CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

kamerbrief-over-perspectief-voor-de-jeugd.pdf

Commissie Samenleving 3 februari 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming: bespreken Regionale visie WMO en jeugd (21.30 uur)15.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

evaluatieonderzoek, dat ook aan uw Kamer zal worden toegestuurd. Daarnaast wordt verkend in hoeverre nieuwe wettelijke mogelijkheden kunnen worden ontwikkeld voor een gezinsgerichte aanpak, in plaats van enkel een maatregel gericht op de bescherming van het kind; gedacht kan worden aan een ‘gezinsmaatregel’. Ook wordt geïnventariseerd welke andere aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zijn om te komen tot de nieuwe gewenste samenwerking rondom de veiligheid van kinderen en gezinnen. Ook wordt verkend welke andere wettelijke aanpassingen nodig zijn voor professionals om een kinderbeschermingsmaatregel uit te kunnen voeren zonder ‘knip’ in hulp en regie. Eveneens wordt in beeld gebracht hoe wettelijke kaders met betrekking tot jeugdbescherming internationaal zijn georganiseerd, die ter inspiratie kunnen dienen.18 Tot slot wordt verkend wat de gevolgen zijn voor de samenhang met de strafrechtketen (jeugd- én volwassenstrafrecht) en bestaande centra en samenwerkingsverbanden, zoals het Centrum Seksueel Geweld, MDA++ en de zorg- en veiligheidshuizen.

Kenmerk 1663105-203241-J

Met deze toekomstvisie en vervolgstappen voor een effectievere bescherming van jeugd en gezin geven wij uitvoering aan de motie van Peters/Kuiken.19 Daarnaast zullen wij in de uitwerking eveneens het advies van de RVS/RSJ over de inzet van intensieve vrijwillige hulp betrekken. Wij zullen uw Kamer dit najaar, mede naar aanleiding van bovengenoemde vervolgstappen informeren over de voortgang. 4.3 Regionale verbeteraanpak korte termijn Zoals aangekondigd in de brief van 7 november hebben de accounthoudende gemeenten en de gecertificeerde instellingen (GI’s) met ondersteuning van de VNG per GI constructieve gesprekken gevoerd en een verdiepende analyse (foto) gemaakt op basis van de door de inspecties geconstateerde knelpunten en de door de inspecties gedane aanbevelingen – zoals beschreven in het inspectierapport over de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering.20 Op basis van deze foto’s hebben de accounthoudende regio’s in samenwerking met de GI’s een verbeteragenda per GI opgesteld om op zo kort mogelijke termijn knelpunten weg te nemen. De VNG en Jeugdzorg Nederland constateren dat deze aanpak een positieve impuls heeft gegeven aan de samenwerking en het gemeenschappelijk oplossen van de knelpunten.

De inhoud en financiering van de plannen van aanpak De toegenomen werkdruk als gevolg van een te hoge caseload, toenemende complexiteit van de problematiek van ouders en kind, knelpunten in de verwijzing en beschikbaarheid van jeugdhulp en arbeidsmarktproblematiek zijn thema’s die in vrijwel alle regio’s in meer of mindere mate terugkomen. We zien daarnaast regionale verschillen in de aard en omvang van de problematiek. Zo is sprake van verschillen in het personeelsverloop. Bij een aantal GI’s - in met name het westen van het land - is deze hoog (20% of meer). Op andere plekken is het verloop niet afwijkend van vergelijkbare sectoren. We zien daarnaast dat de problematiek rond wachtlijsten, caseload en personeelsverloop elkaar vaak in stand houdt. Een te hoge caseload leidt tot extra druk op het personeel en hoog personeelsverloop.

Hiermee geven we invulling aan de motie Peters/Kuiken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300 XVI, nr. 116). 19 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300 XVI, nr. 107. 20 Https://www.igj.nl/documenten/rapporten/2019/11/08/kwetsbare-kinderen-onvoldoende-beschermd. 18

Pagina 3 van 31

Vervolgens nemen kosten door het inwerken en inhuren van (tijdelijk) personeel verder toe, wat leidt tot een nog hogere caseload.

Kenmerk 1663105-203241-J

Conform de aanbevelingen van de inspecties is het aan gemeenten en gecertificeerde instellingen om (financiële) afspraken te maken over het verbeteren van de caseload naar het gewenste basisniveau, waarbij rekening wordt gehouden met de toegenomen complexiteit van de problematiek van ouders en kinderen. Hierdoor krijgen de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders voldoende tijd en ruimte om hun wettelijke taak op adequate wijze uit te voeren. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor een adequate financiering van een toereikende uitvoering van de jeugdbescherming, op basis van de overeengekomen maatregelen in de plannen van aanpak. De voortgang van de plannen van aanpak Alle 14 accounthoudende regio’s hebben conform de bestuurlijke afspraken vóór 1 maart een plan van aanpak opgesteld. Deze plannen verschillen nog in de mate waarin ze zijn uitgewerkt. Voor 3 regio’s zijn er goed uitgewerkte plannen, inclusief financiële dekking. Voor 8 regio’s zijn er voldoende tot goed uitgewerkte plannen maar zijn er nog geen adequate afspraken gemaakt over de financiële dekking. Voor 3 regio’s geldt dat de plannen nog niet voldoende zijn uitgewerkt en er ook geen adequate afspraken liggen over de financiële dekking. De VNG gebruikt de maand maart om met de regio’s te bespreken welke plannen aanscherping behoeven.

Met deze regio’s zal de VNG het gesprek aangaan om nog voor 1 mei 2020 hun plannen van aanpak af te ronden. Over het vervolg op de pilots vereenvoudiging jeugdbeschermingsketen (looptijd tot 1 juli 2020) worden nog separate afspraken gemaakt tussen Rijk en betrokken partijen. Landelijke ondersteuning en monitoring Het Rijk gaat aan de slag met oplossingen die nodig zijn om knelpunten mede op landelijk niveau aan te pakken, zoals: de arbeidsmarktproblematiek, het stroomlijnen van klacht- en tuchtprocedures en de aanpak van agressie en geweld (zie onder). Met de accounthoudende regio’s en de GI’s zullen we middels een landelijk beraad regelmatig overleg voeren over de voortgang van de uitvoering van de plannen, uitwisseling van goede voorbeelden en de uitwerking van de landelijke maatregelen. 4.4 Aanpak wachttijden Lokale toegang en Veilig Thuis Veilig Thuis organisaties geven aan dat sinds de inwerkingtreding van de verbeterde meldcode bij Veilig Thuis (VT) per 1 januari 2019 het aantal adviesvragen en meldingen bij VT stijgt. Huishoudens waarin sprake is van onveiligheid lijken vaker door burgers en professionals te worden gesignaleerd; dat is positief. Deze stijging lijkt een van de redenen te zijn voor de verhoogde werkdruk bij de VT-organisaties.

Ondanks alle inspanningen van betrokken gemeenten lukt het niet om bij alle VT-organisaties de wettelijke termijnen voor de eerste veiligheidsbeoordeling en onderzoek te halen. De VT-organisaties zorgen voor wachtlijstbeheer en pakken spoedzaken adequaat en tijdig op. Om hier verbetering in te brengen lopen de volgende acties: Het recent vastgestelde Kwaliteitskader ‘Werken aan veiligheid voor lokale Pagina 3 van 31

(wijk)teams en gemeenten’ wordt nu geïmplementeerd in de regio’s. Dit moet ervoor zorgen dat Veilig Thuis casuïstiek straks sneller kan worden doorgezet naar het lokale team en dat de lokale teams beter zijn toegerust om gezinnen waar onveiligheid speelt te herkennen en de juiste hulp aan te bieden. Politie en Veilig Thuis werken intensief samen om politiemeldingen aan VT beter en sneller op te pakken. Zo is een verbetering in de gegevensuitwisseling geïmplementeerd waarbij relevante contextinformatie van de politiemelding direct geautomatiseerd beschikbaar komt voor VT. Dit voorjaar komt een onderzoek beschikbaar - en aan uw Kamer aangeboden - met een analyse van de ontwikkeling van het aantal adviesvragen en meldingen bij Veilig Thuis. Naar aanleiding van de verbeterde meldcode en de signalen van verschillende gemeenten en VT’s. Op basis hiervan wordt gekeken welke maatregelen passend zijn, ook om knelpunten in de uitvoering op te lossen die mogelijk wachttijden terugbrengen, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat de stijging van meldingen een positief gegeven is (‘eerder en beter in beeld’).

Kenmerk 1663105-203241-J

Tijdige inzet van passende jeugdhulp Naast dat kinderen regelmatig lang wachten op de start van een beschermingsmaatregel vanuit de GI, duurt het - zoals door de inspecties is aangegeven - vaak ook nog enige tijd voor de jeugdhulp die noodzakelijk is bij de uitvoering van een beschermingsmaatregel start. De afgelopen jaren hebben gemeenten op regionaal niveau al afspraken gemaakt over de aanpak van wachtlijsten en wachttijden en heeft elke regio een regionaal expertteam ingericht. Hiermee zijn belangrijke stappen gezet, maar er is meer nodig. Hiertoe zijn elders in deze brief al maatregelen opgenomen, waaronder: regionale samenwerkingsverbanden (met afspraken over de in te kopen jeugdhulp in een regio en de aanpak wachtlijstbeheer), onderzoek naar de noodzaak van extra middelen voor de jeugdhulp, bovenregionale afspraken en de expertisecentra. Naast de generieke maatregelen uit deze brief worden voor de jeugdhulp in gedwongen kader de volgende aanvullende maatregelen genomen: Conform de norm voor opdrachtgeverschap gaan de gemeenten met het beperken van administratieve lasten. In dit kader worden tussen GI en de regio’s afspraken gemaakt om te komen tot een eenvoudige en uniforme werkwijze voor het afgeven van een jeugdhulpbepaling door gemeenten.

Hierdoor hebben de medewerkers van de GI - maar ook het lokaal team en de huisartsen - in één jeugdregio te maken met één werkwijze met één eenvoudig formulier. De regio’s hebben deze nieuwe werkwijze eind 2020 ontwikkeld, waarna het in het eerste kwartaal van 2021 in de regio’s wordt ingevoerd. Daarnaast gaan we de wettelijke bepaling verduidelijken over de doorzettingsmacht van de jeugdbeschermer bij het bepalen van noodzakelijke jeugdhulp voor het kind. Overleg met de gemeente is noodzakelijk, maar overeenstemming is niet vereist als gezinsvoogd bepaalde jeugdhulp noodzakelijk vindt. Door deze onduidelijkheid gaat nu veel tijd verloren. Mede op basis van ‘good practices’ in het land wordt een concrete procesbeschrijving voor de praktijk van gemeenten/lokaal team en GI’s opgesteld over hoe je dit onderling en gezamenlijk met elkaar regelt en inricht. Deze verduidelijking van doorzettingsmacht in combinatie met procesbeschrijving is eind 2020 beschikbaar. Om tot een goed passend en beschikbaar hulpaanbod in het gedwongen kader te komen, is het daarnaast noodzakelijk dat de regio’s en de GI’s (als onderdeel van de regionale agenda) vóór de start van de inkoop overleg

Pagina 3 van 31

voeren over de jeugdhulp die noodzakelijk is in het gedwongen kader. In veel regionale verbeterplannen hebben regio’s en GI’s nu al uitgewerkt hoe ze hier invulling aan geven. De GI is conform de certificering al verplicht om de gemeenten te adviseren over de ervaring met beschikbare of benodigde jeugdhulp ten behoeve van het inkoopbeleid van de gemeente. De GI is een grote verwijzer en b.v. bijna 45% van de uithuisplaatsingen geschieden in gedwongen kader. Inzetten op een gezamenlijke inkoop gebeurt nu bijvoorbeeld in Ede en GI Gelderland. Voor de zomer van 2019 hebben we u al bericht over de stappen die we zetten om te komen tot tijdige jeugdhulp in strafrechtelijk kader.21 Voor de zomer van 2020 zullen we u berichten over de voortgang hiervan.

Kenmerk 1663105-203241-J

De Raad voor de Kinderbescherming De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft de afgelopen periode vooruitgang geboekt met het verbeterplan (‘Versnellen naar 2020’) om de wachtlijsten terug te dringen. Oorzaken en oplossingen van wachtlijsten vragen een ketenbrede aanpak. Conform het advies van KPMG is een programmadirectie ingericht die zich richt op het versterken van de organisatie-inrichting en daarmee verder verhogen van productiviteit en het terugbrengen van wachttijden door te zorgen voor kaders, sturing, ondersteuning van teams en het terugdringen van verzuim en verloop.22 In deze aanpak is extra focus op de teams die achterblijven in productiviteit. Hierbij geldt dat spoedzaken door de RvdK direct worden opgepakt en niet op een wachtlijst komen. Daarnaast wordt onverminderd geborgd dat bij zaken die op de wachtlijst staan die betrekking hebben op een kinderbeschermingsmaatregel altijd een veiligheidsplan is opgesteld en duidelijk afspraken zijn vastgelegd over de communicatie tussen de ketenpartners om snel te kunnen reageren als de omstandigheden verslechteren. Met het ministerie van JenV stelt de RvdK een normenkader op voor beter instroommanagement, zodat alleen die zaken in behandeling worden genomen waarbij daadwerkelijk onderzoek van de RvdK noodzakelijk is. De RvdK zoekt hierbij de samenwerking met veilig Thuis.

4.5 Stroomlijnen van klacht- en tuchtprocedures Iedere cliënt heeft het recht om een klacht in te dienen tegen de aanbieder dan wel een tuchtprocedure te starten als het beroepsmatig handelen van de professional niet met in achtneming van de professionele standaard is. Het belang hiervan staat niet ter discussie. Tegelijkertijd bestaat het risico dat door de ruime mogelijkheden hiertoe een stapeling van klacht- en tuchtprocedures ontstaat die professionals onnodig zwaar belast. In de moties van de leden Tielen en Peters23 en Peters en Wörsdorfer24 is de regering verzocht te bezien op welke wijze deze druk op professionals kan worden verminderd. Voor de uitvoering van deze moties is een Ronde Tafel georganiseerd met betrokken partijen (o.a. jeugdprofessionals, werkgevers, de Kinderombudsman en de SKJ). In lijn hiermee zijn de volgende acties ingezet: Een goede afhandeling van klachten kan veel ongenoegen bij cliënten wegnemen. Het Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) geeft aan dat daarin verbetering mogelijk is. Vanuit het actieplan verbetering feitenonderzoek werken de RvdK, VT en de GI’s samen met het AKJ aan concrete handvatten om hun klachtenprocedures te verbeteren (gestart eind Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 28 741, nr. 53. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 839, nr. 699. 23 Kamerstukken II 2017-2018, 34 880, nr. 10.

24 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300 XVI, nr. 106. 21 22

Pagina 3 van 31

2019). Het Rijk ondersteunt dit traject met subsidie en gaat daarnaast de GI’s ondersteunen om binnen de bestaande kaders voor klachtrecht te bekijken op welke wijze de belasting op instelling en professional kan worden verminderd. In de praktijk zien we dat een groep cliënten zowel klaagt bij de betreffende instelling als een tuchtrechtprocedure start bij het SKJ. Het tuchtrecht heeft echter een ander doel (kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en bewaken) en is niet bedoeld als hoger beroep bij klachten (daarvoor kunnen cliënten zich wenden tot één van de ombudsmannen). Het SKJ heeft de afgelopen periode al stappen gezet met de inrichting van een `voorportaal´ voor een vroegtijdige selectie op de ontvankelijkheid van een klacht. Daarnaast werken SKJ, de beroepsverenigingen, Jeugdzorg Nederland en de instellingen aan een aanscherping van de ontvankelijkheidsbeoordeling voor beide procedures, met als doel de overlap te verminderen. Deze is naar verwachting in het voorjaar van 2021 gereed. Met een betere procedure van klachtafhandeling kan het aantal klachten en de impact daarvan worden verminderd. Het Rijk ondersteunt de GI’s bij de ontwikkeling van een werkwijze om beter met deze cliënten om te gaan lerend van aanpakken binnen andere (overheids)organisaties. Voor de zomer van 2020 ronden zij hiertoe een verkennend onderzoek af.

Kenmerk 1663105-203241-J

4.6 Aanpak van agressie en geweld tegen jeugdbeschermers De berichtgeving van afgelopen najaar over geweld tegen jeugdprofessionals is zorgwekkend. Conform de eenduidige landelijke afspraken (ELA) geven politie en OM hoge prioriteit aan aangiftes van medewerkers die het slachtoffer worden van agressie. Begin dit jaar is de uitvoering van het ELA positief geëvalueerd en op enkel punten aangescherpt. 25 Uit gesprekken met betrokken organisaties en professionals komt echter naar voren dat in veel gevallen geen aangifte wordt gedaan. Daarom gaan werkgevers en Sociale Partners inventariseren wat nodig is om drempels voor het doen van aangifte weg te nemen. De Arbeidsmarkttafel Jeugd die eind vorig jaar van start is gegaan gaat hiermee aan de slag. Ook zullen zij zich richten op preventie van agressie en geweld richting jeugdprofessionals. Hierbij wordt onder meer bezien of het mogelijk is te komen tot ‘spelregels’ waarin vanuit betrokken organisaties helder wordt gemaakt welk gedrag van cliënten wel en niet aanvaardbaar is en welke consequenties het heeft als cliënten zich hier niet aan houden. Steeds vaker hebben medewerkers te maken met bedreiging of agressie via sociale media. Naast het doen van aangifte, is het van belang dat dergelijke berichten zo snel mogelijk worden verwijderd. Tegen deze achtergrond heeft overleg plaatsgevonden met Facebook.

Vanuit Facebook is aangeboden samen een pilot te starten om te komen tot betere samenwerking met betrokken organisaties om berichten die vormen van laster, bedreiging of het schenden van privacy bevatten zo snel mogelijk te kunnen verwijderen. De pilot is inmiddels in samenwerking met Jeugdbescherming Regio-Amsterdam van start gegaan. Als blijkt dat dit goed werkt kan deze werkwijze ook door andere organisaties worden toegepast. Wij verwachten in het najaar uw kamer te kunnen berichten over de uitkomsten hiervan. Tot slot wordt de bejegening van jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders betrokken bij de uitwerking van het wetsvoorstel tot uitbreiding van het taakstrafverbod bij geweld tegen personen met een publieke taak. Wij hopen het wetsvoorstel nog voor de zomer bij Uw kamer in te kunnen https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/01/31/tk-evaluatieonderzoek-afspraak-isafspraak-eenduidige-landelijke-afspraken. 25

Pagina 3 van 31

dienen. Kenmerk 1663105-203241-J

5. Versterken toezicht zorg voor de jeugd Iedere jongere moet kunnen rekenen op de beschikbaarheid van kwalitatief goede, tijdige en bereikbare zorg. Bedreiging hiervan, bijvoorbeeld omdat een zorgaanbieder in financieel zwaar weer verkeert, moet tijdig gesignaleerd en aangepakt worden. Hierbij is de continuïteit en de kwaliteit van de zorg voor jongeren leidend en niet het belang van een instelling. Passend bij de ontwikkeling van de sector – en de andere acties in deze brief - wordt ook de rol van de Jeugdautoriteit als toezichthouder de komende tijd verder ontwikkeld.26 5.1 Jeugdautoriteit Als stelverantwoordelijke is het belangrijk dat het Rijk financiële problemen bij instellingen die cruciale jeugdhulp bieden vroegtijdig in beeld heeft omdat dit de zorgcontinuïteit en de kwaliteit van zorg in gevaar kan brengen. Om de zorgcontinuïteit te kunnen borgen, zijn de volgende functies van belang: signaleren, voorkomen en opvangen. De Jeugdautoriteit, die vanaf januari 2019 bestaat, is hiervoor opgericht. De Jeugdautoriteit werkt hierbij nauw samen met de IGJ, die toezicht houdt op de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg. IGJ en de Jeugdautoriteit delen actief signalen over financiële problemen bij aanbieders en delen informatie over de monitoring van (bestuurlijke) maatregelen.

Als de Jeugdautoriteit in gesprek met gemeenten en aanbieders geen zekerheid kan krijgen over het waarborgen van de continuïteit van cruciale jeugdzorg, escaleert de Jeugdautoriteit naar de ministeries van VWS en JenV. Dit brengt het Rijk in positie om regie te nemen. Het Rijk kan interbestuurlijk toezicht inzetten (zie bijlage). Omdat de gemeenten momenteel enkel een jeugdhulpplicht hebben voor de jeugdigen in hun eigen gemeenten, kan het interbestuurlijk toezicht nu alleen worden toegepast bij nalatigheid met betrekking tot die jeugdhulpplicht. Interbestuurlijk toezicht kan dus op dit moment nog niet worden ingezet voor een collectieve verantwoordelijkheid binnen de regio. Doordat we de regionale samenwerking en aanspreekbaarheid voor bepaalde vormen van jeugdhulp versterken (zie par. 1.) vergroten we de collectieve verantwoordelijkheid van gemeenten. De Jeugdautoriteit versterkt in 2020 haar werkzaamheden om continuïteitsproblemen eerder te signaleren en sneller aan te kunnen pakken. In 2020 zal de Jeugdautoriteit hiertoe vier functies ontwikkelen, inrichten en vervullen: Monitoring om ontwikkelingen in het stelsel van de zorg voor de jeugd en tekortkomingen, bijvoorbeeld in het contracteerproces, te onderkennen en te agenderen bij landelijke partijen (BGZJ, VNG en Rijk).

Vroegsignalering van risico’s voor continuïteit van cruciale jeugdzorg in concrete gevallen te agenderen bij gemeenten/regio’s en aanbieders. Waar nodig partijen aan spreken en wijzen op hun verantwoordelijkheden.

In onze brief van 15 januari j.l. en het debat dat wij op 22 januari j.l. met elkaar hebben gevoerd over instellingen in financiële problemen en continuïteit van zorg, is uiteengezet welke stappen op dit moment worden doorlopen via door de VNG ingestelde accounthoudende regio’s, het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) en de Jeugdautoriteit. TK 2019-2020, 31839, nr. 703, Commissiebrief inzake Perspectief voor de Jeugd. 26

Pagina 3 van 31

Escalatie naar het Rijk als dit onvoldoende soelaas biedt om (grotere) risico’s voor continuïteit van cruciale jeugdzorg te voorkomen, waarop het Rijk in een positie komt regie te kunnen nemen. Het Rijk adviseren over tijdelijke liquiditeitsondersteuning van aanbieders en de voorwaarden waaronder deze verstrekt wordt (‘vangnetregeling’).

Kenmerk 1663105-203241-J

Voor dergelijke tijdelijke ondersteuning is per 1 januari 2020 de subsidieregeling ‘Continuïteit cruciale jeugdzorg’ van kracht. Voor deze regeling is € 20 mln voor mogelijke leningen beschikbaar. Met deze regeling kan worden gewaarborgd dat cruciale jeugdzorg gecontinueerd kan worden in gevallen waarin acute liquiditeitsproblemen zijn ontstaan en waar tegelijkertijd aan een structureel herstelplan wordt gewerkt. Nu aan de slag Tot verankering van de taken en positionering van de Jeugdautoriteit in de Jeugdwet een feit is gaan we de bovenstaande taken en instrumenten van de Jeugdautoriteit in de zomer van 2020 uitwerken en vastleggen in een instellingsbesluit. In het instellingsbesluit borgen we ook de neutrale positionering ten opzichte van gemeenten en aanbieders. Zo voeren we ook de motie Voordewind cs27 uit. Als onderdeel van haar signalerende functie, start de Jeugdautoriteit in 2020 met het stelselmatig monitoren van risico’s voor de continuïteit van jeugdzorg. In de zomer van 2020 werken wij toe naar een convenant met de VNG en de BGZJ. Daarin maken we nadere afspraken over de wijze waarop risico’s voor de continuïteit van jeugdzorg vooruitlopend op wetgeving op een niet vrijblijvende wijze kunnen worden voorkomen en aangepakt. Een voorbeeld is het tijdig melden bij gemeenten en de Jeugdautoriteit als aanbieders van cruciale jeugdzorg hun aanbod overwegen af te bouwen.

In het convenant werken we de bevoegdheden voor de JA uit om bovenstaande inhoudelijke rol te kunnen vervullen. Structurele taken en positionering jeugdautoriteit (vanaf 2023) De voornoemde versterking van handelen en de positionering van de autoriteit worden in de Jeugdwet vastgelegd. Met het oog op continuïteit van jeugdzorg en een doelmatig en doeltreffend stelsel laten we de Jeugdautoriteit via geleidelijke taakuitbreiding en passend bij een decentrale verantwoordelijkheid groeien in een structurele rol van neutrale regulator en toezichthouder, vergelijkbaar met de NZa, jeugdzorg breed. 5.2 Geschilbeslechting Naast bovengenoemde versterking van de Jeugdautoriteit, moet geschilbeslechting over inkoop(tarieven) en continuïteit van zorg worden georganiseerd. Dat is veelal sneller, gemakkelijker en goedkoper dan de rechter inschakelen. Voor de positionering hiervan zijn verschillende opties beschikbaar, bijvoorbeeld via de ‘Geschillencommissie Inkoop Sociaal Domein’ of de ‘Onafhankelijke Geschilleninstantie voor Geschillenoplossing en –beslechting Zorgcontractering’. Laatstgenoemde is in 2016 door verschillende beroeps- en brancheorganisaties in de Zvw- en Wlz-zorg op basis van een convenant in 2016 opgericht. Partijen kunnen bij de Geschilleninstantie terecht met precontractuele en contractuele geschillen.

De uitvoering van de geschilleninstantie, dat wil zeggen alle procedures voor mediation, bindend advies en arbitrage, is 27

TK 2019-2020 35300, nr. 119 Pagina 3 van 31

ondergebracht bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI). Kenmerk 1663105-203241-J

De ‘Geschillencommissie Inkoop Sociaal Domein’ is sinds 1 januari 2019 operationeel. Deze functioneert op basis van zelfregulering en is opgezet en ingericht door de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor de Jeugd (BGZJ). Vooralsnog richt deze geschillencommissie zich op twee typen geschillen. Ten eerste geschillen tussen gemeenten over welke gemeente verantwoordelijk is voor financiering van jeugdhulp conform het woonplaatsbeginsel. Ten tweede geschillen tussen een gemeente en een aanbieder rond een gesloten inkoopcontract, bijvoorbeeld over het tarief. 5.3 Toezicht rechtmatigheid Jeugdwet In de reactie op de Signaleringsbrief van 11 december 2019 is toegezegd om in te gaan op het ontbreken van een verplichte toezichthouder rechtmatigheid in de Jeugdwet. In deze paragraaf zetten wij uiteen welk gemeentelijk instrumentarium er is binnen de Jeugdwet om te sturen op kwaliteit en rechtmatigheid. Bij contractering en aanbesteding kunnen gemeenten eisen stellen ten behoeve van een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod. Bij toezicht heeft de IGJ de taak om aanbieders te controleren. De gemeente heeft de taak om middels afspraken in de contracten en periodieke gesprekken over zorginhoud en declaratie/facturatie met de aanbieder aandacht te besteden aan de uitvoering van de jeugdhulp. Dit kan leiden tot nader onderzoek en bij gerede twijfels tot een fraudeonderzoek.

Tenslotte controleert de accountant de jaarrekening van de gemeente. Dit instrumentarium biedt daarmee voldoende sturingsmogelijkheden. Belangrijk is deze mogelijkheden in de praktijk te benutten.

6. Lerende praktijk in de regio’s Op heel veel plekken in het land zijn mooie ontwikkelingen gaande. Die stimuleren we en ondersteunen we met de programma’s Zorg voor de Jeugd, Geweld hoort nergens thuis, Kansrijke Start en Scheiden zonder schade. Via leren van de praktijk willen we tot verbeteringen komen, waarbij goede voorbeelden ons de weg wijzen, pilots die implementatie ondersteunen en wettelijke verankering het sluitstuk is. Hieronder wordt een aantal actuele initiatieven belicht. a) Utrechts model transformatie jeugdzorg Utrecht werkt met teams voor buurtgerichte specialistische jeugdhulp. In 2017 werd gestart met een pilot van twee zogeheten Extr@Utrecht teams. Per 2020 bieden KOOS Utrecht en Spoor030 voor de hele stad de specialistische jeugdhulp vanuit buurtgerichte teams. Waardevol, omdat ze in de nabijheid van de buurtteams jeugd en gezin zijn gepositioneerd. Eén van de voordelen van in die nabijheid organiseren van basiszorg en specialistische jeugdzorg is dat de generalist leert van de specialist, maar ook omgekeerd. Doordat de specialistische jeugdhulp integraal en ontschot georganiseerd is, kunnen alle relevante expertises eenvoudig worden betrokken en kan eenvoudig breder naar de problematiek worden gekeken. Er is een intensieve samenwerking mogelijk met het gezin en andere betrokkenen, zoals huisarts, buurtteam, school, sportclub, familie en vrienden.

Een professional van KOOS of Spoor030 kan bijvoorbeeld meedenken met de gezinswerker van het buurtteam, zonder dat er een verwijzing of overdracht nodig is. En als het nodig is, kan direct specialistische jeugdhulp worden ingeschakeld. Het buurtteam blijft ook dan betrokken. Wanneer Pagina 3 van 31

specialistische jeugdhulp niet langer nodig is, blijft er zo continuïteit in de hulpverlening. Het uitgangspunt voor deze teams is het bieden van integrale zorg dichtbij en op maat met zorg die erop is gericht dat kinderen en jongeren zoveel als mogelijk opgroeien in een gezin. Utrecht werkt met taakgerichte bekostiging en een contractduur van 9 jaar, waarbij de aandacht van denken in producten en bestaand aanbod wordt verlegd naar de vraag wat individuele cliënten daadwerkelijk nodig hebben aan zorg en ondersteuning. Taakgerichte bekostiging en meerjarige contracten bieden meer financiële en contractuele zekerheid voor aanbieders en ruimte voor transformatie. Volgens recent onderzoek lijken de teams die specialistische jeugdhulp bieden in samenwerking met de gezinswerkers van het buurtteam een directe bijdrage te leveren aan het ‘normaliseren’ en demedicaliseren van problematiek. Ook is in de wijken waar de Extr@teams als pilot zijn gestart een verandering in het zorggebruik waar te nemen waarbij de specialistische jeugdhulp steeds meer gezinsgericht en in samenhang wordt geboden.

Kenmerk 1663105-203241-J

b) Inrichten expertisecentra Voor jongeren met weinig voorkomende ernstige psychiatrische of anderszins complexe problemen is het belangrijk dat goede hulp tijdig beschikbaar is. Zo moet er expertise aan het behandeltraject kunnen worden toegevoegd zonder dat de jeugdige doorverwezen hoeft te worden. In onze brief ‘Versterken jeugd ggz’ van 11 november 2019 hebben we expertisecentra voor gespecialiseerde jeugdhulp aangekondigd.28 Met het amendement Westerveld en Klaver is in 2020 een bedrag van € 11,5 miljoen vrijgemaakt en vanaf 2021 € 26 miljoen structureel. Eind januari 2020 zijn in twee regio’s (Noord-Holland en Noord) twee bovenregionale netwerken voor eetstoornissen gestart. De bovenregionale netwerken zijn voorlopers en gaan uiteindelijk onderdeel uitmaken van de expertisecentra voor de bredere doelgroep. Tegelijkertijd bereiden we de inrichting en organisatie van de expertisecentra voor. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld moeten de centra in ieder geval drie functies behelzen; het geven van consultatie en advies, het organiseren van zorg en de doorontwikkeling en het gebruik van kennis. In heel het land worden bijeenkomsten georganiseerd met veldpartijen om input op te halen voor de invulling van deze functies. Ook wordt de doelgroep voor de expertisecentra inzichtelijk gemaakt.

Hierbij maken we onder andere gebruik van de rode draden die zijn opgehaald door de ambassadeur oppakken en leren van casuïstiek en de casuïstiek die binnen het departement wordt opgepakt.29 We informeren de Kamer vóór de zomer over de voortgang. c)

Betere toegang tot jeugdhulp voor kinderen en gezinnen door versterking van lokale teams Ouders moeten weten waar ze terecht kunnen met hun hulpvraag, weten wat ze van een lokaal team mogen verwachten en erop kunnen vertrouwen dat specialistische hulp beschikbaar is als dat nodig is, zo dicht mogelijk in de buurt en gericht op de versterking van het gewone leven. Uit het KPMG-onderzoek dat we uw Kamer bij brief van 7 november 2019 hebben toegezonden komen belangrijke inzichten en vijf basisfuncties voor lokale teams naar voren. De basisfuncties betreffen inhoudelijke componenten, vanuit het perspectief van de inwoner die, ongeacht de verschijningsvorm van het lokale team, geborgd moeten worden. De beschikbaarheid van inhoudelijke (specialistische) expertise aan de Kamerstukken II 2019/20, 31839, nr. 698. https://voordejeugd.nl/documents/58/Jaarrapportage_2019_Ambassadeurschap_oppakken_en_leren_van_comp lexe_casuistiek-OZJ.pdf 28 29

Pagina 3 van 31

voorkant en het zelf leveren van (kortdurende) ondersteuning door een lokaal team zijn twee belangrijke inzichten. De vijf basisfuncties zijn: 1. Veilige leefomgeving: heb oog voor een veilige leefomgeving van de inwoner en pas de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. 2. Tijdig signaleren van vraag: wees aanwezig daar waar de doelgroep is, zodat vragen gezien worden. Maak verbinding met de wijk en werk ‘outreachend’. Investeer in preventie. 3. Vindbare en toegankelijke hulp: wees toegankelijk en vindbaar en voer een goede triage uit. 4. Handelen met een brede blik: verhelder de vraag, maak een plan van en met het gezin en verleen ondersteuning, beleg de regie, maak duidelijke afspraken, houd een vinger aan de pols en blijf zichtbaar en benaderbaar. 5. Leren en verbeteren: Verzamel inzichten over je handelen, deel ze, ga erover in gesprek en trek er lessen uit. De komende maanden implementeren we stapsgewijs de basisfuncties inzichten samen met de VNG en partners in het jeugdveld. De basisfuncties gaan verder onderdeel uitmaken van de Gezamenlijke Norm voor Opdrachtgeverschap van de VNG en de gemeenten. Bij de ondersteuning van gemeenten, professionals en inwoners is een belangrijke rol weggelegd voor het OZJ in samenwerking met de beroepsorganisaties, kennisinstituten en Associatie Wijkteams.

Bij de implementatie sluiten we aan bij de uitrol van het kwaliteitskader “werken aan veiligheid voor lokale (wijk) teams en gemeenten” vanuit het programma Geweld hoort Nergens Thuis.

Kenmerk 1663105-203241-J

Mocht de implementatie van de basisfuncties niet het gewenste resultaat hebben, dan overwegen wij het opstellen van een gemeentelijk toegangsplan (als onderdeel van het reeds verplichte gemeentelijk beleidsplan) verplicht te stellen in de Jeugdwet. Gemeenten leggen dan in dat toegangsplan vast wie welke rol in de toegang vervult en kunnen hierbij aangeven hoe zij invulling geven aan de basisfuncties. Daarnaast overwegen we de benodigde deskundigheid in de toegang vast te leggen in het besluit Jeugdwet. d) Reikwijdte van de jeugdhulpplicht Verschillende gemeenten geven aan successen te boeken in de transformatie van het jeugdstelsel door in hun beleid en de uitwerking daarvan in de praktijk onder andere consequent de keuze te maken voor maatwerk, preventie en normaliseren, met als resultaat geen of een relatief beperkt tekort op hun jeugdbudget. Wij hebben een aantal van deze gemeenten gevraagd om het succes van hun jeugdbeleid te duiden ten behoeve van de discussie over de reikwijdte van de jeugdhulpplicht en breder de transformatie van het jeugdstelsel.

Bij deze duiding zullen wij niet alleen kijken hoe deze gemeenten de reikwijdte van de jeugdhulpplicht interpreteren, maar daarnaast nadrukkelijk aandacht geven aan de wijze waarop deze gemeenten hiermee samenhangend invulling geven aan kernelementen uit het jeugdhulpstelsel zoals onderscheiden door het NJi: een sterke pedagogische basis (gezin, kinderopvang, school, buurt, sport et cetera); een goede preventie; een sterke eerste lijn; en intensievere jeugdzorg met duurzame effecten (ook voor kinderen met levenslange beperkingen).30 Zoals we vorige jaar hebben aangekondigd, brengt een expertiseteam van de VNG dit voorjaar advies uit over de mogelijkheden die gemeenten binnen de Jeugdwet hebben om de vraag naar jeugdhulp waar nodig te begrenzen en/of passend aanbod te bieden aan kinderen en gezinnen, en over de wijze waarop de gewenste 30

https://www.nji.nl/nl/Kennis/Publicaties/NJi-Publicaties/Het-groeiend-jeugdzorggebruik Pagina 3 van 31

duidelijkheid over de jeugdhulpplicht het beste bereikt kan worden. Op basis van dit advies en gevraagde duiding van gemeenten van hun jeugdbeleid bepalen we in samenspraak met de gemeenten en andere betrokkenen op welke wijze de reikwijdte van de jeugdhulpplicht het beste verhelderd kan worden. In de tussentijd worden samen met de VNG en het OZJ goede voorbeelden en veelbelovende initiatieven gedeeld ten behoeve van gemeenten die willen werken aan transformatie van hun jeugdbeleid gericht op meer preventie en het creëren van kansen voor jongeren. Bijvoorbeeld via het bestuurlijk leernetwerk preventie jeugd, waarin 18 wethouders kennis en ervaringen over preventie en positief jeugdbeleid hebben gedeeld. Hun verhalen zijn opgetekend in de onlangs verschenen publicatie ‘Nu ik groot ben’.

Kenmerk 1663105-203241-J

e) Pilots vereenvoudiging jeugdbescherming Op zes plekken in het land is gestart met pilots om de jeugdbeschermings-keten effectiever te maken. In deze pilots werken de organisaties uit de jeugdbeschermingsketen onder regie van de gemeente aan een snellere, effectievere en eenvoudiger jeugdbescherming, door het wegnemen van overlap in taken, door meer parallel in plaats van volgtijdelijk te werken en door gezamenlijk aan triage te doen. Doel daarbij is te komen tot een nieuwe werkwijze waarin uitsluitend die elementen zitten die nodig zijn om een gezin weer veilig te krijgen. De pilots in de gemeente Amsterdam en de Zeeuwse gemeenten intensiever en verregaande integratie van taken in de jeugdbeschermingsketen te onderzoeken. In Amsterdam werken medewerkers van de deelnemende organisaties samen en testen zij hoe je kunt werken in één integraal team, als ware dit team één eigenstandige organisatie. Alle expertise en bevoegdheden zijn binnen dit team gebundeld. Gezinnen hoeven daardoor nog maar op één plek hun verhaal te doen en het team kan direct een gezamenlijke strategie bepalen. Alle pilots worden ondersteund door het Rijk, onder andere door de inzet van juridisch advies. De pilots worden gemonitord en resultaten zullen in de zomer van 2020 in beeld worden gebracht.

Uit de pilots zal moeten blijken of en zo ja welke wettelijke belemmeringen er zijn om tot een effectievere jeugdbescherming te komen. Hierbij kan gedacht worden aan een wijziging of samenvoeging van bevoegdheden van de afzonderlijke organisaties en aan betere mogelijkheden om tot informatie-uitwisseling te komen. f) Bovenregionale aanpak Noord-Holland De vijf jeugdhulpregio’s Kop van Noord-Holland, Alkmaar, West- Friesland, IJmond en Zuid-Kennemerland werken aan gezamenlijke planvorming om de continuïteit van specialistische jeugdhulp in het zorglandschap van Noord-Holland voor de lange termijn te organiseren en borgen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de andere jeugdhulpregio’s in Noord-Holland, aanbieders en ervaringsdeskundigen. Dit plan gaat over het aanbod van hulp aan de meest kwetsbare groep jeugdigen met een zeer complexe hulpvraag, vaak gecombineerd met verblijf. g) Pilots multidisciplinaire aanpak In de Veilig Thuis regio’s wordt gewerkt aan een multidisciplinaire aanpak (MDA++) en binnen drie pilots ‘alles onder 1 dak’ wordt een standaard voor multidisciplinair werken ontwikkeld. De Multidisciplinaire Aanpak (MDA++ ) voorziet in een bundeling van psychosociale, medische, forensische en justitiële specialisten in de aanpak van kindermishandeling, huiselijk en seksueel geweld.

Een team van deskundigen dat gecoördineerd en gefaseerd onderzoek en opvang biedt na acuut, ernstig (seksueel) geweld of een gezamenlijke analyse en plan van aanpak maakt en uitvoert om structureel geweld te stoppen. De cliënt en de Pagina 3 van 31

gezinsleden beslissen mee. Een casusregisseur is hun vaste contactpersoon, die alle interventies op elkaar afstemt.

Kenmerk 1663105-203241-J

7. Financiële aspecten In het najaar van 2018 en voorjaar van 2019 heeft uitgebreid onderzoek en overleg plaatsgevonden tussen het Rijk en gemeenten over de financiële tekorten van gemeenten. Uw Kamer is op 24 april 2019 geïnformeerd over de uitkomsten van het benchmarkonderzoek.31 Bij de voorjaarsnotabesluitvorming 2019 zijn conclusies aan dit onderzoek verbonden.32 Deze conclusies betreffen: 1. Het kabinet heeft op basis van het onderzoek extra financiële middelen uitgetrokken voor de uitvoering van de Jeugdwet: € 420 mln. in 2019, € 300 mln. in 2020 en € 300 mln. in 2021. 2. Het kabinet heeft met gemeenten een onderzoek afgesproken naar de noodzaak van structureel extra middelen voor de jeugdhulp (vanaf 2022). Op verzoek van de motie Voordewind worden in dat onderzoek ook de effecten van de maatregelen ten behoeve van een betere ordening meegenomen. 3. Er zijn bestuurlijke afspraken door gemeenten en het Rijk gemaakt om het jeugdhulpstelsel beter, efficiënter en effectiever te laten functioneren. In de regie, sturing en samenwerking aan de kant van gemeenten is veel ruimte voor verbetering. Met twee belangrijke uitkomsten: meer grip voor gemeenten, en beter jeugdhulp voor kinderen. De brief van 7 november 2019 en deze brief zijn een nadere invulling en uitwerking van de afspraken die in het voorjaar van 2019 tussen Rijk en gemeenten zijn gemaakt.

De verwachting is dat dit een efficiënter jeugdhulpstelsel oplevert: Gemeenten hebben nu al de plicht regionaal samen te werken waar dat voor de doelmatigheid en doeltreffendheid noodzakelijk (artikel 2.8). In de memorie van toelichting van de Jeugdwet is de bedoeling hiervan nader toegelicht. Aangezien niet alle gemeenten en jeugdhulpregio’s dit zelf voldoende ingevuld krijgen, vullen we dit in de Jeugdwet en nadere regelgeving nu concreter in. Dit vermindert uitvoeringskosten tussen gemeenten en aanbieders en versterkt de regierol van gemeenten. De Jeugdwet regelt in artikel 2.12 dat gemeenten en aanbieders een reële prijs afspreken. Rekening houdend met onder meer toepasselijke arbeidsvoorwaarden en deskundigheid van beroepskrachten. Er zijn in de praktijk veel disputen over tarieven. Met de voorgestelde Amvb geven we nadere invulling aan de wet. We benoemen de elementen die onderdeel zijn van een reële prijs en waarover partijen afspraken dienen te maken. Dit ter vermindering van het aantal disputen. En ter voorkoming dat gemeenten, onbedoeld, te lage of te hoge tarieven betalen. De voorstellen rond vereenvoudiging jeugdbescherming hebben als doel de keten effectiever en efficiënter te laten werken. Naast kostenbesparingen door snellere inzet van hulp en veiligheid, zal dit de coördinatielasten aanzienlijk moeten verminderen.

Om deze redenen zullen de maatregelen in deze brief ten behoeve van een betere ordering en werking van het jeugdstelsel niet leiden tot structurele meerkosten

31 32

Tweede Kamer 31 839, nr. 643 Tweede Kamer 31 839, nr. 657 Pagina 3 van 31

van de jeugdzorg. Tot slot We vertrouwen erop dat de voorgestelde maatregelen in deze brief in combinatie met de acties van de programma’s Zorg voor de Jeugd, Geweld hoort nergens thuis, Kansrijke Start en Scheiden zonder schade zullen helpen om de zorg voor onze kinderen en gezinnen te verbeteren. Bij de eerstvolgende voortgangsrapportage Zorg voor de Jeugd (juni 2020) wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de voorstellen in deze brief.

Kenmerk 1663105-203241-J

Hoogachtend, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

de minister voor Rechtsbescherming,

Hugo de Jonge

Sander Dekker

Pagina 3 van 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=6ba7a0a5-d272-4708-bfe8-94b08fe6e81b