kamerbrief-over-perspectief-voor-de-jeugd.pdf
Tekst van het document
> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG
Bezoekadres Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Kenmerk 1663105-203241-J Bijlage(n) 1 Uw brief
Datum Betreft
20 maart 2020 Perspectief voor de Jeugd Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief.
Geachte voorzitter,
Met deze brief voldoen wij aan onze toezegging om uw Kamer in maart 2020 nader te informeren over onze voorstellen om de organisatie van de jeugdzorg te verbeteren. We hebben in de voorstellen nog geen rekening kunnen houden met de actuele ontwikkelingen rond het nieuwe coronavirus die elkaar in hoog tempo opvolgen. Over de gevolgen van het virus voor de jeugdzorg staan we in dagelijks contact met gemeenten en jeugdzorgorganisaties. Onze gezamenlijke prioriteiten in deze bijzondere tijd zijn de gezondheid en het wel en wee van kinderen, ouders en jeugdzorgmedewerkers, evenals de continuïteit van zorg en heldere communicatie naar gezinnen en medewerkers. Alle kinderen moeten gezond en veilig kunnen opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen participeren in de samenleving. Ouders en de omgeving van het gezin zoals school, buren en sportclub hebben hierin de eerste rollen. De overheid komt in beeld als dit niet vanzelf of niet goed gaat en faciliteert een steeds beter werkzaam jeugdstelsel van ondersteuning, zorg en veiligheid als dat nodig is. Deze inzet vloeit mede voort uit het VN-Verdrag betreffende de rechten van het kind (IVRK).1 Professionals, aanbieders en gemeenten werken keihard om kinderen en gezinnen, passende hulp te bieden, dicht bij huis.
Vijf jaar na invoering blijkt dat de Jeugdwet goede ontwikkelingen in gang heeft gezet: er zijn minder uithuisplaatsingen, minder kinderen in gesloten jeugdhulp en meer jongeren met verlengde pleegzorg. Overal in het land zijn er mooie initiatieven van praktisch maatwerk en zien we dat de expertise van de jeugd-ggz steeds beter wordt benut. Als we de ambitie willen waarmaken dat alle kinderen naar vermogen kunnen deelnemen staan we voor de uitdaging: hoe worden we hier steeds beter in? Het is bijvoorbeeld haalbaar dat veel meer kinderen met een beperking echt mee kunnen doen, ook als volwassenen, of dat er geen meisjes meer overlijden aan een eetstoornis. Dat vraagt nog beter organiseren, geleidelijk meer integreren van Het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (1990) is voor Nederland op 8 maart 1995 in werking getreden en ziet op Participation, Provisions and Protection (3P’s). 1
Pagina 3 van 31
zorg en veiligheid, stoppen met activiteiten die niet werken, implementeren van wat het beste werkt en met wetenschappelijk onderzoek ontwikkelen van nog beter werkzame activiteiten, of beter ondersteunende omstandigheden. Met de Jeugdwet kwam een eind aan een ingewikkelde verantwoordelijkheidsverdeling voor de jeugdzorg (Rijk, provincies, zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten).2 De bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid is in 2015 overgegaan naar gemeenten omdat zij als meest nabije overheid het best in staat worden geacht de hulp en ondersteuning dicht bij kinderen en gezinnen te organiseren en daarbij ook de noodzakelijke verbindingen met andere levensterreinen kunnen leggen (huisvesting, onderwijs, werk en inkomen). Versterken van het gewone leven, ook voor kinderen en jongeren met een levenslange beperking, versterken van sociale netwerken rond gezinnen, op tijd passende hulp (maatwerk), betere samenwerking rond kinderen en gezinnen en meer vertrouwen en ruimte voor professionals om goede en in de tijd steeds beter werkzame zorg te verlenen zijn belangrijke doelen van de Jeugdwet.
Kenmerk 1663105-203241-J
Om de doelen van de Jeugdwet te realiseren zetten we gelijktijdig stappen op verschillende gebieden: zorginhoudelijk, financieel, organisatorisch en wettelijk. a) Inhoudelijke zorgvernieuwing Uit de evaluatie van de Jeugdwet hebben we in 2018 de conclusie getrokken dat extra inspanning nodig zijn om de transformatie van de zorg voor jeugd verder te brengen. De zes actielijnen van het programma Zorg voor de Jeugd richten zich onder andere op betere toegang tot zorg, betere ondersteuning van kinderen en jongeren (thuis, uitwonend, op school en bij 18 jaar) én doorontwikkeling van het vak en vakmanschap van jeugdprofessionals. De Kamer wordt periodiek over de voortgang geïnformeerd, de eerstvolgende rapportage is gepland voor begin juni 2020. b) Toereikende budgetten De gemeenten kampen met financiële druk. Om deze te verlichten heeft het kabinet vorig jaar extra middelen uitgetrokken voor de uitvoering van de Jeugdwet: € 420 mln in 2019, € 300 mln in 2020 en € 300 mln in 2021. Het kabinet heeft met gemeenten een onderzoek afgesproken naar de noodzaak van structureel extra middelen voor jeugdzorg (vanaf 2022). Dat onderzoek vindt dit jaar plaats. c) Organisatorische en wettelijke basis op orde Om kwalitatief goede zorg te kunnen leveren moet de organisatorische en wettelijke basis van het jeugdstelsel op orde zijn.
In de wetenschap dat geld alleen niet voldoende is hebben we in onze brieven van 27 mei en 7 november 2019 een aantal noodzakelijke verbeteringen in het stelsel aangekondigd.3 Over de uitwerking van die maatregelen gaat deze brief. De kern van deze brief: Regionale samenwerking is nodig om de kwaliteit en continuïteit van de zorg aan kinderen met complexe problemen en specialistische- en levensbrede vraagstukken beter te borgen. Niet om de decentralisatie van de jeugdzorg terug te draaien, maar om samen bij te sturen en af te maken wat we begonnen zijn Voor de leesbaarheid wordt in deze brief onder ‘jeugdzorg’ verstaan: jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Jeugdhulp omvat alle vormen van hulp, ondersteuning en zorg op grond van de Jeugdwet, zoals jeugd-en opvoedhulp, jeugd-ggz, zorg bij licht verstandelijke beperkingen, gesloten jeugdhulp e.d. Onder ‘jeugdzorgaanbieders’ zijn naast jeugdhulpaanbieders ook de gecertificeerde instellingen begrepen. 3 Brief 27 mei 2019 over uitkomsten voorjaarsnotabesluitvorming jeugdzorg een ggz (Kamerstukken II, 2018/19, 31839, nr. 66657) en brief 7 november 2019 Naar een betere organisatie van de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering, (Kamerstukken II 2019/20, 31839, nr. 699). 2
Pagina 3 van 31
opdat alle betrokken partijen hun verantwoordelijkheid kunnen waarmaken. In het Regeerakkoord is afgesproken: “Voor het behoud van specialistische jeugdhulp kan regionale samenwerking noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om gezamenlijk in te kopen en bedrijfsprocessen en verantwoordingssystemen af te stemmen. Als gemeenten de noodzakelijk geachte samenwerking op deze terreinen niet zelf regelen, dan dwingt het Rijk dit af.” Ook in de memorie van toelichting van de Jeugdwet is al voorzien “dat sommige vormen van zorg komen zo beperkt voor, zijn dermate duur, of vereisen veel kennis van de inkopende partij dat het inhoudelijk als vanwege financiële risico opportuun is dat gemeenten deze taken in samenwerkingsverbanden oppakken.” Als voorbeelden worden genoemd “de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering, gesloten jeugdhulp, bepaalde vormen van specialistische jeugdhulp.”
Kenmerk 1663105-203241-J
De Jeugdwet benoemt dus al de noodzaak van samenwerking, maar stelt geen nadere eisen aan inhoud en schaal van de samenwerking. De benodigde samenwerking om maatwerk en continuïteit te bieden, leidt helaas tot hogere administratieve lasten voor zowel aanbieders als gemeenten. Ook lukt het onvoldoende om regie en samenhang in de zorg en het jeugdzorglandschap te organiseren. Voor aanbieders is het complicerend dat gemeenten en regio’s de organisatie van de zorg voor jeugdigen verschillend aanpakken en ze zich moeten verhouden tot een groot aantal opdrachtgevers. Dit alles veroorzaakt aanzienlijk hogere administratieve lasten dan nodig. Ook zien we dat bepaalde hoog specialistische functies en voorzieningen onder druk komen staan, dat nog te veel verkokerd wordt gewerkt en dat de kwaliteit van de jeugdzorg onder druk staat. Ook bij aanbieders is qua bedrijfsvoering en toezicht een verbeterslag nodig om kwalitatief goede zorg te bieden. De kern van de opgave: Er is behoefte aan stevig opdrachtgeverschap van gemeenten, stevig opdrachtnemerschap van jeugdzorgaanbieders en een reeks van waarborgen in het stelsel om de complexere jeugdzorg beter te organiseren. Dit vraagt om ondersteuning van een betere en lerende praktijk, bestuurlijke afspraken met betrokken partijen en waar nodig aanpassing van wet- en regelgeving.
Dit houdt in: Gemeenten verstevigen hun opdrachtgeverschap door regionale samenwerking Er is een noodzaak om tot duurzame, niet-vrijblijvende samenwerking te komen tussen gemeenten met het oog op borging van (zorg)functies, vermindering van bureaucratie en de nodige transformatie van het jeugdzorglandschap. We leggen vast dat gemeenten binnen de jeugdzorgregio’s een samenwerkingsverband oprichten voor de organisatie van specialistische jeugdhulp. Op initiatief van de VNG zijn gemeenten momenteel bezig gezamenlijk een Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) op te stellen. Wij zijn met de gemeenten in gesprek over de wijze waarop de regelgeving optimaal kan aansluiten op deze NvO en andersom. De VNG betrekt zorgaanbieders bij de inhoudelijke uitwerking van de NvO (zie par. 1). Jeugdzorgaanbieders versterken hun opdrachtnemer- en werkgeverschap en goed bestuur Jeugdzorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van goede zorg in de keten, goede bedrijfsvoering, goed werkgeverschap en de borging van de kwaliteit van zorg. We bezien met de sector hoe jeugdhulpaanbieders actiever kunnen aansluiten op zelfregulerende normen die in een aantal Pagina 3 van 31
zorgsectoren worden gebruikt. Daarnaast gaan we een aantal vereisten voor goed bestuur, toezicht en bedrijfsvoering wettelijk verankeren. We verkennen hoe we jeugdzorgaanbieders die dat nodig hebben met verbeterprogramma’s kunnen ondersteunen bij het op orde krijgen van hun bedrijfsvoering (zie par. 2). Kaders voor reële tarieven en zorgvuldigheidseisen bij de inkoop Op grond van artikel 2.12 Jeugdwet geldt dat gemeenten en aanbieders reële tarieven afspreken voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Omdat er in de praktijk veel discussie is over de uitleg van dit wetsartikel gaan we in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) elementen van een redelijk tarief vastleggen, zoals dat eerder voor de Wmo 2015 is gebeurd. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders helderheid. We nemen in de Jeugdwet een delegatiebepaling op om zo nodig een aantal zorgvuldigheidseisen bij de inkoop van zorg nader vast te stellen. Dit stemmen we af op de door gemeenten voorgenomen Norm voor Opdrachtgeverschap (zie par. 3). Effectievere bescherming van jeugd en gezin Samen met de sector vereenvoudigen we de jeugdbescherming om kinderen en gezinnen eerder en beter te helpen. Regio’s gaan op basis van een analyse per regio aan de slag om acute knelpunten rond wachtlijsten, personeelsverloop, caseload en tijdige beschikbaarheid van jeugdhulp aan te pakken.
De procedures voor klacht- en tuchtrecht worden verder gestroomlijnd om onnodige belasting voor professionals te voorkomen. Er wordt samen met sociale partners ingezet op veiligheid van voorkomen van agressie tegen medewerkers (zie par. 4). Versterken toezicht zorg voor de jeugd Om de zorgcontinuïteit te kunnen borgen, zijn de volgende functies van belang: signaleren, voorkomen en opvangen. De Jeugdautoriteit, die vanaf januari 2019 bestaat, is opgericht om, aanvullend op het door gemeenten zelf georganiseerde horizontaal toezicht, deze functies te vervullen en werkt hierbij samen met gemeenten en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Passend bij de ontwikkeling van de jeugdsector – en de andere acties in deze brief - wordt de rol van de Jeugdautoriteit de komende tijd verder versterkt en structureel verankerd (zie par. 5). Lerende praktijk in de regio’s Op heel veel plekken in het land zijn mooie ontwikkelingen gaande. Zo starten twee regionale netwerken gericht op complexe problematiek rond eetstoornissen in de regio’s Noord-Holland en Noord (Friesland, Groningen, Drenthe). Hiermee wordt professionele afstemming en leren in de jeugdketen (complexe casuïstiek) gestimuleerd.
Via leren van de praktijk willen we tot verbeteringen in de jeugdzorg komen en tot lerende netwerken van jongeren, gezinnen, professionals en gemeenten, waarbij goede voorbeelden ons de weg wijzen, pilots de implementatie ondersteunen en wettelijke verankering het sluitstuk is (zie par. 6).
Kenmerk 1663105-203241-J
De hiervoor geformuleerde opgave hebben we de afgelopen periode uitvoerig besproken in overleggen en expertmeetings met cliënten, professionals en bestuurders. Ook hebben veel partijen het initiatief genomen om schriftelijk hun ideeën kenbaar te maken. Tijdens een inspirerende 24-uurs werkconferentie op 10 en 11 februari 2020 in Vinkeveen hebben zo’n 130 vertegenwoordigers van cliënten, professionals, aanbieders, kennisinstituten, gemeenten en departementen met elkaar verkend wat nodig is om het jeugdstelsel beter te laten
Pagina 3 van 31
werken.4 We zijn de deelnemers van de 24-uursbijeenkomst (en de andere overleggen en brieven) zeer erkentelijk voor hun betrokkenheid en inbreng. Er is een brede oogst opgehaald van ideeën en initiatieven. Die willen we graag benutten bij de uitwerking van deze brief en de verdere uitvoering van de acties van de programma’s Zorg voor de Jeugd, Geweld hoort nergens thuis, Kansrijke Start en Scheiden zonder schade, waarin leren en verbeteren van de praktijk centraal staat. Doel dat ons allen bindt, is dat de gewenste verbeteringen merkbaar zijn voor kinderen, gezinnen en professionals.
Kenmerk 1663105-203241-J
1. Gemeenten verstevigen hun opdrachtgeverschap door regionale samenwerking Wanneer er vragen zijn rond opvoeden en opgroeien, worden oplossingen bij voorkeur zoveel mogelijk gezocht in het gewone leven (normaliseren). Soms heeft een kind of een gezin echter hulp nodig, die om een (zeer) specifieke expertise vraagt die minder breed beschikbaar is in ons land. Om dit weinig voorkomende, specialistische aanbod van zorg snel in te kunnen zetten en beschikbaar te houden, is het nodig dat gemeenten hun gezamenlijk opdrachtgeverschap in de regio versterken. Een stabiele, stevige (boven)regionale samenwerking zorgt voor rust in het zorglandschap. Professionals krijgen meer tijd en ruimte voor jongeren en hun omgeving, aanbieders krijgen meer ruimte voor zorgvernieuwing, de administratieve lasten nemen af en er wordt beter omgegaan met de schaarste aan mensen en middelen. Welke knelpunten zien we? Gemeenten werken veelvuldig samen om de ambities uit de Jeugdwet waar te maken. De vrijblijvendheid van de samenwerking in de jeugdhulpregio´s zorgt er voor dat het samenwerken de gemeenten veel tijd en energie kost. Er moeten steeds nieuwe samenwerkingsafspraken gemaakt worden en ook samenwerkingspartners veranderen.
Aanbieders ervaren daarnaast veel diversiteit aan afspraken omdat gemeenten en regio´s de organisatie van hulp vanuit de wens tot maatwerk verschillend inrichten, waardoor hogere administratieve lasten ontstaan. Dit heeft grote impact op de zorg die aan kinderen en gezinnen geboden wordt. Ook zien we dat de continuïteit van bepaalde hoogspecialistische functies onder druk staat. Met als risico dat jeugdigen te laat passende hulp ontvangen, vaker worden doorgeplaatst, er meer crisisincidenten en langere behandeltijden zijn. De werkdruk en wachttijden voor de specialistische hulp nemen toe, met financiële zorgen, hoog ziekteverzuim en een hoog personeelsverloop tot gevolg. Daarom willen we de randvoorwaarden verbeteren om het jeugdstelsel beter te laten werken. Zo kunnen alle partners hun verantwoordelijkheden ten volle waarmaken bij de transformatieopgave, met name voor de meest specialistische vormen van jeugdhulp. 1.1 Regionale agenda en bovenregionale afstemming nodig Individuele gemeenten zijn en blijven verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van de zorg voor hun jeugd. Zij hebben en houden hun jeugdhulpplicht op grond van de Jeugdwet5.
Hiervoor organiseren ze de toegang tot jeugdhulp en organiseren ze de (specialistische) jeugdhulp en ondersteuning Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/documenten/publicaties/2020/03/09/verslag-24-uurswerkconferentie-perspectief-voor-de-jeugd 5 Waaronder de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, van de jeugdreclassering en van de jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. 4
Pagina 3 van 31
zo dicht mogelijk bij de jeugdigen, het liefst in hun directe leefomgeving. Andere partners, waaronder het onderwijs, die nodig zijn om deze kinderen zich te laten ontwikkelen, zijn goed betrokken bij de organisatie van dit aanbod. Gemeenten geven lokaal invulling aan de toebedeelde taken uit de Jeugdwet. De schaalgrootte van gemeenten maakt echter dat het voor een aantal taken minder efficiënt is om deze als individuele gemeente te organiseren. Voor een deel van de taken is regionale samenwerking nodig, om zo invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid en continuïteit van de specialistische zorg voor jeugd. Voor een efficiënte en effectieve uitvoering van de Jeugdwet dienen naar ons oordeel tenminste de volgende zaken op regionaal niveau te zijn geborgd:
Kenmerk 1663105-203241-J
a) Regionale agenda zorg voor de jeugd Gemeenten in een jeugdhulpregio stellen (aanvullend op hun lokale beleid) een regionale agenda op waarin zij heel concreet aangeven wat de gezamenlijke opgave is, welk hulpaanbod er nodig is in de regio, welke stappen ze gaan zetten voor de (verdere) transformatie van de jeugdhulp en hoe ze de inkoop hiervan organiseren. Ook als individuele gemeenten daar (vooralsnog) geen of weinig gebruik van maken, hebben ze een verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid van deze functies. Daarnaast bevat de regionale agenda een aansluiting naar het lokale niveau, afspraken over het borgen van de vijf basisfuncties van de lokale teams, een aanpak wachtlijstbeheer, de sociale kaart en hoe de aansluiting met de veiligheidsketen en het onderwijs plaatsvindt. Ook nemen gemeenten de bovenregionale afstemming op in de regionale agenda. De agenda wordt vastgesteld door de individuele gemeenteraden en is gekoppeld aan de inkoopcyclus van de jeugdhulp, zodat de visie vertaald wordt naar inkoopstrategie. Hierbij worden ook afspraken gemaakt over samenhang van zorg, onderzoek, innovatie en opleiding. Bij het opstellen van de agenda maken gemeenten expliciet gebruik van de ervaringsdeskundigheid van cliënten en de deskundigheid van professionals.
In de regionale agenda en bij de inkoop worden de leerervaringen verwerkt die worden opgedaan vanuit de regionale expertteams en de expertisecentra. b) Regionaal organiseren van specialistische zorg voor jeugd Het doel van de regionale samenwerking is het organiseren van de specialistische zorg voor jeugdigen die de schaal van een individuele gemeente te boven gaat. Het gaat om de beschikbaarheid van hoog specialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp, specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties.6 Gemeenten organiseren dit hulpaanbod voor jeugdigen eenduidig op regionaal niveau. De manier waarop ze dat gezamenlijk organiseren en inkopen, leggen ze vast in de regionale agenda. Bij de huidige inzichten gaat het om: o weinig voorkomende/hoog specialistische jeugdhulp: intensieve ambulante vormen (inclusief jeugd-ggz) ter vervanging van verblijf, verblijf en behandeling voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking in combinatie met complexe problematiek (OBC’s, waaronder 3milieusvoorzieningen), gesloten jeugdhulp, zware intramurale GGZ behandelingen en de (verblijfs)zorg in het kader van de Wvggz en de Wzd (beide voorheen Bopz);
Deze lijst is niet uitputtend en gebaseerd op de huidige praktijk. De lijst is gebaseerd op de ‘Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg’ en de inkoopsegmenten van de Handreiking inkoopsegmentatie van het Programma inkoop en aanbesteden sociaal domein januari 2020. 6
Pagina 3 van 31
o o o o o o
jeugdhulp in het kader van een urgente crisissituatie; pleegzorg en gezinsvervangend verblijf; jeugdverslavingszorg; benodigde of opgelegde forensische hulp in kader van de veiligheidsketen, waaronder systeem- en gezinsinterventies; jeugdbescherming en jeugdreclassering; regionale expertteams.
Kenmerk 1663105-203241-J
In gesprek met gemeenten, cliënten en aanbieders bezien we of deze opsomming werkbaar is. Uitgangspunt is dat de omschrijving niet conserverend mag werken en de transformatie niet in de weg mag staan. c) Bovenregionale afstemming en afspraken Bovengenoemde zorg wordt regionaal georganiseerd. Voor een aantal vormen van zorg moet daarnaast ook bovenregionaal worden afgestemd vanwege onderlinge afhankelijkheid tussen regio’s voor de beschikbaarheid en continuïteit van zorg. Het betreft vaak zeer intensieve, specialistische jeugdhulp, waarbij de problematiek (bijna) altijd meervoudig van aard is. De aanbieders van deze zorg bedienen dan ook meerdere jeugdhulpregio’s. Het is nodig dat gemeenten, samen met jeugdhulpaanbieders, verwijzers (waaronder de gecertificeerde instellingen) en cliënten, hierover afspraken maken. Zo komt er zicht en grip op het zorglandschap en de transformatie. Deze bovenregionale afspraken worden toegevoegd aan de regionale agenda en vertaald naar regionale inkoop. Wat er bovenregionaal wordt afgestemd, hangt uiteraard af van wat er regionaal is ingekocht. Sommige regio’s zullen bijvoorbeeld meer bovenregionaal afstemmen omdat het kleine regio’s betreft.
Bovenregionale afstemming vindt in ieder geval plaats over: o de matching van vraag en aanbod voor de beschikbaarheid en continuïteit van zorg; o afspraken maken over het organiseren van beschikbaarheid en indien nodig de financiering daarvan; o afstemming over de regionale organisatie en gewenste ontwikkeling van (gesloten) woonvoorzieningen voor jeugdigen met complexe problemen (gesloten jeugdhulp, 3-milieusvoorziening, zware intramurale GGZ, Wvggz- en Wzd-plaatsen) in samenhang met het onderwijs, inclusief intensieve ambulante vormen ter vervanging van verblijf; o de expertisecentra voor jongeren met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en/of anderszins complexe problematiek (par. 6); o het regionaal beschikbaar houden/inkopen van jeugdhulp vanuit het gedwongen kader en strafrechtelijke beslissingen (forensische hulp); o de beschikbaarheid van de jeugdbescherming, jeugdreclassering en Veilig Thuis. 1.2 Regionale samenwerkingsverbanden Een goed georganiseerde regio is essentieel voor de uitvoering van de regionale agenda zorg voor de jeugd. Een stabiele regio waarin langdurige efficiënte samenwerking en afstemming vanzelfsprekend is. Een regio die aangesproken kan worden op momenten dat het niet goed gaat. Daarom willen we dat gemeenten een samenwerkingsverband inrichten.
De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) kent hiertoe verschillende mogelijkheden, van licht naar zwaar. Een aantal regio’s kent al zo’n samenwerkingsverband op grond van de Wgr. Dit samenwerkingsverband moet in staat zijn taken uit te voeren rondom organisatie van specialistische zorg voor jeugd (zowel vanuit regiovisie als vanuit
Pagina 3 van 31
bovenregionale afstemming) en zorgt voor eenduidige opdrachtverlening, monitoring en verantwoording van aanbieders aan gemeenten. Dit sluit aan bij hoe een aantal jeugdhulpregio’s hun taken op dit moment uitvoert.
Kenmerk 1663105-203241-J
Indien gemeenten of regio’s niet tot een passende samenwerking komen, moeten de verantwoordelijke ministers hen op basis van de Gemeentewet hierop kunnen aanspreken. Is er wel een gemeenschappelijke regeling op grond van de Wgr, maar mochten gemeenten hun taken in het kader van zorgcontinuïteit niet naar behoren uitvoeren, dan moeten de verantwoordelijke ministers hen daarop kunnen aanspreken op basis van de Wgr of Gemeentewet (afhankelijk van gekozen samenwerkingsvorm). In beide gevallen wordt er gebruik gemaakt van een bestuurlijke interventieladder. In het kader van het interbestuurlijk toezicht op grond van de Wgr en de Gemeentewet worden vijf stappen onderscheiden, met toenemende bemoeienis van het Rijk met de gemeentelijke uitvoering (zie bijlage). De eerste drie stappen van de interventieladder kunnen gemandateerd worden, bijvoorbeeld aan de Jeugdautoriteit. 1.3 Stabiele jeugdhulpregio’s Om rust in het zorglandschap te creëren, is het belangrijk dat een jeugdhulpregio stabiel is wat betreft de samenstelling. We gaan daarbij op de korte termijn uit van de huidige 42 jeugdhulpregio’s, maar beseffen dat er een spanning is met andere regio-indelingen in het sociale domein. Dit belemmert een integrale aanpak binnen het sociale domein.
Congruentie van buitengrenzen, minimale schaalgrootte van regio’s en meer harmonisatie is onderwerp van gesprek in de in voorbereiding zijnde contourennota over het zorgstelsel. Ook gemeenten pleiten hiervoor, in het belang van de transformatie. Om die reden zal de minister van BZK – in het verlengde van de Kamerbrief over de Toekomst van het Openbaar Bestuur7– een gespreksronde initiëren met gemeenten, provincies en de meest betrokken departementen over wat op langere termijn de meest passende regionale samenwerking is voor de verschillende opgaven in het sociale domein. Afstemming over de bovenregionale afspraken moet aansluiten bij de leerervaring van de expertisecentra (zie par. 6), en dus is het logisch om daar een soortgelijk schaalniveau te kiezen. Er is regie nodig op de sturing van het zorglandschap op het niveau van een bovenregionaal gebied. Gemeenten leggen vast in de regionale agenda hoe ze dit vormgeven en welke gemeente of regio hierin het voortouw neemt. Daarnaast moet er zicht zijn op hoe het gaat met de beschikbaarheid en ontwikkeling van zorgaanbod waar bovenregionale afspraken over zijn gemaakt. Deze accounthoudende taken kunnen binnen het bovenregionale gebied worden belegd/verdeeld. Voor de jeugdbescherming en jeugdreclassering werken gemeenten momenteel samen op basis van twaalf accounthoudende regio’s8.
Deze indeling sluit aan bij het huidige werkgebied van de gecertificeerde instellingen. De motie van het lid Bergkamp9over de regionalisering in de zorg, raakt aan het vraagstuk van passende regionale samenwerking. Na overleg met de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) bleek dat het niet mogelijk was om – zoals de motie vraagt – deze vraag mee te nemen in het door het Ministerie van Binnenlandse Zaken gevraagde advies over de rol van het Rijk bij interbestuurlijke Tweede Kamer, 35300 VII, nr 7. Daarnaast zijn er nog twee accounthoudende regio’s voor de twee landelijk werkende instellingen en twee accounthouders voor twee nieuwe gecertificeerde instellingen die niet aan één bovenregionaal samenwerkingsverband zijn verbonden, maar ook niet landelijk werkend zijn. 9 Tweede Kamer, 35.300 XVI, nr. 112. 7 8
Pagina 3 van 31
samenwerking. Wel hebben enkele leden van de ROB deelgenomen aan een expertsessie op 9 januari 2020 over regionale samenwerking in het jeugdstelsel. Omdat de in de motie geformuleerde vraag ook een bredere relevantie heeft dan het jeugdstelsel, overweegt de minister van BZK hierover een zelfstandige adviesaanvraag aan de ROB.
Kenmerk 1663105-203241-J
1.4 Initiatief VNG: Norm voor Opdrachtgeverschap Gemeenten zien de noodzaak in van niet-vrijblijvende regionale samenwerking in het sociaal domein om hun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. De VNG stelt hiertoe dit voorjaar een Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) op. Deze norm beschrijft waaraan de (boven)regionale samenwerking van jeugdhulpregio’s moet voldoen en hoe daarmee beschikbaarheid van weinig voorkomende specialistische zorgfuncties wordt geborgd. Wij omarmen het initiatief van de VNG om een Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) op te stellen. Een initiatief dat past bij de rol gemeenten als opdrachtgevers voor de jeugdhulp. Wij zijn met de gemeenten in gesprek over de wijze waarop de regelgeving optimaal kan aansluiten op de NvO en andersom. De VNG betrekt zorgaanbieders bij de inhoudelijke uitwerking van de NvO. 1.5 Wettelijk ondersteunen van regionale samenwerking In de Jeugdwet staat dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de Jeugdhulp en dat ze met elkaar samenwerken voor zover dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de wet nodig is (artikel 2.8). We constateren dat er gemeenten zijn die al samenwerken op de manier zoals hierboven beschreven. We constateren ook dat er knelpunten zijn in de regionale samenwerking.
Om een effectieve samenwerking te ondersteunen en in te kunnen grijpen wanneer het niet goed gaat, bereiden we aanpassing van regelgeving voor op de volgende terreinen: Gemeenten in een regio werken samen bij de organisatie van specialistische jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hiertoe treffen ze een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Ze richten een regionale entiteit op conform die wet en houden deze entiteit in stand. De gemeenten in een jeugdhulpregio dienen ervoor te zorgen dat de regionaal te verrichten taken door hun regionale entiteit worden uitgevoerd. Het regionale samenwerkingsverband is aanspreekbaar op de organisatie en eenduidige inkoop van specialistische zorg voor de jeugd op het (boven) regionale niveau. Gemeenten werken samen in vaste regionale verbanden voor specifieke taken. We leggen in nadere regelgeving vast welke gemeenten samenwerken in welke jeugdhulpregio’s. We gaan hierbij uit van de huidige 42 regio’s, maar bezien het aantal zoals ze zijn op het moment van opstellen van de regelgeving. Het kunnen er in ieder geval niet meer worden omdat er een bepaalde schaalgrootte nodig is. Zorgvormen die in ieder geval regionaal georganiseerd dienen te worden. We gaan in gesprek met gemeenten, cliënten en aanbieders of de huidige lijst (par. 1.1) werkbaar is.
Uitgangspunt is dat de omschrijving niet conserverend mag werken en de transformatie niet in de weg mag staan. Regio’s komen tot bovenregionale afstemming over bepaalde onderwerpen (zie par. 1.1). De komende maanden vertalen we bovenstaande in wetgeving, in overleg met gemeenten en andere betrokkenen. Omdat we de gesignaleerde knelpunten zo snel mogelijk willen aanpakken, zijn en gaan we samen met gemeenten en de Pagina 3 van 31
jeugdsector vooruitlopend op wetgeving aan de slag om de praktijk te verbeteren. De voortgang daarvan zullen we monitoren. De verwachting is dat de voorgestelde aanpassingen in wet- en regelgeving vervolgens codificerend en zo nodig aanvullend zijn ten aanzien van de verbeterde praktijk.
Kenmerk 1663105-203241-J
Het streven is dat een conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Jeugdwet deze zomer gereed is voor externe consultatie om te beoordelen of de voorgestelde wetswijzigingen helder en werkbaar zijn. Ook de ervaringen uit de regio’s nemen we hierbij mee. Na verwerking van ontvangen commentaren en adviezen en advisering Raad van State kan vervolgens indiening bij uw Kamer plaatsvinden. De nieuw op te stellen lagere regelgeving treedt uiteraard pas inwerking nadat het hiervoor genoemde wetsvoorstel tot wijziging van de Jeugdwet door het parlement is aanvaard en in werking is getreden. De precieze invulling van die lagere regelgeving zullen we afstemmen op de ervaringen die dan inmiddels zijn opgedaan met de door gemeenten te ontwikkelen Norm voor Opdrachtgeverschap en de verbeterde praktijk.
2. Jeugdzorgaanbieders versterken hun opdrachtnemer- en werkgeverschap en goed bestuur Jeugdzorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor een goede bedrijfsvoering, goed werkgeverschap, de borging van de kwaliteit van zorg en samenwerking met aanvullende expertises. Vertrouwen in en ruimte voor de professional zijn aspecten van goed werkgeverschap. Van aanbieders wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële en/of organisatorische problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders zoals gemeenten (inkopers) in overleg gaan over een oplossing. We bezien met de sector hoe jeugdzorgaanbieders actiever kunnen aansluiten op zelfregulerende normen. We gaan vereisten voor goed bestuur, toezicht en bedrijfsvoering wettelijk verankeren. We verkennen hoe we aanbieders (die dat nodig hebben) met verbeterprogramma’s kunnen ondersteunen bij het op orde krijgen van hun bedrijfsvoering. 2.1 Aanleiding Recente inspectierapporten en casuïstiek van jeugdhulpaanbieders in financiële problemen laten zien dat er nog belangrijke stappen kunnen worden gezet in de kwaliteit, professionalisering van het bestuur, van het interne toezicht, van de bedrijfsvoering en van het externe toezicht. In de verzekerde zorg is een aantal basisvereisten wettelijk geregeld en worden deze wettelijke kaders verder ingevuld met zelfregulerende normen.
Een dergelijk wettelijk en zelfregulerend kader kent de jeugdsector beperkt, behoudens de certificering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering. In lijn met motie Peters en Voordewind die verzoekt om te bekijken hoe de checks en balances en de governance van jeugdzorginstellingen versterkt kunnen worden10, onderzoeken we hoe de (zelfregulerende en wettelijke) kaders voor goed bestuur, toezicht en bedrijfsvoering die gelden voor aanbieders van verzekerde zorg kunnen worden toegepast op de jeugdsector. Dit zal bijdragen aan een professionelere opdrachtnemersrol richting gemeenten, een stevigere basis vormen voor cliënten en professionals binnen de organisatie en continuïteitsproblematiek verminderen. 10
Tweede Kamer 31839, nr. 710. Pagina 3 van 31
Daarnaast draagt dit bij aan het versterken van het externe toezicht door gemeenten. Het is immers van groot belang dat gemeenten en de IGJ goed toezicht kunnen houden op jeugdzorg en handhavend op kunnen treden als dat nodig is.
Kenmerk 1663105-203241-J
2.2 Stimuleren zelfregulering Het professionaliseren van bestuur en toezicht begint bij het veranderen van gedrag en cultuur en kan alleen van de grond komen wanneer er sprake is van een intrinsieke motivatie bij bestuurders en interne toezichthouders. Daarom bezien we in 2020 samen met de sector hoe jeugdhulpaanbieders actiever kunnen aansluiten op de zelfregulerende normen die in een groot aantal andere zorgsectoren al worden gebruikt, zoals de Governancecode zorg11 en het accreditatietraject voor bestuurders in de zorg, en wordt met gemeenten besproken hoe zelfregulerende normen onderdeel kunnen zijn van de inkoopeisen van gemeenten. Om jeugdzorgaanbieders te ondersteunen bij het – waar nodigop orde krijgen van hun bedrijfsvoering verkennen we de haalbaarheid van nietvrijblijvende verbeterprogramma’s voor individuele aanbieders. 2.3 Wettelijke verankering We gaan een aantal vereisten voor goed bestuur, toezicht en bedrijfsvoering ook wettelijk verankeren voor jeugdhulpaanbieders. Dit begint bij het vastleggen van een aantal basisvereisten rondom governance die op dit moment gelden voor aanbieders van Zvw- en Wlz-zorg, in de Jeugdwet. Dat gaat bijvoorbeeld over eisen zoals het hebben van een onafhankelijke intern toezichthouder en het voeren van een transparante financiële bedrijfsvoering.
Daarnaast wordt bezien wat nodig is voor verdere harmonisatie rondom jaarverantwoording zorg en jeugd. dit is in lijn met motie Van den Berg12 waarin gevraagd wordt om eenduidige modellen en definities in de openbare jaarverantwoording. Daarnaast zijn we van plan de maatregelen die we nu voorbereiden in het kader van het Wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (WIbz) ook te laten gelden voor aanbieders in de jeugdzorgsector. Dit sluit aan bij de motie Kuiken/Peters waarin wordt gevraagd om te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om excessieve winstuitkering tegen te gaan.13 Een eerste stap in de wettelijke verankering hebben we reeds genomen door de meldplicht uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) ook te laten gelden voor jeugdhulpaanbieders in de Jeugdwet. Daarmee komen nieuwe jeugdhulpaanbieders voor de aanvang van de jeugdhulpverlening bij de IGJ in beeld en worden zij beter bewust gemaakt van de (kwaliteits)eisen die zijn gesteld aan de jeugdhulp en hun verantwoordelijkheid daarvoor. Met het door de Tweede Kamer aangenomen amendement Van den Berg en Ellemeet14 moeten ook bestaande jeugdhulpaanbieders binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet aan de meldplicht voldoen, waarbij bij amvb de categorieën van jeugdhulpaanbieders worden uitgezonderd die al in beeld zijn (zoals door indiening van de jaarverantwoording).
Voor de gecertificeerde instellingen geldt al dat deze eerst gecertificeerd moeten zijn voordat ze de jeugdbescherming en jeugdreclassering mogen uitvoeren.
Wordt door BGZJ-branches gehanteerd. Tweede kamer, 34767, nr. 47 13 Tweede Kamer, 35300 XVI, nr. 100 14 TK 2019/20, 34 768, nr. 24. 11 12
Pagina 3 van 31
2.4 Fusietoets jeugdzorg De motie Peters15 c.s. roept de regering op te onderzoeken hoe tot een fusietoets in de jeugdzorg gekomen kan worden, waarbij ook een fusie verboden kan worden. Er is momenteel beperkt concentratietoezicht op de zorg. De Kamer constateert terecht dat de zorgspecifieke fusietoets op dit moment niet wordt uitgevoerd op fuserende zorgaanbieders die onder de Jeugdwet vallen. De zorgspecifieke fusietoets geldt alleen voor zorg onder de Wmg (te weten Zvw en Wlz). Ook gelden de verlaagde omzetdrempels voor de zorg onder de generieke concentratietoets op basis van de Mededingingswet niet voor de jeugdzorg. Dit punt nemen wij mee in de evaluatie van de verlaging van de omzetdrempels van de zorg. Daarnaast onderzoeken wij hoe het concentratietoezicht in de jeugdzorg vormgegeven kan worden en bij welke toezichthouder dit het best belegd kan worden.
Kenmerk 1663105-203241-J
2.5 Verkenning registratie kwaliteitskaders jeugd De jeugdhulp heeft te maken met veel nieuwe toetreders die diverse vormen van zorg en ondersteuning bieden. Het is van belang dat er een basis is waaraan de kwaliteit van geleverde zorg voldoet. Momenteel bestaan er diverse kwaliteitskaders die ontwikkeld zijn in het veld. Om de naleving van de kwaliteitskaders te verbeteren verkennen we dit jaar of de kwaliteitskaders opgesteld voor de jeugdhulp geregistreerd kunnen worden bij het Zorginstituut Nederland, zoals dat gebruikelijk is voor zorg uit de Wlz en Zvw en wat daarvan de consequenties zijn. 2.6 Werken in de jeugdzorg Eén van de grootste uitdagingen waar we voor staan is het tekort aan (jeugd)zorgmedewerkers en een hoog personeelsverloop in de jeugdsector. In samenwerking met gemeenten, aanbieders, beroeps- en vakorganisaties nemen wij actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Aanvullend op het actieprogramma Werken in de Zorg werken we aan een aparte arbeidsmarktagenda jeugd. Jeugdzorg Nederland en vakbonden FNV en CNV geven, gefaciliteerd door VWS, invulling aan projecten op thema’s zoals behoud van nieuwe medewerkers door zorg te dragen voor inwerken en begeleiding, het investeren in werkzekerheid, en het investeren in aantrekkelijk werk door goed werkgeverschap.
Er zijn al veel goede ideeën in het werkveld over verbeteringen op de arbeidsmarkt. Deze gaan we ophalen, versterken en delen met anderen, zodat de sector gebruik maakt van de aanwezige innovatiekracht. Professionals geven aan dat ze veel last hebben van administratieve lasten en tijdschrijven. Jeugdzorg Nederland, FNV, CNV en VNG hebben de intentie uitgesproken te stoppen met tijdschrijven in het kader van verantwoording achteraf. De afspraken worden momenteel in een convenant vastgelegd.
3. Kaders voor reële tarieven en zorgvuldigheidseisen bij de inkoop Op grond van artikel 2.12 Jeugdwet geldt dat gemeenten en aanbieders reële tarieven afspreken voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Omdat in de praktijk veel discussie is over de uitleg van dit wetsartikel gaan we in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) elementen van een reëel tarief vastleggen, zoals dat eerder voor de Wmo 2015 is gebeurd. Dit schept zowel voor 15
Tweede Kamer, 31839, nr. 709 Pagina 3 van 31
gemeenten als aanbieders helderheid. 3.1 Reële tarieven Kwalitatief goede zorg voor jeugd staat of valt met voldoende middelen voor goed opgeleid, gemotiveerd en voldoende personeel. Hiervoor is nodig dat gemeenten en jeugdzorgaanbieders redelijke tarieven afspreken die voldoende ruimte bieden voor een verantwoorde loonontwikkeling, maar ook kostenopdrijving voorkomen.
Kenmerk 1663105-203241-J
Een nadere explicitering van de elementen van een reëel tarief en de wijze waarop indexatie is geregeld is zowel voor aanbieders als gemeenten van belang. Voor aanbieders is van belang dat alle relevante kosten in beeld zijn en voor gemeenten wordt helder waarmee ze rekening moeten houden met hun tariefafspraken. Dat is ook van belang bij de verantwoording hierover richting gemeenteraad. Wij willen gemeenten en aanbieders ertoe bewegen zorgvuldiger reële tarieven vast te stellen en goede afspraken te maken over de indexatie van tarieven gedurende de looptijd van een contract. Door te werken met landelijk bepaalde kostprijselementen kunnen gemeenten en aanbieders een beter gesprek voeren over waar zij rekening mee moeten houden om te komen tot een reëel tarief. Wettelijke basis We willen in de Jeugdwet een artikel opnemen op grond waarvan we bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels kunnen stellen ten aanzien van reële tarieven die gemeenten met aanbieders afspreken. De grondslag voor deze AMvB is onderdeel van het wetsvoorstel ‘Maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015’. Het streven is om dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde AMvB (met voorhangprocedure) in werking te laten treden per 1 april 2021, zodat er bij de inkoop van jeugdhulp voor het jaar 2022 rekening mee moet worden gehouden.
De AMvB zal gelden voor nieuw te sluiten contracten om te voorkomen dat lopende contracten opengebroken moeten worden en dat jeugdhulp opnieuw aanbesteed moet worden. Elementen die opgenomen worden in de AMvB reële prijs De AMvB benoemt de kostprijselementen die in de reële prijs transparant moeten worden opgenomen, maar niet welke norm daarbij gehanteerd moet worden. De te gebruiken normen zijn afhankelijk van de specifieke sector, maar ook van de lokale context. Voor de Wmo 2015 bestaat er al een AMvB reële prijs. De AMvB reële prijs Jeugdwet zal grotendeels gebaseerd zijn op de kostprijselementen van de Wmo 2015. Het voorstel is om in elk geval de volgende elementen in de AMvB op te nemen: a) de kosten van beroepskrachten; b) reële overheadkosten: uitgesplitst in personele en materiële overheadkosten; c) kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d) reis- en opleidingskosten; e) indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f) overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen en specifieke kostprijselementen die sectorafhankelijk zijn, zoals de normatieve huisvestingscomponent voor de gesloten jeugdhulp. De kostprijselementen uit de AMvB geven gemeenten en aanbieders houvast bij
Pagina 3 van 31
het vaststellen van een reëel tarief. Overigens moet daarbij natuurlijk ook worden vastgesteld welke kwaliteit voor dat tarief wordt geleverd en hoe de in te kopen diensten aansluiten bij de zorgvraag. Een belangrijke randvoorwaarde voor een goede implementatie van de AMvB is het organiseren van een geschilbeslechtingsmogelijkheid (zie par. 5) en goed opdrachtgever- en opdrachtnemerschap (zie par. 1 en par. 2).
Kenmerk 1663105-203241-J
Vooruitlopend op wetgeving Vooruitlopend op de aanpassing in de wetgeving brengen we de ideeën over de kostprijselementen voor een reële prijs onder de aandacht van gemeenten en aanbieders. Op deze manier kunnen beide partijen hier al hun voordeel mee doen en in de praktijk al gebruik van maken. Door bijvoorbeeld al gebruik te maken van de kostprijselementen kunnen gemeenten en aanbieders gezamenlijk het gesprek voeren over deze elementen waardoor er zorgvuldiger reële tarieven vastgesteld kunnen worden. Dit is ondersteunend aan de verplichting die er reeds in artikel 2.12 van de Jeugdwet is vastgelegd. De voor- en nadelen van een landelijk vastgesteld kostendekkend tarief De heer Hijink heeft tijdens het wetgevingsoverleg jeugd van 19 november 2019 gevraagd de voor- en nadelen in beeld te brengen van een landelijk vastgesteld kostendekkend tarief. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Jeugdwet en hebben een jeugdhulpplicht. Bij het hanteren van landelijke tarieven kan minder rekening worden gehouden met lokale omstandigheden, zoals de prijs van vastgoed, gemiddelde reisafstanden en dergelijke. Daarmee verdwijnt ook voor een groot deel de beleidsruimte die gemeenten nu hebben om het voorzieningenlandschap zelf vorm te geven. Bij het hanteren van landelijke tarieven zullen namelijk ook landelijke producten vastgesteld moeten worden.
Landelijke tarieven kunnen daardoor een remmende werking hebben op innovatie/de beoogde transformatie in het jeugdstelsel. Het past ook niet bij wat er in andere decentrale sectoren van zorg en ondersteuning gebeurt. We zijn dus geen voorstander van landelijk vastgestelde tarieven en sluiten aan bij de Wmo 2015. 3.2 Zorgvuldigheidseisen bij inkoop Om een zorgvuldig proces rondom inkoop en contractbeheer, rust en ruimte in het jeugdzorglandschap en continuïteit van zorg voor jeugd te waarborgen (waarbij de verbinding met onderwijs wordt gezocht) zijn ondermeer de volgende zorgvuldigheidseisen van belang: De inkoopprocedure is tijdig afgerond. Voor jeugdhulp dient tussen het tekenen- en de ingang van het contract ten minste 3 maanden dienen te liggen (gelijk aan een vergelijkbare zorgvuldigheidseis binnen de Wmo 2015). Voor gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering en jeugdhulp die is opgenomen in een strafrechtelijke beslissing dient de minimumtermijn 6 maanden te bedragen. Gemeenten sluiten meerjarige contracten af. Voor gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering en jeugdhulp die is opgenomen in een strafrechtelijke beslissing is een minimumcontractduur van 3 jaar gewenst. Binnen inkoopcontracten worden afspraken gemaakt over de continuïteit van zorg voor cliënten na afloop van een contract.
Gemeenten en aanbieders maken in hun inkoopcontracten en inkoopprocedure afspraken over de continuïteit van zorg voor cliënten (na afloop van een contract). Pagina 3 van 31
We nemen in het voornoemde wetsvoorstel ‘Maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015’ een delegatiebepaling op (kan-bepaling) om zo nodig nadere regels te kunnen stellen. Dit zullen we afstemmen op de ervaringen met de door gemeenten te ontwikkelen Norm voor Opdrachtgeverschap en de verbeterde praktijk.
Kenmerk 1663105-203241-J
3.3 Vereenvoudigen van aanbesteden in het sociaal domein Op dit moment verplichten de Jeugdwet en de Wmo 2015 bij aanbestedingen dat gunning alleen op basis van de economisch meest voordelige inschrijving mogelijk is, de zogenoemde emvi-verplichting. De gedachte daarachter is het tegengaan van gunning op basis van enkel de laagste prijs. Altijd zal ten minste ook de aangeboden kwaliteit in ogenschouw moeten worden genomen. Hoewel deze uitgangspunten onverkort wenselijk zijn, leidt de verwijzing in de Jeugdwet en de Wmo 2015 naar het emvi-criterium er in de praktijk toe dat gemeenten zich gehouden voelen tot het inrichten van aanbestedingsprocedures die fasen van het vragen en beoordelen van offertes kennen. Dat kan in sommige situaties tot onnodige uitvoeringslasten leiden. Daarom wordt, zoals bij brief van 15 november 2019 is aangekondigd16, in eerdergenoemd wetsvoorstel 'maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015' voorgesteld om het emvi-criterium uit de Jeugdwet en de Wmo 2015 te schrappen. Gemeenten krijgen meer vrijheid om de aanbestedingsprocedures in te richten en zodoende de uitvoeringslasten voor geïnteresseerde aanbieders en voor henzelf sterk te verminderen. Het verbod om louter op de laagste prijs te gunnen en het gebod om altijd naar de kwaliteit te kijken, blijven in de Jeugdwet en de Wmo 2015 staan.
Het wetsvoorstel wordt binnenkort in consultatie gebracht.
4. Effectievere bescherming van jeugd en gezin Kinderen moeten kunnen rekenen op bescherming en daarbij hebben we alle betrokkenen hard nodig. Het is voor het kind, de ouders en de professionals belangrijk om de jeugdbescherming slimmer en effectiever te organiseren, als onderdeel van een brede, gezinsgerichte aanpak. Voor het effectief beschermen van kinderen staat uiteindelijk het hele sociale domein (gemeenten, vrijwillige en gedwongen zorg- en hulpverlening, scholen) en politie en justitieorganisaties gezamenlijk aan de lat. Ongeveer 1-% van de kinderen in Nederland komt jaarlijks in aanraking met de jeugdbescherming. Het betreft kinderen en gezinnen waar sprake is van complexe casuïstiek waar ontwikkelings- en veiligheidsvraagstukken spelen. Snel en adequaat handelen is dan belangrijk. Nu worden kansen gemist om erger te voorkomen doordat niet altijd naar de achterliggende oorzaken van de problematiek binnen het gezin wordt gekeken en passende hulp wordt geboden. Ook moeten gezinnen en kinderen waar de problematiek complex en nijpend is vaak te lang wachten op hulp. Dat komt omdat de huidige jeugdbeschermingsketen te complex is georganiseerd waarbij werkwijzen van de betrokken organisaties niet goed op elkaar aansluiten. In de sector groeit de frustratie over de wijze waarop deze is georganiseerd.
Dit vraagt als antwoord op de aanbevelingen van de inspecties - om verandering in de wijze waarop jeugdbescherming is georganiseerd en om acties op korte termijn. 4.1 Noodzaak effectievere jeugd- en gezinsbescherming In de huidige jeugdbescherming zijn er verschillende knelpunten: 16
Kamerstukken 2019/20, 34477, nr. 67. Pagina 3 van 31
De achterliggende problematiek binnen het gezin krijgt te weinig aandacht. Gezinnen waar veiligheidsproblematiek een rol speelt, hebben vaak te maken met multi-problematiek, zoals psychiatrische problemen, verslaving, schulden, complexe scheidingen en problemen met huisvesting. Op lokaal niveau worden niet alle mogelijkheden benut om deze achterliggende problematiek die veelal op ouder- en gezinsniveau ligt in samenhang op te lossen. Er zijn veel organisaties die werken met een gezin die niet altijd op elkaar aansluiten en aparte schakels vormen. Voor gezinnen én professionals is het vaak niet helder in welk wettelijk kader intensief vrijwillig of gedwongen hulp wordt geboden. Er zijn veel organisaties in de jeugdbeschermingsketen (o.a. lokale teams, VT, GI, RvdK, politie, OM en rechtspraak) die een rol hebben in het creëren van veiligheid in gezinnen. Al deze organisaties werken vanuit een eigen visie aan hun (wettelijke) taak en opdracht. Partijen begrijpen elkaar niet altijd goed, er is overlap in werkzaamheden en er wordt door verschillende organisaties regie gevoerd op (gedwongen) maatregelen gericht op verschillende gezinsleden, die niet noodzakelijkerwijs op elkaar worden afgestemd. Gezinnen en kinderen krijgen niet altijd tijdig passende hulp.
Wanneer gezinsleden (en met name de ouders) niet op tijd de juiste hulp krijgen, gebaseerd op een juiste onderkenning van risicofactoren, kunnen problemen zich opstapelen, escaleren en uiteindelijk leiden tot een situatie waarbij de veiligheid in het geding komt. Wanneer de rechter of de gecertificeerde instelling bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel jeugdhulp nodig acht, is deze niet altijd direct beschikbaar terwijl de betrokken organisaties (GI, RvdK, VT) zelf geen hulpverlening mogen bieden. Bij betrokken organisaties spelen capaciteits- en financiële problemen. Er is onvoldoende afstemming tussen organisaties over de zorg die nodig is zowel in het vrijwillig als in het gedwongen kader en over de inkoop van zorg door gemeenten.
Kenmerk 1663105-203241-J
4.2 Vereenvoudiging en effectievere bescherming jeugd en gezin Uit gesprekken met de betrokken organisaties, jeugdigen, ouders, professionals en de eerste inzichten uit de pilots effectievere jeugdbescherming blijkt dat de noodzaak tot een effectievere inrichting breed wordt onderschreven. Hierbij zijn de volgende gezamenlijk uitgangspunten en functionaliteiten te benoemen: Uitgangspunten effectievere bescherming jeugd en gezin: Een gezinsgerichte aanpak volgens een eenduidige gezamenlijke visie: Op basis van een gezinsgerichte aanpak wordt er voor het gehele gezinssysteem passende hulp ingezet en wordt volgens de gemeenschappelijke visie “Eerst samenwerken voor veiligheid, dan samenwerken voor risico gestuurde zorg”17 gewerkt. Volgens deze visie wordt er eerst gezorgd voor directe veiligheid bij voorkeur samen met de gezinnen en binnen het gezinsverband. Vervolgens wordt met motiverende werkwijzen en passende hulp gewerkt aan de oorzaken en achterliggende problematiek bij alle gezinsleden. Kenmerken van die hulp zijn: risico gestuurd, herstelgericht en met versterking van beschermende factoren zodat de kans op duurzame effecten wordt vergroot. Van ‘estafettemodel’ naar ‘teammodel’: Professionals werken samen binnen een multidisciplinair team nabij het gezin. Dit team kijkt naar wat gezinsleden nodig hebben, onderhoudt het contact 17
https://vng.nl/files/vng/201605_visiedocument_gefaseerde_ketensamenwerkingvogtlander_van_arum_0.pdf Pagina 3 van 31
met het gezin, werkt aan een vertrouwensband en biedt hulp. Waar nodig schakelt het team expertise in en voert hier regie op. De professional blijft betrokken bij het gezin, ook als uiteindelijk hulp in gedwongen kader volgt. Transparant en duidelijk: Het is voor betrokken gezinnen duidelijk waar ze aan toe zijn; waar ze aan werken (doelen), wanneer doelen overgaan in voorwaarden (intensieve vrijwillige hulp) en wat de gevolgen ervan zijn als deze voorwaarden niet worden nagekomen (gedwongen kader). Centraal hierin staat de dialoog met het gezin en openheid van zaken. Betrokken professionals organiseren tegenspraak om hun eigen oordelen op betrouwbaarheid en trefzekerheid te toetsen. Als de Staat uiteindelijk toch ingrijpt in het privéleven van het gezin, is dit met waarborgen omkleed. Die waarborgen zijn: rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, proportionaliteit en subsidiariteit, verbod van willekeur en aandacht voor het onderscheid tussen feiten, vermoedens en meningen.
Kenmerk 1663105-203241-J
Noodzakelijke functionaliteiten effectievere bescherming jeugd en gezin: Gezinnen kunnen op lokaal niveau opvoedkundig(e) advies, ondersteuning en hulp ontvangen. Hiertoe zijn professionals toegerust op het signaleren, bespreekbaar maken en inschatten van veiligheidsvragen, zoals is opgenomen in het ‘Kwaliteitskader werken aan veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten’. Gezinnen voelen zich veilig om met hun problemen naar het lokale team te stappen. Centraal staat de dialoog met het gezin en de vraag hoe het probleemoplossend vermogen van het gezinssysteem en de sociale omgeving versterkt kan worden, opdat hulp en ondersteuning overbodig wordt. Elke burger en professional die zich op grond van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zorgen maakt om de veiligheid van een ander (0 tot 100), kan op een laagdrempelige manier terecht bij een 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar regionaal advies- en meldpunt m.b.t. de gezinsveiligheid. Signalen vanuit verschillende melders worden gecombineerd in een radarfunctie, ook over een langere periode. Waar nodig wordt met gespecialiseerde expertise onderzoek naar de veiligheidssituatie gedaan waarbij er ook overleg en afstemming is met de strafrechtketen over letselonderzoek, sporenonderzoek en feitenonderzoek. Er is professioneel veiligheidsadvies beschikbaar.
Indien nodig worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld, waarmee het gezin aan de slag gaat. Er wordt op de korte en lange termijn gemonitord of de ingezette hulp leidt tot directe veiligheid en of gewerkt kan gaan worden aan herstel en duurzame veiligheid. Er is een onafhankelijk juridisch deskundig oordeel om te beoordelen of inzet van het gedwongen kader noodzakelijk en meest passend is om de veiligheidsvoorwaarden te bewerkstelligen in een gezin (met minderjarige kinderen). De rechter of burgemeester beslist over de maatregel. Consequenties scenario’s: De realisatie van bovengenoemde uitgangspunten hebben organisatorische consequenties voor RvdK, GI en VT. Welke functionaliteiten op welk niveau belegd worden om de genoemde uitgangspunten zo goed mogelijk in de praktijk te kunnen brengen, moet verder doordacht en uitgewerkt worden. Hieronder zijn hiertoe als eerste schets twee hoofdscenario’s weergegeven. Voor beide scenario’s geldt dat benodigde functionaliteiten zo dicht mogelijk bij betrokken gezinnen worden belegd, tenzij dit voor de in de uitvoering benodigde schaal of voor het Pagina 3 van 31
borgen van de procedurele en wettelijke waarborgen en benodigde checks and balances niet wenselijk of haalbaar is. Ondersteunend aan het zo lokaal mogelijk beleggen van bevoegdheden en taken is het ingezette traject om de vijf basisfuncties voor lokale teams te borgen en het uitrollen van het ‘Kwaliteitskader werken aan veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten’ vanuit het programma Geweld hoort nergens thuis. In het eerste scenario betekent dit dat o.a. dat de verantwoordelijkheid voor gespecialiseerde expertise en een onafhankelijk oordeel voor het gedwongen kader op regionaal niveau worden belegd. In het tweede scenario wordt de verantwoordelijkheid voor deze functies op landelijk niveau belegd.
Kenmerk 1663105-203241-J
Uitwerking scenario’s Lokaal niveau Laagdrempelig advies en ondersteuning op het gebied van veiligheid. Hulpverlening in het vrijwillig en het gedwongen kader (uitvoering en monitoring veiligheidsvoorwaarden). Integrale blik naar alle gezinsleden en indien nodig inzetten van andere specialistische hulpverlening (bijv. schuldhulpverlening, GGZ) of veiligheidsexpertise en hier regie ophouden. Signaleren, bespreekbaar maken en inschatten van veiligheidsvraagstukken.
Regionaal niveau Advisering lokaal niveau.
Landelijk niveau
Professional veiligheidsadvies op basis van onderzoek en diagnostiek. Advies- en meldpunt en Radarfunctie.
Scenario 1 Gespecialiseerde expertise voor acute en structurele onveiligheid (feitenonderzoek pleger & slachtoffer) en de verbinding met de strafrechtketen (sporenonderzoek, letselonderzoek). Onafhankelijk deskundig oordeel tot gedwongen kader, dit kan leiden tot verzoek aan rechter.
Scenario 2 Gespecialiseerde expertise voor acute en structurele onveiligheid (feitenonderzoek pleger & slachtoffer) en de verbinding met de strafrechtketen (sporenonderzoek, letselonderzoek). Onafhankelijk deskundig oordeel tot gedwongen kader, dit kan leiden tot verzoek aan rechter.
Vervolgstappen: Voor eind 2020 willen we gezamenlijk tot één toekomstscenario komen inclusief organisatorische consequenties en fasering en tijdpad van de realisatie. De komende periode worden de uitgangspunten hiertoe met betrokken organisaties, gemeenten, professionals, ervaringsdeskundigen, wetenschap en kennisinstituten verder uitgewerkt: Verdere doordenking van randvoorwaarden, verantwoordelijkheden, sturingsen toezichtmechanismen en gewenste schaalgrootte voor de verschillende functionaliteiten. Daarbij is een goede analyse van de impact van de scenario’s op de organisaties en een veranderkundig plan noodzakelijk. Hierbij dient ook oog te zijn voor de andere functionaliteiten die de RvdK (bijv. pedagogisch advies in het kader van jeugdstrafrecht, screening, adoptie en afstammingsvragen) en VT (bijv. expertfunctie voor specifieke groepen als schadelijke praktijken, stalking, ouderenmishandeling, partnergeweld) hebben. Meer inzicht in de werkzaamheid en haalbaarheid van de beschreven uitgangspunten op basis van de lopende pilots effectievere jeugdbescherming. Deze opbrengsten en inzichten uit de pilots worden in beeld gebracht in een Pagina 3 van 31