calamiteiten  De vastgestelde zettingsgrenzen worden overschreden.  De vastgestelde maximale relatieve rotaties worden overschreden.  Er ontstaat onvoorziene scheurvorming in belendingen.  Door maaiveldzakkingen is de veiligheid van het openbaar gebied in gevaar of het openbaar gebied is niet meer op een normale wijze toegankelijk.  De meetapparatuur faalt.

Blad 57 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Maatregelen  De vervorming-veroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.  Er worden (in overleg met de betreffende belending-eigenaren) maatregelen aan de belendingen getroffen ten einde verdere vervorming te voorkomen.  De uitvoeringsmethoden worden aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden.  Maatregelen worden voorbereid in overleg met het bevoegd gezag.  Maatregelen worden voorbereid en uitgevoerd door de vergunninghouder, zijn gemachtigde of degene die de omgevingsvergunning uitvoert. 7.1.3

Trillingen Trillingen kunnen schade aan belendingen veroorzaken. Daarom moeten deze trillingen tijdens de uitvoering gemeten worden. Vooronderzoek  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot trillingen liggen.  Trillingen tijdens bouwwerkzaamheden, zoals inbrengen van funderingspalen of damwanden, worden beperkt overeenkomstig het gestelde in de SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken.  Er wordt vastgesteld welke soort trillingen op zal treden, afhankelijk van de trillingsbron (kortdurend, herhaald kortdurend of continu).  Er wordt een protocol opgesteld voor het uitvoeren van trillingsmetingen.  Hierin wordt onder andere vastgelegd welke meetmethode zal worden toegepast (indicatief, beperkt of uitgebreid) en wat de meetfrequentie wordt.  Er worden op de belendingen meetpunten aangebracht conform de vastgestelde meetmethode.  Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de trillingsgrenzen.  Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen. Metingen tijdens de uitvoering:  Tijdens het uitvoeren van trillingveroorzakende werkzaamheden worden de trillingen continu of volgens de in het protocol vastgelegde frequenties gemeten.  Er wordt een alarmsignalering ingesteld (ca. 90% van de grenswaarde).  Een bemande meting met een alarmlamp heeft hierbij de voorkeur.

 De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden. Calamiteiten:  De grenswaarde wordt overschreden.  Er ontstaat (ernstige) schade aan belendingen.  Er treedt verdichting van de bodem op waardoor zakkingen van paden en wegen optreden.

Blad 58 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Maatregelen:  De trillingveroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.  De meetmethode wordt aangepast (de grenswaarde van uitgebreide metingen is hoger dan indicatief of beperkt). 

7.1.4

De uitvoeringsmethode wordt aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden, zoals bijvoorbeeld: o Het heiblok, de valhoogte, of de trilfrequentie wordt aangepast. o Er wordt een sleuf gegraven tussen de trilbron en de belendingen om oppervlakte-trillingen te verminderen. o Er wordt overgegaan op voorboren en/of fluïderen (niet in de vaste zandlaag) tot een bepaalde diepte (in overleg met geotechnisch adviseur en de hoofdconstructeur). o De uitvoeringsvolgorde wordt aangepast. o Er wordt overgaan op een andere uitvoeringstechniek (trillingvrijsysteem).

Bemalingen Overeenkomstig Bouwbesluit 2012, artikel 8.6, mag de grondwaterstand buiten de bouwput niet zover worden verlaagd, dat gevaar kan ontstaan voor de veiligheid van belendingen. Vooronderzoek  Er wordt een bemalingsplan opgesteld.  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot grondwaterstandsverlaging liggen.  De actuele en historische grondwaterstanden van het freatische oppervlaktewater en ook van de diepere watervoerende lagen worden gemeten en/of verzameld.  Er wordt bepaald wat de te bemalen hoeveelheid water per tijdseenheid wordt en wat de totale bemalingsduur gaat worden.  Op basis hiervan worden de bijbehorende meldingen gedaan of vergunningen aangevraagd.  Het invloedsgebied van de bemaling wordt vastgesteld volgens het bemalingsadvies  Er wordt een inschatting gemaakt van de te verwachten neerslag.  Er wordt een inschatting gemaakt van te verwachten lekkage door de keerwanden en bouwputbodem.  Er worden peilbuizen geplaatst volgens het bemalingsplan.  De mogelijkheid van retourbemaling wordt onderzocht.  Er wordt een maximaal toelaatbare grondwaterstandverlaging buiten de bouwput vastgesteld (grenswaarde). Metingen tijdens de uitvoering  Peilbuizen worden zodanig geplaatst en beschermd dat er geen regenwater (oppervlaktewater) in de peilbuis gaat stromen.  Er wordt een bemalingsproef uitgevoerd.

 De afgelezen metingen per peilbuis worden vergeleken met de grenswaarde. Het vaststellen van een alarmwaarde (90% van de

Blad 59 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

grenswaarde) is hier erg belangrijk, gezien het feit dat grondwater enige tijd nodig heeft om te stromen en op een bepaald peil te komen.  Afgelezen waterstanden in de peilbuizen worden door een deskundige geanalyseerd en vergeleken met de te verwachten waarden.  Metingen en analyse van grondwaterstanden worden met betrokkenen gecommuniceerd. Calamiteiten  De grenswaarde voor verlaging wordt overschreden.  De bemaling of retourbemaling faalt.  Er treden lekkages in de bouwputwand en/of –bodem op.  Er moet langer worden bemalen dan de vooraf ingeschatte periode. Maatregelen  De bemalingscapaciteit wordt aangepast.  Lekkages worden gedicht.  Er worden aanpassingen aan de bouwputwanden en/of –bodem uitgevoerd.  De bemalingsinstallatie wordt hersteld.  Er wordt toch retourbemaling toegepast.  Er worden reservepompen ingezet.  Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de grondwatergevoelige belendingen uitgevoerd. 7.1.5

Ontgravingen naast belendingen Open bouwputten worden meestal niet naast belendingen gegraven. Daarom blijft deze bouwputmethode hier verder buiten beschouwing. Bij de verdere beschouwing zal worden uitgegaan van een bouwput met kunstmatig aangebrachte bouwputwanden en een eventueel kunstmatig aangebrachte bouwputbodem. Vooronderzoek  Er wordt een zodanig bouwputontwerp gemaakt, dat er tijdens uitvoering geen gevaar voor de veiligheid van belendingen ontstaat.  Uitgangspunt hierbij is, dat verticale bouwputbegrenzingen niet zodanig vervormen, dat de veiligheid van belendende bouwwerken of in de weg gelegen kabels en leidingen geschaad wordt of dat hieraan ontoelaatbare vervormingen optreden.  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot vervorming van bouwputwanden liggen.  Er wordt bij het ontwerp van de bouwput rekening gehouden met uitval van stempels, gordingen of ankers, zoals omschreven in CUR-rapport 166.  Er wordt een berekening gemaakt van de te verwachten vervormingen van de bouwput en de daarmee samenhangende vervormingen van belendingen.  Er wordt een zodanige uitvoeringsfasering gekozen, dat er zo min mogelijk vervormingen buiten de bouwput optreden. Metingen  Tijdens het uitvoeren van de bouwput worden de metingen verricht, zoals omschreven artikel 7.1.2.

Blad 60 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

 

augustus 2018

Wanneer de bouwput dicht langs begrenzingen ligt, worden in de bouwputwanden inclino-metingen uitgevoerd. De resultaten van deze metingen worden continu vergeleken met de vervormingsmetingen aan de aangrenzende belendingen.

Calamiteiten  Er treden tijdens de ontgraving van de bouwput te grote vervormingen op bij belendingen.  Er treedt een onvoorziene uitval van stempels, gordingen of ankers op.  Er ontstaan onvoorziene lekkages in de bouwputwand en/of –bodem. o Lekkages kunnen ontstaan door problemen met de grondkerende elementen (damwanden, boorpalen), maar ook door discontinuïteit in de horizontale afsluitende laag van de bouwput. Lekkages kunnen ook ontstaan door slechte uitvoering van onderwaterbeton of opbarsten van een bouwput. Dit laatste kan optreden door het onvoorzien falen van spanningsbemaling.  Er treedt opbarsten van de bouwputbodem op. o Bij een gesloten bouwput (verticaal door grondkerende elementen tot onder de afsluitende laag en horizontaal door de aanwezigheid van een slecht of niet doorlatende laag op grotere diepte) kan zich dat voordoen door verlies van verticaal evenwicht van de bouwputbodem. Door het stijgen van overdruk van grondwater onder de afsluitende laag en/of een kleine dikte van de aanwezige grond boven deze laag, kan de putbodem openbarsten. Het optreden van opbarsten kan tijdens de uitvoering worden gecontroleerd door het plaatsen en voortdurend meten van diepe peilbuizen.

Door het meten van peilbuizen (waterdruk) in combinatie met grondonderzoek kan worden berekend of de afsluitende laag, samen met de erboven gelegen grondlagen, voldoende gewicht geeft om weerstand te bieden aan de opwaarts gerichte druk van het grondwater. Dit is een onderdeel van het ontwerp van de bouwput. Wijkt de werkelijke situatie af van de ontwerpuitgangspunten, dan moeten tijdens de uitvoering maatregelen worden getroffen, zoals een diep-bemaling, om de waterdruk in de diepere lagen te verlagen waardoor evenwicht van de bouwputbodem wordt bereikt. Een andere maatregel is het toepassen van verticale verankering van de bouwputbodem. De uitvoering van de diep-bemaling is nodig totdat er een bepaalde bouwfase bereikt wordt waarbij het verticale evenwicht zonder bemaling is gegarandeerd. Maatregelen  De bouwput wordt aangevuld om contragewicht op de bouwputwanden en/of –bodem te creëren.  De ontgravingsfasering wordt verder verfijnd.  De bouwputconstructie wordt aangepast (zie onder opbarsten van de bouwputbodem);  Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de belendingen uitgevoerd.

Blad 61 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

7.1.6

augustus 2018

Instabiliteit als gevolg van (gedeeltelijk) slopen Bij sloopwerkzaamheden kan het te slopen pand en mogelijk de belending instabiel worden, doordat stabiliserende elementen worden verwijderd of de samenhang van het bouwwerk verloren gaat. Vooronderzoek  Er wordt onderzoek gedaan naar de constructieopbouw van het (gedeeltelijk) te slopen object.  Er wordt onderzoek gedaan naar de staat van niet te slopen andere constructieve elementen en ook van de belendingen, indien deze nadelig worden beïnvloed door de sloop.  Archieftekeningen worden vergeleken met de werkelijke constructie.  Er wordt een asbestinventarisatierapport opgesteld.  Er wordt onderzocht of er een (tijdelijke) hulpconstructie nodig is, ter voorkoming van instabiliteit van nog niet gesloopte gedeelten of belendingen.  De slooptechnieken en sloopvolgorde worden op basis van bovengenoemde onderzoeken vastgesteld.  Er wordt een methode vastgesteld om sloopafval af te voeren. Meten en uitvoeren van sloopwerkzaamheden  Er wordt gecontroleerd op naleving van de sloopvolgorde.  Er wordt een visuele controle uitgevoerd van niet te slopen bestaande elementen (wanden, vloeren, balken).  Er worden (eventueel) benodigde metingen uitgevoerd in geval van het genereren van trillingen. Calamiteit  Er treedt instabiliteit op van dragende wanden.  Er ontstaat schade aan belendingen of gedeelten die nog in gebruik zijn.

 Er treedt gedeeltelijke instorting op van dragende elementen door verlies van evenwicht. Maatregelen  De slooptechnieken worden aangepast om schade te voorkomen.  Er wordt een hulpconstructie toegepast ter voorkoming van instabiliteit en/of instorting door verlies van evenwicht.  Omwonenden worden gewaarschuwd en, indien nodig, geëvacueerd.

7.1.7

Beschadigingen van objecten in de ondergrond Tijdens het werken aan ondergrondse kabels en leidingen dient onder meer te worden voorkomen: het valgevaar voor publiek, elektrocutie en het nietbeschikbaar zijn van nutsvoorzieningen. De betreffende instanties dienen te zijn benaderd en de betreffende procedures dienen daarbij te worden opgevolgd. Mocht dit aannemelijk zijn, dan dient tijdens de ontwerpfase een inventarisatie uitgevoerd te worden naar bijzondere ondergrondse objecten. Dit kan betrekking hebben op een ondergrondse (olie-) tank, ondergrondse infrastructuur, nietgeëxplodeerde explosieven e.d. In het bouwveiligheidsplan dienen de

Blad 62 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

veiligheidsmaatregelen te worden omschreven die betrekking hebben om het publiek en de omgeving. 7.1.8

Bijzondere gevaren Instabiliteit van een nog niet gereed bouwobject  Bouwwerken moeten tijdens de bouwfase ook stabiel zijn en dus voorzien zijn van de nodige stabiliteitselementen.  Dit geldt voor de globale stabiliteit (tegen windbelasting en initiële scheefstand) maar ook voor de lokale stabiliteit zoals kip- of knik.  Daarom worden soms extra berekeningen uitgevoerd om de stabiliteit tijdens de bouwfase te garanderen en worden er (indien nodig) tijdelijke hulpconstructies toegepast. Tijdelijke hulpconstructies en bouwmaterieel  Ten behoeve van de uitvoering worden vaak tijdelijke (hulp)constructies aangebracht, zoals steigers, hangsteiger e.d. Ook worden er bouwliften en bouwkranen toegepast.  Deze constructies moeten ook zodanig worden ontworpen, dat zij geen gevaar opleveren voor publiek en belendingen buiten de bouwput.  Met name kraanfundaties en kraanbanen moeten zijn ontworpen op uiterste omstandigheden (lasten bij in gebruik zijnde toestand en wind bij buiten gebruik zijnde toestand). Ook kranen op drijvende pontons moeten voldoende stabiel zijn ontworpen.

7.1.9

Risico’s door aanwezig asbest In het Bouwbesluit 2012 is in artikel 1.26 aangegeven in welke gevallen een sloopmelding moet worden gedaan bij het Bevoegd Gezag (meestal gemeente). Indien asbest aanwezig is, valt de verwijdering van het asbest ook onder de sloopmelding. In wet- en regelgeving is vastgelegd dat uit een bouwwerk eerst het aanwezige asbest moet worden verwijderd, alvorens tot sloop kan worden overgegaan. Bij bouwwerken, gebouwd voor 1 januari 1994, zal middels een asbestinventarisatie moeten worden bepaald waar het asbest zich bevindt en onder welke risicoklasse dit dient te worden verwijderd. Asbestverwijdering is aan strenge regels gebonden en zal, indien deze regels op juiste wijze worden toegepast, zelden tot onaanvaardbare risico’s voor de omgeving leiden. Ondanks de uitgevoerde asbestinventarisatie en het voorafgaand aan de sloop saneren van asbest uit het bouwwerk, bestaat er een kans dat toch nog asbest in het bouwwerk aanwezig is. Dit wordt niet gerapporteerd asbest genoemd. Tijdens de sloop van het bouwwerk kan dit asbest aan het licht komen, beschadigd raken en daarmee risico’s veroorzaken binnen het sloopproject, maar ook in de directe omgeving van de slooplocatie.

Een sloper is bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal verplicht de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk te staken en de vondst van niet gerapporteerd asbest direct te melden bij het Bevoegd Gezag. Het gaat in deze Richtlijn te ver om het gehele proces na het aantreffen van niet gerapporteerd asbest te beschrijven. Hiervoor willen wij verwijzen naar de

Blad 63 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Handreiking Slopen van de VBWTN, welke op basis van aanpassingen in wet- en regelgeving indien nodig wordt geactualiseerd. In relatie tot asbest dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: ‐ asbest kan ook worden aangetroffen bij het zgn. strippen van een bouwwerk (denk ook aan anti-kraak-maatregelen); ‐ voor het verwijderen van asbest en het slopen kunnen hulpconstructies, stempels en stutten noodzakelijk zijn; ‐ zorg voor de aanwezigheid van het rapport van eindbeoordeling na asbestsanering op de slooplocatie (de zgn. vrijgave); ‐ wees bedacht op bewust niet gesaneerd asbest bij gedeeltelijke sloop; ‐ voor het maken van hulpconstructies in of aan belendingen, kan het noodzakelijk zijn dat voor deze belendingen een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd; ‐ bij een instabiel belendend pand zal, als de situatie dat vereist, een asbestinventarisatie uitgevoerd moeten worden.

Instabiel kan inhouden dat het pand er zo slecht voor staat dat het of gesloopt moet worden of dat het spontaan in zou kunnen storten; ‐ het sloopplan van de sloopaannemer moet onderdeel zijn van het (sloop)veiligheidsplan, zodat beoordeeld kan worden of de omgevingsveiligheid tijdens sloop is gewaarborgd; ‐ decontaminatievoertuigen mogen in het openbaar gebied geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid; ‐ een steigerconstructie, ten behoeve van de uitvoering van de asbestverwijdering, mag geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid. 7.1.10

Ruimte voor de werkzaamheden Voor het realiseren is een bouwterrein nodig voor onder meer machines, werktuigen, materieel, hulpmaterialen, keten, opslag, depots, parkeren etc. Dit bouwterrein dient op schaal te worden weergegeven op tekening als onderdeel van het bouwveiligheidsplan. In een vroeg stadium van de ontwerpfase volstaat een globale inschatting van het benodigde terrein. Bijzondere aandacht vraagt de veelal omvangrijke ruimte voor materieel, parkeren en depots. Gedurende de ontwerpfase dient deze inschatting steeds nauwkeuriger te worden en uiteindelijk uit te monden in een bouwplaatstekening waarop de benodigde ruimte ten behoeve van alle uit te voeren werkzaamheden inzichtelijk is. De toegang tot de bouwplaats dient zodanig te worden gekozen dat aanrijdgevaar dient te worden voorkomen. De omvang van de terreinen is zodanig dat vluchtwegen, verzamelplaatsen, brandkranen, blusleidingen, routes en opstelplaatsen van hulpdiensten etc. toegankelijk blijven. De laad-, los- en hijszones zijn zodanig geprojecteerd dat risico’s van vallende voorwerpen wordt voorkomen. In het geval dergelijke zones zich bevinden dichtbij publiek, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Indien nodig dient in een parkeerplan de carpooling, de locatie van de voertuigen, de eventuele pendeldiensten, de locatie van bezoekers etc. te zijn uitgewerkt.

Blad 64 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Kennis van uitvoeringstechniek dient te worden ingebracht over de omvang van bouwkranen, bezinkbassins, bouwwegen, hijsroutes, een ketenpark etc. 7.1.11

Hulpverlening / brandveiligheid Tijdens de uitvoering van een project kan brandgevaar ontstaan voor de omgeving. Ook kan een aantal voorzieningen voor de hulpverlening een tijdelijk karakter hebben. Hierover beslist het bevoegd gezag al dan niet in overleg met de veiligheidsregio. Aandachtspunten zijn: het voorkomen van brandgevaar door werkzaamheden elders uit te voeren (te prefabriceren), het in stand houden van blusvoorzieningen / opstelplaatsen van blus- en hulpverleningsvoertuigen, het overkluizen van en in stand houden van vluchtwegen, etc.

Het Bouwbesluit 2012 stelt in hoofdstuk 7 gebruiksvoorschriften voor (bestaande) bouwwerken. Deze direct werkende - en dus handhaafbare - voorschriften zijn te allen tijde van toepassing op bouw- of sloopwerkzaamheden waarbij het gebruik van bouwwerken in stand blijft. Bij een dreigende calamiteit of gevaar kan het bevoegd gezag direct handhavend optreden. 7.1.12

Afscheidingen Een afscheiding geeft de omvang van een bouwterrein aan waarvoor een opdrachtgever en aannemer verantwoordelijk zijn voor de veiligheidsmaatregelen, volgens onder meer het Arbobesluit. Buiten een afscheiding gelden wetgeving als de Wegenverkeerswet en is naast een opdrachtgever en aannemer bijvoorbeeld ook een wegbeheerder verantwoordelijk. Een afscheiding wijst zodoende verantwoordelijke en bevoegde partijen aan. Een tweede functie van een afscheiding is het afschermen van publiek voor de gevaren. Een afscheiding dient doeltreffend te zijn tegen gevaren als aanrijdgevaar, vallende voorwerpen, asbest etc. Het gevaar van een onjuiste of onduidelijke afscheiding is dat publiek er vanuit kan gaan dat een ruimte veilig toegankelijk is, terwijl dit niet het geval is: men is zich niet bewust van de gevaren. In elke bouwfase zijn er specifieke gevaren die voortkomen uit stof, putten en sleuven, hijswerk, laswerk etc. Het type afscheiding dient dusdanig te worden gekozen dat het publiek in voldoende mate wordt beschermd. Er is weinig regelgeving over een afscheiding van bouwprojecten. Er worden weinig eisen gesteld in Arbowettelijke bepalingen; een bouwplaats moet zijn afgebakend en gemarkeerd. In het Bouwbesluit 2012 zijn er geen specifieke bepalingen opgenomen over afscheidingen in de bouwfase.

Uit het Bouwbesluit 2012, artikel 8.2 sub a, kan worden geconcludeerd dat moet worden voorkomen dat personen het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden en dat het terrein dus moet zijn afgesloten.

Blad 65 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Niet in het Bouwbesluit 2012 maar in de voormalige (Model)bouwverordening stond in artikel 4.9 het volgende over “Afscheiding van het bouwterrein”. 1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is. 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. 3. Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Bij het bepalen van de omvang van een bouwlocatie is de eerste vraag: wat is de erfgrens? Het kost veelal weinig moeite om op deze grens een afscheiding te plaatsen. Een volgende vraag is: welke ruimte kan in overleg aan de bouwlocatie worden toegevoegd? Maak indien nodig van elke bouwfase een aparte situatietekening met de afscheiding. Aanbevolen wordt om uit te gaan van de grootst mogelijke bouwlocatie en de afscheiding zoveel mogelijk intact te laten in elke bouwfase.

Indien mogelijk worden in één keer afspraken gemaakt met de betrokken belendende partijen over de ruimte die zij nodig hebben voor een goede bereikbaarheid, exploitatie, beheer e.d. Neem in de situatie- of de bouwplaatstekening een renvooi op met de codering voor de verschillende typen afscheidingen (bouwhekken, schuttingen, bakens, barriër etc.). Geef op een situatietekening aan wat de locatie is van de afscheidingen inclusief de waarschuwings- en informatieborden e.d.

7.2

Hinder In artikel 8.3, 8.4 en 8.5 van het Bouwbesluit 2012 staan voorschriften om hinder ten gevolge van bouw- en sloopactiviteiten te beperken. In deze artikelen is de nodige beleidsvrijheid aangegeven (ontheffings- en handhavingsstrategie, zie paragraaf 3.6).

Blad 66 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Hogere wetgeving, zoals Wet geluidhinder, Wet milieubeheer, Wegenverkeerswet, Wet Lokaal Spoor e.d. en de toekomstige Omgevingswet prevaleren te allen tijde. Omdat het Bouwbesluit 2012 rechtstreeks werkend is, betekent dit dat deze hinderbepalingen ook van toepassing zijn als deze werkzaamheden ingevolge het Besluit omgevingsrecht vergunningsvrij zijn. 7.2.1

Geluidshinder Bouwlawaai als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden heeft in tegenstelling tot industrie-, weg-, spoorweg- en luchtvaartlawaai een tijdelijk karakter. Echter bouwlawaai kan veel geluidshinder veroorzaken en daardoor gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen die in de omgeving verblijven. Bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden kunnen geluidsoverlast veroorzaken. In artikel 8.3 Bouwbesluit 2012 staan voorschriften om de hinder te beperken. Deze voorschriften hebben echter alleen betrekking op bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden die worden uitgevoerd op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur (de dagperiode).

Figuur 7.1: Tabel 8.3 van het Bouwbesluit 2012

Ontheffingsmogelijkheid Op grond van artikel 8.3, lid 3 Bouwbesluit 2012 kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen voor bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden in de avond- en nachtperiode. Hierbij is het gebruikelijk om onderscheid te maken tussen avond (19.00 – 23.00 uur) en nacht (23.00 – 07.00 uur). Ook voor werkzaamheden op zondag en feestdagen kan ontheffing worden verleend. Omdat het doel is om hinder “zoveel mogelijk” te beperken, is de aanbevolen strategie voor het verlenen van ontheffingen “Nee, tenzij….” Acceptabele argumenten om toch toestemming te verlenen kunnen zijn: 1. Zwaarwegend maatschappelijk belang (dus geen commercieel belang). 2. Beperken of voorkomen van grote negatieve effecten op bereikbaarheid overdag. 3. Bevorderen van de veiligheid van mens en dier. 4. Verkorten van de blootstellingsduur. 5. Geen interval in werkzaamheden mogelijk. 6. Onevenredige kosten als overdag wordt gewerkt. Altijd dient te worden aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken en werkwijze. Geluidhinder bij de bron beperken is het meest effectief.

Blad 67 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

In geval van het verlenen van ontheffingen is het tijdig en juist informeren van alle betrokkenen (omwonenden, politie, aannemer/onderaannemers, toezichthouders) van groot belang. Als voorwaarde in de ontheffing wordt sterk aanbevolen om de opdrachtnemer (veroorzaker van het lawaai) te verplichten een onafhankelijke, continue akoestische registratie van het optredende geluidsniveau uit te voeren op de daarvoor aangewezen locaties (zie ook Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 2004).

Figuur 7.2: Weergave voorwaarden ontheffingen uit “Handhaafinstructie geluidhinder”, gemeente Utrecht.

Bij overschrijding van de grenswaarden dient opdrachtnemer onmiddellijk passende maatregelen te treffen alle betrokkenen hiervan op de hoogte te stellen. Voorbeelden van mogelijke ontheffing:  Technische noodzaak als onderdeel van een bouwproces. o Bijvoorbeeld: het vlinderen van betonvloeren.  Grote bouwwerken in stedelijke gebieden waarbij de bereikbaarheid en de veiligheid voor derden(publiek) en de omgeving behouden moet blijven. o Bijvoorbeeld: In- en uithijsen van staalconstructies/roltrappen enz. (grote winkelketens/warenhuizen, bouwputten/werken nieuwbouw in stedelijk gebied.)  Maatschappelijke noodzaak/infrastructurele werkzaamheden. o Bijvoorbeeld: bouw- of sloopwerkzaamheden aan wegen, viaducten, spoor, en trambanen. o Werkzaamheden die niet overdag kunnen plaatsvinden, met als voornaamste reden doorstroom van het verkeer in het kader van de bereikbaarheid. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt

Blad 68 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

tussen hinder en maatschappelijke noodzaak om (met name in nachten) door te werken. Bijzondere evenementen. o Bijvoorbeeld: kermissen, podia, jaarmarkten, etc.

Belangrijk hierbij is dat in een vroeg stadium hierover overleg en communicatie (hoofdstuk 8) plaatsvindt met diverse diensten en omwonenden. 7.2.2

Trillingen Het gaat hierbij dus om hinder en niet om schade en eventuele onveilige situaties veroorzaakt door trillingen, dat staat beschreven in par. 6.1.3 In het Bouwbesluit (8.4) wordt verwezen naar de SBR-richtlijn deel B (hinder voor personen in gebouwen), figuur 7.3, die is bedoeld voor trillingen veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden. Omdat het hier vaak om tijdelijke, kortdurende trillingen gaat biedt de richtlijn de ruimte om de hinder te “accepteren”.

Figuur 7.3: NB: het gaat hierbij om streefwaarden en niet om grenswaarden, zoals bij deel A, schade aan gebouwen. De normen gelden voor geluidsgevoelige ruimten (Wet geluidhinder) en verblijfsruimten.

Ook hier wordt (in lid 2) de mogelijkheid gegeven dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen. Trillinghinder door (spoor)verkeer heeft volop aandacht, maar valt buiten deze richtlijn. 7.2.3

Stofhinder Letterlijk in Bouwbesluit (8.4): Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen. Maatregelen: afdekken, filteren, schermen, nathouden en sproeien.

7.2.4

Verkeer Bouwverkeer onderscheidt zich van regulier verkeer door bijzonder gedrag en het uitvoeren van ‘bijzondere manoeuvres’. Deze manoeuvres zijn alleen toegestaan als geen hinder ontstaat. Als de frequentie van de manoeuvres hoog is, zijn verkeersmaatregelen nodig. Het kan gaan om het in- en uitrijden van terreinen, het keren of het achteruitrijden op de openbare weg, het stoppen op de openbare weg als gevolg van het laden en lossen. Daarnaast kan bouwverkeer de openbare weg vervuilen of beschadigen. Dergelijke gebeurtenissen kunnen in strijd zijn met de Wegenverkeerswet. Ook kan

Blad 69 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

dergelijk gedrag hinderlijk zijn of onveilig gedrag bij andere weggebruikers in de hand werken. De risico’s die daarmee samenhangen dienen te worden voorkomen. Een geheel ander type risico wordt veroorzaakt door bijzondere kenmerken van het vervoermiddel. Hijswerk of materieel dichtbij een tramleiding kan elektrocutie veroorzaken en kan een tramleiding beschadigen. Voorkomen dient te worden dat een tram- of bushalte wordt gehinderd. Te allen tijde moet worden voorkomen dat hulpdiensten worden gehinderd door eventuele verkeersmaatregelen.

Een voorbeeld. Aan de overzijde van een bouwproject dient de toegang tot een belendend terrein voor autoverkeer te worden gegarandeerd. Op de schets is te zien dat tijdens het inrijden van een trailer een gedeelte van de rechterrijstrook wordt geblokkeerd en dat de draaicirkel buiten de verkeersruimte van het afslaande verkeer ligt. Aandacht

vraagt

het

vertragen

van

het

tegemoetkomende verkeer, zodat de remafstand groter is dan de zichtafstand: auto’s kunnen tijdig anticiperen op een obstakel (in de vorm van een inrijdende trailer). Ook uit andere informatie blijkt dat deze verkeersmaatregel nauwelijks invloed zal hebben op de verkeerssituatie op stedelijk niveau. Daarom is besluitvorming op stedelijk niveau waarschijnlijk niet nodig en zal het project geen vertraging oplopen door een ontbrekende vergunning.

7.3

Leefbaarheid De vormgeving en inrichting van een bouwplaats kan verstorend werken in de bestaande omringende beeldkwaliteit. Of sterker nog: de sfeer van een locatie kan veranderen als er zich personen ophouden die een locatie vervuilen, drugs gebruiken, stelen of anderen lastigvallen. Een bouwproject dient zodanig zijn ingericht dat het terrein overzichtelijk is, geen donkere hoeken heeft en deugdelijk is afgezet. Het kan nodig zijn dat het bouwteam samenwerkt met politie, wijkteam, een regisseur of anderen om personen met asociaal gedrag te begeleiden en handhavend op te treden als dit nodig is. Een bouwteam doet er verstandig aan om een project zodanig vorm te geven dat het uiterlijk acceptabel is voor de omringende betrokkenen.

Blad 70 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Het onderwerp “Leefbaarheid” is een nadrukkelijk onderdeel van tegenwoordig veel voorkomende, en bij sommige gemeenten al verplichte, BLVC-plannen (BLVC staat voor Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie), die tijdens de hele bouw worden vastgelegd. Doel van een dergelijk plan is dat tijdens de uitvoering de straat, buurt, wijk of stad maatschappelijk en economisch kan blijven functioneren, dat de overlast voor omwonenden en gebruikers zoveel mogelijk wordt beperkt en dat bij problemen duidelijk is wie hiervoor aanspreekbaar is en op welk moment.

Blad 71 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

8

augustus 2018

Communicatie Naast het bevoegd gezag zijn er veel betrokkenen rondom een bouwproject die behoefte hebben aan informatie. Ook is er een werkzame samenwerking nodig tussen een groot aantal betrokkenen in relatie tot een bouwproject. Hiervoor is organisatie en communicatie nodig. In het bouwveiligheidsplan dient te worden omschreven hoe maatregelen georganiseerd en gecommuniceerd worden als bijv. een wijziging in de verkeerssituatie, vluchtwegen en bereikbaarheid van omringende functies. Een uitleg van de getroffen maatregelen kan gunstig werken op wantrouwende omstanders. Dit kan ver gaan. Een convenant tussen de betrokken partijen kan worden verlangd, in bijvoorbeeld het geval dat er kosten zijn gemoeid bij de omringende partijen om een maatregel door te voeren, of dat een bepaald gedrag (bijv. een ruimte ter beschikking stellen, een financiële vergoeding verlenen) nodig is bij diverse partijen. Als een duidelijk beeld wordt gegeven op welke momenten sprake is van overlast, kan er rekening mee worden gehouden en kan er door bewoners en ondernemers op worden ingespeeld. Een goede communicatie heeft tot gevolg dat de acceptatiebereidheid van bewoners en ondernemers vergroot wordt. De communicatie kan de aannemer en/of de gemeente op verschillende manieren verzorgen. Bijvoorbeeld met nieuwsbrieven maar ook via moderne mediakanalen als Twitter en Facebook.

Communicatie belanghebbenden Communicatie tijdens het sloop/bouwproject, het blijven informeren en betrekken van belanghebbenden zoals bewoners, winkeliers, gebruikers van de openbare ruimte en hulpdiensten, is noodzakelijk. Een goede relatie met belanghebbenden zorgt voor minder (ervaren) overlast. Belanghebbenden vinden vaak dat de communicatie en voorlichting tekortschieten. Niet of onvolledig informeren, te laat of niet vaak genoeg, zijn veel genoemde klachten. Ook is niet altijd duidelijk met wie men contact kan opnemen als er vragen of problemen zijn, of welke procedure moet worden gevolgd wanneer er schade is. Het is essentieel om bewoners, ondernemers, bezoekers en andere belanghebbenden tijdig en goed op de hoogte te brengen van de werkzaamheden die voor hun deur of in hun omgeving plaatsvinden. Goede communicatie leidt tot meer begrip voor de situatie tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Voor de bewoners en ondernemers is het van belang dat zij zich kunnen wenden tot een klachtenmeldpunt. Doe iets terug, betrek bewoners bij activiteiten, organiseer rondleidingen op de bouwplaats Maak de bouwplaats aantrekkelijk, maak wel of niet zichtbaar. Creëer kijkmogelijkheden.

Blad 72 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

Als voorbeeld en meer informatie verwijzen wij naar de Toolbox Bouwhinder van de gemeente Utrecht: www.utrecht.nl/toolboxbouwhinder. Of op de website van A naar Beter (www.vananaarbeter.nl). Hoe kunt u bewoners informeren?  Informatiecentrum en website.  Tijdig informeren van de omgeving, over de planning, werkzaamheden en mogelijke overlast daarbij zodat men zich daarop kan voorbereiden, via een brief en/of de website.  Projectinformatie op wijkwebsites plaatsen en bijhouden; gemeentelijke wijkbureaus kunnen u daarbij helpen.  Maak gebruik van Twitter en Facebook.  Wees open, duidelijk en eerlijk over wat wel en niet kan en wat u gaat doen. Hoe voorkomt u en gaat u om met klachten?  Zorg voor een apart klachtenmeldpunt.  Reageer snel en adequaat op klachten, meldingen en vragen.  Koppel terug, doe navraag en informeer actief over de stand van zaken van klachten en meldingen.  Zorg voor persoonlijke aandacht, bezoek aan huis.  Zorg voor een vaste contactpersoon.  Bewonersbegeleiding, mediator. Hoe kunt u bewoners betrekken?  Activiteiten, rondleidingen op de bouwplaats.  Maak bouwplaats aantrekkelijk, maak wel of niet zichtbaar.  Creëer kijkmogelijkheden.

Blad 73 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

9

augustus 2018

Bijlagen De bijlagen en voorbeelden zijn opgenomen op de Dossierpagina van de richtlijn op www.bwtinfo.nl. Link dossierpagina: https://www.bwtinfo.nl/dossiers/richtlijnbouw-en-sloopveiligheid

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

MODEL Veiligheidsmatrix (staat op site www.bwtinfo.nl) VOORBEELD Overkluizing en overbouwing - afbeeldingen 5 t/m 9 MODEL veiligheidsplan MODEL controlelijst VOORBEELD Iconen en lijntypen VOORBEELD Handhaafinstructie geluidhinder 2015 - gemeente Utrecht VOORBEELD Instructie bouwlawaai VOORBEELD Beleidsregel bouw- en sloopgeluid Den Haag 2017

Blad 74 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

augustus 2018

“Het doel van een bouw- en sloopveiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord, in zijn relatie tot de directe omgeving en de openbare ruimte, gerealiseerd wordt”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=e8461575-e334-4949-88e1-dae57c432e12