Landelijke Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid incl illustraties.pdf
Tekst van het document
8.7, het vragen om een bouwveiligheidsplan, waarin de gegeven aanwijzingen zijn verwerkt. Wanneer het bouwveiligheidsplan vervolgens toch niet wordt ingediend, kan dit leiden tot een buiten behandeling stelling / het niet ontvankelijk verklaren van de aanvraag omgevingsvergunning16. Een buiten behandeling stelling / het niet ontvankelijk verklaren kan ook zijn dat het bij de aanvraag ingediende bouwveiligheidsplan onvoldoende waarborgen biedt dat vooraf inzichtelijk is gemaakt of een beoogd initiatief veilig en verantwoord - in zijn relatie tot de directe omgeving en de openbare ruimte - kan worden gerealiseerd. Complex hierbij is dat de ontvankelijkheidstoets alleen is bedoeld om de aanwezigheid van documenten te beoordelen en niet om deze inhoudelijk te beoordelen. Een niet-ontvankelijkheidsoordeel zou daarom juridisch kunnen worden aangevochten. Een bouwveiligheidsplan hoeft niet per sé door een uitvoerend bouwbedrijf te worden voorbereid. In het aanvraagstadium is een aannemer vaak nog niet in beeld.
15
In samenhang met Bor artikel 4.7
16
Dit moment is in de vergunningprocedure het enige “sturingsmoment” van het bevoegd gezag
Blad 26 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Het bouwveiligheidsplan, zoals dat in het aanvraagstadium moet worden voorgelegd, kan bestaan uit een hoofopzet en uitgangspunten (zoals bijv. genoemd onder Bb, art. 8,7.c), Dit plan kan op aanwijzing van het bevoegd gezag worden opgesteld door een ter zake deskundige. Op basis van dit uitgangspuntenplan kan een gedetailleerd veiligheidsplan voor de uitvoering worden gemaakt. Wat zegt het Bouwbesluit 2012? Artikel 8.1. Aansturingsartikel 1. De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie (......) zoveel mogelijk wordt voorkomen. Artikel 8.2. Veiligheid in de omgeving Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: c. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. Artikel 8.7. Bouwveiligheidsplan De op grond van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen worden op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een bouwveiligheidsplan. Het plan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag: a. + b. (.....); c.
indien een bouwput gemaakt wordt: 1e de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem; 2e de uitgangspunten voor een bemalingsplan; 3e de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken; Tot de hoofdopzet van de bouwput kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ of in een open of gesloten bouwput gaat worden gewerkt; ‐ van welk materiaal de bouwputwanden gemaakt worden (damwanden, Berliner wanden, CSM- of diepwanden, e.d.); ‐ of de bouwputwanden uitwendig verankerd of inwendig worden gestempeld; ‐ of een eventuele verankering permanent of tijdelijk is (een eventuele uitwendige verankering dient in overleg met de eigenaar van het terrein, waarin verankerd wordt, te worden ontworpen); ‐ of de bouwputwanden permanent of tijdelijk zijn; ‐ hoe de bouwputwanden aangebracht gaan worden (wel of niet met trillingsrisico's); ‐ of de bouwput droog wordt gehouden door middel van bemaling of met een al dan niet kunstmatige bodemafsluiting; ‐ hoe de waterdichte afsluiting van de bouwputbodem wordt geregeld (natuurlijke lagen, onder-water-beton, verankeringen e.d.).
Tot de uitgangspunten van een bemalingsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ wat de gewenste waterstandverlaging zal zijn; ‐ hoeveel water er per tijdseenheid bemalen moet worden om de gewenste verlaging te realiseren (dit in verband met een onttrekkingsvergunning);
Blad 27 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
‐ ‐
augustus 2018
wat de totale tijdsduur van de bemaling zal worden; of er een retourbemaling zal plaatsvinden (om de reikwijdte van de bemaling te beperken.
Tot de uitgangspunten van een monitoringsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ welke bouwwerken in de omgeving gemonitord gaan worden; ‐ de toezegging dat er een opnamerapportage van de onderhavige panden zal worden opgesteld; ‐ de toezegging dat er bij deze panden een nulmeting met betrekking tot zettingen uitgevoerd zal worden; ‐ op welke wijze eventuele zetting gemeten gaan worden (boutjes, 3Dmeting, e.d.); ‐ op welke wijze eventuele trillingen gemeten gaat worden (o.b.v. SBRrichtlijn A: Schade aan bouwwerken); ‐ wat de maximale zettingen en/of relatieve rotaties en de maximale trillingen mogen worden; ‐ wat de procedure is bij overschrijding van zettings- of trillingsgrenzen. De formulering "op aanwijzing van het bevoegd gezag" impliceert, dat er aan het bouwveiligheidsplan onder meer projectgebonden inhoudelijke voorwaarden, met betrekking tot het gestelde in Bouwbesluit 2012 artikel 8.2 t./m 8.6, gesteld kunnen worden door het bevoegd gezag. Dit geldt zowel voor de verantwoording in aanvraagstadium (Mor, artikel 2.2) als voor de verdere uitwerking na vergunningverlening (Mor, artikel 2.7). In de omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag voorwaarden opnemen voor een verdere detailuitwerking, van het bij de aanvraag ingediende bouwveiligheidsplan.
Welke aspecten van deze uitwerking onderdeel uitmaken van de indieningsvereisten, zoals omschreven in het Bouwbesluit artikel 8.7, lid c1 t/m c3 en welke na vergunningverlening kunnen worden ingediend, kan per project in overleg met het bevoegd gezag worden bepaald. Het verdient uit oogpunt van goede communicatie tussen bevoegd gezag en aanvrager/vergunninghouder echter de voorkeur om de in artikel 8.7 bedoelde aanwijzing zo concreet mogelijk te formuleren, bijv. in de nadere voorwaarde in de vergunning. Wat zegt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)? De toekomstige opvolger van het Bouwbesluit 2012 is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In de conceptversie juni 2017 van het Bbl is te lezen dat een aantal van de voorschriften uit hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen in hoofdstuk 7 (artikelen 7.15 t/m 7.19) van het Bbl. Ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 is er in deze versie niet langer één inhoudelijk artikel over het veiligheidsplan opgenomen. Uit de artikelen 7.8, 7.11, 7.13 en de indieningsvereisten bij de vergunning (op regelingsniveau) volgt echter wel dat in veel gevallen een veiligheidsplan dient te worden opgesteld.
Uit een ambtelijk overleg tussen de VBWTN en BZK van 7 augustus 2017 heeft BZK aangegeven dat de “sturingsmogelijk” van bouw- en sloopveiligheid, zoals deze nu in het Bouwbesluit 2012 is opgenomen, ook onder de OW/Bbl op eenzelfde wijze mogelijk blijft.
Blad 28 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Volledigheid en aanvullingsverzoek Voor de regels met betrekking tot het opvragen van aanvullende gegevens bij een aanvraag om omgevingsvergunning moet worden gekeken naar artikel 4:5 van de Awb. Aantal keren aanvullende gegevens opvragen De Awb gaat ervan uit dat de aanvrager één keer in de gelegenheid wordt gesteld de gebrekkige aanvraag aan te vullen. Alleen als uit die gegevens naar voren komt dat alsnog bepaalde andere informatie nodig is kan alsnog een tweede keer informatie worden aangevraagd (zie verderop onder aanvullende activiteit). Indien de aanvraag niet voldoende wordt aangevuld kan de gemeente de aanvraag buiten behandeling stellen. Het staat de gemeente vrij om vervolgens nogmaals gegevens op te vragen, aangezien de Awb dit niet expliciet verbiedt. De gemeente kan het aanleveren van de tweede en volgende series van aanvullende gegevens niet afdwingen, op straffe van het buiten behandeling laten van de aanvraag. Indien de aanvrager niet vrijwillig de aanvullende gegevens aanlevert, zal de gemeente moeten beslissen op grond van de gegevens uit de aanvraag inclusief de eerste (of in uitzonderingsgevallen, dus een tweede) aanvulling. De vergunning kan dan niet worden geweigerd op grond van het niet beschikbaar zijn van de overige gegevens. Termijn De Awb kent geen termijn waarbinnen de gemeente aanvullende gegevens op mag vragen.
De gemeente mag dus tot op de laatste dag van de fatale termijn nog aanvullende stukken opvragen. Hierbij moet vervolgens wel rekening worden gehouden met het feit dat direct na ontvangst van de gegevens (of deze nu juist zijn of niet) de termijn weer gaat ‘lopen’. De gemeente moet binnen die termijn hebben beslist, zo niet dan ontstaat in het geval van een reguliere procedure een omgevingsvergunning van rechtswege. Toetskader / weigeringsgrond bij een aanvraag omgevingsvergunning De weigeringsgronden voor een aanvraag omgevingsvergunning staat limitatiefimperatief genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Eén daarvan is het aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. LET OP: Wabo artikel 2.10, lid 1, sub a zegt nadrukkelijk dat het niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk voldoet aan de voorschriften een weigeringsgrond is. Men kan niet in redelijkheid stellen dat het ontbreken van het veiligheidsplan aan deze kwalificatie voldoet. Immers als aannemelijk is dat het bouwwerk kan voldoen (aan de overige toetskaders, zoals het bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand, Bouwbesluit 2012 hoofdstuk 2 t/m 6) kan het bouwveiligheidsplan als nadere voorwaarde worden vermeld. Met de strekking tenminste 3 weken voor de bouwstart een bouwveiligheidsplan ter goedkeuring overleggen, zo niet, een bouwverbod.
Blad 29 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
4.3
augustus 2018
Toezicht en handhaving In de toezichtstrategie van het bevoegd gezag is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. Het gaat hierbij om het observeren en constateren van het wel of niet voldoen aan de regels. In het algemeen onderscheiden wij actief en passief toezicht. Actief toezicht vindt planmatig plaats en komt tot uiting in routinematig en projectmatig toezicht. Bij bouw- en sloopwerkzaamheden bestaat het toezicht vooral uit actief toezicht op verleende omgevingsvergunningen en gemelde activiteiten inclusief bouwveiligheidsplannen. Passief toezicht vindt plaats naar aanleiding van klachten, meldingen, calamiteiten en handhavingsverzoeken. Deze kunnen van burgers, bedrijven, organisaties of overheidsinstanties afkomstig zijn. Klachten, meldingen en handhavingsverzoeken die te maken hebben met lopende bouw- en sloopwerkzaamheden vallen onder de beginselplicht tot handhaving en worden altijd onderzocht. Heeft de klacht betrekking op een overtreding, dan wordt opgetreden. In veel gevallen blijkt echter dat men overlast ondervindt van bouwen sloopactiviteiten die legaal plaatsvinden. Hoewel dan niet kan worden opgetreden tegen de bron van de overlast, wordt geprobeerd de overlast via overleg toch te verminderen of, door hen goed te informeren, begrip te kweken voor de ontstane situatie.
Het Bouwveiligheidsplan is hierbij een belangrijk sturingsmiddel. In de Landelijke Handhavingstrategie staat wat er moet gebeuren als bij een controle een overtreding wordt geconstateerd en hoe dan wordt afgestemd met het Openbaar Ministerie en de politie. Het doel van de Landelijke Handhavingstrategie is dat gemeenten, provincies, omgevingsdiensten, landelijke inspecties, politie en het OM op afgestemde wijze en zo nodig samen uitvoering geven aan hun beginselplicht tot handhaven. Zij treden daarbij passend op bij constatering van een overtreding en zorgen ervoor dat vergelijkbare situaties ook zoveel mogelijk gelijk worden behandeld. Mocht tijdens de realisatiefase blijken dat er wordt gebouwd zonder of in afwijking van een goedgekeurd, al dan niet nader uitgewerkt, bouw- of sloopveiligheidsplan kan het werk stil worden gelegd c.q. handhavend worden opgetreden. Mag een vergunning worden verleend als er mogelijk schade ontstaat aan omliggende panden? Vraag In bezwaren tegen een bouwvergunning wordt vaak als bezwaargrond ingebracht dat door de uitvoering van de vergunde werkzaamheden schade ontstaat aan het eigen pand van de bezwaarmaker. Dit is zeker een vaak ingebracht bezwaar als er sprake is van heiwerkzaamheden. In een recente uitspraak17 van de Raad van State is de wettelijke grondslag van een dergelijk bezwaar aan de orde.
17
Uitspraak RvS 201600001/1/A1, d.d. 12 april 2017
Blad 30 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Antwoord De Afdeling gaat na welke voorschriften de gemeente aan de vergunning heeft verbonden. Het gaat om het voorschrift tot het indienen van een palenplan en een bouwveiligheidsplan en de monitoring van trillingen en zettingen tijdens de heiwerkzaamheden. Verder is niet in geschil dat de heimethode, waarin het project die is gebruikt, algemeen bekend staat als trillingsarm. Appellant had een technisch bezwaar gemaakt over de breedte van de palen. De gemeente wist dit bezwaar op de zitting te weerspreken. Ook had appellant naar voren gebracht dat beter voor de methode van het trillingsvrij persen kon worden gekozen. Ook dit wist de gemeente met een technisch betoog te weerspreken. Om die reden blijft de vergunning in stand, ook al is door toepassing van de vergunning aantoonbaar schade ontstaan. De Afdeling gaat er kennelijk vanuit dat schade altijd kan ontstaan, ook in het geval dat de gemeente heeft aangetoond voldoende maatregelen te hebben genomen. 4.4
Het bouwveiligheidsplan Het Bouwbesluit 2012 kent geen verschil in sloopveiligheidsplannen of bouwveiligheidsplannen. In beide gevallen is er sprake van een veiligheidsplan. Wat in een bouwveiligheidsplan moet worden opgenomen is per 1 april 2014 vastgelegd in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012. Artikel 8.7 Bouwbesluit 2012 De op grond van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen worden op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een veiligheidsplan. Het plan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag: a. ten minste een tekening waaruit de bouw- of sloopplaatsinrichting blijkt met: 1° de toegang tot de bouw- of sloopplaats inclusief begrenzing, afscheiding en afsluiting van de bouw- of sloopplaats; 2° de ligging van het perceel waarop wordt gebouwd of gesloopt en de omliggende wegen en bouwwerken; 3° de situering van het te bouwen of te slopen bouwwerk; 4° de aan- en afvoerwegen; 5° de laad-, los- en hijszones; 6° de plaats van bouwketen; 7° de in of op de bodem van het perceel aanwezige leidingen; 8° de plaats van machines, werktuigen en ander hulpmaterieel en opslag van materialen; 9° de bereikbaarheid van bluswater- en andere veiligheidsvoorzieningen; b. gegevens en bescheiden over de toe te passen bouw- of sloopmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouw- of sloopwerkzaamheden; c.
indien een bouwput wordt gemaakt: 1° de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem;
Blad 31 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
2° de uitgangspunten voor een bemalingsplan; 3° de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken; d. een rapport van een akoestisch onderzoek, indien aannemelijk is dat de dagwaarde vanwege het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden meer bedraagt of de maximale blootstellingsduur in dagen langer duurt dan de waarden, bedoeld in artikel 8.3, tweede en derde lid, of indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan de beleidsregels als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid; e. een rapport van een trillingenonderzoek, indien aannemelijk is dat het uitvoeren van de bouw- of sloopwerkzaamheden een grotere trillingssterkte veroorzaakt dan de trillingssterkte bedoeld in artikel 8.4, eerste lid.
Blad 32 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
5
augustus 2018
De risicoanalyse Het doel van de risicoanalyse is om inzicht te krijgen in de risico’s van diverse groepen personen in de omgeving, het oriënteren op de oplossingsrichtingen en het bepalen van de veiligheidsmaatregelen. Op de site van de Vereniging Bouw en Woningtoezicht is een Model Veiligheidsmatrix te downloaden. Deze kan behulpzaam zijn om de risico’s te analyseren. Zie hiervoor het dossiermenu ‘bouw- en sloopveiligheid’ op www.bwtinfo.nl. Diverse partijen (gemeente, opdrachtgever, aannemer, ontwerper o.a.) kunnen een risicoanalyse uitvoeren. Op basis van de risicoanalyse zijn verschillende vervolgstappen mogelijk: - het uitvoeren van een quickscan tijdens de ontwerpfase, bijvoorbeeld in de voorlopige ontwerpfase; - het bepalen van de procedure-stappen zoals vooroverleg voeren, een bouwveiligheidsplan (op hoofdlijnen) eisen o.i.d.; - het bepalen van de inhoudelijke eisen van het bouwveiligheidsplan; - het opstellen van het bouwveiligheidsplan. Samenvatting stappenplan Stap 1: Mogelijke risico's onderkennen 1. Bestudeer de tekeningen, vorm een beeld van het funderings-, bouw- sloopen afbouwsysteem, inventariseer de beschikbare ruimte. 2. Maak een voorlopige inschatting van de omvang van het bouwterrein. 3. Maak een inschatting van de ruimten met de risicobeheersing voor publiek of voor bouwplaatspersoneel. 4.
Maak een overzicht van de omringende functies (woningen, wegen, maatschappelijke functies als een gemeentehuis, school, kwetsbare functies als een ziekenhuis, een monument, een tunnel, kabels en leidingen e.d.). 5. Controleer of de risico’s compleet zijn door het gehele bouwproces te doorlopen: het bouwrijp maken, de funderingsfase, de ruwbouwfase, de afbouwfase, de installatiefase, de fase van testen en ingebruikname, de woonrijpfase e.d. Stap 2: Omschrijven risico-aspecten 1. Analyseer ieder risico en beschrijf dit in de vorm van één of meer risicoaspecten. 2. Bepaal de bouwveiligheidszone, de hijszone en het hijsgebied. (zie hoofdstuk 6) 3. Bepaal de risico’s van lawaai, trillingen, hinder en overlast, de benodigde ruimte voor hulpverlening e.d. (zie hoofdstuk 7) 4. Bepaal de mogelijkheden van bronaanpak. 5. Vul (al bij voorkeur tijdens de ontwerpfase) de risicomatrix in: geef een kwantitatieve beoordeling van de bouwplaatsoverstijgende veiligheidsrisico’s. Stap 3: Afspraken maken over de maatregelen 1. Laat een voorstel doen in de maatregelen, acceptatiemomenten.
de
keurings-
en
Blad 33 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
2. 3. 4. 5.
augustus 2018
Beoordeel de voorstellen. Maak afspraken over de beheersmaatregelen per risico-aspect. Bij een eventuele calamiteit moet worden aangetoond dat alle maatregelen die redelijkerwijs te treffen waren, getroffen zijn. Bepaal of de afspraken aantoonbaar kunnen worden nageleefd.
Stap 4: Handhaving beheersmaatregelen 1. Beoordeel of de maatregelen overeenkomen met het bouwveiligheidsplan. 2. Geef aan op welke wijze de beheersmaatregelen worden afgedwongen door de opdrachtgevende partijen en hoe de veiligheid organisatorisch is geregeld.
Blad 34 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Figuur 5.2.4: Uitsnede van de Model Veiligheidsmatrix. Op de site www.bwtinfo.nl/dossiers is de matrix te downloaden. Aanbevolen wordt om deze te gebruiken om de risico’s te analyseren.
Toelichting stappenplan 5.1
Stap 1: Mogelijke Risicomatrix.
risico’s
onderkennen.
Gebruik
hiervoor
de
Het doel van deze stap is het bepalen van de scope van het project en de omgevingsfactoren waarop het project van invloed is. Bestuderen van het project Bestudeer de oppervlakte, de hoogte, de diepte (van een bouwkuip bijvoorbeeld) van het project. Maak in eerste instantie een inschatting van de mogelijk beschikbare ruimte. Bijzondere risico’s Er dient veel aandacht te worden besteed aan gevaren door vallende voorwerpen, aanrijdgevaar, lawaai, trillingen e.d. Maak daarom een overzicht van de omringende functies en de bijzondere risico’s. Voor een naastgelegen school is bijvoorbeeld lawaai tijdens een examenperiode een bijzonder risico waar rekening mee dient te worden gehouden. Analyseer vooraf de omgeving van het bouwsloopterrein en vorm een beeld van het gebruik van de openbare ruimte. Zijn er bijvoorbeeld voetgangersstromen, of rijdt er openbaar vervoer langs het bouw en of sloopterrein? Vorm een beeld van de stabiliteit van de belendingen. Onderzoek ook of er nog andere bouw- en of sloopactiviteiten in dezelfde omgeving tegelijkertijd plaatsvinden. Inventariseer de risico’s voor elke groep van personen, door het proces te herhalen voor elke fase van het uitvoeringsproces. Houd rekening met de omvang van (zwaar) transport, bouwkranen, de ruimte rondom een bouwkuip, de werkzaamheden met veel lawaai of trillingen e.d.
Veilig voor bouwplaatspersoneel, veilig voor publiek De Arbowet- en regelgeving richt zich allereerst op het bouwplaatspersoneel en als gevolg daarvan is een groot aantal veiligheidsvoorzieningen nodig; er zijn maatregelen nodig als een gekeurde bouwkraan, stevig hijsgereedschap, berekende steiger, en op veiligheid opgeleid personeel op de bouwplaats. Het bouwplaatspersoneel dient te zijn geïnstrueerd over de afstemming van de hijsroute en de looproute en de Arbo-voorschriften richten zich ook op de omgeving (de ‘derden’), bijvoorbeeld door het voorkomen van vallende voorwerpen. Deze voorzieningen veronderstellen een voldoende deskundig inzicht in de risico’s, maar deze risico’s worden veelal niet herkend door personen buiten de bouwplaats. De
Blad 35 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
risico’s vanuit het bouwterrein kunnen daarom een ontoelaatbaar risico betekenen voor de omgeving. Denk aan een groot voorwerp dat wordt gehesen vanaf het bouwterrein, draait in de wind en boven de openbare weg terecht komt. Er is daarom een overlap tussen ‘de risico’s binnen de bouwhekken’ en ‘de risico’s buiten de bouwhekken’. In de richtlijn wordt daarom gesproken van de bouwplaatsoverstijgende risico’s voor publiek. Een belangrijk begrip hierin is de bouwveiligheidszone. Dit is de zone waarop het ‘bouwterrein eindigt en de openbare ruimte begint’ of anders gezegd publiek is veilig vanaf of buiten deze zone. 5.2
Stap 2: Omschrijven risico-aspecten Met deze stap wordt de informatie verzameld om de vervolgstappen te kunnen zetten, zoals het organiseren van vooroverleg en de eisen aan het bouwveiligheidsplan. Risico-aspecten Ieder risico heeft een andere aanpak nodig, of het nu gaat om trillingen, scheefstand, instabiliteit van belendingen, instabiliteit van materieel, onttrekking grondwater, aanrijdgevaar, vallende voorwerpen, etc. Nadat in stap 1 de betrokken groepen in de omgeving en het bouwproject zijn geanalyseerd, worden voor elke groep personen de relevante risico’s in beeld gebracht en worden de veiligheidsmaatregelen geformuleerd. Risicoanalyse vanwege werkzaamheden Een aantal risico’s hangen samen met de afstand tot de werkzaamheden: druipend water, vallende voorwerpen, spattende vonkdelen of olie. Een groot aantal van deze risico’s wordt weggenomen door de bouwveiligheidszone. Het is niet toegestaan dat publiek zich bevindt binnen deze zone. De bouwveiligheidszone wordt uitgebreid als gevolg van risicovolle werkzaamheden dichtbij de buitenzijde van het object. Vanwege risico’s van hijswerk worden de hijszone en het hijsgebied bepaald. Vanwege montage-, sloopwerk en andere type werkzaamheden wordt de bouwveiligheidszone bepaald. De risicoanalyse vanwege werkzaamheden is als volgt: 1. Bepaal de bouwveiligheidszone. 2. Maak een inschatting van mogelijke losplaatsen. 3.
Bepaal de grootste elementen die worden gehesen. 4. Bepaal de hijszone en het hijsgebied. 5. Bepaal de locaties waarop en de omvang van elementen die worden gemonteerd of gesloopt aan de buitenzijde van het object. 6. Bepaal het hijsgebied/werkgebied als gevolg van werkzaamheden. Op grond van de bouwveiligheidszone wordt bepaald welke ruimten worden afgesloten, welke wegen omgeleid en welke voorzieningen nodig zijn tegen vallende voorwerpen. Het is mogelijk om de bouwveiligheidszone te verkleinen of andere methodieken, technieken o.i.d. toe te passen. De zone waarin publiek niet is toegestaan, wordt vergroot door de hijszone en het hijsgebied, zie de volgende paragrafen.
Blad 36 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Bepaal de Bouwveiligheidszone, hijszone en hijsgebied op basis van hoofdstuk 6 In hoofdstuk 6 zijn de verschillende stappen en variabelen beschreven om te komen tot het bepalen van de bouwveiligheidszone. Bepaal de risico’s van lawaai, hinder en overlast Er wordt een verkennend vooronderzoek gedaan naar de belendingen die binnen de bouwveiligheidszone liggen. Voer een quickscan uit naar de belendingen die cosmetische schade kunnen oplopen, die kunnen scheuren of die ernstig kunnen vervormen, naar de invloed van bemalingen, naar de risico’s van ontgravingen. Er wordt een verkennend onderzoek gedaan naar de geluids- en trillingsbelastende werkzaamheden en met name bij het aanbrengen van damwanden en heiwerk. Maak een vergelijking tussen de mogelijke alternatieve systemen en de mogelijkheden om de geluids- en trillingsbelasting van deze systemen te verminderen. Maak een inschatting van de nodige projectspecifieke maatregelen, zoals een vooronderzoek, metingen, bronaanpak, beperkende maatregelen, monitoring en calamiteitenplan. Bepaalde maatregelen van een project hebben betrekking op sociale veiligheid, toezicht op de bouwplaats, de informatievoorziening etc. (zie volgende hoofdstukken). Omschrijf de gekozen maatregelen in het bouwveiligheidsplan, verwerk de maatregelen op een situatietekening van elke bouwfase en op de nodige doorsneden.
Oplossingsrichtingen Bij een conflict tussen publiek en de bouwveiligheidszone zijn er in principe vier oplossingsrichtingen: 1. Bronaanpak door het gevaar weg te nemen. 2. Het verkleinen van de bouwveiligheidszone door het gevaar te voorkomen door het nemen van veiligheidsmaatregelen. 3. Het tijdelijk creëren van een bouwveiligheidszone zodat het publiek tijdelijk verplaatst is buiten deze zone. 4. Het verkleinen van de bouwveiligheidszone door het gevaar te beperken en beschermende maatregelen treffen. Ad1: Een voorbeeld kan zijn: het gevaar van een vallende heipaal wordt voorkomen door in plaats van te heien te gaan boren. Een ander voorbeeld is het monteren van een binnenspouw vanuit de binnenzijde van het gebouw. Ad 2:
Een voorbeeld van het beperken van een gevaar is het verkleinen van een voorwerp dat aan de buitenzijde van het project wordt verwerkt.
Ad 3: is
Een tijdelijke bouwveiligheidszone is de zone die tijdelijk niet toegankelijk voor publiek vanwege gevaren als valgevaar door zware voorwerpen of de benodigde ruimte voor materieel.
Blad 37 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Ad 4: Een beschermende maatregel is bijvoorbeeld een vangschot voor voetgangers waardoor de bouwveiligheidszone verkleind kan worden. Mogelijkheden van bronaanpak Bronaanpak houdt in dat risico’s bij de bron worden bestreden en dat bijvoorbeeld: - geen personen aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden; - dat kleine onderdelen zijn samengevoegd en geprefabriceerde onderdelen op een gecontroleerde wijze worden bewerkt; - dat technieken worden toegepast die een beperkte lawaai- of trillingsbelasting met zich meebrengen. Pas nadat blijkt dat bronaanpak niet mogelijk is, kan nader onderzoek worden gedaan naar het beperken van de risico’s. Risico-beperkende maatregelen Bij risicobeheersing blijft het gevaar van vallende voorwerpen bestaan maar wordt de impact beperkt. Het gevaar van een vallende baksteen wordt bijvoorbeeld afdoende beheerst door toepassing van een voorziening dat de val beperkt is (dat kan een steiger met steigerdoek zijn, een scherm, een vangschot o.i.d.). Om het gevaar van zware vallende voorwerpen te beheersen zijn gespecialiseerde technieken nodig. Het beheersen van een groot voorwerp als een damwand-plank vereist bijzondere veiligheidskundige kennis. Dit dient te zijn uitgewerkt in een doorsnede, detail, berekening o.i.d. Het verdient aanbeveling om dit al zo vroeg mogelijk in de ontwerpfase op te starten.
Invullen van de (model) veiligheidsmatrix Bij deze richtlijn is een veiligheidsmatrix ontwikkeld om in een vroeg stadium risico’s te onderkennen en deze te beheersen. Deze is digitaal te downloaden via de dossiermenu ‘bouw- en sloopveiligheid’ op www.bwtinfo.nl. Met deze matrix wordt een weging gedaan van de bouwplaatsoverstijgende veiligheidsrisico’s en worden de vervolgstappen bepaald. Op basis van de veiligheidsmatrix wordt bepaald of, en zo ja in welke fase een bouwveiligheidsplan wordt geëist, of afstemming met bevoegd gezag nodig is, of vooroverleg dient te worden gevoerd. Als blijkt dat onvoldoende informatie beschikbaar is kan een voorafgaande stap opnieuw worden gezet en de matrix opnieuw worden ingevuld. Uit de veiligheidsmatrix kan het volgende blijken: 1. Een bouwveiligheidsplan is niet nodig. 2. Het bouwveiligheidsplan kan na de vergunningsverlening worden uitgewerkt. Het bouwveiligheidsplan wordt een nadere voorwaarde in het besluit. 3. Het bouwveiligheidsplan moet tijdens vergunningsprocedure op hoofdlijnen worden uitgewerkt en akkoord worden bevonden door het bevoegd gezag, voorafgaande aan de vergunningverlening. De uitwerking in detail kan plaatsvinden na de vergunningverlening. Als er geen akkoord op hoofdlijnen is, en de bouw of sloop derhalve niet veilig kan worden uitgevoerd dient er door het bevoegd gezag te worden overwogen de vergunning te weigeren. 4.
Het bouwveiligheidsplan moet tijdens de vergunningprocedure in detail worden uitgewerkt en deel uitmaken van het besluit. Als er geen goedgekeurd uitgewerkt bouwveiligheidsplan is, dient er door het bevoegd gezag te worden overwogen de vergunning te weigeren!
Blad 38 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
5.3
augustus 2018
Stap 3: Afspraken maken over de maatregelen Het doel van deze fase is het (laten) maken van bindende afspraken tussen de betrokkenen over de nodige maatregelen. Formuleer de maatregelen Laat de aannemer maatregelen formuleren zoals het bepalen van de bouwveiligheidszone, de hijszone en het hijsgebied, de maatregelen tegen lawaai, trillingen, verzakkingen en stofhinder e.d. Beoordeel de maatregelen Beoordeel of de scope voldoende is (alle betrokkenen zijn belicht) en of voldoende inhoudelijke maatregelen zijn geformuleerd voor elk risico-aspect. Bepaal of alle betrokkenen voldoende worden gekend en deelnemen aan het maken van afspraken over maatregelen. Maak afspraken met betrokken partijen De aannemer toont aan dat over de beheersmaatregelen per risico-aspect afspraken zijn gemaakt met betrokkenen en dat deze door ondertekening akkoord zijn met deze afspraken. Bij een eventuele calamiteit Bij een eventuele calamiteit moet worden aangetoond dat alle maatregelen die redelijkerwijs te treffen waren, zijn getroffen. Naleving en aantoonbaarheid Bepaal of de afspraken aantoonbaar kunnen worden nageleefd en aangetoond. Dit kan in de vorm van het aanleggen van een logboek.
5.4
Stap 4: Handhaving beheersmaatregelen Het doel van deze fase is het op de bouw- sloopplaats uitvoeren van de vastgestelde maatregelen. Beoordeling Beoordeel of de uitgevoerde maatregelen overeenkomen met het bouwveiligheidsplan, met het gemeentelijk beleid, de wetgeving en deze richtlijn. Beheersmaatregelen afdwingen Geef aan op welke wijze de beheersmaatregelen worden afgedwongen door de opdrachtgevende partijen en hoe de veiligheid organisatorisch is geregeld.
Blad 39 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Bouwveiligheidszone, hijszone en hijsgebied
6 6.1
Ontwikkeling normen en korte geschiedenis Met name voor hoogbouwplannen op stedelijke locaties werd geruime tijd geleden al de behoefte gevoeld aan normering, voor onder andere de hijswerkzaamheden. In 1996 zijn in Den Haag normen opgesteld op basis van vroegere regelgeving van de Arbeidsinspectie. Met de regeling en de tabel bouwhoogte in relatie tot veilige afstand voor publiek zijn goede ervaringen opgedaan. Met referentie aan de Duitse normering voor veiligheid en gezondheid bij toren– en schoorsteenbouw ZH 1/1601 van juli 1997 is de regeling in 2006 aangepast voor bouwwerken tot grotere hoogte (140 meter). De regeling is telkens aangepast aan nieuwe versies van het Bouwbesluit en bleek goed te voldoen. Er is echter geen wetenschappelijke onderbouwing van de hoogtenormen. Wel is in de loop der jaren deze tabel in diverse landelijke publicaties overgenomen. In 2016 deden zich enkele incidenten voor die tot de conclusie leiden dat aanvulling van de regeling wenselijk is voor situaties waarin het risico bestaat op het wegkaatsen van vallende objecten vanaf of via andere objecten die aanwezig zijn op of direct nabij de bouwplaats. In 2017 is een aantal veel voorkomende risico’s beschreven en een voorstel gedaan voor te nemen maatregelen.
6.2
Veiligheidsafstanden (Bouwveiligheidszone, hijszone en hijsgebied) In deze paragraaf wordt de bouwveiligheidszone bepaald. Deze wordt in eerste instantie bepaald door de hoogte van het gebouw of de hoogte van de hijslast, maar de in deze paragraaf beschreven situaties kunnen van invloed zijn op de omvang van de bouwveiligheidszone (BZV). De tabel 1 is bedoeld als uitgangspunt / richtlijn bij hoogbouw. Voor elke bouw- en slooplocatie gelden specifieke werk gerelateerde omstandigheden. In specifieke situaties kunnen alternatieve oplossingen worden goedgekeurd op basis van gelijkwaardigheid, zolang hierdoor geen verhoogd risico ontstaat voor derden.
Grafiek: Bouwveiligheidszone ten opzichte van hoogte gebouw en of hijslast
Blad 40 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
gebouwhoogte / hijslasthoogte (m) 3 6 9 12 15 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130
bouwveiligheidszone (m) 1,5 2 2,5 3 3,5 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
augustus 2018
gebouwhoogte / hijslasthoogte (m) 140 150 160 170 180 190 200 210 220 230 240 250 260 270 280 290 300
bouwveilighei ds-zone (m) 16 17 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 30 31 32 33 34
Tabel 1: De relatie tussen gebouwhoogte / hijslasthoogte en bouwveiligheidszone, tot een gebouwhoogte van 300 meter. Tot 150m is dit in Nederland beproeft. Boven de 150m moet hier ervaring mee worden opgedaan.
Ingediende bouwveiligheidsplannen worden o.a. getoetst aan de volgende criteria die verderop nader worden toegelicht: Bouwterrein 1. Het bouwterrein bestrijkt de oppervlakte van het te bouwen object, het materiaal en het materieel, het werkterrein, de bouwveiligheidszone, de hijszone en het hijsgebied. Het bouwterrein moet fysiek zijn afgescheiden van zijn omgeving. 2. Een bouwkraan of mobiele kraan moet altijd op het bouwterrein zijn opgesteld. Bouw- en sloopveiligheidszone 3. Een bouw- en sloopveiligheidszone is niet toegankelijk voor derden of voor publiek. 4. Altijd moet de bouwveiligheidszone, zoals in de tabel 1 genoemd, tijdens de werkzaamheden aanwezig zijn. 5. Een bouwveiligheidszone is bedoeld voor klein vallend materiaal en materieel (maximaal gewicht 50 N) en is geen laad-, los- of hijszone. Hijszone 6. Een hijszone is een gebied waarboven uitsluitend lasten gehesen mogen / kunnen worden. 7. Het oppervlak van de hijszone is minimaal gelijk aan het projectieoppervlak van het te hijsen voorwerp. 8. Wanneer rotatie van de te hijsen last mogelijk is (bijvoorbeeld door de wind) dan geldt voor de bepaling van de hijszone de grootste afmeting (lengte of breedte of hoogte) van de last.
Blad 41 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Hijsgebied 9. Het hijsgebied is de hijszone aangevuld met rondom de aan de benodigde hijshoogte gerelateerde bouwveiligheidszone. 10. Tussen de hijszone en het openbaar gebied is altijd een bouwveiligheidszone (BVZ) aanwezig. De hijslasthoogte en/of de gebouwhoogte bepaald conform tabel 1 de maatvoering die nodig is voor de BVZ. Wordt er voor een gevel of steiger langs, omhoog gehesen, dan komt daar extra nog aanvullend 1/3 BVZ maat bij. (figuur 6.2) 11. Het hijsgebied moet binnen het bouwterrein / de bouwplaatsafscheiding vallen. 6.2.1 Kleine vallende voorwerpen Het risico van kleine vallende voorwerpen doet zich voor in de bouwveiligheidszone. Zoals eerder is omschreven, is deze zone afhankelijk van de objecthoogte (zie tabel 1 en tabel 2). De zone dient op de situatietekening te worden geprojecteerd. Hieruit kan worden afgeleid binnen welke openbare ruimten zich risico’s voordoen en waarvoor in elk geval maatregelen nodig zijn tegen kleine vallende voorwerpen. Een kleine nuancering is mogelijk: het is mogelijk om te bepalen tot welke hoogte de bouwveiligheidszone binnen de contouren van het bouwterrein valt. Deze hoogte wordt bijvoorbeeld op een aanzicht (bijv. een geveltekening) verwerkt. Aan de hand van deze lijn kan worden bepaald welke werkzaamheden worden uitgevoerd, terwijl de risico’s zich voordoen binnen de grenzen van het bouwterrein.
Voor deze werkzaamheden zijn voorzieningen nodig, in elk geval tegen kleine vallende voorwerpen. Tijdens de ontwerpfase dient het gevaar van kleine vallende voorwerpen te zijn bepaald en de bouwveiligheidszone op (situatie-) tekening te zijn aangegeven. Vóór aanvang van de uitvoeringsfase dient de bouwveiligheidszone nauwkeurig op tekening te staan. 6.2.2 Zware vallende voorwerpen Het gevaar van zware vallende voorwerpen doet zich voor tijdens het lossen, hijsen en monteren van grote elementen aan de buitenzijde van het gebouw / object. Dit risico doet zich voor in het hijsgebied en in de hijszone. Belangrijk daarbij is de omvang van het object. Als bijvoorbeeld een vloerelement met een lengte van 8 meter wordt gehesen tot een hoogte van 20 meter (de bouwveiligheidszone is 4 meter) is het hijsgebied voor dit element 8 plus 4 plus 1/3 van 4 meter is 1,3 m1is 13,3 meter vanaf de gevel van het bouwwerk. In deze zone kan geen publiek aanwezig zijn. Er wordt rekening gehouden met het draaien van een element door de wind; de lengte (maar niet de breedte) van een langwerpig voorwerp is hierbij bepalend. 12. Het hijsen van een last over de openbare straat en/of in gebruik zijnde belendingen is niet toegestaan. 13. Het hijsgebied kan een hijsroute zijn of een gebied waarin grote of zware onderdelen worden bewerkt. 14.
Mocht een hijsgebied boven een belending zijn geprojecteerd (de projectie van bouwveiligheidszone op maaiveld is maatgevend) dan mogen zich binnen deze projectie geen derden bevinden. Wanneer zich binnen de
Blad 42 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
projectie van de bouwveiligheidszone noodtrappenhuizen bevinden, moeten de vloervelden, welke voor ontvluchting op deze trappenhuizen zijn aangewezen, aanvullend ook vrij van publiek zijn / worden gemaakt. Dit zal veelal tot het instellen van een alternatieve vluchtroute (bypass) leiden.
6.2.3 Bouwveiligheidszone De bouwveiligheidszone is afhankelijk van de objecthoogte en volgt de contouren van het object, zie het volgende hoofdstuk voor details. Het is mogelijk dat het bouwproces in fasen met een verschillende hoogte wordt uitgevoerd; in dat geval wordt de bouwveiligheidszone voor elke fase bepaald. De bouwveiligheidszone heeft betrekking op kleine en relatief lichte voorwerpen (tot 5 kg). Voor zwaardere voorwerpen gelden de hijszone en het hijsgebied. De bouwveiligheidszone geldt voor de duur van het gehele project omdat het gevaar van kleine vallende voorwerpen zich voordoet in elke uitvoeringsfase van het project. Het kan gaan om voorwerpen als sloopafval, onderdelen van bouwmachines, bouwmaterialen en gereedschap. Als het nodig is kan voor een specifiek gevaar een bijzondere maatregel worden getroffen. Geef op de situatietekening de hoogten van de bouwdelen aan. Bepaal aan de hand van tabel 1 de bouwveiligheidszone van elk bouwdeel, die de contouren volgt van het object.
Figuur 6.1
In het bovenstaande figuur is te zien dat de bouwveiligheidszone de contouren volgt van het object. Doordat personen zich bevinden buiten de bouwveiligheidszone, worden zij beschermd tegen uiteenlopende gevaren die zich voordoen in elke uitvoeringsfase.
Blad 43 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
6.2.4 Hijszone en hijsgebied Het is niet toegestaan dat personen zich kunnen bevinden in het gebied dat invloed kan ondervinden door hijswerk; dit wordt bepaald door de hijszone en het hijsgebied. Zie het volgende hoofdstuk voor details.
Figuur 6.2
Het bepalen van dit gebied begint met de inschatting van de mogelijke losplaats. Elementen kunnen draaien in de wind en daarom wordt de draaicirkel van het grootste element geprojecteerd in de hijszone. Vanaf dit element kunnen onderdelen vallen en daarom wordt tweemaal de omvang van de bouwveiligheidszone erbij opgeteld: dit is het hijsgebied. Als bijvoorbeeld een vloerelement met een lengte van 8 meter wordt gehesen tot een hoogte van 40 meter (de bouwveiligheidszone is 6 meter) is het hijsgebied voor dit element 8 plus 6 plus 1/3x6 = is 16 meter. In deze zone kan geen publiek aanwezig zijn. In veel gevallen is het mogelijk om de hijszone en het hijsgebied te projecteren aan tenminste één zijde van het object. Geef aan welke zijde de voorkeur verdient. Als de ruimte aan de buitenzijde van het object ontbreekt, kan het nodig zijn dat vanaf de bouwplaats wordt gelost en gehesen of zelfs binnendoor het object wordt gehesen. Nadat de laad- of losplaats en de verticale hijsbeweging is bepaald, kan het nodig zijn om de hijsroute vast te leggen. Dit is nodig als personen zich in het object kunnen bevinden (dit moet blijken uit stap 1). Voor de omvang van de hijsroute geldt hetzelfde als het hijsgebied.
Inmiddels zijn de technische mogelijkheden van de kranen, die gebruikt worden in Nederland, zover ontwikkeld dat het mogelijk is kranen door middel van software te begrenzen voor wat betreft de hijshoogte en het draaibereik. Als het
Blad 44 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
bouwveiligheidsplan gebruikmaakt van specifiek benoemde hijszones en/of zones waarin een hoogte-beperking en/of een verbod geldt voor het hijsen, dient de kraan gebruik te maken van softwarematig ingeregelde begrenzingen voor de hijshoogte en het draaibereik. Deze softwarematige begrenzingen moeten overeenkomstig de uitgangspunten van datzelfde bouwveiligheidsplan zijn ingeregeld. De softwarematige begrenzing van de hijshoogte en het draaibereik van de kraan kunnen als een gelijkwaardige oplossing worden aangemerkt voor de vergroting van de bouwveiligheidszone. De maatregelen volgens de Richtlijn Torenkranen zijn verplicht. 6.2.5 Hijsgebied als gevolg van werkzaamheden Het hijsgebied wordt eveneens aangehouden tijdens werkzaamheden waarbij grote onderdelen worden verwerkt aan de buitenzijde van het object. In een vroeg stadium van de ontwerpfase is een beperkt aantal onderdelen bekend; op dat moment wordt gefocust op de mogelijke omvang van de grote elementen. In de uitvoeringsfase wordt de hijszone voor elk onderdeel en de betreffende veiligheidsmaatregel bepaald. Ook voor deze werkzaamheden wordt het hijsgebied bepaald door de omvang van een voorwerp (de grootste afmeting: de lengte, breedte of hoogte) plus de bouwveiligheidszone rondom het tijdelijke hijsgebied.
Figuur 6.3
6.2.6 Benodigde extra bouwveiligheidsruimte ruimte tussen hijsgebied en bouwwerk en /of steiger. Uit de praktijk is gebleken dat het voor een kraanmachinist niet mogelijk en gewenst is om een hijslast dicht langs een bouwwerk/steiger verticaal omhoog te transporteren. Onder invloed van wind zal een hijslast mogelijk zijdelings onverwacht kunnen gaan bewegen. Hierdoor kan er een risico ontstaan dat de hijslast onderweg naar boven ergens achter blijft haken. Uit het expertpanel kwam ook naar voren dat in de praktijk veel incidenten hebben plaatsgevonden doordat
Blad 45 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
een hijslast het gebouw raakte. Om de kraanmachinist de ruimte te geven verticale bewegingen verantwoord uit te voeren moet er extra aanvullende bouwveiligheidsruimte worden gecreëerd tussen het hijsgebied en het bouwwerk en/of steiger. Deze ruimte is op basis van de resultaten uit het expertpanel bepaald op 1/3 deel van de waarde, zoals die vermeldt staat bij de betreffende hijslast hoogte die van toepassing is. Bijvoorbeeld bij een hijslasthoogte van 100m staat een waarde in tabel 1 van 12 meter bouwveiligheidsruimte. 1/3 Deel van deze waarde is 4 meter. De hijszone dient in dat geval minimaal 4 meter van het gebouw af te liggen.
Figuur 6.4
6.2.7 Invulplannen en overbouwingen Voor te bouwen objecten, welke direct aan een belending grenzen, gelden dezelfde uitgangspunten. Het betreft zowel horizontale als verticale ontmoetingen van bestaande bouw en bouwactiviteiten. 1. Een dak van een belending, welke aan een nieuw te bouwen object grenst, dient als bouwveiligheidszone te worden ingericht. Ook hier geldt de tabel 1 voor klein vallend materiaal respectievelijk materieel. 2. Bij invulplannen zal de aan de op maaiveldniveau gerelateerde projectie van de bouwveiligheidszone mogelijk aanleiding zijn voor ontruiming van de belending. Zie afbeelding 6.2.7.1 en 6.2.7.2. 3. Een alternatieve oplossing kan zijn dat alleen de bovenste verdiepingen worden ontruimd. Het instellen van deze "veiligheidsbuffers" zal vanuit de logistiek, welke voortvloeit uit de gekozen bouwmethode, door de hoofdconstructeur van het werk vooraf moeten worden beoordeeld / berekend en ter goedkeuring bij het bevoegd gezag ingediend moeten worden.
Blad 46 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
4. 5.
augustus 2018
Ingeval er zich kelders onder het maaiveld bevinden geldt de oppervlakte van de projectie op maaiveldniveau ook voor de onder maaiveld gelegen bouwlagen. Bij aanwezigheid van derden in de bouwveiligheidszone (onder constructies of hulpconstructies boven of ondergronds), bij belendingen dient altijd via een constructief dynamische berekening te worden aangetoond dat de constructie waarop een object terecht kan komen dat dit verantwoord mogelijk is.
Figuur 6.5
Blad 47 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Figuur 6.6
Voor overbouwingen / overkluizingen zoals bijvoorbeeld het bouwen boven een weg ligt de moeilijkheidsgraad nog hoger. Een logistiek plan zal ook hier onderdeel uit moeten maken van de uitvoering. Alle fasen eisen hun eigen voorzieningen m.b.t. bouwveiligheid. Een uitgewerkt stappenplan geeft inzicht in de risico's / gevaarzettingen per bouwfase. 6.2.8 Vergroten bouwveiligheidszone in verband met weg kaatsende voorwerpen Bij enkele incidenten op bouwplaatsen zijn binnen de bouwveiligheidszone voorwerpen uit hijstransportmiddelen gevallen. Deze zijn afgeketst op, in de bouwveiligheidszone aanwezige objecten, zoals een hefsteiger en een bouwlift en daardoor buiten het bouwterrein terecht gekomen. Inmiddels zijn de technische mogelijkheden van de kranen, die worden gebruikt in Nederland, zover ontwikkeld dat het mogelijk is kranen door middel van software te begrenzen voor wat betreft de hijshoogte en het draaibereik. Dit is een goed middel om in voorkomende gevallen de bouwveiligheid en veiligheid in de omgeving te borgen.
Blad 48 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Vallende voorwerpen kunnen wegkaatsen. Om rekening te houden met het risico op wegkaatsen van objecten tot buiten de bouwveiligheidszone zijn de volgende aanvullende regels van toepassing. De afmetingen van de bouwveiligheidszone worden in eerste instantie bepaald door de hoogte van het te bouwen object conform het huidige Bouwveiligheidsbeleid. Indien zich binnen de bouwveiligheidszone objecten bevinden die de valrichting van een vallende hijslast kunnen beïnvloeden, dient de bouwveiligheidszone te worden vergroot. Deze is op tekening 6.7 aangegeven als de BVZ+.
Figuur 6.7 (weg kaatsende vallende objecten)
Objecten die de val kunnen beïnvloeden zijn onder meer: hefsteigers; bouwliften; containers; hulpconstructies; rekken / voorraden bouwmateriaal. Het vergroten van de bouwveiligheidszone is afhankelijk van: de maximale hoogte van de hijslast; de plaats van het object ten opzichte van de grens van de bouwveiligheidszone; de maat die uit tabel 1 voortvloeit. Indien de bouwveiligheidszone niet kan worden vergroot, dient het object, waardoor het risico op wegkaatsen ontstaat, uit de bouwveiligheidszone te worden
Blad 49 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
verwijderd, in ieder geval tijdelijk, zolang de betreffende werkzaamheden voortduren. 6.2.9 Vergroten BVZ bij het hijsen van lange delen (damplanken, prefab heipalen, wapeningselementen en andere lange in de grond achterblijvende onderdelen). Bij het aanbrengen van lange verticale objecten dient er altijd rekening mee gehouden te worden dat deze objecten uit het hijsmiddel kunnen vallen. Dit betekent dat ten tijde van de hijsbeweging tot aan het moment van stand zekerheid (fixeren) er voor gezorgd moet worden dat er indien nodig extra bouwveiligheid ruimte wordt gecreëerd. Tijdens het verwerken van deze lange delen dient dan ook een bouwveiligheidszone aanwezig te zijn gelijk aan de lengte van het lange deel. Dit kan inhouden afhankelijk hoe dicht aan de rand van het bouwproject wordt gewerkt dat tijdelijk een zeer grote bouwveiligheidszone aanwezig is. Is dit onmogelijk dan dient een maatwerkoplossing te worden voorgelegd in het bouwveiligheidsplan en dient het bevoegd gezag dit te beoordelen. Dat kan door het tijdelijk beschikbaar hebben van een extra bouwveilgheidzone dan wel door aanvullende hulpconstructies die het vallende object kunnen stoppen in de val en de richting van die val.
Figuur 6.8
6.2.10 Hardheidsclausule (gelijkwaardigheid) Voor elke bouw- en slooplocatie kunnen specifieke, plaatselijke werkgerelateerde omstandigheden van toepassing zijn. Dit kan voor het lokaal bevoegd gezag een aanleiding zijn om op basis van gelijkwaardigheid een alternatieve oplossing ("maatwerk") te accorderen die mogelijk in afwijking zijn van het gestelde zoals verwoordt in de Landelijke richtlijn. Daarmee heeft het bevoegd gezag altijd zelf de keuze voor maatwerkvoorschriften. Uitgangspunt hierbij is echter wel dat er geen verhoogd risico voor derden mag ontstaan t.o.v. de reguliere werkwijze.
Blad 50 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
6.3
augustus 2018
Veiligheid volgens de Arbowet- en regelgeving Het niet naleven van Arbo-richtlijnen en anderszins onveilige werkwijzen binnen de bouwhekken, kunnen van (grote) invloed zijn op de veiligheid van derden buiten de bouwplaats. De opdrachtgever en opdrachtnemer dienen erop toe te zien dat er op een veilige manier gewerkt en gehesen wordt zodat derden buiten de bouwveiligheidszone geen risico lopen. Artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 (Veiligheid in de omgeving) stelt: ‘Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: a. letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen; b. letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, etc. In het bouwveiligheidsplan dient expliciet te worden verklaard dat: ‐ alleen conform wet- en regelgeving en de Arbo- richtlijnen hijslasten worden verplaatst; ‐ erop wordt toegezien dat lasten niet los kunnen komen van het hijsgereedschap en dat het hijsgereedschap niet van de kraan los kan raken.
Meer specifiek dat er wordt gewerkt met hijsgereedschappen die voldoen aan het Warenwetbesluit machines; ‐ indien dit door de aard van de last niet kan worden voorkomen, een uitvalbeveiliging moet worden toegepast of de bouwveiligheidszone ten tijde van het hijsen van de last wordt vergroot; ‐ de aanvrager in zijn bouwveiligheidsplan verklaart kennis te hebben genomen van het bouwveiligheidsbeleid (deze Landelijke Richtlijn en het bouwveiligheidsbeleid van de betreffende gemeente) en zich hieraan te conformeren. Op basis het Arbobesluit is men verplicht een Coördinator uitvoeringsfase in te stellen. Het is ook aan te bevelen dit te doen voor de bouw- en sloopveiligheid zoals in deze richtlijn is beschreven. Dit kan ook dezelfde persoon zijn die als coördinator uitvoeringsfase is aangesteld.
Blad 51 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
6.4
augustus 2018
Voorwaarden Aan bouwveiligheidsplannen kunnen voorwaarden worden verbonden. Denk aan de volgende voorwaarden: 1. Het bouwveiligheidsplan moet voldoen aan de eisen van het gemeentelijk bouw- en sloopveiligheidsbeleid. 2. Per bouw- of sloopfase en/of bouwvolume zal gedetailleerd aangegeven moeten worden op welke wijze aan de gestelde eisen kan worden voldaan. 3. Indien gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte om aan de vereiste bouw- sloopveiligheidsruimte te voldoen, moet een schriftelijk akkoord van de wegbeheerder en zo nodig een instemmingsbesluit of opbreekvergunning bij het bouwveiligheidsplan worden gevoegd. 4. Indien u gebruik moet maken van ruimte van naastgelegen derden om aan de vereiste bouw- sloopveiligheidsruimte te voldoen, of derden belemmert in hun rechten en/of gebruiksmogelijkheden, dan is een schriftelijke verklaring nodig met daarin opgenomen o.a. de volgende punten: akkoord op consequenties van het bouwen inclusief de mogelijke gebruiksbelemmeringen voor die derde met de mogelijk te nemen beheersmaatregelen. 5. Indien de situatie uit punt 3 zich voordoet en het betreft een perceel met een omgevingsvergunning voor het activiteit gebruik, dan maakt een schriftelijk akkoord van de brandweer voor alle deelfasen onderdeel uit van het bouwveiligheidsplan. 6.
In het bouwveiligheidsplan dient daarom expliciet te worden verklaard dat: - alleen conform wet- en regelgeving en de Arbo-richtlijnen hijslasten worden verplaatst; - erop wordt toegezien dat lasten niet los kunnen komen van het hijsgereedschap en dat het hijsgereedschap niet van de kraan los kan raken. Meer specifiek dat er wordt gewerkt met hijsgereedschappen die voldoen aan het Warenwetbesluit machines; - indien dit door de aard van de last niet voorkomen kan worden, een uitvalbeveiliging moet worden toegepast of de bouwveiligheidszone ten tijde van het hijsen van de last wordt vergroot. 7. De aanvrager verklaart in zijn bouwveiligheidsplan kennis te hebben genomen van het bouwveiligheidsbeleid / Landelijke Richtlijn Bouw en Sloopveiligheid en zich hieraan te conformeren.
6.5
Overige gevaren en hinderzones Dit hoofdstuk was specifiek gericht op de bouwveiligheidszone, volgend uit hijswerkzaamheden. Bouw- en sloopveiligheid en inhoud van een bouwveiligheidsplan gaat over meer dan dat alleen. In hoofdstuk 7 worden de overige gevaren en hinder omschreven die ook voor zoneringen (hinderzones) kunnen zorgen.
Blad 52 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Om tot een goede beoordeling te komen van het bouwveiligheidsplan, dient de risicomatrix te worden vastgelegd/ondersteund door de volgende tekeningen / kaartmateriaal: 1. Bouwplaatstekening, met de directe omgeving (minimaal 50 m buiten het bouwterrein), zowel plattegronden als doorsneden van het bouwwerk, de belendingen, bouwkranen, bouwput e.d. 2. Verkeersplan voor de relevante omgeving (min. 500 m vanaf het bouwterrein) voor alle fasen met omleidingen, bebording, aslastbeperkingen en bereikbaarheid voor brandweer en hulpdiensten. Op deze tekeningen/kaartmateriaal ook de bouwveiligheidszones en hinderzones aangeven.
Blad 53 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Omschrijving van gevaren, hinder en maatregelen
7 7.1
Gevaren (Schade aan belendingen) Dit hoofdstuk is een uitwerking van Bouwbesluit art. 8.2, sub c: Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: a. en b. letsel van personen c. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. in samenhang met Bouwbesluit art. 8.1, lid 1: De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Voor de wetstechnische uitgangspunten zie hoofdstuk 4.2. Ten aanzien van beschadiging (8.2, sub c) is de uitgangspunt van de wetgever dat dit beschadiging betreft die leidt tot een onveilige situatie (8.1, lid 1). De publiekrechtelijke taak van het bevoegd gezag beperkt zich dan ook tot schade die een onveilige situatie oplevert. Dit betekent dat schade die geen onveilige situatie oplevert via privaatrechtelijke weg moet worden opgelost. In de terminologie van het nieuwe Bbl is dit onderscheid tussen privaat- en publiekrechtelijke verantwoordelijkheid nog duidelijker uitgewerkt. Bbl, art. 7.2, sub a: het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid Bbl, art.
7.4 (zorgplicht): gevaar voor de gezondheid of veiligheid Het criterium "voor de bruikbaarheid nadelige hinder" (Bouwbesluit 2012, artikel 8.2, sub c) vinden wij in het Bbl ook niet terug. Dit aspect gaat dus van publiekrechtelijk naar privaatrechtelijk. BZK geeft aan dat het Bbl niet gaat over schade in privaatrechtelijk zin, optreden op grond van het Bbl kan alleen als er gevaar voor de gezondheid of veiligheid is of dreigt te gaan ontstaan. Het is niet zo dat handhavend optreden moet wachten tot het moment dat dit gevaar er daadwerkelijk is. Om dit te verduidelijken zal er een voorbeeld aan de toelichting worden toegevoegd. BZK stelt dat als er alleen sprake is van cosmetische schade waarbij geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestaat of kan gaan ontstaan, handhavend optreden op grond van het Bbl niet mogelijk is. In dit hoofdstuk (7.1) wordt alleen verder ingegaan op het aspect gevaar. Het aspect gezondheid komt in hoofdstuk 7.2 en verder aan de orde.
Blad 54 van 74 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid
augustus 2018
Bij schade aan belendingen kan in zijn algemeenheid onderscheid gemaakt worden tussen: A. Lichte of cosmetische schade Dit betreft schade die geen gevaar voor bezwijken of instorting en dus geen onveilige situatie in de zin van Bouwbesluit artikel 8.1 veroorzaakt. Het betreft bijvoorbeeld lichte scheurvorming of beschadiging van onderdelen van het bouwwerk. Dit soort schade is op relatief eenvoudige wijze te herstellen. B. Schade, waarbij wel ernstige scheurvorming, zettingen of scheefstand optreden, maar waarbij geen sprake is van bezwijken of instorten Bij deze categorie van schade is geen sprake van een onveilige situatie, zoals bedoeld in Bouwbesluit, artikel 8.1. Deze schade is echter wel van dien aard, dat de schadeontvanger is geconfronteerd met niet of slechts tegen zeer hoge kosten te herstellen schade. C. Schade waarbij zeer ernstige vervormingen (scheefstand of zettingen) optreden Deze vervormingen zijn van dien aard, dat bezwijken van onderdelen van het bouwwerk of gehele instorting dreigt. Dit soort schade leidt direct tot een onveilige situatie, zoals bedoeld in Bouwbesluit artikel 8.1. Bouwbesluit artikel 8.2 heeft betrekking op alle drie de vormen van schade, zoals omschreven onder A. en B. en C. Bouwbesluit artikel 8.1 heeft alleen betrekking op schade, zoals genoemd onder C. Alleen schadecategorie C.
valt direct onder de publiekrechtelijke bescherming, zoals door het Bouwbesluit wordt geboden (voorkomen van een onveilige situatie en het voorkomen van schade). Deze schade moet dan ook door middel van te treffen maatregelen worden voorkomen. De grens tussen schadecategorie A/B en C. dient in het bouwveiligheidsplan duidelijk te zijn omschreven. Schadecategorieën A. en B. moeten op privaatrechtelijke wijze worden afgehandeld tussen schadeveroorzaker en schadeontvanger. Deze wijze van schadeafhandeling dient, in overleg met het bevoegd gezag en met de schadeontvanger, vastgelegd te worden in het bouwveiligheidsplan. Daarbij dient de grens tussen schadecategorie A/B en C. duidelijk te zijn omschreven. Met name de grens tussen categorie B en C moet in het bouwveiligheidsplan duidelijk omschreven worden, bijvoorbeeld met het vastleggen van maximale relatieve rotaties. Dit bepaalt in belangrijke mate de scheiding tussen privaatrechtlijke en publiekrechtelijke verantwoordelijkheid. Het bereiken van een gevaarlijke situatie (categorie C) wordt in de meeste gevallen ingeleid door schade in de categorie A. en B. Daarom is het opstellen van een monitoringsplan altijd noodzakelijk. Hiermee kan tijdig worden onderkend dat de hoogste schadecategorie gaat ontstaan.