Bijlage 3 Ruimtelijke motivatie GHZ
Tekst van het document
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
30 - 701
Geluidsonderzoek en naleving van normen (Onderzoek AV consulting, Bijlage 6) Ten gevolge van de maximale planologische invulling van het GHZ zou voor één woning aan de Livingstonelaan 2, de standaardwaarde voor geluid op de gevel met 2 dB(A) kunnen worden overschreden. Deze overschrijding is zodanig gering dat ze nauwelijks van invloed kunnen zijn op het woon- en leefmilieu. Daarnaast is in het onderzoek de geluidswering in de luifel nog niet opgenomen, dat heeft een verder positief effect op het woon- en leefklimaat. De realisatie van het Facilitair gebouw heeft derhalve geen invloed op het woon- en leefmilieu in de omgeving. Conclusie De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met instructieregels voor geluid door activiteiten, omdat de realisatie van het Facilitair gebouw ver onder de norm blijft van standaardwaarden voor geluid. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.7 Geluid door wegen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met geluid. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen wordt het geluid beoordeeld. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Er is onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai incl. een oplegnotitie m.b.t. het verleggen van de inrit naar de parkeergarage (Bijlage 7 en Bijlage 8), hieruit blijkt dat er kan worden voldaan aan etfal en instructieregels. Conclusie De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met instructieregels voor geluid omdat er geen sprake is van een geluidgevoelig gebouw. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.8 Bodemkwaliteit Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.5 instructieregels voor bodemkwaliteit. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Voor een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden. Een goede kennis van de bodemgesteldheid is essentieel voor zowel een veilige bouw als het waarborgen van een gezonde leefomgeving. Tijdens de voorbereidingsfase zijn daarom uitgebreide bodemonderzoeken uitgevoerd die inzicht bieden in de geschiktheid van de locatie voor verbouw en de mogelijke risico's met betrekking tot bodemverontreiniging.
5.8.1 Bodemverontreiniging Het gehele terrein van GHZ, inclusief de beoogde locatie voor het Facilitair gebouw,is onderzocht op de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, zoals zware metalen, oliën en PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen). De belangrijkste bevindingen zijn: PFAS en andere stoffen: de aanwezigheid van PFAS is conform landelijke normen onderzocht. Saneringsmaatregelen om te voldoen aan de wettelijke eisen en om risico's voor mens en milieu te minimaliseren zijn niet nodig. Historische verontreinigingen: gezien de locatie is een bodemonderzoek op eventuele historische verontreinigingen niet noodzakelijk en er zijn dus geen significante belemmering voor de geplande verbouw. Draagkracht en stabiliteit: om de bouwveiligheid en structurele integriteit van het nieuwe ziekenhuis te garanderen, is de draagkracht van de bodem onderzocht: Sonderingen en draagkracht: er zijn sonderingen uitgevoerd om de draagkracht van de ondergrond vast te stellen. De resultaten tonen aan dat de bodem geschikt is voor het geplande ontwerp, mits funderingen worden aangebracht die rekening houden met de lokale omstandigheden. Stabiliteit: de stabiliteit van de bodem is beoordeeld, en er zijn geen significante risico's vastgesteld die de bouwplannen in gevaar zouden brengen.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
31 - 701
Veiligheid tijdens bouw: tijdens graafwerkzaamheden wordt standaard rekening gehouden met eventuele onvoorziene situaties, waarbij veiligheid vooropstaat. Aanpak en maatregelen Er zijn op basis van bestaande data bij de ODMH geen verdachte plekken bekend op het terrein van het Groene Hart Ziekenhuis wat betreft vervuilde bodem. Er vindt verder onderzoek plaats om te borgen dat de bodem daadwerkelijk daadwerkelijke aan de bodemklasse wonen voldoet. Het onderzoek geeft een beeld van de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het verdere bodemonderzoek zit procedureel gekoppeld aan de activiteit bouwen. Daarmee is voor wat betreft de ruimtelijke afwijking via de bopa procedure, er voldoende borging voor het onderdeel bodem. Daarmee is dit onderdeel voldoende onderbouwd en vormt het geen belemmering voor het verstrekken van de bopa. Conclusie De bodemkwaliteit van de projectlocatie voor het Facilitair gebouw biedt een solide basis voor de geplande nieuwbouw. De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met instructieregels voor bodemkwaliteit. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.8.2 Niet-gesprongen explosieven (NGE) Het GHZ ligt buiten het niet gesprongen explosievengebied. De ODMH geeft in haar QuickScan tevens aan dat uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Afbeelding Niet-Gesprongen Explosieven
5.8.3 Bodemdaling Gouda staat bekend om haar kwetsbaarheid voor bodemdaling, een proces dat wordt versneld door de zettingsgevoelige klei- en veenbodems in het gebied. Bij de ontwikkeling van de verbouwplannen van het GHZ is bodemdaling daarom een belangrijk aandachtspunt. Dit fenomeen heeft niet alleen gevolgen voor de stabiliteit van gebouwen en infrastructuur, maar ook voor de waterhuishouding en de lange-termijn duurzaamheidsambities van het project. Constructieve oplossingen Om de gevolgen van bodemdaling te beperken, worden diverse constructieve maatregelen genomen:
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
32 - 701
Diepe funderingen: de bouw wordt gefundeerd op diepe palen die rusten op een stabiele zandlaag. Dit voorkomt dat de gebouwen verzakken door de daling van de bovenste klei- en veenlagen. Flexibele infrastructuur: kabels, leidingen en andere ondergrondse voorzieningen worden zodanig aangelegd dat ze bestand zijn tegen mogelijke verzakkingen in de bodem. Watermanagement: er wordt extra aandacht besteed aan het afvoeren en opslaan van regenwater. Het terrein wordt ingericht met waterbergende voorzieningen om wateroverlast bij bodemdaling te voorkomen. Groene inrichting: het plan omvat groene zones met diepe wortelstructuren die de bodem stabiliseren en de wateropname bevorderen. Langetermijnbeheer: onderhoudsmaatregelen worden geïntegreerd in het beheerplan om de levensduur van de infrastructuur te verlengen en de impact van bodemdaling te minimaliseren. Conclusie Bodemdaling vormt een belangrijke uitdaging voor de ontwikkeling van de verbouw van het GHZ. Voor de realisatie van het Facilitair gebouw in stap 2 zijn geen concrete maatregelen nodig.
5.8.4 Algemene conclusie bodemkwaliteit De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met instructieregels voor bodemkwaliteit.
5.9 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De aangevraagde activiteiten zijn niet relevant voor duurzame verstedelijking, omdat er in het werkingsgebied geen sprake is van landschapswaarden of cultureel erfgoed. De aangevraagde activiteiten zijn wel relevant voor het aspect archeologie. Bepaling Omgevingsvergunning archeologie is nodig voor projecten waarvan de bodemverstorende ingrepen: groter zijn dan 100m2 en dieper dan 2 meter in het geval van bodemroering over oppervlaktes van groter dan 1 hectare en dieper dan 50 cm. Artikel Artikel 3.12 VFLO: Instandhoudingsplicht en omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen, art. 3.13 Indieningsvereiste. Het palenplan is gezien de bestaande palen in de ondergrond, de overspanningen over bestaande kabels en leidingen en de constructie voor het groene dak niet verder aan te passen. Hiermee is gezocht naar een balans tussen deze eisen en de mogelijkheid om archeologisch vriendelijk te bouwen. Archeologie Op de archeologische basiskaart valt het werkingsgebied waarop deze motivering van toepassing is gedeeltelijk onder gebied 'lage verwachting' en gedeeltelijk onder 'hoge verwachting vanaf 2 m onder maaiveld'.
De hoge verwachting vanaf 2 m onder maaiveld geldt voor archeologische waarden uit het Midden- en Laat Mesolithicum en Vroeg Neolithicum. Voor beide verwachtingsgebieden is een archeologisch beschermingsregime vastgesteld. Een archeologisch vooronderzoek in de vormvan een bureauonderzoek is uitgevoerd (Bijlage 9).
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
33 - 701
Afbeelding archeolgische basiskaart Conclusie Uit het bureauonderzoek blijkt dat de beoogde locatie van het Facilitair gebouw mogelijk archeologische resten bevat. Voor de aanleg van de funderingsconstructie (heipalen) geldt echter dat wanneer deze zonder ontgraving (dus heien of schroeven) worden aangebracht, de verstoring op eventuele archeologische waarden verwaarloosbaar klein is.
5.10 Ladder voor duurzame verstedelijking Uit artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Bkl valt op te maken dat ook bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de laddertoets moet worden doorlopen. Hoofstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5.4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g van het Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel 'zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand'. De ladder voor duurzame verstedelijking was tot 1 januari 2024 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de praktijk zijn de al bekende drie treden op een volgend nog steeds van toepassing: Het bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De omschrijving van stedelijk gebied is verwerkt in bijlage I bij het Bkl; en Bevat een omschrijving van de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; Wanneer een ontwikkeling in het buitengebied plaatsvindt, bevat de ladder een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk g ebied in die behoefte kan worden voorzien. Op 28 juni 2017 bundelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de hoogste bestuursrechter) alle uitspraken over de ladder.
Ook een uitbreiding van een bestaande stedelijke ontwikkeling kan, mits voldoende substantieel, worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Om te kunnen spreken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet het gaan om een wijziging die een groter planologisch beslag op de ruimte legt. Interpretatie voor het gehele plan Het totaal plan van route 31 is een substantieel plan. In die zin is er sprake van een stedelijke ontwikkeling wat betreft de ladder duurzame verstedelijking. De daaropvolgende vraag brengt de behoefte in beeld. Een ziekenhuis in Gouda is er en blijft de behoefte en deze is en blijft op de bestaande locatie met eenzelfde behandelcapaciteit. De aangevraagde activiteiten voor geheel route 31, zijn relevant voor duurzame verstedelijking. Tevens is er sprake is verduurzaming van
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
34 - 701
bestaand maatschappelijk vastgoed. Dit alles binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met instructieregels voor duurzame ontwikkeling, omdat deze plaatsvinden in het kader van het project Route 31, een proces van verduurzaming van de maatschappelijke functies van het ziekenhuisterrein en haar vastgoed. De ontwikkeling draagt voor het aspect duurzame verstedelijking dus bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De verduurzaming betreft uiteindelijk het gehele vastgoed van GHZ, maar daarvoor is een gefaseerde aanpak noodzakelijk. De activiteiten waarop deze motivering toeziet is een eerste noodzakelijk stap in het proces. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.11 Mobiliteit en parkeren Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Ook wordt in beeld gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte. De aangevraagde activiteiten zijn relevant voor mobiliteit en parkeren, omdat er sprake is het aanpassen van verkeersbewegingen op het terrein en van de aansluiting van het eigen terrein op het omliggende wegennet. Tevens zijn de consequenties voor de verkeersveiligheid op en rondom het terrein in beeld gebracht.
5.11.1 Verkeerskundige aspecten Onderzoek Voor het initiatief is onderzoek uitgevoerd: Verkeerskundig advies herontwikkeling Groene Hart Ziekenhuis. Verkeerskundige beschouwing van ontwerpen t.b.v. route 31. Goudappel, 17 januari 2025 (bijgesloten in Bijlage 10) Voor het onderzoek en de uitkomsten wordt verwezen naar het rapport. Het onderzoek is uitgevoerd voor het gehele ziekenhuisterrein, en niet specifiek voor het werkingsgebied van deze motivering. De conclusies zijn onderstaand samengevat. De gemeente heeft een verkeerscirculatieplan opgesteld. In de stappen die door het Groene Hart Ziekenhuis worden gerealiseerd worden enkel inritten verschoven. Dat heeft geen invloed op het verkeerscirculatieplan. Conclusie Het verkeerskundig advies geeft inzicht in de verkeerskundige consequenties van de aanpassingen als gevolg van Route 31 op zowel het omliggende wegennet als op het ziekenhuisterrein zelf. De verduurzaming van het terrein brengt diverse verkeerskundige ingrepen mee, die in het advies van ontwerpen, toetsing en adviezen zijn voorzien. Daaruit is af te leiden dat er na realisatie van Route 31 sprake is van een geoptimaliseerde verkeerskundige situatie. Voor de activiteiten waarop deze bopa toeziet betekent dit eveneens dat er sprake is van een verbeterde verkeerskundige situatie.
Wel moet in ogenschouw worden genomen dat met de realisatie van deze Stap 2 er sprake is van een tussentijdse situatie. De activiteiten in deze fase zijn noodzakelijk om daarna de verduurzaming door te voeren in stappen 3 en 4. Ook de realisatie van de activiteiten op het buitenterrein zijn dus een tussentijdse situatie.
5.11.2 Parkeren De activiteiten waarop deze motivering betrekking heeft, hebben geen gevolgen voor de parkeersituatie op het terrein van het GHZ. Het betreft een verplaatsing van huidige functies. Het onderzoek van Goudappel toont tevens aan dat ook op de lange termijn (Route 31) het benodigde parkeeraanbod voldoet. De fietsenstalling aan de noordzijde van het GHZ terrein welke vervalt voor het aanpassen van de in- uitrit en het realiseren van het facilitaire gebouw is een tijdelijke voorziening geweest. Deze tijdelijke fietsenstalling is functioneel en
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
35 - 701
wat betreft capaciteit niet vereist. Deze is destijds blijven staan omdat er een zeer beperkt aantal personeelsleden van het GHZ gebruik van maakten. Deze behoefte vervalt met de ingebruikname van het facilitaire gebouw. Ook is er genoeg capaciteit beschikbaar voor deze fietsen in de bestaande ondergrondse fietsenstalling. In de ondergrondse fietsenstalling van het GHZ nabij de hoofdentree is gemiddeld 20% capaciteit beschikbaar. Dit vertegenwoordigd circa 90 fietsplekken. Hiermee is er een afdoende alternatief voor de 10 à 12 fietsen die dagelijks staan in de tijdelijke fietsenstalling aan de noordzijde van het GHZ terrein.
5.11.3 Bereikbaarheid hulpdiensten Bij de verbouw van het GHZ wordt voortdurend aandacht besteed aan de bereikbaarheid van hulpdiensten, zoals de brandweer en ambulances. Het ziekenhuis speelt een cruciale rol in de regionale gezondheidszorg en moet te allen tijde optimaal toegankelijk zijn voor hulpverleners. De plannen voldoen aan alle wettelijke normen en zijn afgestemd met de relevante instanties, waaronder de brandweer en gemeentelijke diensten. Het ontwerp van het GHZ garandeert een optimale bereikbaarheid voor hulpdiensten onder alle omstandigheden. Door ruime draaicirkels, strategische watervoorzieningen en korte responstijden wordt niet alleen de veiligheid van het ziekenhuis gewaarborgd, maar ook die van de omliggende gemeenschap. Dit maakt het GHZ een voorbeeld van moderne en hulpdienstvriendelijke infrastructuur. Door een combinatie van slimme infrastructuur, zichtbare veiligheidsmaatregelen en een integrale benadering van verkeersveiligheid, zorgt het GHZ voor een veilige en efficiënte verkeerssituatie. Het project draagt niet alleen bij aan de veiligheid van gebruikers van het ziekenhuis, maar ook aan de leefbaarheid en bereikbaarheid van de omliggende omgeving.
5.11.4 Conclusie mobiliteit en parkeren De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met provinciale instructieregels voor mobiliteit en parkeren. De ontwikkeling draagt voor het aspect mobiliteit en parkeren bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.12 Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot ecologie. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden aangetoond wat het effect is op flora en fauna en natuurgebieden. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bopa voor het toelaten van een nieuwe ontwikkeling is ecologie van belang in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast een omgevingsvergunning voor de bopa kan een omgevingsvergunning nodig zijn voor een flora- en fauna-activiteit en/of een Natura 2000-activiteit. De provinciale omgevingsverordening bevat geen relevante instructieregels die op dit initiatief betrekking hebben op stap 2. De aangevraagde activiteiten zijn relevant voor ecologie (flora en fauna en natuurgebieden), omdat er in de omgeving sprake is van Natura 2000 en NNN gebieden. Binnen het werkingsgebied zelf is geen sprake van structureel groen. De groene berm van de Büchnerweg ligt in de bestemming Verkeer. Daar waar een aanpassing van de in- en uitrit van het ziekenhuisterrein naar de Büchnerweg is geprojecteerd, past dat dus binnen de toegestane activiteiten.
Onderzoek Voor het initiatief is onderzoek uitgevoerd: Ecologische quickscan Groen hart Ziekenhuis, Averti Advies, 20 december 2024 (toegevoegd in Bijlage 11). Voor het onderzoek en de uitkomsten wordt verwezen naar het rapport. Het onderzoek is uitgevoerd voor het gehele ziekenhuisterrein, en niet specifiek voor het werkingsgebied van deze motivering. De conclusies zijn onderstaand samengevat.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
36 - 701
Conclusie onderzoek terrein GHZ Bebouwingscontour houtkap: gezien het plangebied zich binnen de bebouwingscontour houtkap aansluitend aan stedelijk gebied bevindt, is het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet voor dit project niet van toepassing. Natura-2000: vanwege de lokale aard van de werkzaamheden zijn de effecten op het gebied van geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Het is noodzakelijk om stikstofberekening uit te laten voeren om het mogelijke effect van de beoogde ingrepen op de stikstofdepositie te duiden. Dit betreft de voortoets. Indien daaruit volgt dat intern salderen noodzakelijk is dan is een passende beoordeling nodig. Zie paragraaf 5.5 voor het stikstofonderzoek. Intern en/of intern salderen is niet noodzakelijk. Het initiatief heeft geen negatieve impact op Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland: gezien er ten gevolge van de werkzaamheden geen oppervlakte van het NNN verloren gaat, worden verder geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van het NNN. Beschermde soorten: in de directe omgeving van het plangebied zijn individuen of verblijfplaatsen van diverse beschermde of bedreigde soorten aangetoond, of kunnen deze hier worden verwacht.
Voor de realisatie van het Facilitair gebouw worden echter geen negatieve effecten verwacht op beschermde of bedreigde soorten als gevolg van de beoogde ingrepen. Voor toekomstige stappen in het plan Route 31 kunnen negatieve effecten op een aantal beschermde of bedreigde soorten als gevolg van de beoogde ingrepen daarentegen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied als verblijfplaats en vliegroute door diverse soorten vleermuizen is in de toekomst noodzakelijk. Vergunningsprocedures Voor de verbouw van het GHZ wordt een passende beoordeling uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De verbouw van het GHZ houdt zorgvuldig rekening met de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden en de stikstofgevoeligheid van de omgeving. Dankzij een grondige impactanalyse, emissiebeperkende maatregelen en ecologische inpassingen wordt voorkomen dat de bouw en het gebruik van het ziekenhuis een negatieve invloed hebben op waardevolle natuur. Dit onderstreept de inzet van het GHZ voor een duurzame en natuurvriendelijke ontwikkeling. De aangevraagde activiteiten waarop deze bopa toeziet zijn in overeenstemming met provinciale instructieregels voor ecologie.
De ontwikkeling draagt voor het aspect ecologie bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er geen belangen vanuit de natuurbescherming in het geding zijn. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.13 Licht en windhinder Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot licht en windhinder anders dan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines. Niettemin zijn voldoende zonlicht en schaduw aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Lichthinder is een thema dat de gemeente moet afwegen. Het Bkl bevat geen instructieregels voor lichthinder. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt (daglichttoetreding). Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden moeten worden met licht en windhinder.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
37 - 701
De aangevraagde activiteiten zijn relevant voor lichthinder en niet voor windhinder, bezonning en schaduw, omdat er sprake is van gebouw- en terreinverlichting, maar niet van een hoog gebouw dat de bezonning, beschaduwing of windsituatie in de omgeving beïnvloed. Conclusie De aangevraagde activiteiten zijn in overeenstemming met provinciale instructieregels voor licht en windhinder, omdat bij de realisatie van het Facilitair gebouw zorgvuldig aandacht is besteed aan de invloed van verlichting op de omgeving. Zowel functioneel als esthetisch is gestreefd naar een balans tussen de noodzakelijke verlichting voor veiligheid en gebruik, en het minimaliseren van lichthinder voor omwonenden en de natuurlijke omgeving. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
38 - 701
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij het toevoegen van een nieuwe functie aan een locatie moet beoordeeld worden of de nieuwe functie uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is en of er objectieve belemmeringen zijn, waarvan op voorhand aannemelijk is dat die niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen. Alleen als evident is dat een functie onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven. In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin kostenverhaal is geregeld. Conclusie uitvoerbaarheid Geconcludeerd kan worden dat voor Gouda maatschappelijk zeer gewenst is dat het ziekenhuis blijft en dat de huisvesting voldoet aan de noodzakelijke (toekomstige) eisen. Daarnaast heeft het ziekenhuis haar businesscase herijkt om de noodzakelijke financiering te kunnen verkrijgen. Daarmee kan gesteld worden dat met de kennis van nu de realisatie van een Facilitair gebouw, als onderdeel van de uitvoering van Stap 2 van het plan Route 31, uitvoerbaar is.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
39 - 701
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
40 - 701
Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of de aangevraagde activiteiten kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving ten gevolge van de activiteiten op de locatie. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de aangevraagde activiteiten kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante omgevingsaspecten onderzocht en gewogen. Het initiatief heeft betrekking op het verplaatsen van een bestaande functie op het terrein van het GHZ: het Facilitair gebouw (gebouw Q). Het relevante beleid en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de aangevraagde activiteit(en) kunnen worden vergund met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Samengevat: 1. De volgende activiteiten zijn getoetst: a. De (omgevingsplan)activiteit verlenen van gezondheidszorg (bedrijven en instellingen in de gezondheidszorg)maatschappelijke voorzieningen en nutsvoorzieningen.
Het Facilitair gebouw is een ondersteunende functie ten behoeve van het kunnen verlenen van gezondheidszorg. De overige functies die met Stap 2 maken geen deel uit van deze aanvraag of zijn in planologische overeenstemming met het omgevingsplan en vallen daarmee onder categorie 1. Er is voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning planologische gebruiksactiviteit nodig. b. De (omgevingsplan)activiteit bouwen ruimtelijk. Het bouwen van het facilitaire gebouw vindt plaats buiten het bouwvlak. Er is geen binnenplanse afwijking (opa) opgenomen in het omgevingsplan. Deze activiteit valt in categorie II want is niet in overeenstemming met het omgevingsplan en er wordt een omgevingsvergunning bopa aangevraagd. c. De (omgevingsplan)activiteit verrichten van werken en werkzaamheden. Er is een omgevingsvergunning (opa) nodig voor het verrichten van werken en werkzaamheden op het buitenterrein van het ziekenhuis. d. De (omgevingsplan)activiteit bouwen binnen de veiligheidscontour - bevi. Er worden geen kwetsbare of zeer kwetsbare objecten gebouwd. Het Facilitair gebouw is niet bedoeld voor niet zelfredzame personen. Derhalve kan de bouwactiviteit en het gebruik van het Facilitair gebouw plaatsvinden binnen de veiligheidscontour. De functies die met Stap 2 mogelijk worden gemaakt zijn overeenstemming met het omgevingsplan en vallen daarmee onder categorie 1.
Er is geen omgevingsvergunning nodig. e. De (omgevingsplan)activiteit voor het verplaatsen van de inrit van de parkeergarage. De functie van de inrit is toegestaan in het omgevingsplan. Voor het verplaatsen van de inrit vinden sloop- en aanlegwerkzaamheden plaats. Daarvoor wordt een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (opa) worden aangevraagd. f. Het realiseren van het Facilitair gebouw met daarin diverse ondersteunende functies voor het ziekenhuis, het aanleggen van het vrachtwagen rangeerterrein en het milieuplein voor opslag diverse soorten afval zijn planologisch in overeenstemming met het omgevingsplan. Maar er is wel een omgevingsvergunning (opa) nodig voor de milieubelastende activiteit. Dit zal worden afgestemd met de Omgevingsdienst. g. De realisatie van een erf- en terreinafscheiding. Ter afscherming van het milieuplein is er een muur met een hoogte van 2,00 meter noodzakelijk. Het omgevingsplan geeft aan dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1 meter op de gronden voor de naar de openbare weg gekeerde gevel en voor het overige 2 meter. Deze activiteit maakt geen onderdeel uit van de aanvraag en behoeft niet te worden voorzien van een etfal-motivering. 2. Getoetst is aan het beleidskader. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het relevante beleid van het rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap. 3.
Getoetst is aan Afdeling 5.1 van het Bkl, Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieruit blijkt dat het realiseren van een Facilitair gebouw bijdraagt aan het verduurzamen van het GHZ. Dit
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
41 - 701
4. 5. 6. 7.
8.
is nodig om het ziekenhuis af te stemmen op de veranderende zorgvraag en ook in de toekomst de zorgvraag van stad en regio adequaat te kunnen vervullen. Het nu te vergunnen Facilitair gebouw is een essentiële stap om in de komende jaren ook de overige fasen te kunnen realiseren. Daarmee wordt concreet invulling gegeven aan Route 31, maar blijft er tevens ruimte beschikbaar om tussen 2031 en 2039 door te werken aan de overige stappen in de verduurzaming. Getoetst is aan de instructieregels van de provincie. Hieruit blijkt dat er geen activiteiten worden vergund die strijdig zijn met deze instructieregels. De vergunning voor de aangevraagde activiteiten onder 1. kan gelet op het bovenstaande worden verleend. Vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten 'bouwen binnen de veiligheidscontour - bevi' is mogelijk onder de voorwaarde dat de veiligheidscontour-bevi zelf niet wordt gewijzigd. De contour wordt niet gewijzigd. Verlening van de omgevingsvergunning voor de bopa betekent, gelet op het bepaalde in artikel 4.17 en artikel 22.5 van de Omgevingswet, dat het omgevingsplan op basis hiervan moet worden geactualiseerd. Deze actualisatie vindt in 1 keer plaats voor het gehele terrein van GHZ, dus nadat de vergunningverlening voor fasen 1 tot en met 4 is afgerond.
Conclusie: De aangevraagde activiteiten kunnen worden vergund met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldoen aan het beoordelingskader voor de bopa.
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
42 - 701
Bijlagen bij motivering
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
43 - 701
Bijlage 1
Memo groen dak
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
44 - 701
Onderwerp: Groen dak facilitair gebouw Q Project: Groene Hart Ziekenhuis Datum: 15-05-2025
Opgesteld door: Groene Hart Ziekenhuis, Vakwerk Architecten, Copijn Landschapsarchitecten Aan: Gemeente Gouda
Groen dak facilitair gebouw Q Het Groene Hart Ziekenhuis is voornemens om op het dak van het nieuwe facilitair gebouw (gebouw Q) een groen dak met waterberging te realiseren. Het realiseren van een groen dak brengt meerdere voordelen met zich mee: - Het groene dak draagt bij aan het tijdelijk vasthouden van water binnen de gehele waterbergingsopgave van het Groene Hart Ziekenhuis in de situatie 2031 - Het draagt bij aan een verhoogde levensduur van de dakbedekking - Verkoeling van de installaties en van de verdieping eronder: een koeler binnenklimaat in de zomer en een warmer binnenklimaat in de winter - De lokale biodiversiteit wordt vergroot omdat er meer plek wordt gecreëerd voor insecten om te kunnen leven. Hier profiteren weer verschillende vogelsoorten van - Vanuit de hogere verdiepingen van het ziekenhuis kijkt men uit op een groen dak wat de beleving van groen vergroot In onderstaand overzicht worden de specificaties van het groene dak verder toegelicht. Dakopbouw - Mos/sedum - Daktuinsubstraat t.b.v. plantvak (150 mm) - Drainagesysteem - Dakbedekking (dubbellaags, vol en zat verkleefd volgens spec. leverancier). Bij voorkeur aangebracht op betondek of afsmeerlaag. - Betondek (warm dak/koud dak)
Beeld mos/sedumdak
Afwatering - Afschot is 1,5%) - Voldoende afvoeren: minimaal 2 afvoeren per dakvlak met noodoverstort - Zonder retentiekratten, dus beregening is een vereiste Hoeveelheid waterberging op het dak - Oppervlakte dak: 1124 m2 - Waterbufferend vermogen dak: 77,8 L/m2 (12 + 60 + 5,8) - Totale waterberging op het dak: 77,8 x 1124 = 87 m3 - Komt overeen met afgerond 8cm water op het dak
2
Bijlage 2 Brandveiligheid - aanvraag omgevingsvergunning
(concept) Motivering bopa Groene Hart Ziekenhuis Fase 2 NL.IMRO.0512.ON05-0001
47 - 701
19 maart 2025
GHZ Bouwdeel Q Bleulandweg 10 Gouda Brandveiligheid - Aanvraag omgevingsvergunning Status: Definitief Versie: 2.0
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van de klant. In het geval dat deze publicatie in opdracht is uitgegeven, gelden alle rechten en plichten volgens de Nederlandse DNR 2011, of, indien er een overeenkomst is tussen de betreffende partijen, is deze overeenkomst van toepassing.
19 maart 2025
GHZ Bouwdeel Q Bleulandweg 10 Gouda Brandveiligheid - Aanvraag omgevingsvergunning Status: Definitief Versie: 2.0
Auteur Gecontroleerd door Uitgegeven door
Benno Geerdink Adviseur brandveiligheid René van de Beek Adviseur brandveiligheid Anwar Hassan Projectdirecteur
Contactpersoon Benno Geerdink +31 6 11 79 66 16 benno.geerdink@deerns.com Deerns Nederland B.V. Zwolle, 19 maart 2025
3 / 29 06843.0310
18 maart 2025
BGe
19 maart 2025
RvdB
19 maart 2025
AHa
Managementsamenvatting In deze rapportage, die is opgesteld in opdracht van het Groene Hart Ziekenhuis, wordt ingegaan op de brandveiligheid van de verbouw van het Groene Hart Ziekenhuis aan de Bleulandweg 10 te Gouda. De rapportage is opgesteld ten behoeve van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Toetskader Deze rapportage bevat een overzicht en verantwoording van de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische voorzieningen die nodig zijn om te voldoen aan de verbouwvoorschiften van het Besluit bouwwerken leefomgeving, publicatiedatum 1 januari 2025. Daarnaast wordt in deze rapportage ingegaan op de aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen die op basis van private eisen in de verbouwing zijn voorzien. Het gaat daarbij om de eis voor aanwezigheid van een brandmeldinstallatie aangelegd volgens het principe van ‘volledige bewaking’. Projectomschrijving en uitgangspunten De verbouwing betreft de 2e stap in een gefaseerd meerjarig traject van nieuwbouw, verbouw en uitbreiding van het bestaande ziekenhuis. De voorliggende fase (stap 2) betreft verbouw, de realisatie van een nieuw bouwdeel, een facilitair gebouw, bouwdeel Q (verbouw, uitbreiding van bouwdeel F). Bouwdeel Q heeft een gebruiksoppervlakte van circa 910 m² en 1 bouwlaag (begane grond) met onderliggende (leiding)kelder/kruipruimte.
De (leiding)kelder/kruipruimte ligt op -1,87 meter onder meetniveau, de hoogste bouwlaag ligt op het meetniveau. In het gebouw is sprake van aanwezigheid van kantoor-, industrie, bijeenkomst- en overige gebruiksfuncties. In bouwdeel Q is sprake van een maximale gelijktijdige bezetting van 35 personen. Bouwdeel Q is direct verbonden met een deel van de begane grond van het bestaande bouwdeel F. Constructieve brandveiligheid Voor de draagconstructies van het gebouw gelden eisen aan de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken bij brand. Door de constructeur dient bepaald te worden of, en zo ja, welke maatregelen aan de draagconstructies noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen. Voor bouwdeel Q is conform opgave van de constructeur uitgegaan van een te realiseren weerstand tegen bezwijken van 90 minuten. Voor bouwdeel Q is dit onder andere gedaan om het in de toekomst mogelijk te maken om (extra) bouwlagen boven op de begane grond te realiseren. Beheersbaarheid van brand en rook Bouwdeel Q wordt nader ingedeeld in brandcompartimenten volgens de prestatie-eisen van het Bbl. Voor de brandcompartimenten wordt een WBDBO-eis van ten minste 60 minuten gehanteerd. Daarnaast geldt aanvullend voor de inwendige scheidingen een WRD-eis van Ra tussen de verschillende brandcompartimenten.
Met brandoverslagberekeningen conform NEN 6068 is vastgesteld dat in (een deel van) de gevels van bouwdeel Q brandwerende voorzieningen nodig zijn. De brandcompartimenten worden niet nader ingedeeld in (beschermde) subbrandcompartimenten. Elk brandcompartiment is tevens een subbrandcompartiment.
4 / 29 06843.0310
Veilig vluchten Bouwdeel Q bevat 1 bouwlaag. De brandtechnische indeling van het gebouw is zodanig opgezet dat binnen 30 m een uitgang van het gebouw en of uitgang van het subbrandcompartiment kan worden bereikt. In een deel van bouwdeel Q is sprake van samenvallende vluchtroutes. In (de verblijfsruimten die grenzen aan) deze ruimten is automatische branddetectie t.b.v. een tijdige alarmering van aanwezigen voorzien. Alle aanwezige personen in bouwdeel Q worden geacht zelfredzaam te zijn. Om die reden is niet voorzien in specifieke organisatorische maatregelen. Brandveiligheidsinstallaties Bouwdeel Q wordt voorzien van de volgende brandbeveiligingsinstallaties: • Een brandmeldinstallatie (BMI) met volledige bewaking, met doormelding naar de RAC en met inspectiecertificaat; • Een ontruimingsalarminstallatie (OAI) luidalarm type B, met inspectiecertificaat; • Draagbare blustoestellen; • Noodverlichting; • Vluchtrouteaanduidingen; • Brandslanghaspels. De uitgangspunten voor de BMI en OAI in bouwdeel Q dienen voorafgaand aan de aanleg vastgelegd te worden in een nog op te stellen (nota van aanvulling op het) Programma van Eisen (PvE).
Brandweerinzet Om een adequate brandweerinzet mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de volgende voorzieningen op het eigen terrein en de openbare weg: • Bluswatervoorziening in de vorm van een ondergrondse brandkraan; • Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen; • Een verbindingsweg. Voor de brandweerinzet wordt gebruik gemaakt van de openbare bluswatervoorzieningen rondom het terrein. Brandweervoertuigen kunnen hierbij of op de openbare weg of op de (verbindings)wegen van het terrein van het Groene Hart ziekenhuis worden geparkeerd. In bouwdeel Q worden géén aanvullende voorzieningen aangebracht ten behoeve van de mobiele communicatie tussen de hulpverleningsdiensten in en buiten het gebouw. Overige aandachtspunten De realisatie van bouwdeel Q betreft de 2e stap van een gefaseerd proces (route ’31) waarbij nieuwe bouwdelen worden gerealiseerd en bestaande bouwdelen worden verbouwd of verwijderd om plaats te maken voor nieuwe bouwdelen. Voor een aantal aspecten is in deze beoordeling derhalve reeds rekening gehouden met de eventuele impact van bouwdeel Q op toekomstig te realiseren/verbouwen bouwdelen.
06843.0310
5 / 29
Inhoud Managementsamenvatting
4
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Inleiding Leeswijzer Gehanteerde gegevens Toetskader Gebruiksmelding Demarcatie (Voor)overleg Versiebeheer
8 8 8 11 12 12 12 12
2 2.1 2.2
Gebouwopzet Situatie Gebouwomschrijving
13 13 13
3 3.1 3.2 3.3
Constructieve brandveiligheid Bouwconstructie Vluchtroutes Standzekerheid brandwerende scheidingen bij brand
15 15 15 15
4 4.1 4.2
Ontstaan en ontwikkeling van brand en rook Binnen- en buitenoppervlak Schacht, koker of kanaal
16 16 17
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Beheersbaarheid van brand en rook Brandcompartimentering Subbrandcompartimentering Beschermde subbrandcompartimentering Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag Weerstand tegen rookdoorgang
18 18 18 18 19 20
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8
Veilig vluchten Ontvluchtingsprincipe Vluchten binnen een subbrandcompartiment Aantal en status vluchtroutes Capaciteit vluchtroutes WBDBO en WRD vluchtroutes Specifieke inrichtingseisen vluchtroutes Deuren in vluchtroutes Hulp bij ontruiming bij brand
22 22 22 22 22 22 22 23 23
7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
Brandbeveiligingsinstallaties Brandslanghaspels [BSH] Draagbare blustoestellen [DBT] Droge blusleidingen [DBL] Brandweerlift [BWL] Noodverlichting [NV]
24 24 24 24 24 24
6 / 29 06843.0310
7.6 7.7 7.8
Vluchtrouteaanduiding [VRA] Brandmeldinstallatie [BMI] Ontruimingsalarminstallatie [OAI]
25 25 25
8 8.1 8.2 8.3
Brandweerinzet Bluswatervoorziening Brandweeringangen Opstelplaats en bereikbaarheid
26 26 26 26
Bijlage B1 Brandoverslagberekeningen
27
Bijlage B2 Voorzieningen Brandweerinzet
28
06843.0310
7 / 29
1 Inleiding In opdracht van het Groene Hart Ziekenhuis is ten behoeve van de aanvraag van de omgevingsvergunning een brandveiligheidsbeoordeling uitgevoerd voor realisatie van bouwdeel Q. Het betreft hier verbouw (uitbreiding in de vorm van een nieuw bouwdeel Q) voor het Groene Hart Ziekenhuis aan de Bleulandweg 10 te Gouda. De resultaten van deze beoordeling zijn in deze rapportage beschreven.
1.1
Leeswijzer
Dit rapport is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2 bevat een korte beschrijving van het gebouw en het beoogde gebruik; • Hoofdstuk 3 bevat een beoordeling van de constructieve brandveiligheid; • Hoofdstuk 4 beschrijft welke maatregelen genomen (moeten) worden om het ontstaan en de ontwikkeling van brand en rook te beperken; • Hoofdstuk 5 beschrijft maatregelen voor het (verder) beperken van het uitbreiden van brand en verspreiden van rook; • Hoofdstuk 6 bevat een analyse over het veilig kunnen vluchten van personen; • Hoofdstuk 7 beschrijft de noodzakelijke brandbeveiligingsinstallaties; • Hoofdstuk 8 beschrijft de voorzieningen voor een brandweerinzet.
1.2
Gehanteerde gegevens
Voor de brandveiligheidsbeoordeling zijn de navolgende REVIT- aspectmodellen en (digitale) tekeningen van Aronsohn, Vakwerk architecten en Deerns gebruikt, zoals vermeld in tabel 1.2.1 en
8 / 29
06843.0310
tabel 1.2.2. Tabel 1.2.1 Gehanteerde modellen Referentie
Omschrijving
Datum
BLW10-Bestaand -C--R25.RVT
Constructief Revit model bestande situatie | Aronsohn
10-03-2025
BLW10-Q--C--R25.RVT
Constructief Revit model bouwdeel Q | Aronsohn
21-02-2025
BLW10-MP-B--R25.RVT
Bouwkundig Revit model Masterplan | Vakwerk
17-03-2025
BLW10-MP-OM-R25.RVT
Bouwkundig Revit model Masterplan | Vakwerk
10-03-2025
BLW10-Q--B--R25.RVT
Bouwkundig Revit model bouwdeel Q | Vakwerk
17-03-2025
BLW10-X--B--R25.RVT
Bouwkundig Revit model bouwdeel X | Vakwerk
17-03-2025
BLW10-MP-EW-R25.RVT
Installatie- & brandtechnisch Revit model | Deerns
18-03-2025
06843.0310
9 / 29
Tabel 1.2.2 Gehanteerde tekeningen Referentie
Omschrijving
Datum
BLW10-MP-B1---2b2
Situatie incl. milieuplein
19-03-2025
BLW10-F--B1--00
Plattegrond begane grond gebouw F - P=0
19-03-2025
BLW10-Q--B1--K1
Plattegrond kelder -1 gebouw Q, P=1870-
19-03-2025
BLW10-Q--B1--00
Plattegrond begane grond gebouw Q, P=0
19-03-2025
BLW10-Q--B1--01
Plattegrond 1e verdieping gebouw Q, P=3600+
19-03-2025
BLW10-Q--B6-----001
Gevel aanzichten gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B7-----001
Doorsnede Q1, Q2 en Q3 gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B8-----001
Principe details gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B8-----002
Detail overzicht gevels gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B8-----003
Geveldoorsnede 1, gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B8-----004
Geveldoorsnede 2, gebouw Q
19-03-2025
BLW10-Q--B9-----600
Kozijnstaat exterieur
19-03-2025
BLW10-Q--B9-----650
Kozijnstaat interieur
19-03-2025
BLW10-Q--B9-----710
Gebruiksfuncties gebouw Q
19-03-2025
Daarnaast is gebruik gemaakt van de gegevens zoals vermeld in tabel 1.2.3. Tabel 1.2.3 Gehanteerde gegevens
10 / 29
Referentie
Omschrijving
Datum
n.v.t.
-
-
06843.0310
1.3
Toetskader
1.3.1 Publiekrechtelijke bouwregelgeving Voor bouwdeel Q (uitbreiding bestaande bouwdeel F) gelden de verbouweisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De publicatiedatum van 1 januari 2025 van het Bbl is gehanteerd. Verbouweisen De verbouweisen houden kort samengevat in, dat het kwaliteitsniveau na verbouw niet lager mag zijn dan het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing (dus het huidige kwaliteitsniveau), voor zover dat kwaliteitsniveau rechtmatig tot stand is gekomen. In specifieke gevallen verlangt het Bbl, voor onderdelen die worden aangepast, dat het kwaliteitsniveau wordt verhoogd bij de verbouwing. Het huidige kwaliteitsniveau is rechtmatig als het volgens afgegeven vergunningen is gerealiseerd en eventuele vergunningsvrije verbouwingen zijn gerealiseerd volgens de op dat moment geldende voorschriften. Indien het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager is dan het niveau voor bestaande bouw, gelden de eisen op niveau voor bestaande bouw als ondergrens. Als het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het nieuwbouwniveau, gelden de nieuwbouweisen als bovengrens. Een hoger kwaliteitsniveau mag wel, maar kan niet door het bevoegd gezag worden verlangd. In figuur 1.1 is het vereiste niveau bij verbouw schematisch weergegeven.
Figuur 1.1 Kwaliteitsniveau bij verbouw
De verbouwvoorschriften gelden in basis alleen voor die delen van het gebouw die onderwerp zijn van de verbouwing. Dus de delen die daadwerkelijk worden aangepast. Op gebouwdelen die geen onderwerp zijn van de verbouwing, is het eisenniveau voor bestaande bouw van toepassing. Nieuwbouweisen Ondanks dat bouwdeel Q formeel beoordeeld kan worden als verbouw (uitbreiding van bouwdeel F) is, vanuit de ambitie een toekomstbestendig ziekenhuis te realiseren, voor brandveiligheid bouwdeel Q getoetst aan de brandveiligheids(prestatie)voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), niveau nieuwbouw.
06843.0310
11 / 29
Gebruik De gebruiker dient het gebouw te gebruiken in overeenstemming met de gebruiksvoorschriften van hoofdstuk 6 van het Bbl. Omgevingsplan Het ontwerp van bouwdeel Q is getoetst aan de stedenbouwkundige brandveiligheidsvoorschriften uit het Omgevingsplan van de gemeente Gouda (publicatiedatum 26 juni 2024). 1.3.2 Private eisen Naast de wettelijke eisen is de volgende private eis van toepassing: - Beperken van impact van brand op de bedrijfscontinuïteit. Dit vertaalt zich de navolgende aanvullende eis van het Groene Hart Ziekenhuis: - Aanwezigheid van een brandmeldinstallatie aangelegd volgens het principe van volledige bewaking om daarmee snel te kunnen acteren/reageren in geval van (automatische detectie van0 brand; Het ontwerp van bouwdeel Q is ook getoetst aan deze aanvullende private eis.
1.4
Gebruiksmelding
Voor het gebruik van bouwdeel Q hoeft geen gebruiksmelding gedaan te worden.
1.5
Demarcatie
De brandveiligheidsbeoordeling heeft betrekking op bouwdeel Q in de huidige context. Hierbij is wel al (vooruit) gekeken naar de komende fasen van de nieuw- en verbouw van het ziekenhuis.
1.6
(Voor)overleg
Over bouwdeel Q heeft op 12 maart 2025 één (voor)overleg plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Hollands Midden en de omgevingsdienst Midden Holland).
1.7
Versiebeheer
Tabel 1.7.1 Versiebeheer
12 / 29
Versie
Datum
Auteur(s)
Omschrijving
v0.1
2024-11-25
Benno Geerdink
1e concept t.b.v. interne review.
v1.0
2024-11-29
Benno Geerdink
Definitief t.b.v. externe review.
v2.0
2025-03-19
Benno Geerdink
Definitief t.b.v. aanvraag omgevingsvergunning bouwdeel Q
06843.0310
2 Gebouwopzet 2.1
Situatie
Bouwdeel Q wordt gerealiseerd aan de Bleulandweg 10 te Gouda (zie figuur 2.1).
Figuur 2.1 Situatietekening met weergave positie bouwdeel Q
2.2
Gebouwomschrijving
De belangrijkste kenmerken van bouwdeel Q zijn opgenomen in tabel 2.2.1 Tabel 2.2.1 Belangrijkste gebouwkenmerken Aspect
Kenmerken bouwdeel Q
Totale gebruiksoppervlakte
circa 910 m²
Aantal bouwlagen
2: (leiding)kelder en begane grond.
Hoogste vloer gebruiksgebied
0,0 m + meetniveau (begane grond)
Laagste vloer gebruiksgebied
0,0 m + meetniveau (begane grond)
Gebruiksfuncties (zie ook tekening architect met kenmerk BLW10-Q--B9-----710)
• • • •
Maximale bezetting1)
Totale gebouw: 35 personen
Bijeenkomstfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Overige gebruiksfunctie
1
In verband met wisselend gebruik is de som van de maximale bezetting per ruimte niet persé gelijk aan de maximale gelijktijdige bezetting van het bouwdeel als geheel.
06843.0310
13 / 29
Bouwdeel Q Bouwdeel Q betreft 1 bouwlaag zonder trappen. Op meerdere plaatsen in bouwdeel Q zijn uitgangen aanwezig waardoor het omliggende terrein kan worden bereikt. Milieuplein Ten westen van bouwdeel Q bevindt zich een milieuplein. Op dit terrein staat een bronpomp en zijn milieu-, bouwafval-, hout- en glascontainers aanwezig. Ook staan hier 3 perscontainers opgesteld voor respectievelijk restafval, PMD en karton. Tot slot is er een overdekt deel waar sprake is van een opstelruimte voor oud ijzer en elektra, specifiek ziekenhuisafval [SZA], vertrouwelijk papier en reguliere (afval)containers.
14 / 29
06843.0310
3 Constructieve brandveiligheid Dit hoofdstuk bevat de uitwerking op hoofdlijnen van de constructieve veiligheid in relatie tot brand, oftewel de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. De uitgebreide uitwerking van de constructieve veiligheid dient door de constructeur te gebeuren.
3.1
Bouwconstructie
Met bouwconstructie wordt bedoeld het deel van een (draag)constructie gelegen in of grenzend aan een brandcompartiment, waarvan het bezwijken leidt tot het bezwijken van een bouwconstructie in een ander brandcompartiment. Een bouwconstructie is elk onderdeel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen. De bouwconstructies dienen, afhankelijk van de gebouwhoogte, een zekere een brandwerendheid met betrekking tot bezwijken te bezitten. Op deze wijze kan het bouwwerk veilig worden verlaten en door de brandweer doorzocht worden, zonder gevaar voor instorting buiten het brandende brandcompartiment. Omdat in bouwdeel Q geen vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 meter boven het meetniveau wordt gerealiseerd, gelden géén directe eisen aan de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de bouwconstructies.
3.2
Vluchtroutes
Bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken. Hiermee wordt gewaarborgd dat vluchtroutes die nog niet onbruikbaar zijn geworden als gevolg van brand- en rookverschijnselen, ook niet onbruikbaar worden als gevolg van het bezwijken van een vloer, trap of hellingbaan onder of boven de vluchtroute. Met de gehanteerde brandtechnische indeling van het bouwdeel (zie hoofdstuk 5) wordt aan de gestelde eis voldaan. Door de gekozen brandtechnische indeling zijn al maatregelen noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de brandwerendheidseisen zoals vermeld in paragraaf 3.3. Daarnaast hoeft geen rekening gehouden te worden met een brand in het (sub)brandcompartiment waardoor de vluchtroute voert.
3.3
Standzekerheid brandwerende scheidingen bij brand
De draagconstructies van alle scheidingsconstructies waarvoor een brandwerendheidseis met betrekking tot de scheidende functie geldt (niet zijnde een bouwconstructie zoals bedoeld in § 3.1), moeten op basis van de NEN 6068 met een brandwerendheid op bezwijken worden uitgevoerd die ten minste gelijk is aan de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie (om de standzekerheid van die brandwerende scheidingsconstructies bij brand te kunnen waarborgen). Aandachtpunt hierbij is de (leiding)kelder onder bouwdeel Q en het verloop van de brandscheiding in bouwdeel Q die maakt dat daar aan (delen van) de constructie (indirecte) eisen voor weerstand tegen bezwijken bij brand van kracht zijn. Door de constructeur dienen de daarvoor benodigde voorzieningen bepaald te worden.
06843.0310
15 / 29
4 Ontstaan en ontwikkeling van brand en rook Ten behoeve van de beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en ter beperking van de ontwikkeling van brand en rook, worden eisen gesteld aan het brandgedrag van de toegepaste constructieonderdelen/afwerkingsmaterialen. Door deze bepalingen wordt ervoor gezorgd dat de aanwezige personen zich kunnen (blijven) oriënteren en voldoende snel het gebouw kunnen verlaten.
4.1
Binnen- en buitenoppervlak
Het Bbl stelt eisen aan binnen- en buitenoppervlakken van constructieonderdelen en de afwerking van vloeren en daken met betrekking tot de mate van brand- en rookontwikkeling. Deze eisen zijn ingedeeld in brand- en rookklassen en dienen bepaald te worden volgens NEN-EN 13501-1 en NEN 6063. De (voor het bouwplan van toepassing zijnde) eisen zijn samengevat in tabel 4.1.1. Tabel 4.1.1 Eisen aan brand- en rookklassen van [constructieonderdelen Constructieonderdeel
Binnenoppervlak Buitenoppervlak
Overige ruimten Dichte (niet-transparante) geveldelen Deur, raam, kozijn en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen Bovenzijde dak * Randvoorwaarde conform NEN 6068.
Brandklasse / rookklasse wanden, gevels vloeren, trappen en plafonds en hellingbanen D / s2 Dfl / s1fl B* / geen eis Dfl / geen eis D / geen eis n.v.t. Niet-brandgevaarlijk*
Vanuit het Bbl gelden de volgende eisen aan de brand- en rookklasse van elektrische leidingen en pijpisolatie: Pijpisolatie - Grenzend aan de binnenlucht: • Overige ruimten: DL-s2(L) (NEN-EN 13501-1); - Grenzend aan de buitenlucht: • Overige ruimten: DL (NEN-EN 13501-1); Elektrische leidingen - Grenzend aan de binnenlucht: • Overige ruimten: Dca-s2(ca) (NEN-EN 13501-6); - Grenzend aan de buitenlucht: • Overige ruimten: Dca (NEN-EN 13501-6). Voor alle voorgenoemde eisen geldt dat: • Maximaal 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte is vrijgesteld van de eisen aan de brandklasse; • Maximaal 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte is vrijgesteld van de eisen aan de rookklasse (met uitzondering van de ruimten met de status ‘extra beschermde vluchtroute’, daarvoor geldt een percentage van ten hoogste 5%). Van alle beoogde constructie-onderdelen en afwerkingsmaterialen moet door middel van erkende kwaliteitsverklaringen (testrapporten, attesten, etc.) aangetoond kunnen worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
16 / 29
06843.0310
4.2
Schacht, koker of kanaal
Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal (met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m²) grenzend aan meer dan één brandcompartiment, voldoet aan brandklasse A2 (bepaald volgens NEN-EN 13501-1). Uitgezonderd is ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de binnenzijde van de schacht. Eventueel (in de toekomst) aanwezige schachten dienen aan de gestelde eisen te voldoen. Door middel van erkende kwaliteitsverklaringen (testrapporten, attesten, etc.) moet aangetoond kunnen worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
06843.0310
17 / 29
5 Beheersbaarheid van brand en rook Een gebouw dient zodanig te zijn dat de kans op een snelle uitbreiding van brand en verspreiding van rook voldoende wordt beperkt. Daartoe worden eisen gesteld aan de (sub)brandcompartimentering, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) en weerstand tegen rookdoorgang (WRD).
5.1
Brandcompartimentering
Het gebouw wordt opgedeeld in meerdere brandcompartimenten zoals vermeld in tabel 5.1.1. Met de gehanteerde brandcompartimentering wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare brandcompartimentsgrootte van 1.000 m². Tabel 5.1.1 Brandcompartimentering bouwdeel Q Brandcompartiment
Gebruiksoppervlakte [m²] (leiding)kelder
begane grond
1e verdieping
Totaal
BC-F0-xx
-
906**
-
906
BC-F0-yy
-
208***
-
208
BC-Q0-01
*
770
-
770
*
Aangezien de kruipruimte een inwendige hoogte heeft van minder dan 1,5 m is de gebruiksoppervlakte van die ruimte 0 m² terwijl de ruimte brandtechnisch wel onderdeel uitmaakt van een brandcompartiment of zelf een brandcompartiment vormt.
** Betreft 106 m² in bouwdeel Q en 800 m² in bestaand bouwdeel F. *** Betreft 33 m² in bouwdeel Q en 175 m² in bestaand bouwdeel F.
Er zijn in bouwdeel Q geen technische ruimten aanwezig die op basis van de gebruiksoppervlakte of gezamenlijke nominale belasting van de opgestelde verbrandingstoestellen uitgevoerd moeten worden als afzonderlijk brandcompartiment. Daar waar sprake is van opslag van milieugevaarlijke stoffen in bouwdeel Q en/of op het naastliggende milieuplein zullen ook die stoffen daar, in specifiek daarvoor bestemde (waar nodig brandwerend uitgevoerde) voorzieningen, worden opgeslagen. In de tekening ‘BLW10-Q--F5--00-001’met referentie ‘BRV-BC-BD-Q-00’ is deze indeling in brandcompartimenten schematisch weergegeven. De brandtechnische indeling van het bestaande bouwdeel F is te herleiden van de tekening van Vakwerk architecten met kenmerk ‘BLW10-F--B1--00'.
5.2
Subbrandcompartimentering
Gezien de loopafstanden en het te overbruggen hoogteverschil is nadere subbrandcompartimentering op basis van het Bbl niet vereist, zie hoofdstuk 6. Een brandcompartiment is dus ook een subbrandcompartiment.
5.3
Beschermde subbrandcompartimentering
De aanwezigheid van beschermde subbrandcompartimenten is niet vereist.
18 / 29
06843.0310
5.4
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
5.4.1 Eisen Voor alle brandcompartimenten is een WBDBO-eis van ten minste 60 minuten gehanteerd, bepaald volgens de NEN 6068. 5.4.2 Branddoorslag Voor inwendige scheidingsconstructies (wanden en vloeren) worden de in paragraaf 5.4.1 genoemde WBDBO-eisen rechtstreeks vertaald in een brandwerendheidseis (criteria conform NEN 6069). Deuren in deze scheidingen moeten zelfsluitend worden uitgevoerd. In de tekeningen BLW10-Q--F5-K1-002’, ‘BLW10-Q--F5--00-002’, ‘BLW10-Q--F5--01-002’ met referentie ‘BRV-BTI-BD-Q-K1’, ‘BRVBTI-BD-Q-00’, ‘BRV-BTI-BD-Q-01’ is de vereiste brandwerendheid van de scheidingsconstructies en zelfsluitendheid van deuren schematisch weergegeven. 5.4.3 Brandoverslag De WBDBO-eis van de uitwendige scheidingsconstructies hoeft niet persé gerealiseerd te worden door voldoende brandwerende scheidingsconstructies toe te passen. Bij uitwendige scheidingsconstructies neemt immers de warmtestralingsflux vanuit een brandcompartiment af bij een toenemende afstand. Uiteindelijk zou deze afstandsbijdrage zo groot kunnen worden, dat deze geheel in de vereiste WBDBO voorziet. Wanneer de noodzakelijke WBDBO niet in voldoende afstand kan wordt gerealiseerd, dan zijn brandwerende voorzieningen in uitwendige scheidingsconstructies noodzakelijk.
De brandoverslagrisico’s zijn bepaald op basis van modelmatige berekeningen conform de NEN 6068 met behulp van het computerprogramma Pintegraal, versie 8.02.02. Brandoverslag zal conform de NEN 6068 niet optreden wanneer de berekende warmtestralingsflux op de gevelopeningen van de doelgevel de grenswaarde van 15 kW/m² niet overschrijdt. In bijlage B1 van deze rapportage zijn de uitgebreide brandoverslagberekeningen met uitgangspunten opgenomen. Beoordeeld zijn de brandoverslagtrajecten zoals vermeld in tabel 5.4.1. Tabel 5.4.1 Beoordeelde brandoverslagtrajecten Van
Naar
Beschrijving traject
BC-Q0-01
Fictief aanwezig veronderstelde bovenliggende bouwlaag
•
Verticale brandoverslagrisico's tussen de brandcompartimenten;
BC-Q0-01
BC-F0-xx
•
Horizontale brandoverslagrisico's tussen de brandcompartimenten;
BC-Q0-01
BC-F0-yy
•
Horizontale brandoverslagrisico's tussen de brandcompartimenten;