CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bestemmingsplan (bijlagen bij de toelichting)

Raadsvergadering 10 april 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie15.043 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting

Jan Ligthartlocatie Vastgesteld

afdeling ruimtelijk beleid en advies gouda, 16 Februari 2024

NL.IMRO.0513.JanLigthartlocatie-DF01

Jan Ligthartlocatie

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

2

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1

4

Akoestisch onderzoek

Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek en actualiserend bodemonderzoek

14

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

177

Bijlage 4

Verkennend onderzoek asbest

223

Bijlage 5

BUS-evaluatieverslag

268

Bijlage 6

Verkennend bodem- en asbestonderzoek

380

Bijlage 7

Quickscan flora en fauna

472

Bijlage 8

Bouwkundige inspectie flora en fauna

490

Bijlage 9

Bomeninspectie

514

Bijlage 10

Stikstofdepositieberekening

518

Bijlage 11

Vormvrije m.e.r. - Aanmeldnotitie

548

Bijlage 12

Watertoets

554

Bijlage 13

Kavelpaspoort

589

Bijlage 14

Archeologisch onderzoek

604

Bijlage 15

Bezonningsstudie

644

Bijlage 16

Nota van beantwoording zienswijzen

651

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

3

Bijlagen bij de toelichting

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

4

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

Afdeling Expertise Team Geluid en Lucht T 088 – 5450 000 info@odmh.nl 2800 AA Gouda T 088 – 545 00 00 www.odmh.nl

Akoestisch Onderzoek Wegverkeerslawaai Onderwerp Akoestisch onderzoek t.b.v. bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie Gouda Datum 6 juni 2023 Uitgevoerd door Medewerker Team Geluid en Lucht Kenmerk A-2022-000561

Inleiding In opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda is door het Team Geluid en Lucht van de Omgevingsdienst Midden-Holland een akoestisch onderzoek verricht. Aanleiding tot het onderzoek is het bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie in Gouda. Doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de randen van de bouwvlakken. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:  Bebouwingsstudie Jan Ligthartlocatie Gouda opgesteld door Venster Architecten (zie bijlage 1).  Quick scan Geluid d.d. 10 januari 2022 met referentie 2021345487.  Het RVMH versie 4.1 peiljaar 2035. Uitgangspunten Wet en regelgeving In het nieuwe RVMH, dat deels gebaseerd is op het verkeerscirculatieplan (VCP) van de gemeente Gouda, zijn alle wegen binnen 200 meter van het plangebied 30 km/u wegen geworden. Dit betekent dat er vanuit de Wet geluidhinder geen wettelijke toets en procedures nodig zijn. Berekend is de geluidsbelasting van alle wegen samen (gecumuleerde geluidsbelasting) zonder rekening te houden met de aftrek ex. artikel 110g van de Wet geluidhinder. Deze geluidsbelasting kan gebruikt worden om de benodigde gevelwering te kunnen bepalen. Hierbij wordt geadviseerd om te streven naar ten hoogste 33 dB in de woningen.

Goede ruimtelijke ordening De gecumuleerde geluidsbelasting is eveneens gebruikt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode “Miedema”. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 1 (zonder aftrek ex. artikel 110g Wet geluidhinder). Tabel 1: Milieukwaliteitsmaat (Miedema)

Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB < 50

Milieukwaliteitsmaat MKM Goed

50-55

Redelijk

55-60

Matig Kenmerk A-2022-000561

1 van 4

Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB 60-65

Milieukwaliteitsmaat MKM Tamelijk slecht

65-70

Slecht

> 70

Zeer Slecht

Figuur 1 geeft een overzicht van de ligging van het plangebied met de 30 km/u wegen in geel aangegeven.

Figuur 1: Ligging plangebied met de 30 km/u wegen in geel aangeven.

Gevolgde rekenmethode De gevolgde rekenmethode voor het bepalen van de geluidsbelasting ten gevolge van de wegen is conform de Standaard Rekenmethode II van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai 2012. De berekening is uitgevoerd met Geomilieu versie 2022.4 van DGMR Raadgevende Ingenieurs BV. De berekening van de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer zijn uitgevoerd met het RVMH 4.1 met peiljaar 2035. Bijlage 2 geeft de invoergegevens van het model.

Kenmerk A-2022-000561

2 van 4

Berekende geluidsbelasting Figuur 2 geeft een overzicht van de berekende geluidsbelasting van alle wegen in de directe omgeving van het plangebied. De berekeningen zijn uitgevoerd op 1,5 meter, 4,5 meter, 7,5 meter en 10,5 meter hoogte. Op een aantal plaatsen is geen resultaat weergegeven op een hoogte van 1,5 meter omdat uit de data van Venster Architecten blijkt dat op de begane grond geen woning aanwezig is.

Figuur 2: Overzicht geluidsbelasting van alle wegen samen in dB (zonder aftrek)

Uit figuur 2 blijkt dat de geluidsbelasting varieert van:  50 tot 58 dB ter plaatse van het noordelijke bouwvlak.  49 tot 59 dB ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak.

Kenmerk A-2022-000561

3 van 4

Woon en leefklimaat methode Miedema Figuur 3 geeft een overzicht van het woon- en leefklimaat volgens de methode Miedema.

Figuur 3: Overzicht woon- en leefklimaat volgens de methode Miedema

Uit figuur 3 blijkt dat het woon- en leefklimaat varieert van redelijk tot matig. Dit is passend voor een plan binnen de bebouwde kom. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen wettelijke toetsing en procedures nodig zijn in het kader van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door 30 km/u wegen in de directe omgeving van het plangebied. De geluidsbelasting varieert van:  50 tot 58 dB ter plaatse van het noordelijke bouwvlak.  49 tot 59 dB ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak.

Kenmerk A-2022-000561

4 van 4

Geadviseerd wordt om de gecumuleerde geluidsbelasting, zoals aangeven in figuur 2, te gebruiken bij de bepaling van de benodigde gevelwering om de binnenwaarde van 33 dB garanderen en dit te borgen in de regels van het bestemmingsplan. Het woon- en leefklimaat varieert van redelijk tot matig. Dit is acceptabel voor een plan binnen de bebouwde kom.

Bijlage(n)

2

Kenmerk A-2022-000561

5 van 4

Bijlage 1 Informatie van Venster Architecten

Kenmerk A-2022-000561

6 van 4

Bijlage 1 Informatie van Venster Architecten

Kenmerk A-2022-000561

7 van 4

Bijlage 2 Invoergegevens

Kenmerk A-2022-000561

8 van 4

Bijlage 2 Invoergegevens

Kenmerk A-2022-000561

9 van 4

14

Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek en actualiserend bodemonderzoek

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

Jan Ligthartlocatie Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend bodemonderzoek Verkennend asbestonderzoek Actualiserend bodemonderzoek

Opdrachtgever

: Mozaïek Wonen De heer H. van Driel Postbus 219 2800 AE Gouda

Datum Kenmerk Auteur

: 19 november 2018 : 1808L781/BNO/rap3 : de heer ing. B.B. Noyons

Goedkeuring De heer ing B.B. Noyons (senior adviseur)

Datum Opsteller, auteur

19 november 2018

De heer ir A. van Dortmont (senior projectleider)

2e lezerschap, controle

19 november 2018

De heer ir A. van Dortmont (senior projectleider)

Vrijgave rapportage

19 november 2018

Handtekening

BRL SIKB 2000 VKB-protocol 2001, 2002, 2018

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ........................................................................................................................................... 4

2.

MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 6 2.1

AANLEIDING VOORONDERZOEK ................................................................................................ 6

2.2

AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ......................................................................................... 6

2.3

POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ....................................................... 7

2.4

BODEMKWALITEIT EN ASBEST ................................................................................................... 8

2.5

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .................................................................................... 9

2.6

BEINVLOEDING ........................................................................................................................... 10

2.7

BODEMVERONTREINIGING ....................................................................................................... 10

2.8

TERREINVERKENNING .............................................................................................................. 12

2.9

BEOORDELING............................................................................................................................ 13

2.10 CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ................................................................................... 13 3.

ONDERZOEKSOPZET ...................................................................................................................... 14

4.

VELDONDERZOEK ........................................................................................................................... 15 4.1

ALGEMEEN .................................................................................................................................. 15

4.2

VISUELE INSPECTIE MAAIVELD ................................................................................................ 16

4.3

VISUELE INSPECTIE GROND..................................................................................................... 17

4.4

BEMONSTERING EN VELDMETINGEN GRONDWATER .......................................................... 18

5.

LABORATORIUMONDERZOEK ....................................................................................................... 19

6.

TOETSING EN INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN.................................................... 20

7

8.

6.1

TOETSINGSRESULTATEN ......................................................................................................... 20

6.2

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ........................................................................ 23

6.3

TOETSING HYPOTHESE ............................................................................................................ 24

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ................................................................................................ 25 7.1

CONCLUSIE ................................................................................................................................. 25

7.2

AANBEVELINGEN........................................................................................................................ 25

BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 27

1808L781/BNO/rap3 Pagina 2 van 27

Bijlagen Milieuhygiënisch vooronderzoek 1 1.1 1.2 1.3

kaarten en tekeningen topografische kaart oude inrichtingstekeningen planstudie Jan Ligthartlocatie

2 2.1 2.2

informatie vooronderzoek diverse documentatie BUS-evaluatie parkeerterrein (tekstuele gedeelte)

Verkennend bodemonderzoek 3 3.1

situatietekeningen situatietekening met boorpunten

4. 4.1

formulieren formulieren veldonderzoek

5. 5.1

boorstaten boorstaten en legenda

6. 6.1 6.2 6.3

analysecertificaten analysecertificaten grond analysecertificaten asbest analysecertificaten grondwater

7 7.1 7.2 7.3

toetsingstabellen toetsingstabellen grond (Wbb) toetsingstabellen grond (Bbk_indicatief) toetsingstabellen grondwater (Wbb)

1808L781/BNO/rap3 Pagina 3 van 27

1.

INLEIDING

In opdracht van Mozaïek Wonen is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek, een verkennend en actualiserend milieukundig bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft een schoolterrein en een parkeerterrein, staat bekend als ‘Jan Lighthartlocatie Gouda’ en is gelegen aan de Westerkade, Prins Hendrikstraat en Snoystraat te Gouda.

Afbeelding 1: Jan Lighthartlocatie, planstudie (Bron: Mozaïek Wonen)

Aanleiding en doelstelling De aanleiding tot het uitvoeren van het bodemonderzoek is de voorgenomen projectrealisatie waarbij in het huidige pand (schoolgebouw) appartementen worden gerealiseerd en waarin is voorzien in de nieuwbouw. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van het schoolterrein. De doelstelling van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of een verdenking op bodemverontreiniging met asbest ter plaatse van het schoolterrein als dan niet terecht is. Het doel van het actualiserend onderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de toplaag ter plaatse van het eerder gesaneerde parkeerterrein te verifiëren. Verklaring onafhankelijkheid Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707+C2;2017 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd.

Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 4 van 27

Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Om na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie als dan niet terecht is, is de norm NEN 5707+C2;2017 gehanteerd. Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd.

Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatiespecifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoeksaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 t/m 7 wordt de uitvoering van het bodemonderzoek stapsgewijs besproken. Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst en worden indien van toepassing, aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 8 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 5 van 27

2.

MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK

2.1

AANLEIDING VOORONDERZOEK

Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A.

opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek.

De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, de uitwerking en het antwoord op de onderzoeksvraag opgenomen.

2.2

AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED

TABEL 2.1: afbakening onderzoekslocatie Onderzoeksvraag

Bron

Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende?

-

Uitwerking De globale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de overzichtskaart die in bijlage 1 is opgenomen.

-

Adres

Snoystraat 2-4 (schoolgebouw) en enkele aangrenzende braakliggende percelen op de hoek Prins Hendrikstraat - Westerkade

#1 t/m #3

Plaats

Gouda

Gemeente

Gouda

Provincie

Zuid-Holland

RD-coördinaten

Omschrijving: globaal middelpunt onderzoekslocatie

Kadastraal

Oppervlaktes (m²)

X: 107932.000

Y: 446990.000

Gemeente

: Gouda

Gemeentecode

: GDA01

Sectie

:E

Nummers

: 3056, 3057, 4504, 2993, 4505, 3059, 6438, 6439, 6440 en 6437 (ged.)

Onderzoekslocatie Verharding (bebouwing/ tegels/klinkers) Onverhard

: circa 3.180 m2 : circa 3.050 m2 : circa 130 m2

Kaart Planlocatie

#1 / #3

Afbeelding 2: situering planlocatie en omgeving (Bron: KadViewer-versie 1.4) Antwoord Afbakening

25 meter buiten kadastrale grenzen

Afbakening Ja voldoende #1: KadViewer / OpenTopo / PDOK-viewer / Atlas Leefomgeving #2: Basisregistratie Adressen en Gebouwen #3: planstudie Jan Lighthartlocatie, zie bijlage 2 1808L781/BNO/rap3 Pagina 6 van 27

2.3

POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING

TABEL 2.2: potentiële bronnen van bodemverontreiniging Onderzoeksvraag

Bron

Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters?

-

Uitwerking Vanaf circa 1850 tot 1935

Op historische kaarten uit 1850, 1900 en 1925 (zie afbeelding 3) is waar te nemen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake was van weiland. Globaal ter plaatse van het huidige parkeerterrein is bebouwing aanwezig geweest. Ten westen van de bebouwing, ter plaatse van de huidige Westerkade was sprake van een watergang. Mogelijk hebben ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele poldersloten gelegen. De huidige kadastrale kaart en de historische kaarten komen niet geheel overeen. De exacte locaties van de poldersloten is derhalve niet vast te stellen.

#1

Afbeelding 3: Kaartdetail kaart 1925 met huidige kadastrale grenzen (Bron: KadViewer)

Vanaf 1935 tot heden

Op een kaart uit 1936 is waar te nemen dat de hiervoor besproken situatie is gewijzigd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie en het omliggende gebied is een woonwijk gerealiseerd. Het is aannemelijk dat bij het bouwrijp maken van het gebied de aanwezige poldersloten zijn gedempt en het maaiveld is opgehoogd. Hier is echter geen informatie van beschikbaar. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is sprake van blok woningen met een onbebouwd binnenterrein. In de periode 1950 – 1965 heeft een deel van de woningen plaats gemaakt voor het huidige schoolgebouw. De situatie van het terreindeel waar de schoolgebouw is gesitueerd is sindsdien niet noemenswaardig gewijzigd. De woningen ter plaatse van het huidige parkeerterrein zijn recent (periode na 2011) gesloopt.

Antwoord Potentiële bronnen

In de bodem kan, op basis van het historisch gebruik en ontwikkeling, sprake zijn van dempingsmateriaal en opgebrachte grond en kunnen bijmengingen met puin en fundatieresten worden verwacht. Mogelijk dat ter plaatse van het parkeerterrein (oude bebouwing) een erf aanwezig is geweest. Naast puin kan daar mogelijk sprake zijn geweest van koolas. De bebouwing is gerealiseerd / in gebruik geweest in een periode dat asbest werd toegepast (zie ook paragraaf 2.4).

Kritische parameters

Zware metalen (met name koper, lood en zink), PAK en asbest

#1 topo tijdreis / KadViewer

1808L781/BNO/rap3 Pagina 7 van 27

2.4

BODEMKWALITEIT EN ASBEST

TABEL 2.3: bodemkwaliteit en asbest Onderzoeksvraag

Bronnen

Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Uitwerking Asbest

Er is geen informatie bekend omtrent het voorkomen van asbest in de bodem. Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek is hier geen aandacht aan besteed. Op basis van de te verwachten puinbijmengingen welke tijdens voorgaand onderzoek zijn aangetroffen dient de bodem als asbestverdacht te worden aangemerkt.

#2 / #3

De bebouwing is gerealiseerd / in gebruik geweest in een periode dat asbest werd toegepast (zie ook paragraaf 2.3). In het pand is tijdens een uitgevoerde asbestinventarisatie in 2013 asbest geconstateerd. Onder andere onder de vloeren van de gymzaal. Bodemkwaliteit

Bodemfunctieklasse

Wonen

Ontgravingsklasse

Bovengrond (0-0,5 m-mv): wonen Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): wonen

Het merendeel van de bebouwing dateert uit de periodes van respectievelijk 1800 tot 1900 en van 1900 tot 1940. In de bovengrond kunnen sterk verhoogde gehalten aan lood en zink aanwezig zijn. Hiernaast kunnen voor meerdere zware metalen, PAK en minerale olie licht verhoogde gehalten worden verwacht. In de ondergrond kunnen licht tot matig verhoogde gehalten voor enkele zware metalen en PAK (alleen licht) worden verwacht.

#1

#4

Antwoord Er kan ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake zijn van een ophooglaag. De bodem is asbestverdacht op basis van de te verwachten puinbijmengingen. Daarnaast valt de periode dat het schoolgebouw is gebouwd / in gebruik is geweest in de periode dat asbest werd toegepast. Er is geen informatie bekend in hoeverre de verdenking op asbest terecht is. #1: Nota Bodembeheer regio Midden-Holland (ODMH) #2: Onderzoeksrapport; Van Oort Bodemonderzoek, kenmerk SNO.347713 d.d. 11 april 2013. #3: Asbestinventarisatie, Jan Ligthart school; Asbest Inventarisatie Bureau H.A.G. van Wijk, kenmerk 05031305JK d.d. maart 2013 #4: oude bodemkwaliteitskaart gemeente Gouda

1808L781/BNO/rap3 Pagina 8 van 27

2.5

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

TABEL 2.4: Bodemopbouw en geohydrologie Onderzoeksvraag Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich?

Bronnen -

Uitwerking Polderpeil

Polder Korte Akkeren

#2

PBS_WW-34; Datum vaststelling: 2014-03-12 Zomerpeil: -2,39 meter NAP Winterpeil: -2,39 meter NAP Geohydrologie Regionaal

#1 / #3 Deklaag: In het algemeen wordt de slecht doorlatende deklaag gevormd door fijn slibhoudende zanden, kleien en veenafzettingen van holocene ouderdom (Westlandformatie). De dikte van de deklaag op de onderzoekslocatie is circa 11 meter. 1e watervoerende pakket: Het eerste watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen tussen de slecht doorlatende deklaag en de scheidende laag. Het eerste watervoerende pakket bestaat vooral uit uiterst grove tot matig fijne zanden (formatie van KreftenHeye). In de nabijheid van de onderzoekslocatie bevindt dit pakket zich op een diepte van circa 12 mNAP en bedraagt de dikte van dit pakket ongeveer 25 meter. Het doorlaatvermogen (kD-waarde), zijnde het product van de doorlaatbaarheidscoëfficiënt (k) en de dikte (D) van het eerste watervoerende pakket wordt geschat op 2.500 m2/d. De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is overwegend westelijk gericht. De stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is vastgesteld op 5,0 m -NAP. De stijghoogte van het freatische grondwater is 2 m -NAP, hieruit kan worden afgeleid dat sprake is van een infiltratiesituatie. 1e scheidende laag: Het eerste en tweede watervoerende pakket worden gescheiden door kleiige en slibhoudende afzettingen (formatie van Kedichem).

De top van de scheidende laag in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op een diepte van circa 37 m- NAP en heeft een dikte van ongeveer 35 meter.

Lokaal

De locatie is gelegen in stedelijk gebied. Het grondwatersysteem zal plaatselijk, onder andere, worden beïnvloed door de aanwezigheid van oppervlaktewater en ondergrondse constructies (fundaties, kelders), kabel- en leidingtracés, riolering et cetera. Het freatisch grondwater bevindt zich op een niveau van circa 0,75 / 0,95 m-mv. Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de bodem tot een diepte van 0,5 à 1,0 m-mv overwegend uit zand. Vanaf deze dieptes is geen sprake van een eenduidige bodemopbouw. Er is zowel zand als zandige klei aanwezig en plaatselijk is sprake van veen.

Bodemvreemde lagen

Er is geen informatie beschikbaar omtrent de aanwezigheid van bodemvreemde lagen.

-

Antwoord Op basis van de bodemopbouw en geohydrologie worden binnen het onderzoeksgebied geen noemenswaardige verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen verwacht. #1: Dino Loket / Grondwaterkaart van Nederland, kaartblad 38 west; instituut Grondwater en Geo-energie TNO (IGG). #2: Hoogheemraadschap van Rijnland

1808L781/BNO/rap3 Pagina 9 van 27

2.6

BEINVLOEDING

TABEL 2.5: beïnvloeding Onderzoeksvraag

Bronnen

Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Uitwerking Beïnvloeding

Direct ten noorden van het parkeerterrein is sprake (geweest) van een mobiele verontreiniging met olieproduct (zie paragraaf 2.7). Niet aannemelijk is dat, indien sanering / grondwateronttrekking heeft plaatsgevonden ter plaatse van de verontreinigingslocatie, dit de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie negatief heeft beïnvloed.

#1

Antwoord Op basis van de beschikbare informatie wordt in de huidige situatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht. #1: Atlas Midden-Holland (ODWH)

2.7

BODEMVERONTREINIGING

Vraag: Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Voor het verkrijgen van historische bodeminformatie is het bodemloket geraadpleegd alsmede de Atlas Omgevingsdienst Midden-Holland. In bijlage 2.1 zijn ter informatie delen van enkele oude onderzoeksrapportages opgenomen. Op basis van de beschikbare gegevens blijkt kort samengavat het volgende: -

-

voor zover bekend hebben er geen onder- of bovengrondse tanks gelegen ter plaatse van het huidige parkeerterrein. Ter plaatse van het schoolterrein is, aan de achterzijde van het schoolgebouw, een ondergrondse tank aanwezig. De locatie van deze tank is aangegeven op de situatietekening in bijlage 1. ten noorden van de onderzoekslocatie (overzijde Westerkade) was in het verleden een tankstation gevestigd; op percelen ten noorden en ten westen van de onderzoekslocatie zijn diverse bedrijven gevestigd (geweest) waaronder een zuivelfabriek, een taxibedrijf en een schildersbedrijf.

Terrein School In 2013 is ter plaatse van het schoolterrein een verkennend bodemonderzoek 1 uitgevoerd. Destijds is een gedeelte van het schoolterrein onderzocht in het kader van voorgenomen nieuwbouw, welke niet gerealiseerd is. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bovengrond niet verontreinigd is. De ondergrond en het grondwater zijn maximaal licht verontreinigd. Nabij de locatie van de ondergrondse tank is een boring uitgevoerd tot 0,5 m-mv. Aangezien deze boring niet doorgezet is tot het grondwater / is afgewerkt met een peilbuis geeft het onderzoek geen informatie omtrent de milieuhygiënische bodemkwaliteit in relatie tot de tank. Er is in het onderzoek geen aandacht besteed aan het eventuele voorkomen van asbest in de bodem. Parkeerterrein In 2011 is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd ter plaatse van de locatie van het huidige parkeerterrein, destijds nog bebouwd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond plaatselijk bijmengingen met puin aanwezig zijn. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. De bovengrond is overwegend matig tot sterk verontreinigd met zink. Plaatselijk is een matige verontreiniging met koper gemeten. De overige geanalyseerde zware metalen (behoudens molybdeen), PAK en PCB zijn in licht verhoogde gehalten gemeten.

Er zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie gemeten.

1 2

Onderzoeksrapport; Van Oort Bodemonderzoek, kenmerk SNO.347713 d.d. 11 april 2013. Onderzoeksrapport; IDDS, kenmerk 1102C865/JKE/rap1 d.d. 9 juni 2011. 1808L781/BNO/rap3 Pagina 10 van 27

Er is geen duidelijke relatie tussen de zintuiglijk aan de bovengrond waargenomen bijmengingen met puin en de in de grond aanwezige verontreinigingen. De ondergrond is overwegend licht verontreinigd met zware metalen en PAK. In een enkel monster is een matig verhoogd gehalte aan lood gemeten. Er zijn geen verhoogde gehalten aan PCB en minerale olie gemeten. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen. In 2012 is het terrein, nadat de bebouwing gesloopt was, in opdracht van Mozaïek Wonen gesaneerd. De sanering is uitgevoerd tussen 23 januari en 3 april 2012. De sanering betrof het aanbrengen van een duurzame aaneengesloten afdeklaag, zijnde de bestrating van het huidige parkeerterrein. Tijdens de sanering is, na egalisatie van het terrein, op het maaiveld scheidingsdoek aangebracht met daarop 0,35 m zand waarna een klinkerbestrating is aangebracht. De BUS-evaluatie is opgenomen in bijlage 2.2. Omgeving Uit voorgaande bodemonderzoeken is gebleken dat de aanwezige ophooglagen in de omgeving grotendeels heterogeen diffuus zijn verontreinigd met zware metalen en PAK. De verontreinigingen zijn te relateren aan de in de ophooglagen aanwezige bodemvreemde bestanddelen, hoofdzakelijk bestaande uit puin. Met betrekking tot zware metalen is de grond in de ophooglagen licht tot sterk verontreinigd.

Voor de parameter PAK is de grond in de ophooglagen overwegend licht verontreinigd, waarbij plaatselijk matig tot sterke verontreinigingen zijn gemeten. Ter plaatse van perceel Wachtelstraat 52 is een benzineservicestation aanwezig geweest. Betreffend station was gelegen aan de Westerkade tegenover het huidige parkeerterrein, zijnde de voormalige huisnummers 1 en 1a. Ter plaatse van het voormalige benzinestation was sprake van een bodemverontreiniging met olieproducten. De omvang van de lichte tot sterke verontreiniging met olieproducten in de grond bedroeg circa 1.800 m³, waarvan 250 m³ grond sterk was verontreinigd. De omvang van het met olieproduct verontreinigde grondwater bedroeg circa 2.100 m³, waarvan 350 m³ bodemvolume sterk was verontreinigd. De verontreiniging betrof hoofdzakelijk diesel. Plaatselijk was sprake van motorolie. Ingevolge de Wet bodembescherming was er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging reikte niet tot de huidige onderzoekslocatie, zie afbeelding 4. De grens van de huidige onderzoekslocatie is hier al een rode lijn op aangegeven. Een oude inrichtingstekening van het benzineservicestation is opgenomen in bijlage 1.

Afbeelding 4: Verontreinigingscontouren grondwater nabij onderzoekslocatie (bron Onderzoeksrapport; IDDS, kenmerk 1102C865/JKE/rap1 d.d. 9 juni 2011)

1808L781/BNO/rap3 Pagina 11 van 27

2.8

TERREINVERKENNING

Een deel van de planlocatie is in gebruik bij een onderwijsinstelling. Ter plaatse van dit gedeelte van de planlocatie is een schoolgebouw aanwezig met een gymzaal en een plein. Het plein is verhard met tegels. Een deel van de planlocatie is in gebruik als (tijdelijk) parkeerterrein. Het parkeerterrein is verhard met klinkers. Aan twee zijden, waar het parkeerterrein grenst aan het trottoir, is sprake van een smalle groenstrook. In het recente verleden was het terrein dat nu in gebruik is als parkeerterrein bebouwd. Onderstaande foto’s geven een beeld van de planlocatie.

foto 1: schoolgebouw (bron: google maps)

foto 2: schoolgebouw (bron: google maps)

foto 3: parkeerterrein (bron: google maps)

foto 4: voormalige bebouwing parkeerterrein (bron: google maps)

1808L781/BNO/rap3 Pagina 12 van 27

2.9

BEOORDELING

TABEL 2.6: beoordeling Onderzoeksvraag Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Uitwerking Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. Afwijking

Geen

-

Gevolgen betrouwbaarheid /

-

-

Beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen

-

-

Antwoord Terrein school Onvoldoende

Er is geen actuele informatie bekend omtrent de milieuhygiënische bodemkwaliteit, inclusief asbest. Ook is geen informatie bekend van de bodemkwaliteit ter plaatse van de ondergrondse tank.

Parkeerterrein Onvoldoende

2.10

De milieuhygiënische bodemkwaliteit van de ondergrond (de verontreinigde bodem onder het aangebrachte scheidingsdoek) is voldoende bekend en zal na uitvoering van de bodemsanering niet zijn verslechterd. De milieuhygiënische kwaliteit van grond tussen het scheidingsdoek en de isolatielaag (klinkerbestrating) kan zijn beïnvloed ten gevolge van het parkeren van auto’s. Op voorhand wordt dit niet verwacht.

CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij het vervolgonderzoek dient de hypothese-stelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten, zie hoofdstuk 3. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.7: conclusie en hypothese Uitwerking en antwoord Terrein school (excl. tank) Conclusie

Grond

Verdacht op de aanwezigheid van immobiele verontreinigingen met zware metalen, PCB, PAK en asbest.

Grondwater

Onverdacht

NEN 5740

Verdacht

NEN 5707

Verdacht

Grond

Verdacht op de aanwezigheid van minerale olie.

Grondwater

Verdacht op minerale olie, vluchtige aromaten en naftaleen.

NEN 5740

Verdacht

Conclusie

Toplaag

Verificatie milieuhygiënische kwaliteit ivm parkeren auto’s

Hypothese

NEN 5740

Onverdacht

Hypothese Tanklocatie Conclusie Hypothese Parkeerterrein

1808L781/BNO/rap3 Pagina 13 van 27

3.

ONDERZOEKSOPZET

De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1. TABEL 3.1: onderzoeksstrategie Onderzoek Onderzoeksaspect Verkennend bodemonderzoek

Onderzoeksstrategie

Terrein school

NEN 5740+A1;2016 Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE).

Locatie ondergrondse tank (inhoud ≤ 5 m3)

NEN 5740+A1;2016 onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO)

Verkennend asbestonderzoek

Terrein school

NEN 5707+C2;2017 Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld.

Verificatie onderzoek

Parkeerterrein

Indicatieve onderzoeksopzet

Opmerking de voornoemde onderzoeksstrategieën Terrein school

Gezien het schoolgebouw en de gymzaal nog in gebruik zijn mogen geen inpandige boringen worden uitgevoerd / mag de huidige vloer niet worden beschadigd. Uitgangspunt is dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onder het pand vergelijkbaar is met de milieuhygiënische bodemkwaliteit rondom het pand. Als het schoolgebouw niet meer in gebruik is dient voornoemde, in aanvulling op onderhavig onderzoek, te worden geverifieerd. Om toch enig inzicht te verkrijgen in de te verwachtte milieuhygiënische bodemkwaliteit onder de gebouwen worden enkele van de grondboringen tegen de buitengevel van het schoolgebouw en de gymzaal uitgevoerd. Hiervan worden enkele boringen doorgezet tot 2,0 m-mv.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 14 van 27

4.

VELDONDERZOEK

4.1

ALGEMEEN

Algemeen De veldwerkzaamheden zijn verricht door VeldXpert. Het grondonderzoek is uitgevoerd onder certificaat van de BRL SIKB 2000, VKB protocol 2001, 2002 en 2018. Het procescertificaat en de hierbij behorende keurmerken zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers die tevens zijn opgeleid tot het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek worden het maaiveld van de onderzoekslocatie en het opgeboorde bodem- en fundatiemateriaal visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. Samenvatting Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op de situatietekening die in bijlage 3 is opgenomen. TABEL 4.1: samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode oktober - november 2018 Uitvoerende partij

VeldXpert

BRL SIKB / protocol*

BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002, 2018

Onderzoeksaspect

Meetpunten Type

Diepte [m-mv]

Codering

Bijzonderheden

Aantal

Asbestonderzoek

Visuele inspectie maaiveld

-

-

Terrein school

Gat

0,5

13

101 t/m 107 en 109 t/m 114

-

Boring

<2,0

2

104, 112

gestaakt

1,5

7

101, 102, 105, 107, 110, 113, 114

-

2,0

4

103, 106, 109, 111

Peilbuis

2,2

1

108

-

Boring

2,0

1

202

-

Peilbuis

2,5

1

201

-

Boring

1,5

5

301 t/m 305

-

Verkennend onderzoek Terrein school

Tanklocatie Verificatie onderzoek Parkeerterrein

Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 4. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 15 van 27

4.2

VISUELE INSPECTIE MAAIVELD

Voorwaarde maaiveldinspectie De visuele inspectie van het maaiveld heeft betrekking op het terrein van de school. Bij de uitvoering van de visuele inspectie van het maaiveld geldt een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn in onderstaande tabel opgenomen. Per voorwaarde is aangegeven of aan deze voorwaarde is voldaan. Als hier niet aan voldaan is, is de oorzaak aangegeven. TABEL 4.2: voorwaarden maaiveldinspectie Voorwaarde Omschrijving

Voldaan

Het maaiveld moet vrij inspecteerbaar zijn

Er moet een zo groot mogelijk deel van het te inspecteren maaiveld vrij zijn van objecten (afdeklagen, verhardingen, opgeslagen goederen, afval enz.). Daarnaast is het noodzakelijk dat de aanwezigheid van vegetatie (gras, struiken, bladeren enz.) geen belemmering vormen voor de maaiveldinspectie. Ook behoort de te inspecteren oppervlakte voldoende representatief te zijn voor de gehele (deel)locatie. Er mag geen groot aaneengesloten deel van de (deel)locatie niet inspecteerbaar zijn. Onvoldoende inspecteerbare delen vallen buiten het inspectiegebied en blijven als asbestverdacht aangemerkt.

Nee. Het maaiveld van de niet bebouwde terreindelen is vrijwel geheel voorzien van een verharding. De niet verhardde terreindelen betreffen enkele groenvakken.

De toplaag moet droog en onbesneeuwd zijn

Grond zal nooit helemaal droog zijn; in dit geval wordt met ‘droog’ bedoeld dat het vochtgehalte dusdanig laag is dat er geen belemmeringen ontstaan voor de visuele inspectie. Het betreft dus veldvochtige grond zonder dat hierop plassen enz. voorkomen. Bij veel neerslag zal het bodemoppervlak na verloop van tijd te nat worden om een goede inspectie uit te voeren.

Ja

Er moet voldoende licht en zicht zijn

De hoeveelheid licht en zicht mag geen beperkende factor zijn voor een optimale visuele inspectie. Dit betekent dat de weersomstandigheden dusdanig behoren te zijn dat er geen belemmeringen optreden voor de visuele inspectie. In algemene zin betekent dit: geen neerslag (regen, hagel, sneeuw), voldoende daglicht en geen hevige mist. Bij onvoldoende daglicht is het gebruik van kunstlicht een goed alternatief.

Ja

Conclusie

Er wordt niet aan de gestelde voorwaarden voldaan. Wanneer van een verdachte locatie geen visuele inspectie van het maaiveld kan worden uitgevoerd kan geen verdere opdeling worden gemaakt in verdachte en onverdachte deellocaties en moet de hele locatie als verdacht worden beschouwd.

Schatting inspectie-efficiëntie Er zijn vier belangrijke factoren die van invloed zijn op de inspectie-efficiëntie van de inspecteerbare terreindelen. Deze factoren zijn in onderstaande tabel opgenomen. Per factor is aangegeven of deze de inspectie-efficiëntie heeft beïnvloed. TABEL 4.3: voorwaarden maaiveld-inspectie Factor Omschrijving

Efficiëntie

Ervaring en conditie van de desbetreffende inspecteur

De inspectie-efficiëntie wordt voor het grootste deel bepaald door de ervaring en het waarnemingsvermogen van de desbetreffende inspecteur. De inspecteur behoort te beschikken over aantoonbare en relevante ervaring op het gebied van asbestherkenning in en op de bodem.

100 %

Type grond

In gele tot lichtbruine zandgrond is de zichtbaarheid en/of herkenbaarheid van stukjes asbestverdacht materiaal groot en zal de inspectie-efficiëntie groter zijn dan 75 %. In donkere grijze/zwarte kleigrond is de zichtbaarheid en/of herkenbaarheid veel minder en zal de inspectie-efficiëntie veel lager liggen: tussen de 50 % – 90 %.

100%

Conditie van de toplaag:

Droge grond is beter te inspecteren dan vochtige grond. Dit is vooral bij kleiachtige grond van belang; vochtige kleigrond is donkerder van kleur en kan de inspectieefficiëntie met 10 % – 25 % verminderen. Voor losse en vastgereden grond geldt hetzelfde; vastgereden grond is minder goed te inspecteren dan losse grond. Vooral kleiachtige grond is vaak vastgereden waardoor de inspectie-efficiëntie met 10 % – 25 % vermindert.

100%

Conditie van het maaiveld:

Ook vegetatie (voornamelijk gras) en de aanwezigheid van plassen zijn van invloed op de inspectie-efficiëntie. Bij veel vegetatie en plassen (> 50 %) kan het maaiveld niet systematisch worden geïnspecteerd. Bij matige vegetatie is dit in principe wel mogelijk, echter de inspectie-efficiëntie zal hierdoor met 10 % – 25 % verminderen

0%

Conclusie

Inspectie-efficiëntie: Het maaiveld is niet inspecteerbaar ten gevolge van de aanwezige bebouwing, maaiveldverhardingen en sterk begroeide groenvakken.

0%

Resultaten visuele inspectie maaiveld Het maaiveld is niet inspecteerbaar ten gevolge van de aanwezige bebouwing, maaiveldverhardingen en sterk begroeide groenvakken. Er kan geen opdeling worden gemaakt in verdachte en onverdachte deellocaties. De gehele locatie dient als asbestverdacht te worden aangemerkt. 1808L781/BNO/rap3 Pagina 16 van 27

4.3

VISUELE INSPECTIE GROND

Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie, gebaseerd op de boorstaten, wordt als volgt omschreven: -

Schoolterrein: Ter plaatse van het terrein van de school bestaat de bodem tot een diepte van 1,0 m-mv overwegend uit zand. Aan de noordzijde van het terrein komt het zand tot een diepte van circa 0,5 m-mv voor. Vanaf deze dieptes is geen sprake van een eenduidige bodemopbouw. Er is zowel zand als zandige klei aanwezig en plaatselijk is sprake van veen.

-

Parkeerterrein: Ter plaatse van het parkeerterrein is tot een diepte van 0,5 m-mv sprake van zand. Dit betreft zand dat bij een eerder uitgevoerde saneringsoperatie is opgebracht. Vanaf deze diepte tot de geboorde diepte van 1,5 m-mv is geen sprake van een eenduidige bodemopbouw. Er is zand (lokaal met brokken klei en/of veen), zandige klei en veen aangetroffen.

Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 5. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: -

Schoolterrein: Ter plaatse van het terrein van de school is plaatselijk sprake van een bijmenging met bodemvreemde materialen. Aangetroffen zijn resten aardewerk (boring 102), een zwakke bijmenging met baksteen (boringen 112, 113, 114, 201) en metselpuin (boringen 113, 114), een matige bijmenging met slakken (boring 103) en metselpuin (boringen 106, 109, 111) en een sterke bijmenging met hydrokorrels (boring 107). Benadrukt wordt dat ter plaatse van de locatie van de ondergrondse tank geen afwijkingen zijn waargenomen die kunnen duiden op een eventuele verontreiniging met olieproduct.

-

Parkeerterrein: Ter plaatse van het parkeerterrein is tot een diepte van 0,5 m-mv sprake van zand zonder bodemvreemde bijmengingen. Vanaf deze diepte tot de geboorde diepte van 1,5 m-mv is plaatselijk sprake van een bijmenging met bodemvreemde materialen. Aangetroffen zijn een zwakke bijmenging met baksteen (boringen 302, 303, 304, 305) en een matige bijmenging met puin en slakken (boring 304).

Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (fractie >20 mm). Indien asbestverdacht materiaal is aangetroffen is dit, per boorpunt/inspectiegat en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 5. Op basis van de visuele inspectie op asbest blijkt het navolgende: -

In de vrijgegraven en geïnspecteerde grond van alle asbestinspectiegaten, alsmede in het opgeboorde bodemmateriaal afkomstig van de grondboringen, is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Van de fijne fractie van de vrijgegraven en visueel geïnspecteerde grond zijn drie grondmengmonsters samengesteld van de actuele contactzone, monstercodes ASB01 t/m ASB03, en is grondmengmonster samengesteld van de ondergrond met een bijmenging met metselpuin, monstercode ASB04. Opgemerkt wordt dat de dikte van bodemlaag met een matige bijmenging met slakken dermate gering was dat geen representatief monster genomen kon worden voor een asbestbepaling. 1808L781/BNO/rap3 Pagina 17 van 27

4.4

BEMONSTERING EN VELDMETINGEN GRONDWATER

Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld. Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de navolgende tabel zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde metingen en verrichtte waarnemingen. TABEL 4.4: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Peilbuis Filterstelling MonsterGrondwatername stand [m-mv]

pH

EC

Troebelheid

Zintuiglijke afwijkingen / overige bijzonderheden

d.d.

[m-mv]

[S/cm]

[NTU]

1,2 – 2,2

06-11-2018

0,92 (-2,37 m NAP)

6,11

442

6,97

Geen

201 1,5 – 2,5 -: geen bijzonderheden

06-11-2018

0,76

6,98

1036

5,98

Geen

108

Op basis van de veldwaarnemingen en metingen blijkt het navolgende: -

Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De gemeten waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen duiden niet op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 18 van 27

5.

LABORATORIUMONDERZOEK

Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een (RvA) geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De naam en contactgegevens van het betreffende laboratorium, alsmede de data waarop de monstervoorbehandeling en het analytisch onderzoek is uitgevoerd, zijn aangegeven op de analysecertificaten die in bijlage 6 zijn opgenomen. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 6.1 is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses. Indien gebruik is gemaakt van analysepakketten is de samenstelling van betreffende pakketten hieronder beschreven. Samenstelling analysepakketten In het standaard pakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: -

Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Minerale olie (GC). PCB (PolyChloorBifenylen).

Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. In het standaard pakket voor grondwater zijn de volgende analyses opgenomen: -

Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen). VOCl (vluchtige organochloorverbindingen). Minerale olie.

Analyseresultaten De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in bijlage 6 zijn opgenomen.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 19 van 27

6.

TOETSING EN INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN

6.1

TOETSINGSRESULTATEN

De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 7. Voor de toetsing van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de navolgende toetsingskaders: Wet bodembescherming (Wbb) Voor de interpretatie van de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters zijn de meetwaarden, conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en/of organische stof. De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013). Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden, zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en is het uitvoeren van nader bodemonderzoek in veel gevallen noodzakelijk. In tabel 6.1.

zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen. <AW / <S >AW / >S >T >I

niet verontreinigd: het gehalte / de concentratie is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater), dan wel de rapportagegrens; licht verontreinigd: het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd; matig verontreinigd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; sterk verontreinigd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde.

Besluit bodemkwaliteit (Bbk) De analyseresultaten zijn beoordeeld aan de toetsingswaarden van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt een indicatie verkregen omtrent de mogelijke hergebruiksmogelijkheden van eventueel tijdens de projectrealisatie vrijkomende grond. In tabel 6.1. zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde toetsing. Asbest in grond De interventiewaarde / restconcentratienorm voor asbesthoudende grond is vastgesteld op 100 mg/kg.ds gewogen (de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolconcentraties). Chrysotiel behoort tot de serpentijnengroep en crocidoliet en amosiet tot de amfibolengroep. Daar de amfibolen tien maal toxischer zijn dan de serpentijnen wordt het gehalte vermenigvuldigd met een factor 10. Op basis van deze formule wordt het uiteindelijke gehalte asbest in de bodem vastgesteld. Voor de berekening wordt geen onderscheid gemaakt in hechtgebonden en niet hechtgeboden asbest. Indien de interventiewaarde wordt overschreden is ongeacht het bodemvolume sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

1808L781/BNO/rap3 Pagina 20 van 27

TABEL 6.1a: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercodes

deelmonsters en bodemlagen (bodemlagen in cm-mv)

Matrix en eventuele bijzonderheden

Analyse

Toetsingsresultaten Wbb > AW / >S (licht verhoogd)

>T (matig verhoogd)

>I (sterk verhoogd)

Bbk

Wbb

indicatief

Asbest

Asbestonderzoek Schoolterrein ASB01

101 102 103 104 107 (5-55)

Zand

Asbestbepaling

<1,0 mg/kg.ds

ASB02

112 113 114 (5-55)

Zand, zwak baksteen

Asbestbepaling

<0,4 mg/kg.ds

ASB03

105 106 109 110 111 (5-55)

Zand

Asbestbepaling

<0,6 mg/kg.ds

ASB04

106 109 111 113 114 (55-150)

Klei, metselpuin

Asbestbepaling

0,6 mg/kg.ds

Verkennend bodemonderzoek Schoolterrein Bovengrond MM01

101 (5-55) 103 (5-55) 104 (5-55) 105 (5-55)

Zand

Standaard grond

-

-

-

Altijd toepasbaar

MM02

106 (5-55) 107 (5-55) 108 (5-55) 111 (5-55)

Zand

Standaard grond

-

-

-

Altijd toepasbaar

MM03

112 (5-55) 113 (5-55) 114 (5-55) 201 (5-50)

Zand, zwak baksteen

Standaard grond

Kwik (Hg) PCB

-

-

Altijd toepasbaar

MM04

103 (60-80) 104 (55-90) 105 (55-100) 106 (55-100)

Zand

Standaard grond

Kwik (Hg) Lood (Pb) Zink (Zn) PCB

-

-

Industrie

MM05

108 (70-120) 110 (55-100) 111 (55-100) 112 (55-100)

Zand

Standaard grond

-

-

-

Altijd toepasbaar

MM06

113 (55-100) 114 (55-100)

Klei, zwak metselpuin

Standaard grond

Kwik (Hg) Lood (Pb) Zink (Zn) PAK PCB

-

-

Industrie

MM07

106 (100-150) 109 (100-150) 111 (100-150)

Klei, matig metselpuin

Standaard grond

Kwik (Hg) Lood (Pb)

-

-

Wonen

103.4

103 (80-100)

Zand, matig slakken

Standaard grond

Koper (Cu) Kwik (Hg) Lood (Pb) Molybdeen (Mo) Zink (Zn)

-

-

Industrie

108 (120 -220)

Grondwater, geen bijzonderheden

Standaard grondwater

Barium vinylchloride

-

-

Ondergrond

Grondwater 108-1-1

1808L781/BNO/rap3 Pagina 21 van 27

TABEL 6.1b: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercodes

deelmonsters en bodemlagen (bodemlagen in cm-mv)

Matrix en eventuele bijzonderheden

Analyse

Toetsingsresultaten Wbb > AW / >S (licht verhoogd)

>T (matig verhoogd)

>I (sterk verhoogd)

Minerale olie

-

-

Bbk

Wbb

indicatief

Asbest

Tanklocatie Grond 202.2

202 (50-100)

Zand, geen bijzonderheden

Minerale olie

201 (150-250)

Grondwater, geen bijzonderheden

Minerale olie, btexns

-

-

-

Zand

Standaard grond

-

-

-

Grondwater 201-1-1

Verificatie onderzoek Toplaag parkeerterrein MM01

302 (8-50) 303 (8-50) 304 (8-50) 305 (8-50)

Altijd toepasbaar

1808L781/BNO/rap3 Pagina 22 van 27

6.2

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN

6.2.1

Terrein school

Veldonderzoek: De bodem bestaat tot een diepte van circa 1,0 m-mv overwegend uit zand. Aan de noordzijde van het terrein (achterzijde school) komt het zand tot een diepte van circa 0,5 m-mv voor. Vanaf deze dieptes is geen sprake van een eenduidige bodemopbouw. Er is zowel zand als zandige klei aanwezig en plaatselijk is sprake van veen. Plaatselijk is sprake van een bijmenging met bodemvreemde materialen. Aangetroffen zijn resten aardewerk, baksteen, metselpuin en, zeer plaatselijk, slakken en hydrokorrels. Ter plaatse van de locatie van de ondergrondse tank zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele verontreiniging met olieproduct. In de vrijgegraven en geïnspecteerde grond van alle asbestinspectiegaten, alsmede in het opgeboorde bodemmateriaal afkomstig van de grondboringen, is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De grondwaterstand bevindt zich op circa 0,76 m-mv (locatie tank) en 0,92 m-mv (schoolplein). Het verschil in grondwaterstand wordt veroorzaakt door het verschil in maaiveldniveau. Tijdens het veldonderzoek zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen aan het bemonsterde grondwater. Wbb: De interpretatie van de onderzoeksresultaten van de boven- en ondergrond, het grondwater en het asbestonderzoek zijn separaat besproken.

Bovengrond: In de bovengrond met een zwakke bijmenging met baksteen overschrijden de gehalten kwik en PCB de desbetreffende achtergrondwaarden. In de bovengrond zonder bijmengingen zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lager dan de betreffende achtergrondwaarden. 

Op basis van de toetsingsresultaten blijkt de bovengrond plaatselijk licht te zijn verontreinigd. De analyseresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek.

Ondergrond: In de ondergrond zonder bijmengingen is plaatselijk sprake van een overschrijding van de achtergrond-waarde voor kwik, lood, zink en PCB. Daar waar er sprake is van een zwakke tot matige bijmenging met metselpuin overschrijden de gehalten kwik, lood, zink, PAK en/of PCB de desbetreffende achtergrond-waarden. In het separate monster met een matige bijmenging met slakken zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarden aangetoond voor koper, kwik, lood, molybdeen en zink. Ter plaatse van de locatie van de ondergrondse tank is ter hoogte van de grondwaterspiegel sprake van een overschrijding van de achtergrondwaarde voor minerale olie. 

Op basis van de toetsingsresultaten blijkt de ondergrond plaatselijk licht te zijn verontreinigd. De analyseresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek.

Grondwater: In het grondwater uit peilbuis 108 (schoolplein) overschrijden de concentraties barium en vinylchloride de desbetreffende streefwaarden. In het grondwater uit peilbuis 201 (tank) zijn de concentraties minerale olie, vluchtige aromaten en naftaleen alle lager dan de desbetreffende streefwaarden. 

Op basis van de toetsingsresultaten blijkt het grondwater niet tot licht te zijn verontreinigd. De analyseresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek.

Asbest: In de bovengrond (zand) is geen asbest aangetoond. De gewogen concentraties asbest zijn lager dan de detectiegrens. In de ondergrond (klei) is een geringe hoeveelheid asbest (0,6 mg/kg.ds gewogen) aangetoond. Nader onderzoek naar asbest is ons inziens niet noodzakelijk, het is statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde ook in een nader onderzoekstraject niet zal worden overschreden. 

Op basis van de toetsingsresultaten blijkt de grond niet te zijn verontreinigd met asbest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=acd2ef91-d1aa-4ef8-9357-d4c2ab3d6173