Bijlage 4. Toelichting Apv 2025
Tekst van het document
ABRvS 18-12-2019, ECLI:NL:RVS:2019:4258; Voorzieningenrechter Raad van State 05-03-2020, ECLI:NL:RVS:2020:689 en ECLI:NL:RVS:2020:690. De Afdeling vindt dat het in beginsel voldoende duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, transparant en toegankelijk genoeg is om iemand zijn levensgedrag tegen te werpen en dat er dus geen sprake is van strijd met artikel 10 Dienstenrichtlijn. ABRvS 09-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2168, ECLI:NL:RVS:2020:2169, ECLI:NL:RVS:2174 en ECLI:NL:RVS:2020:3082. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet het vergunningenstelsel als zodanig aan de eisen van de Europese Dienstenrichtlijn. Maar of de burgemeester bepaald levensgedrag in het concrete geval mag ‘tegenwerpen’, zal de burgemeester per geval moeten onderbouwen, waarbij ‘de toepassing van dit criterium consistent, inzichtelijk en in overeenstemming met de toelichting en vaste gedragslijn moet zijn’. ABRvS 25-05-2022, ECLI:RVS:2022:1493. Bij weigering van een horecavergunning wegens slecht levensgedrag heeft de burgemeester een verdergaande plicht om te motiveren waarom hij dat vindt. Hij moet motiveren waarom de feiten en omstandigheden relevant zijn voor de exploitatie van een horecabedrijf en hoe de exploitant vooraf had kunnen weten dat die feiten en omstandigheden in de weg staan aan het verlenen van de vergunning.
Ook mogen de feiten en omstandigheden niet gering zijn en moeten zij, ondanks het tijdsverloop, nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van de exploitant om op verantwoorde wijze een horecabedrijf uit te oefenen. Vierde en vijfde lid Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:7 voor openbare inrichtingen te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om de woon- en leefsituatie. Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de Dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd, de interpretatie mag het kader van de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan. pagina 28
Woon- en leefsituatie in de omgeving De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met de woon- en leefsituatie ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vierde lid. De weigeringsgrond woonen leefsituatie valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd. Voor wat betreft de weigeringsgronden van het vierde lid onder b en c kan onder meer worden gedacht aan sluitingen op basis van de Opiumwet, de Gemeentewet of op grond van deze verordening. Maximumstelsel De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van openbare inrichtingen in de straat of de wijk de openbare orde of de woon- en leefsituatie in gevaar wordt gebracht.
Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. Ook de Dienstenrichtlijn staat een maximumstelsel toe. Wel geldt op grond van artikel 9 en 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is vermeld of horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen. Uiteraard zal dat beleid moeten overeenstemmen met het omgevingsplan voor het gebied. Een maximumstelsel kan ook in het omgevingsplan zelf worden neergelegd. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een vergunning, als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op het beleid, omdat een vergunningaanvraag zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen moet worden beoordeeld. Zesde en zevende lid Deze leden zijn van toepassing op alcoholvrije inrichtingen.
Achtste lid Hoewel in een vergunning voor een terras meestal ook de invloed op de openbare ruimte wordt meegewogen, wordt de beslissing uit een oogpunt van eenvoud hier aan de burgemeester overgelaten in plaats van het college. Aangezien de bevoegdheid ten aanzien van terrassen bij de burgemeester wordt gelegd is hij ook het bevoegde bestuursorgaan bij handhaving. Jurisprudentie ABRS 24 maart 1997,201,Gst. 1997, 7058, 4 en JG 97.0165 Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ARRS 22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01 1995, Gst. 1995, 7011, 3, JG 95.0200. Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016 Aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit wordt vergroot. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530, JU 981013 (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015 (VNG-databank). Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het beleid gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van scholen of jongerencentra is terecht. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst.
1998, 7067, 2 Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig gebruik en beheer van de weg.
pagina 29
ABRS 05-06-2002, JG 02.0128 In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023. De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om terrasvergunningen. JG 04.0193, LJN-nr. A08501. Gst. 2004, 188. Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé komt niet in aanmerking voor vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. ABRS 24-11-2004, LJN-nr. AR6286, JG 05.0047 De vrees voor het niet naleven van vergunningsvoorschriften is geen reden om een vergunning te weigeren ABRS 03-11-2004, LJN-nr.
AR5047, JG 05.0006 Weigering van een vergunning voor een horecainrichting op grond van het feit dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? Rb Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet Bibob. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op grond van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is daartoe onvoldoende. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 Een APV-vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden vervalt vergunning en gedoogverklaring.
Artikel 2:10 sluitingstijden Eerste lid Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen en dergelijke zijn als inrichting aan te merken. Het besloten karakter van een openbare inrichting kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten (horeca-)inrichtingen. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).
Vrije sluitingstijden voor bepaalde openbare inrichtingen In Gouda wordt het beleid gehanteerd, dat in de binnenstad, binnen de singels, op basis van een vergunning van de burgemeester een vrije sluitingstijd geldt voor een openbare inrichting, mits de exploitant het Convenant Veilig Uitgaan heeft ondertekend. Dit beleid geldt niet voor openbare inrichtingen buiten de singels. De sluitingstijden gelden voor de openbare inrichtingen en voor de daartoe behorende terrassen. pagina 30
Uitvoering Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september 1983, AB 1984, 245 (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de gemeenteraad in het APV-artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV artikel, noch anderszins, blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag worden verleend. De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan als hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen.
De Afdeling kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het verzoek om ontheffing in te willigen. Tweede lid Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te voorkomen dat de horecaactiviteiten na sluitingstijd worden voortgezet. Derde lid In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden of op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning. Het gaat hier om een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:3 APV, dat dus moet strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo’n voorschrift is de verplichting een bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te garanderen of het rustiger laten verlopen van het sluitingsuur. Een portier kan in zo’n eis voorzien. De eventuele aanwezigheid van een portier moet voldoen aan de Wet beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan de burgemeester desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.
Als beleidsregel kan de burgemeester bepalen dat hij, bij het beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijke openbare inrichting bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie openbare inrichtingen een bepaald beleid hanteert. Dat beleid kan bijvoorbeeld inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria’s, broodjeszaken en dergelijke als regel op een ander tijdstip (bijvoorbeeld een uur later) wordt vastgesteld dan voor andere openbare inrichtingen, om cafébezoekers de mogelijkheid te bieden iets te eten na de sluiting van hun café. Nu het hier een beleidsregel betreft, kan de burgemeester daarvan in een concreet geval - gemotiveerd - afwijken (een cafetaria niet toestaan een uur later te sluiten dan cafés) als dat volgens hem noodzakelijk is in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving. Lex silencio positivo Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 Awb is volgens artikel 1:8 niet van toepassing verklaard. Vierde lid Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:8 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Omgevingswet, het omgevingsplan of vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving.
Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen van deze verordening gelden derhalve niet voorzover de op de Omgevingswet e.a. gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Omgevingswet e.a. beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, als daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen. De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip “bescherming van het milieu” vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Omgevingswet e.a. pagina 31
Jurisprudentie Vz. ARRS 21-12-1992, ECLI:NL:RVS:1992:AQ1344. Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Rb. Breda 03-12-1997, ECLI:NL:RBBRE:1997:ZF0555. Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere horecabedrijven, vanaf 20:00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. ARRS 02-09-1983, ECLI:NL:RVS:1983:AM7471. Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 19-01-1984, ECLI:NL:RVS:1984:AM7699. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ABRvS 29-10-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AM5381. Herhaalde overtreding van sluitingstijd leidt tot onmiddellijke sluiting horecabedrijf. ABRvS 02-03-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6323 (Edam/Volendam). De plaatsing van een artikel heeft een uitstraling naar de wijze waarop het gelezen moet worden. ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487. De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd.
De ontheffing van sluitingstijden is geregeld binnen het hoofdstuk ‘Openbare orde’ en geplaatst in de afdeling ‘Toezicht op openbare inrichtingen’. De burgemeester heeft niet in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de door hem genoemde omstandigheden een gevaar opleveren voor de openbare orde in verband met het toezicht op openbare inrichtingen.
Artikel 2:11 afwijking sluitingstijden en tijdelijke sluiting Eerste lid Net als voor de in artikel 2:10 genoemde bevoegdheid, vormt ook hier artikel 174Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer openbare inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:10, die een individueel karakter heeft, zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar tot meerdere of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 2:10, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.
Tweede lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van artikel 13b van de Opiumwet vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een andere is, is door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel gesteld, dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld. De wet Victor houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening. In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers. Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de APV. Jurisprudentie ARRS 15-06-1984, ECLI:NL:RVS:1984:AH0402. Artikel 174 Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te nemen.
pagina 32
ABRvS 23-05-1995, ECLI:NLRVS:1995:AN4389. Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar. Vz. ARRvS 26-08-1992, ECLI:NL:RVS:1992:AN2898 en ABRvS 05-07-1996, JG 96.0266. Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 Gemeentewet (oud). Vz. ABRvS 05-09-1997, Gst. 1998, 7069, 4. Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid overtreedt. ABRvS 04-07-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6835. Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel in harddrugs. Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in harddrugs) is niet van belang. Pres. Rb. Rotterdam 05-09-1997, JG 97.0209. Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. ABRvS 06-02-1997, JG 97.0075. Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRvS 11-06-1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3389. Sluiting is geen ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet strijdig met het ‘fair trial’-beginsel. Pres. Rb. Breda 27-01-1998, JG 98.0096.
In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb. Haarlem 16-11-2001, ECLI:NL:RBHAA:2001:AD5792. Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 APV Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Rb. Den Haag 10-05-2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6239. Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. ABRvS 11-05-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT5345. Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. ABRvS 09-02-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5485. Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten toetst de rechter terughoudend. ABRvS 15-09-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR2177. Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor tijdelijke sluiting. ABRvS 05-01-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AR8730.
De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen van de gedooglijst van een coffeeshop. Rb. Breda 05-11-2004, ECLI:NL:RBBRE:2004:AR6323. Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting. ABRvS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3727. Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. ABRvS 18-05-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT5655. Schietincident bij overval is reden voor tijdelijke sluiting. Is een reparatoire maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de coffeeshophouder geen rol speelt. Vz. Rb Midden-Nederland 03-01-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:8. Sluiting van een club voor zes maanden in verband met geweldsincidenten. Vuurwerkincident is een ernstig geweldsincident (categorie 1). Het
pagina 33
beleid van de gemeente is niet kennelijk onredelijk. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan gemeente moest afwijken van het beleid.
Artikel 2:12 verboden gedragingen Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in openbare inrichtingen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Onder b Ook het bepaalde onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker (niet het personeel) van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij dit artikel. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het WvSr (lokaalvredebreuk). Onder c Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant. Jurisprudentie Wnd. Vz. 16-09-1982, AB 1983, 38 en Wnd. Vz. 30-03-1983, KG 1983, 195. Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht.
Artikel 2:13 handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld. Dit artikel sluit aan op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen. Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 van het WvSr. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet. Jurisprudentie ABRvS 15-07-1996, AB 1996, 414. Sluiting café in verband met heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. Pres. Rb. Rotterdam 07-04-1995, JG 95.0202. Terechte sluiting snackloket in verband met heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel.
Artikel 2:13a drinkgerei van glas, glazen flessen en blik Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen, zoals Koningsnacht drinkgerei van glas en blik wordt meegenomen naar bepaalde gebieden waar veel mensen tegelijk aanwezig zijn. Bij met name glas kan dit leiden tot ongewenste en gevaarlijke situaties. In het belang van de openbare orde en veiligheid kan de burgemeester tijdelijk en voor bepaalde gebieden een glas- en blikverbod laten gelden zowel op straat als op terrassen van openbare inrichtingen.
Artikel 2:14 het college als bevoegd bestuursorgaan Het begrip ‘openbare inrichting’ als omschreven in artikel 2:8 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 2:15 sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen Dit artikel biedt een aanvulling op de bestaande mogelijkheden overlastgevende inrichtingen of gebouwen te sluiten. Hier gaat het dan niet zozeer om vergunningplichtige inrichtingen maar om dienstverlenende bedrijven, zoals belwinkels, (avond)winkels, videotheken en uitzendbureaus. De burgemeester kan in geval van (blijvende) overlast op basis van dit artikel optreden. Dit zal kunnen gebeuren in de volgende situaties: - Als aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaande gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het gebouw. - Als in of vanuit het voor het publiek openstaande gebouw strafbare feiten worden gepleegd.
pagina 34
- Als zich in of vanuit het voor het publiek openstaande gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het gebouw. In het zevende lid wordt de mogelijkheid geboden dat de burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek van belanghebbende(n) opheft. In de praktijk zal de burgemeester een gebouw meestal voor een bepaalde duur sluiten.
Artikel 2:16 sluiting gebouw, inrichting of ruimte Dit artikel biedt een sluitingsmogelijkheid van gebouwen, inrichtingen of ruimten, waar zich specifieke gedragingen hebben voorgedaan en vormt daarmee een aanvulling op de sluitingsmogelijkheid van de algemeen omschreven artikelen 2:11 en 2:15.
Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Algemeen Deze afdeling bevat medebewindsbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25d en 25e van de Alcoholwet. De op basis van artikel 4 Alcoholwet door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging.
Artikel 2:17 definities De begripsbepalingen uit de Alcoholwet werken door in de op de Alcoholwet gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is uitdrukkelijk vermeld, dat de vermelde begripsomschrijving slechts voor deze afdeling geldt. Het begrip paracommerciële rechtspersoon is in de Alcoholwet omschreven als een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.
Artikel 2:18 verbod happy hours Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde zijn zogenaamde happy hours, het aanbieden van alcoholhoudende drank voor een lagere prijs, dan normaliter wordt gevraagd, in de openbare inrichtingen en op de bijbehorende terrassen verboden. Dit artikel is gebaseerd op artikel 25d van de Alcoholwet.
Artikel 2:19 schenktijden voor paracommerciële rechtspersonen Op grond van artikel 4, vierde lid Alcoholwet kan de burgemeester ontheffing van deze bepaling verlenen. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet worden omgegaan. Te denken valt aan kampioenschappen en dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om voorzienbare feestelijkheden, zoals carnaval en Koningsdag. Uit ABRS 29-10-2003, LJN: AM5479 blijkt overigens, dat onder verenigings- of wedstrijdactiviteiten geen bestuursvergaderingen zijn te rekenen. Eerste lid Artikel 4 Alcoholwet verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a Alcoholwet moet geregeld worden of en zo ja, gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Als er op iedere avond alcohol mag worden geschonken tot 00.00 uur en er is dan op een avond een competitie gaande die tot 23.30 uur duurt, dan mag er worden geschonken tot 0.30 uur. De competitie eindigt in dit voorbeeld immers binnen het uur vóór het verlopen van de schenktijden.
Tweede lid Het tweede lid betreft de goedkeuring van het bestuursreglement van de paracommerciële rechtspersoon. In artikel 9 Alcoholwet is bepaald, dat het reglement waarborgt, dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting vanuit het oogpunt van sociale hygiëne op verantwoorde wijze geschiedt. In het reglement wordt vastgelegd welke kwalificatienormen worden gesteld aan de voorlichtingsinstructie op het gebied van sociale hygiëne die barvrijwilligers krijgen om te kunnen voldoen aan de eisen, die de wet aan hen stelt. Daarbij wordt in het reglement de wijze waarop door of namens pagina 35
het bestuur wordt toegezien op de naleving van het reglement vastgelegd. Een afschrift van het reglement is in de inrichting aanwezig. Derde lid Volgens het derde lid kan de burgemeester maximaal twaalf maal per kalenderjaar, met een maximum van twee maal per maand, ontheffing van de schenktijd tot uiterlijk 01.30 uur aan een paracommerciële rechtspersoon verlenen.
Artikel 2:20 bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, aanhef en onder b en c Alcoholwet moeten regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon. Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke. Bij bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn kan worden gedacht aan activiteiten die niet verenigingsgebonden zijn. Dit doet zich voor als een paracommerciële rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt aan derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging of niet-betrokkenen bij de stichting).
Bijeenkomsten, die direct verband houden met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging, vallen niet onder het bereik van deze bepaling. Op grond van artikel 4, vierde lid Alcoholwet kan de burgemeester ontheffing van deze bepaling verlenen. Zie verder het algemene commentaar bij artikel 2:19. Eerste lid Volgens het eerste lid van dit artikel mogen paracommerciële rechtspersonen per jaar in totaal maximaal twaalf van de daarin vermelde typen bijeenkomsten houden. Bij het houden van meer dan twaalf bijeenkomsten wordt aangenomen, dat deze bijeenkomsten op een dusdanige schaal worden gehouden, die zal leiden tot oneerlijke concurrentie ten opzichte van de reguliere Goudse horeca, die voor dergelijke bijeenkomsten voldoende faciliteiten biedt.
Artikel 2:20a vrijstelling proeverijen in slijtlokaliteiten Sinds 1 juli 2021 kunnen betaalde proeverijen bij slijters worden toegestaan. Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad bij verordening bepaalt, dat slijterijen proeverijen mogen organiseren. De raad is hiertoe overgegaan en heeft in dit artikel de benodigde vrijstelling van het verbod in de Alcoholwet verleend. De vrijstelling geldt voor alle slijterijen in de gemeente. Het Alcoholbesluit bevat voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen. Dit zijn onder meer: - de proeverij mag alleen plaatsvinden buiten de normale openingstijden van de slijterij, maar wel binnen de tijden waarop de slijterij bij of krachtens de Winkeltijdenwet geopend mag zijn; - de slijterij moet gedurende de proeverij gesloten zijn voor klanten; - er mag per slijterij slechts één proeverij per dag worden georganiseerd en maximaal drie proeverijen per week; - de kosten voor deelname moeten voorafgaand aan de proeverij door een leidinggevende bij het slijtersbedrijf zijn vastgesteld; - de deelnemers moeten bekend zijn bij het slijtersbedrijf voordat de proeverij plaatsvindt; - de slijterij mag tijdens of na afloop van de proeverij alleen die drank voor thuisgebruik verkopen die tijdens de proeverij wordt geschonken. De verkoop van andere soorten drank tijdens of na afloop van de proeverij is niet toegestaan.
Afdeling 6 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:21 betreden gesloten woning of lokaal Eerste lid pagina 36
De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, is het gewenst dit in de APV te regelen. Tweede lid Het tweede lid is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn of daartoe voorbereidingshandelingen zijn getroffen. Zie verder de toelichting op het eerste lid. Derde lid Het derde lid ziet op de situatie, dat personen de woning of het lokaal wegens dringende redenen moeten betreden. Jurisprudentie Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke lokalen staat op de website van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid: www.ccv.nl.
Artikel 2:22 plakken en kladden Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien. Vrijheid van meningsuiting Op het in artikel 7 Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Dit artikel maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan als dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 Grondwet.
De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid. Dit artikel verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van dit artikel kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Doen plakken of doen aanbrengen Het “doen” plakken of het op andere wijze “doen” aanbrengen van aanplakbiljetten is onder de verbodsbepaling gebracht naar aanleiding van jurisprudentie van de Afdeling. Onder “doen” aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.
Men moet bij de handhaving de opdrachtgever een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.
pagina 37
Jurisprudentie HR 17 oktober 1989, NJ 1990, 222 Pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden, dat rechthebbenden op zodanige schaal weigeren in te stemmen met aanplakking, dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van dit middel tot verspreiding aanwezig is, kan van de gemeenten een min of meer voorwaardenscheppend beleid worden gevraagd, zodat aan het criterium “dat gebruik van enige betekenis moet overblijven”, feitelijk inhoud kan worden gegeven. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993, 534. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194, AB 1994, 578 Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261, Gst. 1993, 6965, 3 Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de APV. Vrijheid van meningsuiting Rb.
Amsterdam 07-10-1993 In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, eerste lid, Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. HR 01-4-1997, NJ 1997, 457 Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud als artikel 2:24 oordeelde de Hoge Raad dat “niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven”. De bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en “necessary in a democratic society (...) for the prevention of disorder” en “protection of the (...) rights of others”. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169, JB 2002, 221, AB 2002, 361 Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet noch met artikel 10 EVRM. Doen plakken of doen aanbrengen ABRS 18-09-2002, LJN-nr. AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 Betreft artikel 122 APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken was opgenomen.
Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd tot voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en tot het verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg om “doen” aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902 Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen aanbrengen” als bedoeld in artikel 122 APV Utrecht. Als betrokkene een derde of derden opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten of anderszins actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is onvoldoende. Rb. Den Haag 08-07- 2004, LJN-nr. AQ5977 Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen. De vraag is of Loesje als “doen”-plakker” in de zin van de APV verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft gehad met het aanbrengen van de posters.
Loesje heeft de Loesje-posters slechts op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV.
pagina 38
ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624 Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische kennisgeving al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren aan een plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters moest bewerkstelligen te kort. Rb. Zwolle, sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025 Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde met uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid van artikel 6:171 BW dat voor Podium een risico-aansprakelijkheid vestigt voor onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat maar die ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte de Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te wijten. De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van illegaal geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op Podium. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN-nr. AS5302 Appellant heeft posters doen plakken.
Hij is verantwoordelijk voor het gedrag van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te plakken, ook als dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich zou houden aan die opdracht.
Artikel 2:23 vervoer inbrekerswerktuigen Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Jurisprudentie HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar) en HR 28-02-1989, NJ 1989, 687 (APV Nijmegen). Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. ABRvS 03-04-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1066 (Tilburg). Overtreding van het verbod om inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Verbod geldt ook voor bijrijder. Last onder dwangsom als herstelsanctie tot het voorkomen van herhaling. ABRvS 25-09-2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274 (Haarlemmermeer). Het college van burgemeester en wethouders was bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. Met de opgelegde last gaat het in dit geval niet om het feitelijk herstellen van de openbare orde ten aanzien waarvan gelet op artikel 172, eerste lid Gemeentewet uitsluitend de burgemeester is belast. Hierbij is van belang dat de last onder dwangsom in dit geval is opgelegd nadat de inbrekerswerktuigen ruim drie weken eerder in beslag waren genomen en uitsluitend met het doel om herhaling van overtreding van de APV-bepaling in de toekomst te voorkomen.
Artikel 2:24 vervoer geprepareerde voorwerpen Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels.
Artikel 2:25 hinderlijk en openbare orde verstorend gedrag en straatintimidatie Op basis van dit artikel kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast en straatintimidatie in de openbare ruimte worden opgetreden. Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in dit artikel gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1. Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5
pagina 39
Wegenverkeerswet 1994, is dit artikel niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan. Aan het opschrift en in het vierde lid van artikel 2:25 is ‘en straatintimidatie’ toegevoegd om aan te geven dat ook straatintimidatie valt onder de strafbaarstelling van het zich zodanig ophouden op een openbare plaats dat aan andere gebruikers of gebruikers van nabijgelegen gebouwen onnodige overlast of hinder wordt veroorzaakt. Hiermee wordt beoogd om verschillende vormen van straatintimidatie waaronder seksuele intimidatie te verbieden, waarbij het zowel kan gaan om gedragingen van een individu als van een groep. Het motief is primair gelegen in het wegnemen van de effecten van intimiderend gedrag op straat op de openbare orde. Straatintimidatie is ongewenst gedrag in de openbare ruimte waardoor anderen zich onveilig kunnen voelen. Daarbij valt in ieder geval maar niet uitsluitend te denken aan ongewenst betasten, iemand in het nauw drijven met al dan niet seksuele bedoelingen, iemand opzettelijk de doorgaan versperren, zich opzettelijk tegen iemand aanduwen, volgen of achternalopen, (aanhoudend) vragen om iemands naam, telefoonnummer of bestemming en vragen om seksuele handelingen. Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene, tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen.
Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Op grond van deze wijziging van artikel 2:25 is het mogelijk om op te treden tegen dit soort hinderlijk en ongewenst gedag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan. Jurisprudentie HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven) De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis WvSr.
Artikel 2:26 Verboden gebruik van drank In dit artikel is een verbod opgenomen om in door het college aan te wijzen gebieden alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Voor personen, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt geldt op grond van artikel 45 Alcoholwet een algeheel verbod om op voor het publiek toegankelijke plaatsen alcoholhoudende drank aanwezig te hebben of voor consumptie gereed te hebben. Het verbod van artikel 2:26 geldt niet voor terrassen die deel uitmaken van een openbare inrichting of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 Alcoholwet ontheffing is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken. Ook geldt het verbod niet bij kleinschalige, eendaagse evenementen zoals straatfeesten en buurtbarbecues. Er moet een duidelijk omschreven gebied worden aangewezen. Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk een concrete aanleiding te zijn voor de aanwijzing van een gebied.. Een gebied kan worden aangewezen als er een gerechtvaardigde vrees bestaat voor (verdere) aantasting van de openbare orde. Bijvoorbeeld het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.
Het derde lid bevat een algemeen verbod tot in het openbaar nuttigen van alcoholhoudende drank als dit gepaard gaat met overlast veroorzakend gedrag.
Artikel 2:26a Drinkgerei van glas en glazen flessen Doel van deze bepaling is voorkomen dat er tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen, zoals Koningsnacht en Nieuwjaarsnacht drinkgerei van glas wordt meegenomen naar bepaalde gebieden waar veel mensen tegelijk aanwezig zijn. Bij met name glas kan dit leiden tot ongewenste en gevaarlijke situaties. In het belang van de openbare orde en veiligheid kan de burgemeester tijdelijk en voor bepaalde gebieden een glasverbod laten gelden.
Artikel 2:27 verboden gebruik lachgas vervallen.
Artikel 2:28 verboden messen en andere zaken als steekwapens Deze bepaling geeft de burgemeester de bevoegdheid om openbare plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruik, bij zich te hebben. Deze bepaling werkt aanvullend op de Wet wapens en munitie. De Wet wapens en munitie
pagina 40
regelt namelijk illegaal wapenbezit, terwijl het hier gaat om legale voorwerpen, zoals bijvoorbeeld zakmessen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt. De burgemeester komt bij het nemen van een besluit tot het aanwijzen van een gebied waar een messenverbod geldt weliswaar een ruimte beoordelingsmarge toe, maar zal zijn keuze voor het aanwijzen van een dergelijk gebied wel voldoende moeten onderbouwen. Daarbij dient hij alle bij het besluit betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen (enerzijds het belang van handhaving van de openbare orde en anderzijds het recht van eenieder op eerbiediging van zijn privéleven). De duur van een dergelijke aanwijzing mag niet langer en de omvang van het gebied mag niet groter zijn dan noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
Artikel 2:28a vervallen.
Artikel 2:29 loslopende honden Dit artikel beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen en dergelijke. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder beoogt dit artikel de volgende belangen te beschermen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren naar het leven kunnen staan. Het eerste lid verplicht de eigenaar of houder tot het aangelijnd houden van de hond. Volgens het tweede gebied kan het college losloopgebieden aanwijzen. De eigenaar of houder is dan verplicht behoorlijk toezicht op de hond te blijven uitoefenen, ter bescherming van de hierboven genoemde belangen. Verder kan het college ingevolge het derde lid gebieden aanwijzen, waar honden niet mogen verblijven.
Maatregelen tegen loslopende honden Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen op basis van artikel 125 Gemeentewet de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts een korte periode was verwijderd van de eigenaar of zijn erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.
Hondenverordening Groenalliantie Midden-Holland en omstreken 2021 In 2021 heeft de gemeenschappelijke regeling Groenalliantie Midden-Holland e.o. de Hondenverordening Groenalliantie Midden-Holland en omstreken 2021 vastgesteld. Hierin zijn regels opgenomen over de toelating van honden in (delen van) de natuur- en recreatiegebieden, die eigendom zijn van de Groenalliantie Middel-Holland e.o. Onder meer zijn regels gesteld over het verplicht aanlijnen van honden, het verwijderen van uitwerpselen van honden, het bij zich dragen van een hulpmiddel voor het verwijderen van de uitwerpselen, een maximum aantal honden per bezoeker en het bedrijfsmatig uitlaten en trainen van honden en regels voor delen van de gebieden, waar honden zijn verboden. Deze regels prevaleren boven de regels van de APV. Jurisprudentie Vz. ARRS 20-07-1993, JG 94.0055, AB 1994, 454. Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond.
pagina 41
Vz. ABRvS 13-12-1996, JG 97.0050. Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRvS 09-08-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4643. Bij een besluit tot aanwijzing van een hondenuitlaatterrein komt aan het college beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toets beperkt zich in deze zaak tot de vraag of het college in redelijkheid de bedoelde locatie als hondenuitlaatterrein heeft kunnen aanwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit de rechterlijke toets doorstaat. Rb. Overijssel 26-01-2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:440. De kantonrechter is van oordeel dat een ‘elektronisch aangelijnde’ hond, geen hond is die aangelijnd is zoals bedoeld in de APV. Het achterliggende doel van de bepaling, handhaving van de openbare orde, wordt met de Petsafe volstrekt niet gelijkwaardig gediend als met een fysieke aanlijning het geval is.
Artikel 2:30 verontreiniging door honden Straatverontreiniging door honden kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Daarbij zorgen deze uitwerpselen voor veel ergernis en hinder voor voetgangers en omwonenden. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd (eerste lid). De houder van de hond is daarbij altijd verplicht om op daartoe geëigende opruimmiddelen bij zich te dragen voor de vaste uitwerpselen (derde lid). Dit betekent dus in de praktijk dat zodra de houder van een hond de openbare weg betreedt hij opruimmiddelen bij zich dient te hebben. Jurisprudentie Vz.ABRS 13 12 1996, JG 97.0050. Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone.
Artikel 2:31 gevaarlijke honden Dit artikel schept voor het college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Er is een definitie van muilkorf opgenomen, omdat hiervan geen definitie in landelijke wetgeving is gegeven. Jurisprudentie ARRS 05-02-1991, Gst. 1991, 6932, 13. Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. Vz. College van Beroep voor het bedrijfsleven 24-05-1993, AB 1993, 460. Gevecht tussen nietgemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Pres. Rb. Zwolle 03-0-1995, JG 95.0307, Gst. 1996, 7028. Een soortgelijke casus. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 Gemeentewet. Vz. ABRvS 22-05-2001, KG 2001, 179. Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond.
Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. ABRvS 02-07-2014, ECLI:NL:RVS:2014:2380. Het college heeft met het opleggen van een gebod tot kort aanlijnen in combinatie met een muilkorfgebod ter voorkoming van nieuwe bijtincidenten, de grenzen van de hem in dit verband toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het college heeft in redelijkheid de herdershonden als gevaarlijk kunnen aanmerken en het aanlijn- en muilkorfgebod kunnen opleggen. ABRvS 02-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3689. Bijtincidenten leiden tot maatschappelijke onrust en verstoring van de openbare orde. Burgemeester mocht hond Diesel in beslag nemen op grond van artikel pagina 42
172, derde lid Gemeentewet. Geen vervolgmaatregelen (euthanaseren, tenzij hond overgedragen aan een ander) op grond van dit artikel mogelijk, nu na inbeslagneming onrust en verstoring openbare orde zich niet meer voordoen. ABRvS 13-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:984. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen of een hond gevaarlijk of hinderlijk is en of in verband daarmee een aanlijn- en muilkorfgebod noodzakelijk is. Aanlijn- en muilkorfgebod terecht opgelegd. Geen grond voor preventieve last onder dwangsom, want er bestaat geen grond voor het oordeel van het college dat appellante zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond (een Rottweiler) opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden. Rb. Zeeland-West-Brabant 30-10-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:6936 en Rb. Zeeland-West-Brabant 2012-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8467. Bijtende hond (Mechelse herder) vormt concreet en actueel gevaar voor de openbare orde. Burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid Gemeentewet bevoegd tot in beslag nemen en testen. Aanlijn- en muilkorfgebod niet toereikend. ABRvS 04-10-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2689. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of een hond (Bordeaux dog) gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid APV en beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een aanlijngebod op te leggen.